Jan Cornelis Ceton

Vrije school of verplichte staatsschool


Bron: De Nieuwe Tijd, 7e jaargang, 1902 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling en minimale modernisering van het Nederlands
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
In het Publieke Domein
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
De libertaire opvoeding
Democratisering van het onderwijs in het middelbaar onderwijs, enkele aspecten
De legende van de dorpsonderwijzer
De oorsprong van het christendom

Sta mij toe, alvorens tot bovenstaand onderwerp over te gaan, mijn dank te brengen aan de redactie voor de gelegenheid die ze de Soc. Dem. Onderwijzersvereniging verschafte door haar te verzoeken een van haar leden uit te nodigen zijn mening over deze kwestie uiteen te zetten. Naast het algemeen belang, dat elk sociaaldemocraat heeft bij de volksontwikkeling, algemeen gesproken, en de vraag: vrije school of verplichte staatsschool in het bijzonder, zijn de onderwijzers-partijgenoten hierbij in hoge mate belanghebbenden. En niet alleen zijn zij belanghebbenden, doch ze zijn ook, voor zover het onderwerp de pedagogische kant raakt, deskundigen en wel betrouwbare.

Het allereerst noodzakelijke lijkt me, ten einde misverstand te voorkomen, even aan te geven wat de betekenis zal zijn van de term: de vrije school; een declaratie die nodig is geworden door de spraakverwarring die dreigt te ontstaan. De betekenis waarin ze in het volgende zal worden gebruikt en mijns inziens de juiste, is deze, dat de Staat algehele vrijheid verleent elke soort van godsdienst – naar de keuze der ouders – te onderwijzen op de lagere school en door hem de volledige kosten betaald worden. De algemene neutrale verplichte Staatsschool daarentegen laat geen onderwijs toe, dan gegeven door de Staat en op zijn kosten.

Laat ons daarna zien hoe ons onderwijs ontstaan is en hoe de verhouding van de bijzondere school tot de Staat was.

De Kerk heeft wel de meeste en luidste aanspraak er op gemaakt, de grondvester der volkschool te zijn. Ze pocht op een historisch recht dat op zijn minst genomen twijfelachtig is, want het is zeker dat voor de reformatie door haar wel Latijnse scholen, maar geen volksscholen werden opgericht. En toch vinden we voor 1500 scholen, die zeer zeker tot de volksscholen moeten gerekend worden en die zonder haar toedoen, ja tegen haar wil, ontstaan waren. De volksschool is oorspronkelijk dus een kerkelijke noch een staatsinstelling geweest. Haar eerste grondvester was de gemeente. Naast deze “openbare” gemeentescholen bleek ook de behoefte aan ander onderwijs, dat niet op deze gegeven werd en tengevolge had oprichting van “bijscholen”. Voor elke leerling van de bijschool moest ook het schoolgeld van de stadsschool betaald worden.

Niet alleen kregen de bijzondere scholen dus toen geen subsidie, ze moesten het zelfs geven.

In de tijd van Karel V was het onderwijs staatszaak, d.w.z. het onderwijs werd geregeld bij wetten door de keizer uitgevaardigd, “na advyse nyet alleenlicken van allen synen Raiden, maer oick van den Staten van denselven Landen”, dus in de meest staatsrechtelijke vorm. Dezelfde redenen, die ons doen pleiten voor de staatsschool vinden we terug in het keizerlijk mandement van 1546, waarin stond:

“Om te versiene, dat voortaen die jonge kinderen in heure eerste jonckheyt niet qualicken en worden geleert en geïnstrueert, ’t welck eene seer periculeuse saecke is. Soo ordonneren wij, dat voortaen niemant en sal mogen openbare schoole houden, ten sij...”

Bij het doordringen der hervorming veranderde deze vorm niet, alleen de kerkelijke kleur wijzigde zich.

Tegen het begin der 19e eeuw kwam daarin eerst verandering. We zullen onvermeld laten, wat de Maatschappij tot Nut van het Algemeen in deze deed. In 1798 kwam eindelijk de eerste staatsregeling tot stand, die in art. 92 een agent voor nationale opvoeding aanstelde. De wet van 1801 kende reeds tweeërlei klassen van bijzondere scholen. Ieder burger had het recht een bijzondere school op te richten, na een examen en met admissie van het Gemeentebestuur. De wet van 1803 kwam niet eens in werking. Die van 1806 was belangrijker. Zorg moest gedragen worden, door onbepaalde toelating van scholen, het aantal niet al te zeer te vermeerderen. Wat het godsdienstig leerstellige betreft: terwijl dit in 1801 moest worden daargelaten, evenwel met twee halve dagen vakantie in de week, om daarin onderwijs te genieten buiten de gewone schooltijd, wordt in de wet van 1803 verboden: in de gewone schooltijden enig godsdienstig onderricht te geven in het leerstellige en stelt men in 1806 vast het nemen van maatregelen, om de schoolkinderen van het onderwijs in het leerstellige geenszins verstoken te doen blijven, mits niet door de schoolmeester.

Art. 12 stelde vast dat geen lagere school, onder welke naam dan ook, mocht bestaan of opgericht worden, zonder uitdrukkelijke vergunning van de overheid. De bijzondere scholen ontvingen geen subsidie, vielen overigens geheel onder de wet. Het aantal werd bepaald naar de behoefte.

Het karakter van het onderwijs zelve geeft het volgende Art. voldoende weer:
"Alle schoolonderwijs zal zodanig moeten worden ingericht, dat onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld, en zij zelf opgeleid worden tot alle maatschappelijke en christelijke deugden.”

De wet van Van der Ende lokte in het begin weinig oppositie uit. Doch de strijd bleef niet achterwege. De katholieken van Zuid-Nederland, in 1815 met ons land verbonden, welker geestelijkheid altijd rechtstreeks invloed had kunnen uitoefenen op de regering, vroegen meer vrijheid. De heftig gevoerde strijd eindigde door het Kon. Besluit van 27 mei 1830.
Dit besluit luidde:

“De autorisatie, bij de thans bestaande verordeningen, vereist tot het oprichten van lagere scholen, zal voortaan in het gehele rijk verleend worden, in de steden door de stedelijke besturen, op het platteland door de plaatselijke besturen onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten der provincie enz.”

Het voorkwam echter de afscheiding van België niet.
De schoolstrijd was daarmee echter niet over. De antirevolutionaire partij ontstond, de partij die voorstander was van een school zonder inmenging van staatswege en in overeenstemming met de eisen der kerkgenootschappen, de strijd aanbindende tegen de liberalen, de voorstanders van de openbare school. Die strijd hier in bijzonderheden te schetsen, valt buiten mijn bestek. Slechts enkele hoofdzaken dienen even aangeroerd te worden. We kunnen derhalve de wet van 1848 voorbij gaan en overgaan tot die van 1857 van minister Rappard, aangenomen met 47 tegen 13 stemmen (6 katholieken stemden voor – 6 tegen evenals alle (6) antirevolutionairen tegen.)

Als beginsel golden: het geven van onderwijs vrij, behoudens toezicht der overheid, bezit van akte van bekwaamheid en een getuigschrift van zedelijk gedrag – gemengde school – geen subsidie aan bijzondere scholen, wel van provincie en gemeente, op voorwaarden door deze te bepalen en toegankelijk voor alle kinderen, zonder onderscheid van gezindheid, terwijl evenmin als op de openbare school iets mocht worden geleerd strijdig met de eerbied verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.

De bijzondere school kon dus alleen subsidie krijgen wanneer ze neutraal was; deze kwam dus niet ten goede aan de christelijk-nationale scholen. Bij de antirevolutionairen voegden zich na de syllabus van Pius IX en het bisschoppelijk mandement ook de katholieken. Men agiteerde; men verlangde subsidie.

Voor de wet van ’78 tot stand kwam, werden er in de 2e Kamer vier maal pogingen aangewend de wet van ’57 te wijzigen. We kunnen ze stilzwijgend voorbij gaan, ook de laatste en belangrijkste poging van min. Heemskerk en overgaan tot de wet van Kappeyne.

Van welk beginsel de minister uitging kunnen we het best door zijn eigen woorden kortelings verduidelijken.

Zijn uitspraken lieten betreffende de neutraliteit op godsdienstig gebied art. 33 aan duidelijkheid niets te wensen over. Men oordelen:

“Wanneer men de natie naar de geloofsgemeenschap in vier delen splitst, dan heeft men, onder welke naam ook, een vierde deel dat men enigszins beschouwt als heidenen. Die heidenen moeten ook hun school hebben, en deze zij de school, waar onderwijs wordt gegeven, niet doortrokken van enige godsdienstige tint.
Elke tegemoetkoming uit de publieke kas, hoe gering ook, stempelt de school tot een openbare.
Het subsidiëren van dergelijke (katholieke) scholen zou het verlenen zijn van een vermomd subsidie aan de Kerk.
Zo tweedrachtstokerij niet belet wordt, het zal ten minste niet geoorloofd zijn van staatswege giften daarvoor uit te reiken.”

Ondanks het volkspetitionnement, ondertekend door 306.869 protestanten en 164.000 katholieken, werd de wet aangenomen, bijna ongewijzigd.

Ze maakte door het toekennen van de rijksbijdrage aan de gemeente, de toestand van de bijzondere school niet gemakkelijker. Ze was het begin van de beruchte schoolwetagitatie, die als gevolg had de wet van ’89, het ontwerp Mackay, waarvoor ook verschillende liberalen stemden. Tot het ontvangen der subsidie stelt de wet in art. 54bis enige voorwaarden: het bezit van rechtspersoon, het onderwijs geven in de vakken der lagere school gedurende ten minste 18 uur per week en een nader geregeld aantal onderwijzers. De subsidie is gelijk aan die, welke de gemeente ontvangt, behoudens de bijdrage bij oprichting.

Langzaam maar zeker neemt het aantal bijzondere scholen toe. Ouderen hoort men – vooral op het platteland – nog wel eens de tijd herdenken dat allen naar dezelfde school gingen, dat al die verdeeldheid er nog niet was. Plaatsjes van nog geen 2000 zielen tellen nu drie, vier of vijf scholen soms, die gezamenlijk trachten de openbare school leeg te pompen met alle hen ten dienste staande middelen, en soms elkaar nog even vinnig de leerlingen betwisten. In plaats van één school met vijf of zes onderwijzers, waar onderwijs en opvoeding ten minste mogelijk kunnen worden genoemd, zijn er een aantal kleine scholen met een of twee leerkrachten ontstaan, die door het aantal klassen dat iedere leerkracht voor zijn rekening moet nemen, ontzettend veel inspanning vergen met zeer povere resultaten.

En bij gelijkstelling van subsidie zullen er nog een groot aantal verrijzen. Vooral onder de kerkelijken (uitgezonderd bij de katholieken, waar ieder lid gedwongen wordt) heerst een verdeeldheid, die niet te overzien is.

Kennende de tegenwoordige toestand en haar ontstaan, kunnen we nu veilig overgaan tot bespreking der kwestie zelf.

* * *

De eerste vraag die zich bij mij opgedrongen heeft, en welk antwoord mijn sociaaldemocratisch onderwijzersgemoed in opstand bracht, was die: Eist ons principe dat we zijn voor de vrije school en het antwoord daarop gegeven door de redactie van ons dagblad in haar nummer van 12 februari 1901. In nr. 4 van de vorige jaargang zette Tak helder uiteen dat op de onwezenlijke grond van een veronderstelde tussenvorm der toekomst geen redeneringen zijn op te bouwen en dat dus een discussie op die grond niet mogelijk was. De eisen voor de soc. dem. Staat, die de redactie zich gelijk denkt aan die welke wij aan de tegenwoordige stellen, zouden toch niet dezelfde kunnen zijn. Doch laat ik daarover verder zwijgen, in bovengenoemd artikel is dit reeds voldoende betoogd. Men vergeten niet dat wij over een, twee, drie jaar voor de vraag kunnen gesteld worden.

Toch is het noodzakelijk nog enkele dingen te zeggen naar aanleiding van de bewering dat de sociaaldemocraat een principieel voorstander moet zijn van de vrije school. Was dit het geval, dan zou de veronderstelling niet te gewaagd zijn dat de Duitse partij, onze oudere broeder, ten opzichte van dit punt reeds stelling had genomen. En ze heeft dat ook gedaan.

Het Erfurter Program verlangt in punt 6:

“De godsdienst wordt privézaak. Geen staatsgelden worden meer besteed voor kerkelijke en godsdienstige doeleinden”, en in punt 7: “De wereldlijke school. Verplicht bezoek der openbare volksscholen.”

Moeten we daaruit afleiden, dat onze oudere broeder niet principieel is geweest. Horen we, wat Liebknecht namens de gehele commissie van voorbereiding ten opzichte van deze punten zei:

“De beide volgende alinea’s hebben ons bij de formulering de grootste moeilijkheden bereid. Men heeft ons daardoor de taak willen verlichten, door voor te stellen de oude democratische eisen uit het Eisenacher program op te nemen: scheiding van school en kerk en van kerk en staat (waarvan wij alleen het laatste in ons program hebben).
Ja, dat was in zijn tijd heel mooi, maar het zegt bijlange niet wat wij wilden zeggen. Met die formulering wordt de Kerk erkend, als een naast de Staat bestaand instituut en dat willen wij niet. Wij gaan veel verder; in onze ogen en in de vrije gemeenschap die wij nastreven is de Kerk een eenvoudig privégenootschap, een vereniging die aan dezelfde wetten is onderworpen als alle andere verenigingen en genootschappen. Het is de gedachte van de absolute gelijkheid, die wij hier uitgedrukt hebben...”

In verband met deze passage over de Kerk eisen wij: “Weltlichkeit der Schule”. Dat betekent dat de religie met de school absoluut niets te maken heeft. Dit te eisen zijn wij principieel verplicht en het punt is zo duidelijk dat het geen verklaring hoeft. Maar het is nodig alle misverstand, alle bewuste en onbewuste misvattingen te voorkomen, waartoe een dergelijke eis in ons program aanleiding zou kunnen geven. Daarom was een zeer zorgvuldige formulering noodzakelijk. Men weet (en dat weten we ook hier) hoe de geestelijkheid de strijd om de school met de grootste hardnekkigheid voert, hoe ze de schoolkwestie op de voorgrond schuift. Men weet van hoeveel belang het is voor de geestelijkheid, katholieke, protestantse en andere, de heerschappij over de geesten te behouden en te bevestigen. Men weet hoe de sociaaldemocratie als het rode spook wordt voorgesteld; hoe het van ons heet en hoe met name de geestelijkheid van ons zegt: wij zijn een partij van atheïsten en willen als sociaaldemocraten ieder de godsdienst gewelddadig ontnemen en de Kerk gewelddadig onderdrukken. Om dergelijke demagogische laster en vrome leugens reeds van te voren de pas af te snijden, verklaren wij hier, dat de verhouding tot de religie zaak is van ieder persoon voor zich, verklaren we de religie voor privézaak.

Ik stem toe, mij lang te hebben verzet tegen de opneming van deze verklaring die vanzelf spreekt, maar door praktische redenen geboden wordt. Maar met het oog op de systematische verdachtmaking van onze houding tot de godsdienst scheen het mij nodig het uit te spreken. De sociaaldemocratie als zodanig heeft met religie niets te maken. Ieder mens heeft te denken, te geloven, zo hij wil, en niemand heeft het recht iemand in zijn denken en geloven te beperken, hem van zijn denken en geloven enig nadeel, van welke aard ook, te doen ondervinden. Maar de meningen, het geloof op zich zelf, moeten vrij zijn, absoluut vrij – wij als sociaaldemocraten hebben ze te eerbiedigen en de sociaaldemocraat die het recht, de waarde van zijn medemensen acht, moet zich steeds hoeden, het geloof van zijn medemensen te beschimpen.

Wanneer wij het echter onze plicht achten, uit te spreken dat wij niemand zijn geloof roven, niemand in de uitoefening daarvan willen hinderen, dan moeten we toch de geestelijkheid geen gelegenheid bieden, door middel waarvan zij in de scholen kan komen en daarom zeggen we: “Het bezoek der openbare volksscholen is verplicht. Naar deze wereldlijke scholen, waar geen religie geleerd wordt, moet door de ouders of verzorgers ieder kind gestuurd worden; echter blijft de ouders, krachtens de grondslag: godsdienst is privézaak, onverkort het recht, hun kinderen in de religie, die zij hebben, te onderwijzen, of te doen onderwijzen.”

Zo sprak voor tien jaren Liebknecht. Voorzeker, ik had dezelfde motieven met eigen woorden kunnen uitwerken als bewijsgrond voor mijn slotstelling, doch ik had het niet juister kunnen doen. Niet één zin is erin te vinden, die niet volkomen op onze Nederlandse toestanden van toepassing is.

Principieel moeten we zijn voor de verplichte staatsschool.

Alleen hij kan zich daartegen verzetten, die de godsdienst niet beschouwt als privézaak.

En onze Duitse partijgenoten zijn in het nadien verlopen decennium niet veranderd. Men zie slechts wat de nog jonge gemeenteprograms van de Staat vragen, het “Niederrheinische Gemeinde Programm” vraagt: de wereldlijke school, overname der schoollasten door de Staat. En trekt ge naar het zuiden, naar München, dan vindt ge de eis van opheffing van subsidie van alle bijzondere scholen; trekt ge naar het Noorden, naar Sleeswijk-Holstein, ge treft in het program: de wereldlijke school.

Onze oudere broeder is principieel gebleven.

Ten einde echter ook de stemming te kennen, die er bij onze Duitse partijgenoten ten opzichte van dit punt bestaat, laat ik hieronder nog volgen wat Kautsky mij dienaangaande schreef; “Het standpunt van de Duitse sociaaldemocratie is een besliste afwijzing van elke ondersteuning van staatswege aan vrije, kerkelijke scholen. Ons program vordert: Afschaffing van alle subsidie uit openbare middelen voor kerkelijke en godsdienstige doeleinden. Al zo mogen scholen van godsdienstige instellingen van staatswege niet worden ondersteund.

Wij verlangen de wereldlijke school. Over de verhouding tot de Staat bestaan verschillende opvattingen. De meest algemene schijnt mij deze te zijn (welke ook ik heb) dat de Staat wel de lasten der school zal dragen, opdat alle scholen gelijk behandeld worden, de plattelandsscholen als de stadsscholen, die in arme gemeenten als in rijke; de staat moet ook het leerplan, het doel van het onderwijs en de eisen van bekwaamheid voor de onderwijzers vaststellen. Maar wij vrezen de staatsmacht als reactionaire macht te zeer, om haar de gehele school over te leveren. Het verzorgen der school, de aanstelling van onderwijzers en dergelijke willen wij doen berusten bij de gemeente. Wij hopen in de Staat een tegenwicht te vinden tegen gemeenten, meer reactionair dan het gemiddelde en in vrijzinnige gemeenten een tegenwicht tegen de overmacht van de Staat, die anders de onderwijzers verlaagt tot handlangers der regering. Ik hoop, deze mededeling zij u voldoende.”

Nu ze is werkelijk voldoende om te weten hoe men in Duitsland daarover denkt.

Eenstemmig”, ging hij nog voort, “is de Duitse sociaaldemocratie, in de afwijzing van elke subsidie uit openbare middelen aan kerkelijke scholen.”

Tegenover een dergelijke eenstemmigheid van onze machtigste zusterpartij, past zeer zeker van de kant van de Nederlandse partijgenoten-voorstanders der vrije school en van subsidie een zeer hoge mate van voorzichtigheid en ernstige overweging van onze argumenten en de hunne.

Dat ook Engels tegen elke ondersteuning van kerkelijke scholen uit openbare middelen was, bewijst zijn kritiek op het ontwerpprogram van 1891 (Neue Zeit, lopende jaargang I blz. 12.) Marx verlangde van de school: “Door een algemene wet de middelen der volksschool vaststellen, de uitreiking van bevoegdheid der onderwijzers, de vakken van onderwijs enz. en, gelijk het in de Verenigde Staten geschiedt, door staatsinspectie de nakoming van deze wettelijke voorschriften waarborgen” – Dit staat hij de Staat toe; van elke verdere invloed is hij uit te sluiten. “Regering en Kerk moeten evenzeer van iedere invloed op de school uitgesloten worden” d.w.z. dat de Staat slechts door de wetgeving voor de school zorgt, en niet in het bestuur zal ingrijpen (Zur Kritik des Gothaer Partei programms Neue Zeit IX. 1.) [1]

In Duitsland voert men de strijd tussen vrije school en verplichte staatsschool niet in die mate als bij ons. Ook daar wordt natuurlijk door christelijke partijen de sociaaldemocraten verweten dat zij het geloof aantasten, atheïsten zijn en dergelijke meer, doch een heftige strijd om de school wordt er niet gevoerd.

Geheel anders is het echter in het naburige Oostenrijk. Voortdurend worden daar de onderwijzers, die zich niet vrijwillig buigen onder het juk van de christelijk-socialen “gemassregelt”. De macht over de school door de geestelijkheid is er nog vrij groot. Als ooit een hevige strijd gevoerd werd, is het zeer zeker daar. Naast de onderwijzers, die bij de laatste rijksdagverkiezingen met een enorme krachtsinspanning een achttal collega’s daarin hebben doen zitting nemen, zijn het voornamelijk de sociaaldemocraten die in de strijd voor “de vrije school” aan hun zijde staan.

Eigenaardig dat zij met de vrije school juist het omgekeerde bedoelen als wij. “De school vrij van de Kerk” is de betekenis die er daaraan wordt gehecht.

De eis van de Sociaaldemocratische Arbeiderspartij in Oostenrijk, neergelegd in het Hainfelder program van 1892 luidt als volgt: “Godsdienst zij privézaak... Verplichte, kosteloze en wereldlijke school.”

Op de dit jaar gehouden partijdag te Wenen was de revisie van dit program aan de orde en kon dus blijken of het ingenomen standpunt ten opzichte van de schoolkwestie nog juist werd bevonden. Er is zelfs geen discussie over gevoerd, het enige wat er op voorstel van de Tsjechen is bijgevoegd was de alinea: “die volkomen beantwoordt aan de behoeften en ontwikkeling der verschillende volken.”

De verplichte staatsschool is tot nog toe ook in de Oostenrijkse partij een natuurlijke eis, die in de strijd proefhoudend is gebleken. Zou ze dat hier niet zijn?

* * *

Ik zei reeds dat mijn sociaaldemocratisch onderwijzersgemoed in opstand was geraakt tegen het in princiep zijn voor de vrije school. In hoeverre de vakman daarbij ook sprak, wil ik nader trachten uiteen te zetten.

Volgens mij is neutraal onderwijs voor het kind het beste, is het een ideaal dat misschien absoluut onbereikbaar mag genoemd worden, doch zeer wel te benaderen is. En ik geloof dat mijn vakgenoten dit met mij eens zijn. Verre houden men het kinderverstand van de onbegrijpelijke dogma’s op kerkelijk en staatkundig gebied. “Kennismaking met en propageren van onze beginselen”, zei Kautsky, “mag niet de taak van onze kinderlitteratuur zijn”; ik zou het willen uitbreiden en zeggen, het kan niet de taak zijn van de lagere school en ik ben het volkomen eens, met wat Otto Marke in het september nummer van de Neue Zeit daarover schreef: “Zulke dingen begrijpt geen kind. In kinderboeken, noch in de opvoeding mag erover gesproken worden, het is zeer treurig dat er ouders zijn die in het belang der partij denken te handelen, door hun kinderen politieke leuzen en andere onbegrepen frases in te gieten. Dat is natuurlijk nonsens.” Het valt niet in het kader van dit tijdschrift een pedagogische uiteenzetting te geven van de gevolgen, die het trachten aan te brengen van dergelijke voorstellingen en begrippen voor het kind heeft. Onze staatsschool is niet neutraal, niet alleen niet op staatkundig gebied, waaromtrent de wetgever niets zei, maar ook niet op kerkelijk gebied. Min. Kappeyne, de ontwerper van de wet van ’78, zette in zijn memorie van toelichting duidelijk de bedoeling uiteen.

“Het is de plicht,” zei hij, “van de openbare onderwijzer, zich te onthouden van het verkondigen van leerstellige begrippen omtrent de godsdienst.” “Scholen beschikbaar voor kinderen van alle godsdienstige gezindheid” zei de heer Godefroy in de zitting van de Kamer van 30 sept. ’68, “maar daarom ook neutraal onderwijs dat zich niet op het terrein van godsdienstige begrippen begeeft, ziedaar de inrichting van het openbaar onderwijs, die de Grondwet gebiedt. En met deze uitspraak stem ik (d.i. K.v.d.C.) van ganser harte in.” Elke poging tot andere opvatting of uitlegging schijnt hem te goeder trouw een wanhopig bestaan.

De wetgever was dus duidelijk genoeg. De praktijk kwam echter ten achter. Als men de leerboekjes uit die tijd slechts nagaat, ziet men genoeg. En als men ze dan vergelijkt met de tegenwoordig meest gebruikelijke, dan ziet men tevens dat die eis der pedagogie, geef het kind, wat des kinds is, gelukkig al sneller begint door te dringen en het tijdstip niet al te veraf meer kan genoemd worden dat deze eis steeds zal worden gesteld. De vergroting van de invloed van de klasonderwijzer zou zeer zeker reeds veel ten goede kunnen veranderen.

Ook de staatkundige dogma’s – waaronder dikwijls eigenaardige wereldbeschouwingen voorkwamen – verminderen langzamerhand in onze kinderlitteratuur. De taak der onderwijzerscorporaties is het deze geheel te doen verdwijnen, wat haar niet zo moeilijk zal vallen, vooral wanneer ze daar in ook gesteund wordt door de ouders en de pers.

Wanneer we een vrije school kregen, zou het niet onwaarschijnlijk zijn dat we ook sociaaldemocratische scholen kregen met sociaaldemocratische onderwijzers – die gaven dan niet sociaaldemocratisch, maar neutraal onderwijs, als naar hun mening het beste, tenzij en dat gevaar, waarop ik later nog terugkom, bestaat altijd voor deze scholen, de ouders de onderwijzer daartoe verplichtten. Ik geloof dat een van de gronden waarop enkele van onze partijgenoten zich voor de vrije school verklaren, ook gezocht moet worden bij het niet neutrale van de L. S. en de mening dat socialistisch onderwijs moet gegeven worden, wat even verkeerd zou zijn als elk ander dogmatisch onderwijs. Laten zij met ons alle moeite doen de openbare school neutraal te maken; wettelijke bezwaren zijn er zeer zeker niet; ik heb zo-even reeds aangetoond dat de wetgever zich zeer duidelijk uitsprak voor neutraal onderwijs.

Hoe het met de leerboeken voor de christelijke en katholieke scholen gesteld is? Ge hebt aan de advertenties reeds voldoende. Men kijkt slechts een nummer in van De Katholieke School. Ge vindt er aangekondigd : katholieke taal- en rekenboekjes, tot zelfs katholiek Frans toe. Het tekent voldoende.

* * *

Waar ik in mijn voorgaand betoog mijns inziens gegronde twijfel heb geopperd aangaande de mening, dat men als sociaaldemocraat moet zijn voor de vrije school en tot een tegenovergestelde conclusie kwam, was ik deels theoretisch. Hoe staat het echter met de praktijk. Stel de vrije school werd, ook met behulp van sociaaldemocraten in de eerstvolgende jaren ingevoerd, welke zouden voor de arbeiders en hun kinderen daarvan de voordelen, welke de nadelen zijn. De voorstanders, die ik niet heb kunnen bekeren, dienen dat punt zeer ernstig te wegen.

De wet zou dan de aard van het onderwijs vrij laten. De beslissing daarover zou in handen komen van de ouders, zegt men. En dat lijkt werkelijk heel mooi, maar het is inderdaad anders. Wie het zuiden van ons land kent, weet beter. Wie bv. in Holland de strijd heeft zien voeren vooral op het platteland, tussen openbare en bijzondere school en de middelen enigszins van nabij kent die én door de kerk én door de werkgevers gebruikt worden, weet dat die vrijheid voor de arbeiders alleen in naam, op papier zal bestaan, als zovele andere.

Toen ik voor enige jaren op het platteland van Zuid-Holland werkzaam was, heb ik daarvan zelf ondervindingen opgedaan. Meermalen kwam ik bij ouders die mij verklaarden hun kinderen gaarne naar de openbare school te willen zenden, doch zij hadden verplichtingen aan een kerkgenootschap dat in de winter bedeling hield en die bedeling niet gaf wanneer de kinderen niet gingen op de bijzondere school. Gewoonlijk echter kwam men de reden niet te weten. Pressie van de zijde van de werkgever, die natuurlijk in het kerkgenootschap een gezien persoon was en als diaken, ouderling of wat dan ook zijn werklieden bezocht, leidde vaak tot het door hem gewenste resultaat. Natuurlijk komt zo’n werkgever niet als zodanig, huwelijks- en doopgelofte zijn ook zijn argumenten, doch in de praktijk blijkt het tegenovergestelde. In de gemeenten in geheel Zuid-Holland was verhoogde schoolgeldheffing aan de orde van den dag. Reclames van min- en onvermogenden tegen te hoge aanslag baatten niet, zodat soms financiële overwegingen leidden tot het zenden van hun kinderen naar de bijzondere school.

In geheel het zuiden van ons land, waar de openbare school, al is ze daar verre van neutraal, nog een lichtpunt is in de duistere domperswereld, zou deze verdwijnen en haar plaats moeten ruimen voor de ontwikkelingbelemmerende katholieke school met haar geestelijke gratis leerkrachten. De zo uiterst langzame ontwikkeling in politiek en economisch opzicht zou er voor jaren en jaren tot stilstand zijn gedoemd. Onze propaganda in het zuiden, voor een deel vruchtbaar, doordat de geestelijkheid nog niet alle arbeidershersenen heeft kunnen benevelen, zou dubbel zo moeilijk worden. Onze taak: de bewustmaking der arbeiders zou daar vaak een bijna hopeloze zijn.

En niet alleen in het zuiden zou dit het geval zijn: een groot deel van het platteland (Zuid-Holland o.a. bijna geheel) zou de gezegende invloed van het klerikalisme in nog sterkere mate ondervinden dan thans. Ook daar zou de sekteschool hoogtij vieren en de neutrale een kwijnend bestaan lijden. Wie in die streken gewerkt heeft, weet wat er met een dergelijke orthodoxe arbeidersmassa aan te vangen is.

Ik heb me daarom enigszins verwonderd over Schapers uitlating in de Kamerzitting van 6 december. In beginsel is deze, zegt hij voor de vrije school, zonder dit nader te motieveren. Hij stelt alleen als voorwaarde: algemeen kiesrecht, omdat hij de waarborg wil dat niet de openbare school wordt leeggepompt, en dat daarna de niet-christelijke arbeider door een reactionaire regering wordt beroofd van het recht om voor zijn kind een school naar zijn wens te vinden. Welke Schapers motieven zijn, weten we niet, we kunnen dus daarover niet spreken, doch nemen alleen nota van de verklaring dat S. dus nog wel enige tijd zal zijn tegen de vrije school. In de eerst volgende periode zal het algemeen kiesrecht nog wel niet verkregen worden.

Maar uit die samenkoppeling blijkt meer. Wij weten dat de clerus tracht en zal trachten, ook de school dienstbaar te maken aan haar doel en dat ze daarin steun vindt bij het kapitaal. Ook S. voelt dat. Waarschijnlijk zal hij ook wel hier en daar gezien hebben hoe reeds nu vele openbare scholen worden leeggepompt door de morele en financiële invloed die de dienaren van de Kerk op de ouders trachten uit te oefenen, daarin door de gemeente gesteund, welke door hoge schoolgeldheffing reeds nu de bijzondere school in even gunstige conditie brengt. In veel sterkere mate zal dat nog het geval zijn bij gelijkstelling der scholen van beiderlei soort, nog sterker bij invoering der vrije school. Als tegenwicht voor het niet-vrij zijn (wel op papier, doch niet in werkelijkheid) neemt S. het algemeen kiesrecht, het tegenwicht is onvoldoende en wordt slechts dan verkregen wanneer de arbeider volkomen onafhankelijk is van werkgever en Kerk. En het algemeen kierecht waarborgt dat volstrekt niet.

Intussen deed het ons genoegen te vernemen dat ook in de Kamerfractie een deel voorlopig is tegen meer subsidie, tegen gelijkstelling, tegen de vrije school (geen stap in die richting zal doen).

Zeer juist is de opvatting dat moet voorkomen worden dat de arbeider wordt gedwongen zijn kind te zenden naar de sekteschool, niet alleen dat de Staat dit doet, doch ook dat dit door de gemeente, door de kerk, door de werkgever geschiedt. En dat kan alleen voorkomen worden door invoering van de algemene verplichte neutrale volksschool. Waar die niet zal kunnen verkregen worden – de politieke toestand doet het ten minste voorlopig niet veronderstellen – is het de eerste taak te zorgen voor een zo sterk mogelijke staatsschool, die in de concurrentie met de sekteschool het onderspit niet hoeft te delven. Dezelfde conclusie dus die Tak in de vorige jaargang nam, waarvan ik de motieven ook voor een groot deel onderschrijf.

Natuurlijk verschillen we daarin, dat Tak daarin een onmisbare voorwaarde ziet van wat misschien de vrije school van een later tijdperk kan zijn en ik het een onmisbare voorwaarde vind om te komen tot de verplichte staatsschool.

Doch er is een praktisch groter verschil. Tak wil een sterke staatsschool doch schept de voorwaarden niet, daar hij voor financiële gelijkstelling is. Hij wil: “Volkomen gelijke kansen dus voor de vrije school, mits er dezelfde waarborgen voor het kind worden gevonden.”

En in de praktijk staan openbare en bijzondere school dan niet meer gelijk, doch staat de eerste bij de laatste ten achter. Ik heb dat in het voorgaande naar mijn mening voldoende uiteengezet. Daarnaast kan ik nog even opmerken, dat natuurlijk minimumeisen zullen worden gesteld en deze veel dichter benaderd zullen worden door de bijzondere dan door de openbare school, ik wijs slechts op: lagere, soms geen salarissen (geestelijken-onderwijzers aan R. K. scholen), aantal leerlingen en leerkrachten, moeilijker controle enz.

* * *

Even natuurlijk als ik het vind, dat de arbeiders als klasse geen enkel belang hebben bij het geven van religieus onderwijs, even natuurlijk vind ik het een klassebelang te zorgen dat de ontwikkeling, de motor voor de strijd, die we te voeren hebben, zo hoog mogelijk wordt opgevoerd. Er is ons dus wel degelijk wat aan gelegen de wijze te kennen waarop de leerstof het meest vruchtdragend bewerkt wordt. De bezwaren die de onderwijzers en hun vakbond – maar vooral die welke de soc.-dem. onderwijzers hebben tegen de vrije school, mogen wanneer ze technisch zijn, door de partij niet als zuivere vakbelangen worden beschouwd, doch moeten, voor zover ze de voorwaarden voor goed onderwijs raken, eveneens overwogen worden. Daaraan ontleen ik de vrijheid, al is het niet veel, er tenminste nog iets over te zeggen. Over de neutraliteit van het onderwijs, als eerste eis dus het vrij zijn van godsdienstige en staatkundige dogma’s was ik reeds uitvoerig genoeg. Thans iets anders.

Onafhankelijkheid van de onderwijzer is een voorwaarde, die van zeer veel invloed is op de hoedanigheid van het onderwijs. Niet alleen dat over het algemeen zal moeten toegegeven worden dat de zedelijke vorming der leerlingen, voor zover mogelijk op de lagere school, daaronder zal lijden; men weet ook dat de persoonlijkheid van de onderwijzer van grote invloed is op het al of niet neutraal zijn van het onderwijs, op het leiden in een bepaalde richting. Als we even naar het zuiden kijken, illustreren we bijna afdoende. De wet, het schooltoezicht of wat dan ook, zullen niet in staat zijn de openbare scholen in katholieke gemeenten te maken tot neutrale. Hoe sterk de vrees voor bederf van de katholieke onderwijzer is, blijkt al uit de oprichting van de Katholieke Onderwijzers Bond, die niet toestaat dat zijn leden tevens lid van de vakbond zijn. Onderwijs gegeven door geestelijken, daarop is het streven steeds gericht. En het is gemakkelijk in te zien dat, wanneer de vrije school mocht worden ingevoerd, wanneer het benoemen of ontslaan van de onderwijzer, van de man of vrouw, die de leerlingen in een bepaalde richting zal hebben op te voeden, niet meer berust bij een openbaar bestuurslichaam, diens bestaan veel afhankelijker zal worden gemaakt en dikwijls afhankelijk zal zijn van commissies of lichamen, die geen voldoend inzicht hebben in zijn taak. De zelfstandigheid van de onderwijzer, het zich zelf geven, zal er onder moeten lijden en dus het onderwijs, het is noodzakelijk, hem een vaste rechtspositie te verzekeren tot goede vervulling van zijn ambt.

* * *

De vakbond, de Bond van Nederlandse Onderwijzers, staat in enkele opzichten enigszins anders tegenover de kwestie. Haar taak is behartiging van de belangen van haar leden en van het onderwijs. De argumenten, dit dit laatste betreffen en door mij reeds zijn aangevoerd, zijn van even grote waarde voor onze partij; de eerste kunnen dit echter uit de aard der zaak niet zozeer zijn.

Verhoging van subsidie of invoering van de vrije school zal als direct gevolg na zich slepen het ontslag van een groot aantal leden van de vakbond. Het zal tengevolge hebben werkeloosheid, niet ontstaan door overproductie van arbeidskrachten, maar door minder vraag op de arbeidsmarkt naar onderwijzers, die neutraal onderwijs willen geven.

Het natuurlijk gevolg van een overgroot aantal arbeiders van een bepaalde groep zal zijn de daling der salarissen tot het minimum in vrij veel plaatsen, wat indirect zou inwerken op het onderwijs.

Dit zal voor de vakbond een argument zijn te ijveren tegen de vrije school en is ook voor ons van enig gewicht.


Verschillende partijgenoten hebben reeds min of meer uitvoerig hun mening ten opzichte van het punt gezegd.

A. H. Gerhard heeft in nr. 86 en 87 van de Vrije Gedachte van vrijdenkersstandpunt een pleidooi geleverd voor de vrije school en tegen staatspedagogiek. Zeer juist zegt ook hij dat het begrip: “Vrije School” zich bepaalt tot de vrijheid, wat het geestelijk karakter van het te geven onderwijs aangaat. Hij zegt te zijn een voorstander van neutraal onderwijs en gelooft evenals wij dat slechts dit het enig werkelijk goede onderwijs kan zijn.

Bovendien stemt hij toe, “dat kerkelijk, dogmatisch onderwijs een ramp is voor de jeugd en dus voor de maatschappij.” Onomstotelijk staat ook voor hem vast dat het de plicht van de gemeenschap is om in al de materiële voorwaarden voor een goede opvoeding van de gehele jeugd te voorzien. Op de overheid rust de plicht te zorgen dat alle kinderen onderwijs kunnen krijgen, dat aan hygiënische en materiële eisen voldoet.

En nu komen we aan het punt waar we scheiden, nl. de ontkenning van het recht der overheid een bepaald soort onderwijs te doen geven. Gerhard vindt: “dat het én in strijd is met elk begrip van recht, én dat het vloekt tegen alle psychologie, zijn beter geachte opinie anderen met behulp der wet op te dringen.” Ook de gelovigen hebben het recht, zo goed als wij, naar hun inzichten te handelen. Behoefte hebben we, gaat hij voort, aan absolute vrijheid in woord en daad, gelouterd door ieders absolute verantwoordelijkheid.

Nu is voor mij een absolute vrijheid ondenkbaar en moet die beperkt worden door deze bepaling: zolang ze niet in strijd komt met het algemeen belang, welk algemeen belang moet vastgesteld worden door de meerderheid.

Geen enkele maatschappelijke maatregel is er, die niet in strijd komt met het recht van een minderheid, die niet recht tegen het belang van een of meer groepen ingaat, het belang van de meerderheid geeft de doorslag en mag geen rekening houden met de belangen der minderheid, dan wanneer het dat kan doen zonder schade. De anarchistische organisatievorm: Vrijheid van het Individu staat hier tegenover de democratische: beslissing door de meerderheid, met vrijheid voor het individu, zo niet in strijd met het algemeen belang.

Bovendien, wij sociaaldemocraten zijn niet zulke vrijheidsmensen. Wij weten wat die zogenaamde vrijheid voor ons betekent. Wij zijn in alle opzichten een partij van de dwang. Men ziet ons program eens na. We zijn tegen vrijheid van arbeid, vrijheid van bedrijf, van contract enz. Vrijheid voor de heersende klasse betekent niets anders dan dwang voor de overheerste. Wanneer er in Nederland een partij was, sterk genoeg om een staatsschool van de een of andere richting tot stand te brengen, zou zij dat heus niet laten. In de strijd die wij met de bezittende klasse voeren, gelden de oorlogswetten. Doch Gerhard erkent slechts gedeeltelijk de stelling: godsdienst is privézaak. Wanneer hij de juistheid daarvan erkende, zou hij niet mogen toestaan dat de Staat de kosten droeg voor de privézaak van het individu. Consequent doorredenerende zou al zo de Staat ook hebben te betalen de behoefte van volwassenen aan religieus voedsel, zou hij dus moeten zijn tegen scheiding van Kerk en Staat.

Wij sociaaldemocraten kunnen niet anders doen, dan erkennen dat godsdienst privézaak is, waarmee de Staat niets te maken heeft. De neutrale school belet bovendien niet de vrije ontwikkeling van de godsdienstige denkbeelden. Ze belet slechts het inpompen van godsdienstige en staatkundige dogma’s bij het kind.

In een daaropvolgend artikel betoogt Gerhard het verkeerde van staatspedagogie. Zijn hoofdbezwaar daartegen is: niet voldoende geestelijke vrijheid en maatschappelijke onafhankelijkheid van de onderwijzer en kunstmatige eenvormigheid. Vooropstellend dat beide zaken geen noodzakelijke gevolgen van het onderwijs-Rijkszaak zijn, geloven we dat het eerste bezwaar in nog sterkere mate geldt voor de vrije school, wanneer die nu werd ingevoerd.

In de Kroniek gaf ons Van der Goes een van die doorwrochte betogen, zoals we die meermalen van hem gewend zijn. Praktisch komt hij daarbij tot dezelfde conclusie als Tak, door te zeggen dat hij de subsidies wenst geregeld te zien als deze, maar geen afstand wil doen van het machtsmiddel der staatsschool tot hoger opvoering der eisen en tot bevrijding uit kerkelijke banden. Eerlijk gezegd had ik dat in den beginne niet vermoed. En de schrijver erkent dan ook dat het “in de algemene strekking van zijn redenering lag, om van het onderwijs een staatsmonopolie te maken.”

Geen bijzonder arbeidersbelang schrijft volgens hem voor, alle onderwijs in handen van de Staat te verenigen. Ik meen echter dat juist dat bijzondere arbeidersbelang is, dat van de sektarische school ten machtsmiddel wordt gemaakt tegen de onafhankelijke arbeidersbeweging, wat ook Van der Goes duidelijk doet uitkomen. Volgt daaruit niet dat wij de kerkelijke scholen mogen tegenwerken of bemoeien? Ons dunkt wel. Wij mogen de band die de gelovige arbeiders bindt met de kerkelijke bourgeoisie niet verscheuren, zegt schrijver, toegestemd, maar we mogen toch zeker wel trachten dat scheuren van die band gemakkelijker te maken. We zijn toch heus niet bevreesd dat zonder slag of stoot die verplichte staatsschool zal worden ingevoerd, dat we nu al behoeven te vrezen voor deze kortere weg of grovere methode. Onze praktische politiek zal zich voorlopig wel moeten bepalen te voorkomen dat, zo de vrije school niet wordt doorgevoerd, de staatsschool in nog ongunstiger conditie komt dan ze reeds is. En we komen dan weer op het zelfde terrein terug: gelijkstelling in subsidie is in werkelijkheid de levensvoorwaarde om de sektarische school groter te doen zijn dan de openbare. Een sterke staatsschool is onmogelijk bij volkomen financiële gelijkstelling. Van bevrijding uit kerkelijke banden zal dus geen sprake zijn, veeleer zal het tegengestelde het gevolg zijn.

Van der Goes gelooft dat we nog vroeg genoeg komen bij de volwassenen. Ik vrees, het is onze ondervinding niet.

C.F. Loke kwam in de Kroniek tot de conclusie dat neutraal onderwijs onmogelijk is. We vinden dat argument later bij Troelstra terug en ik zal er ook nader op ingaan, het spreekt van zelve dat, zo deze stelling juist is, ook ik zou komen tot de vrije school. Bovendien verzette hij zich evenals Gerhard tegen de dwang, die wij willen. Tactisch leek hem de antirevolutionairen hun martelaarskroon te ontnemen – ze zelf op te zetten zou het praktische gevolg zijn. Ook scheen hij het zeer goed mogelijk te achten, socialistisch onderwijs te geven.

A. Pannekoek beschouwt het onderwijs in een daaropvolgend nummer zoals door S.L. in nr. 360 van het zelfde weekblad zeer juist wordt gezegd niet met betrekking tot de arbeidersklasse. Het onderwijs moet zo goed mogelijk voldoen aan de eisen der arbeiders als klasse. En het onderwijs kan dit zo goed mogelijk doen, wanneer die klasse daarop de meeste invloed kan uitoefenen, wat het geval is bij de verplichte staatsschool. Ook S.L. komt uit een oogpunt van tactiek tot de conclusie, dat gelijkstelling van openbare en bijzondere school wenselijk is, al is hij niet zo sterk tegen dwang door de overheid gekant, als Loke was. Tegen deze conclusie gelden overigens dezelfde argumenten als door mij reeds tegen die van Tak zijn aangevoerd.

* * *

Het was mij vrij wat gemakkelijker geweest, wanneer Troelstra zijn verdediging van de vrije school had gehouden, voordat het eerste gedeelte van mijn artikel reeds was gezet. Ik zal nu genoodzaakt zijn, daar Troelstra’s rede mij op het ogenblik voorkomt de belangrijkste verdediging der vrije school te zijn, op enkele delen door mij besproken nog even terug te komen. Troelstra’s artikel en zijn rede, die ik tot mijn spijt niet kon horen, zodat ik van het verslag moet gebruik maken, kan ik dan tegelijkertijd behandelen. “Een reactionaire motie” was de schrikwekkende titel, die gevolgd werd door een halve kolom citaten, waarover straks meer. Ik was reeds op het congres der SDOV als inleider van die reactionaire motie in de gelegenheid het mijne over dit epitheton ornans (?) te zeggen. Toch acht ik het nodig hier eveneens daarover in het kort mijn mening te geven. We willen weer terug naar Kappeyne, heeft men ons gezegd, toen wij de verplichte staatsschool verdedigden. Je bent reactionair.

Eilieve, is het waar? Zijn wij werkelijk reactionair. Zo ja, dan zijn wij in goed gezelschap. Dan zijn we in gezelschap van de grote, machtige Duitse sociaaldemocratie, die in haar program heeft: de verplichte staatsschool, dan zijn we in gezelschap van de vurige Oostenrijkse sociaaldemocratische strijders, die in hun program hebben: de verplichte staatsschool. Eenstemmig is de Duitse reactionaire sociaaldemocratie in haar eis: geen subsidie uit openbare middelen aan kerkelijke scholen. Eenstemmig reactionair dus. Het wordt geen verwijt, het is een eer dat te zijn, in die betekenis.

Reactionair te zijn is een verwijt, dat evengoed de Nederlandse sociaaldemocratie treft in menig opzicht. Reactionair is ook Troelstra.

Of zou Troelstra gestemd hebben voor snelvuurkanonnen om dat het ligt in de historische lijn van uitbreiding, en uitbreiding en nog eens uitbreiding van het militaristische stelsel. Ligt vergroting van leger en vloot niet in de historische lijn, gaat het niet lijnrecht in tegen de politieke geschiedenis van Nederland sinds het begin der vorige eeuw.

Zou Troelstra stemmen voor verkoop van gemeentegrond aan particulieren, omdat de historische lijn in een gemeente wijst naar al meerdere en meerdere verkoop.

Dat de meerderheid der burgerlijke partijen eerst heeft geijverd in 1857 voor de verplichte staatsschool, die niet verplicht was, daar leerplicht niet bestond, daarna vrijheid van onderwijs heeft gegeven, daarna subsidie verstrekte en nu nog meer subsidie verstrekt, kan voor ons geen argument zijn tegen de staatsschool, mag dat zelfs niet zijn.

Kuyper heeft geen haast. Waarom zou hij ook? De schoolstrijd tussen de burgerlijke partijen is gestreden, niet alleen doordat de regering een kerkelijke geworden is, maar doordat Bijbel en wijwaterkwast zich gaan associëren met het kapitaal tegen de gemeenschappelijke vijand: de soc. democratie.

De burgerlijke liberale partij heeft haar ideaal verloren en we behoeven niet te veronderstellen dat de vrijzinnig-democraten dat zullen overnemen. Veel meer dan vroeger voelt zij zich en is ze geworden, ondanks de langzame economische en politieke ontwikkeling van achterlijk Nederland, een kapitalistische partij, die staat tegenover ons.

De schoolstrijd gestreden tussen Kerk en liberalisme zal langzamerhand worden een strijd tussen de sociaaldemocratie aan de ene zijde en kerk en liberalisme aan de andere zijde.

Wij zijn dus reactionair in zoverre dat wij ingaan tegen de eisen der burgerlijke partijen, sinds vijftig jaar gesteld, dat wij ingaan tegen de burgerlijk historische lijn.

Hopen we dat hiermee de legende van de reactionaire schoolmeester uit de wereld zal zijn. Met Loopuit protesteren we daartegen.

Nu iets over Troelstra’s citaten.

Het belangrijkste daarvan is wel dat van Marx. Ik zei reeds dat terwijl Tr. er een bewijs in ziet, dat deze was voor de vrije school, Kautsky het mij zond als bewijs dat Marx op het zelfde standpunt stond als de Duitse partij. Wij zijn het dan ook volkomen eens met de mening door Marx uitgedrukt, dat noch de Staat, noch de Kerk invloed op de school mogen hebben. Beiden zijn het instrument van de bezittende klasse. Onmogelijk is het echter in de kapitalistische maatschappij Kerk en Staat geheel buiten alle invloed op het onderwijs te houden Doch we hebben uit twee kwaden de minst kwade te kiezen en dat is de staat. De staatsschool moet zoveel mogelijk neutraal zijn, de sekteschool heeft een bepaalde kleur.

Loopuit voerde reeds in het Volk van 25 dec. aan wat Marx in een zitting van de Generale Raad van de Internationale op 17 aug. 1869 dienaangaande zei. Kautsky drukte dit referaat af in de 12e jaargang van de Neue Zeit blz. 826 in een artikel: Die Internationale und die Schule. Opgemerkt moet daarbij worden dat daar “governmental” niet geheel juist door “staatlich” vertaald is. Marx verlangde “national education, but not governmental”. Hij was beslist tegen “private education”. Dit als nadere verklaring. Overigens zijn citaten natuurlijk altijd van betrekkelijk geringe waarde. Als Troelstra meende dat het van belang was hoe Marx over de schoolkwestie dacht, had hij dit niet moeten weergeven door een enkel citaat. Waar toch was dat citaat een kritiek op. Niet op de eis: de verplichte staatsschool, het Gothaer Program zei:

De Duitse Arbeiderspartij verlangt als geestelijke en zedelijke grondslag van de Staat:
1. Algemene en gelijke volksopvoeding door de Staat. Algemene leerplicht. Kosteloos onderwijs.

De zin voorafgaande aan de geciteerde luidde: “De schoolparagraaf had ten minste technische scholen (theoretische en praktische) in verbinding met de volksschool moeten verlangen”, een opvatting die we – men herinneren zich de onderwijscongressen – thans niet meer delen. Evenveel waarde als dit citaat heeft bij de bespreking van ons standpunt tot vakonderwijs, evenveel waarde heeft ook het bewuste citaat voor onze kwestie. Slechts argumenten kunnen van invloed zijn op ons oordeel.

Het was bovendien een vertrouwelijk schrijven en daardoor zo woest vinnig, dat het jaren later zelfs niet in zijn oorspronkelijke vorm afgedrukt kon worden en in weerwil daarvan toch nog veel opschudding teweeg bracht. Bracke, Gerb, Auer, Bebel en Liebknecht onderzochten het voor en tegen en na zorgvuldige overweging konden ze tot geen ander resultaat komen dan tot een afwijzing ervan.

Maar ik heb reeds meer dan voldoende gezegd over de gebruikte citaten en wil nu overgaan tot het argumenterende deel van artikel en rede.

De Staat beschouwen de sociaaldemocraten als klasse-instrument, zei T. En dat erkennen ook wij, doch met enig voorbehoud en niet in de betekenis, daaraan door T. gehecht.

De eerste alinea van ons program luidt:

“De SDOV overwegende, dat de volksschool, door de bezittende klasse in het leven geroepen onder de leuze van “volksontwikkeling door volksonderwijs” in haar handen ten slotte niets anders is gebleken te zijn, dan het middel om, onder de naam van “gepaste en nuttige kundigheden” de kinderen van het volk dat minimum van kennis en die minimum graad van africhting aan te brengen, welke noodzakelijk waren geworden om in de kapitalistische behoefte aan min of meer geschoolde arbeiders te voorzien, – enz.”

Wij zeggen verder:

“De heersende klasse is onwillig en onmachtig om de school in waarheid aan haar roeping te doen beantwoorden,” doch laten daarop volgen, dat “met en onder de politieke en economische emancipatie van het volk zijn geestelijke emancipatie ten volle bereikt zal worden.” Er is evolutie. Langzamerhand zal de heersende klasse haar invloed op de Staat verliezen.

Op het Congres der SDOV gebruikte Bijkerk ter verduidelijking een zeer goed beeld. Bij de behandeling der ongevallenwet werden door ons voorgesteld: rijksverzekeringsbanken. Deze zouden de arbeiders het meest onafhankelijk doen zijn. De bezittende klasse wilde particulier initiatief. Zo gaat het ook bij de school. In deze maatschappij kunnen de arbeiders niet gedaan krijgen wat zij wensen. De meeste invloed zullen ze hebben door de Staat. De heersende klasse van Nederland begint tot het besef te komen dat ze met de particuliere school meer invloed heeft. De liberalen komen langzamerhand van de staatsschool terug. Daar tegenover moeten de arbeiders komen te staan met hun eis van de staatsschool. Daarop kunnen zij de meeste invloed uitoefenen.

In de tweede plaats heeft Troelstra het over de betekenis van het onderwijs, waarover we natuurlijk – men zie ons program – het in bijna alle opzichten eens zijn en die aan de kwestie zelf weinig af of toe doet.

Iets anders is echter de neutraliteitskwestie. Ik zette reeds vroeger uiteen dat naar mijn mening neutraal onderwijs het beste was, wat ook de Bond van Ned. Onderw. reeds uitsprak. Wanneer nu gezegd wordt, wat T. zegt, dat neutraal onderwijs niet mogelijk is, dan valt of staat daarmee ons hele betoog. Want wanneer het werkelijk onmogelijk zou zijn, dat onderwijs te geven, dan zouden wij evenals Troelstra moeten komen tot de vrije school. Als voorbeeld noemt hij de 80-jarige oorlog. Laat ik vooraf zeggen dat wij bij de behandeling in de lagere school van een of ander onderwerp voorop stellen, dat het moet vallen onder het bereik van het kind. Laat ik daarbij aannemen dat dit het geval is met de 80-jarige oorlog. Wij onderwijzers hebben volkomen het recht ook de mening der sociaaldemocraten ten opzichte van een dergelijk punt aan de leerlingen mede te delen. Er is niets dat ons dit belet. De vrije ontwikkeling van het kind eist mededeling van de verschillende inzichten – ik stel nogmaals voorop, zo dit mogelijk is. Doet men dit niet, dan is ontwikkelend onderwijs niet mogelijk. Men werkt dan suggestief. Het verkeerde in het onderwijs op de sektaire scholen is juist het ingieten van een bepaalde mening, het niet zoveel mogelijk trachten het kind te ontwikkelen tot een zelfstandig denkend mens.

Het verband tussen godsdienst en onderwijs. Men heeft het voorgesteld alsof de godsdienst per se, uit zijn eigen wezen, gezagsliefde kweekt. Dit is niet geheel juist, zegt T. Zij die zo spreken zei hij, hebben niet genoeg overwogen dat de godsdienst minstens zo vaak een revolutionair als een reactionair middel is geweest. In het volk zit een groot stuk ideologie, zit een grote godsdienstliefde en wij moeten hun aantonen dat hun godsdienst niet hoeft te leiden de weg die hun onderdrukkers willen. Wij hebben er niet de minste reden toe het religieuze sentiment uit de mensen te halen, een antichristelijke partij te worden. Er zijn in het theologisch bolwerk, waarachter de kapitalistische klasse zich verschanst, heel mooie en gave stenen die wij er uit willen halen om ze als werpstenen te gebruiken. Ik herhaal: het is Troelstra die bovenstaande zei, niet in de verkiezingsstrijd gelukkig en dan is dergelijke ideële filosofie vrij onschuldig. Marx zei het indertijd wel enigszins anders: we moeten veeleer trachten de gewetens te bevrijden van het religieuze spook.

Dit gehele betoog staat zo geheel buiten alle praktijk, dat ik me best kan voorstellen dat sommigen ongelovig het hoofd hebben geschud of ironisch geglimlacht bij de lezing. Als T. meent dat wij wat vergeten, meen ik in alle bescheidenheid te mogen opmerken dat hij iets vergeet, nl. de praktijk; ook zijn eigen praktijk. Ik ben tot mijn spijt alles behalve ideologisch aangelegd en heb tot nog toe geen andere ondervinding opgedaan dan deze: dat een gelovige alvorens socialist te worden, begint met ongelovig te worden. Ge kunt tegen een katholiek praten wat ge wilt; als heeroom zegt, zo moet ge doen, dan doet hij het ondanks al uw betogen. Doet hij dat niet meer, dan is hij geen goed katholiek meer! Het gehele katholicisme berust op gezag. Ik heb dat grote stuk ideologie, noch die grote godsdienstliefde bij de katholieken ooit kunnen ontwaren. Het enige wat ik ooit zag, was blind fanatisme. En de andere gelovigen: de orthodoxe christenen: dolerenden, afgescheidenen e.a. U kent het debat met hen reeds van buiten. Ze geven u tot in het ongelooflijke de dingen toe, edoch eindigen altijd met een maar, waartegen alle werpstenen afstuiten, d.i. het gezag van hun Bijbel. De praktijk leert ons dat dagelijks. En nu mag het misschien in theorie een schijn van waarheid hebben, dat “godsdienst per se uit zijn eigen wezen, geen gezagsliefde kweekt”, de feiten, de praktische feiten weerspreken het.

Bovendien, de politieke vertegenwoordiger van dat religieuze sentiment is de antirevolutionaire partij; een van de burgerlijke dus, die in de strijd om onze rechten altijd tegenover ons staat en waarmee voor ons waarachtig niet te spotten valt. Het boek van onze overwinningen, op de klerikale partijen behaald, moet nog geschreven worden. Vliegen wees er voor enige dagen terecht op, dat zo er een partij in geslaagd is het veld te behouden, tegenover de sociaaldemocratie, dat het klerikalisme was. Hij wees op Rijnland en Westfalen, op Vlaanderen, op Tilburg en Maastricht, op de praktijk. En die praktijk zei hem dat de tactiek van “aaien en pootjes geven”, zoals hij die kernachtig noemde, de verkeerde was.

In het vorig nummer heb ik sterk de nadruk laten vallen op het privé karakter van de Kerk, dat de Staat dus geen subsidie mag toestaan aan godsdienstige scholen. Door een niet zeer duidelijke formulering van de motie gewijzigd (zie pag. 99) door de SDOV aangenomen, heeft T. gemeend, dat wij de ouders, die voor hun kinderen onderwijs wensten met godsdienstige tint, daarin zouden vrijlaten. Wij hebben alleen het geven van godsdienstonderwijs buiten de school vrijgelaten en ons verklaard tegen het subsidiëren door de Staat van particuliere verenigingen die op het terrein voor het algemeen belang (?) werken, waarmee dus het betoog daartegenover vervalt. Wij waren voor de verplichte staatsschool. Alleen over het slot van dit deel wil ik nog even iets zeggen. “De staat mag niet zeggen: ik ben de wijste, het besluit van de helft plus een – dat is geen rechtsbeginsel. Later vind ik in het artikel nog iets over de waanwijsheid van de meerderheid. Op gevaar af dat de “Vrije” nogmaals Troelstra zal signaleren, als anarchist geworden, meen ik evenals op het Congres der SDOV hier nogmaals te mogen verklaren dat dit niets anders is dan een anarchistisch argument, dat voor het nemen van elk besluit geldt, wat natuurlijk niet uitsluit dat een meerderheid wel eens een verkeerd besluit kan nemen.

Behalve ten opzichte van de godsdienst heeft T. zich schuldig gemaakt aan een gelukkig meer vergeeflijk optimisme. Hij gelooft dat wij misschien binnen een kwarteeuw zullen zien dat in de meest vooruitstrevende landen de sociaaldemocratie de regering in handen moet nemen. En op grond van die toekomst is hij eveneens voor de vrije school. Ik geloof dat Nederland niet tot die meest vooruitstrevende landen behoort, zodat het hier nog wel iets langer zal duren en nog wel heel wat langer, als we de vrije school hier zien invoeren. Of we in de sociaaldemocratische staat de vrije school moeten hebben, me dunkt dat we beter doen dat tegen die tijd eens te bespreken. Ik vrees echter dat wij er beiden niet veel in zullen te zeggen hebben.

Over de geschiedenis en de stand van de schoolkwestie hoeven we niets meer te zeggen, daar we dit reeds deden in de vorige aflevering. Een argumentatie aan het slot van de rede kan echter niet onbesproken voorbijgegaan worden. Het is de vraag of de openbare school ook voor de sociaaldemocratie de voordelen heeft opgeleverd, die ze gaf aan liberalen en antirevolutionairen door het leveren van politieke agenten. Met recht wordt vermeld dat de openbare onderwijzers (en hoofden) de politieke agenten der liberale partij waren, de eerste zijn dat nu niet meer.

Ook in onze vakbond komt meer bewustzijn onder de leden. De vakbond gaat in zijn bewustwording gelukkig niet achteruit, zoals Tr. het zich denkt, en het voor buitenstaanders wel enigszins de schijn heeft, maar vooruit. Uit de aard der zaak zijn er in onze vakbond meer burgerlijke elementen dan in een andere. En toch zou ik wel willen vragen naar de Alg. Ned. vakbond, die op het ogenblik reeds beter is dan de onze, vooral in datgene wat Tr. bedoelt nl. in het propaganda maken voor de soc.-democratie. Laat hij ons een vakbond noemen, waar meer systematisch wordt gewerkt door de partijgenoten tot bewustmaking der leden. Daartegenover past niet het verwijt dat de openbare school voor de soc.-democraten geen voordelen heeft opgeleverd.

Ten slotte nog iets over het bovengenoemde artikel.

Een voordeel van de invoering der vrije school zou zijn, zo ten minste de regerende klasse dit toestond, dat door de sociaaldemocraten neutrale scholen konden worden opgericht. Ik zeg er met opzet bij, als de regerende klasse het toestaat, want te dien opzichte zijn we evenmin volkomen gerust. Ik herinner bv. hier aan een citaat uit de oude plunje van Kuyper (De schoolwet voor de vierschaar van Europa 1875), dat tot deze conclusie komt.

“Dan zal het volk tot het inzicht komen dat het hoog spel speelt met zijn toekomst aan een opvoeding zonder godsdienst te wagen.

Tot het inzicht, dat hier Landswet is, wat elders de banierdragers van het ongeloof ter ondermijning van het volksgeloof nog slechts wensen.

Tot het inzicht, dat er niets wonders in ligt, dat een goed deel van ons volk het meer met het praktische Europa dan met de radicale coterie van Nederland eens is, en, op wat wijs ook, de deur weer openen wil, waardoor de godsdienst op de volksschool kan terug komen.” Ik vermeld o.a. ook hier in dit verband, daar het de geest van Kuypers partij beter tekent, dan zijn woorden het altijd doen, een rede van F. Fortuin, predikant van Barendrecht, gehouden in ’88, als specimen van een rede bij de inwijding van gereformeerde scholen, waar deze de navolgende stellingen verdedigde.

1. De school moet vrij zijn;
2. De vrije school moet gereformeerd zijn;
3. De gereformeerde school is in het waarachtig belang van ons volk.

Het woord der Schrift dan, waaraan ik de bezielende grondgedachte van mijn rede ontleen, hebt gij reeds in de gevel van ons schoolhuis zien prijken, waarin gij naar Spreuken XXII:6 leest: “Leer de jongen de eerste beginselen naar de eis zijns wegs, als hij ook oud geworden zal zijn, zal hij daarvan niet afwijken.”

Ik spaar u de rest, doch ik herhaal: we zijn niet gerust.

Men leze het Unierapport. De school mag niets leren wat in strijd is met de goede zeden of aanspoort tot ongehoorzaamheid aan de wetten des lands. We kennen die formules en weten wat gebruik ervan kan gemaakt worden.

We erkennen echter, al is het onder enige twijfel, dat een voordeel van de invoering der vrije school zou kunnen zijn, dat de sociaaldemocraten konden oprichten neutrale scholen, wat de openbare scholen niet overal geheel zijn.

Doch rekenen we dan het enorme grote nadeel dat er tegenover staat, dat duizenden kinderen zouden onderwezen worden op de sektaire school, dan weegt dat kleine voordeel niet tegen het grote nadeel op.

Een nadeel van het in ons program plaatsen van de verplichte staatsschool zou zijn, dat de schoolstrijd zou heropend worden en sociale hervormingen zou beletten. Er tegenover staat dat, als we door die actie werkelijk de verplichte volksschool zouden krijgen, dit zeer grote voordeel al weer niet tegen het nadeel zou opwegen. Doch men vergeten niet dat de verenigde kerkelijke partijen een meerderheid vormen, die als ze het in haar belang tactisch en nodig vindt, de vrije school kan invoeren.

* * *

De motie van de afd. Amsterdam der SDOV is intussen de motie van het Congres der SDOV geworden en bij referendum met grote meerderheid aangenomen. Na enige wijzigingen heeft ze de volgende inhoud gekregen:

I. De SDOV van mening, dat de mogelijkheid niet is uitgesloten dat de arbeidersvertegenwoordigers in deze zittingsperiode over de al of niet invoering van de vrije school een uitspraak hebben te doen en deze kwestie dus urgent is;
dat de sektaire school het organiseren van de arbeiders in de klassenstrijd krachtig tegenwerkt en het peil van algemene ontwikkeling verlaagt;
dat slechts zulk onderwijs goed kan genoemd worden, dat vrij is van staatkundige en godsdienstige dogma’s;
is bovendien van mening dat godsdienst privézaak is, waarmee de sociaaldemocratie als zodanig niets te maken heeft;
dat dus geen staatsgelden mogen gebruikt worden voor kerkelijke en godsdienstige doeleinden; dat derhalve geen subsidie mag worden verleend aan scholen met bovenstaande doeleinden opgericht;
acht het de plicht van de Staat te zorgen voor voldoend wereldlijk onderwijs aan al zijn leden, het aan de ouders overlatende of zij hun kind ook buiten de school willen onderwijzen of doen onderwijzen in de godsdienst;
neemt in haar program op: de verplichte staatsschool, neutraal in godsdienstig en politiek opzicht;
acht het de plicht der Nederlandse soc. democratie te ijveren tegen de vrije school, dus op te treden tegen elke meerdere subsidiering van de bijzondere school;
hoewel in beginsel de SDAP behoort te zijn voor de algemene, verplichte volksschool, acht het het beste aan de SDAP over te laten te beoordelen of tactische redenen misschien noodzakelijk maken, zich ten minste voorlopig bij de bestaande toestand neer te leggen.

Principiële voorstanders van de vrije school waren op het congres niet aanwezig en een voorstel dienaangaande was dan ook niet ingediend. De minderheid was in hoofdzaak een minderheid, die was tegen het nemen van een conclusie. De woordvoerder daarvan was, naast enkele anderen in hoofdzaak Geertsma, die ook zijn mening reeds in ons partijorgaan heeft kenbaar gemaakt. De kwestie werd op het congres uitvoerig besproken. Al wil ik belangstellenden verwijzen naar het verslag in het orgaan der SDOV, De Volksonderwijzer, ik meen toch even de mening van de minderheid te moeten bespreken en haar bezwaren te weerleggen.

Het uitgangspunt van Geertsma was: het niet mogelijk zijn van een beoordeling van het principe der vrije school afgescheiden van de wijze waarop het door zijn voorstanders werd uitgewerkt. Geef mij een uitgewerkt plan, zei G. en ik zal het beoordelen. De zaken die gij noemt zijn niet inherent aan de kwestie, ze doen niets toe of af aan het principe. Laat ons daarom ons oordeel opschorten tot men ons een plan voorlegt.

De enige uitwerking die de christelijke partijen ons hebben gegeven is die van het Unierapport en daarmee kan ook G. zich niet verenigen.

De kwestie is echter slechts voor een deel een theoretische kwestie; ze is in hoofdzaak een praktische. Inherent aan de vrije school is en blijft altijd, dat in de vrije school mag geleerd worden wat men wil, dat daar dus het kind kan bewerkt worden zoals men dit verkiest. Duidelijk is dat daarbij de geestelijke richting door de ouders bepaald wordt. Bovendien weten we dat de kerkelijke partijen in beginsel zijn tegen kosteloos onderwijs, tegen schoolvoeding, dat zij een geheel andere opvatting omtrent verschillende eisen hebben, die wij aan de school stellen.

Het congres der SDOV heeft gemeend de verplichte staatsschool in haar program te moeten opnemen, heeft gemeend dat de SDAP zich moest verzetten tegen meerdere subsidie, zich in beginsel moest uitspreken voor de verplichte staatsschool. Het heeft echter gevreesd dat zijn stand hem zou beïnvloeden bij het nemen van een besluit en het beste geacht aan de SDAP over te laten, of zij zich voorlopig bij de bestaande toestand moet neerleggen, ja dan neen. De SDOV staat zodoende zuiver tegenover de partij.

De Algemene Vergadering van de onderwijzersvakbond was voor de kwestie zelf van weinig belang.

Mr. Levy leverde met zijn gewone scherpzinnigheid een van liberaal standpunt uitmuntend theoretisch betoog, waartegen Oosterbaan het moest afleggen. Mr. Levy, de Uncas der oude liberale partij, was echter niet de vertegenwoordiger daarvan.

Het debat kwam natuurlijk niet tot zijn recht. We hebben de vrije school van antirevolutionaire zijde horen verdedigen, door Mr. Levy horen bestrijden, doch de opinie van de vakbond er niet uit gehoord, tenzij men die uit het applaus zou willen afleiden. De uitslag van een te houden referendum zal ons die brengen.

En hiermee ben ik gekomen aan het eind van mijn taak, de verplichte neutrale staatschool in haar voor- en nadelen u voor te stellen. Moge het er iets toe bijdragen, naast een helder inzicht in de kwestie, de lezers de overtuiging te hebben gegeven dat onze partij die eis tot de hare moet maken.

Het hoofdbestuur der SDOV heeft in aansluiting met de uitslag over het gehouden referendum inzake het door mij behandelde onderwerp voor ons aanstaand congres navolgende voorstel ingediend:

“Het congres van de SDAP zich in beginsel uitsprekende voor de verplichte staatsschool, verklaart zich tegen elke meerdere subsidie uit openbare middelen aan godsdienstige scholen.”

Het is het praktische besluit dat volgen moet uit het door mij gehouden betoog. Ik beveel het dus de lezers ter ernstige overdenking, zo het kan, ter verdediging aan.

_______________
[1] Eigenaardig is het dat Troelstra ditzelfde citaat aanhaalt als bewijs dat Marx voor de vrije school was en Kautsky het mij zond als bewijs dat Marx op het zelfde standpunt stond als de Duitse partij.



een rode leeszetel





QRcode MIA-Nederlandstalig
Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

RSS
TWITTER