Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

[De circulatie van kapitaal]

Wij hebben gezien hoe pas aan het einde van de kringloop de ware aard van het kapitaal aan het licht komt. Wat we nu moeten bekijken is de kringloop of de omloop van het kapitaal. Oorspronkelijk leek de productie buiten de circulatie te liggen, en de circulatie buiten de productie. De kringloop van het kapitaal – de circulatie als circulatie van het kapitaal – omvat beide momenten. Daarin verschijnt de productie als begin- en eindpunt van de circulatie en omgekeerd. De zelfstandigheid van de circulatie wordt nu gereduceerd tot een schijn, net als die andere wereld [Jenseitigkeit], de productie.

{Nog een opmerking over het bovenstaande: de ruil van equivalenten, die lijkt te impliceren dat men eigenaar is van het product van zijn eigen arbeid – en dus identiek aan: toe-eigening door arbeid, het reële economische proces van het zich eigen maken, en eigendom van de geobjectiveerde arbeid; wat eerder een reëel proces leek, is hier een juridische verhouding, d.w.z. erkend als een algemene productievoorwaarde en daarom erkend door de wet, als een uitdrukking van de algemene wil – verandert, en toont zich via een noodzakelijke dialectiek als een absolute scheiding van arbeid en eigendom en toe-eigening van andermans [fremder] arbeid zonder ruil, zonder equivalent. Productie op basis van ruilwaarde, met aan de oppervlakte die vrije en gelijkwaardige ruil van equivalenten – is fundamenteel de ruil van geobjectiveerde arbeid als ruilwaarde tegen levende arbeid als gebruikswaarde of, zoals dit ook kan worden uitgedrukt, de verhouding van de arbeid tot de objectieve voorwaarden – en dus naar de door hemzelf gecreëerde objectiviteit als vreemd eigendom: vervreemde arbeid. Anderzijds is de voorwaarde van de ruilwaarde het meten aan de hand van de arbeidstijd, dus de levende arbeid – en niet de waarde ervan – als maatstaf van de waarden. Het is een waan alsof in alle productiestadia de productie en dus de maatschappij gebaseerd zouden zijn op de ruil van louter arbeid tegen arbeid. In de verschillende vormen waarin de arbeid zich tot de productievoorwaarden als eigendom verhoudt, wordt de reproductie van de arbeider geenszins gesteld door alleen arbeid, want zijn eigendomsverhouding is niet het resultaat maar de voorwaarde van zijn arbeid. In het grondbezit is het duidelijk; in het gildewezen moet het ook duidelijk worden dat de bijzondere vorm van eigendom die de arbeid vorm geeft, niet berust op louter arbeid of ruil van arbeid, maar op een objectieve band van de arbeider met een gemeenschap en voorwaarden die hij aantreft en waaruit hij voortkomt als zijn basis. Zij zijn ook arbeidsproducten, wereldhistorische arbeid; de arbeid van de gemeenschap – zijn historische ontwikkeling, die niet voortkomt uit de individuele arbeid, noch uit de ruil van hun arbeid. Arbeid alleen is dus niet de voorwaarde voor valorisatie. Een toestand waarin alleen arbeid tegen arbeid wordt geruild – zij het in de directe levende vorm, zij het in de vorm van het product – veronderstelt de onthechting van de arbeid van zijn oorspronkelijke samenhang met zijn objectieve voorwaarden; daarom verschijnt hij enerzijds als louter arbeid, anderzijds verwerft zijn product, als geobjectiveerde arbeid, een volkomen zelfstandig bestaan als waarde in verhouding tot die arbeid. De ruil van arbeid tegen arbeid – kennelijk een vereiste qua eigendom van de arbeider – steunt op het fundament van de eigendomsloosheid van de arbeider.}

(Dat de extreemste vorm van vervreemding, waarin, in de verhouding van kapitaal tot loonarbeid, arbeid, de productieve activiteit verschijnt op zijn eigen voorwaarden en zijn eigen product, een noodzakelijk overgangspunt is – en dus op zich, alleen nog in een omgekeerde vorm, ondersteboven gedraaid, reeds de ontbinding van alle beperkende voorwaarden van de productie bevat en veeleer de onvoorwaardelijke voorwaarden van de productie, dus de volledige materiële voorwaarden voor de totale, universele ontwikkeling van de productieve krachten van het individu, schept en vastlegt, dat wordt later besproken).

De geldcirculatie begon op een oneindig aantal punten en keerde op een oneindig aantal punten terug. Het punt van terugkeer werd geenszins als uitgangspunt genomen. In de omloop van het kapitaal wordt het vertrekpunt gesteld als het punt van terugkeer en het punt van terugkeer als het vertrekpunt. De kapitalist zelf is het punt van vertrek en terugkeer. Hij ruilt geld tegen de productievoorwaarden, hij produceert, maakt het product te gelde [verwertet], d.w.z. verandert het in geld, en begint dan het proces opnieuw. De geldcirculatie, op zich beschouwd, loopt noodzakelijkerwijs uit op geld als een onbeweeglijk ding. De circulatie van het kapitaal wakkert zichzelf voortdurend aan, splitst zich op in haar verschillende momenten en is een perpetuum mobile. De prijsbepaling aan de kant van de geldcirculatie was zuiver formeel, in zoverre dat de waarde onafhankelijk van de geldcirculatie wordt verondersteld. De circulatie van kapitaal is prijsbepalend, niet alleen formeel, maar ook reëel, in zoverre zij de waarde bepaalt. Waar de waarde zelf verschijnt, kan het alleen zijn als waarde, door een ander kapitaal gesteld. De ruimte voor de geldcirculatie is afgemeten en de omstandigheden die het versnellen of vertragen zijn impulsen van buitenaf. Het kapitaal in zijn omloop breidt zichzelf en zijn traject uit, en de snelheid of traagheid van de omloop vormt er zelf een immanent moment van. Het verandert kwalitatief in de circulatie, en het geheel van de momenten van zijn circulatie zijn zelf de momenten van zijn productie – zijn reproductie zowel als zijn nieuwe productie.

{Wij hebben gezien hoe aan het einde van de tweede kringloop, d.w.z. de surpluswaarde aangewend als surpluskapitaal, de illusie verdwijnt dat de kapitalist met de arbeider iets anders ruilt dan een deel van diens eigen geobjectiveerde arbeid. Binnen de productiewijze die reeds op het kapitaal zelf is gebaseerd, verschijnt voor het afzonderlijke kapitaal echter het deel ervan dat grondstoffen en instrumenten vertegenwoordigt, als een veronderstelde waarde, en evenzeer voor de levende arbeid die het koopt. Deze twee posten verrekenen zich als gesteld door een vreemd kapitaal, dus weer door kapitaal, alleen door een ander kapitaal. Wat grondstof is voor de ene kapitalist, is het product van de andere. Wat voor de één product is, is voor de ander grondstof. Het instrument van de een is het product van de ander en kan zelfs dienen als grondstof voor de productie van een ander instrument. Datgene wat dus in het afzonderlijke kapitaal als veronderstelling verschijnt, wat wij constante waarde hebben genoemd, is niets anders dan de veronderstelling van kapitaal door kapitaal, dat de kapitalen in de verschillende industrietakken zich wederzijds als veronderstelling en voorwaarde stellen. Elk van hen op zich beschouwd kan worden opgelost in dode arbeid die, als waarde, verzelfstandigd is ten opzichte van levende arbeid. Geen van hen bevat uiteindelijk iets anders dan arbeid – afgezien van de natuurmaterie, die zonder waarde is [wertlosen Naturmaterie – de aanwending van arbeidskracht geeft waarde aan de materie – vert.]. De komst van vele kapitalen mag het onderzoek hier niet hinderen. De verhouding tussen de vele zal veeleer worden verklaard nadat is onderzocht wat zij allen gemeen hebben, namelijk de hoedanigheid van kapitaal.}

De circulatie van het kapitaal is tegelijkertijd zijn wording, zijn groei, zijn levensproces. Als er al iets te vergelijken was met de bloedsomloop, dan was het niet de formele circulatie van geld, maar de substantiële circulatie van kapitaal.

Als circulatie op alle punten productie veronderstelt – en een circulatie van producten, of het nu om geld of goederen gaat, en deze komen alom uit het productieproces, dat zelf het proces van kapitaal is, dan lijkt nu de geldcirculatie zelf bepaald door de circulatie van het kapitaal, terwijl het vroeger naast het productieproces leek te staan. We zullen op dit punt terugkomen.

Als wij nu de circulatie of omloop van het kapitaal in zijn geheel beschouwen, blijken de twee grote verschillen, 2 momenten te zijn, het productieproces en de circulatie, beide als momenten van circulatie. Hoe lang het kapitaal binnen het productieproces blijft, hangt af van zijn technologische voorwaarden, en het verblijf binnen deze fase valt rechtstreeks samen – hoezeer de duur ook moet verschillen naargelang het soort productie, objecten, enz. – met de ontwikkeling van de productiekrachten. De duur is hier niets anders dan de arbeidstijd die nodig is voor de productie van het product (fout! [Deze opmerking is later door Marx toegevoegd]). Hoe minder arbeidstijd, hoe groter, zoals we hebben gezien, de relatieve surpluswaarde. Het is hetzelfde als dat voor een gegeven hoeveelheid producten minder arbeidstijd nodig is, of dat in een gegeven arbeidstijd meer afgewerkte producten kunnen worden afgeleverd. De verkorting van de tijdsduur voor een gegeven hoeveelheid kapitaal, gedurende welke het in het productieproces blijft, zich aan de eigenlijke circulatie onttrekt, in beweging is, valt samen met de verkorting van de arbeidstijd die nodig is voor de productie van een product – met de ontwikkeling van de productiekrachten, zowel de toepassing van natuurkrachten, machines als de natuurkracht van de maatschappelijke arbeid – agglomeraat van arbeiders, combinatie en arbeidsdeling. Aldus lijkt er geen nieuw moment toegevoegd. Wanneer men echter bedenkt, dat met betrekking tot het afzonderlijke kapitaal, het deel dat grondstof en instrument (arbeidsmiddel) vormt, het product is van een vreemd kapitaal, dan wordt het duidelijk, dat de snelheid, waarmee dit kapitaal het productieproces kan vernieuwen, tegelijkertijd wordt bepaald door de ontwikkeling van de productiekrachten in alle andere industrietakken. Dit wordt heel duidelijk als men denkt aan hetzelfde kapitaal dat zijn grondstoffen, zijn instrumenten en zijn uiteindelijke producten produceert. De duurtijd van het kapitaal in de fase van het productieproces wordt zelf een moment van circulatie wanneer verschillende kapitalen worden verondersteld. Maar we hebben hier nog niet te maken met de vele kapitalen. Dus dit moment hoort hier niet.

Het tweede moment is de tijd die verstrijkt tussen de omzetting van kapitaal in product en de omzetting ervan in geld. De snelheid waarmee deze periode wordt doorlopen, of de duur ervan, hangt uiteraard af van de vraag hoe vaak het kapitaal in een bepaalde tijd het productieproces, de zelf-valorisatie, opnieuw kan beginnen. Als het kapitaal – zeg oorspronkelijk 100 talers – 4 keer rouleert in een jaar; is de winst telkens 5 % van zichzelf, als de nieuwe waarde niet wordt geherkapitaliseerd, hetzelfde als wanneer een kapitaal van 4 maal grotere massa met hetzelfde percentage, zeg 400, één omloop in een jaar zou maken; telkens 20 talers. De circulatiesnelheid – de andere productievoorwaarden zijn constant gebleven – vervangt dus de hoeveelheid kapitaal. Of, als een waarde die 4 keer zo klein is 4 keer als kapitaal wordt gerealiseerd in dezelfde periode waarin een waarde die 4 keer zo groot is slechts 1 keer als kapitaal werd gerealiseerd, dan is de winst – de productie van meerwaarde – even groot – minstens even groot – aan de kant van het kleinere kapitaal als aan de kant van het grotere. Wij zeggen minstens. Het kan groter zijn omdat de surpluswaarde zelf weer als surpluskapitaal kan worden aangewend. Stel bv. dat met een kapitaal van 100 de winst (voor de berekening hier vooruitlopend op deze vorm van meerwaarde) telkens 10% bedraagt, hoe vaak het ook omzet. Aan het einde van de eerste 3 maanden zou het dus 110 zijn, van de tweede 121, van de derde 133 1/10 en van de laatste 146 41/100, terwijl het bij een kapitaal van 400 met één omloop per jaar slechts 440 zou zijn. In het eerste geval is de winst = 46 41/100 , in het tweede slechts = 40. (Het feit dat de veronderstelling onjuist is voor zover het kapitaal niet bij elke vermeerdering dezelfde winstvoet geeft, is van geen belang voor het voorbeeld, want het doet er hier niet toe hoeveel meer, als het maar – en dat is het – meer is dan 40 in het eerste geval.) Wij hebben reeds kennis gemaakt met de wet van vervanging van snelheid door massa en van massa door snelheid in de geldomloop. Het geldt evenzeer voor de productie als voor de mechanica. Het is een omstandigheid waarop wij bij de gelijkmaking van de winstvoet, de prijzen, enz. moeten terugkomen. De vraag die ons hier interesseert is: komt er niet een moment van waardebepaling onafhankelijk van de arbeid, dat er niet rechtstreeks uit voortkomt, maar uit de circulatie zelf voortkomt?

{Dat krediet de verschillen in de omloop van het kapitaal egaliseert, hoort hier nog niet. De vraag zelf hoort hier echter thuis, omdat zij voortvloeit uit het eenvoudige begrip kapitaal – algemeen beschouwd.}

De frequentere omloop van kapitaal in een bepaalde periode lijkt op de frequentere oogsten gedurende het natuurlijke jaar in zuidelijke landen in vergelijking met de noordelijke. Wij abstraheren hier, zoals reeds gezegd, volledig van het verschil in tijd, dat het kapitaal in de productiefase – in het productieve valorisatieproces – moet verblijven. Zoals het graan als zaad, in de aarde gezaaid, zijn onmiddellijke gebruikswaarde verliest, gedevalueerd wordt als onmiddellijke gebruikswaarde, zo wordt kapitaal gedevalueerd vanaf de voltooiing van het productieproces tot de terugverandering ervan in geld en vandaar terug in kapitaal.

{De snelheid waarmee het zich van de geldvorm weer kan omzetten in productievoorwaarden – onder deze productievoorwaarden verschijnt niet (zoals in de slavernij) de arbeider, maar de ruil met hem - dat hangt af van de productiesnelheid en de continuïteit van de andere kapitalen die het van grondstoffen en instrumenten voorzien, én van de aanwezigheid van arbeiders, én van het bevolkingsoverschot, relatief, in dit laatste opzicht, de beste voorwaarde voor het kapitaal.}

{Naast het productieproces van kapitaal a) verschijnen snelheid en continuïteit van productieproces b) als een moment dat de terugverandering van kapitaal a) van de geldvorm in die van industrieel kapitaal bepaalt. De tijdsduur van het productieproces van kapitaal b) verschijnt dus als een moment in de snelheid van het circulatieproces van kapitaal a). De tijdsduur van de productiefase van de een bepaalt de snelheid van de circulatiefase van de ander. Hun gelijktijdigheid is een voorwaarde opdat de circulatie van a) niet wordt belemmerd – het gelijktijdig in productie werpen en in circulatie brengen van zijn eigen elementen, waartegen het moet ruilen. Zo was bv. het handspinnen in het laatste derde deel van de 18e eeuw niet in staat het materiaal voor de weefsels in de vereiste hoeveelheid te leveren – of, wat hetzelfde is, het spinnen kon het productieproces van vlas of katoen, niet in de vereiste gelijktijdigheid – gelijktijdige snelheid – realiseren. Het gevolg was de uitvinding van de spinmachine, die in dezelfde arbeidstijd een onvergelijkbaar groter product afleverde, of, wat hetzelfde is, voor hetzelfde product onvergelijkbaar minder arbeidstijd vergde – onvergelijkbaar minder tijd bestede aan het spinnen. Alle momenten van het kapitaal die er bij betrokken lijken te zijn wanneer het volgens zijn algemene concept wordt beschouwd, verwerven een zelfstandige realiteit en tonen zich ook pas zodra het in reële termen verschijnt, als vele kapitalen. De interne, levende organisatie, die zich op deze wijze in en door de concurrentie voltrekt, ontwikkelt zich aldus des te uitgebreider.}

Onderzoekt men de gehele omloop van het kapitaal, dan verschijnen er vier momenten, oftewel, elk van de twee grote momenten van het productieproces en het circulatieproces verschijnt weer in een dualiteit: we kunnen hier ofwel de circulatie ofwel de productie als uitgangspunt nemen. Hiermee is gezegd dat de circulatie zelf een moment van productie is, aangezien kapitaal alleen door circulatie kapitaal wordt; de productie is alleen een moment van circulatie voor zover de circulatie zelf wordt beschouwd als de totaliteit van het productieproces. Die momenten zijn: I. Het werkelijke productieproces en de tijdsduur ervan; II. De verandering van het product in geld. Tijdsduur van deze operatie; III. De verandering van het geld in de juiste proporties grondstof, arbeidsmiddel en arbeid, kortom in de elementen van het kapitaal als productief; IV. De ruil van een deel van het kapitaal tegen levend arbeidsvermogen kan als een bijzonder moment worden beschouwd, en moet ook zo worden beschouwd, omdat de arbeidsmarkt door andere wetten wordt beheerst dan de productenmarkt enz. Hier is de bevolking de hoofdzaak, niet in absolute maar in relatieve zin. Moment I. komt hier, zoals gezegd, niet aan de orde, omdat het samenvalt met de valorisatievoorwaarden. Moment III kan alleen in aanmerking worden genomen wanneer we het niet hebben over kapitaal in het algemeen, maar over vele kapitalen. Moment IV behoort tot het deel over de lonen, enz.

We hebben hier alleen te maken met Moment II. In de geldcirculatie was er een louter formele afwisseling van ruilwaarde als geld en waar. Hier is geld, waar als productievoorwaarde, uiteindelijk het productieproces. De momenten hier zijn verschillend van inhoud. Het verschil in verandering van het kapitaal, zoals gesteld in II – aangezien het noch afhangt van een grotere moeilijkheid bij de ruil van arbeid, noch van het verblijf door niet-simultaan bestaan in de circulatie van grondstof en arbeidsmiddel, noch van de verschillende tijdsduur van het productieproces, zou dus alleen kunnen voortvloeien uit grotere valorisatie-moeilijkheden. Dit is duidelijk geen immanent geval dat uit de verhouding voortvloeit, maar valt hier, wanneer wij het kapitaal in het algemeen beschouwen, samen met wat wij hebben gezegd over de ontwaarding die tegelijk met het valoriseren optreedt. Geen enkel bedrijf zal het zo regelen dat het de verkoop van zijn producten moeilijker maakt dan een ander. Indien dit te wijten zou zijn aan een kleinere markt, dan zou niet meer kapitaal – zoals wordt aangenomen – maar minder kapitaal worden aangewend dan in het bedrijf met de grotere markt. Het zou echter kunnen verwijzen naar de grotere ruimtelijke afstand van de markt en derhalve de latere terugkeer van de winst. De langere tijd die kapitaal a) nodig had om te valoriseren, vloeide hier voort uit de grotere ruimtelijke afstand na het productieproces, om als W te worden geruild tegen G. Maar kan bv. het voor China vervaardigde product niet zo worden beschouwd dat het product pas voltooid is, zijn productieproces voltooid, wanneer het de Chinese markt heeft bereikt? Zijn valorisatiekosten zouden stijgen met de kosten van het transport van Engeland naar China. (Hier kan nog niet gesproken worden over de vervanging van het langdurig braak liggen van het kapitaal, omdat daarvoor reeds de secundaire en afgeleide vormen van meerwaarde – rente – verondersteld moeten worden.) De productiekosten zouden worden opgelost in de arbeidstijd die in het directe productieproces is geobjectiveerd + de arbeidstijd in het transport.

De vraag is nu allereerst: kan uit de transportkost, volgens de tot nu toe gestelde beginselen, een meerwaarde gehaald worden? Laten we het constante deel van het kapitaal dat wordt verbruikt voor vervoer, schip, wagons enz. en alles wat tot het gebruik ervan behoort, aftrekken, aangezien dit element niets bijdraagt tot de vraag en het onverschillig is of het wordt vastgesteld op = 0 of = x. Is het mogelijk dat er surplusarbeid in de transportkosten kan zitten en dat het kapitaal daaruit surpluswaarde kan halen? De kwestie kan gemakkelijk worden beantwoord met de vraag: wat is de noodzakelijke arbeid of waarde waarin het wordt geobjectiveerd? Het product moet betalen: 1. de eigen ruilwaarde, de eigen geobjectiveerde arbeid; 2. de surplustijd die de reder, de voerman, enz. besteedt aan het vervoer. Of hij dit er al dan niet uit kan halen, hangt af van de rijkdom van het land waarheen hij het product brengt, van de behoeften, enz., de gebruikswaarde van het product voor dat land. Bij directe productie is het duidelijk dat alle surplusarbeid die de fabrikant de arbeider laat verrichten, hem een meerwaarde oplevert, omdat het arbeid is die geobjectiveerd is in nieuwe gebruikswaarden, die hem niets kosten. Maar hij kan hem tijdens het transport natuurlijk niet langer tewerkstellen dan nodig voor het transport. Hij zou dan arbeidstijd verspillen, het niet te gelde maken [verwerten], d.w.z. niet objectiveren in een gebruikswaarde. De schipper, de voerman, enz., hebben een half jaar arbeidstijd nodig (als dit de algemene verhouding is van de arbeid die nodig is voor het levensonderhoud) om een jaar te leven, dus de kapitalist neemt hem een heel jaar in dienst en betaalt hem een half jaar. Door een heel jaar arbeidstijd te rekenen op de waarde van de vervoerde producten, maar 1/2 te betalen, verkrijgt hij een meerwaarde van 100% op de noodzakelijke arbeid. De zaak is geheel identiek aan die van de directe productie, en de oorspronkelijke meerwaarde van het getransporteerde product kan alleen voortkomen uit het feit dat een deel van de transporttijd niet aan de arbeiders wordt betaald, omdat het surplustijd is boven hun noodzakelijke arbeid om te leven. Dat een enkel product door de transportkosten zo duur zou worden dat het niet zou kunnen worden geruild – wegens de wanverhouding tussen de waarde van het product en zijn meerwaarde als vervoerd product, een eigenschap die vervalt zodra het op de plaats van bestemming is aangekomen – verandert niets aan de zaak. Zou een fabrikant al zijn machines laten werken om 1 pond twist te draaien, zou de waarde van dit pond ook zodanig stijgen dat het nauwelijks afzet zou vinden. De prijsstijgingen van buitenlandse producten, en de geringe consumptie in de middeleeuwen, enz. komt juist hieruit voort. Het is evenzeer lokaal of ik metalen uit de mijnen of goederen naar de plaats van verbruik breng. De verbetering van de transport- en communicatiemiddelen valt ook onder de algemene ontwikkeling van de productiekrachten. Dat het van de waarde van de producten kan afhangen in hoeverre zij de transportkosten kunnen dragen; dat voorts massatransport nodig is om de transportkosten te drukken – een schip met een laadvermogen van 100 ton kan 2 of 100 ton vervoeren aan dezelfde productiekosten enz. – en om communicatiemiddelen lonend te maken etc., dit alles hoort hier niet thuis. (Aan de communicatiemiddelen moet echter een afzonderlijk hoofdstuk worden gewijd, omdat het een vorm van vast kapitaal betreft met eigen wetmatigheden inzake valorisatie.) Als men bedenkt dat hetzelfde kapitaal zowel produceert als transporteert, dan vallen beide handelingen onder de directe productie, en zou de circulatie zoals wij die tot dusver hebben beschouwd, d.w.z. de omzetting in geld zodra het product zijn definitieve vorm voor consumptievorm heeft, pas beginnen wanneer het product naar de plaats van bestemming is gebracht. Het uitgestelde rendement van deze kapitalist in vergelijking met dat van een ander, die zijn product ter plaatse van de hand doet, zou oplossen in een andere vorm van intensiever gebruik van vast kapitaal, waarmee wij ons hier nog niet bezighouden. Of a) 100 taler meer nodig heeft voor een instrument, of b) dat hij 100 taler meer nodig heeft om zijn product naar de plaats van bestemming, naar de markt, te brengen, is hetzelfde. In beide gevallen wordt meer vast kapitaal gebruikt; meer productiemiddelen, die bij de directe productie worden verbruikt. In dit opzicht zou hier dus geen sprake zijn van een immanent geval; het zou vallen onder het onderzoek van het verschil tussen vast kapitaal en circulerend kapitaal.

Hieraan wordt echter een moment toegevoegd: de circulatiekosten, die niet in de eenvoudige opvatting van circulatie liggen en ons hier niet aangaan. Van circulatiekosten, komende uit de circulatie als een economische handeling – als een productieverhouding, niet als een direct productiemoment zoals in het geval van transport- en communicatiemiddelen – kan alleen gesproken worden in het geval van rente en met name van krediet. De circulatie, zoals wij het begrijpen, is een proces van transformatie, een kwalitatief proces van waarde, zoals het verschijnt in de verschillende vormen van geld, het productieproces, het product, de terugverandering in geld en surpluskapitaal. Voor zover binnen dit transformatieproces als zodanig – in deze overgang van de ene bepaling naar de andere nieuwe bepalingen worden gegenereerd. De circulatiekosten zijn niet noodzakelijk inbegrepen, bv. bij de overgang van product naar geld. Ze kunnen = 0 zijn.

Voor zover de circulatie zelf kosten maakt, zelf surplusarbeid vereist, lijkt zij zelf deel uit te maken van het productieproces. Zo bekeken verschijnt de circulatie als een moment van het onmiddellijke productieproces. Bij een productie die rechtstreeks op het gebruik is gericht en waarbij alleen overschotten worden geruild, zijn de circulatiekosten alleen voor het overschot, niet voor het hoofdproduct. Hoe meer de productie gebaseerd is op ruilwaarde, dus op ruil, des te belangrijker worden de fysieke voorwaarden voor de ruil – communicatie- en transportmiddelen.

Kapitaal, door zijn aard, beweegt zich voorbij elke ruimtelijke barrière. Zo wordt het scheppen van de fysieke voorwaarden voor de ruil – van communicatie- en transportmiddelen – het tenietdoen [Vernichtung] van de ruimte door de tijd – een noodzaak van een heel andere orde [Maße]. Alleen voor zover het onmiddellijke product massaal op verre markten te gelde kan gemaakt worden, in de mate waarin de transportkosten dalen, en voor zover anderzijds de communicatie- en transportmiddelen zelf een ruimte geven voor valorisatie van de door het kapitaal geëxploiteerde arbeid, voor zover er massaal handel plaatsvindt – waarbij meer dan de noodzakelijke arbeid wordt vervangen – is de productie van goedkope transport- en communicatiemiddelen een voorwaarde voor de op het kapitaal gebaseerde productie en wordt zij om die rede door het kapitaal geproduceerd. Alle arbeid die nodig is om het eindproduct in circulatie te brengen – het is pas economisch in circulatie zodra het op de markt is – is een belemmering die vanuit het oogpunt van het kapitaal moet worden overwonnen – net als alle arbeid die nodig is als een voorwaarde voor het productieproces (bv. de kosten voor een veilige ruilhandel enz.). De zeeroute, als de route die beweegt en wordt omgevormd onder haar eigen impuls, is die van de handelsvolkeren κατ’ έξοχήν [bij uitstek]. Anderzijds vallen de communicatiewegen oorspronkelijk aan de gemeenschap toe, en later lange tijd aan de regeringen, als een zuivere aftrek op de productie, die van het gemeenschappelijk nationaal surplusproduct afgaan, maar geen bron van zijn rijkdom zijn – d.w.z. hun productiekosten niet dekken. In de oorspronkelijke Aziatische, zichzelf in stand houdende gemeenschappen enerzijds, is er geen behoefte aan wegen; anderzijds, houdt het ontbreken ervan hen stevig in hun afzondering en is daarom een essentieel moment van hun onveranderlijkheid (zoals in India). De aanleg van wegen door middel van herendienst of, wat een andere vorm is, door middel van belastingheffing, is de verplichte omzetting van een deel van de surplusarbeid of het surplusproduct van het land in wegen. Opdat een afzonderlijk kapitaal dit zou doen, d.w.z. de voorwaarden van het productieproces produceren die buiten het onmiddellijke productieproces liggen – moet de arbeid zich valoriseren.

In de veronderstelling dat er een bepaalde weg is tussen a en b (en laat de grond niets kosten), dan bevat deze niet meer dan een bepaalde hoeveelheid arbeid, dus waarde. Of de kapitalist of de staat de weg aanlegt is hetzelfde. Wint de kapitalist hier dan, door de creatie van surplusarbeid en dus surpluswaarde? Ten eerste, we strepen eerst de weg door, die is verwarrend, dat komt voort uit zijn aard als vast kapitaal. Neem aan dat de weg in een keer verkocht kan worden zoals een rok of een ton ijzer. Als de productie van de weg zeg 12 maanden kost, is dus zijn waarde = 12 maanden. Als het algemene arbeidsniveau zodanig is dat de arbeider kan leven van zeg 6 maanden geobjectiveerde arbeid, zou hij dus, als hij de hele weg zou aanleggen, 6 maanden surplusarbeid voor zichzelf creëren; of, als de gemeenschap de weg zou aanleggen, en de arbeider slechts de noodzakelijke tijd zou willen werken, zou een andere arbeider, die 6 maanden werkt, moeten worden ingeschakeld. De kapitalist daarentegen dwingt een arbeider 12 maanden te werken en betaalt hem 6. Het deel van de waarde van de weg dat zijn surplusarbeid bevat, vormt de winst van de kapitalist. De materiële vorm waarin het product verschijnt, mag absoluut geen rol spelen bij het leggen van de grondslagen van de waardetheorie via de geobjectiveerde arbeidstijd.

Maar de juiste vraag is nu of de kapitalist de weg kan valoriseren, of hij de waarde ervan kan realiseren door ruilen? Dit is natuurlijk de vraag bij elk product, maar het neemt een specifieke vorm aan bij de algemene productievoorwaarden. Laten we veronderstellen dat de waarde van de weg niet wordt gevaloriseerd. Maar gebouwd wordt omdat het een noodzakelijke gebruikswaarde is. Wat is de situatie dan? Er moet worden gebouwd en er moet voor worden betaald – in zoverre dat de productiekosten ervoor moeten worden geruild. De weg ontstaat slechts door een bepaald verbruik van arbeid, arbeidsmiddelen, grondstoffen enz. Het maakt niet uit of het door herendienst of door belastingen wordt gebouwd. Maar het wordt alleen gebouwd omdat het een noodzakelijke gebruikswaarde is voor de gemeenschap, omdat zij het hoe dan ook nodig heeft. Het is echter surplusarbeid dat het individu moet verrichten, hetzij in de vorm van dienst, hetzij in de vorm van belasting, naast de directe arbeid die noodzakelijk is voor zijn levensonderhoud. Maar voor zover zij noodzakelijk is voor de gemeenschap en voor elk individu als lid daarvan, is het geen overbodige arbeid, maar een deel van zijn noodzakelijke arbeid, de arbeid die noodzakelijk is opdat hij zich kan reproduceren als lid van de gemeenschap en daardoor de gemeenschap, die zelf een algemene voorwaarde is van zijn productieve activiteit. Indien de arbeidstijd volledig zou worden verbruikt door de onmiddellijke productie (of, om het in bemiddelde termen te zeggen, onmogelijk zou zijn om voor dit specifieke doel extra belastingen [surplussteuern] te heffen), zou de weg niet gebouwd worden. Indien de gehele maatschappij als één individu wordt beschouwd, zou de noodzakelijke arbeid bestaan uit de som van alle bijzondere arbeidsfuncties, die door de arbeidsdeling verzelfstandigd zijn. Dit ene individu zou bv. zoveel tijd moeten besteden aan landbouw, zoveel aan industrie, zoveel aan handel, zoveel aan de instrumentenbouw, zoveel, om op ons onderwerp terug te komen, aan wegenaanleg en communicatiemiddelen. Al deze behoeften resulteren in zoveel arbeidstijd, die voor verschillende doeleinden moet worden aangewend en in bepaalde activiteiten moeten besteed worden; hoeveel van deze arbeidstijd kan worden gebruikt, hangt af van de hoeveelheid arbeidsvermogen (= de massa arbeidsgeschikte individuen die de maatschappij vormt) en van de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit (het aantal producten geproduceerd in een gegeven tijd).

De ruilwaarde, die de arbeidsdeling veronderstelt, meer of minder ontwikkeld naargelang van graad van de ruil zelf, veronderstelt dat, in plaats van dat het ene individu (de maatschappij) verschillende arbeidsprestaties levert, zijn arbeidstijd in verschillende vormen aanwendt, de arbeidstijd van elk individu slechts aan de noodzakelijke specifieke functies wordt gewijd. Wanneer we spreken van noodzakelijke arbeidstijd, verschijnen de specifieke afzonderlijke arbeidstakken als noodzakelijk. Deze wederzijdse noodzaak wordt bemiddeld door ruil op basis van ruilwaarde en blijkt uit het feit dat iedere bijzondere geobjectiveerde arbeid, iedere speciaal gespecificeerde en gematerialiseerde arbeidstijd zichzelf ruilt tegen het product en symbool van de algemene arbeidstijd, de geobjectiveerde gewone [schlechthin] arbeidstijd, tegen geld, en zichzelf dus weer kan ruilen tegen elke specifieke arbeid. Deze noodzaak is zelf aan veranderingen onderhevig, omdat er behoeften worden geproduceerd, evenals producten en de verschillende soorten arbeidsvaardigheden. Toe- en afname vinden plaats binnen de grenzen die door deze behoeften en noodzakelijke arbeid zijn gesteld. Hoe groter de mate waarin historische behoeften – behoeften die door de productie zelf zijn ontstaan, maatschappelijke behoeften – behoeften die zelf het gevolg zijn van de maatschappelijke productie en het maatschappelijk verkeer, als noodzakelijk worden beschouwd, des te hoger is het niveau waarop de reële rijkdom zich heeft ontwikkeld. Materieel gezien bestaat rijkdom alleen in de veelheid van behoeften. Het ambacht zelf lijkt niet noodzakelijk naast de zelfbedruipende landbouw, met spinnen, weven, enz. als een huishoudelijke bijverdienste. Maar als bv. de landbouw zelf wetenschappelijk bedreven wordt – als hij machines nodig heeft, chemische meststoffen die door ruil verkregen zijn, zaden uit verre landen enz. en als de landelijke, patriarchale fabricage al verdwenen is – wat al in de vooronderstelling ligt – dan verschijnen de machinefabriek, de buitenlandse handel, de ambachten enz. als behoeften voor de landbouw. Guano is misschien alleen verkrijgbaar door export van zijdeproducten. Dan verschijnt de zijdemanufactuur niet langer als een luxe-industrie, maar als een noodzakelijke industrie voor de landbouw. Het is dus vooral en hoofdzakelijk hierdoor, in dit geval, dat de landbouw de voorwaarden van zijn eigen productie niet meer op een natuurlijke wijze in zichzelf vindt, maar dat deze als een zelfstandige industrie extern bestaat – en met zijn bestaan buiten hem om, wordt ook de hele ingewikkelde context waarin deze vreemde industrie bestaat getrokken in de sfeer van de productievoorwaarden van de landbouw – dat wat vroeger een luxe leek, is nu noodzakelijk en dat zogenaamde luxe behoeften bijvoorbeeld verschijnen als een noodzaak voor de meest natuurlijk noodzakelijke en nuchtere industrie van allemaal.

Dit onttrekken van de natuurlijke grond aan de fundamenten van elke industrie, en deze overbrenging van haar productievoorwaarden extern aan de algemene samenhang – vandaar de transformatie van wat overbodig leek in iets noodzakelijks, historisch gegenereerde noodzaak – is de tendens van het kapitaal. De algemene basis van alle industrieën wordt de algemene ruil, de wereldmarkt, en dus het geheel van de activiteiten, de handel, de behoeften, enz. waaruit ze bestaan. Luxe is de antithese van het natuurlijke noodzakelijke. Noodzakelijke behoeften zijn die van het individu, gereduceerd tot een natuurlijk subject. De industriële ontwikkeling schaft zowel de natuurlijke noodzaak als deze luxe af – in de burgerlijke maatschappij echter tegengesteld, in die zin dat zij zelf bepaalde maatschappelijke normen als noodzakelijk ten opzichte van de luxe stelt. Deze vragen over het systeem van de behoeften en het systeem van de arbeid, op welke plaats komt dat aan bod? Dat komt in het verloop.

Laten we nu terugkeren naar onze weg. Als hij aangelegd kan worden, bewijst dit dat de maatschappij de arbeidstijd heeft (levende arbeid en geobjectiveerde arbeid).

{Natuurlijk wordt hier aangenomen dat ze een juist instinct volgt. Ze kon het zaad opeten en het veld braak laten liggen en wegen aanleggen. Op deze wijze zou zij niet de noodzakelijke arbeid hebben verricht, omdat zij zich niet zou reproduceren, niet door deze arbeid zich als een levend arbeidsvermogen in stand houden. Of het levende arbeidsvermogen kan ook direct worden vermoord, zoals bv. door Peter I om Petersburg te bouwen. Dit soort zaken hoort hier niet thuis.} Waarom wordt de aanleg van wegen dan niet een zaak van individuen, zodra de productie op basis van ruilwaarde en arbeidsdeling op gang komt? En waar het wordt gedragen door de staat via belastingen, is het dat niet. Ten eerste: de maatschappij, de verenigde individuen, kunnen de surplustijd bezitten om de weg aan te leggen, maar alleen verenigd. De vereniging is altijd een samenvoeging van het deel van het arbeidsvermogen dat elk individu kan besteden aan de aanleg van de weg, naast zijn eigen werk; maar het is niet alleen een samenvoeging. De vereniging van hun krachten vergroot hun productiekracht; maar dit is geenszins hetzelfde als te zeggen dat zij allen tezamen numeriek hetzelfde arbeidsvermogen zouden bezitten indien zij niet zouden samenwerken, dus indien aan de som van hun arbeidsvermogens niet het surplus zou worden toegevoegd dat alleen in en door hun verenigde, gecombineerde arbeid bestaat. Vandaar de gewelddadige drijfjachten in Egypte, Etrurië, India, enz. voor gedwongen bouw en verplichte openbare werken. Kapitaal bewerkstelligt eenzelfde vereniging op een andere manier, door zijn wijze van ruilen met de vrije arbeid. {Dat kapitaal niet te maken heeft met geïsoleerde, maar met gecombineerde arbeid, omdat het op zichzelf een sociale, gecombineerde kracht is, is een punt dat hier misschien al moet worden behandeld in de algemene ontstaansgeschiedenis van het kapitaal.} Ten tweede: de bevolking kan enerzijds voldoende ontwikkeld zijn, plus de hulp die zij vindt in het gebruik van machines, enz., anderzijds zodanig ontwikkeld zijn dat de kracht die voortkomt uit de materiële, massale vereniging – en in de oudheid is het altijd deze massale actie van gedwongen arbeid – overbodig is en er naar verhouding minder levende arbeidsmassa’s nodig zijn. {Hoe meer de productie nog berust op handenarbeid, het gebruik van spierkracht enz., kortom op lichamelijke inspanning en arbeid van individuen, des te meer bestaat de toename van de productiekracht in hun massale samenwerking. Het tegenovergestelde, verbijzondering en individualisering, worden vertoond door de semi-artistieke ambachten; de vakkundigheid van individuele, maar niet-gecombineerde arbeid. Het kapitaal in zijn ware ontwikkeling combineert echter massa-arbeid met vaardigheid op zodanige wijze dat de eerste zijn fysieke kracht verliest en de vaardigheid niet bestaat in de arbeider maar in de machine en de fabriek die als een geheel werkt door wetenschappelijke combinatie met de machine. De arbeid krijgt een maatschappelijk vernuft dat objectief bestaat los van de individuele arbeiders}. Er kan een speciale klasse van wegarbeiders ontstaan, in dienst van de staat, {Bij de Romeinen was er in het leger een menigte – maar reeds afgescheiden van de bevolking, gedisciplineerd tot arbeid, wier surplustijd tegelijkertijd aan de staat toebehoorde; die hun gehele arbeidstijd aan de staat verkochten tegen een loon, hun arbeidsvermogen geheel op dezelfde wijze ruilden tegen een loon, noodzakelijk voor hun levensonderhoud, zoals de arbeider dat doet met de kapitalist. Dit geldt voor de tijd waarin het Romeinse leger niet langer een burgerleger was, maar een huurlingenleger. Ook hier gaat het om de vrije verkoop van arbeid door de soldaat. Maar de staat koopt hem niet met het doel waarde te produceren. En dus, al lijkt de vorm van het loon oorspronkelijk in het leger voor te komen - is dit huurlingenleger [Soldwesen] niettemin wezenlijk verschillend van loonarbeid. Er is enige overeenkomst in die zin, dat de staat het leger verbruikt om macht en rijkdom te vermeerderen}, of een deel van de af en toe werkloze bevolking wordt daarvoor gebruikt, samen met een aantal opzichters enz. die echter niet als kapitalisten werken, maar als hoger opgeleide werklieden. (Over de verhouding van deze geschoolde arbeid enz. later.) De arbeiders zijn dan loonarbeiders, maar de staat gebruikt hen niet als zodanig, maar als ondergeschikte krachten [Dienstboten].

Opdat de kapitalist de aanleg van de weg als een bedrijf zou uitvoeren, op eigen kosten {als de staat dergelijke zaken laat uitvoeren door staatspachters, wordt dit altijd bemiddeld via herendienst of belastingen.}, zijn verschillende voorwaarden noodzakelijk, die alle samenvallen met het feit dat de op kapitaal gebaseerde productiewijze reeds tot het hoogste stadium is ontwikkeld.

Ten eerste wordt de omvang van het kapitaal, van het kapitaal dat in zijn handen is geconcentreerd, verondersteld om werk van dergelijke afmetingen en zo’n trage omzet, valorisatie, aan te kunnen nemen. Vandaar vaak het aandelenkapitaal, de vorm waarin het kapitaal zich heeft opgewerkt tot zijn uiteindelijke vorm, waarin het niet alleen op zich bestaat, naar zijn substantie, maar in zijn vorm wordt gesteld als maatschappelijke kracht en product.

Ten tweede: vereist is dat het rente oplevert, niet dat het winst oplevert (het kan meer opbrengen dan rente, maar dat is niet noodzakelijk). Dit punt moet hier niet nader onderzocht worden.

Ten derde: een zodanig verkeersvolume – vooral commercieel – dat de weg zichzelf terugbetaalt, d.w.z. dat de gevraagde prijs voor het gebruik van de weg voor de producenten zoveel ruilwaarde waard is, of een productieve kracht levert die zij kunnen betalen.

Ten vierde: een deel van zijn revenu uit dit mobiliteitsartikel is voor genot en rijkdom [Einen Teil [des] seine Revenue in diesen Artikel der Lokomotion auslegenden genießenden Reichtums]. Hoofdzaak blijft echter de twee voorwaarden: 1. het kapitaal moet hiervoor inzetbaar zijn in de vereiste hoeveelheid, tegen een goede rente; 2. het moet voor de productieve kapitalen, voor het industrieel kapitaal, de moeite waard zijn om de prijs te betalen voor een weg. Zo was de eerste spoorlijn tussen Liverpool en Manchester een noodzaak geworden voor de katoenmakelaars van Liverpool en nog meer voor de fabrikanten van Manchester. {Concurrentie kan bv. een grote nood aan spoorwegen doen ontstaan in een land waar de ontwikkeling van de productiekrachten tot dusver niet in die richting ging. Het effect van de concurrentie tussen naties behoort tot het hoofdstuk over de internationale handel, waar de beschavende werking van het kapitaal bijzonder duidelijk naar voren komt.} Het kapitaal als zodanig – met de noodzakelijke omvang – zal maar wegen bouwen zodra de productie van wegen een noodzaak is geworden voor de producenten, vooral voor het productieve kapitaal; een voorwaarde voor het maken van winst door de kapitalist. Dan zal de weg ook winstgevend zijn. In deze gevallen is echter al veel verkeer verondersteld. Dezelfde voorwaarde is dubbel: enerzijds de rijkdom van het land, voldoende geconcentreerd en omgezet in de vorm van kapitaal om dergelijke werkzaamheden te verrichten als valorisatieprocessen van het kapitaal; anderzijds moet de hoeveelheid verkeer voldoende zijn, en de barrière gevormd door het gebrek aan communicatiemiddelen voldoende groot, om de kapitalist in staat te stellen de waarde van de weg (aandeel en stuksgewijze in de tijd) als weg (d.w.z. het gebruik ervan) te realiseren.

Alle algemene productievoorwaarden, zoals wegen, kanalen, enz., of ze nu de circulatie vergemakkelijken of zelfs in de eerste plaats mogelijk maken, of zelfs – de productiekracht verhogen (zoals irrigaties, enz., aangelegd door regeringen in Azië en trouwens ook in Europa), veronderstellen, om te worden gerealiseerd door het kapitaal en niet door de regering, die de gemeenschap als zodanig representeert, de hoogste ontwikkeling van de productie op basis van kapitaal. Het overlaten van de openbare werken, door de staat, en het overgaan naar het werkdomein van het kapitaal zelf, geeft aan in welke mate de reële gemeenschap zich heeft geconstitueerd in de vorm van kapitaal. Een land, bv. de Verenigde Staten, productief gezien, de nood voelen aan spoorwegen; niettemin kan het onmiddellijke voordeel daaruit voor de productie te gering zijn en lijkt de uitgave niet anders dan verliesgevend. Dan schuift het kapitaal het door naar de staat, of, waar de staat van oudsher nog een superieure positie inneemt, t.o.v. het kapitaal, heeft het nog steeds het gezag en de wil om het kapitaal te dwingen een deel van hun revenu, en niet hun kapitaal, te besteden aan werken van algemeen nut, die tegelijkertijd als algemene productievoorwaarden gelden en dus niet als bijzondere voorwaarden voor de ene of de andere kapitalist – en zolang het kapitaal niet de vorm van aandelenkapitaal aanneemt, zoekt het altijd alleen maar specifieke voorwaarden voor zijn valorisatie, het gemeenschappelijke schuift het als een nationale behoefte af op het gehele land. Het kapitaal gaat alleen voor voordelige zaken, voordelig voor het kapitaal.

Het speculeert echter ook verkeerd en, zoals wij zullen zien, moet het zo speculeren. Het doet dan investeringen die niet renderen en alleen renderen zodra zij tot op zekere hoogte minder waard zijn. Vandaar dat de vele ondernemingen waar de eerste kapitaalsinvestering verliesgevend is, de eerste ondernemers failliet gaan – en pas in de tweede of derde hand, wanneer het investeringskapitaal kleiner is door ontwaarding, dat zich dat valoriseert. Overigens behoort de staat zelf en alles wat ermee samenhangt tot deze inhoudingen op de inkomsten, [het] behoort als het ware tot de consumptiekosten voor het individu, de productiekosten voor de maatschappij. Een weg zelf kan de productiekrachten zodanig doen toenemen dat er een handel ontstaat die nu winstgevend is. Arbeid kan nodig zijn en uitgaven vragen zonder productief te zijn in de zin van kapitaal, d.w.z. zonder dat de daarin vervatte surplusarbeid door circulatie, door ruil als surpluswaarde, gerealiseerd wordt. Indien bijvoorbeeld een arbeider gedurende het jaar 12 uur per dag aan een weg werkt, en de algemeen noodzakelijke arbeidstijd gemiddeld = 6 uur, heeft hij een surplusarbeid van 6 uur gewerkt. Maar als de weg niet tegen 12 uur kan worden verkocht, misschien slechts tegen 6 uur, dan is de aanleg van de weg niet iets voor het kapitaal, en de aanleg van de weg is geen productieve arbeid. Het kapitaal moet in staat zijn de weg te verkopen (tijdstip en wijze van verkoop zijn hier niet van belang), zodat zowel de noodzakelijke arbeid als de surplusarbeid te gelde wordt gemaakt, of dat uit het algemene winstfonds – de surpluswaarden, een zodanig deel toekomt, alsof het de meerwaarde had gecreëerd. Deze verhouding wordt later onderzocht bij de winst en de noodzakelijke arbeid.

De hoogste ontwikkeling van het kapitaal vindt plaats wanneer de algemene voorwaarden van het maatschappelijke productieproces niet betaald worden uit de inhouding op het maatschappelijke revenu, de staatsbelastingen – waarbij het revenu, niet het kapitaal, als arbeidsfonds verschijnt en de arbeider, hoewel hij een vrije loonarbeider is zoals iedereen, toch economisch in een andere verhouding staat – maar uit kapitaal als kapitaal. Hieruit blijkt enerzijds de mate waarin het kapitaal zich heeft onderworpen aan alle voorwaarden van de maatschappelijke productie, dus ook de mate waarin de maatschappelijke reproductieve rijkdom is gekapitaliseerd en alle behoeften worden bevredigd in de vorm van ruil; zelfs de maatschappelijke behoeften van het individu, d.w.z. de behoeften die hij niet als individu in de maatschappij, maar gemeenschappelijk met anderen consumeert en nodig heeft – waarvan de consumptiewijze van nature maatschappelijk is – en deze ook door middel van ruil, individuele ruil, en niet alleen geconsumeerd, maar ook geproduceerd. Op de hierboven aangegeven wijze moet de aanleg van de weg zo voordelig zijn dat een bepaalde arbeidstijd die in de weg is omgezet, het arbeidsvermogen van de arbeider reproduceert als wanneer hij deze zou omzetten in de landbouw. De waarde wordt bepaald door de geobjectiveerde arbeidstijd, in welke vorm dan ook. Maar het hangt af van de gebruikswaarde waarin zij wordt gerealiseerd of deze waarde realiseerbaar is. Hier wordt verondersteld dat de weg nodig is voor de gemeenschap, vandaar dat de gebruikswaarde wordt verondersteld. Anderzijds veronderstelt het kapitaal, dat de aanleg van de weg op zich neemt, dat niet alleen de noodzakelijke arbeidstijd, maar ook de surplusarbeidstijd die de arbeider werkt, wordt betaald – vandaar zijn winst. (Door beschermende tarieven, monopolies, staatsdwang dwingt de kapitalist vaak deze betaling af, waar de individuele ruilers, in het geval van vrije ruil, hoogstens zouden betalen voor de noodzakelijke arbeid).

Het is zeker mogelijk dat er surplusarbeidstijd voorhanden is en niet wordt betaald (wat ook kan gebeuren met elke afzonderlijke kapitalist). Waar het kapitaal dominant is (evenals waar slavernij en lijfeigenschap of herendienst van welke aard) wordt de absolute arbeidstijd van de arbeider als voorwaarde gesteld om hem in staat te stellen de noodzakelijke arbeid te verrichten, d.w.z. voor zichzelf in gebruikswaarde te realiseren wat noodzakelijk is voor het behoud van zijn arbeidsvermogen. Concurrentie heeft dan tot gevolg, dat hij bij elk soort arbeid de volle tijd moet werken, d.w.z. surplusarbeidstijd. Maar het kan zijn dat deze surplusarbeidstijd, hoewel vervat in het product, niet ruilbaar is. Voor de arbeider zelf – in vergelijking met andere loonarbeiders – is het surplusarbeid. Voor de gebruiker is het arbeid die voor hem een gebruikswaarde heeft, zoals zijn kok, maar geen ruilwaarde, zodat het hele onderscheid van noodzakelijke en surplusarbeidstijd niet bestaat. Arbeid kan noodzakelijk zijn zonder productief te zijn. Alle algemene, gemeenschappelijke productievoorwaarden – zolang hun productie nog niet kan worden verwezenlijkt door het kapitaal als zodanig en onder zijn voorwaarden – worden dus betaald uit een deel van de inkomsten van het land – de staatskas, en de arbeiders verschijnen niet als productieve arbeiders, hoewel zij de productiekracht van het kapitaal verhogen.

Het resultaat van onze uitweiding is overigens dat de productie van communicatiemiddelen, de fysieke voorwaarden voor circulatie, onder de categorie van productie van vast kapitaal valt en dus geen bijzonder geval vormt. Slechts terloops is ons het vooruitzicht geboden, dat nu nog niet kan worden afgebakend, van een specifieke verhouding van het kapitaal tot de gemeenschappelijke, algemene voorwaarden van de maatschappelijke productie, te onderscheiden van die van het specifieke kapitaal en zijn specifieke productieprocessen.

Circulatie vindt plaats in ruimte en tijd. De ruimtelijke voorwaarde, het op de markt brengen van het product, behoort, economisch gesproken, tot het productieproces zelf. Het product is pas echt af zodra het op de markt is. De beweging daartoe, maakt nog deel uit van de productiekosten. Het vormt geen noodzakelijk moment van de circulatie, beschouwd als een speciaal waardeproces, aangezien een product kan worden gekocht en geconsumeerd op de plaats van productie. Maar dit ruimtelijk moment is in zoverre van belang dat de uitbreiding van de markt, de mogelijkheid van de ruil van het product, daarmee verbonden is. De vermindering van de kosten van deze reële circulatie (in de ruimte) behoort tot de ontwikkeling van de productiekrachten door het kapitaal, de vermindering van de kosten van valorisatie. In bepaalde opzichten kan dit moment, als externe voorwaarde voor het bestaan van het economische circulatieproces, ook worden gerekend tot de productiekosten van de circulatie, zodat, wat dit moment betreft, de circulatie zelf niet alleen verschijnt als een moment van het algemene productieproces, maar ook als een moment van het directe productieproces. In ieder geval blijkt de bepaling van dit moment hier uit de algemene graad van ontwikkeling van de productiekrachten en van de productie in het algemeen op basis van kapitaal. Preciezer gezegd, dit lokale moment – het op de markt brengen van het product – een noodzakelijke voorwaarde voor circulatie, behalve in het geval dat de plaats van productie de markt zelf is – zou kunnen worden beschouwd als de verandering van het product in een handelswaar. Een handelswaar is het maar eerst op de markt. (Of dit nu wel of niet een speciaal moment is, is bijkomstig. Als kapitaal op bestelling werkt, bestaat noch dit moment voor haar, noch de verandering in geld als een speciaal moment. Werken op bestelling, d.w.z. een aanbod dat overeenstemt met een voorafgaande vraag, als algemene of dominante voorwaarde komt niet overeen met de grootindustrie en komt geenszins voort als een voorwaarde uit de aard van het kapitaal.)

Ten tweede, het tijdsmoment. Dit behoort in wezen tot het begrip circulatie. Gesteld dat de handeling van het overgaan van de handelswaar in geld, contractueel is vastgelegd, kost dit tijd – rekenen, wegen, meten. Het inkorten van deze momenten is ook de ontwikkeling van de productiekracht. De tijd wordt ook alleen begrepen als een externe voorwaarde voor de overgang van de handelswaar in geld; de overgang is voorondersteld; het is de tijd die verstrijkt tijdens deze vooronderstelde handeling. Dit hoort bij de circulatiekosten. Anders is het met de tijd die verstrijkt voordat de waar in geld verandert; of de tijd gedurende welke de waar niet verandert, alleen potentiële waarde [heeft], niet werkelijk. Dat is puur verlies.

Uit alles wat hierboven is gezegd, blijkt duidelijk dat circulatie een essentieel proces van het kapitaal is. Het productieproces kan niet opnieuw beginnen vóór de omzetting van de waar in geld. De voortdurende continuïteit van het proces, de ongehinderde en vloeiende overgang van waarde van de ene vorm naar de andere of van de ene fase van het proces naar de andere, verschijnt als basisvoorwaarde van de productie op basis van kapitaal in een heel andere mate dan bij alle vroegere productievormen. Aan de andere kant, terwijl er de noodzaak is van deze continuïteit, vallen de fasen uiteen in tijd en ruimte als bijzondere processen die onverschillig staan tegenover elkaar. Het lijkt dus voor de op kapitaal gebaseerde productie een kwestie van toeval of haar essentiële voorwaarde, de continuïteit van de verschillende processen die haar proces als geheel vormen, al dan niet daadwerkelijk tot stand wordt gebracht. De opheffing van dit toeval door het kapitaal zelf is krediet. (Het heeft ook andere aspecten; maar dit aspect vloeit voort uit de directe aard van het productieproces en is derhalve de grondslag van de noodzaak van krediet.) Vandaar dat krediet in de vroegere productiewijzen, nooit in een ontwikkelde vorm voorkomt. Lenen en uitlenen vond ook vroeger plaats, en woeker is zelfs de oudste van de antediluviaanse kapitaalsvormen. Maar lenen en uitlenen is net zo min krediet als arbeid industriearbeid of vrije loonarbeid is. Als een essentiële, ontwikkelde productieverhouding verschijnt krediet historisch alleen in de circulatie op basis van kapitaal of loonarbeid. (Het geld zelf is een vorm om de ongelijkmatigheid van de tijden die nodig zijn in de verschillende productietakken op te schorten, voor zover dit tegengesteld is aan de ruil). Woeker, hoewel in zijn verburgerlijkte vorm aangepast aan het kapitaal, zelf een vorm van krediet, is in zijn voorburgerlijke vorm veeleer een uitdrukking van gebrek aan krediet.

(De terugverandering van geld in objectieve productiemomenten of – voorwaarden veronderstelt hun aanwezigheid. Zij vormt de verschillende markten waarop de producent zich als koopwaar – in handen van de koopman - bevindt, markten (naast de arbeidsmarkt) die wezenlijk verschillen van de markten voor onmiddellijke individuele, eindconsumptie.)

In de circulatie werd geld veranderd in een waar en in de ruil G-W eindigde het proces met de consumptie; of de handelswaar ruilde zich tegen geld – en in de ruil W-G verdween G, om weer te worden geruild tegen W, waarbij het proces weer eindigde in consumptie, of het geld trok zich terug uit de circulatie en werd omgezet in een dode schat en betekende alleen nog rijkdom. Nergens begon het proces uit zichzelf, maar de voorwaarden voor de geldcirculatie waren extern aan het proces en het had voortdurend nieuwe impulsen van buitenaf nodig. Voor zover beide momenten ruilden, was de vormverandering slechts formeel binnen de circulatie. Maar voor zover het inhoudelijk werd, viel het buiten het economisch proces; de inhoud behoorde er niet toe. Noch de waar, verkregen als geld noch het geld als waar; het was het een of het ander. De waarde als zodanig handhaafde zich niet in en door de circulatie als dominant ten opzichte van het transformatieproces, de metamorfose; evenmin werd de gebruikswaarde zelf (zoals het geval is in het productieproces van kapitaal) geproduceerd door de ruilwaarde.

Met het kapitaal is de consumptie van de waar zelf niet definitief; het valt in het productieproces; het verschijnt als een moment van de productie, d.w.z. het bepalen van de waarde [Wertsetzens]. Het kapitaal is nu weliswaar gesteld, maar in elk van de momenten waarop het nu eens verschijnt als geld, dan weer als handelswaar, nu eens als ruilwaarde, dan weer als gebruikswaarde, is het gesteld als waarde die niet alleen formeel zichzelf in deze vormverandering behoudt, maar zichzelf te gelde maakt [verwertender Wert], naar zichzelf verwijst als waarde. Het overgaan van het ene moment in het andere lijkt een bijzonder proces, maar elk van deze processen is het overgaan in het andere. Kapitaal wordt dus gesteld als een ontwikkeling van waarde [prozessierender Wert], dat op elk moment kapitaal is. Het wordt dus gesteld als circulerend kapitaal; kapitaal dat op elk moment van de ene bestemming naar de andere circuleert. Het punt van terugkeer is tegelijkertijd het punt van vertrek en vice versa – namelijk de kapitalist. Al het kapitaal is oorspronkelijk circulerend kapitaal, product van de circulatie, en de circulatie producerend, dus zijn eigen weg beschrijvend. De geldcirculatie – vanuit het huidige standpunt – verschijnt nu zelf als een moment van de circulatie van het kapitaal, en zijn zelfstandigheid is een schijn. Het lijkt aan alle kanten bepaald door de circulatie van het kapitaal, waarop wij nog zullen terugkomen. Voor zover het een zelfstandige beweging is naast die van het kapitaal, wordt deze zelfstandigheid slechts bepaald door de continuïteit van de circulatie van het kapitaal, zodat dit ene moment kan worden gefixeerd en op zichzelf beschouwd.

{“Kapitaal – een zich permanent vermeerderende waarde die niet meer vergaat. Deze waarde maakt zich los van de waar die haar heeft voortgebracht; als een metafysische, niet-substantiële kwaliteit blijft zij steeds in het bezit van dezelfde boer” (bv.), “voor wie het zich in verschillende vormen hult.” (Sismondi, VI. [Nouveaux principes d’économie politique ..., 2e ed., 1.1, Parijs 1827, pp. 88/89. Marx verwijst naar het paginanummer van een niet bewaard gebleven uittreksel uit een notitieboek (tussen 1844 en 1847).]

“Bij de ruil van arbeid tegen kapitaal eist de arbeider bestaansmiddelen om te leven, de kapitalist arbeid om winst te maken.” [verdienen] (Sism. l.c., p. 91) “De baas wint, profiteert van elke toename van de productiekrachten door de arbeidsdeling tot stand gebracht.” (l.c., p. 92.)

“Arbeid verkopen = afstand doen van alle vruchten van de arbeid”. (Antoine Cherbuliez, Richesse ou pauvreté, Parijs 1841, p. 64) “De 3 bestanddelen van het kapitaal groeien niet evenredig” (namelijk grondstoffen, werktuigen, levensmiddelenfonds), “noch staan zij in dezelfde verhouding in de verschillende stadia van de maatschappij. Het levensmiddelenfonds blijft gedurende een bepaalde tijd gelijk, hoe vlug de productiesnelheid en bijgevolg de hoeveelheid producten ook toenemen. Verhoging van het productiekapitaal leidt dus niet noodzakelijk tot verhoging van het levensmiddelenfonds, dat bestemd is om de prijs van de arbeid te vormen; het kan gepaard gaan met een verlaging van hetzelfde fonds”. (l.c., pp. 61-63)}

{Voor zover de vernieuwing van de productie afhangt van de verkoop van de afgewerkte producten; de transformatie van de handelswaar in geld en de terugverandering van geld in de condities voor productie – grondstof, instrument, loon – voor zover het traject dat het kapitaal doorloopt om van de ene bepaling in de andere over te gaan, gedeelten van de circulatie vormt en deze delen in bepaalde tijdsbestekken worden doorlopen (zelfs de plaatselijke afstand lost op in tijd; het is bijvoorbeeld niet de ruimtelijke afstand van de markt die telt maar de snelheid – de hoeveelheid tijd om die te bereiken), hangt het dus af van de snelheid van de circulatie, de tijd waarin die wordt afgelegd, hoeveel producten in een bepaalde periode kunnen worden geproduceerd; hoe vaak kapitaal zichzelf in een bepaalde periode kan valoriseren, zijn waarde kan reproduceren en vermenigvuldigen. In feite doet zich hier een moment van waardebepaling voor, dat niet voortvloeit uit de directe verhouding tussen arbeid en kapitaal. De verhouding waarin datzelfde kapitaal in een bepaalde tijdspanne het productieproces (creatie van nieuwe waarde) kan herhalen, is uiteraard een voorwaarde die niet rechtstreeks door het productieproces zelf wordt gesteld. Als dus de circulatie niet zelf een moment van waardebepaling voortbrengt dat uitsluitend in de arbeid ligt, dan hangt de snelheid waarmee het productieproces zich herhaalt, waarmee waarden tot stand komen, af van zijn snelheid – dus, zo niet waarden, dan toch tot op zekere hoogte de massa van waarden. Namelijk de door het productieproces gegenereerde waarden en surpluswaarden, vermenigvuldigd met het aantal herhalingen van het productieproces in een bepaalde tijdspanne.

Wanneer we spreken over de circulatiesnelheid van het kapitaal, gaan we ervan uit dat alleen externe belemmeringen de overgang van de ene fase naar de andere tegenhouden en niet de belemmeringen die voortkomen uit het productieproces en de circulatie (zoals crisissen, overproductie, enz.). Naast de arbeidstijd die in de productie wordt gerealiseerd, komt dus de circulatietijd van het kapitaal als moment van waardecreatie – van de productieve arbeidstijd zelf. Als de arbeidstijd de waardescheppende activiteit is, dan is deze circulatietijd van het kapitaal de tijd van de waardevermindering. Het verschil is eenvoudig dit: indien de totaliteit van de door het kapitaal gevraagde arbeidstijd op een maximum zou worden gesteld, zeg het oneindige ∞, zodat de noodzakelijke arbeidstijd een oneindig klein en de surplusarbeidstijd een oneindig groot deel van dit ∞ uitmaakte, dan zou dit het maximum zijn van de valorisatie van het kapitaal, en dit is de tendens waarnaar het streeft. Daarentegen, indien de circulatietijd van het kapitaal = 0 zou worden gesteld, indien de verschillende fasen van zijn transformatie in werkelijkheid even snel zouden verlopen als in gedachten, dan zou dit ook het maximum zijn van de factor waarin het productieproces kan worden herhaald, dat wil zeggen van het aantal valorisatieprocessen van het kapitaal in een gegeven periode. De herhaling van het productieproces zou slechts beperkt worden door de tijd die nodig is om de grondstof om te zetten in een product. De circulatietijd is dus geen positief waardecreërend element; indien hij gelijk zou zijn aan 0, zou de waardecreatie het hoogst zijn. Indien hetzij de surplusarbeidstijd, hetzij de noodzakelijke arbeidstijd = 0, d.w.z. indien de noodzakelijke arbeidstijd alle tijd zou absorberen of indien de productie zonder arbeid zou geschieden, dan zou er noch waarde, noch kapitaal, noch waardecreatie zijn. De circulatietijd bepaalt dus alleen de waarde, voor zover het een natuurlijke belemmering is voor de valorisatie van de arbeidstijd. Het gaat dus in feite om een vermindering van de surplusarbeidstijd, d.w.z. een verhoging van de noodzakelijke arbeidstijd. Het is duidelijk dat de noodzakelijke arbeidstijd betaald moet worden; het circulatieproces kan langzaam of snel verlopen.

Bijvoorbeeld in beroepen waar specifieke arbeidskrachten nodig zijn, maar deze slechts gedurende een gedeelte van het jaar kunnen worden ingezet, omdat de producten slechts gedurende een seizoen kunnen worden verkocht, zouden de arbeiders voor het gehele jaar worden betaald, d.w.z. dat de surplusarbeidstijd in dezelfde verhouding wordt verminderd als waarin zij gedurende een bepaalde periode minder worden ingezet, maar toch op de een of andere manier moeten worden betaald. (Bv. in de vorm dat hun loon voor 4 maanden volstaat om hen een jaar lang te onderhouden.) Indien het kapitaal ze gedurende 12 maanden zou te werk stellen, zou het niet meer loon betalen, en zou dat veel surplusarbeid hebben opgeleverd. De circulatietijd blijkt dus een belemmering te zijn voor de productiviteit van de arbeid = toename van de noodzakelijke arbeidstijd = afname van de surplusarbeidstijd = afname van de surpluswaarde = remming, belemmering van het proces van zelf-valorisatie van het kapitaal. Terwijl het kapitaal dus enerzijds moet streven naar het slechten van elke plaatselijke barrière van de handel, d.w.z. van de ruil, om de hele aarde als zijn markt te veroveren, streeft het aan de andere kant naar een vernietiging van de ruimte door de tijd, d.w.z. naar het tot een minimum terugbrengen van de tijd die de verplaatsing van de ene plaats naar de andere kost. Hoe meer het kapitaal ontwikkeld is, hoe uitgebreider de markt waarin het circuleert, het ruimtelijke traject van zijn circulatie, hoe meer het tegelijkertijd streeft naar een grotere ruimtelijke uitbreiding van de markt en naar een grotere vernietiging van ruimte door tijd. (Als de arbeidstijd niet wordt beschouwd als een arbeidsdag van afzonderlijke arbeiders, maar als de onbepaalde arbeidsdag van een onbepaald aantal arbeiders, komen hier alle bevolkingsverhoudingen in beeld; de basisleer van de bevolking is dus opgenomen in dit eerste hoofdstuk van Het Kapitaal, net als de winst, de prijs, het krediet, enz.)

Hier zien we de universele tendens van het kapitaal, dat het onderscheidt van alle voorgaande productiestadia. Hoewel uit de aard der zaak zelf geborneerd, streeft het naar de universele ontwikkeling van de productiekrachten en wordt zo de voorwaarde van een nieuwe productiewijze, die niet berust op de ontwikkeling van de productiekrachten om een bepaalde toestand te reproduceren en hoogstens uit te breiden, maar waar de – vrije, ongeremde, progressieve en universele ontwikkeling van de productiekrachten zelf de voorwaarde is van de maatschappij en dus van haar reproductie; waar de enige voorwaarde is: verder gaan dan het uitgangspunt. Deze tendens – van het kapitaal, maar die tegelijkertijd in tegenspraak is met zichzelf als bekrompen productievorm en het daarom stuwt naar zijn ontbinding – onderscheidt het kapitaal van alle vroegere productiewijzen en bevat tegelijkertijd in zich de transitie. Alle voorgaande samenlevingsvormen zijn ten onder gegaan aan de ontwikkeling van rijkdom – of, wat hetzelfde is, van de maatschappelijke productiekrachten. Bij de ouden, die dit bewustzijn hadden, wordt rijkdom daarom rechtstreeks aan de kaak gesteld als de ontbinding van de gemeenschap. De feodaliteit van haar kant ging ten onder aan de stedelijke industrie, handel en moderne landbouw ([en] zelfs individuele uitvindingen zoals buskruit en de drukpers).

Met de ontwikkeling van de rijkdom – dus ook van nieuwe krachten en expansie van de individuele handel – lossen de economische voorwaarden waarop de gemeenschap was gebaseerd, de politieke verhoudingen van de verschillende bestanddelen van de gemeenschap die ermee overeenkwamen, zich op: de godsdienst, waarin deze werd geïdealiseerd (en beide waren weer gebaseerd op een bepaalde verhouding tot de natuur, waarin zich alle productiekrachten oplosten); het karakter, de zienswijze, enz. van de individuen. De ontwikkeling van de wetenschap alleen – d.w.z. van de meest solide vorm van rijkdom, zowel product als producent ervan – was voldoende om deze gemeenschap te ontbinden. Maar de ontwikkeling van de wetenschap, deze ideële en tegelijk praktische rijkdom, is slechts één aspect, één vorm, waarin de ontwikkeling van de menselijke productiekrachten, d.w.z. van de rijkdom, verschijnt. Ideëel gesproken was de ontbinding van een bepaalde vorm van bewustzijn genoeg om een heel tijdperk fataal te worden. In werkelijkheid komt deze inperking van het bewustzijn overeen met een bepaalde graad van ontwikkeling van de materiële productiekrachten en dus van de rijkdom. Er was echter niet alleen een ontwikkeling op de oude basis, maar ook een ontwikkeling van deze basis zelf. De hoogste ontwikkeling van deze basis zelf (de bloeiperiode waarin er verandering is; maar de plant is altijd de basis van de bloei, de plant als bloei; vandaar verwelking na de bloei en als gevolg van de bloei) is het punt waarin zij zelf wordt bewerkstelligt tot de vorm waarin zij verenigbaar is met de hoogste ontwikkeling van de productiekrachten, vandaar ook de rijkste ontwikkeling van de individuen. Zodra dit punt is bereikt, verschijnt een verdere ontwikkeling als verval en begint de nieuwe ontwikkeling vanuit een nieuwe basis. We hebben eerder gezien dat het eigendom van de productievoorwaarden identiek werd gesteld met een beperkte, definitieve vorm van de gemeenschap; van het individu dus met zulke eigenschappen – beperkte eigenschappen en beperkte ontwikkeling van zijn productiekrachten – om zo’n gemeenschap te vormen. Deze voorwaarde was op zijn beurt het resultaat van een bekrompen historische fase in de ontwikkeling van de productiekrachten; zowel van de rijkdom als van de manier om die te scheppen. Het doel van de gemeenschap, van het individu – als de productievoorwaarde – [is] de reproductie van deze gegeven productievoorwaarden en van de individuen zowel individueel als in hun maatschappelijke bijzonderheid en relaties – als levende dragers van deze voorwaarden.

Het kapitaal stelt de productie van de rijkdom en dus de universele ontwikkeling van de productiekrachten, de voortdurende omwenteling van de bestaande voorwaarden, als voorwaarde voor zijn reproductie. De waarde sluit geen gebruikswaarde uit; zij omvat dus geen specifieke vorm van consumptie enz., van handel enz., als een absolute voorwaarde; en evenzo verschijnt elke graad van ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten, van handel, van kennis enz. voor haar slechts als een hindernis die zij tracht te overwinnen. Zijn voorwaarde zelf – waarde – wordt gesteld als een product, niet als een hogere voorwaarde die boven de productie zweeft. De belemmering voor het kapitaal is dat deze hele ontwikkeling tegenstrijdig verloopt en de bewerkstelliging van de productiekrachten, van de algemene rijkdom, enz., kennis, enz., op zo’n manier verschijnt dat het arbeidende individu zelf zichzelf vervreemdt; zich verhoudt tot arbeidsvoorwaarden die niet van hemzelf zijn, maar van een vreemde rijkdom en van zijn eigen armoede. Maar deze tegenstrijdige vorm verdwijnt en produceert de reële voorwaarden van zijn eigen vernietiging. Het resultaat is: de algemene ontwikkeling van de productiekrachten – de rijkdom in het algemeen – volgens hun tendens en δυνάμει [mogelijkheid] als basis, evenzo de universaliteit van het verkeer, dus de wereldmarkt als basis. De basis als de mogelijkheid van de universele ontwikkeling van het individu en de werkelijke ontwikkeling van het individu vanuit deze basis als de voortdurende opheffing van zijn begrenzing, die gezien wordt als een begrenzing, maar niet als een heilige grens. De universaliteit van het individu, niet denkbeeldig of ingebeeld, maar als de universaliteit van zijn werkelijke en ideële betrekkingen. Vandaar ook het begrip van de eigen geschiedenis als een proces en kennis van de natuur (ook aanwezig als praktische macht erover) als zijn reëel lichaam. Het ontwikkelingsproces zelf is vooropgezet en bekend. Maar daarvoor is het nodig dat de volledige ontwikkeling van de productiekrachten een productievoorwaarde is geworden; niet dat bepaalde productievoorwaarden een grens stellen aan de ontwikkeling van de productiekrachten.

Als wij nu terugkeren naar de circulatietijd van het kapitaal, dan is het korter worden daarvan (voor zover het niet de ontwikkeling is van de nodige communicatie- en transportmiddelen om het product op de markt te brengen) deels de creatie van een continue markt en dus van een steeds expanderende markt; deels de ontwikkeling van economische verhoudingen, ontwikkelingen van gedaanten van kapitalen, waardoor de circulatietijd kunstmatig wordt verkort. (Alle vormen van krediet.)

{Hierbij kan worden opgemerkt dat, aangezien alleen het kapitaal de voorwaarden voor de productie van kapitaal heeft, d.w.z. daaraan voldoet en ernaar streeft deze te verwezenlijken, [het] de algemene tendens van het kapitaal [is] op alle punten de circulatievoorwaarden, productieve centra, te realiseren, deze punten te assimileren, d.w.z. om te vormen tot kapitaliserende productie of productie van kapitaal. Deze propagandistische (beschavende) tendens is slechts eigen aan het kapitaal – in tegenstelling tot de vroegere productievoorwaarden}.

De productiewijzen waar de circulatie niet de immanente, dominante voorwaarde van de productie is [hebben] natuurlijk niet de specifieke circulatiebehoeften van het kapitaal en hebben dus niet het resultaat van de economische gedaanten en reële corresponderende productiekrachten. –

Oorspronkelijk begon de op kapitaal gebaseerde productie met de circulatie; wij zien nu hoe zij de circulatie als voorwaarde stelt, en evenzeer het productieproces in zijn onmiddellijkheid als een moment van het circulatieproces, het circulatieproces als een fase van het productieproces in zijn totaliteit.

Aangezien verschillende kapitalen verschillende circulatietijden hebben (bv. de ene een verre markt, de andere een nabije; de ene een verzekerde omzetting in geld, de andere een riskante; de ene meer vast kapitaal, de andere meer circulerend kapitaal), geeft dit voor hen valorisatie-verschillen. Maar dit gebeurt alleen in het secundaire valorisatieproces. De circulatietijd op zich is een belemmering voor het valoriseren (de noodzakelijke arbeidstijd is inderdaad ook een beperking, maar tegelijk een element, want zonder dat zouden waarde en kapitaal wegvallen). [Het is een] verkorten van de surplusarbeidstijd of een verhoging van de noodzakelijke arbeidstijd in verhouding tot de surplusarbeidstijd. De circulatie van kapitaal realiseert waarde, levende arbeid is waardecreërend. De circulatietijd is slechts een belemmering voor deze realisatie van waarde en in zoverre de waardecreatie; een belemmering die niet voortvloeit uit de productie in het algemeen, maar specifiek is voor de productie van kapitaal, waarvan het overstijgen – of de strijd er tegen – ook behoort tot de specifieke economische ontwikkeling van het kapitaal en de impuls geeft voor de ontwikkeling van zijn kredietvormen, enz.

{Het kapitaal zelf is contradictoir, voortdurend probeert het de noodzakelijke arbeidstijd op te heffen (en dit is tegelijkertijd de reductie van de arbeider tot een minimum, d.w.z. zijn bestaan als louter levend arbeidsvermogen), maar de surplusarbeidstijd bestaat alleen als tegengesteld aan de noodzakelijke arbeidstijd, als noodzakelijke voorwaarde voor zijn reproductie en valorisatie. De ontwikkeling van de materiële productiekrachten – die tegelijk de krachten van de arbeidersklasse ontwikkelt – wordt op een gegeven moment door het kapitaal zelf opgeheven.}

{De ondernemer kan de productie pas weer herbeginnen nadat hij het eindproduct heeft verkocht en de prijs heeft gebruikt om nieuw materiaal en nieuwe lonen te kopen; hoe sneller de circulatie dus is om deze twee effecten werkend te hebben, hoe eerder [In het manuscript staat “meer”. De correctie aangebracht volgens Marx’ Brussels notitieboek van 1845, p. 35] hij in staat is zijn productie opnieuw te beginnen en hoe meer kapitaal in een bepaalde tijdspanne producten oplevert”. (Henri Storch, Cours d’économie politique..., 1.1., Parijs 1823, pp. 411/412.)}

{“De specifieke voorschotten van de kapitalist bestaan niet uit weefsels, enz. maar uit arbeid.” (Thomas Robert Malthus, The measure of value stated and illustrated..., Londen 1823, p. 17. Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek IX van 1851.)}

{De accumulatie van het gezamenlijk maatschappelijk kapitaal in andere handen dan die van de arbeiders vertraagt noodzakelijkerwijs de vooruitgang van de industrie als geheel, met uitzondering van de groei van die gebruikelijke vergoeding van kapitaal die de eigenaren van kapitaal ontvangen naar tijd en omstandigheden ... In de vorige systemen werd de productiekracht beschouwd met betrekking en ondergeschiktheid aan de feitelijke accumulaties en aan de bestendiging van de bestaande distributiewijze. De feitelijke accumulatie en distributie moeten ondergeschikt worden gemaakt aan de productiekracht.” {(William Thomson, An inquiry into the principles of the distribution of wealth most conducive to human happiness, Londen 1824, p. 176 en 589. Marx verwijst naar zijn notitieboek “Manchester. 1845”.)}

Uit de verhouding van de circulatietijd tot het productieproces volgt dat de som van de geproduceerde waarden, of de totale valorisatie van het kapitaal in een gegeven tijdvak, niet alleen wordt bepaald door de nieuwe waarde die het in het productieproces creëert, of door de in het productieproces gerealiseerde surplustijd, maar door deze surplustijd (surpluswaarde) vermenigvuldigd met het getal dat uitdrukt hoe vaak het productieproces van het kapitaal in een gegeven tijd kan worden herhaald. Het getal dat deze herhaling uitdrukt, kan worden beschouwd als de coëfficiënt van het productieproces of meerwaarde die erdoor wordt gecreëerd. Deze coëfficiënt is echter niet positief, maar wordt negatief bepaald door de omloopsnelheid. D.w.z., indien de omloopsnelheid absoluut zou zijn, d.w.z. indien het productieproces in het geheel niet door de circulatie wordt onderbroken, zou deze coëfficiënt het grootst zijn. Indien, bv., de reële omstandigheden van de tarweproductie in een bepaald land slechts één oogst toelaat, dan kan geen enkele omloopsnelheid er twee van maken. Als er echter een circulatiebelemmering zou zijn, als de pachter zijn tarwe niet vroeg genoeg kon verkopen, bv. om nieuwe arbeiders in dienst te nemen, zou de productie tot stilstand komen. Het maximum van de coëfficiënt van het productie- of valorisatieproces in een bepaalde periode wordt bepaald door de absolute duur van de productiefase. Als de circulatie voltooid is, kan het kapitaal zijn productieproces opnieuw beginnen. Indien dus de circulatie geen enkele hapering teweegbracht, indien haar snelheid absoluut was en haar duur gelijk aan 0, m.a.w. indien zij in een oogwenk was verdwenen, dan zou dit slechts hetzelfde zijn als wanneer het kapitaal zijn productieproces opnieuw had kunnen beginnen zodra het voltooid was; m.a.w. de circulatie zou niet hebben bestaan als een voorwaardelijke belemmering van de productie, en de herhaling van het productieproces in een bepaalde periode zou absoluut afhankelijk zijn, samenvallend met de duur van het productieproces.

Indien de industriële ontwikkeling het mogelijk maakte x pond twist te produceren in 4 maanden met een kapitaal van 100, dan kon met dat kapitaal het productieproces slechts 3 maal per jaar worden herhaald, en kon slechts 3x pond twist worden geproduceerd. Geen enkele circulatiesnelheid zou de reproductie van het kapitaal, of liever de herhaling van zijn valorisatieproces, voorbij dit punt kunnen verhogen. Dit kan alleen gebeuren als gevolg van een toename van de productiekrachten. De circulatietijd op zich is geen productiekracht van het kapitaal, maar een beperking van zijn productiekracht, die voortvloeit uit zijn aard als ruilwaarde. Het doorlopen van de verschillende circulatiefasen verschijnt hier als een barrière voor de productie, een barrière die wordt opgeworpen door de specifieke aard van het kapitaal zelf. Het enige wat kan gebeuren door de versnelling en verkorting van de circulatietijd – van het circulatieproces – is de reductie van de barrière, opgeworpen door de aard van het kapitaal. De natuurlijke grens voor de herhaling van het productieproces, bv. in de landbouw, valt samen met de duur van één cyclus van de productiefase. De barrière die door het kapitaal wordt opgeworpen, is de tijd die verstrijkt, niet tussen zaaien en oogsten, maar tussen oogsten en de omzetting van de oogst in geld en de terugverandering van het geld, bv. in de aankoop van arbeidskracht. De circulatie-artiesten die denken dat zij met de circulatiesnelheid iets anders kunnen doen dan het inkorten van de door het kapitaal opgeworpen beperkingen voor de reproductie ervan, zitten op het verkeerde spoor (nog dwazer zijn natuurlijk de circulatie-artiesten, die zich inbeelden dat zij door middel van kredietinstellingen en innovaties, die de duur van de circulatietijd opheffen, niet alleen de stoornis, de onderbreking van de productie, die de omzetting van het eindproduct in kapitaal noodzakelijk maakt, kunnen opheffen, maar ook het kapitaal zelf overbodig kunnen maken, waartegen het producerende kapitaal ruilt; d.w.z. tegelijkertijd willen produceren op basis van ruilwaarde en tegelijkertijd de noodzakelijke voorwaarden van de productie op deze basis willen opheffen). Al wat het krediet in dit opzicht – louter wat circulatie betreft – kan doen, is de continuïteit van het productieproces verzekeren, indien alle andere voorwaarden voor deze continuïteit aanwezig zijn, d.w.z. indien het kapitaal waarmee geruild wordt, daadwerkelijk bestaat, enz.

In het circulatieproces wordt als voorwaarde gesteld, voor de valorisatie van het kapitaal door de productie, voor de uitbuiting van de arbeid door het kapitaal, de verandering van kapitaal in geld of de ruil van kapitaal tegen kapitaal (want vanuit het huidige standpunt hebben we op alle momenten van de circulatie, alleen arbeid of kapitaal).

Kapitaal bestaat alleen als kapitaal voor zover het de circulatiefasen doorloopt, de verschillende momenten van zijn transformatie, om het productieproces opnieuw te kunnen beginnen, en deze fasen zijn zelf fasen van zijn valorisatie – maar tegelijkertijd, zoals we hebben gezien, van zijn ontwaarding. Zolang het kapitaal gefixeerd is in de vorm van het eindproduct, kan het niet actief zijn als kapitaal, is het niet-kapitaal [negiertes]. Het valorisatieproces wordt in dezelfde mate stopgezet en de procedurele waarde [prozessierender Wert] ervan genegeerd. Dit verschijnt dus als een verlies voor het kapitaal, als een relatief waardeverlies, want zijn waarde bestaat juist in het valorisatieproces. Met andere woorden, dit verlies van kapitaal betekent niets anders dan dat ongebruikte tijd verstrijkt, waarin het, door ruil met levende arbeid, surplusarbeidstijd, vreemde arbeid, zou kunnen toe-eigenen, als de volledige stop niet was opgetreden.

Laten we nu denken aan vele kapitalen in bedrijfstakken, die alle noodzakelijk zijn (wat zou blijken uit het feit dat, indien kapitaal massaal uit een bedrijfstak zou emigreren, het aanbod van producten in die bedrijfstak minder zou worden dan de vraag, zodat de marktprijs boven de natuurlijke prijs zou stijgen), en voor één bedrijfstak zou het bv. nodig zijn dat het kapitaal a) langer in de vorm van ontwaarding blijft, d.w.z. dat de tijd waarin het de verschillende circulatiefasen doorloopt, langer zou zijn dan in alle andere bedrijfstakken, dan zou kapitaal a) de geringere nieuwe waarde, die het kon scheppen, als een positief verlies beschouwen, dan wanneer het zoveel meer kosten had om dezelfde waarde te produceren. Het zou dus relatief meer ruilwaarde voor zijn producten vragen dan de andere kapitalen, voor eenzelfde winstmarge. Maar in feite kon dit alleen gebeuren door het verlies over de andere kapitalen te verdelen. Indien a) voor het product meer ruilwaarde verlangt dan de daarin geobjectiveerde arbeid, kan het dit meer [Mehr] slechts verkrijgen doordat de anderen minder waarde krijgen voor hun producten, dan de werkelijke waarde ervan. D.w.z., de ongunstige voorwaarden waaronder a) heeft geproduceerd zouden aliquot verdeeld worden over alle kapitalisten die met hem ruilen, en aldus zou een gelijke gemiddelde winst het resultaat zijn. Maar de som van de door de kapitalen tezamen gecreëerde meerwaarde zou worden verminderd, juist door het minder te gelde maken [Minderverwertung] van kapitaal a) ten opzichte van de andere kapitalen; alleen zou deze vermindering, in plaats van uitsluitend ten laste van kapitaal a) te komen, als een algemeen verlies, als een verlies in gedeelten, gedragen worden door alle kapitalen. Niets is dan ook belachelijker dan de opvatting (zie bv. Ramsay) dat het kapitaal, los van de uitbuiting van de arbeid, een oorspronkelijke bron van meerwaarde vormt, los van de arbeid, omdat de verdeling van de surplusarbeid binnen de kapitalen niet verloopt in verhouding tot de surplusarbeidstijd die door het afzonderlijke kapitaal wordt gecreëerd, maar tot de totale surplusarbeid, gecreëerd door alle kapitalen tezamen, en zo een grotere waardecreatie aan het afzonderlijke kapitaal kan worden toegekend dan rechtstreeks te verklaren is uit zijn aparte uitbuiting van de arbeidskracht. Maar dit meer aan de ene kant moet gecompenseerd worden door een minder aan de andere kant. Anders betekent het gemiddelde helemaal niets. De vraag, hoe de verhouding van het kapitaal tot het vreemde kapitaal, d.w.z. de onderlinge concurrentie van de kapitalen, de surpluswaarde verdeelt, heeft klaarblijkelijk niets te maken met de absolute omvang van deze surpluswaarde. Niets is dus absurder dan te concluderen dat, omdat het kapitaal zijn uitzonderlijke circulatietijd laat vergoeden, dat wil zeggen zijn relatief onderwaarderen als positief overwaarderen in rekening brengt, nu de kapitalen tezamen, het kapitaal, in staat is iets uit niets te maken, een plus uit een min, een min-surplusarbeidstijd of min-surpluswaarde een plus-surpluswaarde, en dus een mystieke bron van waardecreatie bezit, onafhankelijk van de toe-eigening van andere arbeid. De wijze waarop de kapitalen en anderen hun aliquot aandeel in de meerwaarde berekenen – niet alleen aan de hand van de bestede surplusarbeidstijd, maar ook aan de hand van de tijd dat hun kapitaal als zodanig heeft gewerkt, d.w.z. braak heeft gelegen, zich bevond in de fase van ontwaarding – verandert natuurlijk niets aan de som van de meerwaarde die zij onderling moeten verdelen. Deze som zelf kan niet groter worden door kleiner te zijn dan zij zou zijn geweest indien kapitaal a), in plaats van braak te liggen, surpluswaarde had gecreëerd; d.w.z. door in dezelfde tijd als de andere kapitalen minder surpluswaarde te hebben gecreëerd. Dit braak liggen wordt voor kapitaal a) slechts goedgemaakt voor zover het noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de omstandigheden van de bijzondere productietak, het verschijnt dus ten aanzien van het kapitaal als hinderlijk voor de valorisatie, als een noodzakelijke beperking voor de valorisatie ervan in het algemeen. Door de arbeidsdeling is deze hindernis alleen te beschouwen als een belemmering van het productieproces van dit specifieke kapitaal. Als men het productieproces beschouwt als geleid door het kapitaal in het algemeen, is het een algemene belemmering voor valorisatie. Als men de arbeid beschouwt als zichzelf voortbrengend, dan lijken alle grotere voorschotten die nodig zijn tijdens het valoriseren, wat zij zijn – mindering van de meerwaarde.

Circulatie kan maar waarde scheppen voor zover zij een nieuwe gebruikmaking – [van] vreemde arbeid – vereist, naast de rechtstreeks in het productieproces geconsumeerde arbeid. Dit is hetzelfde als wanneer meer noodzakelijke arbeid rechtstreeks in het productieproces zouden worden ingezet. Alleen de werkelijke circulatiekosten verhogen de waarde van het product, maar verminderen de surpluswaarde.

Voor zover de circulatie van het kapitaal (het product enz.) niet de noodzakelijke fasen uitdrukt om het productieproces opnieuw te beginnen, vormt deze circulatie (zie het voorbeeld van Storch) geen moment van de productie in haar totaliteit – en is dus een circulatie die niet door de productie wordt bepaald, en voor zover zij kosten maakt, zijn het faux frais de production [productiekosten]. De circulatiekosten in het algemeen, d.w.z. de productiekosten van de circulatie, voor zover zij betrekking hebben op de economische momenten, de eigenlijke circulatie (het op de markt brengen van het product geeft het een nieuwe gebruikswaarde), moeten worden beschouwd als een vermindering van de meerwaarde, d.w.z. als een toename van de noodzakelijke arbeid ten opzichte van de surplusarbeid.

De continuïteit van de productie veronderstelt dat de circulatietijd wordt opgeheven. Als het niet wordt opgeheven, dan moet de tijd verstrijken tussen de verschillende metamorfoses die het kapitaal moet doorlopen; zijn circulatietijd moet verschijnen als een vermindering van zijn productietijd. Anderzijds veronderstelt de aard van het kapitaal dat het de verschillende circulatiefasen doorloopt, niet zoals in het bewustzijn, waar het ene begrip in het andere overgaat met de snelheid van het denken, in geen tijd, maar veeleer als situaties die in de tijd gescheiden zijn. Het moet enige tijd als een cocon doorbrengen voordat het als een vlinder kan vliegen. De voorwaarden voor de productie ervan, die voortvloeien uit de aard van het kapitaal zelf, zijn dus met elkaar in tegenspraak. De tegenstelling kan slechts op twee manieren worden opgeheven en overwonnen {behalve als men zich inbeeldt dat alle kapitalen op bestelling voor elkaar produceren, en dat het product dus altijd onmiddellijk geld is, een opvatting die in strijd is met de aard van het kapitaal en dus ook met de praktijk van de grootindustrie}:

Ten eerste, krediet: een pseudokoper B) – d.w.z. die werkelijk betaalt maar niet werkelijk koopt – zorgt ervoor dat kapitalist A) zijn product omzet in geld. B) zelf wordt echter pas betaald zodra kapitalist C) het product van A) heeft gekocht. Of deze kredietgever B) A) geld geeft om arbeid te kopen, of grondstof en [een] arbeidsinstrument voordat A) beide kan vervangen door de verkoop van zijn product, verandert niets aan de zaak. In principe moet hij hem beide geven volgens onze vooronderstelling – d.w.z. alle productievoorwaarden (maar deze vertegenwoordigen een grotere waarde dan de oorspronkelijke waarde waarmee A) het productieproces begon). In dit geval komt kapitaal B) in de plaats van kapitaal A); maar beide worden niet gelijktijdig gevaloriseerd. B) neemt nu de plaats in van A; d.w.z. zijn kapitaal blijft ongebruikt totdat het wordt geruild met kapitaal C). Het is gefixeerd in het product van A), dat zijn product liquide heeft gemaakt in kapitaal B).


Vervolg: Meerwaardetheorieën en winst