Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

[Ruil tussen kapitaal en arbeid]

Tegenover het kapitaal als een ruilwaarde staat de gebruikswaarde, dat is de arbeid. Het kapitaal ruilt zichzelf of is in deze in betrekking tot het niet-kapitaal, de negatie van het kapitaal, ten opzichte waarvan het alleen kapitaal is; het werkelijke niet-kapitaal is de arbeid.

Als we de ruil tussen kapitaal en arbeid bekijken, zien we dat deze uiteenvalt in twee processen die niet alleen formeel, maar ook kwalitatief verschillen en zelfs tegengesteld zijn:
1. De arbeider ruilt zijn waar, de arbeid, de gebruikswaarde, die als waar ook een prijs heeft, zoals alle andere waren, tegen een bepaalde som ruilwaarde, een bepaalde som geld, dat het kapitaal hem geeft.
2. De kapitalist ruilt de arbeid, de arbeid als waardescheppende activiteit, als productieve arbeid; d.w.z. hij ruilt de productieve kracht die het kapitaal in stand houdt en vermeerdert en die aldus de productieve kracht en de reproducerende kracht van het kapitaal wordt, een kracht die tot het kapitaal zelf behoort.

De scheiding van deze twee processen is zo duidelijk dat zij op verschillende tijdstippen kunnen plaatsvinden, en geenszins hoeven samen te vallen. Het eerste proces kan worden voltooid en is gewoonlijk tot op zekere hoogte voltooid, voordat het tweede zelfs maar begint. De voltooiing van de tweede handeling impliceert de voltooiing van het product. De betaling van de lonen kan daar niet op wachten. Wij zullen het zelfs essentieel vinden dat deze verhouding daar niet op wacht.

Bij de eenvoudige ruil, circulatie, vindt dit dubbele proces niet plaats. Als de waar a wordt geruild tegen geld b, en dit vervolgens wordt geruild tegen waar c – het oorspronkelijke ruilobject voor a, valt het gebruik van waar c, de consumptie ervan, geheel buiten de circulatie; de vorm van de verhouding is van geen belang; deze ligt buiten de circulatie en is van puur materieel belang, dat slechts een verhouding uitdrukt van individu A in zijn eenvoud tot een object van zijn ge├»soleerde behoefte. Wat het met de waar c doet, is een vraag die buiten de economische verhouding ligt. Hier verschijnt omgekeerd de gebruikswaarde van wat tegen geld wordt geruild als een speciale economische relatie, en het definitieve gebruik van wat tegen geld wordt geruild vormt het uiteindelijke doel van beide processen. Dit maakt dus reeds een formeel onderscheid tussen de ruil tussen kapitaal en arbeid enerzijds en de gewone ruil anderzijds – twee verschillende processen.

Als wij nu tevens begrijpen hoe de ruil tussen kapitaal en arbeid inhoudelijk verschilt van de eenvoudige ruil (circulatie), dan zien wij dat dit verschil niet ontstaat door een externe relatie of vergelijking, maar dat in de totaliteit van dit laatste proces de tweede vorm verschilt van de eerste, dat de vergelijking inclusief is. Het verschil tussen de tweede en de eerste handeling – namelijk dat het specifieke proces van toe-eigening van arbeid door het kapitaal de tweede handeling is – is precies het verschil tussen de ruil tussen kapitaal en arbeid en de ruil van waren zoals die door het geld wordt bemiddeld. Bij de ruil tussen kapitaal en arbeid is de eerste handeling een ruil die geheel binnen de gewone circulatie valt; de tweede is een kwalitatief verschillend ruilproces, en het is slechts door misbruik dat het ruil genoemd kan worden. Het staat lijnrecht tegenover ruil; in wezen een andere categorie.

{Kapitaal. I. Algemeenheid: 1. a) Kapitaal uit geld. b) Kapitaal en arbeid (bemiddeld door vreemde arbeid). c) De bestanddelen van het kapitaal, uitgesplitst naar hun verhouding tot de arbeid (product, materiaal, arbeidsinstrument). 2) Bijzonderheden van het kapitaal: a) circulerend kapitaal, vast kapitaal. Omzet [Umlauf] van kapitaal. 3. Het kapitaal individueel. Kapitaal en winst. Kapitaal en rente. Kapitaal als waarde, verschillend van zichzelf als rente en winst.

II. Bijzonderheid: 1. accumulatie van kapitalen. 2. concurrentie van kapitalen. 3. concentratie van kapitalen (kwantitatief verschil van kapitaal als tegelijkertijd kwalitatief, als maatstaf voor omvang en effect ervan).

III. Individueel: 1. kapitaal als krediet. 2. kapitaal als aandelenkapitaal. 3. kapitaal als geldmarkt. Op de geldmarkt wordt kapitaal in zijn totaliteit gesteld; daarin is het prijsbepalend, werkgevend, reguleert het de productie, in één woord een bron van productie; maar kapitaal niet alleen als producent van zichzelf (materieel door industrie enz., prijsbepalend, productiekrachten ontwikkelend), maar tegelijk als schepper van waarden moet het een waarde of vorm van rijkdom stellen die specifiek verschilt van kapitaal. Dit is de grondrente. Het is de enige waardecreatie van het kapitaal, als een waarde, die verschilt van zichzelf, de eigen productie. Zowel door zijn aard als door zijn geschiedenis is het kapitaal de schepper van het moderne grondbezit, de grondrente; en die actie blijkt ook de ontbinding van het oude grondbezit te zijn. Het nieuwe ontstaat door de actie van het kapitaal op het oude. Kapitaal is – zo bekeken – de maker van de moderne landbouw. De economische verhoudingen van het moderne grondbezit, dat als een proces verschijnt: grondrente – kapitaal – loonarbeid (de conclusie kan ook anders worden geformuleerd: als loonarbeid – kapitaal – grondrente; maar kapitaal moet altijd het actieve midden zijn) is de interne constructie van de moderne maatschappij, of het kapitaal het geheel van haar betrekkingen.

De vraag is nu hoe de overgang van grondbezit naar loonarbeid tot stand komt. (De transitie van loonarbeid naar kapitaal is vanzelfsprekend, aangezien het kapitaal hier teruggaat naar zijn actieve basis). Historisch gezien is de transitie onbetwistbaar. Het ligt al in het feit dat grondbezit het product van kapitaal is. Wij stellen dus overal vast dat waar, door de reactie van het kapitaal op de oudere vormen van grondbezit, dit laatste wordt omgezet in geldrente (hetzelfde gebeurt op een andere manier waar de moderne boer ontstaat), en dus tegelijk de landbouw, zoals die door het kapitaal wordt geëxploiteerd, wordt omgezet in industriële agronomie, het noodzakelijk is dat de keuters, horigen, leenboeren, erfpachters, dagloners, enz., loonarbeiders worden. De loonarbeid in zijn totaliteit komt tot stand door het effect van het kapitaal op het grondbezit en vervolgens, zodra dit als vorm is gekristalliseerd, door de grondeigenaar zelf. Deze laatste “ontdoet” dan, zoals Steuart zegt, het land van zijn overtollige monden, rukt de kinderen der aarde los van de borst waarop zij zijn grootgebracht, en verandert zo het landwerk zelf, dat door zijn aard de directe bron van het levensonderhoud lijkt, in een bemiddelde bron van levensonderhoud, een bron die louter afhankelijk is van maatschappelijke verhoudingen. (De wederzijdse afhankelijkheid moet eerst zuiver worden uitgewerkt voordat aan echte sociale gemeenschappelijkheid kan worden gedacht. Alle verhoudingen zoals bepaald door de maatschappij, niet zoals bepaald door de natuur). Dit alleen maakt de toepassing van wetenschap mogelijk en ontwikkelt haar volledige productieve kracht.

Er kan dus geen twijfel over bestaan dat de loonarbeid in zijn klassieke vorm, die de gehele maatschappij breed doordringt en de aarde zelf heeft vervangen als fundament van de maatschappij, in eerste instantie alleen tot stand is gekomen door modern grondbezit, d.w.z. door grondbezit als een door het kapitaal gecreëerde waarde. Daarom leidt de grondeigendom terug naar loonarbeid. Enerzijds is het niets anders dan de overheveling van loonarbeid van de steden naar het platteland, d.w.z. loonarbeid die over de gehele oppervlakte van de samenleving is verspreid. De oude landeigenaar, die rijk is, heeft geen kapitalist nodig om een moderne landeigenaar te worden. Hij heeft enkel zijn arbeiders om te vormen tot loonarbeiders en te produceren voor winst in plaats van voor een inkomen. Dan zijn in zijn persoon de moderne pachter en de moderne grondeigenaar verondersteld. Dit is echter geen formeel verschil, dat de vorm waarin hij zijn revenu verwerft, of de vorm waarin de arbeider betaald wordt, verandert; het veronderstelt een totale verandering van de productiewijze (van de landbouw); het veronderstelt dus voorwaarden die gebaseerd zijn op een zekere ontwikkeling van industrie, handel en wetenschap, kortom, van de productiekrachten. Zoals in het algemeen de productie op basis van kapitaal en loonarbeid niet alleen formeel verschilt van andere productiewijzen, maar ook een totale omwenteling en ontwikkeling van de materiële productie veronderstelt. Hoewel het kapitaal als handelskapitaal zich volledig (zij het nog niet kwantitatief) kan ontwikkelen zonder deze transformatie van het grondbezit, kan het zich niet ontwikkelen als industrieel kapitaal. Zelfs de ontwikkeling van de industrie veronderstelt een beginnende ontbinding van de oude economische verhoudingen van de grondeigendom. Anderzijds wordt deze specifieke ontbinding pas de nieuwe vorm in zijn totaliteit en breedte, zodra de moderne industrie hoogontwikkeld is, die zelf echter steeds sneller vooroploopt naarmate de moderne landbouw, de overeenkomstige vorm van eigendom, de overeenkomstige economische verhouding, zich verder hebben ontwikkeld. Vandaar dat Engeland in dit opzicht een modelland is voor de andere continentale landen. Op dezelfde wijze: indien de eerste vorm van industrie, de grote manufactuur, de ontbinding van het grondbezit veronderstelt, dan wordt deze weer geconditioneerd door de mindere ontwikkeling van het kapitaal in de steden, in zijn nog onontwikkelde vormen (middenstand), en tegelijk door de invloed van de manufactuur, die in andere landen tegelijk met de handel tot bloei kwam (zo had Holland in de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw invloed op Engeland). In deze landen had dit proces reeds plaatsgevonden en was de landbouw opgeofferd aan de veeteelt en werd graan door middel van import (Holland weer) geïmporteerd uit achtergebleven landen, zoals Polen, enz.

Men mag niet vergeten dat de nieuwe productiekrachten en productieverhoudingen zich niet uit het niets, noch uit de hemel, noch uit een idee ontwikkelen, maar binnen en tegen de bestaande ontwikkeling van de productie en de overgeleverde traditionele eigendomsverhoudingen in. Als in het voltooide burgerlijke systeem elke economische verhouding de andere in de burgerlijke economische vorm veronderstelt, en dus elke wet tegelijkertijd een voorwaarde is, dan is dit het geval met elk organisch systeem. Dit organisch systeem zelf als totaliteit heeft zijn voorwaarden, en zijn ontwikkeling tot totaliteit bestaat juist daarin [in] het ondergeschikt maken van alle elementen van de maatschappij aan zichzelf of het scheppen van de organen die zij nog ontbeert. Zo wordt het historisch gezien een totaliteit. Het worden van deze totaliteit is een moment van zijn proces, van zijn ontwikkeling. Aan de andere kant, wanneer binnen een maatschappij de moderne productieverhoudingen, d.w.z. het kapitaal, zich tot een totaliteit heeft ontwikkeld, en deze maatschappij nu een nieuw terrein inneemt, zoals bv. in de koloniën, dan ontdekt het, met name haar vertegenwoordiger, de kapitalist, dat zonder loonarbeid zijn kapitaal ophoudt kapitaal te zijn en dat een van de voorwaarden daarvoor niet alleen grondeigendom in het algemeen is, maar modern grondeigendom; grondeigendom dat duur is als gekapitaliseerde rente en als zodanig het directe gebruik van de aarde door individuen uitsluit. Vandaar Wakefields koloniale theorie, in de praktijk gevolgd door de Engelse regering in Australië. Het grondbezit wordt hier kunstmatig duurder gemaakt om de arbeiders in loonarbeiders te veranderen, om het kapitaal als kapitaal te laten werken, en aldus de nieuwe kolonie productief te maken; om er rijkdom te ontwikkelen, in plaats van ze, zoals in Amerika, te gebruiken voor het leveren [Lieferung] van loonarbeiders. Wakefields theorie is oneindig belangrijk voor de juiste opvatting van modern grondbezit.

– Het kapitaal, dat als grondrente ontstaat, keert dus terug naar de productie van loonarbeid als zijn algemene scheppende basis. Het kapitaal ontstaat uit de circulatie en stelt arbeid als loonarbeid; vormt zich op deze wijze, en geheel ontwikkeld stelt het de grondeigendom, zowel als voorwaarde en als tegenstelling. Maar het blijkt dat zij daarmee slechts de loonarbeid als algemene voorwaarde heeft geschapen. Dit moet nu op zich worden beschouwd. Daarentegen blijkt het moderne grondbezit zelf het machtigst in het proces van verjagen en omvorming van landarbeiders tot loonarbeiders. Dus een dubbele overgang naar loonarbeid. Dit is de positieve kant. Negatief, nadat het kapitaal de grondeigendom tot stand bracht en aldus zijn dubbel doel heeft bereikt: 1. de industriële landbouw en daarmee de ontwikkeling van de productieve kracht van de aarde; 2. de loonarbeid, d.w.z. de algemene dominantie van het kapitaal over het land, het beschouwt het bestaan van de grondeigendom zelf als een louter tijdelijke ontwikkeling, noodzakelijk als een actie van het kapitaal op de oude grondeigendomsverhoudingen en een product van hun ontbinding; maar dat als zodanig – wanneer dit doel eenmaal is bereikt – een beperking van de winst is, en geen noodzaak voor de productie. Het is er dus op gericht de grondeigendom als particulier bezit op te heffen en aan de staat over te dragen. Dit is de negatieve kant. Om zo de hele maatschappij om te vormen tot kapitalisten en loonarbeiders. Wanneer het kapitaal zo ver gevorderd is, is ook de loonarbeid zo ver gevorderd, dat het enerzijds de grondeigenaar als superfoetatie wil afschaffen om de verhoudingen te vereenvoudigen, de belastingen te verlichten, enz. in dezelfde vorm als de bourgeois; anderzijds eist het, om aan de loonarbeid te ontkomen en een zelfstandig producent te worden – voor onmiddellijk gebruik – de ontmanteling van het grootgrondbezit.

Grondeigendom wordt dus van twee kanten ontkend; de negatie van de kant van het kapitaal is slechts een vormverandering in zijn alleenheerschappij. (Grondrente als de algemene belasting [staatsrente], zodat de burgerlijke maatschappij het middeleeuwse systeem op een andere wijze reproduceert, maar als een complete negatie ervan). De negatie van de loonarbeid is slechts een verborgen negatie van het kapitaal, dus van zichzelf. Het moet worden beschouwd als zelfstandig tegenover het kapitaal. De overgang is dus dubbel: 1. positieve overgang van modern grondbezit of kapitaal door middel van moderne grondeigendom [naar] algemene loonarbeid; 2. negatieve overgang: ontkenning van de grondeigendom door het kapitaal, dus ontkenning van zelfstandige waarde door het kapitaal, dus juist ontkenning van het kapitaal door zichzelf. Maar de ontkenning ervan is loonarbeid. Dan de ontkenning van het grondbezit en, daardoor, van het kapitaal aan de kant van de loonarbeid. D.w.z. loonarbeid die zich wil opwerpen als zelfstandig}.

{De markt, die in het begin in de economie verschijnt als een abstract doel, neemt totale vormen aan. Ten eerste, de geldmarkt. Dit omvat de wisselmarkt; in het algemeen de obligatiemarkt; d.w.z. de geldhandel, goud- en zilvermarkt. Als een kredietmarkt [Geldleihmarkt] verschijnt het bij de banken, bv. het disconto, waarvoor zij disconteren: obligatiemarkt, wisselmakelaars, enz.; maar dan ook als de markt van alle rentegevende waardepapieren: staatsfondsen en aandelenmarkt. De laatste zijn verdeeld in grotere groepen: allereerst de aandelen van de financiële instellingen zelf; bankaandelen; aandelen van naamloze vennootschappen; aandelen in communicatiemiddelen (spoorwegaandelen zijn het belangrijkst; aandelen in kanalen; aandelen in de stoomvaart, telegrafie-aandelen, omnibusaandelen); aandelen van algemene industriële ondernemingen (mijnaandelen zijn het belangrijkst). Vervolgens voor de levering van algemene elementen (gasaandelen, waterleidingaandelen). Veelzijdigheid tot in het duizendvoudige. Voor de opslag van waren (havenaandelen, enz.). Diversen, tot in het oneindige, zoals ondernemingen op aandelen, industriële of handelsvennootschappen. Tenslotte, om het geheel veilig te stellen, verzekeringsaandelen van allerlei aard. Welnu, zoals de markt in zijn geheel uiteenvalt in binnenlandse en buitenlandse markten, zo valt de binnenlandse markt zelf weer uiteen in de markt voor binnenlandse aandelen, staatsobligaties enz., en buitenlandse fondsen, buitenlandse aandelen enz. In feite behoort deze ontwikkeling echter tot de wereldmarkt, die niet alleen de interne markt is ten opzichte van alle daarbuiten bestaande buitenlandse markten, maar tegelijkertijd de interne [markt] van alle buitenlandse markten als weer een bestanddeel van de thuismarkt. De concentratie van de geldmarkt in een centrum binnen een land, terwijl de andere markten meer verdeeld zijn volgens de arbeidsverdeling; hoewel ook hier een grote concentratie [in] de hoofdstad, als dit tegelijk een uitvoerhaven is. – De verschillende markten buiten de geldmarkt zijn in de eerste plaats even verschillend als de producten en de bedrijfstakken zelf. De voornaamste markten van deze verschillende producten worden gevormd in centra, die dat zijn hetzij wegens invoer of uitvoer, hetzij omdat zij zelf centra van een bepaalde productie zijn, hetzij de onmiddellijke aanvoerplaatsen van die centra. Maar deze markten gaan van dit eenvoudige verschil over tot een min of meer organische splitsing in grote groepen, die zich noodzakelijkerwijs opdelen volgens de basiselementen van het kapitaal: productmarkt en grondstoffenmarkt. Het productie-instrument als zodanig vormt geen bijzondere markt; het bestaat als zodanig voornamelijk allereerst als materiaal zelf, dat als productiemiddel wordt verkocht; vervolgens vooral in de metalen, omdat deze elke gedachte aan onmiddellijke consumptie uitsluiten, en vervolgens in producten zoals steenkool, olie, chemische stoffen, die bestemd zijn om als bijkomstig productiemiddel te verdwijnen. Hetzelfde voor verf, hout, drogerij, enz. Daarna:

I. Producten. 1. Graanmarkt met zijn verschillende onderverdelingen. Bv. zaaigoedmarkt: rijst, sago, aardappel enz. Dit is economisch zeer belangrijk; tegelijk is het een markt voor productie en voor directe consumptie. 2. Markt voor koloniale waren: koffie, thee, cacao, suiker; tabak, specerijen (peper, piment, kaneel, kaneelboom, kruidnagel, gember, foelie, nootmuskaat, enz.); 3. Vruchten. Amandelen, krenten, vijgen, pruimen, rozijnen, sultana’s, sinaasappelen, citroenen, enz. Melasse (voor productie enz.); 4. Voedingsmiddelen. Boter; kaas; spek; ham; reuzel; varkensvlees; rundvlees (gerookt), vis, enz. 5. Alcohol. Wijn, rum, bier, enz. II. Ruwe producten. 1. Grondstoffen voor de mechanische industrie. 1. Vlas; hennep; katoen; zijde; wol; huiden; leer; guttapercha enz. 2. Grondstoffen voor de chemische industrie. Kaliumcarbonaat, salpeter, terpentijn, nitraat van soda, enz. III. Grondstoffen, en tegelijk productie-instrumenten. Metalen (koper, ijzer, tin, zink, lood, staal, enz.), hout, timmerhout. Houtverf. Hout voor scheepsbouw, enz. Accessorische productiemiddelen en grondstoffen. Drogerijen en kleurstoffen. (Cochenille, indigo enz.). Teer. Talg. Olie. Kolen enz. Elk product moet natuurlijk op de markt komen; maar werkelijk grote markten, te onderscheiden van de detailhandel, worden alleen gevormd door de grote consumptieproducten (economisch belangrijk zijn alleen de graanmarkt, de thee-, suiker- en koffiemarkt; tot op zekere hoogte de wijnmarkt en de markt voor sterkedranken in het algemeen) of die welke grondstoffen voor de industrie zijn: (wol-, zijde-, hout-, metaalmarkten enz.) Te bezien valt op welk punt de abstracte categorie van de markt moet worden ingeschakeld.}

De ruil tussen arbeider en kapitalist is een eenvoudige ruil; ieder ontvangt een equivalent; de een geld, de ander een waar waarvan de prijs precies gelijk is aan het geld dat ervoor is betaald; wat de kapitalist bij deze eenvoudige ruil ontvangt is een gebruikswaarde: de beschikking over andermans arbeid. Voor de arbeider – en dit is de ruil waarin hij als verkoper verschijnt – is het duidelijk dat bij hem, evenals bij de verkoper van elke andere waar met een gebruikswaarde, het gebruik dat de koper maakt van de aan hem verkochte waar, geen rol speelt bij de vormfunctie van de verhouding. Wat de arbeider verkoopt is de beschikking over zijn arbeid, die specifiek is, een specifieke vaardigheid, enz.

Het maakt niet uit wat de kapitalist met zijn arbeid doet, ofschoon hij deze natuurlijk alleen kan gebruiken volgens haar bestemming en de beschikking zelf beperkt is tot een bepaalde arbeid en een in de tijd bepaalde beschikking daarover (zoveel en zoveel arbeidstijd). Door het systeem van stukloon lijkt het echter alsof hij een bepaald deel van het product krijgt. Maar dit is slechts een andere vorm van tijdmeting (in plaats van te zeggen dat u 12 uur werkt, zeggen wij dat u zoveel per stuk ontvangt; d.w.z. wij meten de tijd die u gewerkt hebt aan de hand van het aantal producten); hier gaat het ons niet om de algemene verhouding. Als de kapitalist zich tevreden stelt met de loutere mogelijkheid om te beschikken, zonder de arbeider werkelijk te laten werken, bijvoorbeeld om zijn arbeid als reserve te hebben, enz., of om zijn concurrent de mogelijkheid te ontnemen om te beschikken (zoals bijvoorbeeld schouwburgdirecteuren zangers kopen voor een seizoen, niet om ze te laten zingen, maar opdat ze niet zingen in een rivaliserend theater), dan heeft er een volledige ruil plaatsgevonden. In geld ontvangt de arbeider weliswaar de ruilwaarde, de algemene vorm van rijkdom in een bepaalde hoeveelheid, en het meer of minder dat hij ontvangt verschaft hem een groter of kleiner deel van de algemene rijkdom. Hoe dit min of meer wordt bepaald, hoe de hoeveelheid ontvangen geld wordt gemeten, heeft zo weinig van doen met de algemene verhouding, dat zij er als zodanig niet uit kan worden ontwikkeld. In het algemeen kan de ruilwaarde van zijn waar alleen worden bepaald, niet door de manier waarop de koper zijn waar gebruikt, maar alleen door de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid die erin aanwezig is; dat wil zeggen hier door de hoeveelheid arbeid die het kost om de arbeider zelf te produceren. Want de gebruikswaarde die hij aanbiedt, bestaat slechts als een vermogen, zijn lichamelijke capaciteit; zij heeft geen bestaan daarbuiten. De geobjectiveerde arbeid, die noodzakelijk is zowel om de algemene substantie waarin zijn arbeidsvermogen bestaat, namelijk zichzelf, lichamelijk in stand te houden als om deze algemene substantie te wijzigen voor de ontwikkeling van het bijzondere vermogen, is de daarin geobjectiveerde arbeid. Deze meet in het algemeen de hoeveelheid waarde, de som geld, die hij in ruil ontvangt. De verdere ontwikkeling van de wijze waarop het loon, evenals alle andere waren, wordt gemeten aan de arbeidstijd die nodig is om de arbeider als zodanig te produceren, hoort hier nog niet thuis.

Wanneer ik in de circulatie een waar ruil tegen geld, er waren mee koop en mijn behoefte bevredig, is de handeling ten einde. Zo ook met de arbeider. Maar hij heeft de mogelijkheid om opnieuw te beginnen, omdat zijn vitaliteit de bron is waarin zijn eigen gebruikswaarde, tot een bepaalde tijd, totdat zij versleten is, altijd opnieuw ontvlamt en altijd tegenover het kapitaal blijft staan om dezelfde ruil opnieuw te beginnen. Zoals ieder individueel subject in de circulatie is de arbeider eigenaar van een gebruikswaarde; hij ruilt deze tegen geld, tegen de algemene vorm van rijkdom, maar alleen om deze weer te ruilen tegen waren, de voorwerpen van zijn onmiddellijke consumptie, als middelen om zijn behoeften te bevredigen. Aangezien hij zijn gebruikswaarde ruilt tegen de algemene vorm van rijkdom, wordt hij deelgenoot van de algemene rijkdom tot aan de grens van zijn equivalent – een kwantitatieve grens, die echter, zoals bij elke ruil, in een kwalitatieve grens verandert. Maar hij is niet gebonden aan bepaalde artikelen, noch aan een bepaalde wijze van bevrediging. Zijn consumptie is niet kwalitatief beperkt, alleen kwantitatief. Dit onderscheidt hem van de slaaf, de horige, enz. De consumptie heeft ongetwijfeld een weerslag op de productie zelf; maar deze weerslag betreft de arbeider evenmin in zijn ruil als elke andere verkoper van waren; vanuit het standpunt van de loutere circulatie – en wij hebben nog geen andere ontwikkelde verhouding voor ons – valt zij veeleer buiten de economische verhouding. Maar terloops kan worden opgemerkt dat de betrekkelijke, slechts kwantitatief en niet kwalitatief bepaalde beperking van de consumptie van de arbeiders hun ook als consument (bij de verdere ontwikkeling van het kapitaal moet de verhouding van consumptie en productie in het algemeen nader worden beschouwd) een geheel ander belang als agent van de productie geeft dan zij bv. in de oudheid of in de middeleeuwen of in Azië bezitten en bezaten. Maar dit, zoals ik al zei, hoort hier nog niet thuis.

Ook omdat de arbeider het equivalent ontvangt in de vorm van geld, de vorm van algemene rijkdom, is hij in deze ruil een gelijke ten opzichte van de kapitalist, zoals elke andere partij in de ruil; althans, zo lijkt het. In feite wordt deze gelijkheid reeds verstoord door het feit dat zijn verhouding als arbeider tot de kapitalist, als gebruikswaarde in een specifiek van de ruilwaarde afwijkende vorm, in tegenstelling tot de als waarde vastgestelde waarde, voor deze schijnbaar eenvoudige ruil wordt verondersteld; dat hij dus reeds in een andere economisch bepaalde verhouding staat – afgezien van die van de ruil, waarin de aard van de gebruikswaarde, de bijzondere gebruikswaarde van de waar als zodanig, er niet toe doet.

Deze schijn is echter een illusie van hem en tot op zekere hoogte ook van de andere kant, en wijzigt daarom ook wezenlijk zijn verhouding in tegenstelling tot deze van de arbeiders in andere maatschappelijke productiewijzen. Maar essentieel voor hem, is het doel van de ruil voor de bevrediging van zijn behoeften. Het object van zijn ruil is het onmiddellijke object van behoefte, niet de ruilwaarde als zodanig. Hij krijgt wel geld, dat is waar, maar alleen in zijn rol als munt, d.w.z. alleen als een zichzelf opheffende en verdwijnende bemiddeling. Wat hij ruilt is dus geen ruilwaarde, geen rijkdom, maar bestaansmiddelen, waren voor het behoud van zijn activiteit, bevrediging van zijn behoeften in het algemeen, lichamelijk, sociaal, enz. Het is een zeker equivalent van geld, maar alleen in zijn bepaling als munt; d.w.z. alleen als een zichzelf opheffende bemiddeling. Het is een bepaald equivalent van bestaansmiddelen, geobjectiveerde arbeid, gemeten naar de productiekosten van zijn arbeid. Wat hij afstaat, dat is de beschikking erover. Aan de andere kant is het waar dat zelfs binnen de eenvoudige circulatie de munt tot geld kan uitgroeien, dat hij dus, voor zover hij muntstukken in ruil ontvangt, deze tot geld kan omvormen door een voorraad aan te leggen, enz., en ze aan de circulatie te onttrekken; hij kan ze vastleggen als algemene vorm van rijkdom, in plaats van een verdwijnend ruilmiddel. Men zou dus kunnen zeggen dat in de ruil van de arbeider met het kapitaal zijn object – en dus ook het product van de ruil – niet voedsel is, maar rijkdom, niet een speciale gebruikswaarde, maar ruilwaarde als zodanig. Volgens deze opvatting kan de arbeider de ruilwaarde alleen tot een eigen product maken, zoals de rijkdom in het algemeen alleen kan verschijnen als het product van de eenvoudige circulatie, waarin equivalenten worden geruild, namelijk door een substantiële bevrediging op te offeren aan de vorm van rijkdom, d.w.z. door ontzegging, sparen, beknibbelen op consumptie, en hij minder aan de circulatie onttrekt dan hij er waren in stopt. Dit is de enige mogelijke vorm van zelfverrijking, door de circulatie zelf bepaald.

De verzaking kan dan ook verschijnen in een meer actieve vorm, die er niet is in de eenvoudige circulatie, door zichzelf steeds meer rust te ontzeggen en in het algemeen zichzelf een ander bestaan dan dat van arbeider te ontzeggen, zoveel mogelijk alleen maar arbeider te zijn; vandaar dat de ruilhandeling vaker wordt vernieuwd, of kwantitatief uitgebreid, vandaar arbeidsijver. In de huidige maatschappij wordt de eis tot ijver en vooral tot sparen, en ontzegging, niet gesteld aan de kapitalisten, maar aan de arbeiders, en vooral door de kapitalisten. De huidige maatschappij stelt juist de paradoxale eis dat het ontzeggen geldt voor wie het object van de ruil het bestaansmiddel is, niet voor wie het verrijking is. De illusie dat de kapitalisten in feite “afstand doen” – en daardoor kapitalisten werden – is een eis en opvatting die alleen zin had in een tijd waarin het kapitaal zich ontwikkelt uit feodale verhoudingen enz., en is door alle verstandige moderne economen verlaten. De arbeider wordt verondersteld te sparen en er is veel drukte over spaarbanken, enz.

(Wat deze laatsten betreft, geven zelfs de economen toe, dat ook hun eigenlijke doel niet de rijkdom is, maar slechts een doelmatiger verdeling van de uitgaven, opdat zij op hun oude dag of in geval van ziekte, crisissen enz. niet ten laste komen van de armenhuizen, van de staat of van bedelen (kortom, opdat zij ten laste komen van de arbeidersklasse zelf en niet van de kapitalisten, vegeterend uit de zakken van laatstgenoemden), d.w.z. opdat zij sparen voor de kapitalisten; en de productiekosten voor hen verminderen.) Maar geen econoom zal ontkennen dat als de arbeider in het algemeen, dat wil zeggen als arbeider (wat de individuele arbeider doet of kan doen los van zijn genus kan slechts bestaan als uitzondering, niet als regel, want het ligt niet in het doel van de verhouding), dat wil zeggen als regel, aan deze eisen zou voldoen (afgezien van het verlies dat het zou toebrengen aan de algemene consumptie – het verlies zou enorm zijn – dat wil zeggen, ook aan de productie, dus ook aan het aantal en de massa van de ruilingen die zij met het kapitaal kunnen doen, dus aan zichzelf als arbeiders), zou hij absoluut middelen aanwenden die hun eigen doel teniet zouden doen en zou hij hem juist moeten degraderen tot de Ier, tot het stadium van de loonarbeider, waar het meest dierlijke minimum aan behoeften, aan levensmiddelen, hem als het enige voorwerp en doel van zijn ruil met het kapitaal verschijnt. Met het doel rijkdom te verwerven, in plaats van gebruikswaarde, zou hij niet alleen geen rijkdom verwerven, maar bovendien de gebruikswaarde verliezen bij de transactie. Want in de regel zou maximale arbeidsijver, en minimale consumptie – en dit is het maximum van zijn verzaking en geldmakerij – tot niets anders leiden dan dat hij een minimumloon zou ontvangen voor een maximum aan arbeid. Door die inspanning zou hij alleen het algemene niveau van de productiekosten van de eigen arbeid, dus de algemene prijs ervan, verlagen. Het is slechts bij uitzondering dat de arbeider door wilskracht, fysieke kracht en doorzettingsvermogen, gierigheid, enz. zijn muntstuk in geld kan veranderen, als een uitzondering in zijn klasse en de algemene bestaansvoorwaarden. Indien allen of de meerderheid te ijverig zijn (voor zover de ijver in de moderne industrie aan hen wordt overgelaten, hetgeen niet het geval is in de belangrijkste en meest ontwikkelde bedrijfstakken), verhogen zij niet de waarde van hun waar, maar slechts de hoeveelheid ervan, dat wil zeggen, de eisen die er als gebruikswaarde aan zouden worden gesteld. Indien zij allen sparen, zal een algemene loonsverlaging hen weer bij de les brengen; want het veralgemeende sparen toont de kapitalist dat de lonen in het algemeen te hoog zijn, dat zij meer bezitten dan het equivalent van hun koopwaar, de beschikkingsmacht over hun arbeid; want het is juist de essentie van de eenvoudige ruil – en in deze verhouding staan zij – dat niemand méér in de circulatie brengt dan er aan wordt onttrokken, maar er ook alleen aan kan onttrekken wat er in is gebracht. Een enkele arbeider kan alleen boven het niveau ijverig zijn, meer dan hij moet zijn om als arbeider te leven, omdat een ander onder het niveau zit, luier is; hij kan alleen sparen omdat en wanneer een ander verspilt.

Het enige wat hij gemiddeld met zijn spaarzaamheid kan bereiken, is het gelijkmaken van de prijzen – de hoge en de lage – om hun verloop beter te kunnen dragen; dus alleen om zijn genoegens doelmatiger te verdelen, niet om rijkdom te verwerven. En dit is ook de eigenlijke eis van de kapitalisten. De arbeiders moeten in goede tijden zoveel sparen dat zij in de slechte tijden min of meer kunnen leven, arbeidstijdverkorting of loonsverlaging kunnen verdragen, enz. (Hij zou dan nog dieper zakken.) Dus eisen dat zij zich altijd beperken tot een minimum aan levensgenoegens en de crisissen van de kapitalisten verlichten, enz. Zij moeten puur werkende machines zijn en zoveel mogelijk hun eigen slijtage betalen. Afgezien van de pure verdierlijking waarin dit zou uitlopen – en een dergelijke verdierlijking maakt het onmogelijk om zelfs maar te streven naar rijkdom in de algemene vorm, als geld, als geaccumuleerd geld, (en het aandeel dat de arbeider heeft in de hogere, ook geestelijke genoegens; het behartigen van zijn eigen interesses, het lezen van kranten, het luisteren naar lezingen, het opvoeden van kinderen, het ontwikkelen van smaak, enzovoort, zijn enige aandeel in de beschaving dat hem scheidt van de slaaf, is economisch gezien alleen mogelijk door de uitbreiding van zijn genoegens in goede tijden, d.w.z. in tijden waarin sparen tot op zekere hoogte mogelijk is) zou hij, als hij zijn geld op een behoorlijke ascetische manier spaarde en zo premies opstapelde voor het lompenproletariaat, boeven, enz., die evenredig met de vraag zouden toenemen, zou hij zijn spaargeld – als het het spaarbedrag bij de officiële spaarbanken overtreft, die hem een minimum aan rente betalen, zodat de kapitalisten hoge rentes uit zijn spaargeld kunnen slaan, of de staat het opeet, waardoor hij alleen maar de macht van zijn tegenstander en zijn eigen afhankelijkheid vergroot – kunnen conserveren en productief maken door het alleen maar in banken e.d. te stoppen zodat hij in tijden van crisis zijn spaargeld verliest, nadat hij in tijden van voorspoed van alle geneugten des levens heeft afgezien, om de macht van het kapitaal te vergroten; hij heeft dus in alle opzichten gespaard voor het kapitaal en niet voor zichzelf.

Overigens – voor zover het geen hypocriete frase is van burgerlijke “filantropie”, die erin bestaat de arbeider af te schepen met “vrome wensen” – eist elke kapitalist inderdaad dat zijn arbeiders sparen, maar alleen zijn arbeiders, want zij staan tegenover hem als arbeiders; geenszins de overige arbeiderswereld, want zij zijn tegenover hem consumenten. Ondanks alle “vrome” woorden zoekt hij dus alle middelen om hen tot consumptie aan te zetten, om zijn waren een nieuwe attractie te geven, om nieuwe behoeften aan te praten, enz. Het is juist deze kant van de verhouding tussen kapitaal en arbeid, dat een essentieel beschavingsmoment is en waarop de historische rechtvaardiging, maar ook de huidige macht van het kapitaal is gebaseerd. (Deze verhouding tussen productie en consumptie te ontwikkelen onder: kapitaal en winst, enz.) (of ook onder accumulatie en concurrentie van kapitalen.)

Dit zijn echter allemaal exoterische overwegingen, in zoverre zij bewijzen dat de eisen van de hypocriete burgerlijke filantropie zichzelf oplossen en zo precies bevestigen wat zij verondersteld worden te weerleggen, namelijk dat in de ruil van de arbeider met het kapitaal hij in de verhouding van de eenvoudige circulatie staat, dat wil zeggen dat hij geen rijkdom ontvangt, maar alleen levensonderhoud, gebruikswaarden voor onmiddellijke consumptie. Dat de claim in strijd is met de verhouding zelf, blijkt uit eenvoudige overdenking (de onlangs zelfgenoegzaam naar voren gebrachte eis om de arbeiders een bepaald aandeel in de winst te geven, moet worden behandeld in de afdeling loonarbeid; anders dan een speciale bonus die zijn doel alleen kan bereiken als een uitzondering op de regel en in feite ook in de praktijk van betekenis beperkt blijft tot het inkopen door individuele opzichters enz. in het belang van de patroon tegen de belangen van hun klasse; of bedienden enz., kortom, niet langer de eenvoudige arbeider, dus ook niet de algemene verhouding; of anders is het een speciale manier om de arbeider te bedriegen en een deel van het arbeidsloon in te houden in de meer precaire vorm van een winst die afhangt van de toestand van het bedrijf), dat, wil het spaargeld van de arbeider niet louter een circulatieproduct blijven – gespaard geld, dat alleen te gelde kan worden gemaakt door vroeg of laat te worden omgezet in de wezenlijke inhoud van de rijkdom, in genoegens – het opgebouwde geld zelf kapitaal moet worden, d.w.z. arbeid moet kopen, zich moet verhouden tot de arbeid als gebruikswaarde. Het gaat dus weer uit van arbeid, dat geen kapitaal is, en veronderstelt dat arbeid zijn tegendeel is geworden – niet-arbeid. Om kapitaal te worden, gaat het zelf uit van arbeid als niet-kapitaal ten opzichte van kapitaal. Dus het ontstaan van tegenstellingen die op één punt moeten worden overstegen op een ander punt. Als dus in de oorspronkelijke verhouding de waar zelf het voorwerp en het product van de ruil van de arbeider zou zijn – als het product van louter ruil kan het geen ander product zijn – geen gebruikswaarde, geen levensmiddel, geen bevrediging van onmiddellijke behoeften, geen onttrekking aan de circulatie van het equivalent, dat wat erin gestopt is om het door consumptie te vernietigen – dan zou de arbeid tegenover het kapitaal staan, niet als arbeid, niet als niet-kapitaal, maar als kapitaal. Maar zelfs het kapitaal kan niet tegenover het kapitaal staan, als het kapitaal niet tegenover de arbeid staat, want het kapitaal is slechts kapitalist als niet-arbeider; in deze tegengestelde verhouding. Zo zou het begrip en de verhoudingen van het kapitaal zelf vernietigd worden.

Dat er omstandigheden zijn waarin zelfstandig werkende eigenaars met elkaar ruilen, dat wordt zeker niet ontkend. Maar dergelijke voorwaarden zijn niet de maatschappelijke condities waarin het kapitaal als zodanig ontwikkeld is; zij worden dus ook op alle punten door die ontwikkeling vernietigd. Het kan zich alleen als kapitaal opwerpen door arbeid als niet-kapitaal, als zuivere gebruikswaarde te beschouwen. (Als slaaf heeft de arbeider ruilwaarde, een waarde; als vrije loonarbeider heeft hij geen waarde; het is veeleer zijn beschikking over zijn arbeid, die tot stand komt door met hem te ruilen, die waarde heeft. Niet hij staat tegenover de kapitalist als ruilwaarde, maar de kapitalist tegenover hem. Zijn waardeloosheid en waardevermindering is de conditie van het kapitaal en de voorwaarde van de vrije arbeid in het algemeen. Linguet beschouwt het als een stap terug; hij vergeet dat de arbeider daarmee formeel wordt gesteld als een persoon die voor zichzelf nog iets is naast zijn arbeid en die zijn levensuiting slechts verkoopt als middel voor zijn eigen leven. Zolang de arbeider als zodanig ruilwaarde heeft, kan industrieel kapitaal als zodanig niet bestaan, en dus kan ontwikkeld kapitaal in het geheel niet bestaan. Daartegenover moet de arbeid staan als pure gebruikswaarde, die door de eigenaar als een waar wordt aangeboden tegen zijn ruilwaarde [de munt], die echter in de hand van de arbeider pas reëel wordt door haar rol als algemeen ruilmiddel; anders verdwijnt ze). Goed. De arbeider bevindt zich dus in de verhouding van een eenvoudige circulatie, van een eenvoudige ruil, en ontvangt alleen muntstukken voor zijn gebruikswaarde; levensmiddelen, maar bemiddeld. Deze vorm van bemiddeling is, zoals wij hebben gezien, essentieel en kenmerkend voor de verhouding. Dat hij muntstukken kan omzetten in geld – kan sparen – bewijst alleen dat zijn verhouding die van een eenvoudige circulatie is; hij kan meer of minder sparen, maar verder dan dat komt hij niet; hij kan wat hij heeft gespaard alleen realiseren door zijn genoegens tijdelijk uit te breiden. Dit is belangrijk – en ingrijpend op de verhouding zelf – dat, doordat geld het product is van zijn ruil, de algemene rijkdom als illusie haar voortstuwt; haar industrieel maakt. Tegelijkertijd schept dit niet alleen formeel een ruimte van willekeur voor de verwezenlijking van ...

[Het manuscript stopt hier. Wat ontbreekt is gereconstrueerd aan de hand van een tekstpassage uit bladzijde A van notitieboek II van het manuscript uit 1861-1863. Marx had deze passage blijkbaar overgenomen van pagina 29 van notitieboek II van de Grundrisse, zoals blijkt uit de voortzetting van de laatste zin van de verloren gegane pagina op pagina 8 van notitieboek III. Vanaf bladzijde 8 van notitieboek III van het manuscript volgt een tekst die de voortzetting is van notitieboek II. De eerste zeven bladzijden van III bevatten het onvoltooide ontwerp over Bastiat en Carey, dat een paar maanden eerder was geschreven.]

{In deze ruil ontvangt de arbeider het geld in feite alleen als munt, d.w.z. als de verdwijnende vorm van het levensmiddel waartegen hij het ruilt. Bestaansmiddelen, niet rijkdom, [zijn] voor hem het doel van de ruil.
Arbeidsvermogen wordt het kapitaal van de arbeider genoemd, omdat het het fonds is dat hij niet verbruikt middels een geïsoleerde ruil, maar dat hij tijdens zijn leven als arbeider steeds weer kan herhalen. Volgens deze opvatting zou alles kapitaal zijn dat een fonds is van herhaalde}

[Hieronder het vervolg van de ontbrekende pagina.]
processen van hetzelfde onderwerp; zo zou bv. de substantie van het oog het kapitaal van de begeerte zijn, enz. Zulke belletristische zinnen, waarbij alles naar analogie onder alles wordt gerangschikt, kunnen geestig lijken wanneer zij voor het eerst worden uitgesproken, en des te meer naarmate zij het meest ongelijksoortige identificeren. Maar als ze herhaald worden, en dan ook nog eens met een regelrechte zelfgenoegzaamheid herhaald worden als verklaringen met wetenschappelijke waarde, zijn ze puur en simpelweg belachelijk. Alleen goed voor belletristische nieuwelingen en praatjesmakers die alle wetenschap besmeuren met hun zoetsappige smurrie. Dat de arbeid voor de arbeider steeds een nieuwe bron van ruil is, zolang hij tot arbeid in staat is – namelijk niet tot een ruil op zich, maar een ruil met het kapitaal – ligt in de begripsbepaling zelf, dat hij slechts een tijdelijke beschikking over zijn arbeidsvermogen verkoopt, d.w.z. dat hij de ruil steeds opnieuw kan beginnen, zodra hij de juiste hoeveelheid materie heeft opgenomen om zijn leven [Lebensäusserung] opnieuw te reproduceren. In plaats van hun verbazing hierop te richten – en de arbeider te beschouwen als schuldplichtig aan het kapitaal voor het feit dat hij al leeft en elke dag bepaalde levensprocessen kan herhalen zodra hij geslapen en gegeten heeft – hadden de glunderende pluimstrijkers van de burgerlijke economie veeleer hun aandacht moeten richten op het feit dat hij, na voortdurend herhaalde arbeid, alleen zijn levende, directe arbeid heeft om te ruilen. De herhaling zelf is in feite slechts schijn. Wat hij ruilt tegen het kapitaal is zijn volledige arbeidscapaciteit, die hij, laten we zeggen, in 20 jaar besteedt. In plaats van het hem in één keer uit te betalen, betaalt het kapitaal hem in kleine hoeveelheden, naarmate het hem ter beschikking komt, bv. wekelijks. Dit verandert dus absoluut niets aan de aard van de zaak en rechtvaardigt niets minder dan de conclusie dat, aangezien de arbeider 10-12 uur moet slapen voordat hij in staat is zijn arbeid en de ruil daarvan met het kapitaal te herhalen - die arbeid zijn kapitaal vormt. Wat als kapitaal wordt opgevat, is in feite de limiet, de onderbreking van zijn arbeid, hij is geen perpetuum mobile. De strijd om de tienurendag enz., bewijst dat de kapitalist niets liever wil dan zijn dosissen levenskracht zo veel mogelijk zonder onderbreking te versjacheren.

Wij komen nu tot het tweede proces dat, na deze ruil, de verhouding vormt tussen arbeid en kapitaal. Wij willen hier alleen nog aan toevoegen dat de economen de bovenstaande zin zo verwoorden: dat het loon niet productief is. Voor hen betekent productief zijn, natuurlijk, rijkdom produceren. Aangezien het loon het product is van de ruil tussen arbeider en kapitaal – en het enige product dat in deze handeling zelf wordt gesteld – geven zij toe dat in deze ruil de arbeider geen rijkdom produceert, noch voor de kapitalist – want deze betaalt geld voor een gebruikswaarde – en deze betaling is de enige functie van het kapitaal in deze verhouding – het afstand doen van rijkdom, niet het scheppen ervan, en daarom probeert hij zo weinig mogelijk te betalen; noch voor de arbeider, omdat het hem alleen levensmiddelen oplevert, bevrediging van individuele behoeften, meer of minder – nooit de algemene vorm van rijkdom, nooit rijkdom. Dat kan ook niet, want de inhoud van de waar die hij verkoopt, plaatst haar geenszins boven de algemene circulatiewetten: door de waarde die hij in circulatie brengt, ontvangt hij een equivalent, door middel van muntstukken, in een andere gebruikswaarde die hij consumeert. Zo’n operatie kan natuurlijk nooit verrijkend zijn, maar moet de uitvoerder aan het eind van het proces precies terugbrengen naar het beginpunt. Dit sluit, zoals wij hebben gezien, niet uit, maar wel veeleer in, dat de cirkel van zijn onmiddellijke bevrediging, nauwer of breder kan zijn. Anderzijds, als de kapitalist – die in deze ruil nog helemaal niet als kapitalist wordt gezien, maar alleen als geld – deze handeling keer op keer zou herhalen, zou zijn geld spoedig door de arbeider zijn geconsumeerd die het zou uitgeven aan een reeks andere genoegens, herstelde broeken, gepoetste laarzen – kortom, ontvangen diensten. In ieder geval zou de herhaling van deze operatie precies worden afgemeten aan de limiet van zijn beurs. Het zou hem niet meer verrijken dan het uitgeven van geld aan andere gebruikswaarden voor zijn dierbare personen, die, zoals we weten, hem geen geld – opleveren, maar hem geld kosten.

Het kan vreemd lijken dat, aangezien in de verhouding tussen arbeid en kapitaal, en ook in deze eerste ruilverhouding tussen beide, de arbeider de ruilwaarde koopt en de kapitalist de gebruikswaarde, waarbij arbeid niet als een gebruikswaarde maar als de gebruikswaarde tegenover kapitaal staat, de kapitalist rijkdom ontvangt en de arbeider slechts een gebruikswaarde die vergaat in de consumptie. {Voor zover dit de kapitalisten betreft, dit pas te ontwikkelen in het tweede proces}. Dit lijkt een dialectiek te zijn die omslaat in het tegendeel van wat men zou verwachten. Maar als we beter kijken, zien we dat de arbeider die zijn waar ruilt, in het ruilproces de vorm W-G-G-W doorloopt. Als men in de circulatie de waar, de gebruikswaarde, als beginsel van de ruil neemt, komt men noodzakelijkerwijs weer bij de waar uit, in die zin dat het geld slechts als munt verschijnt en als ruilmiddel slechts een verdwijnende bemiddeling is; maar de waar als zodanig wordt, na het doorlopen van zijn cyclus, geconsumeerd als een direct object van de behoefte. Anderzijds vertegenwoordigt kapitaal G-W-W-G; het tegenovergestelde moment.

De scheiding van eigendom en arbeid lijkt de noodzakelijke wet van deze ruil tussen kapitaal en arbeid. Arbeid, als niet-kapitaal als zodanig, is: 1. niet-geobjectiveerde arbeid, negatief opgevat (zelf nog objectief; het niet-geobjectiveerde zelf in objectieve vorm). Als zodanig is het niet-basismateriaal, niet-arbeidsinstrument, niet-ruw product: arbeid gescheiden van alle arbeidsmiddelen en -objecten, van al zijn objectiviteit. De levende arbeid die bestaat als een abstractie van deze momenten van zijn werkelijke werkelijkheid (eveneens niet-waarde); deze volledige ontbloting, ontdaan van alle objectiviteit, zuiver subjectief bestaan van de arbeid. Arbeid als absolute armoede: armoede, niet als gebrek, maar als de volledige uitsluiting van objectieve rijkdom. Of ook als de bestaande niet-waarde en dus zuiver objectieve gebruikswaarde, die zonder bemiddeling bestaat, kan deze objectiviteit er slechts een zijn die niet van de persoon gescheiden is: slechts een die samenvalt met zijn onmiddellijk lichamelijke zijn. In die mate dat de objectiviteit puur onmiddellijk is, is het evenzeer onmiddellijk niet-objectiviteit. Met andere woorden, geen objectiviteit die buiten het onmiddellijke bestaan van het individu zelf valt. 2. Niet-geobjectiveerde arbeid, niet-waarde, positief opgevat, of als negativiteit ten opzichte van zichzelf, is het niet-geobjectiveerde, dus niet-objectieve, d.w.z. subjectieve bestaan van de arbeid zelf. Arbeid niet als een object, maar als een activiteit; niet als zelf een waarde, maar als de levende bron van waarde. De algemene rijkdom, tegenover het kapitaal, waarin het objectief als werkelijkheid bestaat, als een algemene mogelijkheid van hetzelfde, die zich als zodanig in actie bewijst. Het is dus geenszins tegenstrijdig, of liever gezegd de in alle opzichten tegenstrijdige stelling dat arbeid enerzijds absolute armoede is als object, en anderzijds de algemene mogelijkheid van rijkdom als subject en als activiteit, onderling afhankelijk zijn en volgen uit het wezen van de arbeid, zoals het door het kapitaal wordt voorondersteld als zijn tegenstrijdigheid en als zijn tegenstrijdig wezen, en zoals het op zijn beurt het kapitaal veronderstelt.

Het laatste punt waarop moet worden gewezen bij arbeid als tegengesteld aan kapitaal, is dat het, als gebruikswaarde tegenover het als kapitaal gestelde geld, niet deze of gene arbeid is, maar arbeid als zodanig, abstracte arbeid; absoluut onverschillig voor zijn bijzondere bepaaldheid, maar in staat tot elke bepaaldheid. Natuurlijk moet met de bijzondere substantie waaruit een bepaald kapitaal bestaat, ook de arbeid als zodanig overeenstemmen; maar omdat het kapitaal als zodanig onverschillig staat tegenover elke bijzonderheid van zijn substantie, en zowel de totaliteit ervan als de abstractie van al zijn bijzonderheden, heeft de arbeid waarmee het wordt geconfronteerd, subjectief dezelfde totaliteit en abstractie in zich. Bijvoorbeeld in de gilde- en ambachtelijke arbeid, waar het kapitaal zelf geborneerd is, geheel verzonken in een bepaalde substantie, en daarom nog geen kapitaal als zodanig is, verschijnt de arbeid ook als verzonken in een bijzondere bepaaldheid: niet in de totaliteit en abstractie als de arbeid zoals die tegenover het kapitaal staat. Dat wil zeggen, de arbeid is inderdaad in elk afzonderlijk geval een bijzondere arbeid; maar het kapitaal kan tegenover elke bijzondere arbeid komen te staan; de totaliteit van alle arbeid staat er potentieel tegenover, en het is toevallig welke arbeid er tegenover komt te staan.

Anderzijds is de arbeider zelf volstrekt onverschillig voor de specificiteit [Bestimmtheit] van zijn arbeid; deze heeft voor hem als zodanig geen belang, maar slechts in zoverre zij arbeid is en als zodanig gebruikswaarde heeft voor het kapitaal. Drager zijn van de arbeid als zodanig, d.w.z. van arbeid als gebruikswaarde voor het kapitaal, dat is zijn economisch karakter; hij is een arbeider in tegenstelling tot de kapitalist. Dit is niet het karakter van ambachtslieden, gildebroeders, enz., wier economisch karakter juist ligt in het specifieke van hun arbeid en een verhouding tot een bepaalde meester, enz. Deze economische verhouding – het karakter van de kapitalist en de arbeider als de uitersten van een productieverhouding – wordt dus des te zuiverder en adequater ontwikkeld naarmate de arbeid elke kundigheid [Kunstcharakter] verliest; haar bijzondere vaardigheid wordt steeds meer iets abstracts, onverschilligs, en zij wordt steeds meer pure abstracte activiteit, puur mechanische, dus onverschillige activiteit, onverschillig voor haar bijzondere vorm; zuiver formele activiteit of, wat hetzelfde is, zuiver materieel, activiteit in het algemeen, onverschillig voor de vorm. Ook hier zien we hoe de bijzondere productieverhouding van de categorie – hier kapitaal en arbeid – pas waar wordt bij de ontwikkeling van een bepaalde materiële productiewijze en een bepaalde fase in de ontwikkeling van de industriële productiekrachten. (Dit punt zal later in verband met deze verhouding bijzonder worden uitgewerkt; omdat het hier reeds in de verhouding zelf wordt gesteld, terwijl het in het geval van de abstracte begrippen, ruilwaarde, circulatie, geld, nog meer binnen onze subjectieve beschouwing ligt.)

2. We komen nu aan de tweede kant van het proces. De ruil tussen kapitaal of de kapitalist en de arbeider is nu voltooid, voor zover het het ruilproces betreft. Het gaat nu over tot de verhouding van het kapitaal tot de arbeid als gebruikswaarde. Arbeid is niet alleen de gebruikswaarde tegenover het kapitaal, maar het is de gebruikswaarde van het kapitaal zelf. Als het niet-zijn van geobjectiveerde waarden, is arbeid hun niet-geobjectiveerd zijn, hun ideale zijn; de mogelijkheid van waarde en, als activiteit, het bepalen van waarde. Tegenover het kapitaal is het slechts de abstracte vorm, de loutere mogelijkheid van waardescheppende activiteit, die slechts bestaat als capaciteit, vermogen, in het fysieke van de arbeider. Maar in de reële activiteit door contact met het kapitaal – het kan er niet uit zichzelf in komen, want het is objectloos – wordt het een reële waardebepalende, productieve activiteit. Relationeel tot het kapitaal, kan de activiteit alleen bestaan in de reproductie van zichzelf - de manier om dit te bereiken is de reële en effectieve waarde ervan te handhaven en te verhogen, en niet de louter beoogde waarde, zoals in geld als zodanig. Door de ruil met de arbeider heeft het kapitaal zich de arbeid toegeëigend; het is één van zijn momenten geworden, die nu als een bevruchtende vitaliteit werkt op zijn enige bestaande en dus dode objectiviteit.

Kapitaal is geld (ruilwaarde op zichzelf), maar het is niet langer geld als bestaand in een bepaalde substantie en dus uitgesloten van andere substanties van ruilwaarde en naast hen bestaand, maar veeleer geld als geld dat zijn ideale karakter verkrijgt uit alle substanties, uit de ruilwaarden van elke vorm en wijze van geobjectiveerde arbeid. Voor zover kapitaal, als geld dat bestaat in alle bijzondere vormen van geobjectiveerde arbeid, nu in proces treedt met arbeid die niet geobjectiveerd is maar levend, bestaand als proces en handeling, is het allereerst dit kwalitatieve verschil van de substantie waarin het bestaat met de vorm waarin het nu ook bestaat als arbeid. Het is het proces van dit onderscheid en van de opheffing ervan, waarin het kapitaal zelf een proces wordt.

De arbeid is het gist dat erin gegooid wordt en doet gisten. Enerzijds moet de objectiviteit waaruit het bestaat worden verwerkt, d.w.z. door de arbeid verbruikt; anderzijds moet de subjectiviteit van de arbeid als loutere vorm worden overstegen en moet zij worden geobjectiveerd in het materiaal van het kapitaal. De verhouding van het kapitaal, wat zijn inhoud betreft, tot de arbeid, van de geobjectiveerde arbeid tot de levende arbeid – in deze verhouding, waarin het kapitaal passief lijkt ten opzichte van de arbeid, is het zijn passieve bestaan, als bijzondere substantie, dat zich voordoet ten opzichte van de arbeid als vormende activiteit – kan slechts de verhouding zijn van de arbeid tot zijn objectiviteit, (dat al moet uiteengezet worden in het eerste hoofdstuk, dat vooraf moet gaan aan [dat van] de ruilwaarde en betrekking heeft op de productie in het algemeen) – en in relatie tot de arbeid als activiteit heeft de substantie, de geobjectiveerde arbeid, slechts twee verhoudingen, die van ruw materiaal, d.w.z. van de vormloze substantie, van louter materiaal voor de vormgevende, doelgerichte activiteit van de arbeid, en die van het instrument van de arbeid, van het geobjectiveerde middel waarmee de subjectieve activiteit een object als geleider invoegt, tussen zichzelf en het object.

Het begrip product, dat de economen hier introduceren, hoort hier helemaal niet thuis als een aspect dat zich onderscheidt van het materiaal en het arbeidsinstrument. Het verschijnt als resultaat, niet als voorwaarde van het proces tussen de passieve inhoud van het kapitaal en de arbeid als activiteit. Voorwaarde is dat het product geen verschillende verhouding heeft van het object tot de arbeid, het materiaal en het arbeidsinstrument, aangezien het materiaal en het arbeidsinstrument, omdat zij de waardesubstantie zijn, zelf reeds geobjectiveerde arbeid, producten, zijn. De waardesubstantie is helemaal niet de bijzondere natuurlijke substantie, maar de geobjectiveerde arbeid. Die verschijnt zelf weer met betrekking tot de levende arbeid als materiaal en arbeidsinstrument. Als men alleen de productie als zodanig beschouwt, kan het arbeidsinstrument en het materiaal in de natuur voorkomen, zodat men zich deze slechts hoeft toe te eigenen, d.w.z. ze tot voorwerp en middel van de arbeid te maken, wat zelf geen arbeidsproces is. Voor hen verschijnt het product dus als kwalitatief anders en is het product niet slechts het resultaat van de arbeid via het instrument op het materiaal, maar als de eerste objectivering van de arbeid. Als bestanddelen van het kapitaal zijn het materiaal en het arbeidsinstrument echter zelf reeds geobjectiveerde arbeid, d.w.z. product. Daarmee is de verhouding nog niet uitgeput. Bijvoorbeeld, bij een productie zonder ruilwaarden, zonder kapitaal, kan het arbeidsproduct het middel en voorwerp worden van nieuwe arbeid. Bijvoorbeeld in de landbouw die puur gebruikswaarde produceert. De boog van de jager, het visnet van de visser, kortom, de eenvoudigste voorwaarden veronderstellen reeds een product, dat ophoudt een product te zijn en materiaal wordt of, met name, productie-instrument, want dit is eigenlijk de eerste specifieke vorm waarin het product verschijnt als reproductiemiddel. Deze verhouding is dus geenszins een uitputting van de verhouding waarin materiaal en arbeidsinstrument verschijnen als momenten van het kapitaal.

De economen brengen het product overigens in een heel ander opzicht in als een derde element van de substantie van het kapitaal. Het is het product, voor zover het voorbestemd is om zowel uit het productieproces als uit de circulatie te gaan, en het rechtstreekse voorwerp te zijn van individuele consumptie, het levensmiddelenfonds, zoals Cherbuliez het noemt. Namelijk de vooropgestelde producten, zodat de arbeider als arbeider leeft en tijdens de productie kan leven, voordat een nieuw product wordt geproduceerd. Dat de kapitalist dit vermogen bezit, is te danken aan het feit dat elk bestanddeel van het kapitaal geld is en als zodanig kan worden omgezet, als de algemene vorm van rijkdom, in een substantie van diezelfde rijkdom, een consumptieartikel. Het levensmiddelenfonds van de economen heeft dus alleen betrekking op de arbeiders, d.w.z. op het geld in de vorm van gebruiksvoorwerpen, gebruikswaarde, die zij van de kapitalist ontvangen bij de onderlinge ruil. Maar dit hoort bij de eerste handeling. Voor zover dit eerste verband houdt met het tweede, is dat hier nog niet aan de orde. De enige scheiding die door het productieproces wordt aangebracht, is de oorspronkelijke scheiding, aangebracht door het verschil tussen de geobjectiveerde arbeid en de levende arbeid, d.w.z. die tussen het materiaal en het arbeidsinstrument. Dat de economen deze vaststellingen door elkaar halen, is niet meer dan normaal, omdat zij de twee momenten van de verhouding tussen kapitaal en arbeid door elkaar moeten halen en niet mogen vasthouden aan hun specifiek verschil.

Dus: het materiaal wordt geconsumeerd doordat het wordt veranderd, door de arbeid, en het arbeidsinstrument wordt geconsumeerd doordat het in dit proces wordt verbruikt. Anderzijds wordt de arbeid ook geconsumeerd doordat zij wordt aangewend, in beweging gebracht, en zo een hoeveelheid spierkracht enz. van de arbeider wordt verbruikt, waardoor hij zichzelf uitput. Maar arbeid wordt niet alleen geconsumeerd, maar tegelijkertijd ook gefixeerd, omgezet van de vorm van activiteit in de vorm van het object; gematerialiseerd; als een wijziging van het object wijzigt het zijn eigen vorm en verandert van activiteit in Zijn [cursief van de vertaler]. Het einde van het proces is het product, waarin het materiaal verschijnt als verbonden met de arbeid en het arbeidsinstrument zich eveneens van een loutere mogelijkheid in een werkelijkheid heeft omgezet, in die zin dat het de werkelijke leider van de arbeid is geworden, maar daardoor, door zijn mechanische of chemische verhouding tot het arbeidsmateriaal, zelf in zijn statische vorm is verbruikt. Alle drie de momenten van het proces, het materiaal, het instrument, de arbeid, komen samen in een neutraal resultaat, het product. De momenten van het productieproces die zijn verbruikt om het product te maken, worden er tegelijkertijd in gereproduceerd. Het hele proces verschijnt dus als productieve consumptie, d.w.z. als consumptie die noch in het niets eindigt, noch in de loutere subjectivering van het objectieve, maar die zelf weer tot object wordt gemaakt. Consumptie is niet louter consumptie van het materiaal, maar consumptie van de consumptie zelf; in de opheffing van het materiaal, de opheffing van deze opheffing en dus de realisering ervan. De vormgevende activiteit consumeert het object en consumeert zichzelf, maar zij consumeert alleen de gegeven vorm van het object om het in een nieuwe objectieve vorm te realiseren, en zij consumeert zichzelf alleen in haar subjectieve vorm als activiteit. Zij consumeert het objectieve van het object – de onverschilligheid voor de vorm – en het subjectieve van de activiteit; zij vormt het ene, materialiseert het andere. Als product is het resultaat van het productieproces echter gebruikswaarde.
Kijken we nu naar het tot nu toe verkregen resultaat, dan:

Ten eerste: door de toe-eigening, de inlijving van de arbeid in het kapitaal – geld, d.w.z. de handeling van het kopen van het vermogen om over de arbeider te beschikken, verschijnt hier alleen als middel om dit proces tot stand te brengen, niet als moment op zich – komt dit in gisting en wordt het een proces, een productieproces, waarin het naar zichzelf verwijst als totaliteit, als levende arbeid, niet alleen als geobjectiveerd, maar, omdat het geobjectiveerd is, [als] het loutere object van arbeid.

Ten tweede: in de eenvoudige circulatie was de substantie van de waar en van het geld zelf onverschillig voor de vormfunctie, d.w.z. voor zover de waar en het geld momenten van de circulatie bleven. Wat de substantie van de waar betreft, deze viel buiten de economische verhouding als een object van consumptie (van behoefte); het geld, voor zover zijn vorm verzelfstandigde, was nog steeds gerelateerd aan de circulatie, maar alleen negatief, en wel alleen dit negatieve verband. Gefixeerd verviel het eveneens in dode materialiteit, hield op geld te zijn. Waren en geld waren beide uitdrukkingen van ruilwaarde en alleen verschillend als algemene en bijzondere ruilwaarde. Dit verschil zelf was weer slechts een bedoeld verschil, in die zin dat beide functies in de werkelijke circulatie werden verwisseld, omdat elk, afzonderlijk beschouwd, het geld zelf een speciale waar was, en de waar als prijs zelf algemeen geld was. Het verschil was slechts formeel. Elk was slechts op het ene doel gericht omdat en in zoverre het niet op het andere was gericht. Nu echter, in het productieproces, verschilt het kapitaal zelf als vorm van zichzelf als substantie. Beide zijn tegelijk en tegelijkertijd de relatie van beide tot elkaar. Maar:

Ten derde: deze verhouding verscheen alleen nog maar op zich. Het is nog niet gesteld, of het is zelf slechts gesteld onder de bepaling van een van de twee momenten, het materiële, dat zelf wordt onderscheiden als materie (materiaal en instrument) en vorm (arbeid), en als een verhouding van de twee, als een werkelijk proces dat zelf weer een materiële verhouding is van de twee materiële elementen die de inhoud van het kapitaal vormen, en te onderscheiden zijn van de formele verhouding als kapitaal. Wanneer men het kapitaal bekijkt vanuit het gezichtspunt waarin het oorspronkelijk verschijnt onderscheiden van de arbeid, dan is er in het proces slechts sprake van een passief bestaan, van een objectief bestaan, waarin de vorm, volgens welke het kapitaal is – dat wil zeggen een voor zichzelf bestaande maatschappelijke verhouding – volledig teniet wordt gedaan. Het komt alleen binnen in het proces aan de kant van zijn inhoud als geobjectiveerde arbeid; maar dat het geobjectiveerde arbeid is, is volkomen onverschillig voor de arbeid, en zijn verhouding tot de arbeid vormt het proces; het is veeleer alleen als object, niet als geobjectiveerde arbeid, dat het in het proces komt en wordt verwerkt. Katoen dat katoengaren wordt, of katoengaren dat weefsel wordt, of het weefsel dat materiaal wordt voor het bedrukken en verven, bestaat voor de arbeid alleen als bestaand katoen, katoengaren, geweven stof. Voor zover zij zelf arbeidsproducten zijn, geobjectiveerde arbeid, komen zij in het geheel niet in een proces terecht, maar slechts als materiële existenties met bepaalde natuurlijke eigenschappen. Hoe deze zich stellen, is van geen belang voor de verhouding van de levende arbeid tot hen; voor hen bestaan zij slechts in zoverre zij onderscheidend bestaan, d.w.z. als arbeidsmateriaal. Dit, voor zover het uitgangspunt het kapitaal is in de veronderstelde geobjectiveerde arbeidsvorm. Aan de andere kant, voor zover de arbeid zelf een objectief element is geworden door de ruil met de arbeider, is het verschil met de objectieve elementen van het kapitaal zelf een objectief verschil; het ene in de vorm van rust, het andere in de vorm van activiteit. Het verband is de materiële verhouding tussen een van de elementen van het kapitaal met het andere; maar niet zijn eigen verhouding tot beide.

Zo verschijnt het enerzijds slechts als een passief object, waarin elke relatie met de vorm is opgeheven; anderzijds verschijnt het slechts als een eenvoudig productieproces, waarin het kapitaal als zodanig, verschillend van zijn substantie, niet toetreedt. Zij verschijnt zelfs niet in haar substantie, die haar toebehoort – als geobjectiveerde arbeid, want dit is de substantie van de ruilwaarde – maar alleen in de natuurlijke bestaansvorm van deze substantie, waarin alle verhouding tot de ruilwaarde, tot de geobjectiveerde arbeid, tot de arbeid zelf als de gebruikswaarde van het kapitaal – en dus alle verhouding tot het kapitaal zelf – is opgeheven. Van deze kant bekeken valt het proces van het kapitaal samen met het eenvoudige productieproces als zodanig, waarin de functie als kapitaal tenietgaat in de vorm van het proces, net zoals geld als geld tenietging in de vorm van waarde. Voor zover wij het proces tot dusver hebben bekeken, komt het kapitaal-voor-zichzelf – d.w.z. de kapitalist – er in het geheel niet aan te pas. Het is niet de kapitalist die door de arbeid als materiaal en arbeidsinstrument wordt verbruikt. Het is ook niet de kapitalist die wordt verbruikt, maar de arbeid. Het productieproces van het kapitaal verschijnt dus niet als het productieproces van het kapitaal, maar als het productieproces bij uitstek, en verschillend van de arbeid verschijnt het kapitaal in de materialiteit van materiaal en arbeidsinstrument. Het is dit – dat niet alleen een willekeurige abstractie is, maar een abstractie die in het proces zelf verdwijnt - dat de economen fixeren om het kapitaal voor te stellen als een noodzakelijk element van alle productieprocessen. Zij doen dit uiteraard alleen door te vergeten, tijdens dit proces, aandacht te besteden aan het gedrag van het kapitaal.

Het is van belang hier de aandacht te vestigen op een moment dat niet alleen uit het oogpunt van de waarneming naar voren komt, maar zich in de economische verhouding zelf afspeelt. In de eerste handeling, in de ruil tussen kapitaal en arbeid, verscheen de arbeid, als bestaande voor zichzelf, noodzakelijkerwijs als arbeider. Zo ook hier in het tweede proces: kapitaal als zodanig wordt voorgesteld als een waarde die voor zichzelf bestaat, als een egoïstische waarde, zogezegd (wat alleen in geld geambieerd werd). Maar het voor zichzelf bestaande kapitaal, dat is de kapitalist. Socialisten kunnen zeggen dat we kapitaal nodig hebben, maar niet de kapitalist. Dan verschijnt het kapitaal als een zuiver ding, niet als een productieverhouding, die, weerspiegeld in zichzelf, de kapitalist is. Ik kan het kapitaal zeker scheiden van deze individuele kapitalist, en het kan overgaan op een ander. Maar door het kapitaal te verliezen, verliest hij de kwaliteit van een kapitalist te zijn. Het kapitaal kan dus worden gescheiden van de individuele kapitalist, maar niet van de kapitalist die als zodanig tegenover de arbeider staat. Zo kan ook de individuele arbeider ophouden het arbeidend wezen-voor-zichzelf te zijn; hij kan geld erven, stelen, enz. Maar dan houdt hij op een arbeider te zijn. Als arbeider is hij slechts de arbeid die voor zichzelf bestaat. (Dit is later verder uit te werken.)