Carl Wittke

Marx en Weitling


Vertaling: Thomas Eden
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons LicenseCreative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?


Verwant:
Waarborgen voor Harmonie en Vrijheid
De communisten in Zwitserland
De geschiedenis van het socialisme

In de zomer van 1845 verbleef Karl Marx als vluchteling in Brussel. Aangespoord door Friedrich Engels was hij begonnen aan een onderzoek ten behoeve van zijn tweedelige Zur Kritik der Politischen Ökonomie, dat in feite pas het daglicht zag in 1859. Tijdens zijn werkzaamheden raakte Marx ervan overtuigd dat het voor de toekomst van het “ware” socialisme van directer en wezenlijker belang was de bestaande systemen aan te vallen van de Duitse post-hegeliaanse filosofie en de uiteenlopende soorten primitief communisme, die nog steeds de weg blokkeerden naar de algemeen acceptatie van zijn eigen soort historisch materialisme en de vorming verhinderde van een verenigde Communistenbond, die de propaganda zou moeten verspreiden voor zijn “wetenschappelijkere” schema voor de redding van de maatschappij.

De Deutsche Ideologie, in 1845 begonnen als een uiteenzetting van de ideeën van Marx over het historisch materialisme, werd in voltooide vorm pas gepubliceerd in 1932. Zijn biografen hebben ruim aandacht besteed aan de analyse van zijn theorieën.[1] Even opmerkelijk en belangrijk zijn de conflicten die Marx had met bepaalde personen, die hij als serieuze rivalen en concurrenten beschouwde tijdens de beginperiode in de jaren 40, toen hij zijn eigen ideeën over het “ware” socialisme uitwerkte en samensmolt in een gesloten systeem.

Marx was betrokken in felle disputen met mensen als Karl Grün, een Westfaler die hij kende vanuit zijn studententijd; Moses Hess, de “communistische rabbi” die een eenvoudig, primitief en utopisch recept predikte voor menselijk geluk;[2] Max Stirner, de theoreticus van het individuele anarchisme en met Wilhelm Weitling, de utopist die, in tegenstelling tot de intellectuelen, de woordvoerder was voor een arbeiders-“dagelijks-brood-communisme.”

Marx was vastbesloten zowel het filosofische communisme te vermorzelen van mensen als Hess en Grün, als het soort handwerkerscommunisme dat door Weitling verkondigd werd. Het onderwerp van dit artikel is het beslissende gevecht tussen Marx en Weitling en schetst niet alleen een beeld van de aard van het conflict tussen de utopische en “wetenschappelijke” socialisten, maar laat ook de belangrijke, uit de volledige nederlaag van Weitlings visie voortvloeiende, consequenties zien voor de hele toekomst van de communistische beweging.

Wilhelm Weitling, in 1808 geboren in Maagdenburg, als onwettige zoon van een jonge soldaat van Napoleons bezettingsleger, groeide op in bittere armoede en kende nooit de bescherming en zekerheid die een thuis en gezin kunnen bieden. Zijn basisonderwijs eindigde met het afronden van de Bürgerschule in Maagdenburg. Al vroeg ging hij in de leer voor kleermaker en bekwaamde zich zowel in vrouwen- als in mannenkleding, een vak dat hij met tussenpozen uitoefende tot aan zijn overlijden in 1871 in New York. Als jongeman maakte hij grote reizen en werkte als handwerksgezel in Leipzig, Dresden, Wenen en andere Duitse steden. Nadat zijn omzwervingen hem ten slotte naar Parijs brachten, verbleef hij van 1837 tot 1841 in de Franse hoofdstad.

In deze revolutionaire Parijse smeltkroes werd de jonge kleermaker zich grondig bewust van de problemen en noden van het opkomende proletariaat en de economische en maatschappelijke gevolgen, die eigen waren aan het nieuwe fabriekssysteem. Daar nam hij ook de radicale theorieën en “systemen” in zich op van revolutionairen, zoals Babeuf en Buonarotti en sociale filosofen zoals Cabet, Considérant, Fourier, Saint-Simon, Proudhon en anderen, want Parijs was in die tijd het intellectuele centrum van het nieuwe radicalisme.

De bronnen van Weitlings “systeem” zijn te vinden in een mengeling van rationalisme, Frans utopisme en religie. Vooral Lamennais’ Paroles d’un Croyant, een klein boekje waarin de socialist geworden priester (in de woorden van Heinrich Heine) ‘de rode vrijheidsmuts bovenop het kruis zette,’ maakte tijdens deze Parijse periode diepe indruk op de aankomende Duitse communist en langzaam sijpelden de theorieën van deze intellectuelen door tot in de gelederen van de arbeiders, waartoe Weitling behoorde. Hij betrad het pad van de sociale revolutie via de poort van de arbeidersbeweging en door middel van de vele geheime genootschappen, die de radicalen in Frankrijk tot ontwikkeling gebracht hadden en, na het neerslaan van de arbeidersoproeren in Parijs en Lyon in 1834, ondergronds waren gegaan.

In het begin van de communistische activiteiten in Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Engeland had Weitling als lid van de Bund der Gerechten (“Bond der Rechtvaardigen”) in Parijs bekendheid gekregen. Hij werd een van de invloedrijkste leiders van de Bond en kreeg in 1838 van de Bond officieel de opdracht om zijn eerste belangrijke publicatie te schrijven, Die Menschheit wie sie ist und wie sie sein sollte (“De Mensheid, zoals die is en zou moeten zijn”). Deze propagandistische verhandeling was een poging van de kant van de schrijver om de opkomende arbeidersbeweging te integreren in het nieuwe programma van het communisme. Het was strikt opgezet volgens de christelijke communistische traditie en met de bezieling van een profeet, die zoveel vertrouwen had in de mogelijkheden van de mens, dat hij geloofde dat de mensheid toen al klaar was voor een sociale revolutie.

Na het neerslaan van een revolutionair oproer in Parijs in 1839, geleid door de aanhangers van Babeuf, viel de Bond der Rechtvaardigen uiteen, en ging Weitling verder met het zaaien van zaden van het communisme in de vruchtbare bodem van Zwitserland. Hier werkte hij samen met arbeidersorganisaties, propageerde collectieve eetzalen, richtte geheime communistische genootschappen op en gaf een radicale krant uit. Zijn magnum opus, Garantien der Harmonie und Freiheit (“Waarborgen voor Vrijheid en Harmonie”) de volledigste uiteenzetting van zijn theorieën en principes, verscheen eind 1842 in Zwitserland. Het was geschreven in een taal die bedoeld was de gewone arbeider aan te kunnen spreken, en beschreef de oorzaken waardoor handwerkers en kleine burgerij het proletariaat ingeduwd werden, naast een plan voor een grondige reorganisatie van de maatschappij volgens communistische principes.

Een uitgewerkte analyse van het “systeem” dat Weitling in zijn belangrijkste werk beschreef, is binnen dit bestek niet mogelijk. Zijn boeken moeten gelezen en punt voor punt geanalyseerd worden om de kracht te voelen van zijn welsprekendheid, waarmee hij de kwalen beschrijft van de bestaande maatschappij en het religieuze enthousiasme en vertrouwen te proeven waarmee hij, als een nieuwe Messias, zijn blauwdruk ontvouwt voor een planeconomie.

Volgens Weitling was de kanker die aan het wezen van de maatschappij knaagde de ongelijke verdeling van goederen en voor de vervaardiging daarvan benodigde arbeid, en het verderfelijke geldsysteem dat deze ongelijkheden in stand hield en deed voortduren. De maatschappelijke organisatievorm die hij bepleitte zou iedereen gelijke arbeid, loon en onderwijsmogelijkheden verschaffen. Privé-eigendom en erfenissen zouden afgeschaft en een maatschappijorganisatie in het leven geroepen worden, waarin evenwicht en harmonie hersteld zouden worden tussen de verlangens van de mens en zijn vermogen om te produceren en te genieten, die ooit in het “Gouden Tijdperk” hadden bestaan.

Weitling schreef graag beginselverklaringen en schreef er vele tijdens zijn leven. Bijna al die “Beginselverklaringen over de Grote Mensenfamilie” begonnen met de aanname dat de maatschappij georganiseerd moest worden als een aaneengesloten geheel van families (Familienbund). Op haar beurt werd die eenheid volgens een ingewikkeld patroon opgedeeld in kleinere administratieve eenheden, in de vorm van een hiërarchie met aan de top een Senaat, Ministerie en een “Trio,” wat doet denken aan de koning-filosofen van Plato. Evenwijdig aan de politieke structuur plaatste Weitling een beroepsorganisatie (Geschaftsordnung), bestaande uit boeren en degenen die betrokken waren bij de industrie, die de economische gang van zaken binnen de maatschappij moest controleren en sturen. Deze administratieve eenheden waren op hun beurt strikt hiërarchisch ingedeeld en de leden werden gekozen door middel van een buitengewoon ingewikkeld kiessysteem. Vanwege zijn groot respect voor onderwijs en wetenschap en misschien zijn eigen magere opleiding, voorzag Weitling in een commissie voor van leraren en geleerden (Gelehrtenausschuss), die toezicht moest houden op de alle aanstellingen in landbouw en industrie, die een aanzienlijke hoeveelheid ervaring vereisten. Een “Industrieleger,” naar het voorbeeld van de krijgsmacht, zou de opleiding op zich moeten nemen die nodig was om de dagelijkse bezigheden van het volk gaande te houden. Senaat en Ministerie, aan de top van deze zeer ingewikkelde bestuursdriehoek, die gekozen moesten worden door een systeem dat voor de bestuursfuncties de meeste geschikte personen uit de gemeenschap moest selecteren, zouden de algemene gang van zaken bepalen en de verantwoordelijkheid op zich nemen voor aangelegenheden als gezondheid, voedsel, huisvesting, vermaak en kunsten en wetenschappen. Om inventiviteit aan te moedigen, vooruitgang te verzekeren en te waarborgen dat genie en talent doeltreffend aan bod kwamen, schetste Weitling een plan voor speciale Meisterkompagnieen (“meestercompagnieën”), bestaande uit uitvinders, ontdekkers en scheppende kunstenaars, die in deze communistische staat speciale voorrechten genoten, vanwege de uitzonderlijke bijdragen die zij konden leveren aan de vooruitgang van de mensheid. Ruimtegebrek verhindert hier een analyse en beschrijving te geven van de algemene regelgeving voor de grote communistische maatschappij, die de hele mensenfamilie zou omvatten, en ook van Weitlings hervormingen op het gebied van onderwijs en rechtspraak, hoewel deze zaken belangrijker zijn dan alleen maar de structuur van de nieuwe maatschappij.

Weitling was ervan overtuigd dat gelijkheid in arbeid en vruchtgebruik op zich geen waarborgen konden zijn voor een blijvende toestand van geluk, en in feite zouden kunnen leiden tot een ondraaglijke eentonigheid. Daarom ontvouwde hij een plan dat volgens hem de funeste gevolgen zou vermijden van de bestaande ruilsystemen en de mensen tegelijkertijd de mogelijkheid zou bieden voor zelfexpressie en de bevrediging van hun legitieme individuele verlangens. De voorgestelde oplossing was een systeem van Kommerzstunden, opgetekend in een Kommerzbuch. In feite betekende dat dat de leden van de gemeenschap extra “arbeidstegoeden” konden verdienen voor werk dat ze vrijwillig boven hun normale taak verrichtten en dit tegoed konden gebruiken als betaling voor producten die zij extra wensten en door anderen vervaardigd werden. Zodoende kon het individu “zijn speciale behoeften bevredigen zonder afbreuk te doen aan de harmonie tussen de verlangens en vermogens van allen,” en in ruil voor arbeidscertificaten de producten aanschaffen van arbeiders en boeren, die opgeslagen waren in gemeenschappelijke magazijnen. Om een dergelijke extra privé-productie en ruil binnen aanvaardbare grenzen te houden en de behoeften van de gemeenschap als geheel te beschermen, bedacht Weitling een uitgebreid systeem van controlemiddelen, dat het mogelijk maakte bepaalde activiteiten van dergelijke extra-arbeid stop te zetten, door de “uurkosten” op te schroeven tot boven de waarde van het feitelijk verrichte werk, of een tijdelijk embargo te leggen op de verdere productie van overtollige producten. Kortom, dit was een plan om werk te ruilen voor werk en tijd voor tijd; om bankier en tussenpersoon uit te schakelen; de waarde uitsluitend te baseren op de hoeveelheid voor de productie benodigde arbeid; productie en consumptie in evenwicht te houden; prijzen en markt te controleren en grote schommelingen in werkgelegenheid te voorkomen. Weitling, die zelf een kundig vakman was, stelde voor dat de meester- en gezellengilden moesten uitmaken aan welke producten er behoefte bestond en hun kwaliteit garanderen. Zijn grootste nadruk was gericht op de ontwikkeling van een collectief productiesysteem voor handwerkers.

Deze beknopte en onvolledige analyse van Weitlings variant van het communisme is voldoende om de reactie van Marx te voorspellen. Toch geloofde de bedenker van deze variant dat zijn “systeem” niet alleen alle economische kwalen waaraan de mensheid leed zou genezen en de “spil” zou worden van een hele nieuwe maatschappij, maar ook een grote stap voorwaarts zou betekenen naar “de verwerkelijking van christelijke principes” in een hemels koninkrijk op aarde. Weitling beweerde dat er maar weinig voorbereiding nodig was om de nieuwe orde te verwezenlijken. “De mensheid is noodzakelijkerwijs altijd rijp voor de revolutie,” schreef hij, “of anders nooit.”

In het voorjaar van 1843 gaf Weitling een prospectus uit van een ander werk, bekend als Das Evangelium des armen Sünders (“Het Evangelie van de Arme Zondaar”). Daarin wilde hij aantonen dat de religie van Jezus door sociale hervormers niet genegeerd of veroordeeld moest worden, maar juist gebruikt zou moeten worden om de mensheid te helpen bevrijden van de bestaande onrechtvaardigheden en economische en sociale onevenwichtigheid. De publicatie van dit boekje vormde de aanleiding voor zijn arrestatie en rechtszaak voor godslastering, omdat hij Jezus had voorgesteld als een revolutionaire held van de minderbedeelden. Op de tenlastelegging dat hij een publieke lastpost was werd hij in Zürich veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden.[3]

Nadat hij ten slotte in vrijheid werd gesteld, na een periode van opsluiting die zodanige psychische gevolgen had dat hij daar nooit meer helemaal bovenop kwam,[4] werd Weitling de grens met Duitsland overgezet en reisde uiteindelijk via Hamburg door naar Londen. Daar werd zijn aankomst gevierd tijdens een arbeidersfestival, waar hij werd onthaald als een martelaar voor hun heilige zaak, maar de Engelse socialisten waren helaas de vluchteling weinig behulpzaam bij het tegemoetkomen in de kosten van zijn levensonderhoud. Binnen de kortste keren lag hij overhoop met de leiders van de Duitse communistenclub in Londen, van wie de theorieën, mogelijk onder invloed van het Engelse chartisme, steeds minder utopische en steeds meer opportunistisch en praktisch waren geworden. Weitling volhardde van zijn kant koppig in zijn rol als profeet van een gevoelig en primitief, christelijk soort communisme. “Revoluties,” hield hij vol, “komen als een onweersstorm, niemand kan de gevolgen voorspellen,” en daarbij “zal het verstand een beklagenswaardige rol spelen... de grootste daden zullen voortkomen uit de kracht van de emoties... Het is onzinnig verlichting te prediken voor de hongerigen;... die eeuwige propaganda voor een vreedzame ontwikkeling maakt de moed en het enthousiasme voor hervormingen van de mensen alleen maar belachelijk.

In 1846 reisde Weitling door naar Brussel. Naar aanleiding van onenigheden over de propagandamethoden en het door hun beweging te behalen eindresultaat had hij gebroken met de communisten in Londen. Zijn pijnlijke ervaringen in Engeland waren een voorbode van de komende breuk met Marx.[5]

Rond het midden van de jaren veertig was Weitling in communistische kringen veel beter bekend dan de jongeman die tien jaar jonger was dan hij en bestemd was om, als de hogepriester van het moderne, wetenschappelijke communisme, wereldberoemd te worden. Tot dan toe was Marx betrekkelijk improductief geweest, terwijl door zijn drie belangrijke boeken en zijn krant Weitlings naam in West-Europa alom bekend geworden was. Heinrich Heine noemde zijn Die Menschheit “de catechismus van de Duitse arbeidersklasse,” en Marx verwees in 1844 naar de Garantien als het “schitterende literaire debuut van de Duitse arbeidersklasse” en vond het theoretisch superieur aan de geschriften van Proudhon. Toen Engels het magnum opus las van de man die hij “de sociaaldemocratische kleermaker” noemde, was hij van mening dat het in het Engels vertaald diende te worden en bewees, bij het inwijden van de Duitse arbeiders in de beginselen van de radicale hervorming, gepaste eer aan de invloed van de schrijver. Weitlings boeken bevonden zich in de Communistenclub van Berlijn en vóór 1846 zouden Marx en Engels het waarschijnlijk eens zijn geweest met de mening van verschillende geschiedschrijvers van de communistische beweging dat deze autodidacte kleermaker de “enige echte grote communist van de periode vóór Marx” was.[6]

Geen enkele proletarische schrijver heeft ooit de ellende van de armen welbespraakter beschreven dan Weitling, want hij had het zelf allemaal meegemaakt en de toenemende dreiging van de industrie deed hem denken aan “een ijzeren keurslijf dat de tere vorm van de kinderen vermorzelt.”

De botsing met Marx was onvermijdelijk. Langzaam, maar steeds vastberadener en overtuigder had Marx zijn materialistische interpretatie van de geschiedenis ontwikkeld. Hij geloofde dat niet het denken van de mens zijn bestaan bepaalt, maar dat zijn maatschappelijke bestaan zijn denken bepaalt. Hij kwam tot de conclusie dat mensen niet vrij waren om de maatschappelijke vorm te kiezen waaronder zij leefde, maar dat het productiepatroon niet alleen de belangrijkste factor was bij het bepalen van de manier van leven, maar zelfs van de zeden van een bepaald tijdperk. Kortom, de materiele verhoudingen waren wezenlijk voor al hun relaties. Hij verwierp dus de theorieën die zich bezighielden met de primitieve maar gouden natuurstaat, of verband hielden met het oorspronkelijke christendom, of een bijzonder systeem van sociale ethiek, omdat hij in geen daarvan een geschikte basis kon vinden voor het communisme. Bovendien wilde Marx de arbeidersbeweging helemaal scheiden van de rituelen en methoden van geheime genootschappen en haar de weg van de politieke actie opsturen. Hij en Engels hadden de “wetenschappelijke” basis ontdekt voor hun filosofie van economisch determinisme, materialisme, klassenstrijd en de onvermijdelijke proletarische revolutie. Hun variant van het socialisme was ontleend aan de Franse Revolutie, grote hoeveelheden Hegel en Feuerbach, Franse theoretici zoals Fourier en Saint-Simon, en de invloed van de Engelse industrialisatie. Marx verklaarde alle maatschappelijke instellingen, of het nou politieke, juridische, morele of religieuze waren, aan de hand van de economische maatschappijstructuur en beweerde dat zelfs zeden en religie afhankelijk waren van productieprocessen en goederenruil. Een dergelijk systeem liet geen ruimte voor sentimenteel gedoe en ware marxisten zouden niets te maken willen hebben met wat zij zagen als idealistische flauwekul.

Hoewel het verschillende factoren waren die bijdroegen aan de breuk tussen Marx en Weitling, was het religieuze aspect van de het communisme van de filosofische kleermaker de belangrijkste reden. Weitling was een eenvoudige zoon van het volk. Hoewel hij een verbazingwekkende hoeveelheid kennis had opgedaan, miste hij de formele scholing om een historische wet van het economische determinisme te kunnen formuleren of te begrijpen. Zijn eigen bittere ervaringen hadden hem geleerd dat de mens geestelijk niet vrij kon zijn zolang hij vastgehouden werd in economische slavernij, maar hij verwierp resoluut een leer die van eigenbelang de enige drijfveer van het leven maakte. Hij weigerde te aanvaarden dat de mens slechts een marionet was in de wisselwerking met externe, economische krachten. Voor hem was de mens deelnemer en maker van de geschiedenis en hoewel hij geloofde dat vooruitgang een natuurwet was, hield hij vol dat de mens, door bewuste inspanningen en plannen maken, ervoor moest zorgen dat die natuurwet haar werk kon doen. Evenals de marxisten en hegelianen, erkende hij dat in alle dingen een kiem van verandering en revolutie schuilt, maar benadrukte de plicht van de mens om die verandering te sturen in overeenstemming met de christelijke principes van zelfopoffering en broederschap.

De oproep van Weitling was dus gericht aan emoties en hart. Hij geloofde dat de mens een innerlijk verlangen heeft om goed te doen en het vermogen tot onbaatzuchtig gedrag, dat gevoed kon worden door moraal en religie en stelde voor gebruik te maken van de kracht van religieuze emotionaliteit die een bijdrage kon leveren aan de vestiging van een communistische maatschappij, die hij in feite synoniem achtte met het deugdzame leven van de praktiserende christen. Dit geloof hield hem staande en hij vertrouwde er vast op dat het ook anderen zou kunnen helpen om de duistere nacht van hun wanhoop binnen te dringen. Volgens Weitling was het communisme niet louter een zaak van de maag, maar meer van ethiek.

Weitling was nooit een belijdend atheïst zoals Feuerbach, noch een materialist zoals Marx. Hij was een agnosticus en zeker geen lid van een kerk, maar wilde wel graag gebruik maken van het christelijke geloof en de leer om de voor de sociale revolutie noodzakelijke emoties op te wekken en te voeden. Zoals de meeste mensen had hij geen oplossing voor het raadsel van het universum en kon het diepe mysterie van het leven niet verklaren. Toch geloofde hij dat “de mysterieuze liefdesemoties” herhaaldelijk bewezen sterker te zijn dan het verstand en vaak verwees hij niet alleen naar het “beeld van de ultieme liefde,” dat mensen God noemen, maar ook naar een “eeuwige, almachtige, eenmakende oorzaak.” Zijn gehavende geest hunkerde naar de balsem van de religie, maar door zijn intellect werd hij een agnosticus. Toch was hij geenszins bereid het hele gebied van de religieuze ervaring af te doen als louter opium van het volk.

Steeds meer, en vooral na zijn schokkende gevangeniservaringen in Zwitserland, stelde Weitling zichzelf voor in de rol van profeet, die een grote taak te vervullen had. Een van zijn tijdgenoten, Wilhelm Marr, wees erop dat zijn variant van het communisme een “sociale theologie” aan het worden was, “met haar eigen heilige boeken, profeten, Messiassen en hemel.” Op dat pad ligt het fanatisme van de martelaar. Weitlings evangelie, zoals Louis Blanc dat verwoordde, was “l’Evangile en action,” een seculier geloof, dat verkondigd moest worden door de profeet. Hij vond dat het niet wetenschappelijk bewezen hoefde te worden. Het was een geloof dat vergelijkbaar was met de vurigheid van de anabaptisten, Moravische Broeders en levellers en diggers in Engeland. Daarnaast had Weitling in veel opzichten een beminnelijker karakter dan Marx en probeerde doorlopend zijn communisme op te doen gaan in christelijke liefde, mededogen en de zoektocht naar rechtvaardigheid.

Opgemerkt dient te worden dat Weitling nog schreef vóór het tijdperk van Darwins evolutieleer en het moderne industriële kapitalisme. Hij wist niets van grootschalige industrie. Hij was eerst en vooral een kleermaker, een vakman, en had weinig of geen idee over de rol die het moderne kapitalisme, met al zijn fouten, zou spelen als instrument voor de vooruitgang. Hij sprak voor de gildenhandwerker, van wie de positie in de maatschappelijke orde onder druk kwam te staan van nieuwe krachten die hij niet helemaal begreep, maar waarvan hij voelde dat die zijn klasse zou terugbrengen naar het niveau van een ontheemd, straatarm proletariaat. In Weitling waren een aantal van de beste eigenschappen belichaamd van zijn klasse – onverschrokkenheid, ijver, zelfopoffering en respect voor eerzame arbeid. Hij vertolkte de grieven van alle onderdrukten, maar zette zich vooral in voor een staat die onder toezicht stond van deskundige handwerkslieden. Fel viel hij de bestaande verhoudingen aan tussen werkgever en werknemer, maar was toch niet bereid om de klassenstrijd te prediken. Hij deed een beroep op alle mensen van goede wil in alle klassen en net als Owen, Fourier en Cabet maakte hij maar wat graag de rijken en machtigen uit voor armzalig en machteloos.

Er moet nog een ander wezenlijk verschil tussen Marx en Weitling benadrukt worden. De eerste had een universitaire achtergrond, met zijn doctorsgraad van Jena, was een neo-hegeliaan, een echte boekengeleerde, en in staat, zoals Karl Heinzen dat ooit zei, om “de hele artillerie van logica, dialectiek, stilistiek en eruditie” in stelling te brengen. Onder leiding van Fröbel en Bakoenin bestudeerde Weitling Hegel, maar dat eindigde al bijna voor hij daarmee begon met de conclusie dat de hele Duitse filosofie “het zuiverste voorbeeld was van Duitse onzin” en bedoeld was om mensen in verwarring achter te laten. Hij had geen belangstelling voor abstracties; wist zeker dat ervaring een betere leermeester was dan boeken; en was bang dat de “sluwe vossen en domme ezels” onder de Duitse filosofen hun verderfelijke hand sloegen aan zijn communistische beweging, om het gewone volk in verwarring te brengen. In de geest van de ware handwerksman betoogde Weitling dat “wetenschap en vakbekwaamheid” even belangrijk waren. Engels had helemaal gelijk toen hij hem ervan beschuldigde dat hij een sterke Gelehrtenhass had ontwikkeld.

Het conflict tussen Marx en Weitling betekende dus de botsing tussen de meester in de economie en hegeliaanse dialectiek – hij was een pleitbezorger van de, door wetenschappelijk vaststelbare economische wetmatigheden voorbeschikte, klassenstrijd – en de ongekunstelde profeet van de broederschap der mensen, die zichzelf beschouwde als de nieuwe Messias die in staat was een nieuw koninkrijk te stichten, waarin de wetenschap zou samensmelten met christelijke liefde. Het is van belang er toch terloops op de te wijzen dat Marx er altijd in slaagde zich verre te houden van enig rechtstreeks contact met het proletariaat, waarover hij zo fel schreef. Weitling had geen respect voor wat hij een “kamergeleerde-analyse” noemde.

Toen de twee mannen elkaar in Brussel ontmoetten, toonde Weitling zich zonder twijfel lichtgeraakt en fel tijdens de discussies. Hij was geprikkeld en ongelukkig vanwege zijn ervaringen in Londen, die aan het licht gebracht hadden dat zijn invloed snel tanende was. Zijn ervaringen in de gevangenis in Zürich hadden hem ongewoon gevoelig gemaakt. Hij was achterdochtig, bang voor verraad in de gelederen en doorlopend op zijn hoede voor geheime vijanden en samenzweringen. Marx stond van zijn kant bekend om zijn onverdraagzaamheid; hij duldde geen tegenspraak en Carl Schurz was onder de indruk van zijn “agressieve, onuitstaanbare arrogantie.”

Toen Weitling in België arriveerde, was Marx druk doende met het organiseren van de eerste communistische partij en zijn inspanningen betekenden een aanslag op de gelederen van Weitlings aanhangers van het eerste uur. Met behulp van Cigot en Engels voerde hij een uitgebreide briefwisseling in drie talen met communisten in allerlei plaatsen, met het doel hen over te halen zijn leer te aanvaarden en de beweging te zuiveren van alle sentimentaliteit. Hij had het gevoel dat eenheid mogelijk was, als de marxisten maar zowel het filosofische communisme van mensen zoals Hess en het soort handwerkerscommunisme dat vertegenwoordigd werd door Weitling, konden verpletteren.

Vanwege zijn reputatie en invloed kon de oudere leider niet helemaal genegeerd worden en daarom werd Weitling uitgenodigd om deel te nemen aan het op touw zetten van de nieuwe partij, die aanvankelijk uit slechts zeventien getrouwen bestond. De meerderheid behoorde tot de bourgeoisie. Deze zeventien pioniers van het moderne socialisme kwamen tweemaal per week bijeen onder de dekmantel van een vormingsvereniging voor arbeiders, om tijdens langdurige discussies het communistische evangelie uit te werken, zoals dat door hun leider werd aangeboden. Weitlings eerdere briefwisseling met Marx was heel vriendelijk geweest en gekenmerkt door de vertrouwelijke “du”-vorm. De verhoudingen waren echter wat onder druk komen staan toen Weitling financiële hulp vroeg voor de publicatie van een verhandeling over een universele taal, waaraan hij in Londen had gewerkt en bot geweigerd werd in scherpe, sarcastische bewoordingen waarin zowel Marx als Engels meester waren.

De feitelijke ruzie tussen de leiders van het oude en nieuwe communisme brak uit tijdens een bijeenkomst in Brussel, in aanwezigheid van Cigot, Weydemeyer, Seiler, Heilberg en Marx’ zwager Edgar von Westphalen. “Jupiter Marx,” pen en papier in de hand, nam plaats aan het hoofd van de tafel om een discussie te leiden over het soort propaganda dat het meest geschikt was voor Duitsland. Volgens de Rus Annenkov, die ook aanwezig was, sprak hij slechts “in de gebiedende wijs en duldde geen tegenspraak.” Toen Marx onthulde dat het zijn bedoeling was de beweging te ontdoen van elk sentimentele appel op de emoties, raakte het debat verhit en bereikte een climax toen Marx zich fel tot Weitling richtte en hem vroeg om het plan van zijn programma en een verklaring en verantwoording van zijn propagandamethoden. Beduusd en in verlegenheid gebracht en zonder uitgewerkt programma dat vergelijkbaar was met dat van zijn jonge agressieve tegenstander, verviel de oudere man in allerlei beweringen, zei dat hij helemaal tevreden was over zijn methoden en variant van het communisme en gaf aan dat kennelijk noch zijn invloed, noch zijn resultaten echt op prijs werden gesteld. Op dat moment viel Marx de spreker verbolgen in de rede en deed zijn propaganda af als iets bizars, dat mensen opriep om in opstand te komen zonder het eerst te voorzien van een afdoend en volledig programma voor sociale actie. In de loop van de donderpreek, die werd afgestoken terwijl de spreker ziedend en stampvoetend de kamer op en neer liep, beschuldigde Marx Weitling van uitgesproken domheid, en merkte sarcastisch op dat het warrige systeem van de laatste misschien wel geschikt was voor een onnozel en achterlijk land als Rusland, maar in Duitsland helemaal niets zou kunnen uitrichten. Beide mannen verloren hun zelfbeheersing en Weitling beschuldigde Marx er op zijn beurt van dat hij een wit voetje probeerde te halen bij de mensen om steun te kunnen krijgen voor zijn beweging. Opmerkelijk is dat Weitling ondanks deze ruzie enige tijd na de woordenwisseling Marx een artikel stuurde voor publicatie en de laatste hem toen uitnodigde voor de lunch.

De definitieve, onherstelbare breuk trad merkwaardig genoeg op door de activiteiten van de jonge Hermann Kriege in het verre Amerika. Kriege, een vurig aanhanger van Feuerbach en vriend van Robert Blum, die sneuvelde tijdens de revolutie van 1848, was naar de Verenigde Staten vertrokken, na problemen met de Pruisische politie. Daar werd hij de leider van een “Jong Amerika”-groep en gaf de Volkstribun uit. Dit Duitse krantje werd ook op kleine schaal verspreid in Europa en zijn enthousiaste uitgever correspondeerde regelmatig met een aantal toonaangevende communisten op het vasteland. Kriege was altijd al een beetje onevenwichtig, zowel politiek als psychisch en had zich in zijn net nieuwe vaderland aangesloten bij de landhervormingsbeweging, bepleitte het gratis verstrekken van stukken land aan nieuwkomers, had steun aanvaard van Tammany Hall en aarzelde niet om aan te kloppen bij welgestelde mensen als hij voor zijn uiteenlopende ondernemingen om geld verlegen zat.

De Volkstribun was antiklerikaal, antikapitalistisch, antirente en tegen allerlei andere zaken. Kriege volgde een beleid van opportunisme en hervorming bij stukjes en beetjes en verdedigde zijn tactiek op grond van het feit dat het democratische Amerika voor de volksmenner hele andere problemen opleverde dan het autocratische Europa. Zijn krant die een even kort leven beschoren was als het merendeel van de radicale pers in die tijd, was geschreven in de buitenissige, meeslepende stijl van een gevoelsmens, die overliep van liefde voor de hele mensheid. Voor rigide dogmatici, zoals Marx, waren de bokkensprongen van de uitgever die van een excentriekeling, die het communisme belachelijk maakte.

In een overlijdensbericht in de New York Tribune van 1 januari 1851, wordt Kriege genoemd, die op 31-jarige leeftijd geestelijk gestoord overleed en naar zijn wens begraven werd met een over zijn borst gedrapeerde Amerikaanse vlag, als “een van de eerlijkste, rechtschapenste en grootmoedigste mensen met wie wij ooit het geluk hadden bevriend te zijn;” maar voor de orthodoxe marxisten was hij nooit meer geweest dan een steen des aanstoots, hoewel Engels hem ooit zag als een “voortreffelijke volksmenner” en hem materiaal voor zijn krantje had gestuurd. Niet lang daarna besloot Marx echter deze excentrieke medewerker de wijngaard van de proletarische revolutie uit te jagen en de afvallige ter verantwoording te roepen door zijn geval officieel in te brengen tijdens het partijcongres in Brussel.[7]

Toen Karl Marx Kriege aanviel en hem ervan beschuldigde dat hij de landhervorming had onderschreven, de Volkstribun rondgedeeld had in plaats van te verkopen en giften had geaccepteerd van de bourgeoisie van New York, waarmee hij de orthodoxe communistische principes geweld aan had gedaan, weigerde alleen Weitling het rondschrijven te ondertekenen, dat opgesteld was om Kriege uit de partij te stoten. Afschriften van de excommunicatiebrief werden verzonden naar Engeland, Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. De Volkstribun publiceerde zowel de brief als een redactioneel commentaar.

Weitling drong erop aan dat Kriege een redelijke speelruimte gelaten moest worden om zijn methoden aan te passen aan de Amerikaanse omstandigheden. Nog belangrijker is het feit dat Weitling geloofde dat de aanval op de jonge Duits-Amerikaanse New Yorker in feite een aanval op hem was en bedoeld was om de Brusselse groep te ontdoen van haar laatste gevaarlijke rivaal en concurrent. Hij riep nu de Volkstribun uit tot het eigenlijke orgaan voor de verspreiding van de communistische leer en stuurde de uitgever een lange brief, waarin hij het beleid betreurde dat bewust bedoeld was om verdeeldheid te zaaien tussen de Europese en Amerikaanse communisten en nogmaals zijn geloof bevestigde dat de kracht van de liefde daadwerkelijk invloed kon uitoefenen op het maatschappelijke onrecht. De brief werd in New York meteen gepubliceerd. Weitling overwoog enige tijd serieus om het uitgeverschap van Kriege’s krant over te nemen en maakte met dat speciale doel zijn eerste oversteek over de Atlantische oceaan, alleen om daar tot de ontdekking te komen dat de Volkstribun net voor zijn aankomst zijn activiteiten tijdelijk gestaakt had.

De breuk tussen de marxisten en de oudere Weitlingvleugel van de communistische beweging was nu compleet. Razend “over het schandelijke optreden van broeder Weitling” verbrak Engels alle banden met de “warme broederlijkheid,” “vriendelijkheid” en “zachtmoedigheid” van dat soort profeten van de Utopie. Net voor het opdoeken van zijn krantje had Kriege van zijn kant de leuze “Leve de arbeiders. Weg met het kapitaal” verwijderd, die het impressum had gesierd van de Volkstribun, had zich verontschuldigd voor het feit dat hij ooit het woord “communist” had gebruikt en zich gevoegd onder de gelederen van de Sociale Hervormers, die op dat moment met steun van Tammany Hall werkzaam waren.

Marx en Engels vervolgden hun eerste overwinning op de utopische dromers met een zuivering van de communistische beweging, bedoeld om zich te ontdoen van alle mensen die ook maar in het minst afweken van de leer, zoals die verkondigd werd door de pontifex maximus. Engels maakte een uitstapje naar Parijs om een eind te maken aan elke invloed, hoe gering dan ook, die Weitling nog steeds uitoefende op de Duitse arbeiders aldaar en in het bijzonder onder “de kleine kleermakerskliek.” Hij schilderde de voormalige leider van de Bond der Rechtvaardigen niet alleen af als een reactionair, maar aarzelde ook niet de valse beschuldiging te verspreiden dat Weitling niet de schrijver was van de boeken die zijn naam droegen.[8] In een brief aan Marx betitelde Engels de kleine groep aanhangers die hun rivaal nog steeds had onder de handwerksgezellen in Londen als “ezels.” Soortgelijke aanvallen werden uitgevoerd op August Willich en Fritz Anneke, andere vooraanstaande radicale Duitse Achtenveertigers, die later Duitse kranten uitgaven in de Verenigde Staten en ook zij werden ervan beschuldigd dat ze “probeerden tweedracht te zaaien in onze gelederen.”

Weitling kwam naar Amerika om daar te blijven, nadat hij een onbeduidende rol had gespeeld in de Duitse Revolutie van 1848 en 1849. In de Verenigde Staten gaf hij een radicale krant uit bekend als Die Republik der Arbeiter en slaagde erin die gedurende vijf moeilijke jaren in leven te houden; hij organiseerde een Arbeidersbond die, naast andere doeleinden, aandacht besteedde aan een programma voor sociale zekerheid en bejaardenpensioenen; hij zette zich in voor het eerste Duitse arbeiderscongres dat ooit gehouden werd in de Verenigde Staten en zag uiteindelijk zijn hele beweging uiteenvallen, grotendeels vanwege zijn overmoedige inspanningen om in Iowa een communistische kolonie te vestigen. Marx en Engels bleven “het vergif van deze kleermakerskoning” scherp in de gaten houden en verleenden hun steun aan mensen als Joseph Weydemeyer, toen die volgens meer orthodoxe marxistische principes een rivaliserende organisatie opzette onder de arbeiders in New York.[10]

De gebeurtenissen in de loopbaan van Weitling tussen de jaren die gemarkeerd werden door zijn breuk met Marx in Brussel en zijn overlijden in New York in 1871, vallen buiten het kader van dit artikel en zullen in zijn geheel beschreven worden in een voorgenomen uitgebreide biografie van deze vergeten “sociaal-kleermaker.” Het is echter aantrekkelijk om te bedenken wat er gebeurd zou zijn in de geschiedenis van het communisme en het moderne Europa als de pogingen van mensen als Weitling om de kloof te overbruggen tussen materialisme en menslievendheid tijdens de Brusselse conferentie, en daarna, gastvrijer onthaald waren. Marx en Engels hadden de scholing en wetenschappelijke opleiding waardoor ze in staat waren met hun theorieën een systeem te smeden, dat een van de invloedrijkste krachten werd in de huidige wereld. Weitling was niet toegerust voor een dergelijke taak, want zijn hoofd was niet zo groot als zijn hart. Toch was hij, ondanks zijn buitenissige taalgebruik en mistige verwijzingen naar een nieuwe Messias die Gods kinderen naar een nieuw Beloofde Land zou leiden, ervan overtuigd dat een systeem dat zo volstrekt verstoken was van opvattingen over moraal, sociale ethiek en een aan religieuze emoties ontleende drijfveer en daarnaast open en bloot het immorele principe huldigde dat het doel de middelen heiligt, zou veranderen in de Duivels eigen filosofie en uitlopen op een nieuw soort tirannie. [Dit oordeel is voor rekening van de auteur, denken we maar aan de maatschappelijke categorische imperatief van Marx, of aan de dialectiek tussen middel en doel, waar Engels naar verwees in zijn Anti-Dühring. Bijkomend is het nuttig op te merken dat Marx zelf, in de latere stalinistische regimes, de eerste zou geweest zijn om opgesloten te worden - noot van MIA]

_______________
[1] Zie, e.g, Boris Nicolaievsky en Otto Maenchen-Helfen, Karl Marx, Man and Fighter (Philadelphia, 1938), hfst. ix-xi; end Otto Ruhle, Karl Marx, His Life and Work, vert. door Eden en Cedar Paul (New York, 1929), pp. 47-142.
[2] Zie Theodor Zlocisti, Moses Hess, der Vorkampfer des Sozialismus und Zionismus, 1812-1875 (Berlijn, 1921).
[3] Voor beknopte, algemene verhalen over Weitlings Europese loopbaan, zie Emil Kaler, Wilhelm Weitling, seine Agitation und Lehre im geschichtlichen Zusammenhange dargestellt (Zürich, 1887); Wolfgang Joho, Wilhelm Weitling: Der ideengehalt sein er Schriften entwickelt aus den geschichttichen Zusammenhangen (Heidelberg, 1932); en F. Gaulle, Wilhelm Weitling: Theoricien du communisme, 1808-1870 (Parijs, 1905).
[4] Zie Ernst Barnikol, Weitling der Gefangene und seine ‘Gerechtigkeit’ (Kiel, 1929).
[5] Voor de partijstrijd in Londen, zie Max Nettlau, “Londoner deutsche kommunistische Diskussionen, 1845” in Archiv für die Geschichte des Sozialismus und der Arbeiterbewegung (Leipzig, 1922), X, 362-391.
[6] Zie Max Beer, Karl Marx: Sein Leben und sein Lehre (Berlijn1919). pp. 435-439; Werner Sombart, Der proletarische Sozialismus (Jena, 1924), I, 25; Morris Hillquit, History of Socialism in the United States (New York, 1903), p. 161 en Charles Andler, Le Manifest communiste de Karl Marx et F. Engels (Parijs, z.j.), pp. 6, 162.
[7] Engels aan Marx, Feb. 22, 1845, in Briefwechsel zwischen Friedrich Engels und Karl Marx, 1844 bis 1883, ed. door A. Bebel en Ed. Bernstein (Stuttgart, 1921), I, 15, 18; en 39, 48, 49.
[8] See Briefwechsel, Engels und Marx, I, 23-29, 40, 49-50, 88.
[9] Ibid., pp. 145, 171, 384, 398, 422.
[10] Zie Karl Obermann, Joseph Weydemeyer, Pioneer of American Socialism (New York, 1947), m.n. hfst. ii.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame


In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS