Jules Destrée

Kunst en socialisme


In samenwerking met Dacob, Archief en Bibliotheek voor de Studie van het Communisme
Bron: Germinal, nr. 5, 6e jg. Samenwerkende Maatschappij Volksdrukkerij, Hoogpoort 29, Gent, 1909
Deze versie: spelling en modernisering van het Nederlands
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Sociale tendensen in de Vlaamse literatuur 1885-1914
Kunst en maatschappelijk leven
Sociale tendensen in de Franstalige Belgische literatuur

Aan de socialisten en aan de kunstenaars

Deze bladzijden zijn tezelfdertijd bestemd voor de socialisten en voor de kunstenaars.

Ik zou de socialisten willen overtuigen hoe onontbeerlijk het is dat zij belang hebben in de kunstaangelegenheden; het geestesleven der mensheid mag er niet onverschillig aan zijn. Alleen materiële verbeteringen beogen, is onvoldoende. Ons streven naar de toekomstige maatschappij vergt zowel zedelijke en verstandelijke hervormingen als materiële.

Het is een te betreuren dwaling de kunst te aanzien als een beuzelachtige ontspanning van rijkaards en te denken dat kunstenaars slechts nutteloze of zelfs schadelijke nietsdoeners zijn. Onze vrienden moeten zich overtuigen van de verheven macht en nuttigheid der kunst, een der edelste sociale krachten. Ver van de kunst te misprijzen of te haten, moet men ze vereren en beminnen, ze beschermen om het verheven genot dat zij aan haar uitverkorenen schenkt.

Ik zou de kunstenaars willen doen beseffen hoe onrechtvaardig de oordelen zijn die de burgerpers bij hen ten onze opzichte heeft ontwikkeld. Zij stelt ons met voorliefde voor als uitsluitend materiële belangen beogend, zonder enige verheven opvatting, en wanneer zij van de vooruitgang van het socialisme spreekt, is het met grote misnoegdheid, alsof het een nieuwe inval der barbaren gold. Moest men de burgerlijke pers geloven, dan zou onze overwinning het signaal zijn van de vreselijkste kunstverwoestingen. Niets is meer ongerijmd.

Het zal niet moeilijk zijn te bewijzen dat, in een socialistische maatschappij, de toestand van kunst en kunstenaars veel beter zal zijn dan thans en ik meen zelfs te kunnen bevestigen dat de heden zo nagespoorde herleving van de decoratieve kunsten slechts mogelijk is na verandering van de materiële toestand der werklieden, slechts te verwezenlijken is door het socialisme.

De Kunst en de oude Partijen

België is een vredelievend land en zijn oorlogsbegroting bedraagt 50 miljoen. Het is ook een land dat fier is op zijn kunstverleden en zijn begroting van de schone kunsten beloopt nauwelijks 2 miljoen. Het is een bij uitstek actieve en nijverige natie en zijn begroting van de Arbeid bedroeg, tot in de laatste jaren, geen cent. Deze cijfers zijn uiterst welsprekend.

De twee partijen die gedurende meer dan zestig jaar elkaar aan het bewind opgevolgd hebben zijn beiden doof gebleven voor de stem van het volk en waren onbekwaam of onrechtvaardig jegens de kunstenaars. Hun minachting was even groot voor de denkers als voor de werkers. Niets beogend dan hun ik-zuchtig gemak, hebben zij op onverbeterlijke wijze de belangen der bourgeoisie en de middelen om zichzelf te verrijken bevoordeeld; maar de hartverdovende aanbidding van het gouden kalf deed alle gevoel van deelneming in de ellende der armen en van bewondering en geestdrift voor de luister der kunst verwelken.

De Kunst en de socialistische Partij

Het ware te begrijpen geweest dat de socialisten zich om de kunst en de kunstenaars niet bekommerden en dat het lijdend proletariaat dichters en schilders als volstrekt nutteloze wezens aanschouwde.

Integendeel, wij hebben kunnen vaststellen dat het volk het socialisme aanziet als een nieuwe leer, een volledige omkering, niet alleen op materieel gebied, maar ook op het gebied der wetenschap, der kunst, der moraal, omkering die de volledige hervorming zal meeslepen van alle sociale instellingen, van alles wat op de menselijke roeping invloed heeft.

Wetenschap en kunst oefenen de edelste en vruchtbaarste invloed uit op de mens. Geen enkel ontwikkeld mens zal deze bewering tegenspreken en zelfs de armen, die verstoken bleven van het licht, en aan wie de burgerpartijen verplichtend onderwijs weigerden, hebben in het duistere van hun ziel een onduidelijk begrip van deze waarheid.

De handarbeider eerbiedigt de hoofdarbeider; hij vereert de arbeid overal en altijd. Zodra hij het besef heeft van de hoofdarbeid, eerbiedigt hij hem. Wanneer Karl Marx uitriep: “Proletariërs aller landen, verenigt u!” wendde hij zich niet alleen tot de handarbeiders, maar tot allen die lijden onder de huidige kapitalistische organisatie der maatschappij.

En dit is zó waar, dat de kunstenaars (Walter Crane in Engeland en Steinlen in Frankrijk), die zijn gedachten op papier brachten om de Eerste Mei te verheerlijken, ons in de menigte, die naar het onbekende oprukt, landslieden en mijnwerkers, hongerige letterkundigen en schilders, smeden en vissers toonden, de mannen der pen als die van de hamer, die van het penseel als die van de spade, al degenen die zwoegen en lijden.

De socialistische beweging, die reeds in zo hoge mate haar invloed doet gevoelen op de huidige samenleving, is niet alleen ontstaan uit de krampen der hongerige magen, het is niet alleen een kwestie van voldoende voeding; het is veel hoger dat men moet zien; het is een nieuwe regeringswijze, het is een nieuw ideaal dat zich aan de oude wereld veropenbaart en opdringt.

Het is de overeenstemmende samensmelting van hoofd- en handarbeiders, het is de vereniging van deze twee even noodzakelijke krachten die aan het socialisme een zo grote macht geeft.

De ijver der arbeiders om naar de mannen der kunst en der wetenschap te luisteren is zo lofwaardig als de ijver der mannen der kunst en der wetenschap om de werklieden te onderrichten. Dat is een dubbele evolutie waarover het Belgisch socialisme het recht heeft fier te zijn.

Plichten van de Staat tegenover de kunst in de huidige maatschappij

De Staat moet de ons door het voorgeslacht nagelaten nationale kunstschatten onderhouden en bewaren, ze vergroten en ter beschikking van allen stellen. Deze plicht werd nooit in twijfel getrokken. Maar de Staat moet verder gaan en de nationale kunst aanmoedigen en ondersteunen. Wij menen zelfs, om de volgende redenen, dat hij de kunstenaars een bijzondere bescherming moet geven, bescherming die hij niet verschuldigd is aan de andere uitingen der menselijke bedrijvigheid.

De Staat moet de kunstenaars op een geheel andere wijze beschermen dan de schoenmakers en apothekers, bij voorbeeld, omdat de producties van de eersten van geheel andere aard zijn dan die der tweeden.

Wanneer de apotheker een doos pillen en de schoenmaker een paar schoenen gemaakt hebben, krijgen de producties van hun arbeid een bepaalde bestemming door het gebruik dat er zal van gemaakt worden. De kunstproductie, integendeel, heeft deze bepaalde bestemming niet. Na door duizenden bewonderd te zijn kan het nog door andere duizenden bewonderd worden en aldus een bijna oneindige bron van genot zijn voor het mensdom. Moeten wij voorbeelden aanhalen? Wat zegt ons de edele en schone gedachten die gesproten zijn uit de bewondering der marmerbeelden van het oude Griekenland? Wat zegt ons de vertroostingen die de gotische tempels schonken? Hoeveel moedelozen heeft de Marseillaise opgebeurd, dat lied dat gezongen wordt door alle volkeren die naar een betere toekomst reikhalzen?

De tussenkomst van de Staat spreekt nog voor zich om een andere, praktischer reden, namelijk dat, zelfs zonder te gewagen van de soms aanzienlijke onkosten en uitgaven die de kunstenaar moet doen alvorens zijn werk te kunnen voleinden, het niet altijd onmiddellijk geld opbrengt.

De schoenmaker en de apotheker ontvangen onmiddellijk de waarde van hun arbeid, terwijl de kunstenaar, in het bijzonder wanneer hij een meesterstuk heeft voortgebracht, er niet kan aan denken er de waarde van te ontvangen. Het is slechts na een tijdsverloop van verscheidene jaren en dikwijls na de dood van de kunstenaar dat zijn kunstwerken begrepen en naar waarde geschat worden, ziehier een voorbeeld.

Onder de moderne kunstschilders is er geen waarvan de waarde van zijn werken in zo hoge mate gestegen is als die van F.-J. Millet. Een enkel van zijn taferelen werd, enige jaren geleden, een half miljoen betaald. Welnu, het leven van Millet was een strijd tegen de armoede. Ziehier een fragment uit een brief van de schilder van L’Angelus: “Denk eens, mijn waarde, dat wij geen twee frank in huis hebben. Ziedaar twintig jaar dat dit duurt!”

En meermalen heeft de grote kunstenaar aan zelfmoord gedacht, om er ineens mee gedaan te maken, liever dan zijn kinderen langzaam onder zijn ogen te zien sterven, niettegenstaande al zijn pogingen en zijn hardnekkigheid in de strijd. In een studie over Millet zegt Alfred Sensier, die zijn vertrouweling was, dat hij eens zes van zijn schoonste tekeningen gaf in ruil van een paar schoenen!

Ten gevolge van de bijzondere aard der productie van de kunstenaar, laten de huidige maatschappelijke toestanden hem niet toe er zelf de waarde van te ontvangen die na enige jaren aan tussenpersonen zal betaald worden.

De Staat moet dus tussenkomen opdat de ellende niet zou beletten dat er kunstwerken geschapen worden die aan allen nuttig moeten zijn.

Dat de Staat dus tracht de kunstschatten, die het land kan voortbrengen, te ontwikkelen. Maar moet hij verder gaan? Moet hij niet alleen de kunst aanmoedigen maar haar ook kronen en onderscheidingen toekennen, de voorkeur geven aan die of die school? Neen.

Wanneer de Staat de kunst waardeert en bestuurt, gaat hij zijn roeping te buiten. Hij doet de officiële kunst ontstaan, een bijzondere kunst die geen kunst, maar enkel een goed handwerk is.

Wij, socialisten, willen de kunst aanmoedigen en de kunstenaars ondersteunen, maar zonder onderscheid van school. Wij willen de kunstenaars niet verknechten, maar hun de grootste vrijheid laten. En wij bewonderen een kunstenaar niet omdat hij socialist is, maar omdat hij kunstenaar is en meesterwerken voortbrengt.

Wij weten dat de kunst volstrekt onafhankelijk zijn moet. Wij denken als Courbet de Communard, die de ridderorde weigerde die men hem aanbood en aan de minister een fiere brief schreef waarin hij onder andere zegde: “Mijn waardigheid van kunstenaar verbiedt mij een beloning te ontvangen uit de handen van de Staat... In zaken van kunst is de Staat onbevoegd...”

De kunst in de collectivistische maatschappij

Maar, zal men mij zeggen, uw gedachten, voor wat de huidige maatschappij betreft, hebben niets omverwerpend, maar later? Wanneer de persoonlijke eigendom niet meer zal bestaan, wie zal nog de schilderijen of boeken kopen? Wanneer mecenassen met hun weelde en verkwistingen zullen verdwenen zijn, wat zal er van de kunst en de kunstenaars geworden?

Dit is kwalijk geredeneerd en, zoals het al te vaak gebeurd, twee geheel verschillende dingen tezamen gemengd: de productiemiddelen en de verbruiksvoorwerpen. Wij willen de eersten gemeenschappelijk maken, maar nooit waren wij vijandig aan het persoonlijk bezit der tweeden. In de collectivistische maatschappij zal elkeen vrij zijn zijn huis te versieren zoals hij het goeddunkt, elkeen zal de vrucht van zijn arbeid genieten en er kunnen gebruik van maken zoals hij het verkiest. De kunst zal dus blijven bestaan. Maar wil dit zeggen dat niets zal veranderd zijn?

Integendeel. Vooreerst zal de nationale rijkdom derwijze aangegroeid zijn dat wij er ons heden geen gedacht kunnen van vormen; naarmate de beschermende wetten aan het volk meer welstand en rusttijd zullen gegeven hebben, zullen de verstandelijke behoeften zich immer ontwikkelen; elkeen zal kunnen belang stellen in kunsten en wetenschappen.

Daarbij zal zich nog een verandering in de geest der menigte voordoen. De solidariteit zich ontwikkeld hebbende tot een graad die onze hedendaagse ik-zucht niet kan begrijpen, zal elkeen zich gewennen van de gemeenschappelijke eigendom te genieten zoals men heden van de bijzondere eigendommen geniet.

Zal dit niet beter zijn dan het hedendaags persoonlijk bezit, waarvan het genoegen gepaard gaat met de vernedering van de evenmens? Heden bezit men taferelen uit snoeverij of hoogmoed; men toont ze met een vreugde, die aangroeit naarmate hij die ze beziet afgunstig is. Het kunstwerk is meer waard bezeten te worden door hem die het begrijpt dan door hem die het betaalt!

Wanneer een beter begrepen en inniger solidariteit onder de mensen bestaan zal, wanneer allen broederlijk zullen kunnen genieten van hetgeen aan allen toebehoort, wat zal er alsdan aan het krachtig bezit gelegen zijn? Zullen wij aan elkeen niet verzekerd hebben wat het beste, het aangenaamste is van het persoonlijk bezit?

De pracht van openbare gebouwen, de rijkdom der nationale verzamelingen, de schoonheid der wandelingen, dat alles zal grote veranderingen ondergaan.

Wanneer een volk het besef heeft van het gemeenschappelijk leven, doordrongen is van solidariteit, zullen de meesterstukken natuurlijk ontluiken, als de bloemen. Dit was zo in Griekenland en in de middeleeuwen, omdat hetzelfde ideaal in alle hersenen geworteld was.

Evenals in deze tijdstippen van het verleden, zal, in de toekomst, die wij nastreven, de kunst ook overal zijn, zelfs in de voorwerpen waarvan wij ons in het dagelijks leven bedienen. Zij zal het voorrecht van enige rijken niet meer zijn, maar allen zullen er van doordrongen zijn en er van genieten.

In Griekenland waren er nog andere meesterstukken dan de beelden van het Parthenon en de wonderen der bouwkunde; de voorwerpen die een dagelijks gebruik hadden, droegen de stempel van een verheven kunstsmaak en thans nog bewonderen wij de geldstukken, de klederen enz. Hetzelfde deed zich voor in de middeleeuwen.

Heden is het geheel het tegenovergestelde. De huidige kapitalistische organisatie heeft bijna alle kunstkarakter uit het leven der mensen en in het bijzonder uit het leven der werklieden verdreven. De kunst is van het leven gescheiden; zij heeft zich van het volk verwijderd.

Al de voorwerpen die het grootste getal der mensen omringen zijn lelijk en gemeen. Zij die zich met kunst bezig houden doen het alsof het iets zonderlings, iets bijzonders was.

Wanneer de maatschappij op andere grondvesten zal ingericht zijn zal de kunst onophoudelijk deel uitmaken van het leven van allen. Maar dit zal slechts later kunnen verwezenlijkt worden. In de huidige kapitalistische en anarchistische samenleving kunnen zulke bloemen niet ontluiken.

De kunst in het dagelijks leven – Hoe de regering de kunstsmaak kan ontwikkelen

In onze huidige samenleving reeds zouden de openbare besturen het zich ten plicht moeten rekenen zoveel mogelijk de onbevallige delen van onze beschaving te doen verdwijnen. Zij menen, onder dat oogpunt, dat het voldoende is in het ministerie een afdeling van de schone kunsten ingericht te hebben. Daarbuiten niets. Het lelijke is alleenheerser.

Men kan het niet genoeg herhalen dat de kunst overal kan en moet zijn, niet alleen in de museums en de werkhuizen, maar op straat, in het landschap, in de nietigste voorwerpen waarvan wij ons bedienen. Indien in onze eeuw, de kunst afgescheiden schijnt van het leven, is dit de schuld van de kapitalistische organisatie die, door de lange werkuren, de verdeling van het werk, de goedkope productie, bij de kleinen de lust naar het schone heeft gedoofd en het leven der armen omringd heeft van onbevallige en lelijke dingen.

Een regering die het wel meent zou zoveel mogelijk het getal van die lelijke en onbevallige dingen moeten verminderen en alles aanwenden wat mogelijk is om kunstgenot te verschaffen aan hen die in hun nederige woningen niet kunnen genieten van de werken der meesters. In de voorwerpen, de gebouwen enz. die ons omringen is meer kunstonderricht bevat dan in de lessen der tekenscholen.

Men zou dit kunnen uitbreiden tot geheel onvoorziene domeinen. Bepalen wij ons bij een enkel voorbeeld: de spoorwegen. Het hangt van de minister der Spoorwegen af een bevallig karakter, een decoratief uitzicht te geven aan plaatsen en dingen die elkeen dagelijks onder ogen heeft.

De grote spoorwegstations van de steden, bijvoorbeeld, zijn voor de kunstenaars een bewonderenswaardig veld van nieuwe activiteit. Het zijn in vroegere eeuwen ongekende gebouwen voor dewelke een nieuwe, met haar doel overeenstemmende bouwkunde zou moeten ontstaan. Wij menen dat het ijzer daarbij tot onvoorziene en prachtige toepassingen zal geroepen worden.

Dat men dus, voor deze bij uitstek moderne gebouwen, vaarwel zegt aan de Griekse en de gotische stijl, die enkel tot tegenstrijdigheden en anachronismen leiden. Een spoorweghal is een gebouw dat eigen is aan de XIXe eeuw en het is belachelijk haar de vorm te geven van een Griekse tempel of van een Vlaams stadhuis. Dat de minister een oproep doet aan de jonge bouwmeesters en weldra zal onder dat oogpunt een volledige omkering plaats grijpen.

Maar dat is nog niet voldoende. Een bouwkundige roepen om de hoogte of de vorm der muren en der daken te bepalen is zeer wel; maar er zijn andere, niet minder belangrijke punten. Men moet het naakt lichaam kleden en, wanneer het gekleed is, versieren. Men bekommert zich gewoonlijk zeer weinig om dit uiterst moeilijk werk. Men laat het over aan ondernemers. Ik zou willen dat er kunstsmaak, een gemeenschappelijke kunstbetoging is in de werkzaamheden der ondernemers, timmerlieden, smeden, schilders enz. Daartoe behoeft men geen oproep te doen tot de verschillende vakken; indien de decoratieve kunst beter aangeleerd, beter aangemoedigd, beter toegepast werd, zou dezelfde mens de smaak van de kunstenaar en de handigheid van de arbeider kunnen bezitten.

Wat ik hier uiteenzet heeft niet alleen betrekking op spoorweghallen, op de kleine stations die zich in elke gemeente bevinden, maar op al de andere bijzonderheden van de dienst der spoorwegen: de rijtuigen, het hout, het koper, de stof die de zitplaatsen bekleedt, de matten, de verwarming, alles. De enige tegenwerping die men hier maken kan, is de vermeerdering der uitgaven.

Welke uitslag zou men mogen verwachten van een spoorweghal gebouwd door een Constantijn Meunier? De gevel, de ingang, de wachtzalen, de grootte binnenzalen, alles geeft aanleiding tot het plaatsen van taferelen, muurschilderingen, beeldhouwwerken.

Men vindt in het verleden geen voorbeeld dat grootte gebouwen, tot gebruik van het volk, geen kunstgewrochten bezaten. Laat ons dit goed voorbeeld niet versmaden. Versieren wij de openbare gebouwen. Brengen wij onder de ogen van het volk edele en schone werken die daar, te midden van het openbaar leven, tot genot van elkeen zullen dienen, in plaats van verdoken te zijn in het een of ander museum of de een of andere verzameling.

Zou men de koude eentonigheid der spoorwagens niet kunnen veraangenamen met er, onder glas, tekeningen, waterverfschilderijen, etsen, lichttekeningen enz. aan de wanden te hangen? Honderden kunstproducties van die aard zijn bedolven in het stof der ministeriële kartons en zolderingen. Waarom de wanden der spoorwegrijtuigen niet versieren met kopijen van de kunstschatten die de roem van onze museums uitmaken, of met lichttekeningen van onze nationale gebouwen?

Dit alles zal aan vele mensen belachelijk schijnen; maar met vertrouwen wacht ik het oordeel der toekomst af.

Ten andere, wat ik onder oogpunt der kunst vraag, de vreemde spoorwegen verwezenlijken het onder een ander oogpunt: als goede nijveraars hebben zij de macht begrepen der aankondigingen onder de vorm van veelkleurige en aanlokkelijke “affiches”. Ook de vreemde stoomvaartmaatschappijen hebben op dat punt veel goeds verwezenlijkt.

De Staat moet de kunst vrij laten

Indien de Staat heden niet altijd zijn plicht vervult om mee te werken aan de ontwikkeling van de nationale kunstsmaak, moet men daarom geen verkeerde gevolgtrekking maken. Aan de regering het recht toekennen de kunst te beheren, is van het één uiterste in het andere vallen. Alles wat officieel is zou zo kunstig mogelijk moeten zijn, maar alles wat kunstig is moet zo weinig mogelijk officieel zijn.

De kunst vergt volkomen vrijheid. Dwang doodt de kunst. De Staat heeft enkel plichten jegens haar; geen rechten. Hij moet trachten de wetenschap en de kunst te dienen en er zich niet van bedienen. Onder de klerikale regering hebben wij dikwijls aanmoedigingen en toelagen zien verlenen, niet volgens het talent, maar volgens de politieke zienswijze.

Zelfs wanneer politieke aangelegenheden vreemd zijn aan de toekenning der beloningen van de Staat, is het nog altijd beter dat hij tracht aan de kunst geen bepaalde richting te geven. Wanneer de Staat tussen de verschillende scholen een keuze wil doen, is hij volkomen onbevoegd en zijn oordeel zal veroordeeld worden door het openbaar gevoelen. De geschiedenis van de Franse letterkunde in België is hiervan een duidelijk bewijs.

De officiële aanmoedigingen, de invloed van de pers en van de rijken waren vroeger uitsluitend voor de middelmatigen. Wij dringen niet aan: de meesten zijn dood. Dat zij in vrede rusten!

Nochtans, verstoten door de middelmatigen, veracht door de Staat die ze niet kende, hadden enige letterkundigen zich een weg gebaand: André Van Hasselt, Octave Pirmez, die rijk was en afgezonderd leefde in zijn eenzame woonst van Acoz, Charles De Coster, wiens leven ellendig en treurig was.

Voor deze laatste heeft de eerherstelling plaats gehad. Aan de vijver van Elsene heeft men hem een gedenkteken opgericht, versierd met de beelden van de twee helden van zijn legende: Nele en Uilenspiegel. Maar met treurnis denkt men dat De Coster gedurende zijn leven beter geweest was met een weinig ondersteuning, dan met brons en marmer na zijn dood. Later kwamen Victor Arnould, die zich weldra geheel aan de politiek overgaf, en Edmond Picard, wiens veelzijdige werkzaamheid niet alleen befaamd is in de rechtsgeleerdheid, maar ook, op letterkundig gebied, de bewondering afdwingt door werken als L’Amiral en Vie simple.

Eindelijk, en in het bijzonder, Camille Lemonnier, die zich in ons aan de letterkunde vijandig land hardnekkig aan de letterkunde overgaf, en Sédan, Un Mâle en Le Mort geschreven had, werken die de roem uitmaken van onze nationale letteren, en nog veel andere, wanneer de jury van Franse letterkunde verklaarde dat de vijfjarige prijs niet kon toegewezen worden.

Dit zonderling besluit was het teken van een groepering der jonge letterkundigen. Een klein tijdschrift, opgesteld door enige getrouwen van Lemonnier, protesteerde heftig tegen dit letterkundig schandaal. Op 27 mei 1883 had ter ere van Lemonnier een feestmaal plaats en het is deze gebeurtenis die om zo te zeggen het uitgangspunt is van onze schone hedendaagse letterkundige beweging. Sedertdien is de letterkundige jeugd van haar macht bewust.

Deze jonge lieden hadden het tijdschrift La jeune Belgique gesticht en stelden zich voor enkel voor de kunst te werken, de letterkunde te behandelen buiten allen partijgeest. Studenten van de hogescholen van Brussel en Leuven, katholieken en liberalen, maken deel uit van die groep.

In deze bijna onmogelijke strijd werden zij aangevoerd door een verstandige, geleerde en tevens geestige jongeling, Max Waller, die jong gestorven is, alvorens hij al gegeven had wat men van hem kon verwachten.

In de Jeune Belgique schreef ook Georges Eekhoud, de machtige letterkundige, de zanger der Kempen en van de polders, die enige jaren geleden de vijfjaarlijkse prijs behaalde; verder dichters die de bewondering afgedwongen hebben der grote Franse schrijvers: Albert Giraud, Emile Verhaeren, Iwan Gilkin en anderen, prozaschrijvers als Goffin, Nautet, Demolder en Maubel.

De eerste groep werd weldra versterkt door Séverin, Delattre, Olivier, G. Destrée, Desombiaux en anderen en in het bijzonder Maurice Maeterlinck, wiens plotselinge faam die van zijn voorgangers en letterkundige vrienden overtrof. Opmerkenswaard is het dat het een Franse schrijver was, Octave Mirbeau, die Maeterlinck in de letterkundige wereld deed kennen.

Niettegenstaande alle hinderpalen en moeilijkheden (en met de hulp van La Société Nouvelle en L’Art Moderne) hebben die jongelingen, wier pogen met minachting en spot werd bejegend, aan ons land een letterkunde geschonken die het nooit bezeten heeft en de beweging die zij in het leven riepen breidt zich meer en meer uit.

Deze zo merkwaardige herleving van de Franse letterkunde in België had plaats niettegenstaande officiële vijandelijkheid en buiten alle aanmoedigingen.

Sedert enige jaren is de toestand een weinig veranderd en beloningen werden toegekend aan onafhankelijke letterkundigen. Maar beloningen zijn een ondoeltreffend middel om de letteren te bevoordelen; het verleden, van 1830 tot 1880, heeft het ten overvloede bewezen. Een weinig bewondering, een weinig begrip vanwege de regering ware beter. Dan zou men onze koning niet meer de winnaar van een wielrenkampioenschap ten paleis als een overwinnaar zien ontvangen en zich niet bekommeren om de winnaar van de vijfjaarlijkse prijs: onze machtige schrijver Georges Eekhoud.

Het was nodig dat de socialisten in de Kamers vertegenwoordigd waren opdat er hulde gebracht werd aan die merkwaardige nationale letterkundige beweging. Bij die gelegenheid gaven de leiders van de klerikale meerderheid het bewijs van hun bekrompen begrip: Camille Lemonnier en Maurice Maeterlinck hadden de eer der minachting van M. Woeste en van de spot van M. Coremans.

Een middel dat men de Staat mag aanbevelen is in het toekennen van plaatsen, bij gelijke bekwaamheid de voorkeur te geven aan jongelingen die reeds bewijzen van talent gaven, hun materieel leven aldus verzekerd zijnde, kunnen zij hun ledige uren aan de beoefening der kunst wijden.

Bewaring van het gemeenschappelijk kunsterfdeel

Na deze twee tegenover elkaar staande voorbeelden, het een de spoorwegen, de niet-tussenkomst van de Staat tonende, en het andere, de letterkunde, bewijzend hoe deze tussenkomst misplaatst en overbodig kan zijn, zien wij wat de eerste plichten van de Staat zijn onder oogpunt der schone kunsten.

Men kan deze plichten als volgt samenvatten: onze gebouwen, onze kunstwerken, het schilderachtige van onze landschappen bewaren; het onderwijs en de aanmoedigingen uitbreiden.

Bewaring der gebouwen

Wij bezitten talrijke gebouwen (kerken, stadhuizen, enz.) uit het verleden. Dat zijn rijkdommen die onze voorouders ons nagelaten hebben. Voor ons is het een plicht, willen wij geen barbaren zijn, deze gebouwen te bewaren, te herstellen, te onderhouden en ze in goede staat aan het nageslacht na te laten.

Elk jaar worden in België belangrijke sommen hieraan besteed en wij keuren deze uitgaven onvoorwaardelijk goed, zelfs wanneer het godsdienstige gebouwen betreft. Is het de socialist Vandervelde niet die de herstellingen gevraagd heeft der abdij van Aulne en de kerk van de Zavel te Brussel?

Het is de Commissie der Gebouwen die deze uitgaven beheert. Daar de meerderheid uit bouwkundigen bestaat en deze immer wensen te bouwen en te herbouwen, werden soms weinig gerechtvaardigde en overdreven uitgaven gedaan; want de herstelling van een gebouw of van bouwvallen moet zich beperken bij wat hoogst noodzakelijk is en het geheel steviger te maken en te behouden.

Onder dat oogpunt is het nuttig de raadgevingen te herhalen van de Maatschappij ter bescherming der gebouwen en landschappen:

“Vergeet nooit dat de herstelling van een overblijfsel van oude bouwtrant, hoe belangrijk het ook weze, geheel anders moet uitgevoerd worden dan een nieuw gebouw optrekken... Uw plicht is niet te herbouwen, maar te bewaren. Neemt dus acht niet lichtzinnig een overblijfsel der oude kunst te veroordelen, onder voorwendsel dat het niet meer kan hersteld worden. Het vernielen van een oud gebouw is een nationaal verlies.”

De tussenkomst van de Staat, voor de ruïne der abdij van Villers, heeft aldus de algemene goedkeuring weggedragen. De abdij van Villers is het merkwaardigste overblijfsel uit de middeleeuwen dat wij bezitten, zo onder oogpunt der kunst en der schilderachtigheid als onder oogpunt van de romaanse ogivale bouwtrant.

Het enigste dat men betreuren kan, is dat de tussenkomst van de Staat zo laat gekomen is. Indien men zo lang niet gewacht had – en hetzelfde geldt voor de abdij van Aulne en ander merkwaardige ruïnes – waren enige honderden franken voldoende geweest terwijl er nu duizenden nodig zijn; de uitgave zou kleiner en het resultaat groter geweest. Het ware te wensen dat dit een les is voor de toekomst en dat de ministeriële bezorgdheid de openbare opinie zal voorafgaan.

Bewaring der schilderachtige landschappen

Benevens de kunstwerken der mensen, hebben wij ook die der natuur.

Een minister van Schone Kunsten, wil hij die naam waardig zijn, moet de beschermer zijn van schone bomen, eeuwenoude wegen, landschappen, eenzame kleine valleien, woeste heuvels en rotsen, grootte sombere wouden met eeuwenoude bomen, enz.

Deze schatten zijn zoveel te kostbaarder en heilig daar zij ter beschikking van allen zijn, daar de armen van hun aantrekkelijkheid en schoonheid kunnen genieten.

Welnu, deze schatten worden met een onvergeeflijke lichtzinnigheid verspild. Wat is er geworden van de schone valleien der Molignée, de Maas, van Woluwe, nabij Brussel, en van het prachtige Zoniënwoud? Wat van de vallei der Lesse en tal van andere schilderachtige landschappen? De ingenieurs, als echte barbaren, hebben de scheppingen der natuur vernield, de bomen gedood, de heuvels en rotsen platgelegd, de valleien opgevuld; en dan, wanneer alles verwoest, vernietigd was, zijn zij verder getrokken, zonder zelfs te trachten, door het planten van nieuwe gewassen en bomen, de gruwel van hun verwoestingen te verminderen.

In 1888 ondervroeg M. Carlier, voorzitter der Maatschappij tot bewaring der Landschappen, M. Beernaert nopens de vallei der Lesse. M. Beernaert stelde hem gerust. Heden kan men zien wat die verzekering waard was... Alles is omgekeerd!

Het was nodig, zal men antwoorden. Welnu, in talrijke gevallen vraag ik mij af of dit wel zo is. Er zijn verwoestingen die waarlijk doen geloven dat de ambtenaren en ingenieurs de bomen haten en de schilderachtige landschappen verachten. Men mag in geen overdreven utilitarisme vallen: ontneem een volk alle ideaal en je zal nutteloos zijn materiële toestand verbeteren, want het zal weldra van vernieling sterven.

Maar ik zou willen dat het kwaad, wanneer het onvermijdelijk is, zo klein mogelijk is en dat, zodra volbracht, men alles wat mogelijk is aanwendt om het te herstellen.

En terwijl de spoorwegingenieurs aldus onze landschappen verwoesten, ontnemen de ingenieurs van bruggen en wegen aan onze gemeenschapswegen de groene dos van de oude bomen.

Sedert lang hebben alle schoonheidsminnende wandelaars protest aangetekend tegen het onmatig en ontijdig vellen van mooie oude bomen die onze wegen versieren. Er geschieden aldus soms ware moorden. Een twintigtal jaar geleden bezaten wij, vanuit de schoonheid beschouwd, de schoonste wegen van geheel Europa. Sedertdien heeft men, langzamerhand, al de bomen die enige waarde hadden, geveld; men heeft er hout en planken van gemaakt en ellendige solferstekken in de plaats gezet. Soms heeft men ze in het geheel niet vervangen, om sommige eigenaars niet te misnoegen die zich beklaagden dat hun land belommerd was.

Aldus handelend, heeft men misschien voldoening geschonken aan nietige kiesbelangen of aan de schraapzucht van landeigenaars, maar tezelfdertijd heeft men ook de kunstenaars en wandelaars hevig misnoegd; deze laatsten menen dat onze nationale wegen moeten behandeld worden onder schoonheidsoogpunt en niet onder handelsoogpunt.

Bewaring der Kunstwerken

Deze bevinden zich in de museums, de kerken, enz. Wat de kerken betreft, het toezicht van de Staat is veel te gering. De klerikale regering heeft de kerkfabrieken meester gelaten van de kunstwerken alsof zij hun toebehoorden. Toen ik in de Kamer de nationale rechten deed gelden en protest aantekende tegen de schandalige en armzalige geldklopperij van kosters om de meesterwerken te laten bekijken, brak er rechts een waar onweer los. Men sprak – natuurlijk – over de Commune en dit gaf mij de gelegenheid een dikwijls door M. Woeste herhaalde en voortgeplante lastering te weerleggen: dat de Commune het Louvre wilde in brand steken; zoals ik ook aan de bewaarders kon herinneren, welke schromelijke verwoestingen de eerste christenen gedurende eeuwen aangericht hebben. Het was dan ook dat M. Woeste, die er waarlijk niet veel van kent, het verbranden van de bibliotheek van Alexandrië aan kalief Omar toeschreef.

Wat de in onze museums bewaarde kunstwerken betreft, die, ten minste, zijn behoed tegen de dwaze handelingen der kosters. Maar de ambtenaren die ze bewaren hebben dikwijls de nodige kennis niet en nooit de nodige ijver. Zij menen dat het museum bestaat om hun een jaarwedde te laten genieten en vergeten dat het ter beschikking van het publiek staat, hetgeen verscheidene gevolgen heeft.

Vooreerst, wat de toegangsuren betreft, het is het comfort van het publiek en niet van de ambtenaren dat men zou moeten raadplegen. Om de werklieden toe te laten de genoegens van kunst te smaken, zou ik willen dat de museums ook in de avond geopend waren. De elektrische verlichting sluit alle gevaar van brand uit; dit gevaar is de bijzonderste tegenwerping aan mijn voorstel.

Tweede gevolg: het publiek betaalt; het is dus billijk dat het toezicht uitoefent over de waarde der aankopen. Deze moeten niet onderduims geschieden; men moet er de voorwaarden van kennen. Het ware te wensen dat elke nieuwe aankoop gedurende enige tijd afzonderlijk tentoongesteld werd; dat de naam van de verkopers, de verkoopprijs en de bijzonderheden de koop betreffend kenbaar gemaakt werden; dit gebruik, dat in de vreemde gevolgd wordt, zou vele misbruiken doen verdwijnen. L’Art Moderne, onder andere, heeft, enige jaren geleden, een ongelooflijke reeks van misbruiken aan het licht gebracht; nooit kon men er een uitleg over bekomen.

Derde gevolg: een museum zonder cataloog, zonder klare en duidelijke opschriften op de kunstwerken, zonder goede klassering, is alsof het niet bestond. Zij die er de bewaarders van zijn, worden er misschien wijs uit; maar het publiek niet. In een museum zonder orde en uitleg is het onmogelijk iets nuttigs te leren. Onder dat oogpunt laten onze museums veel te wensen: namelijk die van het park der Vijftigste Verjaring, te Brussel.

Vierde gevolg: men moet al doen wat mogelijk is om de betrekkingen van het publiek met de museums uit te breiden. Een gebruik, dat in Engeland uitmuntende resultaat gegeven heeft en hier te lande volkomen ongekend is, is het lenen van kunstwerken door particulieren. Een kunstminnaar die een merkwaardig werk bezit, stelt het voor enige tijd ter beschikking van de openbare verzamelingen. Men draagt er natuurlijk de grootste zorg voor en na een bepaald tijdsverloop wordt het aan de eigenaar teruggegeven. Aldus heeft elkeen het kunstwerk kunnen zien, het bestuderen, er van genieten.

Uitbreiding van ’s lands kunsterfdeel

Maar de Staat vervult nog een andere plicht. Niet alleen bewaart hij onze kunstschatten, maar hij tracht die ook te vermeerderen; deze tussenkomst geschiedt onder twee vormen: de Staat als verbruiker, de Staat als opvoeder.

Als verbruiker, bestelt of koopt de Staat werken van schilders, beeldhouwers of toondichters. Hij doet dit alleen of met de hulp der gemeenten of openbare instellingen. De minister beschikt jaarlijks, met dit doel, over belangrijke sommen en hij handelt ermee naar goeddunken. Deze uitgaven zijn dus waard wat een minister waard is; indien het een man is met kunstzinnige smaak, kan hij veel goeds stichten; zo niet, indien hij onbekwaam is of aan politieke belangen de voorrang geeft, zal het geld van het land nutteloos weggeworpen worden.

Een prijzenswaardige aanmoediging is het reizen in de vreemde, niet voor vetbetaalde ambtenaren, maar voor jonge kunstenaars die bewijzen van talent gaven.

De Staat is ook leermeester; hij bezit scholen van schone kunsten, academiën waarin men kunstenaars voortbrengt, of liever meent te kunnen voortbrengen. Veel is er te zeggen over de academiën van schone kunsten, de conservatoriums van muziek, van dramatische kunst, maar het onderwerp is te uitgebreid om in een vlugschrift besproken te worden. Nochtans wil ik zeggen dat ik de voorkeur geef aan een onderwijs van toegepaste kunst, van nijverheidskunst. Ik ben overtuigd dat het beroepsonderwijs nuttiger is voor de werkende klassen, aan de herleving van de ambachten en van de goede smaak van de werklieden en zelfs van de kunst in haar hoogste betekenis, dan al onze academiën en scholen van schone kunsten.

Katholiek geloof en socialistisch geloof

Het is het christelijke geloof dat de grootheid gemaakt heeft van de christelijke kunst. Wanneer een diepzinnig gevoel de menselijke ziel verheft, is zij in staat de schoonste werken te scheppen.

Een nieuw geloof zou een nieuwe kunstuitdrukking kunnen doen ontstaan. Heden vermindert het katholiek geloof: de katholieke kunst verdwijnt; hier zou ik de getuigenis kunnen inroepen van de jammerklachten van tal van katholieke schrijvers. Ik wil mij beperken tot een enkele, abt Moeller:

“Het is niet voldoende, om een tafereel of een beeldhouwwerk voort te brengen dat, bijvoorbeeld, de moeder Gods verbeeldt – ik spreek, wel te verstaan, van een kunstwerk – het is niet voldoende, zeg ik, de eerste de beste vrouw te schilderen of te beitelen, haar het eerste het beste kind op de arm te geven en onderaan te schrijven: “H. Maagd Maria, bid voor ons”. Aldus zijn de grove en dwaze karikaturen, gemaakt door gemene en eerloze beeldhouwers, die onze hedendaagse kerken onteren. Dat is geen kunst! Dat is de ontering der kunst! Ik heb de dood in de ziel wanneer ik onze tempels aldus onteerd zie door deze ellendige heiligenbeelden die men tegenwoordig maakt, niet in de werkhuizen van kunstenaars, maar in fabrieken van poppen. Zij zien er onnozel uit, met een domme zweem van sentimentaliteit, zij blikken dwaas ten hemel, zij zijn tegelijk tot wenens toe! Het enige middel om niet al de vroomheid te verliezen jegens het voorwerp dat zij de verwaandheid hebben te verbeelden, dat is de ogen te sluiten om ze niet te zien. Verre van geestdrift te verwekken voor het godsdienstig ideaal, zouden zij er van walgen”.

De katholieke kunst verdwijnt. Waarom? Omdat het geloof verdwijnt. De besten onder de katholieke kunstminnaars trachten een verdwenen kunst opnieuw te wekken, uitgeputte vormen te herbeginnen. Het ware gemakkelijker een dode in het leven te roepen. Zij keren zich vol wanhoop naar het verleden; wij, wij blikken hoopvol de toekomst aan. Bij ons vindt men nog gelovigen. Bij ons brandt in de harten het vuur der voortplanting en propaganda, zoals weleer bij de eerste christenen. Ons geloof zal nieuwe kunstuitdrukkingen doen ontstaan. Dat degenen, die om mijn voorspelling zouden glimlachen, zich herinneren dat het slechts de dageraad van het socialisme is die over de wereld rijst, te midden, zoals eeuwen geleden, voor het christendom – van het spotgelach, de onwetendheid, de vervolgingen, en dat, wanneer de eerste christenen, met hun vrome en ongeoefende handen, op de muren der catacomben, vormloze beelden griffelden, men niet kon voorzien dat deze vormloze figuren de voorgangers waren van de onvergelijkbare wonderen van de romaanse en de ogivale kunst.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

RSS