Differentiaalrente, ook op de slechtst bewerkte grond

Laat ons aannemen dat de vraag naar graan stijgt en het aanbod kan die alleen voldaan worden door opeenvolgende kapitaalinvesteringen met onderproductiviteit op rentegevende gronden of door bijkomende kapitaalinvesteringen, eveneens met dalende productiviteit, in grond A of met kapitaalinvesteringen in nieuwe gronden van een lagere kwaliteit dan A.

Laten we aannemen dat grond B representatief is voor de rentegevende gronden.

De extra kapitaalinvestering vereist een stijging van de marktprijs boven de tot nu toe regulerende productieprijs van £3 per qr., om een meerproductie van 1 qr. in B mogelijk te maken (dat hier kan staan voor een miljoen qrs., net zoals iedere acre voor een miljoen acres kan staan). C, D, enz., – gronden met de hoogste rente – kunnen ook een meerproduct hebben, maar alleen met een afnemende surplusproductiefactor; maar dat ene qr. van B is toch verondersteld als noodzakelijk om aan de vraag te voldoen. Kan dit ene qr. van B goedkoper produceren dankzij een bijkomende kapitaalverhoging, dan met een gelijke kapitaalverhoging in A of door het afdalen naar grond A-1, dat het qr. bv. maar tegen £4 kan produceren, terwijl het extra kapitaal in A al tegen £33/4 per qr. kan produceren, dan zou het extra kapitaal in B de marktprijs reguleren.

A heeft tot nu 1 qr. tegen £3 geproduceerd. B eveneens tot nu een totaal van 31/2 qrs. tegen een individuele productieprijs van in totaal £6. Is er in B nu een verhoging van £4 productiekosten (incl. winst) noodzakelijk om een bijkomende qr. te produceren, terwijl het in A tegen £31/4 geproduceerd kan worden, zal het uiteraard in A worden geproduceerd en niet in B. Laat ons dus aannemen dat het in B kan worden geproduceerd tegen een bijkomende productiekost van £31/2. In dit geval wordt £31/2 de regulerende prijs voor de totale productie. B zou nu zijn huidige productie van 41/2 qrs. verkopen tegen £153/4. Van de eerste 31/2 qrs. gaat een productiekost af van £6 en van de laatste qr. £31/2, samen 91/2. Dit laat een surpluswinst voor een rente van = £61/4 tegenover de vroegere £41/2. In dit geval zou acre A eveneens een rente opbrengen van £1/2; maar niet de slechtere A-grond, maar de betere grond B zou de productieprijs van £31/2 reguleren. Natuurlijk gaan we er hier van uit dat de nieuwe grond de boniteit heeft van A met dezelfde gunstige omstandigheden, zoals de tot dusver bewerkte, maar niet beschikbaar is en er een tweede kapitaalinvestering gebeurt op de al bewerkte grond A tegen een hogere productiekost, of noodzakelijk gebruik maakt van een nog schralere grond A-1. Zodra door opeenvolgende kapitaalinvesteringen differentiaalrente 2 van kracht wordt, kan het dus dat er een begrenzing is van de stijgende productieprijzen, gereguleerd door de betere en de slechtste grond; de basis van differentiaalrente 1 kan dan eveneens rente geven. Zo zouden alleen al bij een differentiaalrente alle bewerkte gronden rentegevend zijn.

We hebben dan de volgende twee tabellen, waarbij onder de productiekost de som van het voorgeschoten kapitaal plus 20 % winst begrepen is, m.a.w.: op elke £21/2 kapitaal £1/2 winst, samen £3.

grondsoort acres productiekosten £ product qrs. verkoopprijs £ geldopbrengst £ graanrente qrs. geldrente £
A 1 3 1 3 3 0 0
B 1 6 31/2 3 101/2 11/2 41/2
C 1 6 51/2 3 161/2 31/2 101/2
D 1 6 71/2 3 221/2 51/2 161/2
Totaal 4 21 171/2
521/2 101/2 311/2


Dit is de stand van zaken voor de nieuwe kapitaalinvestering van £31/2 in B, die maar een 1 qr. oplevert. Na deze investering hebben we:

grondsoort acres productiekosten £ product qrs. verkoopprijs £ geldopbrengst £ graanrente qrs. geldrente £
A 1 3 1 31/2 31/2 1/7 1/2
B 1 91/2 41/2 31/2 151/2 111/14 61/4
C 1 6 51/2 31/2 191/2 311/14 131/4
D 1 6 71/2 31/2 261/2 511/14 201/4
Totaal 4 241/2 181/2
641/2 111/2 401/4

{Dit is weer niet goed berekend. Voor de pachter van B is de kost van 41/2 qrs., ten eerste aan productiekosten £91/2, ten tweede aan rente £41/2, samen £14; dus het gemiddelde per qr. is £31/9. Deze gemiddelde prijs van zijn totale productie wordt hiermee de regulerende marktprijs. Overeenkomstig zou de rente van A £1/9 bedragen, in plaats van £1/2 en deze van B blijft £41/2 zoals voorheen: 41/2 qrs. à £31/2 = £14 daarvan gaat af £91/2 productiekosten, blijft er £41/2 over voor surpluswinst. Men ziet: ondanks de andere cijfers laat het voorbeeld zien hoe, door middel van differentiaalrente 2, de betere grond, die al een rente geeft, de prijs reguleert en daardoor alle grond, ook de tot dusver renteloze, kan veranderen in rentegevende. – F.E.}

De graanrente moet stijgen zodra de regulerende productieprijs van het graan stijgt, zodra dus het qr. graan van de regulerende grond of de regulerende kapitaalinvestering in een van de grondsoorten stijgt. Het is hetzelfde, als wanneer alle soorten gronden minder productief zouden zijn en bv. met £21/2 nieuwe kapitaalinvesteringen allemaal slechts 5/7 qr. produceerden, in plaats van 1 qr. Wat ze met dezelfde kapitaalinvestering meer aan graan produceren, dat verandert in surplusproduct, waarin de surpluswinst en dus de rente vertegenwoordigd is. Gesteld dat de winstvoet hetzelfde blijft, dan kan de pachter met zijn winst minder graan kopen. De winstvoet kan hetzelfde blijven als het arbeidsloon niet stijgt, omdat het tot het fysieke minimum wordt gebracht, dus verlaagd wordt onder de normale waarde van de arbeidskracht, ofwel omdat andere dingen, door de manufacturen geleverd voor de arbeidersconsumptie, in verhouding goedkoper zijn geworden; óf omdat de arbeidsdag verlengd is of intensiever is geworden en daarom de winstvoet in de niet-agrarische bedrijfstakken, maar die de agrarische winst reguleert, gelijk gebleven is, zo niet gestegen; ofwel omdat in de landbouw weliswaar hetzelfde kapitaal geïnvesteerd is, maar meer constant en minder variabel.


We hebben nu de eerste manier gezien, hoe op de tot nu toe slechtste grond A een rente kan voortkomen, zonder dat een nog slechtere grond in cultuur wordt gebracht; namelijk door het verschil van de afzonderlijke, tot nu regulerende productieprijs tegen de nieuwe hogere productieprijs, waarvoor het laatste extra kapitaal, met onderproductie op de betere grond, het noodzakelijke extra product levert.

Had grond A-1 in het aanvullende product moeten voorzien, die het qr. maar tegen £4 kan produceren, dan zou de rente per acre van A stijgen naar £1. Maar in dit geval zou A-1 de plaats innemen van A als de slechtste gecultiveerde grond en verhuizen naar de laagste positie in de rij rentegevende gronden. Differentiaalrente 1 was dan veranderd. Dit geval is dus geen deel van onze analyse van differentiaalrente 2, die ontstaat uit de verschillende productiviteit van de opeenvolgende kapitaalinvesteringen in dezelfde percelen.

Maar twee andere situaties kunnen resulteren in een differentiaalrente van grond A.
Bij een ongewijzigde prijs – elke prijs, zelfs een lagere prijs dan de vorige – wanneer de extra kapitaalinvestering een surplusproductiviteit teweegbrengt, wat prima facie tot op een bepaald punt altijd het geval moet zijn met de slechtste grond.

Ten tweede, als omgkeerd de productiviteit van de opeenvolgende kapitaalinvesteringen in grond A vermindert.

In beide gevallen wordt ervan uitgegaan dat de toegenomen productie nodig is om aan de vraag te voldoen.

Maar vanuit het standpunt van de differentiaalrente stelt zich hier een eigenaardig probleem door de eerder ontwikkelde wet, dat het altijd de individuele gemiddelde prijs van de productie van het qr. op de totale productie is (of de totale kapitaalinvestering) die bepalend is. Voor grond A is echter niet, zoals voor de betere gronden, een externe productieprijs gegeven, die voor nieuwe kapitaalinvesteringen de nivellering van de individuele met de algemene productieprijs beperkt. Want de individuele productieprijs van A is precies de algemene productieprijs die de marktprijs reguleert.

Nemen we aan dat:
1. Met een verhoogde productiekracht van de opeenvolgende kapitaalinvesteringen kan 1 acre van A 3 qrs. produceren in plaats van 2 qrs. met een voorgeschoten kapitaal van £5, corresponderend aan een productiekost van £6. De eerste kapitaalinvestering van £21/2 geeft 1 qr., de tweede 2 qrs. In dit geval geeft £6 productiekost 3 qrs., het qr. kost dus gemiddeld £2; worden die 3 qrs. tegen £2 verkocht, dan brengt A als vroeger geen rente op, maar heeft alleen de basis gewijzigd van differentiaalrente 2, de £2 is nu de regulerende productieprijs geworden in plaats van de £3; een kapitaal van £21/2 produceert nu gemiddeld op de slechtste grond 11/2 in plaats van 1 qr., en dit is nu de officiële productiviteit voor alle betere gronden voor een investering van £21/2. Een deel van het huidige surplusproduct is vanaf nu het noodzakelijke product, zoals een deel van de surpluswinst nu nodig is voor het formeren van de gemiddelde winst.

Wordt echter gerekend zoals voor de betere gronden, waar de berekening van het gemiddelde niets wijzigt aan het absolute surplus, omdat de algemene productieprijs de limiet is voor de kapitaalinvestering, dan kost het qr. van de eerste kapitaalinvestering £3 en de 2 qrs. van de tweede elk slechts £11/2. Men krijgt dus een graanrente van 1 qr. en £3 geldrente van A, maar de 3 qrs. worden verkocht aan de oude prijs van £9. Is er een derde investering van £21/2 met een gelijk blijvende productiviteit als de tweede, dan is er samen 5 qrs. geproduceerd aan £9 productiekosten. Blijft de individuele gemiddelde productieprijs van A regulerend, dan moet het qr. tegen £14/5 verkocht worden. De gemiddelde prijs zou weer dalen, niet door het opnieuw stijgen van de productiviteit van de derde kapitaalinvestering, maar alleen door toevoeging van een nieuwe investering met dezelfde bijkomende productiviteit van de tweede. In plaats van de rente te verhogen op de rentedragende gronden, zullen de opeenvolgende investeringen van kapitaal in grond A met een hogere, maar gelijkblijvende productiviteit de productieprijs en daarmee, bij gelijkblijvende omstandigheden, de differentiaalrente op alle andere grondsoorten proportioneel verlagen. Blijft echter de eerste kapitaalinvestering die 1 qr. produceert tegen £3 productiekosten bepalend, dan worden de 5 qr. tegen £15 verkocht en de differentiaalrente van de latere kapitaalinvesteringen in grond A bedraagt dan £6. De toevoeging van meer kapitaal in de A-acre, in welke vorm dan ook aangewend, is een verbetering en het extra kapitaal maakt het oorspronkelijke deel van het kapitaal productiever. Het zou onzin zijn te zeggen dat een 1/3 van het kapitaal 1 qr. en de resterende 2/3 4 qrs. hadden geproduceerd. £9 per acre zouden altijd 5 qrs. produceren, terwijl £3 maar 1 qr. zou produceren. Of er hier wel of niet een rente ontstaat, een surpluswinst, is volledig afhankelijk van de omstandigheden. Normaal moet de regulerende productieprijs dalen. Dit zal het geval zijn als deze verbeterde, maar duurdere bewerking ook voor grond A geldt, zoals op de betere gronden – dus een algemene revolutie in de landbouw; zodat nu, wanneer we spreken van de natuurlijke vruchtbaarheid van grond A, verondersteld wordt dat die bewerkt wordt met £6 respectievelijk £9 in plaats van £3. Dit geldt met name als het grootste deel van de bewerkte acres van grond A, die het grootste deel levert van de aanvoer van een land, onderworpen wordt aan dit nieuwe systeem. Wanneer echter deze verbetering aanvankelijk maar een klein gebied van A inneemt, dan zou dit beter bewerkte deel een surpluswinst opleveren dat de grondbezitter snel ter hand komt en geheel of ten dele in rente verandert. Zo kan, als de vraag gelijke tred houdt met de toenemende aanvoer, naarmate de grond A in overeenstemming met haar oppervlakte geleidelijk onderworpen wordt aan de nieuwe methode, zich langzamerhand een rente vormen op alle gronden van kwaliteit A en de surplusproductiviteit geheel of gedeeltelijk, naargelang de marktverhoudingen, geconfisqueerd worden. De nivellering van de productieprijs van A aan de gemiddelde productieprijs onder een verhoogde kapitaalinvestering kan zo verhinderd worden door het vastleggen van de surpluswinst van deze toename van de investering in de vorm van rente. In dit geval is het weer, zoals eerder gezien met de betere gronden waar de productiviteit van het extra kapitaal daalt, de verandering van surpluswinst in grondrente, d.w.z. de tussenkomst van het grondeigendom, dat de productieprijs verhoogt, in plaats van de differentiaalrente als louter gevolg van het verschil tussen de individuele en de algemene productieprijs. Het zou voor grond A het samenvallen van beide prijzen verhinderen, aangezien het bepalen van de productieprijs door de gemiddelde productieprijs van A; het zou dus een hogere productieprijs dan nodig in stand houden en daardoor rente creëren. Zelfs met een vrije buitenlandse graaninvoer kan men hetzelfde resultaat hebben of aanhouden, indien de pachters worden gedwongen om de grond, die kan concurreren met de productieprijs van het graan dat in het buitenland bepaald is, zonder rente op te brengen, een andere bestemming te geven, bv. weiland, zodat enkel rentegevende gronden aan graanteelt doen, d.w.z. slechts gronden waarvan de individuele gemiddelde productieprijs per qr. lager is dan de productieprijs bepaald in het buitenland. Algemeen is aan te nemen dat in het gegeven geval de productieprijs zal dalen, maar niet tot het gemiddelde, maar wat hoger dan het gemiddelde, maar onder de productieprijs van de slechtste bebouwde A-grond, zodat concurrentie van een nieuwe grond door A wordt tegengewerkt.

2. Dalende productiviteit van de extra kapitalen. Stel dat grond A-1 het aanvullende qr. slechts tegen £4 kan produceren. Grond A echter aan £31/4, dus goedkoper, maar toch 3/4 duurder dan het geproduceerde qr. uit de eerste kapitaalinvestering. In dit geval is de totale prijs van de twee geproduceerde qrs. van A = £63/4; dus de gemiddelde prijs per qr. = £33/8. De productieprijs zou stijgen, maar slechts met 3/8, terwijl, als het extra kapitaal in nieuwe grond wordt geïnvesteerd, die produceert tegen £33/4, het nog eens met 3/8 tot £33/4 zou stijgen en daarmee een proportionele verhoging veroorzaakt van al de andere differentiaalrenten.

De productieprijs van £33/8 per qr. van A zou zo gelijk worden aan de gemiddelde productieprijs met een verhoogde kapitaalinvestering en regulerend worden; het zal geen rente geven omdat er geen surpluswinst is.

Zou echter dit qr., geproduceerd met de tweede kapitaalinvestering tegen £33/4 verkocht worden, dan brengt grond A nu een rente op van £3/4, en ook alle acres van A waar geen extra kapitaalinvestering gebeurd is, die dus nog steeds het qr. tegen £3 produceren. Zolang er onbewerkte A-gronden zijn, kan de prijs alleen tijdelijk stijgen tot £33/4. De mededinging van nieuwe A-gronden zal de productieprijs op £3 houden, tot alle grond van A gebruikt is, waarvan de gunstige situatie toelaat het qr. goedkoper dan £33/4 te produceren. Dit is aannemelijk, hoewel de grondeigenaar, wanneer een acre rente geeft, geen andere grond rentevrij aan een pachter overlaat.

Opnieuw zal het afhangen van de omvang van de generalisatie van de tweede kapitaalinvestering in de beschikbare grond A, of de productieprijs genivelleerd wordt naar de gemiddelde prijs, of dat de individuele productieprijs van de tweede kapitaalinvestering met £33/4 regulerend wordt. Het laatste is alleen het geval wanneer de grondeigenaar de tijd krijgt de surpluswinst, totdat aan de vraag voldaan is, gemaakt aan de prijs van £33/4 per qr., als rente vast te leggen.


Over de afnemende productiviteit van de grond bij opeenvolgende kapitaalinvesteringen is te lezen bij Liebig.
We hebben gezien dat de geleidelijke daling van het surplus van de productiviteit van het geïnvesteerde kapitaal het effect heeft van een verhoging van de rente per acre wanneer de productiekost hetzelfde blijft en dat het zelfs kan als die daalt.

Maar algemeen: vanuit het standpunt van de kapitalistische productiewijze is er steeds een relatief duurder worden van de producten, want om hetzelfde product te verkrijgen moet er een voorschot gemaakt worden, iets moet betaalt worden wat vroeger niet betaald werd. Omdat de vervanging van het verbruikte kapitaal in de productie, alleen als vervanging van waarden te begrijpen is, aanwezig in bepaalde productiemiddelen. Natuurelementen die als een kracht in de productie gebruikt worden en niets kosten, welke rol het ook heeft in de productie, zijn geen bestanddeel van het kapitaal, maar zijn een gratis natuurkracht voor het kapitaal, d.w.z. als een gratis natuurlijke productiekracht voor de arbeid, maar die zich op basis van de kapitalistische productiewijze, zoals elke productiekracht, een kapitalistische productiekracht is. Als zo’n natuurkracht, die oorspronkelijk niets kost, deelneemt in de productie, dan wordt dit niet opgenomen in de prijsbepaling, zolang het product waaraan het bijdraagt voldoet aan de vraag. Moet echter in de loop der ontwikkeling een groter product worden geproduceerd dan mogelijk is met de hulp van deze natuurkracht, dan moet dit extra product zonder hulp van deze natuurkracht, ofwel met behulp van menselijke tussenkomst, de menselijke arbeid, worden geproduceerd, dan komt er een nieuw extra element in het kapitaal. Dit betekent dat er relatief meer kapitaaluitgaven zijn om hetzelfde product te verkrijgen. Alle andere omstandigheden gelijk blijvend, wordt de productie duurder.


{Uit een schrift, “Begonnen midden februari 1876”.}


Differentiaalrente en rente als louter rente van het in de grond opgenomen kapitaal.


De zogenaamde permanente melioratie – die de fysieke, deels chemische aard van de bodem verandert door middel van handelingen, dat zijn bestedingen van kapitaal en kunnen beschouwd worden als opname van kapitaal in de grond – dat komt er bijna steeds op neer, dat een bepaalde grond, de grond in een bepaalde ruimte, eigenschappen wordt gegeven die een andere grond, op een andere plaats en vaak dichtbij, van nature bezit. De ene grond is van nature genivelleerd, de andere moet genivelleerd worden; de ene heeft een natuurlijke waterafvoer, de andere vraagt kunstmatige drainering; de ene heeft van nature een grootte laag teelaarde, de andere moet kunstmatig worden vergroot; de ene heeft een kleigrond met van nature een hoeveelheid goed gemengd zand, bij de andere moet die verhouding gecreëerd worden; de ene weide wordt natuurlijk bevloeid of bespoeld met slib, de andere door arbeid, of in de taal van de burgerlijke economie, door kapitaal.


Het is werkelijk een belachelijke theorie dat bij de ene grond, waarvan comparatieve voordelen verkregen zijn, de rente interest is, maar niet de andere, die van nature deze voordelen bezit. (In feite wordt de zaak in de praktijk verdraaid, dat, omdat in het ene geval de rente samenvalt met de interest, ze ook zo valselijk genoemd wordt in de andere gevallen waar dit absoluut niet het geval is.) De grond echter geeft rente na de gemaakte kapitaalinvestering, niet omdat er kapitaal is geïnvesteerd, maar omdat de kapitaalinvestering de grond t.o.v. vroeger productiever heeft gemaakt. Als alle gronden van een land zo’n kapitaalinvestering nodig hebben; dan moet elk stuk grond, dat dit nog niet gekregen heeft, eerst door dit stadium gaan en de rente (de interest die het opbrengt in het gegeven geval) waarin de grond met een kapitaalinvestering al voorziet, is net zo goed een differentiaalrente, alsof het een natuurlijk voordeel bezat en de andere grond dit eerst kunstmatig moet verwerven.

Ook deze in interest oplosbare rente wordt een zuivere differentiaalrente, zodra het geïnvesteerde kapitaal is afgelost. Hetzelfde kapitaal zou anders twee keer als kapitaal moeten bestaan.

Een amusant fenomeen is, dat alle tegenstanders van Ricardo, die zich verzetten tegen het idee dat de waardebepaling uitsluitend berust op arbeid, eerder dan dat het voortkomt uit het verschil in grond, de differentiaalrente als geldig beschouwen en erop wijzen dat de natuur in plaats van de arbeid de waarde bepaalt; tegelijk echter deze definitie van de situatie opeisen of ook, en in nog grotere mate, de interest van het kapitaal aangewend in de bewerkte grond. Dezelfde arbeid produceert dezelfde waarde voor een product gemaakt in een gegeven tijd; maar de omvang van de hoeveelheid van dit product, dus ook het waardedeel, geassocieerd met het evenredige deel van dit product, hangt af bij een gegeven hoeveelheid arbeid, enkel af van de hoeveelheid producten, en dit weer hangt af van de productiviteit van de gegeven hoeveelheid arbeid, niet van de grootte van deze hoeveelheid. Of deze productiviteit te wijten is aan de natuur of de maatschappij, is om het even. Alleen waar de productiviteit zelf arbeid kost, dus kapitaal kost, verhoogt het de productiekost met een nieuw element, wat niet het geval is met alleen de natuur.