Frank van der Goes

Interne Propaganda


Bron: De Nieuwe Tijd, 2e jaargang, 1897 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
In het Publieke Domein
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Waarom socialisme?
Ethisch socialisme
Socialisme en de zin van het leven

Jaurès: Het Franse Socialisme
Liebknecht: De Toekomststaat
Hyndman: Socialisme in Engeland

I

Onlangs betoogde Troelstra in de Sociaaldemokraat de noodzakelijkheid van de propaganda in-de-partij. In de eerste plaats is dit maandschrift geroepen het zijne voor dit doel te geven. De omstandigheden voor de SDAP zijn gunstig. De tegenstand van de nog in het zog van de oude beweging drijvende groepen vermindert zichtbaar. De toenadering is langzaam maar zeker, en nu zelfs niet heel langzaam meer. De kracht van de waarheid brengt de arbeidersfracties, welke inderdaad de regerende klasse willen bestrijden, bij elkaar – en zal eindigen met haar hechter te binden naarmate de eensgezindheid meer strijd heeft gekost en in de strijd meer bezwaren zijn verwonnen.

In de politiek is het doodstil. Wat te doen was, is door onze afgevaardigden gedaan. De regering beweegt geen vinger zonder zeker te zijn van succes, en, omdat haar succes zo onzeker is, beweegt zij bijna in het geheel niet. De hoofdzorg van alle tegenwoordige ministers is minister te blijven. Geen van hun die met een gewichtig ontwerp willen staan en vallen, zij willen enkel blijven staan en liever nog zitten dan staan. De behandeling van Leerplicht en Persoonlijke Dienstplicht zal van harentwege gepaard gaan met alle mogelijke concessies in vragen, welke de beide wetten en daarmee haar eigen bestaan zouden bedreigen. Bij de openbare debatten zullen de socialistische Kamerleden en zal de socialistische pers ruimschoots aanleiding vinden om het arbeidersstandpunt in de beide praktische en hoogst gewichtige aangelegenheden te doen kennen. Zo geen verbetering van de wetsontwerpen, zal stellig vergroting van de invloed van onze partij wederom het gevolg zijn.

De mannen van de SDAP hebben vóór alle dingen te zorgen dat zij niet onder de eisen blijven van de taak, hun door de omstandigheden opgelegd. Als het kader van een toekomstige grotere arbeidersbeweging, behoren zij in ieder opzicht betrouwbare voorgangers te worden. Een van de nodige dingen is kennis, kennis allereerst van de gebeurtenissen in de arbeiderswereld in andere landen, die bijna alle in een verder gevorderd tijdvak verkeren dan het onze. Gaarne zouden wij onzerzijds een geregeld overzicht geven van de gang van zaken buiten Nederland, maar vooreerst is dit een arbeid die, om enigszins nuttig te zijn, ondernomen zou moeten worden op een schaal welke én onze krachten én de afmetingen van dit tijdschrift te boven gaat. Wij zullen ons tot nader tevreden stellen met het geven van somtijds een afzonderlijk artikel over het gewichtigste, zoals in de lopende jaargang enige malen is voorgekomen.

In het internationale tijdschrift Cosmopolis hebben de aan het hoofd van deze genoemde partijgenoten op uitnodiging van de redactie een drietal belangrijke artikelen geschreven. Wij menen het voorbeeld van ons Engels’ broederorgaan, de Socialdemocrat te moeten volgen, die in de nrs. van februari, maart en april achtereenvolgens uittreksels gaf van de uitvoerige opstellen. Wij beginnen met het stuk van Jaurès.

* * *

Wat FRANKRIJK betreft, zullen wellicht velen menen die zich de onenigheden herinneren van de Franse afgevaardigden op het laatste internationale congres, dat er geen eigenlijk gezegde socialistische organisatie bestond. Toch is dit wel bet geval; integendeel, meent Jaurès, zijn de Franse arbeiders thans beter georganiseerd en krachtiger dan ooit te voren. Ten bewijze, zien wij de aangroei van de coöperatie, en de schepping van de coöperatieve glasblazerij te Carmaux. De twisten op het congres waren meest misverstand. De vertegenwoordigers van de politieke partij weten zeer goed de werkzaamheid van de vakvereniging te waarderen, zij zijn zelf merendeels bij de economische strijd betrokken geweest. Uitgezonderd een kleine anarchistische minderheid, zijn de leden van de vakverenigingen voorstanders van de politieke actie. Het bezwaar tegen de politieke actie is, dat zij aan de werklust van de arbeiders niet altijd voldoende stof geeft. De anarchisten maken van dit feit gebruik om het geloof in de strijd tegen de bourgeoisie in het parlement te ondermijnen. Vandaar dat, waar door coöperatie en economische propaganda een voldoend tegenwicht gevonden is, de belangstelling in de politiek terugkeert. Dit is, zegt Jaurès, thans het geval bij de overgrote meerderheid van de ontwikkelde arbeiders.

Het georganiseerde proletariaat staat in verbinding met de Volksglasblazerij te Carmaux (Verrerie ouvrière.) De aandelen zijn in handen van verenigingen door het gehele land; de regel is dat 60 ten honderd van de winst gestort worden in een fonds voor algemeen nut.

“De uitbreiding van werkzaamheid op het economisch terrein zou gevaarlijk, zou zelfs noodlottig zijn, indien het de arbeiders sterkte in het dwaalbegrip dat politieke actie overbodig was. Maar dit is niet zo en wij kunnen constateren dat in verhouding van de vooruitgang in de economische actie ook de drang naar politieke actie groter wordt.” De arbeidende klasse ziet altijd helderder in, dat op staatkundig gebied de laatste worsteling voor de vrijmaking uit klassenheerschappij moet plaats vinden; dat zolang de machtsmiddelen van de Staat – het leger, vloot, politie, justitie – in handen zijn van de kapitalisten, zij aangewend zullen worden om de arbeiders te houden in hun neergedrukte staat van loonslaven tot alle eeuwigheid, en dat uitsluitend werken voor coöperatie of vakvereniging niet zal baten voor zij de instellingen hebben overmeesterd om aan hun vrijmaking kracht van wet te geven. “Overal dan ook worden socialistische kandidaturen voorbereid. Overal zal de Franse sociaaldemocratie gebruik maken van het algemeen kiesrecht om ten slotte een meerderheid te verwerven in wetgevende vergaderingen.”

“Door op deze wijze te grijpen in de politieke strijd, door deel te nemen aan de verkiezingen voor gemeenteraad en Kamer, is alle gevaar voor vervalsing van het beginsel of verloochening van het ideaal volkomen uitgesloten. Inderdaad zou het gemakkelijk zijn te bewijzen, dat deelneming aan de politieke strijd, in plaats van een verzwakking van de socialistische gedachte te weeg te brengen, omgekeerd de arbeidende klasse, leden en leiders, gevoerd heeft tot scherpere opvatting en duidelijker uitdrukking. Op dezelfde manier als vakbondsmannen iets meer bedoelen dan enkel vakvereniging, coöperateurs meer dan coöperatie, zo heeft ook de politieke socialistische partij iets anders op het oog dan verkiezingsarbeid, dan het parlement, dan tijdelijke programma’s en gedeeltelijke hervormingen... Zij richt haar streven op de volkomen socialistische samenleving, op vormen van bezit welke alle werkers een maximum toestaan van vrijheid en van levensgenot. Alle strijders, alle loonarbeiders, alle socialistische afgevaardigden werken voor een zelfde theorie en een zelfde ideaal. Allen erkennen dat de tegenwoordige bezitsvormen een onvermijdelijke en onverzoenlijke klassenoorlog oproepen. Allen verklaren dat de klassenoorlog niet kan worden geëindigd enkel door tegemoetkoming van de bezitters of door onbetrouwbare afspraken; maar dat de loonarbeiders moeten trachten het bezit te hervormen en de klassenheerschappij te vernietigen. Allen weten dat de middelen van voortbrenging en ruil moeten werden ontnomen aan de kapitalistische klasse en het eigendom worden van de voortbrengers.

Allen houden vol dat boven de wedijver van volkeren en rassen, boven de tweespalt en zogenoemd nationale vijandschappen, uit oude dierlijke vechtlust en economische tegenstellingen geboren, het eendrachtige proletariaat van alle landen zich moet verheffen. En tegelijkertijd heeft het socialisme in Frankrijk, door de klaarheid van de algemene begrippen, kansen van welslagen die vroeger onbekend waren. Komt de tijd van machtsontwikkeling dan zal men niet praten, maar doen. In geen honderd jaar heeft het Franse socialisme, noch met Baboeuf en de samenzwering van de Gelijken (1796), noch in 1848, noch in 1871, zulke krachtige middelen van actie bezeten en zulk een schoon vooruitzicht op zegepraal.”

* * *

Over het radicale ministerie Bourgeois dat aan het reactionaire kabinet Méline is voorafgegaan schrijft Jaurès de volgende merkwaardige regels:

“Het algemeen stemrecht is een revolutionaire macht. Voor de stembus is de werkman gelijk met de grote patroon. En hoe zouden de werklieden zich op den duur tevreden stellen met de ondergeschikte rol van loontrekker, die in zijn dagelijkse bedrijf zo goed als volkomen rechteloos is, wanneer hij een directe invloed kan doen gelden op het beheer van de Staat? Het algemeen stemrecht is een voortdurende herinnering aan de gelijkheid, een nimmer zwijgend protest tegen de onmondige toestand van het arbeidende volk. En voor het kapitalisme is het algemeen stemrecht een zeer onvaste grondslag. Vooral in landen als Frankrijk, waar geen autoriteit uit het verleden, geen historisch of goddelijk vorstenrecht het overheerst, is de instelling van het algemeen stemrecht de onderwerping van alle belang en alle “recht” aan de wil des volks. Wettelijk en feitelijk zou morgen een socialistische meerderheid in het parlement het kapitalistische bezit bij besluit kunnen afschaffen. Op dit ogenblik, op dit punt van ons denken en van de ontwikkeling van de economische omstandigheden, zal toch zeker niemand willen beweren dat het socialisme niet de steun zal krijgen van het algemeen stemrecht. De kapitalistische klasse derhalve, kan niet zonder vrees een wettelijke instelling aanschouwen welke ieder ogenblik tegen haar zich wenden kan. Alle partijen moeten front maken tegen het politieke socialisme, worden gedwongen de klassenstrijd te aanvaarden. In het parlementaire debat is de sociale kwestie altijd warm, en een samenleving verkeert reeds in een bedenkelijke staat wanneer zij gedwongen is iedere dag over zich te laten stemmen ... wanneer zij zich zelve, haar eigen bestaan, op het spel zet bij elke parlementaire strijd en in elke verkiezingscampagne. Het kapitalisme verplicht de partijstrijd te verwisselen voor de klassenstrijd en over zijn voorrechten een zo heftige en langdurige kamp toe te laten, is als een speler die in ieder spel zijn geheel vermogen waagt. Eindelijk komt de dag dat hij verliest. Wel verblind de arbeidersklasse, wel verblind de socialistische partij die dit voordeel niet tot het uiterste gebruikte!

Reeds had de aanwezigheid van een eenvoudig radicaal ministerie geleid tot een gevaarlijke toestand. Dankzij de steun van de sociaaldemocraten, bezat het een meerderheid in de Kamer, de meerderheid dus van de afgevaardigden van het algemeen stemrecht. Maar de bezittende klasse, die zich bedreigd zag door een stijgende inkomstenbelasting en door de wet op de onverenigbaarheid van zekere hoge industriële en financiële posten met het Kamerlidmaatschap, de bezittende klasse ontwikkelde een hardnekkige weerstand: geslagen in de Kamer, herstelde zij zich in de Senaat en voor de stelselmatige vijandschap van de Senaat werd de regering bang en ruimde zij het veld. Maar als zij nu trouw was gebleven aan het beginsel en aan het algemeen stemrecht? Als zij de strijd had aangenomen en doorgedreven tot het eind? De volksmacht, ditmaal op de hand van de regeringsmacht, had zeker overwonnen. En daarmee ware een nieuwe republiek gevestigd geworden, een stelsel, waarin de socialistische gedachte zou zijn doorgedrongen.

En hiervoor juist deinsde het radicale ministerie terug. Moest het alle krachten spannen van het parlementarisme en zich wagen aan het onbekende? Zo is het algemeen stemrecht vruchtbaar aan verrassingen en kan plotseling, door enige botsing in de Kamers, leiden tot een grote sociale ontploffing.”

Vervolgens bericht Jaurès de woorden van een radicaal leider, die hij had verweten voor de consequentie van de burgerlijke democratie te zijn verschrokken. – Wat zou gij doen, als gij en uw vrienden weer de macht in handen kregen? Wij zouden moeten steunen op de Kamermeerderheid, de inkomstenbelasting doordrijven zonder de Senaat. Goed, maar het grootbezit is tegen de wet, en dan hebt gij de directe strijd tegen de geldmacht, het grondbezit en de grote industrie. De soevereiniteit van het algemeen stemrecht is de revolutie van het kapitalisme.

* * *

Jaurès stelt vervolgens in het licht welke maatregelen de regeringspartijen beramen, voorstellen, gedeeltelijk reeds hebben doorgedreven, om aan het algemeen stemrecht afbreuk te doen. Geen regering zou durven doen wat in Saksen is gebeurd: de census herstellen. Maar er zijn zijwegen. De Senaat versterken tegenover de Kamer; aan de President grotere macht geven; alle inmenging in de buitenlandse politiek zorgvuldig aan de Kamerleden beletten; de Kamer herhaaldelijk ontbinden en op de verkiezingen werken met alle openbare machten; de stemmen van de grote steden verminderen; eisen handhaven van langdurig verblijf zodat de grote vlottende arbeidersbevolking niet tot haar recht komt ... In één woord: terwijl de revolutionairen, de socialisten, hoe langer hoe meer bouwen op de werking van wettelijke maatregelen, ziet de reactie, het behoud van de bestaande orde, met ongerustheid en haat deze zelfde, voor haar verderfelijke werking, en zoekt zich te redden door directe en indirecte aanvallen op “het recht.” Dit is een enorm gunstige positie voor de arbeiders. Zij zetten de grote burgerlijke tradities voort, en de socialisten vertegenwoordigen zodoende niet alleen de onderdrukte klasse van de werklieden, maar ook het beste in de thans regerende klasse zelve.

Waarom is in ’48 de socialistische beweging onderdrukt geworden? Jaurès geeft er de volgende voorstelling van:

De Februarirevolutie vond het socialisme in een toestand van wording. Het was de tijd van discussie. Er waren allerlei theorieën welke de arbeiders verdeelden en verwarden. In plaats van toe te tasten bleef men beraadslagen. De overmacht van het kapitalisme, van de bourgeoisie klein en groot, organiseerde intussen, na de eerste schok in februari ’48 de onderdrukking van het proletariaat. De revolutie was uit haar economische aard kleinburgerlijk meer dan proletarisch. Men had in het voorlopige bestuur een paar vertegenwoordigers van de arbeiders moeten opnemen, maar de meerderheid was vervuld van burgerlijke opvattingen. Reeds het weinige socialisme van die dagen was voldoende om bij de tegenpartij een hevige reactie te weeg te brengen, een reactie tegen welke het socialisme niet bestand was. – En deze les trekt Jaurès uit de gebeurtenissen van 1848: – voor op de verwezenlijking van het socialistisch program kan worden gerekend, moet de volle machtsontwikkeling van het proletariaat gekomen zijn.

In 1871 stond de kans voor het proletariaat hoogst ongunstig. Geheel Frankrijk verlangde voor alles de vrede. De reactie kon zich beroepen en beriep zich op de behoefte aan rust, herstel van orde – allereerst; dit kon niet anders betekenen dan herstel van de kapitalistische orde. Intussen was het wederom de arbeidersklasse die zelfs in deze wanhopige dagen de vooruitgang diende en door de opstand van de Parijse werklieden de republiek wist te redden.

In de Kamer heeft Jaurès nog gezegd dat de triomf van het socialisme in Frankrijk binnen tien jaar te wachten was. Er zijn onvoorziene gebeurtenissen mogelijk die de termijn zullen verlengen, maar overigens heeft men alle redenen om spoedig grote veranderingen te verwachten.

Ten eerste is een verlichte minderheid van de middenklasse op weg naar het socialisme. Vroeger was een ernstig bezwaar tegen het socialisme, dat men inkorting van de vrijheid vreesde. Doch velen beginnen te voelen dat de gemeenschappelijke voortbrenging juist de individuen zal bevrijden. Thans reeds ziet men in, dat het aandeel van de grote massa in de regering de enige waarborg is van de rechten der enkelen. Hoe meer de massa ontwikkeld is, hoe groter haar macht, hoe vrijer ieder persoon. Vrijheid van stemmen, vrijheid van denken, vrijheid van geweten, vrijheid van pers, vrijheid van verenigingen, vergadering – voor zover zij bestaan, heeft men haar te danken aan de gedeeltelijke volkssoevereiniteit. De vrijheid van de arbeid, die thans niet bestaat, want alle overeenkomsten tussen patroon en werkman zijn schijnbaar, daar de een aan de willekeur van de ander is overgeleverd, de vrijheid van de arbeid wordt de grondslag van alle hogere vrijheid, van de vrije ontwikkeling van ieders persoonlijkheid. En de dwang die allerwege uitgaat van het bezit en van de regeermacht en die ook het armere deel van de bourgeoisie treft, drijft alle intellectuele kracht uit haar rijen naar het proletariaat. Allen die geen overwegend belang hebben bij het voortbestaan van het kapitalisme, en slechts uit vrees voor het juk van de gemeenschappelijke productie, zich op een afstand hielden, beginnen meer en meer te begrijpen dat juist deze productievorm de mens waarlijk vrij maakt.

Dan zijn de socialisten in Frankrijk bovendien op weg de boeren te veroveren. Wij kunnen zelfs rekenen op medewerking van onze tegenstanders, die de organisatie op het platteland bevorderen als een wicht tegen de machtsontwikkeling van de arbeiders. Coöperatie, landbouwkrediet, wordt overal in de hand gewerkt. De Kerk en het grootbezit wedijveren. Maar, zij doen het kleingeestige individualisme bij de boeren plaats maken voor begrippen van onderlinge steun en samenhang. Zoals het kapitalisme de industriële proletariërs heeft voortgebracht en vervolgens door hen te groeperen en enigszins te organiseren voor de propaganda van het socialisme heeft geschikt gemaakt, zo werkt thans ook het kapitalisme voor onze propaganda bij de landbouwers. In weinig jaren zullen de kleine boeren, reeds door de nood geprest, afkerig van de woeker, van de speculatie, van de belastingdruk, en in hun vooroordelen geschokt door vakbonden en coöperatie, in het socialisme geen schrikbeeld meer zien.

Tegen het socialisme verenigen zich thans regeringsbourgeoisie en Kerk. Met de republiek heeft zich het klerikalisme verzoend – onder het dreigend optreden van de arbeiders. Vrijdenkers en vromen voelen zich allereerst bezitters. Maar dit bondgenootschap, waarvan de kracht zeer zeker niet gering te schatten is, heeft ook gevaren voor de reactie. De socialistische neigingen van vele weifelaars zullen sterker worden, wanneer zij zien dat de grootbourgeoisie, om haar rijkdom te beveiligen, met de katholieke Kerk samen gaat. Aan de andere kant verliest de Kerk, door zich zo openlijk te vernederen tot de dienaresse van wereldse macht en stoffelijk belang, al wat haar restte van hoger idealisme en zedelijke invloed.

En zo, eindigt Jaurès zijn artikel, zal alle weerstand van de oude burgerlijke wereld gebroken zijn – de weg open en het veld vrij voor de opkomst van het socialisme in Frankrijk.

* * *

Hyndman, over het socialisme in ENGELAND, begint met te wijzen op het toenemende internationale karakter van de beweging. In ieder beschaafd land is een groeiende socialistische partij. Haar programma’s, haar denkbeelden over het heden en de toekomst, zijn overal ongeveer dezelfde. En deze internationale leer gaat niet uit van vooropgestelde theorieën. Het zgn. utopische socialisme is verdwenen en alle zorgvuldig overlegde plannen tot maatschappelijke verbetering hebben hun aantrekkelijkheid verloren. De socialisten streven naar het bezit van de macht over de gehele samenleving, niet door zich er buiten te stellen maar door zich van haar meester te maken. Dit verschijnsel: de opkomst van een over de gehele wereld volgens een zelfde leer, naar een zelfde praktisch doel met de zelfde middelen strevende maatschappelijke klasse, is een verschijnsel dat uit de ondergang van het kapitalisme voorkomt. Wij beleven het verval van de kapitalistische productie – en dat niet als het gevolg van zedelijke verbetering, maar omdat, evenals voor alle vroegere productiewijzen, eindelijk de tijd gekomen is dat zij de vooruitgang niet meer dient maar belemmert en zich zelve ten onder brengt.

Vrije mededinging, de levensvoorwaarde van het kapitalisme, wordt weggevaagd door alomvattende nationale en internationale maatschappijen. Alle tegenstellingen van het moderne leven lossen zich op in de grote en scherpe tegenstelling van de beide klassen, die elk voor zich werken voor een sterke organisatie. De Staat, door de macht van de omstandigheden gedwongen, ziet zich verplicht tot maatregelen ten behoeve van de werklieden en tot het overnemen van de grote publieke diensten.

Tot dusver was er weinig bewuste overgang. De klassen hebben zich gevormd zonder dat wij het wisten en de chaos is gekomen tegen onze wil. Maar thans kunnen wij ons voorbereiden op de veranderingen die wij zien naderen. En alle socialisten zijn eensdenkend over de maatregelen thans te nemen, over het te verwachten gevolg van de economische gebeurtenissen.

De voortgang van het socialisme zou men ook in Engeland vermoeden. Wat de reden zij, zoveel is zeker dat in Engeland het socialisme achterstaat. In de meeste Europese parlementen zijn de socialisten vertegenwoordigd, in enige zelfs sterk vertegenwoordigd. In het Engelse geen enkel socialist; en geen enkel kiesdistrict geneigd een socialist af te vaardigen, zelfs geen waar de arbeiders meester zijn.

Aan de gelukkige toestand van het proletariaat kan dit achterblijven niet worden toegeschreven. Er zijn enige betrekkelijk goed beloonde vakken, maar in de grote steden is daarentegen een ellende te vinden die tegen de voorrechten der weinigen meer dan opweegt.
Hyndman noemt de volgende rij van oorzaken:
1. De verdoving waarin drie achtereenvolgende generaties van kapitalisten de arbeiders hebben gebracht, die zich niet verbeelden iets anders te kunnen zijn dan loonslaven;
2. Verwaarloosd onderwijs voor de grote massa;
3. Invloed van economische leringen. (In Engeland populair sedert 100 jaar.);
4. Invloed van kerkelijke stichtingen en prediking, die ten doel hebben de onderworpenheid van de armen aan de rijken te bestendigen;
5. Gevoelloosheid en demoralisatie door armoede en gebrek;
6. Slechte invloed der vakverenigingen, waarin eerst onlangs verandering is gekomen;
7. Achterlijkheid van de politieke instellingen;
8. Geslepenheid van de regerende klasse in het algemeen;
9. Beginselloosheid van de kapitalistische pers.

* * *

Het is, zegt Hyndman, te verwonderen dat ondanks zovele eerste en tweedehands oorzaken, die de ontwikkeling van het socialisme belemmeren, nog de kracht van de socialistische idee in Engeland zo sterk is kunnen worden als zij ondanks alles op dit ogenblik is. Bijzondere gebeurtenissen zouden plotseling aanleiding kunnen geven tot het vestigen van een grote socialistische partij: de elementen zijn aanwezig.

Inmiddels gaat de economische verandering die het socialisme met zich brengt, ongestoord haar gang. Evenals in de Verenigde Staten is in Engeland de trustvorming onophoudelijk bezig. Het monopolie vervangt de concurrentie. Spoorwegmaatschappijen hebben de onderlinge strijd opgegeven. Bijna alle grote industrieën gaan dezelfde weg, regeren in goede verstandhouding. Het aanbod en het publiek moet zich schikken. Zij zijn ook tegen de eisen van de werklieden verenigd en de staking van de machinebouwers heeft getoond welke kracht het verenigd kapitaal bezit. Groot is het gevaar van het verval van de kapitalistische productiewijze in een land, waar de arbeidende klasse nog niet georganiseerd is om de nieuwe maatschappij te aanvaarden, waar zij de tekenen van de tijd nog niet heeft leren verstaan.

De eerste plicht in Engeland voor alle socialisten, meent Hyndman, is agitatie voor volksontwikkeling, door geestelijke en lichamelijke verzorging van kinderen; en agitatie voor het doorvoeren der democratische idee in alle regeringslichamen, met inbegrip van de gemeenteraden. – Volksontwikkeling zal de arbeiders geschikt maken voor zelfbestuur, voor socialistische propaganda; en, zijn de regeringslichamen onder de invloed van de arbeiders, dan zal door onteigening van takken van nijverheid gelegenheid worden gevonden voor opleiding in de gemeenschappelijke productie.

Thans zijn de openbare diensten reeds grotendeels in beheer van staat of gemeente. Maar dit is geen socialisme; de arbeiders worden uitgebuit door ambtenaren in plaats van door patroons. De instellingen geven winsten, overgehouden op het loon van de arbeiders. Van het postwezen, bijvoorbeeld, zou een coöperatieve zaak te maken zijn, met alle waarborgen voor een goed bestuur en een behoorlijke behandeling van de geëmployeerden. Dan moeten de spoorwegen aan de Staat worden gebracht en ingericht ten bate van het algemeen. De steenkolenmijnen, thans een schadelijk monopolie, behoorden deel te worden van het nationale vermogen. Eveneens de katoen- de ijzer-, de wolindustrie. De onteigening van de kleine patroons is reeds ver gevorderd, het wordt tijd dat een welgeorganiseerde gemeenschap met verstand en overleg ingrijpt en het proces voltooid dat op de socialistische samenleving uitloopt.

Complexer is het landbouwvraagstuk. In Engeland leeft de bevolking niet meer op het land; er zijn nog slechts enige honderdduizend boeren. De landbouw kwijnt en alle maatregelen om verbetering te brengen zijn vruchteloos gebleven. In het kapitalistische stelsel, dat de landbouw in Engeland reeds heeft gedood, is van herstel geen sprake meer. De bodem aan de gemeenschap, zal het enige middel zijn om uit overvolle steden en fabrieksdistricten de bevolking naar het land te doen terugkeren. –

Liebknecht over de “Toekomststaat”

Het verzoek om voor het tijdschrift Cosmopolis “de vraag van de maatschappelijke regeling der toekomst” uitvoerig te behandelen, bracht mij, zegt Liebknecht, niet weinig in verlegenheid. Nog niemand heeft in de toekomst geblikt – hoe zou ik kunnen, wat geen mens heeft gekund en geen mens zal kunnen?

Toch is de vraag ernstig gesteld en behandeld geworden, behandeld in de meeste parlementen van Europa; Duitsland, Frankrijk, Italië, België, Denemarken enz. Dit zou onverklaarbaar zijn, indien niet het maatschappelijk raadsel iets verblindend had en op de denkkracht van velen werkt als het gezicht van slangen op sommige vogels.

Heeft een Griek, een Romein, die zelf toch reeds deelnemer in een hoge beschaving was, onze tegenwoordige maatschappij kunnen vermoeden? Wij behoeven zover niet terug te gaan. Een groothandelaar uit het eerste derde deel van deze eeuw, zou van onze hedendaagse kapitalistische inrichtingen niets begrijpen.

Wij socialisten hebben niet de kinderachtige mening, ons zo dikwijls toegeschreven, dat de mensheid tot dusver op dwaalwegen gewandeld heeft en wij haar thans op het goede pad zullen brengen. Wij weten dat de maatschappelijke regeling niet uit willekeur of toeval voortkomt. Wij weten dat zodanige regeling steeds zal beantwoorden aan de economische ontwikkeling van de tijd, en dat deze laatste weer afhankelijk is van natuurlijke voorwaarden, van de stand der techniek en van de heerschappij over de natuurkrachten. Wij weten echter ook, dat een maatschappelijke regeling die op een bepaald beschavingspeil een teken van vooruitgang is, op een hoger peil wederom reactionair kan werken. Dan moeten nieuwe inrichtingen tot stand komen, of, stuiten zij op gewelddadig verzet, met schokken die men revoluties noemt tot stand worden gebracht.

De modern-burgerlijke, kapitalistische samenleving heeft ontzaglijke voordelen bij vroegere maatschappijen. Maar deze voordelen zijn ook met groter bezwaren verbonden die de gehele beschaving bedreigen en de meerderheid van de mensen tot ellende veroordelen. Uit deze toestand en uit het besef van deze toestand is het socialisme geboren. De vraag naar de “toekomstmaatschappij” kan niet anders betekenen dan een vraag naar het gevoel van een socialist omtrent de wijze waarop de sociale crisis zal verlopen.

En dit is iets anders als het gebazel van de toekomststaat, waarover reeds zoveel verstandige lieden, bijvoorbeeld Eugen Richter, zoveel onzin hebben gepraat. Toekomststaat – waar begint de toekomst en waar houdt het tegenwoordige op? Is het heden van morgen niet de toekomst van heden? Het heden van gisteren niet het verleden van heden? De staat, de maatschappij van heden was gisteren een toekomststaat, een toekomstmaatschappij, zij die van de toekomstmaatschappij spreken als van een waanzinnige droom of een misdadig complot, verstaan de geschiedenis niet, evenmin als de natuur.

Wij socialisten moeten precies weten hoe de socialistische samenleving er uit zal zien? Maar hebben de stichters (in zoverre men van stichters kan spreken, want ook de burgerlijke maatschappij is organisch-noodzakelijk uit de vroegere opgegroeid) hebben zij ook maar in het geringste geweten datgene wat nu bestaat? Zij die deze eis stellen aan ons, hebben geen begrip van de wording van hun eigen maatschappij. Zij schrijven alles toe aan de invloed van personen, terwijl inderdaad de geschiedenis van de mensheid het werk is van de mensheid, en wel een arbeid volgen bepaalde regelen en wetten.

De onmacht van het individu heeft Bismarck ons getoond. Na de val van Napoleon heeft niemand over meer machtsmiddelen beschikt dan Bismarck. Vijand van de bourgeoisie, fel gebeten op de grote steden, moest hij in de regering gekomen, een economische omwenteling helpen doorvoeren die Duitsland uit een landbouwstaat veranderd beeft in een industriestaat, het grootkapitalisme stelde in de plaats van het kleinbedrijf van burgers en boeren, miljoenen plattelandsbewoners naar de steden dreef – een omwenteling die aan uitgebreidheid en diepte haar gelijke nimmer heeft gehad, zelfs niet in de geweldige industriële revolutie van Engeland aan het slot van de vorige eeuw; – een omwenteling, die de grondvesten van onze sociale orde deels verschoven deels, vernietigd heeft, het algemene gevoel van onrust en verval heeft gemerkt en – de oorzaak was van het ontstaan der Duitse sociaal democratie.

Wat de stichters van de burgerlijke maatschappij betreft, de mannen die in mei 1789 als de vertegenwoordigers van de Derde Stand in het koninklijk slot te Versailles tezamen kwamen, hadden zij, hadden de bestormers der Bastille, der Tuillerieën – hadden Mirabeau, Desmoulins, Robespierre, Danton, Marat, een voorstelling van de komende samenleving welke zij de weg baanden? Hadden zij een vermoeden van de sociale en economische revolutie in de tot heerschappij gekomen derde stand zelf? Konden zij het kapitalisme voorzien met zijn klassenstrijd?

En vooral deze toekomst, dat de tweelingkinderen van de derde stand – bourgeoisie en proletariaat – in de schaduw van het Bastillemonument elkaar zes dagen achtereen zouden bevechten, bloediger dan alle worstelingen van de Revolutie tezamen – wie zou haar hebben voorspeld?

Toch is het zo gebeurd. De Tiers-Etat, die behalve adel en geestelijkheid, het gehele Franse volk omvatte, kende nog geen klasse van de burgerij. Het moderne grootbedrijf even te voren in Engeland aangevangen, bestond nog niet op het vasteland. Bij gebreke aan klassen, waren er nog geen klassengrenzen en klassenbelangen. Eerst onder Napoleon ontwikkelde zich het moderne kapitalisme en begon zich de derde stand te splitsen in twee klassen. Tot het jaar 1848 bleef de openlijke strijd tussen beiden uit. Maar sedert de Junistrijd is de vete van proletariaat en bourgeoisie aanwezig, welke de laatste helft van de negentiende eeuw vervult – moge zij zich niet uitstrekken tot ver in de twintigste!

Het einde van deze oorlog is het Socialisme. Hoe zullen de wisselvalligheden van de krijg zich voordoen? Wie weet het? En, is er iets achter het socialisme? De twintigste eeuw zal met de vestiging van het socialisme genoeg te doen hebben.

De vraag van vredelievende of wel oorlogszuchtige oplossing kunnen wij aan de beslissing van de regerende klasse overlaten. In een land als Zwitserland, met algemeen kiesrecht en algemene volkswapening om het kies- en stemrecht te beschermen, is, zover men zien kan, een gewelddadige strijd uitgesloten. In landen waar de regeringen de arbeidersbeweging met vervolgingen beantwoorden, zullen ernstige botsingen komen. Intussen is het een troost dat de vestiging van de “toekomststaat” lang zoveel leed en bloed en tranen niet zal kosten als de overwinning van de orde welke thans heersende is – de toekomststaat van voorheen.

* * *

Het doet mij leed, vervolgt Liebknecht na deze inleiding, dat ik geen beschrijving geven kan van onze “toekomststaat”. – Hoe dikwijls hoorde ik de weemoedige verzuchting: – zullen wij het nog beleven? Het beleven – wat?

De verwezenlijking van ons ideaal? Ja en neen. Neen, want geen ideaal gaat in vervulling. Hebben wij bereikt wat heden ons het hoogste scheen, dan is het hogere vóór ons. Het doel groeit met de mens. De toekomststaat heeft einde noch begin. En toch zullen wij hem beleven. Niet zullen. Wij beleven hem, wij beleven zijn wording, hij groeit met ons mee. Wij verkeren midden in de sociale revolutie. Revolutie betekent niet juist geweld. Het revolutionaire steekt in het doel, niet in de middelen. Gewelddadige grepen in het bestaande die slechts politieke veranderingen bedoelen, zijn niet revolutionair, en de vernietiging van de kleinburgerlijke productie door het kapitalisme is misschien de hevigste revolutie in de geschiedenis, hoewel niet vergezeld door bloedige strijd.

Hoe nu de maatschappij vervolgens, ik bedoel nadat men het kapitalisme zal hebben overwonnen, zich zal ontwikkelen – daaromtrent heb ik mijn eigen gedachten, zoals iedereen er heeft over de toekomst. Ik zou nogmaals een toekomstroman kunnen schrijven. Wie heeft er geen? Wij weten zeer nauwkeurig hoe het kan zijn – maar nog nauwkeuriger weten wij dat het zo niet zal zijn.

Ik zal de verleiding ontgaan en mij blijven bezighouden met de werkelijkheid.

De sociaaldemocratie is een democratische partij. Wij verlangen algemeen kies- en stemrecht voor alle ambten, voor alle maatregelen. Men zegt van ons dat wij de dictatuur voorstaan van het proletariaat. Bespottelijk woord! Wij kennen de dictatuur van de bourgeoisie, wij weten in Duitsland al te goed wat het betekent. Alle zonden van het kapitalisme worden ons verweten: vernietiging van eigendom en gezin, de vrije liefde, de kazerne- en tuchthuisregeling. Zo ook de klassendictatuur. Natuurlijk, komt het tot burgeroorlog, dan zal de heerschappij van het proletariaat een tijdelijk gevolg van de oorlogstoestand worden. Maar principieel streven wij naar de nationale en internationale vrede, naar de afschaffing van alle heerschappij. Evenmin willen wij een meerderheidsdictatuur, een tirannie als een andere, maar vertegenwoordiging van alle minderheden en persoonlijke rechten door geen meerderheidsbesluit te schenden. Geen regering, maar administratie. Gelijkheid van macht voor allen, wil zeggen macht voor en over niemand. Ook geen absolutisme van personen, zoals de anarchie voorstaat. De anarchie stelt het individu boven de gemeenschap. Het socialisme wil de gemeenschap organiseren, omdat het individu alleen in en door de gemeenschap kan leven en vrij zijn.

Algemeen stemrecht als grondslag van een vrije samenleving, behoort ook de vrouwen in het bestuur te brengen. De voordelen van de invloed der vrouwen in het publieke leven zullen de toekomststaat ten goede komen. Ook in de verhouding van de geslachten. Hoe zullen onze zonen en dochters deze verhouding regelen? Ik kan het niet zeggen. Zelfs nu reeds vragen zij niet altijd naar ons gevoelen. Maar het schijnt zeker dat de seksuele toestanden beter zullen worden, met het toenemen van de algemene beschaving. Beschaving is kennis van en heerschappij over de natuur. Het socialisme verenigt de mensen in hun streven om de natuur te kennen, haar te onderwerpen. Wie tot dusver in de strijd om zijn bestaan onderging, was verloren. Heeft men eenmaal, in de socialistische gemeenschap de natuur geheel aan de mens dienstbaar gemaakt, dan ontbreekt voor ieder mens in het bijzonder de dierlijke strijd om brood. Anders gezegd: de diepere grond van zonde en misdaad. Wat men nu in vertwijfeling, door geweld en list, aan het leven wil ontrukken, wanneer het bestaansmiddel dreigt te ontvallen, zal dan de maatschappij ieder verschaffen als een recht – mensonwaardige overvloed en vrijheid.

En tegenover dit recht: de algemene arbeidsplicht. Arbeid is niet alleen de bron van beschaving en welvaart maar de voorwaarde van persoonlijk geluk. Arbeid, vrij en naar eigen keuze, is een middel tot zedelijke verheffing dat het kapitalisme niet kent. Daargelaten nog dat alle oorzaken van tegenwoordig welke het huwelijk bederven, met het kapitalisme en de heerschappij van het geld, zullen ophouden te werken.

Een socialistische maatschappij kent als de voornaamste verrichtingen van de gemeenschap:
1° de organisatie van de arbeid, als de materiële;
2° de zorg van de opvoeding, als de zedelijke en verstandelijke grondslag van de samenleving.

De organisatie van de arbeid zal de productiviteit van de arbeid ontzaglijk doen stijgen. Dit is reeds op kleinere schaal gebleken in de kapitalistische wereld. Wat in Amerika in de enorme gemeenschappelijke woonhuizen of hotels tot stand is gebracht, is verwonderlijk. Zonder aan iemands vrijheid te kort te doen, leeft ieder veel goedkoper en veel beter dan anders mogelijk zou zijn. Wie de voorkeur geeft – zoals de schrijver, aan een stelsel van kleine afzonderlijke woningen, zal evenzeer in het comfort van gemeenschappelijk beheer kunnen delen.

De nieuwerwetse winkelinrichtingen, waarvan een enkele het werk van honderd kleinere bezorgt, geven een denkbeeld van de mogelijkheid van een alomvattende en tevens eenvoudige organisatie. Een firma als de Londense van Spiers & Pond is, zonder het geld, een vervroegde toekomst. Wil ik mijn kleren gewassen hebben, een maaltijd geven, een woning huren, een landgoed kopen, een huis meubelen, – een boodschap aan Spiers & Pond en al mijn wensen, indien ter wereld vervulbaar, worden uitgevoerd met een maximum van nauwkeurigheid en spoed. – Dit is geen socialisme, maar een ontwikkeling van het socialisme, een overgang tot het socialisme. Is eenmaal alle productie en verdeling op zodanige voet geregeld, en in alle takken gaat het deze weg op, dan staan nog slechts de belangen van enkele personen tussen kapitalisme en socialisme. Dan zal de verandering gemakkelijk zijn.

Op dit ogenblik is de productie veel meer geconcentreerd, hoger ontwikkeld, dan de verdeling. Dit geldt van landbouw evenzeer als van nijverheid. Er blijft slechts de keuze tussen monopolie ten bate van enkelen en socialisme, Hoe de keus zal uitvallen is niet twijfelachtig. Dan heeft de verdeling de productie ingehaald.

Men stelt de zegeningen van de vrije concurrentie tegenover de organisatie. Zonder concurrentie geen nieuwe productie, zegt men. Werkelijk is de concurrentie een hinderpaal in de productie, een oorzaak van verspilling. Bovendien is reeds voldoende in de praktijk bewezen, dat de prikkel van de concurrentie tot de arbeid onnodig mag heten. In de dienst van de Staat, van kunst en wetenschap, is de concurrentie zo goed als afwezig – nu reeds. De arbeid behoeft geen prikkel, alleen heeft zij organisatie nodig. Wij zien al bij kinderen dat zij naar bezigheid verlangen en dat de bezigheid gunstig op hen werkt. Bij kinderen is spel en arbeid hetzelfde – zelfs de fabrieksarbeid gelijk de heren kapitalisten zeer wel weten. Bij vele tegenwoordige mensen is dat anders, omdat thans bijna alle arbeid gedwongen is. Gedwongen arbeid verricht niemand gaarne, vandaar de werkzaamheid van de prikkel der concurrentie – in het kapitalisme. Doch het is de mensheid belasteren, te zeggen dat zij bij verstandige regeling de liefde tot de arbeid zal verliezen.

* * *

De overgang tot de socialistische productie zal vermoedelijk veel gemakkelijker zijn dan de overgang tot het grootkapitalisme uit het kleinbedrijf. Zeer zeker zullen niet gehele maatschappelijke groepen worden verzwolgen, geen miljoenen vlijtige lieden van hun eigendom beroofd en tot armoede gebracht. Niemand zal verliezen iets van hetgeen de moeite waard is behouden te worden. De grote meerderheid zal winnen datgene wat het leven de moeite waard maakt.

Te gemakkelijker zal de overgang zijn naarmate de economische concentratie in de kapitalistische orde vollediger is. Het kleinbedrijf in landbouw en nijverheid, zolang het hecht aan zijn bestaan, is moeilijk voor het socialisme toegankelijk. Eerst wanneer het zich verdrukt voelt door de concurrentie van het grootbedrijf, geeft het zijn wantrouwen op. Het kleinbezit is de steun van de burgerlijke maatschappij. De miljoenen boertjes, handwerkers, winkeliers betekenen meer dan een paar duizend vermogenden. Nu is het intussen opmerkelijk, dat juist de vermogenden het kleinbezit doen verdwijnen, gedwongen zijn het te vernietigen. In Engeland is dit proces het verst gevorderd en dus de overgang het meest geleidelijk. Eén voorbeeld uit Duitsland. De fabrikant Krupp vertegenwoordigt het bedrijf van honderdduizend smeden, handwerkers. Honderdduizend smidsbazen tot het socialisme te brengen zou geen gemakkelijke karwei zijn. Maar, als het eens zo ver is, krijgt men met één enkele Heer Krupp de zaak in een ogenblikje praten gedaan. De werkzaamheden gaan ongestoord voort, alleen zullen geen kanonnen meer worden gemaakt. In Engeland zijn vele Krupps en tevens vele goed georganiseerde vakverenigingen, die de arbeid uit hun handen kunnen nemen. Verstandige staatslieden zouden daarom de belangen van de vakverenigingen zoveel mogelijk moeten behartigen, in plaats van haar te benadelen en te vervolgen.

Aan het hoofd van de arbeidersorganisatie denken wij ons een lichaam, dat alle in- en uitwendige voorzieningen zal hebben te treffen, de regeling van productie en verdeling en de betrekkingen tot de landen die nog niet socialistisch zijn ingericht.

Het tweede deel van de taak der gemeenschap, de opvoeding, heeft niet alleen betrekking op het schoolonderwijs voor kinderen, maar op de leiding en ontwikkeling van ieders volledige persoonlijkheid, door vak- en kunstscholen, door inrichtingen voor kunst en wetenschap. Reeds nu ziet ieder onpartijdig deskundige dat de opvoeding van het komende geslacht volstrekt onvoldoende is – en in het kapitalisme volstrekt onvoldoende moet blijven. Wij zullen later een veel groter getal talenten nodig hebben om de algemene volksopleiding te dienen. Dan zal ook de arbeid verbeteren. Nog hoort schrijver dezes Richard Cobden (de liberale Engelse staatsman, voorstander van vrije handel, vijand van de graanwetten) op een meeting in Londen, voor bijna een halve eeuw, met een vlammende welsprekendheid de betekenis aanduiden van het gehalte van de arbeid voor de toekomst van een natie. Er is tegenwoordig geen zorg voor de arbeid, boven hetgeen nodig is om de waren verkoopbaar te maken. Begaafdheid van allerlei aard gaat verloren, omdat de voorwaarden ter ontwikkeling ontbreken. Het onderwijs is werktuigelijk, alle scholieren moeten aan dezelfde eisen leren voldoen, omdat de verrichtingen waarvoor zij worden opgeleid – dankzij de economische toestand van onze tijd – behoren tot een stelsel van eenvormige, werktuigelijke arbeid.

* * *

Op de vraag naar de toekomstmaatschappij heb ik geantwoord met het beeld van de tegenwoordige, die uit het kapitalisme in het socialisme overgaat. Voor toekomstschetsen heb ik mij in acht genomen, maar in mijn antwoord ligt het antwoord op vragen naar bijzonderheden besloten.

Bijvoorbeeld, de vraag naar de rol van het geld. Wie de verrichtingen van geld kent, weet dat in een maatschappij, die geen handel drijft, geen warenproductie voor winst heeft, het geld overbodig is. Voor het verkeer met achterlijke volken zou geld enige tijd in gebruik kunnen blijven. – Hoe zijn de scholen in te richten? Vraag de onderwijzers. Hoe de arbeid? Vraag de arbeiders en de ingenieurs. – Hoe de verdeling? Vraag de kooplieden. De menselijke behoeften blijven, en dus blijven de maatschappelijke verrichtingen, alleen ten voordele van allen, niet meer van enkelen. De oude samenleving wordt niet met een slag vernietigd en plotseling de nieuwe in de plaats gesteld. Het is een onophoudelijke overgang, van het oude wordt het onbruikbare achtergelaten en iedere dag ziet nieuwe vormen.

En men verwijten mij niet, dat ik meer gesproken heb over afschaffen en vervangen dan van vestigen en inrichten. Iedere maatschappelijke vooruitgang heeft hoofdzakelijk bestaan in het verwijderen met of zonder schokken, van belemmeringen. Dan groeit het nieuwe met eigen groeikracht, zodra het ruimte heeft en licht.

De toekomststaat valt niet uit de hemel, gelukkig ligt hij op onze schone aarde en niet door engelen wordt hij gesticht maar door mensen.

Grote veranderingen, die onmiddellijk in het oog zullen vallen, moeten zeer zeker worden verwacht. Verdwijnen zullen de kazernes, bij gebrek aan soldaten; de gevangenissen, bij gebrek aan misdadigers; de gebouwen van justitie, bij gebrek aan processen. Verdwijnen ook de moderne huizenbouw in de steden, verdwijnen de Bastille van de arbeid, de vuile en bevuilende fabrieken met haar omgeving van sloppen en krotten – verdwijnen ook de tegenstelling van stad en land. De volmaking van de vervoersmiddelen zal de afstand doden en de mensen in staat stellen te leven in de vrije natuur.

Daarentegen zal men het land bedekken, niet in enkele streken, met openbare inrichtingen van allerlei aard – inrichtingen voor het beheer en het genot van de publieke zaak, welke zaak alsdan de zaak van ieder zal zijn.

Het overige wordt toevertrouwd aan de burgers van de socialistische maatschappij, die niet van ons behoeven te leren hoe zij zullen hebben te leven.



een rode leeszetel





QRcode MIA-Nederlandstalig
Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

RSS

Volg ons op twitter