De differentiaalrente: algemeen


In de analyse van de grondrente zullen we eerst uitgaan van de veronderstelling dat de producten die een dergelijke rente opbrengen, met een deel van de meerwaarde, dus ook een deel van de totale prijs, zich in de rente oplossen – voor ons doel is het voldoende land- of mijnbouwproducten in aanmerking te nemen – dat dus grond- of mijnbouwproducten, net als alle andere waren, worden verkocht tegen hun productieprijs. D.w.z. hun verkoopprijzen zijn gelijk aan de kostenelementen (de waarde van het verbruikte constante en variabele kapitaal) plus een winst, bepaald door de algemene winstvoet, berekend op het voorgeschoten totale kapitaal, verbruikt en niet-verbruikt. We veronderstellen dus dat de gemiddelde verkoopprijzen van deze producten gelijk zijn aan hun productieprijzen. De vraag rijst dan hoe onder deze veronderstelling een grondrente zich kan ontwikkelen, d.w.z. een deel van de winst zich kan veranderen in grondrente en dus een deel van de warenprijzen naar de grondeigenaar gaat.

Om het algemene karakter van deze vorm van grondrente te demonstreren, veronderstellen we dat de meeste fabrieken in een land aangedreven worden door stoommachines, en een kleiner aantal door natuurlijke watervallen. We veronderstellen verder dat de productieprijs in elke industrietak 115 is, voor een hoeveelheid waren met een verbruikt kapitaal van 100. De 15 % winst is niet enkel berekend op het geconsumeerde kapitaal van 100, maar op het totale kapitaal, gebruikt bij de productie van de warenwaarde. Deze productieprijs [1e oplage: productieproces; veranderd naar het manuscript van Marx], zoals eerder besproken, wordt niet bepaald door de individuele kostprijs van elke afzonderlijk producerende industrieel, maar door de kostprijs van de waren die lager is dan de gemiddelde kostprijs van het producerende kapitaal in de gehele productiesector. Feitelijk is het de marktproductieprijs; de gemiddelde marktprijs verschillend tot zijn oscillaties. Het is zelfs in de vorm van de marktprijs en verder in de gedaante van de gereguleerde marktprijs of de marktproductieprijs, dat de aard van de waarde van de waren zich stelt, zijn determinatie gebeurt niet door de productie van een aantal waren of door de afzonderlijke waren van een bepaalde individuele producent en zijn noodzakelijke arbeidstijd, maar door de maatschappelijke noodzakelijke arbeidstijd; door de vereiste arbeidstijd, onder de gegeven gemiddelde maatschappelijke productievoorwaarden, dat maatschappelijk vereist is voor de totale hoeveelheid van de soorten waren die op de markt zijn.

Omdat de cijfers hier geen belang hebben, nemen we aan dat de kostprijs in de fabrieken, aangedreven door waterkracht, slechts 90 in plaats van 100 bedraagt. Vanwege de door de markt gereguleerde productieprijs van de massa van deze waren = 115, met een winst van 15 %, zullen de fabrikanten die hun machines aandrijven met waterkracht, ook tegen 115 verkopen, d.w.z. tegen de door de marktprijs gereguleerde gemiddelde prijs. Hun winst zal dan 25 zijn in plaats van 15; de gereguleerde productieprijs liet toe een surpluswinst van 10 % te maken, niet omdat ze hun waren boven, maar omdat ze ze verkopen tegen de productieprijs, omdat hun waren worden geproduceerd of hun kapitaal fungeert onder uitzonderlijk gunstige voorwaarden, voorwaarden boven het overwegende gemiddelde niveau van de sector.


Twee dingen zijn onmiddellijk duidelijk:
Ten eerste: de surpluswinst van de producenten die de natuurlijke waterval als drijfkracht gebruiken, gedraagt zich allereerst zoals alle surpluswinst (we hebben deze categorie al uiteengezet bij de behandeling van de productieprijzen) die niet toevallig het resultaat zijn van transacties in het circulatieproces, van toevallige schommelingen van de marktprijzen. Deze surpluswinst is dus gelijk aan het verschil tussen de afzonderlijke productieprijs van deze bevoordeelde producenten en de algemene maatschappelijke productieprijs die de markt reguleert voor deze gehele productiesector. Dit verschil is gelijk aan het overschot van de algemene productieprijs van de waren boven hun individuele productieprijs. De twee regulerende beperkingen van deze overschotten zijn enerzijds de individuele kostprijs en derhalve de afzonderlijke productieprijs, anderzijds de algemene productieprijs. De waarde van de met de waterval geproduceerde waren is kleiner, omdat voor hun productie een kleinere totale hoeveelheid arbeid nodig is, namelijk minder arbeid – in een gematerialiseerde vorm – in het constant kapitaal als een deel van het laatste. De hier aangewende arbeid is productiever, de individuele productiekracht is groter dan de aangewende arbeid in de meeste soortgelijke fabrieken. De grotere productiekracht uit zich in het feit dat om dezelfde hoeveelheid waren te produceren, een kleinere hoeveelheid constant kapitaal nodig is, een kleinere hoeveelheid gematerialiseerde arbeid dan de anderen; met daarnaast ook een kleinere hoeveelheid levende arbeid, aangezien door het waterrad de verwarming voor stoom onnodig is. Deze grotere hoeveelheid individuele productiekracht van de aangewende arbeid vermindert de waarde, maar ook de kostprijs en dus de productieprijs van de waren. Voor de industrieel betekent dit, dat voor hem de kostprijs van de waren kleiner is. Hij moet minder betalen voor de dode arbeid en ook minder arbeidsloon voor minder levende arbeidskracht. Daar de kostprijs van zijn waren lager is, is ook zijn individuele productieprijs lager. Zijn kostprijs is 90 in plaats van 100. Zijn individuele productieprijs is dus 1031/2 in plaats van 115 (100 : 115 = 90 : 1031/2). Het verschil tussen de afzonderlijke productieprijs en de algemene is beperkt door de differentie tussen de individuele kostprijs en de algemene. Dit is één van de factoren die de surpluswinst [1e oplage: surplusproduct] begrenzen. De andere is de grootte van de algemene productieprijzen, waarin de algemene winstvoet een van de regelende factoren is. Worden de kolen goedkoper, dan wordt de differentie tussen de individuele en de algemene kostprijs kleiner en daarmee de surpluswinst. Moet hij de waren verkopen tegen de individuele waarde of de door hun individuele waarde bepaalde productieprijs, dan wordt de differentie kleiner. Enerzijds is dit het resultaat van het feit dat de waren worden verkocht tegen hun algemene marktprijs, een prijs gelijk gemaakt uit de afzonderlijke prijzen door de concurrentie, anderzijds, dat die grotere individuele productiekracht van de aan het werk gezette arbeid, niet de arbeiders ten goede komt, maar, zoals alle arbeidsproductiviteit, aan de gebruiker ervan; dat het toegeschreven wordt aan de productiviteit van het kapitaal.

Daar een beperking van de surpluswinst de hoogte is van de algemene productieprijs, waarvan de hoogte van de algemene winstvoet een van de factoren is, kan dit alleen ontstaan uit het verschil tussen de algemene en de individuele productieprijs, bijgevolg uit het verschil tussen de individuele en de algemene winstvoet. Een overschot boven dit verschil veronderstelt de verkoop van het product boven, niet tegen, de door de markt geregelde productieprijs.

Ten tweede: Tot nu toe onderscheidt de surpluswinst van de fabrikanten, die gebruik maken van de natuurlijke waterval in plaats van stoom als drijfkracht, zich op geen enkele wijze van de andere surpluswinsten. Alle normale surpluswinsten, d.w.z., niet het gevolg van toevallige verkooptransacties of schommelingen van de marktprijs, zijn bepaald door de differentie tussen de individuele warenproductieprijs van een apart kapitaal en de algemene productieprijs, dat algemeen de marktprijs van de waren regelt van het kapitaal in deze productiesector of de marktprijzen van de waren van het in deze productiesectoren geïnvesteerde totale kapitaal.

Maar nu komt het onderscheid.
Aan welke situatie dankt de fabrikant in dit geval zijn surpluswinst, het overschot, voor hem persoonlijk uit de productieprijs, gereguleerd door de algemene winstvoet?

In de eerste plaats door de natuurkracht, de drijfkracht van de waterval, onmiddellijk geleverd uit de natuur en niet zoals met kolen, dat het water verandert in stoom en een arbeidsproduct is, dus waarde heeft, waarvan de kost met een equivalent moet worden betaald. De waterval is een natuurlijk productiemiddel, in haar productie zit geen arbeid.


Maar dat is niet alles. De fabrikant, die met de stoommachine werkt, maakt ook gebruik van de natuurkracht die hem niets kost, maar de arbeid productiever maakt en als het daarmee de nodige arbeid voor de levensmiddelen van de arbeiders goedkoper maakt, dus een verhoging van de meerwaarde en daarmee de winst; en deze kracht kan net zo goed door het kapitaal worden gemonopoliseerd als de maatschappelijke natuurkracht van de arbeid, voortvloeiend uit de samenwerking, arbeidsdeling, enz. De fabrikant betaalt de kolen, maar niet de capaciteit van het water om van aggregatietoestand te veranderen, in stoom over te gaan, niet de elasticiteit van stoom enz. Deze monopolisering van de natuurkrachten, die de productiviteit van de arbeidskracht verhoogt, is gemeenschappelijk aan alle kapitalen, werkend met stoommachines. Het kan het deel van het arbeidsproduct dat de meerwaarde vertegenwoordigt verhogen, tegenover het deel dat verandert in arbeidsloon. In zoverre verhoogt het de algemene winstvoet, maar ze creëert geen surpluswinst, die bestaat uit een hogere individuele winst dan de gemiddelde winst. Dat het gebruik van een natuurkracht, de waterval, hier een surpluswinst geeft, kan niet alleen te wijten zijn aan het feit dat de gestegen arbeidsproductiviteit de natuurkracht gebruikt. Er moeten andere omstandigheden zijn.

Omgekeerd, het louter gebruik van natuurkrachten in de industrie heeft invloed op het niveau van de algemene winstvoet omdat het effect heeft op de hoeveelheid arbeid, nodig voor de productie van noodzakelijke levensmiddelen. Maar op zich geeft het geen afwijking op de algemene winstvoet en dit is precies het punt waarover we hier spreken. Bovendien, de surpluswinst dat een individueel kapitaal in een specifieke productiesector realiseert – want de afwijkingen van de winstvoeten tussen de productiesectoren nivelleren zich voortdurend naar een gemiddelde winstvoet – ontstaat, afgezien van louter toevallige afwijkingen, door een verlaging van de kostprijs, dus de productiekosten, te danken aan, ofwel de omstandigheid dat het kapitaal in een grotere hoeveelheid aangewend wordt dan gemiddeld en zo de faux frais van de productie verlagen, terwijl algemene oorzaken de arbeidsproductiviteit (samenwerking, arbeidsdeling enz.) doen stijgen met meer intensiteit en in hogere mate, omdat het werkterrein groter is; ofwel door de omstandigheid dat, afgezien van de omvang van het fungerende kapitaal, er betere arbeidsmethoden, nieuwe uitvindingen, betere machines, chemische fabrieksgeheimen enz., kortom nieuwe en betere toepassingen dan het gemiddelde niveau van productiemiddelen en productiemethoden. De verlaging van de kostprijzen en de daaruit resulterende surpluswinst ontstaat hier uit de aard en wijze waarop het fungerende kapitaal is geïnvesteerd. Ze ontstaan hetzij uit het feit dat een uitzonderlijk grote hoeveelheid kapitaal in één hand is geconcentreerd – een situatie die zichzelf opheft zodra er gemiddeld een gelijke hoeveelheid kapitaal wordt gebruikt – of dat een kapitaal van een bepaalde grootte op een bijzonder productieve wijze functioneert – een situatie die wegvalt zodra een uitzonderlijke productiewijze zich veralgemeend of overtroffen wordt door een nog beter ontwikkelde.

De oorzaak van de surpluswinst ontstaat hier dus uit het kapitaal (en inbegrepen de aan het werk gezette arbeid); of het nu een verschil is in grootte van het gebruikte kapitaal, of uit effectiviteit van het ingezette kapitaal; en op zich staat er niets in de weg opdat al het kapitaal niet in dezelfde productiesector op dezelfde wijze wordt geïnvesteerd. Integendeel, de concurrentie tussen de kapitalen streeft ernaar de verschillen meer en meer te nivelleren; de waardebepaling door de maatschappelijk noodzakelijke arbeid zet zich door in het goedkoper worden van de waren en de noodzaak de waren onder dezelfde gunstige verhoudingen te produceren. Maar het is geheel anders met de surpluswinst bij fabrikanten die gebruik maken van waterkracht. De verhoogde productiekracht van de door hem gebruikte arbeid vloeit niet voort uit het kapitaal en de arbeid, noch uit het louter gebruik van een natuurkracht, verschillend van kapitaal en arbeid, maar is geïncorporeerd in het kapitaal. Ze komt uit de grotere natuurlijke arbeidsproductiviteit die verbonden is met het gebruik van de natuurkracht, maar niet een natuurkracht beschikbaar voor elk kapitaal in dezelfde productiesector. Neem bv. de elasticiteit van stoom; het gebruik ervan is niet vanzelfsprekend, met het investeren van kapitaal in deze sector. Een te monopoliseren natuurkracht, zoals een waterval, staat alleen ter beschikking van diegenen die specifieke delen van de grond en toebehoren bezitten. Het is geenszins in de macht van het kapitaal om deze natuurlijke toestand voor een grotere arbeidsproductiviteit op dezelfde manier te creĆ«ren, zoals elk kapitaal water in stoom kan veranderen. Het is alleen plaatselijk in de natuur te vinden en waar het niet aanwezig is, is het niet te produceren met kapitaalinvesteringen. Het is niet gebonden aan producten die de arbeid kan maken, zoals machines, kolen enz., maar aan specifieke natuurlijke verhoudingen van specifieke gronden. De fabrikanten in het bezit van watervallen, sluiten de niet-bezitters uit van het gebruik van deze natuurkracht, omdat de grond, en zeker deze met waterkracht, schaars is. Dit sluit niet uit dat, hoewel het aantal natuurlijke watervallen in een land beperkt is, de hoeveelheid waterkracht, dienstbaar voor de industrie, kan toenemen. De waterval kan kunstmatig worden omgeleid om de drijfkracht volledig te exploiteren; volgens de gegeven waterval, kan het waterrad worden verbeterd om zoveel mogelijk waterkracht te gebruiken; waar het traditionele waterrad niet voldoet, kan men turbines gebruiken, enz. Het bezit van deze natuurkracht vormt een monopolie in handen van de eigenaars, een beding voor een hogere productiekracht van het geïnvesteerde kapitaal, dat niet door het kapitaal zelf kan worden gerealiseerd;[124] deze gemonopoliseerde natuurkracht is steeds gebonden aan de grond. Een dergelijke natuurkracht behoort niet tot de algemene voorwaarden van de productiesector in kwestie en niet tot de algemeen te realiseren condities.


Laat ons nu aannemen dat de watervallen, samen met de bijbehorende grond, in bezit zijn van personen, erkend als eigenaars van deze gronden, als landeigenaar. Deze eigenaars sluiten kapitaalinvesteringen in de watervallen en de exploitatie ervan uit, door het kapitaal. Zij kunnen het gebruik ervan toestaan of weigeren. Maar het kapitaal kan uit zichzelf de waterval niet creëren. De surpluswinst, door het gebruik van de waterval, spruit dus niet voort uit het kapitaal, maar uit het gebruik van een natuurkracht die te monopoliseren is en gemonopoliseerd is, door het kapitaal. Onder deze omstandigheden is de surpluswinst veranderd in grondrente, d.w.z. het gaat naar de eigenaar van de waterval. Betaalt de fabrikant hem £10 per jaar voor zijn waterval, dan is zijn winst £15; 15 % op die £100, dat dan zijn productiekosten zijn; en hij staat er dan goed voor, mischien wel beter, dan alle andere kapitalisten in zijn productiesector, werkend met stoom. De zaak zou niet anders zijn, als de kapitalist eigenaar was van de waterval. Hij zou de surpluswinst van £10 niet als kapitalist ontvangen, maar als eigenaar van de waterval, precies omdat dit surplus niet afkomstig is van zijn kapitaal, maar uit het gemonopoliseerde gebruik van een in omvang beperkte natuurkracht, gescheiden van zijn kapitaal; daarom verandert dit zich in grondrente.


Een: het is duidelijk dat deze rente altijd een differentiaalrente is, want ze is niet een bepalende factor in de algemene productieprijs van de waren, maar het resultaat. Het ontstaat steeds uit het verschil tussen de individuele productieprijs van het afzonderlijke kapitaal, gebruik makend van de gemonopoliseerde natuurkracht, en de algemene productieprijs van het kapitaal geïnvesteerd in de betrokken productiesector.


Twee: de grondrente ontstaat niet uit de absolute toename van de productiekracht van het geïnvesteerde kapitaal, respectievelijk uit de toegeëigende arbeid, die eigenlijk alleen de warenwaarde kan verminderen; maar uit de grotere relatieve productiviteit van specifieke in de productiesector geïnvesteerde afzonderlijke kapitalen, vergeleken met de kapitaalinvesteringen die bij wijze van uitzondering uitgesloten zijn van deze door de natuur begunstigde voorwaarden. Wanneer bv. het gebruik van stoom, hoewel kolen waarde hebben en de waterkracht niet, overwegend voordelen geeft die de waterkracht niet heeft en deze beter compenseert, dan word er geen waterkracht gebruikt en kan er geen surpluswinst zijn en dus geen rente voortbrengen.


Drie: de natuurkracht is niet de bron van de surpluswinst, maar haar natuurlijke basis, omdat deze natuurlijke basis bij wijze van uitzondering de arbeidsproductiviteit verhoogt. Zo is de gebruikswaarde over het algemeen de drager van ruilwaarde, maar niet de oorzaak ervan. Dezelfde gebruikswaarde, verkregen zonder arbeid, zou geen ruilwaarde hebben, maar blijft haar natuurlijke nuttigheid als gebruikswaarde houden. Aan de andere kant, een ding heeft geen ruilwaarde zonder gebruikswaarde, d.w.z. zonder zo’n natuurlijke drager van de arbeid. Zouden de verschillende waarden zich niet nivelleren aan de productieprijzen en de verschillende individuele productieprijzen niet in een algemene, de markt regulerende productieprijs, dan zou de stijging van de arbeidsproductiviteit door het gebruik van de waterval de prijs van de met de waterval geproduceerde waren verlagen, zonder een toename van de winst die in deze waren zit; net zo, zou deze gestegen arbeidsproductiviteit zich niet in meerwaarde veranderen, ware het niet dat het kapitaal zich de natuurlijke en de maatschappelijke door haar gebruikte arbeid als productiekracht, als zijn eigen arbeid toe-eigende.


Vier: de eigendom van de waterval heeft niets te maken met de creatie van het deel van de meerwaarde (winst) en dus de warenprijs, geproduceerd met behulp van de waterval. Deze surpluswinst zou er ook zijn als er geen grondeigendom bestond, wanneer bv. het land met de waterval door de fabrikant werd gebruikt als land zonder eigenaar. Het is niet de grondeigendom dat het waardedeel, dat zich in surpluswinst verandert, creëert; maar het stelt de grondeigenaar wel in staat om als eigenaar van de waterval de surpluswinst uit de zak van de fabrikant te halen en over te brengen naar zijn eigen zak. De oorzaak is niet de creatie van surpluswinst, maar de transformatie in grondrente en zodoende de toe-eigening van dit winstdeel, respectievelijk de warenprijzen, door de eigenaar van de grond of de waterval.


Vijf: het is duidelijk dat de prijs van de waterval, dus de prijs die de grondeigenaar krijgt bij een verkoop aan een derde persoon of ook aan de fabrikant zelf, niet onmiddellijk in de productieprijs van de waren aanwezig is, maar toch in de individuele kostprijs van de fabrikant; omdat de rente hieruit ontstaat, onafhankelijk van de door de waterval gereguleerde productieprijs van gelijksoortige waren, geproduceerd met stoommachines. Bovendien is deze prijs van de waterval altijd een irrationele uitdrukking, waarachter een reële economische relatie verborgen zit. De waterval, net als de aarde zelf, net als alle natuurkrachten, heeft geen waarde, omdat er geen geconcretiseerde arbeid in geobjectiveerd is en dus geen prijs, die normaal gesproken niets anders is dan een waarde in geld uitgedrukt. Daar waar er geen waarde is, kan het eo ipso niet in geld gepresenteerd worden. Deze prijs is niets anders dan de gekapitaliseerde rente. De grondeigendom geeft aan de eigenaar de mogelijkheid het verschil tussen de individuele winst en de gemiddelde winst af te vangen; de zo afgevangen winst – wat zich jaarlijks herhaalt – kan worden gekapitaliseerd en verschijnt dan als de prijs van de natuurkracht. Bedraagt de surpluswinst, door het gebruik van de waterval £10 per jaar en de gemiddelde rente 5 %, dan zijn deze £10 de jaarlijkse rente op een kapitaal van £200; en de kapitalisatie van die jaarlijkse £10, die de eigenaars van de waterval de fabrikanten afgevangen hebben, dat verschijnt dan als de kapitaalwaarde van de waterval zelf. Dat deze zelf geen waarde heeft, maar zijn prijs slechts een weerspiegeling is van de bemachtigde surpluswinst, kapitalistisch berekend, toont zich in het feit, dat de prijs van £200 alleen het product van de surpluswinst van £10 is op 20 jaar, terwijl bij gelijke omstandigheden diezelfde waterval voor onbepaalde tijd de eigenaar 30, 100, x jaar in staat stelt jaarlijks £10 te nemen, terwijl aan de andere kant een nieuwe productiemethode, die niet werkt met waterkracht en de kostprijs van de waren, geproduceerd met een stoommachine, verlaagt van £100 tot £90, de surpluswinst doet verdwijnen en daarmee de rente en dus de prijs van de waterval.


Nu we het algemene concept van de differentiaalrente bepaald hebben, gaan we over tot de analyse ervan in de werkelijke landbouw. Wat van de landbouw gezegd wordt, dat geldt ook voor de mijnbouw.

_______________
[124] Zie over de extra winst de “Inquiry” (tegen Malthus)