Hendrikus Hubertus van Kol
(Rienzi)

Vrijheid door ontwikkeling


Bron: De Nieuwe Tijd, 1e jaargang, 1896 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling, zinsbouw soms aangepast
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
In het Publieke Domein
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Stemmen der vrijheid
Communisme, communes en de individuele vrijheid
Over vrijheid en discipline

Alles wat bestaat is onderworpen aan de wet der ontwikkeling. Geen boompje groeit, geen kiempje wordt mens, geen planeet ontstaat, geen zonnestelsel verdwijnt, of zij zijn onderworpen aan die alles beheersende wet door de natuur in hun wezen gelegd. Ook met de mens, de Staat, de maatschappij is zulks het geval.

Vóór zijn geboorte doorloopt hij reeds in het lichaam van de moeder alle vormen, die hij sedert eeuwen aannam om van oerslijm tot dier en van dier tot mens te worden; en ook na zijn geboorte is hij onderworpen aan onwrikbare wetten die zijn ontwikkeling beheersen. Dit geldt niet alleen van zijn wasdom, zijn lichaam, zijn verstand, maar ook van zijn karakter, zijn levensbeschouwing, zijn vrijheid. Dit geldt niet alleen voor het individu, maar ook voor de verzameling van individuen, die wij maatschappij noemen.

Mens en maatschappij kunnen niet de vormen aannemen die zij verlangen; de individuen zijn daarbij machteloos. Alles moet zijn natuurlijke loop hebben, moet zich ontwikkelen, moet groeien. “Niets ontstaat in één dag. Dus geef tijd om te rijpen aan wat ge eenmaal wilt zien in heerlijke bloei. Laat groeien het kind, ruk de blaadjes niet open van de rozen, verstoor geen natuurlijke groei.” En daarom willen wij de natuurlijke groei der vrijheid thans onderzoeken.

De gehele geschiedenis der mensheid was een onophoudelijke strijd tussen de vrijheid en het gezag, tussen de verdrukte kleinen en de tirannieke groten. Hardnekkig was die strijd van heer en slaaf, van patriciër en plebejer, van seigneur en lijfeigene, van meester en gezel, van kapitalist en proletariër, die de kronieken der eeuwen vulde. Onder smarten en pijnen brak de vrijheid zichzelf baan, elke schrede vooruit ging met lijden en offers gepaard. Nu eens scheen haar kans op overwinning groot, dan weer scheen zij voor altijd en reddeloos verloren; soms wrong zij zich snel naar boven, om dan weer voor lange jaren te worden neergedrukt. Even regelmatig als zomer en winter, als eb en vloed, wisselen de tijden van achteruitgang en vooruitgang, van slavernij en vrijheid. Maar ten slotte was de mensheid na elke periode iets vooruitgekomen, en wisten steeds nieuwe lagen der mensheid de vrijheid te veroveren. Zeven eeuwen moest de bourgeoisie strijden om zich het juk van adel en vorst van de schouders te werpen, en nauwelijks is zij vrij, of het talrijke proletariaat hervat de strijd om vrijheid en mensenrecht. Geluk en vrijheid te veroveren voor de arbeidende klasse, dat is de strijd van onze dagen, de klassenstrijd van de 19e eeuw.

De sociale kwestie is geenszins alleen een kwestie van de maag, een strijd om de boterham. Brood, hoe onmisbaar ook, is voor de mens niet voldoende, er zijn andere behoeften dan die van de eetlust, andere dan zuiver stoffelijke begeerten, en ook deze eisen bevrediging. Het socialisme is slechts een dierlijke strijd om een brok vlees, om een snede brood, wanneer het niet tevens aandrong op de vervulling van die hogere behoeften, die zo diep in onze boezem wonen, de zucht naar vrijheid en gelijkheid.

Vrijheid en geluk voor allen, dat is het waarnaar wij streven, doch dat wij in lange tijden niet zullen bereiken, als wij geen rekening houden met de werkelijke toestanden, het onmogelijke najagen, en als kinderen van onze tijd verbeuzelen met naar de sterren te grijpen. Onze strijdleuze moet de eis van een denker, niet de kreet van een dweper zijn. Wij moeten rekening houden met de natuurlijke groei, want meer dan de wasdom bevorderen, de ontwikkeling bespoedigen of althans niet vertragen, kunnen wij niet.

Als wij de ontwikkeling der vrijheid in het verleden nagaan, kunnen wij voor de naaste toekomst haar groei voorspellen, en beslissen welke graad van vrijheid reeds thans voor de nu levende mensen bereikbaar is. Wij kunnen de hindernissen wegnemen, die het mensdom thans beletten een nieuwe schakel te hechten aan de lange keten van de vooruitgang der beschaving.

Wat is vrij zijn? Wie waren vrij?

Vrij is elk individu dat de macht bezit om zijn wil te volvoeren. Er zijn dus evenveel soorten van vrijheden als er uitingen zijn van de menselijke wil, en men kan dus spreken van de vrijheid van woord, gedachte of geschrift, van de vrijheid van arbeid, woonplaats of voortteling. Maar thans spreken wij alleen over de maatschappelijke vrijheid, over de vrijheid van het individu, in aanraking komende met andere groepen of individuen, en dan is de individuele vrijheid de afwezigheid van alle kunstmatige belemmeringen in de uitoefening van onze persoonlijke wil.

Wie waren, volgens dezen toetssteen, in het verleden vrij, wie waren onvrij? Dat zal de geschiedenis ons leren, doch wij kunnen het hier slechts kort aanstippen.

In de aloude tijden der horde en van de gens, toen alles aan de gemeenschap, de bloedverwanten of de stam behoorde, waren alle stamgenoten vrij en gelijk. Door de ontstane ongelijkheid van het bezit en de invoering van het persoonlijk eigendom, zag men die oorspronkelijke vrijheid verdwijnen en zij zou in lange eeuwen niet meer terugkeren. Slechts onder de roodhuiden in Amerika, en op enige afgelegen eilanden van de Indische Oceaan bleef, met het bezit van allen, de vrijheid van allen gehandhaafd; in alle oorden der wereld waar het individueel eigendomsrecht ontstond, ging zij verloren.

De voornaamste rijkdom was het bezit van de bodem, en de grondbezitters waren bij de Grieken en Romeinen de heersende tirannen, het bezitloze plebs bestond uit de rechteloze slaven. Toen dappere krijgslieden de Germaanse wouden verlieten en met het zwaard in de hand uitgestrekte landen veroverden, ontstond het leenstelsel, waarbij de vorst en de grondbezittende adel alle macht en vrijheid bezaten, maar de onterfde horigen en lijfeigenen op de meest wrede wijze werden verdrukt en vernederd. Slechts waar marken en meenten het gemeenschappelijk bezit wisten te handhaven, bleef de oorspronkelijke onafhankelijkheid ten dele gehandhaafd, ontstonden de vrije burgers en de steden.

Door de ontwikkeling van handel, scheepvaart en industrie, ontstonden de nieuwe rijkdommen, geld werd het alles beheersende ruilmiddel, het grondbezit verloor zijn overmacht, en de rijke kooplieden en gildemeesters zouden weldra het gezag ontwringen aan adel, kerk en vorst. De nijvere standen splitsten zich in gezel en meester, in loonarbeider en kapitalist, in een minderheid die beschikt over alle rijkdommen der aarde en alle arbeidsmiddelen en een grootte massa bezitlozen. Naarmate het fabriekswezen verbeterde, nieuwe uitvindingen de productie vermeerderde, betere machines de productie reusachtig deden aangroeien en ontzaglijke rijkdommen zich ophoopten in handen der bourgeoisie, kreeg deze alle macht in handen ten koste van het rechteloze en vertrapte proletariaat.

Het middel om de tirannie te handhaven, het zwaard der staatsmacht[1] was dus steeds in handen der bezittende klassen hetzij deze zich patriciër, edelman, vorst, priester, gildemeester of kapitalist noemden. Bezit gaf altijd macht, bezitloosheid altijd en overal onvrijheid.

De verdeling van het bezit beslist dus over de staatsinstellingen, beslist over de vormen van het recht, dus ook over de vrijheid der individuen. Individueel eigendom heeft steeds staatsgezag, steeds slavernij tengevolge; gemeenschappelijk bezit der productiemiddelen daarentegen moet wel aan allen vrijheid waarborgen. Wie alleen werken en leven kan door de gunst van een ander, wie op de knieën om arbeid moet smeken teneinde niet de hongerdood te sterven, en dagelijks gevaar loopt door werkeloosheid in de afgrond der ellende te worden geslingerd, – die man is niet vrij, kan niet vrij zijn. Om dus de individuele vrijheid te bevorderen moet men de middelen om te leven onder ieders bereik brengen. Hef de ongelijke verdeling op voor klassen en individuen en de kiem der vrijheid is gelegd; de kiem, die zich ontwikkelen kan en zal, maar niet eensklaps een volwassen boom zal worden.

Wij strijden dus voor de vrijheid, wanneer wij, op welke wijze ook, een einde maken aan de tirannie van enkelen, die beschikken over alle middelen om te leven. Wij strijden voor de vrijheid als wij de productiemiddelen ontrukken aan de klauwen van hen die daarop wederrechtelijk beslag legden, uit de handen der kapitalisten die roof pleegden op de gemeenschappelijke erfenis. Zijn wij daarin geslaagd, en dat is het doel van onze strijd zowel op politiek als op economisch terrein, dan is voor de ontwikkeling der vrijheid de baan wijd geopend.

Voor de ontwikkeling der vrijheid slechts, want volledige vrijheid is nog in lange, lange jaren niet te wachten. Nog lang zal er botsing blijven tussen de persoonlijke en de algemene belangen, zal niemand al zijn behoeften kunnen voldoen, al zijn grillen kunnen bevredigen zonder anderen te benadelen. Zo lang velen arbeid nog als een last, geenszins als een genot, zullen beschouwen, zal een regeling nodig zijn die enkele individuen belet in weelde te zwelgen bij het nietsdoen, die de uitbuiting der nijveren door de luiaards onmogelijk maakt. Hoe dieper de gelijkheid zal doordringen in de harten, hoe edeler en beter de mensen zullen worden, hoe groter hun vrijheid, hoe lichter het gezag zijn zal. Doch waar regeling onmisbaar, beperking der vrijheid onvermijdelijk blijkt, daar moet elk individu zich onderwerpen aan de levenseisen der gemeenschap. In deze richting voortgaande zullen in de naderende maatschappij de belangen steeds meer met elkaar overeenstemmen, de hartstochten meer harmonisch worden, en wij stap voor stap steeds meer het vrijheidsideaal naderen zonder echter ooit de absolute vrijheid te bereiken. Dat ver afliggend ideaal zal een reeks van hervormingen van het menselijk karakter eisen, waarvan men geen enkel kan overslaan en waarvan men de laatste stadion niet eens dromen kan. Thans zou afwezigheid van elke vrijheidsbeperking uitlopen op het overwicht van de sterke, de sluwe, de gewetenloze, daar juist de slechten in die strijd zullen zegevieren. Het doldriftig aandringen op volledige vrijheid van het individu, dat in de school der gelijkheid nog geen broederschap en toewijding leerde, zou het levende geslacht in zijn egoïsme stijven en de zon der vrijheid nog lang verduisteren.

Allen hebben gelijke aanspraken, de een heeft meer noch minder te eisen dan de ander, alleen de belangen der gemeenschap beslissen over de rechten en de vrijheden der individuen. Zolang strijdige belangen voorkomen, en dat zal nog lange tijd het geval zijn, is een regelende macht nodig; eerst dan wanneer alle oorzaken van twist en haat, van afgunst en eerzucht verdwenen zijn, zullen vrede en harmonie heersen onder de mensen, en de vrijheid haar toppunt kunnen bereiken.

Wanneer wij dus de onvermijdbaarheid van enig gezag erkennen, door wie moet dat worden uitgeoefend? En dan is het antwoord door allen in gelijke mate.

Het gezag nam reeds allerlei vormen aan, nu eens was het de krijgsman, dan weer de priester of God, later de adel en de rijke, tot eindelijk elk volwassen individu invloed zal hebben bij de regeling van het gezag. Na de despotische regering van enkelen, zagen wij voortdurend groter groepen deelnemen aan de regering tot eindelijk een eerlijk toegepast algemeen kiesrecht voor alle mannen en vrouwen de volksregering zal grondvesten.

Een stelsel van vertegenwoordiging, een parlement zal dus nodig zijn, al zal het van vele fouten moeten gezuiverd worden. Zolang geen nieuwe vormen van volksregering ontdekt zijn, zal men de oude moeten verbeteren, hoe gebrekkig zij thans mogen schijnen. Zal men een machine stuk slaan omdat zij enkele gebreken heeft, een lantaarn wegnemen langs de donkere weg omdat zij een stinkende walm verspreidt, alle handel verbieden omdat zo vaak bedrog en zwendel gepleegd wordt? Dat ware de dwaasheid ten toppunt voeren, ware een dolleman waardig.

Het parlementair stelsel is slecht, is grondig slecht, maar wij moeten het wel gebruiken en verbeteren tot iets anders bruikbaarder blijkt. En het kon reeds dadelijk verbeterd worden door referendum en initiatief waardoor allen stem krijgen bij de wetten en allen wetsvoorstellen kunnen indienen. Het kan verbeterd worden door de rechten der minderheden zoveel mogelijk te eerbiedigen, door aan de individuen, aan de groepen, aan de vakverenigingen, aan de gemeenten zoveel mogelijk vrijheid te laten. Een bond van autonome gemeenten vormt een gewestelijke, een bond van gewesten een landelijke federatie, en deze staten vormen samen een steeds groter wordend deel van de wereldbond. Aan de staat mag niet te veel macht in handen worden gegeven; hij moet in hoofdzaak het centrale orgaan zijn dat alle gegevens verzamelt, alle inlichtingen verschaft, waakt voor de goede uitvoering der wetten en slechts uitvoert de hem opgedragen last. Hij moet gehoorzamen aan de volkswil, zoals die door de stemmen der meerderheid tot uitdrukking komt, en nooit kunnen te veel voorzorgen worden genomen om alle misbruik van macht te beletten.

Het wordt steeds meer een administratief comité, dat slechts ingrijpt waar het algemeen belang of de volkswil zulks eisen. Op economisch terrein zal het gezag een steeds meer gecentraliseerd karakter, op politiek terrein een toenemend federatief karakter aannemen. De regeling der productie, de aankoop van grondstoffen, de organisatie van de arbeid en van het verbruik zal steeds door de ontwikkeling, der industrie, minder individueel en meer collectief worden. De politieke machten echter, die belast zijn met de zorg voor de openbare veiligheid, de rechtspraak, de kunsten en de wetenschappen, zal men voortdurend meer aan de gemeenten kunnen overlaten. Hoe hoger de personen stijgen op de ladder van de beschaving, hoe minder autoriteit zal nodig blijken.

De mensheid leefde nog slechts een klein gedeelte van haar bestaan; het dierlijke in ons hebben wij nog geenszins geheel afgeschud, de ontwikkeling is nog zo kort in gang en wij zijn nog zo ver verwijderd van het ideaal dat wij eens zullen bereiken. Het socialisme zelf is geen einddoel, doch slechts een kort tijdperk in de ontwikkelingsgeschiedenis der mensheid. Is een ras van edele individuen ontstaan, woont de broederschap in alle harten, heeft het egoïsme plaats gemaakt voor liefde tot elkaar, dan ja, dan kunnen alle wetten verbrand worden en zal de gouden eeuw gekomen zijn, waarin de zon slechts vrije mensen zal beschijnen, die geen andere meester behoeven dan hun hart en hun verstand. Doch zo ver zijn wij nog lang niet.

Wat wij thans kunnen bereiken is dit: de klassenstaat van heden zal verdwijnen, zodra met het verschil in bezit de klassen worden opgeheven. Die Staat, die klassenstaat, die het gevolg is van hebzuchtig eigenbelang en wreedheid, die vreemd aan alle ideaal streven de laagste hartstochten opwekt en aankweekt, die door geweld gesteund en door onrecht en gruwelen gehandhaafd wordt, aan die klassenstaat verklaren wij de oorlog.

Maar waar de staat zal geworden zijn een vereniging van vrije mannen en vrouwen, van burgers die zich zelf bevelen en gehoorzamen, zullen vrijheid en gezag niet langer vijanden zijn, maar elkaar steunen en louteren. Daar zal gezag het middel zijn om het doel, de vrijheid te bereiken; daar zal vrijheid het recht zijn, dat alleen door het gezag aan allen kan worden gewaarborgd.

De gelijkheid van de Volksstaat is de onmisbare overgang tot de vrijheid der individuen. Het socialisme zal, door brood te verschaffen aan allen, in een geslacht van gelijken de geest der vrijheid en broederschap doen ontwaken. Dat socialisme zal de eerste schrede zijn op de baan van de verdere vooruitgang en de verdere ontwikkeling aan de volgende generaties moeten overlaten. Dat socialisme zal zegevieren, niet ten koste, maar ter wille van de vrijheid der volken en individuen, aan dat socialisme, dat vrij blijft van alle utopieën, behoort de naaste toekomst.

Rienzi

_______________
[1] Zelfs de vorm die de regering aannam was afhankelijk van het eigendomsrecht. Toen in China, dat landbouwersland, alle grond aan de vorst behoorde, was de regering een despotie van één persoon; toen de prinsen een aandeel hadden veroverd kreeg men een oligarchische regering van weinigen en toen in later eeuwen allen een stuk grond bezaten, werd de regeringsvorm democratisch, hadden allen daaraan deel.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

RSS