Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

2. De ruilwaarde die uit de circulatie komt, zichzelf vooronderstelt, zichzelf erin handhaaft en zichzelf vermenigvuldigt door middel van arbeid

{I. 1. Algemeen begrip van het kapitaal. – 2. Eigenschappen van het kapitaal: circulair kapitaal, vast kapitaal. (Kapitaal als bestaansvoorwaarde [Lebensmittel], als grondstof, als arbeidsinstrument.) 3. Kapitaal als geld. II. 1. Hoeveelheid kapitaal. Accumulatie. – 2. Het kapitaal op zich genomen. Winst. Rente. Waarde van het kapitaal: d.w.z. kapitaal dat zich onderscheidt van zichzelf als rente en winst. 3. De circulatie van de kapitalen. α) Ruil van kapitaal met kapitaal. Ruil van kapitaal met revenuen. Kapitaal en prijzen. β) Concurrentie van kapitalen. γ) Concentratie van kapitalen. III. Kapitaal als krediet. IV. Kapitaal als aandelenkapitaal. V. Kapitaal als een geldmarkt. VI. Kapitaal als bron van rijkdom. De kapitalist. Na het kapitaal zou dan het grondeigendom moeten worden behandeld. Dan de loonarbeid. Alle drie veronderstellen prijsbewegingen, zoals de circulatie nu gedefinieerd is in haar interne totaliteit. Aan de andere kant de drie klassen, als productie in haar drie basisvormen en vooronderstellingen van de circulatie. Dan de staat. (Staat en burgerlijke maatschappij. – De belasting of het bestaan van onproductieve klassen. – De staatsschuld. – De bevolking. – De staat extern: kolonies. Buitenlandse handel. Wisselkoers. Geld als internationale munt. – Ten slotte de wereldmarkt. Invloed [übergreifen] van de burgerlijke maatschappij op de staat. De crises. Ontbinding van de productiewijze en de maatschappijvorm, gebaseerd op ruilwaarde. De echte invoering van de individuele arbeid als maatschappelijk en vice versa.)}

(Niets is zo fout als de wijze waarop de maatschappij door zowel economen als socialisten wordt bekeken in relatie tot de economische omstandigheden. Proudhon bv. zegt tegen Bastiat (XVI, 29):

Voor de maatschappij bestaat het verschil tussen kapitaal en product niet. Dit verschil is geheel subjectief, en gerelateerd aan de individuen.”

Het noemt dus juist subjectief wat maatschappelijk is; en de subjectieve abstractie noemt hij de maatschappij. Het verschil tussen product en kapitaal is nu juist dat het product, als kapitaal, uitdrukking geeft aan een bepaalde verhouding die behoort tot een historische vorm van de maatschappij. Deze zogenaamde beschouwing vanuit het standpunt van de maatschappij betekent niets anders dan het over het hoofd zien van de verschillen die de maatschappelijke verhouding uitdrukken (verhouding van de burgerlijke maatschappij). De maatschappij bestaat niet uit individuen, maar drukt de som uit van de relaties, de verhoudingen, waarin deze individuen tot elkaar staan. Alsof iemand wil zeggen: vanuit het standpunt van de maatschappij bestaan slaven en burgers niet, beiden zijn mensen. Zij zijn dat veeleer buiten de maatschappij. Slaaf zijn en burger zijn, zijn maatschappelijke bepalingen, verhoudingen tussen de mensen A en B. De mens A is geen slaaf als zodanig. Hij is een slaaf in en door de maatschappij. Wat Proudhon hier zegt over kapitaal en product betekent dat er vanuit het standpunt van de maatschappij geen verschil is tussen kapitalisten en arbeiders, een verschil dat net bestaat vanuit het standpunt van de maatschappij).

(Proudhon in zijn polemiek tegen Bastiat: “Gratuité du Crédit” komt er op neer dat hij de ruil tussen kapitaal en arbeid wil reduceren tot de eenvoudige ruil van goederen als ruilwaarden, tot de momenten van de eenvoudige circulatie, d.w.z. juist abstraheert van het specifieke verschil waar alles van afhangt. Hij zegt:

“Elk product wordt op een gegeven moment kapitaal, want alles wat geconsumeerd wordt, wordt op een gegeven moment reproductief geconsumeerd.” [p. 177] Dit is erg fout, maar doet niets. Waardoor verandert het begrip product, plotseling in dat van kapitaal? Het is het waardebegrip. D.w.z. dat het product, om kapitaal te worden, een reële waardebepaling moet ondergaan, moet zijn gekocht of verkocht, de prijs ervan moet zijn besproken en vastgesteld door een soort juridische overeenkomst. Zo is bv. het leer dat het slachthuis verlaat het product van de slachter. Is dit leer gekocht door de leerlooier? Onmiddellijk draagt deze het, of brengt deze waarde naar zijn magazijn. Door de arbeid van de leerlooier wordt dit kapitaal opnieuw een product, enz. [pp. 179-180]

Elk kapitaal is hier “een voltooide waarde”. Geld is de “meest volmaakte waarde”, de valeur faite met de hoogste potentie. D.w.z.: 1. Het product wordt kapitaal door waarde te worden. Of kapitaal is niets anders dan simpele waarde. Er is geen verschil tussen hen. Vandaar dat hij afwisselend spreekt over waren (het natuurlijke ervan uitgedrukt als product), en waarde, of liever, omdat hij uitgaat van de handeling van kopen en verkopen, prijs. 2. Aangezien geld verschijnt als de voltooide vorm van waarde zoals het is in de eenvoudige circulatie, is dus ook geld de ware valeur faite).

De overgang van eenvoudige ruilwaarde en de circulatie in kapitaal kan ook op deze manier worden uitgedrukt: in de circulatie verschijnt de ruilwaarde tweemaal: eenmaal als waar, de andere keer als geld. Als het in de ene bepaling bestaat, bestaat het niet in de andere. Dit geldt voor elke aparte waar. Maar de hele circulatie, op zich, ligt in het feit dat dezelfde ruilwaarde, de ruilwaarde als subject, de ene keer bestaat als waar, de andere keer als geld, en juist de beweging moet zich in deze dubbele bepaling plaatsen en zich in elk van hen handhaven als zijn tegendeel, in de waar als geld en in het geld als waar. Dit echter, dat op zich aanwezig is in de eenvoudige circulatie, wordt er niet in geponeerd. De ruilwaarde die als eenheid van goederen en geld wordt vastgesteld, is kapitaal, en deze vaststelling zelf verschijnt als de circulatie van kapitaal. (Die echter een spiraal is, een zich verwijdende curve, niet een eenvoudige cirkel).

Laten we eerst de eenvoudige functies binnen de verhouding tussen kapitaal en arbeid analyseren, om de interne samenhang – zowel van deze functies als van hun verdere ontwikkelingen – met het eerdere te vinden.

De eerste voorwaarde is dat kapitaal aan de ene kant staat en arbeid aan de andere, beide als zelfstandige figuren tegenover elkaar; beide dus ook vreemd ten opzichte van elkaar. De arbeid die tegenover het kapitaal staat, is vreemde arbeid, en het kapitaal dat tegenover de arbeid staat, is vreemd kapitaal. De uitersten die tegenover elkaar staan zijn specifiek verschillend. In het eerste, de eenvoudige ruilwaarde, werd arbeid zodanig bepaald dat het product geen onmiddellijke gebruikswaarde voor de arbeider was, geen direct middel van bestaan. Dit was de algemene voorwaarde voor het ontstaan van ruilwaarde en van ruil in het algemeen. Anders zou de arbeider slechts een product hebben voortgebracht – een onmiddellijke gebruikswaarde voor hemzelf – maar geen ruilwaarde. Deze ruilwaarde werd echter gematerialiseerd in een product dat als zodanig gebruikswaarde had voor anderen en als zodanig het voorwerp was van hun behoeften. De gebruikswaarde die de arbeider aan het kapitaal te bieden heeft, die hij ook aan anderen te bieden heeft, is niet gematerialiseerd in een product, bestaat helemaal niet buiten hem om, dus niet werkelijk, maar alleen naar mogelijkheid, als zijn vermogen. Zij wordt pas reëel zodra zij door het kapitaal wordt gevraagd, in beweging wordt gezet, want activiteit zonder een voorwerp is niets, of hoogstens gedachte-activiteit, waarover wij het hier niet hebben. Zodra zij door het kapitaal in beweging is gebracht, bestaat deze gebruikswaarde als de specifieke, productieve activiteit van de arbeider; zij is zijn levenskracht zelf, gericht op een specifiek doel en zich dus uitend in een specifieke vorm.

In de verhouding kapitaal en arbeid worden ruilwaarde en gebruikswaarde tegenover elkaar gesteld; de ene zijde (kapitaal) staat allereerst als ruilwaarde tegenover* de andere zijde, en de andere zijde (arbeid) staat tegenover kapitaal als gebruikswaarde. In de eenvoudige circulatie kan elk van de goederen afwisselend in de ene of in de andere functie worden beschouwd.

* {Is waarde niet op te vatten als de eenheid van gebruikswaarde en ruilwaarde? Is waarde als zodanig, en voor zichzelf, de algemene vorm, tegenover gebruikswaarde en ruilwaarde als de bijzondere vormen ervan? Is dit belangrijk in de economie? Gebruikswaarde wordt ook verondersteld in eenvoudige ruil of zuivere ruil. Maar hier, waar de ruil alleen plaatsvindt omwille van onderling gebruik van de waar, heeft de gebruikswaarde, d.w.z. de inhoud, de natuurlijke bijzonderheid van de waar als zodanig, geen bestaan als een economische vorm. De vormfunctie is veeleer de ruilwaarde. De inhoud buiten deze vorm is irrelevant; zij is niet de inhoud van de verhouding als een maatschappelijke verhouding. Maar ontwikkelt deze inhoud zich als zodanig niet in een systeem van behoeften en productie? Treedt de gebruikswaarde als zodanig niet in de vorm zelf, als bepalend voor de economische vorm zelf, bv. in de verhouding tussen kapitaal en arbeid? De verschillende vormen van arbeid? – Landbouw, industrie, enz. – grondrente? – invloed van de seizoenen op de grondstofprijzen? enz. Als alleen de ruilwaarde als zodanig een rol speelt in de economie, hoe kunnen dan later elementen hun intrede doen die puur betrekking hebben op de gebruikswaarde, zoals bv. in het geval van kapitaal als grondstof enz. Hoe verzeilt plotseling de fysieke kwaliteit van de grond bij Ricardo, enz.? Het woord waar (Duits Güter misschien als denrée [gebruikswaarde] in onderscheid van marchandise? [ruilwaarde]) bevat de relatie. De prijs verschijnt als een loutere formele bepaling ervan. Dat de ruilwaarde de overheersende factor is, is daarmee geenszins in tegenspraak. Maar het gebruik houdt natuurlijk niet op door alleen bepaald te worden door de ruil; hoewel het natuurlijk zijn koers daardoor krijgt. In elk geval moet dit nauwkeurig worden onderzocht bij het onderzoek van de waarde, en niet, zoals Ricardo doet, er louter van abstraheren, noch, zoals de saaie Say, belangrijk maken met de loutere vooronderstelling van het woord “nut”. Bovenal zal en moet in de ontwikkeling van de afzonderlijke delen blijken in hoeverre de gebruikswaarde niet slechts als een veronderstelde substantie buiten de economie en haar vormfuncties blijft, en in hoeverre zij er deel van uitmaakt. Proudhons wartaal zie de “Misère”. Zoveel is al zeker: in de ruil hebben we (in de circulatie) de waar – gebruikswaarde – als prijs; het spreekt vanzelf dat het, afgezien van zijn prijs, een waar is, een voorwerp van behoefte. De twee bepalingen staan in het geheel niet met elkaar in betrekking, behalve in zoverre de bijzondere gebruiks[waarde] verschijnt als de natuurlijke begrenzing van de waar en dus het geld, d.w.z. zijn ruilwaarde, tegelijkertijd als een bestaan naast zichzelf in geld, maar alleen formeel. Geld zelf is een waar, het heeft een gebruikswaarde als substantie.}

In beide gevallen, beschouwd als een waar, stapt het uit de circulatie als een voorwerp van de behoefte en valt het geheel buiten de economische verhouding. Als de waar wordt gefixeerd als ruilwaarde-geld, komt het tot dezelfde vormloosheid, maar vallend binnen de economische verhouding. In elk geval hebben de goederen slechts een belang in de ruilverhouding (eenvoudige circulatie), voor zover zij ruilwaarde hebben; daarentegen heeft hun ruilwaarde slechts een tijdelijk belang, in die zin dat zij de eenzijdigheid opheft met betrekking tot het individu en dus rechtstreeks voor hem bestaat, nuttig, de gebruikswaarde opheft, maar niet deze gebruikswaarde zelf; veeleer bemiddelt zij haar als gebruikswaarde voor anderen, enz. Maar voor zover de ruilwaarde als zodanig gefixeerd is in het geld, staat de gebruikswaarde er slechts als abstracte chaos tegenover; en juist door de scheiding van zijn substantie stort het in en drijft het weg uit de sfeer van de eenvoudige ruilwaarde, waarvan de hoogste beweging de eenvoudige circulatie is en waarvan de hoogste volmaaktheid het geld is. Binnen de sfeer zelf bestaat het verschil echter in feite alleen als een oppervlakkig verschil, een louter formeel onderscheid. Het geld zelf is in zijn hoogste fixatie weer een waar en als zodanig verschilt het alleen van de andere waren doordat het de ruilwaarde perfect uitdrukt, maar juist daarom verliest het als munt zijn ruilwaarde als een immanentie en wordt het louter gebruikswaarde, zij het gebruikswaarde voor de prijsbepaling enz. van de waren. De functies vallen nog steeds rechtstreeks samen en lopen even rechtstreeks uiteen. Waar zij zich onafhankelijk van elkaar gedragen, positief, zoals in de waar, dat het voorwerp van consumptie wordt, houdt het op een moment van het economisch proces te zijn; waar negatief, zoals in het geld, wordt het gekte; gekte echter als een moment van economie en bepalend voor het praktische leven van de volkeren.

We hebben eerder gezien dat men niet kan zeggen dat de ruilwaarde wordt gerealiseerd in de eenvoudige circulatie. Maar dit is zo, omdat de gebruikswaarde als zodanig niet tegenover haar staat, als een op zichzelf bepaalde gebruikswaarde; terwijl omgekeerd de gebruikswaarde als zodanig niet tegenover de ruilwaarde staat, maar slechts een bepaalde ruilwaarde wordt door het gemeenschappelijke van de gebruikswaarden – zijnde arbeidstijd - dat er als een externe norm op wordt toegepast. Hun eenheid valt nog steeds onmiddellijk uiteen, en hun verschil valt nog steeds onmiddellijk samen. Dat de gebruikswaarde als zodanig wordt door de ruilwaarde en dat ruilwaarde zichzelf bemiddelt door de gebruikswaarde is nu duidelijk gesteld. In de geldcirculatie hadden we slechts twee verschillende vormen van ruilwaarde (de warenprijs – geld) of verschillende gebruikswaarden (waar – W), waarvoor het geld, ruilwaarde, slechts een verdwijnende bemiddeling is. Een reële verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde heeft niet plaatsgevonden. De waar als zodanig – zijn bijzonderheid – is dus ook een onverschillige, slechts toevallige en algemeen ingebeelde inhoud, die buiten de economische vormverhouding valt; of de economische vormverhouding is een louter oppervlakkige vorm, een formele bepaling, buiten het domein van de werkelijke inhoud en die er als zodanig in het geheel geen betrekking op heeft; als men dus deze vormfunctie in het geld wil vasthouden, wordt het onderhuids omgevormd tot een onverschillig natuurlijk product, een metaal, waar ook de laatste band, hetzij met het individu, hetzij met de gemeenschap van individuen, is verbroken. Metaal als zodanig drukt natuurlijk geen sociale betrekkingen uit; zelfs de beeldenaar heeft geen belang; het laatste levensteken van een sociale betekenis.

De ruilwaarde, de andere zijde tegenover de gebruikswaarde, staat er als geld, maar het geld dat haar op die manier confronteert is niet langer geld als zodanig, maar geld als kapitaal. De gebruikswaarde of de waar dat tegenover het kapitaal of de vastgestelde ruilwaarde staat, is niet meer de waar zoals het aan het geld verscheen, waarvan de vormfunctie even onverschillig was als zijn inhoud, en slechts als een of andere substantie verscheen.

1. Als gebruikswaarde voor het kapitaal, d.w.z. als ruilobject, waarmee het kapitaal zijn waarde niet verliest, zoals bv. geld, door tegen een bepaalde waar te worden geruild. Het enige nut dat een voorwerp sowieso voor het kapitaal kan hebben, is het in stand houden of vermeerderen ervan. Wij hebben bij het geld reeds gezien hoe de waarde, als zodanig verzelfstandigt – of de algemene vorm van rijkdom – niet in staat is tot een andere beweging dan een kwantitatieve, namelijk om zichzelf te vermeerderen. Volgens de opvatting is het de belichaming van alle gebruikswaarden; maar omdat er altijd slechts een bepaalde hoeveelheid geld (hier kapitaal) is, is de kwantitatieve limiet ervan in tegenspraak met de kwaliteit ervan. Het ligt dus in zijn aard om voortdurend de eigen grens te doorbreken. (Als consumptiegerichte rijkdom, bv. in het keizerlijke Rome, verschijnt zij dus als grenzeloze verspilling, die logischerwijze de consumptie tot een denkbeeldige grenzeloosheid tracht te verheffen, door het schrokken van parelsalades enz.) Want waarde, die zichzelf als waarde behoudt, de vermeerdering valt dus samen met zelfbehoud, en zich handhaaft juist door het voortdurend doorbreken van haar kwantitatieve grens, die in tegenspraak is met haar vormfunctie, haar innerlijke algemeenheid. Verrijking is dus een doel op zich. De doelbewuste activiteit van het kapitaal kan slechts verrijking zijn, d.w.z. de expansie, de vermeerdering van zichzelf. Een bepaalde som geld (en geld bestaat voor zijn bezitter altijd in een bepaalde hoeveelheid, is er altijd als een bepaalde geldsom) (dit is in het hoofdstuk over geld uiteen te zetten) kan volledig toereikend zijn voor een bepaalde consumptie, waarbij het ophoudt geld te zijn. Maar als exponent van de algemene rijkdom, kan het dat niet. Als kwantitatief bepaalde som, een beperkte som, is zij ook slechts een beperkte vertegenwoordiger van de algemene rijkdom of representant van een beperkte rijkdom die even ver gaat als haar ruilwaarde; zij wordt daar precies tegen afgemeten. Zij heeft dus geenszins het vermogen, dat zij volgens het algemene idee moet hebben, om alle genoegens, alle goederen, de totaliteit van de materiële substanties van de rijkdom te kopen; zij is geen “précis de toutes les choses” [belichaming van alle dingen], enz. Als rijkdom, als een algemene vorm van rijkdom, als waarde die meetelt, is het dus de voortdurende drang om zijn kwantitatieve grens te overschrijden: een eindeloos proces. De eigen vitaliteit bestaat uitsluitend hierin; zij handhaaft zich alleen als ruilwaarde, verschillend van gebruikswaarde, geldend voor zichzelf als ruilwaarde, doordat zij zichzelf voortdurend vermenigvuldigt. (Het zal verdomd moeilijk zijn voor de heren economen om theoretisch af te stappen van het zelfbehoud van de waarde in het kapitaal naar de vermenigvuldiging ervan; namelijk als een basisbeginsel, niet slechts als toeval of resultaat. Zie bv. Storch, hoe hij deze basisbepaling inbrengt door een bijwoord “eigenlijk”. Zeker, de economen trachten dit in te brengen in de kapitaalverhouding als essentieel, maar als dit niet gebeurt in de brutale vorm van het bepalen van kapitaal als dat wat winst oplevert, waar de kapitaalvermeerdering zelf reeds in de winst als een bijzondere economische vorm is gesteld, dan gebeurt het slechts stiekem en zeer zwak, zoals wij later zullen aantonen door alles wat de economen over de definitie van kapitaal hebben geleerd kort de revue te laten passeren. Het geleuter dat niemand zijn kapitaal zou aanwenden zonder er winst uit te halen, komt neer op ofwel de dwaasheid dat de goede kapitalisten ook kapitalisten zouden blijven zonder hun kapitaal aan te wenden; ofwel het feit dat men in een zeer banale vorm zegt dat de winstgevende aanwending inherent is aan het begrip kapitaal. Goed. – Dan moet dat bewezen worden.) Geld als geldsom wordt gemeten naar de hoeveelheid. Deze meetbaarheid is in tegenspraak met het karakter, dat op het meetloze gericht moet zijn. Alles wat hier over het geld is gezegd, geldt nog sterker voor het kapitaal, waarin het geld zich voor het eerst daadwerkelijk in een voltooid karakter ontwikkelt. Tegenover het kapitaal als zodanig kan alleen de gebruikswaarde staan, d.w.z. als nuttig, dat het als kapitaal vermeerdert, vermenigvuldigt en dus in stand houdt.

2. Kapitaal is, volgens zijn opvatting, geld, maar geld dat niet meer bestaat in de eenvoudige vorm van goud en zilver, noch als geld tegengesteld aan de circulatie, maar in de vorm van alle substanties – handelswaar. In dit opzicht is het dus niet, als kapitaal, tegengesteld aan de gebruikswaarde, maar bestaat het juist naast het geld in de gebruikswaarde. Deze substanties zijn nu dus vergankelijke substanties, die geen ruilwaarde zouden hebben als ze geen gebruikswaarde hadden; maar die hun waarde als gebruikswaarde verliezen en door het eenvoudige metabolisme van de natuur worden opgelost, als ze niet werkelijk worden gebruikt, en die heel zeker verdwijnen als ze wel werkelijk worden gebruikt. In dit opzicht kan het tegenovergestelde van het kapitaal zelf geen bijzondere waar zijn; want als zodanig vormt het geen tegenstelling tot het kapitaal, omdat de substantie van het kapitaal zelf gebruikswaarde is; het is niet deze of gene waar, maar elke waar. De gemeenschappelijke substantie van alle goederen, d.w.z. hun substantie weer niet als hun materiële substantie, d.w.z. hun fysieke zijn, maar hun gemeenschappelijke substantie als waren en daarom ruilwaarden, is dat zij geobjectiveerde arbeid zijn. {Maar het is alleen deze economische (maatschappelijke) substantie van gebruikswaarden, d.w.z. hun economisch doel als inhoud, verschillend van hun vorm ([en] als deze vorm waarde, wegens een bepaald kwantum van deze arbeid), waarvan gesproken kan worden wanneer men een tegenstelling zoekt. Wat hun natuurlijke verschillen betreft, sluit geen van hen uit dat het kapitaal er een plaats in inneemt, dat het het lichaamseigen maakt, in zoverre geen van hen de ruilwaarde en de waar uitsluit.}

Het enige verschil met geobjectiveerde arbeid is die welke niet geobjectiveerd is, maar toch zichzelf objectiveert, arbeid als subjectiviteit. Of de geobjectiveerde, d.w.z. als ruimtelijk aanwezige arbeid, kan ook als arbeid uit het verleden, tegenover de tijdelijke aanwezige arbeid staan. Voor zover het huidig is, levend aanwezig moet zijn, kan het alleen aanwezig zijn als levend subject, waarin het bestaat als vermogen, als mogelijkheid; als arbeider dus. De enige gebruikswaarde tegenover het kapitaal, is dus arbeid {en wel waarde scheppende, d.w.z. productieve arbeid. Deze zijdelingse opmerking is een anticipatie; zij moet eerst worden ontwikkeld; uiteindelijk heeft arbeid als loutere dienst ter bevrediging van onmiddellijke behoeften helemaal niets met kapitaal te maken, dat is niet de behoefte. Als een kapitalist hout laat hakken om zijn schapenvlees te braden, staat niet alleen de houthakker in relatie tot hem, maar hij ook tot de houthakker in een relatie van eenvoudige ruil. De houthakker geeft hem zijn dienst, een gebruikswaarde die het kapitaal niet vermeerdert, maar waarin het zelf verbruikt, en de kapitalist geeft hem er een andere waar voor terug in de vorm van geld. Hetzelfde geldt voor alle diensten die arbeiders rechtstreeks ruilen tegen het geld van andere personen en die door deze personen worden geconsumeerd. Het is een consumptie van inkomsten, die als zodanig altijd aanwezig is in de eenvoudige circulatie, niet van het kapitaal. Aangezien de ene tegenstander de andere niet als kapitalist tegemoet treedt, kan deze dienst niet onder de categorie van de productieve arbeid vallen. Van hoer tot paus, er is een massa van zulk gespuis. Maar ook het eerlijke en “werkende” lompenproletariaat valt daar onder; bv. grote groepen ongeschoolde krachten, enz. in de havensteden, enz. Degene die in deze relatie het geld vertegenwoordigt, eist de dienst alleen voor zijn gebruikswaarde, die voor hem onmiddellijk verdwijnt; maar de werkkracht eist geld, en aangezien de partij met het geld zich bezighoudt met de waar en de partij met de waar met het geld, volgt daaruit dat zij elkaar niet meer vertegenwoordigen dan de twee kanten van de eenvoudige circulatie; het spreekt vanzelf dat de werkkracht, als degene die met geld te maken heeft, dus rechtstreeks met de algemene vorm van rijkdom, zich probeert te verrijken ten koste van zijn geïmproviseerde vriend, en daarmee diens gevoel van eigenwaarde schaadt, temeer daar hij, een duchtige rekenaar, de dienst niet als kapitalist nodig heeft, maar als gevolg van zijn gewone menselijke zwakte. A. Smith had in wezen gelijk over productieve en niet-productieve arbeid, vanuit het standpunt van de burgerlijke economie. Wat de andere economen hiertegen inbrengen, hetzij gezeik en gezever [seichbeutelei] (bv. Storch, Senior nog knuddiger (dialect) enz.), namelijk dat elke handeling iets doet, d.w.z. het product in zijn natuurlijke en economische zin verwart; zo is ook een boef een productieve arbeider, omdat hij indirect boeken over strafrecht voortbrengt; (deze redenering is minstens even juist als wanneer een rechter een productieve arbeider zou worden genoemd omdat hij beschermt tegen diefstal). Of de moderne economen hebben zich tot zulke pluimstrijkers van de bourgeoisie gemaakt, dat zij deze laatsten willen doen geloven dat het productieve arbeid is als iemand de luizen op zijn hoofd zoekt of zijn staart aait, omdat deze laatste beweging bijvoorbeeld zijn dikke kop – domkop – de volgende dag netter zal maken voor op het kantoor. Het is dus volkomen juist – maar tegelijkertijd ook kenmerkend – dat voor de consequente economen de arbeiders van bv. ateliers productieve arbeiders zijn, terwijl de kerels die dergelijke voorwerpen consumeren uitdrukkelijk als onproductieve verkwisters worden bestempeld. In werkelijkheid zijn deze arbeiders productief voor zover zij het kapitaal van hun bazen vermeerderen; onproductief, voor zover het het materiële resultaat van hun arbeid betreft, is deze “productieve” arbeider net zo geïnteresseerd in de rotzooi die hij moet maken als de kapitalist zelf die hem gebruikt en die er ook geen moer om geeft. Beter bekeken blijkt dan inderdaad dat de ware definitie van een productieve arbeider is: een man die niet meer vraagt en eist dan nodig is, om zijn kapitalist het grootst mogelijke voordeel te kunnen brengen. Dit is allemaal onzin. Dwaling. Meer precies terugkomen op het productieve en niet-productieve.}