Frank van der Goes

Multatuli over socialisme


Bron: De Nieuwe Tijd, 1e en 2e jaargang, 1896-1897 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
In het Publieke Domein
| Hoe te citeren?

Laatst bijgewerkt:


Verwant:
Tan Malaka-archief
Effendi Roestam-archief
Henk Sneevliet-archief

I

De laatste bundel brieven van Multatuli is thans verschenen. Allen die belang stellen in de denkbeelden en in het leven van de grote schrijver, zijn dank verschuldigd aan mevrouw Hamminck-Schepel, weduwe Douwes Dekker, die deze uitgave verzorgde. Haar taak in de eerste plaats was het, de letterkundige nalatenschap van Douwes Dekker te doen strekken tot nut en stichting van de lezers van Multatuli. Tevens heeft zij een uitgebreide verzameling nieuwe gegevens toegankelijk gemaakt voor de jongeren, die zijn nagedachtenis het beste menen te eren door in zijn geschriften te zoeken naar bijdragen tot de kennis van ’s meesters historische figuur.

Het wordt langzamerhand mogelijk de plaats te bepalen die Multatuli in zijn tijd vervulde, en wel omdat zijn tijd van de onze veel verder verwijderd is dan met het getal jaren wordt aangeduid. Multatuli, in één woord, is een van de laatste merkwaardige mannen, opgestaan binnen de kring van de burgerlijke beschaving in ons land. Sedert, evenwel, is de leiding van de vooruitgang overgegaan op personen uit andere gezelschappen; en, schoon niemand mag ontkennen dat de beschaving van de bourgeoisie nog veel achtenswaardige wetenschap en benijdbare talenten bevat, moet iedereen toegeven dat de kennis van de grote maatschappelijke vraagstukken en de wil om hen tot algemeen nut op te lossen, uitsluitend wordt gevonden bij de arbeidersklasse. Noch zijn deze vraagstukken afzonderlijk van andere te behandelen en te beslechten. Er is niets in de gehele samenleving dat met hen niet onmiddellijk of middellijk is verbonden. De kwestie is niet, naast de bestaande geleerdheid, kunst, literatuur; naast de geestesbeschaving, nu ook te zorgen voor een meer rechtvaardige of een overvloediger genieten van materiële goederen. Maar de kwestie is de vestiging van een geheel ander materieel stelsel – overvloediger en rechtvaardiger – zonder welke verandering de bestaande geestesbeschaving vroeg of laat zou vergaan. Zeggen wij dus, dat uit de arbeidersklasse voortaan de leiders van de vooruitgang komen en meer uitsluitend zullen komen, dan bedoelen wij niet dat een werkman als zodanig beter kan vioolspelen of schaken of een studievak beoefenen, of een dagblad redigeren, of een onderneming besturen, dan een lid van de burgerklasse – maar wij bedoelen dat geen persoonlijke bekwaamheden of goede wil bij de bourgeoisie bij machte zijn de geestelijke teruggang van haar klasse te stuiten, omdat de maatschappelijke omstandigheden waarin zij is geplaatst, het goede zelfs, dat uit haar mocht voortkomen, ten kwade keren. Daarentegen bevorderen de maatschappelijke omstandigheden, in welke het proletariaat zich bevindt, de ontwikkeling van zedelijke en verstandelijke deugden – wij spreken van het klassenbewuste proletariaat dat de strijd voor zijn vrijmaking heeft ondernomen.

Iemand, bijvoorbeeld, die een talentvol kunstenaar is en tot de bourgeoisie behoort, kan zich niet losmaken van de bijgedachte aan de verkoopbaarheid van zijn werken (tenzij hij verkeert in de uitzonderingstoestand van andere inkomsten te hebben), en men weet dat de overgang van kunstwerken in handelswaar met het wezen van de kunst strijdig is. Bij de bourgeoisie is er haast geen geleerde die niet gekweld wordt door bezorgdheid over zijn carrière; en, als hij niet wordt gekweld, is het omdat deze bezorgdheid van hem heeft gemaakt de gedweeë dienaar van de machthebbers. De beste industrieel is de scherpste uitzuiger, de knapste koopman de onverbiddelijkste strijder op het slagveld van de concurrentie. Er zijn nog andere gevallen, die overduidelijk maken dat, wanneer eenmaal een productiewijze haar tijd heeft gehad en in de periode van verval is gekomen, de instellingen door haar gevestigd, plaatsen van moreel en intellectueel verderf worden van de klasse welke door de productiewijze tot aanzien is geraakt en haar ten eigen bate wil bestendigen. Deze gevallen zijn die waar in alle regeringspersonen en openbare ambtenaren verkeren. De kapitalistische productiewijze heeft het mensdom in twee helften verdeeld, waarvan de bevoorrechte een organisatie heeft getroffen om de misdeelden in bedwang te houden. Zolang alles goed gaat, te weten, zolang de misdeelde helft nog een redelijke portie krijgt en het kapitalisme nog tamelijk in de behoeften van allen kan voorzien, voelt de bevoorrechte helft zich niet zozeer de meesteres dan wel de leidster van de maatschappij. Dit tijdvak heeft in het kapitalisme wel niet lang geduurd en is nergens volledig in de werkelijkheid overgegaan. Maar in het algemeen kan men toch zeggen dat de vijandelijke verhouding van bourgeoisie en proletariaat behoort tot de latere tijden, mede een teken is van de teruggang van het kapitalisme. Deze toestand, eenmaal aanwezig, demoraliseert alle personen die in een of andere betrekking meewerken tot handhaving van het openbaar gezag, dat is, van het gezag der bourgeoisie. De vorsten, de ministers, de regeringsmeerderheden en de burgerlijke oppositiepartijen in de volksvertegenwoordiging, de rechters en de geringste agent van politie – allen voelen zich vijanden van de arbeiders en zijn krachtens hun ambt gedwongen als zodanig te handelen. Dienstijver, nauwgezetheid, plichtsbetrachting , zo deze deugden aanwezig zijn, maken zij van haar bezitters des te ijveriger handlangers van de bourgeoisie in de onverpoosde, met afwisselende hevigheid gevoerde strijd van de klassen.

Kortom – de algemene verwording van de burgerlijke beschaving, aan de hoofdtrekken van welk in onze kringen genoegzaam bekend verschijnsel ik hier de lezer herinner, is zichtbaar, niet zozeer in het gebrek aan bekwame of talentvolle mannen bij de bourgeoisie, maar in de verkeerde toepassing van bekwaamheden en de onnuttigheid van talenten in haar midden. En, aan de andere kant, is het intreden van de geestelijke rijpwording van het proletariaat minder merkbaar aan het toenemend getal van buitengewone personen daarin geboortig, dan wel in het gelukkig gebruik van kundigheden en de heilzame werking van talent.

In elk land, derhalve, waar een socialistische beweging zich heeft ontwikkeld, die de politieke organisatie is van de revolutionaire of haar klassentaak zich bewuste arbeiderspartij, bevinden zich twee voor elkaar bijna geheel gesloten kringen van beschaving. Binnen de grenzen van de ene is alles ontaarding verval, valsheid, verspilling van gaven, onvruchtbare wetenschap, hopeloze goede wil. In de andere: vooruitgang, verheffing, nuttige aanwending van alle geestelijke vermogens, het gedijen van elk zaadje edelmoedigheid gestort in deze grond, het succes van ieders inspanning ten bate van het gemene welzijn.

En, gemeten met de tijd als maatstaf van veranderingen, ligt er een eeuw tussen de beschaving van de burgerij en de beschaving van het proletariaat. Voor ons is het alsof de grote mannen van de burgerij vele jaren geleden hebben geleefd. Zoals het ons mogelijk is te zeggen, welke noodzakelijke beperkingen door de tijdsomstandigheden gesteld waren aan de algemene, politieke of sociale inzichten van staatslieden en wijsgeren uit de 17e of de 18e eeuw, zo kunnen wij aanduiden op welke wijze de denkbeelden van de burgerlijke publieke personen, onze tijdgenoten, door de motieven werden bepaald die hun beschavingskring beheersen.

In dit artikel beproef ik een bijdrage te leveren tot de kennis van Multatuli als voornaam burgerlijk denker. Mijn gegevens ontleen ik aan genoemde bundel Brieven.

II

Is in de Havelaarszaak aan Multatuli recht wedervaren? Hijzelf klaagde tot het laatst dat dit niet was geschied. Heeft men dan onder de pressie van zijn optreden een ingrijpende verandering gebracht in de behandeling van de inlanders in onze koloniën? Een ingrijpende verandering veronderstelt de opheffing van de kapitalistische exploitatie van het wingewest, en dit heeft Multatuli zelf zomin geëist als verstaan.

Maar Multatuli, zegt men, heeft de stoot gegeven aan een beweging ten gunste van onafhankelijk onderzoek, het voorbeeld van een vrijmoedige, nietsontziende kritiek van maatschappelijke verhoudingen en overgeleverde denkwijze. Dit is zonder twijfel het geval geweest. Willen wij echter het niet laten bij deze algemene verzekering en ons nader vergewissen omtrent de voorwerpen van deze kritiek en de uitgebreidheid van het onderzoek, dan vinden wij spoedig de kenmerken van de burgerlijke geesteswereld buiten welke Multatuli nimmer is getreden.

In deze bundel zijn brieven opgenomen gericht aan voor het merendeel bekende personen, Multatuli’s aanhangers en vrienden. Ik wil geen van hen iets onaangenaams zeggen en aannemen dat zij allen de beste redenen hebben gehad voor hun publieke gedragslijn; maar zoveel schijnt mij zeker dat uit de bijna volstrekte afwezigheid van enige blijvende invloed ten goede door Multatuli’s min of meer intieme geestverwanten te weeg gebracht, reeds met enige zekerheid kan worden afgeleid dat de vloek van onvruchtbaarheid zijn arbeid heeft geslagen. Door een min of meer kortstondige dweperij met het excentrieke, hebben schier al zijn leerlingen of bijzondere vereerders het van Multatuli ontvangene voldoende betaald geacht. Rechtstreeks uit de school van Multatuli is niemand afkomstig van hen, die tegen de overmacht van de reactie de enig mogelijke revolutionaire strijd van onze dagen hebben opgenomen. Zij die uit de school van Multatuli afkomstig zijn, hebben na een jeugdige periode van buitenissigheid, óf weldra het betere deel der carrièremakerij gekozen, óf zijn in een moeras van algemene, doelloze oproerigheid – met – woorden blijven steken. Hierbij zijn niet gerekend de zeer velen die, zoals Douwes Dekker zelf ergens schrijft in deze bundel, door het begaan van allerlei oppervlakkige vreemdsoortigheden, zijn gelijken of althans zijn medestanders denken te zijn – die ’n en ’t schrijven, van de lange ij’s de puntjes weglaten, enz.: allerkleinste symbolen van Multatuli’s ongewoonheid en die iemand van enige smaak, al vond hij ze op zich zelf nog zo fraai, reeds daarom in zijn eigen pennenwerk zou vermijden. Hier is alleen sprake van het betere slag der multatulianen, die althans eenmaal in hun leven de ernstige begeerte in zich hebben gevoeld en in het openbaar daarvan getuigden, de strijd voor recht en waarheid in de geest des grote voorgangers mee te strijden. Van hen geldt wat ik zei: zij hebben de strijd spoedig opgegeven en zijn rustige burgers geworden, of zij zijn onrustig gebleven maar doen meer kwaad dan goed.

Ten aanzien van de bekende volgelingen en vrienden van Multatuli kan nog een bijzonderheid worden opgemerkt. Namelijk dat zij tot schijnbaar aan elkaar fel tegenovergestelde uitersten van partijen behoren. De ironie van de geschiedenis wil, dat twee van de mannen aan wie Douwes Dekker in deze bundel afgedrukte brieven schreef, thans zitting hebben in het bestuur van de Amsterdamse kiesvereniging Grondwet, de conservatiefste bent, wellicht, in geheel Nederland. En wie van de nu werkzame publieke personen zijn mede uit Multatuli’s school afkomstig? – de groep anarchisten en vrijdenkers die – wij zagen het onlangs aan A.H. Gerhard, die wel geen anarchist maar toch vrijdenker is – in openbare of half bedekte vijandschap leven met de sociaaldemocratie. Schijnbaar alleen is er een grootte afstand tussen deze twee soorten van multatulianen. Beide kunnen zich op dezelfde woorden van Multatuli beroepen. Het individualisme van de bourgeois is de grondslag van de levensfilosofie van de ene en van de andere richting. Het individualisme, gelijk het ook in deze brieven aan verschillende geadresseerden tot bestrijding van het socialisme door Multatuli wordt voorgestaan, en door conservatieven en anarchisten nog altijd tegenover het socialisme wordt gehandhaafd. Het is waar dat niet alleen in de woorden, maar ook in de daden tussen beide scholen van multatulianen verschil schijnt te bestaan; maar het blijkt spoedig dat dit verschil enkel de daden betreft, welke men zegt te willen, en niet de daden die feitelijk worden verricht. De waarheid is dat de strijd van onze tijd, de werkelijke strijd, gevoerd wordt tussen de socialisten en hun tegenstanders. Wie niet voor de socialisten is, is tegen hen. Het eerste doel van de strijd is, onzerzijds, het veroveren van de politieke macht, anderzijds, het bewaren van de politieke macht. Als filosofie is de afkeer van conservatieven en anarchisten tegen het dienstbaar maken van de staatsmacht aan arbeidersbelangen precies hetzelfde; en, zover deze afkeer zich uitspreekt in daden die voor ons de verovering van de staatsmacht bemoeilijken, zijn deze daden de elementen van één en dezelfde tactiek.

De invloed van Multatuli, derhalve, moet op dit ogenblik volstrekt ongunstig worde genoemd. Multatuli, die de Lassalle van Nederland had kunnen zijn, een onvergelijkelijk schrijver en redenaar van een revolutionaire partij, een man van een aansporende en wegslepende kracht, zoals niemand voor hem bij ons ooit heeft bezeten, een geniale opruier van de massa, die met de striemen van zijn satire en de brandfakkel van zijn hartstocht een in waarheid vreselijke strijder zou zijn geweest aan het hoofd van een gesloten en doelbewuste menigte.

Multatuli vervult thans in de werkelijkheid van onze dagen de rol van patroon van wijsneuzen en fraseurs en groene hemelbestormers, of is de comfortabele medeplichtige van de reactie, die alle recht heeft, en zelfs te goeder trouw misleid kan worden om zich met zijn gezag te dekken.

III

In korte woorden – want het is mij in dit artikel niet te doen om een studie in bijzonderheden van de gehele Multatuli, en ik geef slechts opmerkingen die in algemene trekken zijn verhouding tot de moderne klassenstrijd moeten aanduiden – in korte woorden is het te zeggen waarom noodzakelijk Multatuli, nu het er niet meer op aankomt bij de bourgeoisie zekere veranderingen in denkwijze en daden te bewerkstelligen, waar de invloed van de bourgeoisie materieel en geestelijk moet worden vernietigd, wel een historische figuur van overgrote betekenis is, maar geen werkzame agent in de actuele strijd.

Het heersende motief in het leven van Douwes Dekker, is zijn ervaring als Indisch ambtenaar. Hij heeft dit geval van den beginne opgevat en kon het niet anders opvatten dan als een wapen tot burgerlijke oppositie. Het was zijn doel niet de kapitalistische exploitatie van de buitenlandse bezittingen af te schaffen, het was zijn doel deze exploitatie te verbeteren. Merkwaardig is dat als men in een debat hem de vraag stelde of de fouten die hij aanwees elders niet werden gevonden, hij, volgens een plaats in een van deze brieven, deze vraag minachtend voorbijging. Inderdaad was deze vraag – zij moge een uitvlucht zijn geweest voor die haar deed – in zijn systeem uiterst moeilijk te beantwoorden. Wanneer Dekker, die het aan geen wereldkennis en scherpte van opmerking ontbrak, zich had willen overtuigen, dat in alle koloniën van Europese rijken onregelmatigheden voorvallen en dikwijls gruwelen erger dan door hem gebrandmerkt of door hem geleden, dan zou zijn oppositie een anderen vorm hebben aangenomen. Ongetwijfeld voelde hij dit – maar hij had deze vorm nodig en maakte zich daarom af van de lastige vraag in het debat. Hij had deze vorm nodig: de onderstelling dat de Nederlanders, als zij maar wilden, aan alle afpersing in de Oost een eind konden maken, en dat deden zij het niet, dit een bewijs van hun slechte wil en overigens van hun gebrek aan edelmoedigheid en aan liefde voor recht. Dit zo zijnde, volgde er uit dat degene die zich de hem bekend geworden euvelen zo sterk aantrok dat hij zijn broodwinning er aan gaf en alles in het werk stelde om hen verholpen te zien, een zeer buitengewoon man moest wezen. Er volgde verder uit dat die buitengewone man de taak was opgelegd – krachtens zijn zuiverder begrip en grotere eerlijkheid – zijn landgenoten tot een beter inzicht te bekeren. En, toen ten slotte bleek dat al zijn inspanning wel in de verbeelding- en gedachtewereld zekere resultaten bereikten – dat de lieden rilden bij zijn aanklacht en zijn werken gretig lazen en hem veel lof en geestdrift wijdde – maar de werkelijkheid onveranderd en onverbeterd liet, toen volgde logisch de slotsom dat de Nederlanders al een zeer armzalig en verdorven ras waren, te lui, te zelfzuchtig en te onverschillig om te verwezenlijken wat zij prezen op het papier en toejuichten met de mond.

Dieper en dieper in deze onvermijdelijke misvatting zich nestelende, en, met artistieke behaaglijkheid de schoonheid van zijn vergeefse kamp en edelaardige smart genietende, dwaalde hij al verder en verder van de waarheid die, had hij haar eenmaal begrepen: beter gezegd, hadden de tijdsomstandigheden hem geopenbaard het verband tussen de grieven die hij wilde wreken en de algemene zonde van de klasse van zijn vijanden – van hem zou hebben gemaakt de geniaalste, de eerste van de revolutionaire leiders van het proletariaat in Holland. Maar – en zie hier wederom een bewijs dat de maatschappelijke ontwikkeling, ofschoon zij door het optreden van personen bevorderd kan worden, zich door geen persoonlijke bemoeiing laat vervangen, zodat zelfs een uitverkoren individu als Multatuli, indien hem de maatschappelijke gegevens ontbreken die nodig zijn om onder de leiding van grote mannen zich te ontwikkelen tot belangrijke historische gebeurtenissen, slechts een gering resultaat kan bereiken, en zelfs gevaar loopt in eigen verkeerdheden zich te verstrikken – maar de scheiding der maatschappelijke klassen was in ons land omstreeks de jaren, dat Douwes Dekker zich een oordeel vormde over de publieke zaak, nog zelfs niet begonnen. Zou het, mogen wij vragen, ondenkbaar zijn geweest dat toen of althans later, in de jaren van het ontstaan, in de jaren van het verschijnen en eerste succes van de Max Havelaar, een Nederlands publicist door zijn scherpzinnigheid de diepere grond had gevonden van de euvelen tegen welke hij protesteerde? Een kalm, een beschouwend wijsgeer, die de buitenlandse socialistische beweging en litteratuur kende, zou reeds, zeggen wij in 1860, hebben kunnen opmerken dat wat Multatuli had gezien en had geleden de noodzakelijke verschijnselen van kapitalistische kolonisatie waren, zo oud als het kapitalisme en bestemd niet eerder te verdwijnen dan het kapitalisme. Zodat, wie de grieven van Havelaar wilde verhelpen, zich niet moest wenden tot een fictief Nederlands “volk”, en allerminst tot kamerleden, ministers of koningen die de direct belanghebbende rovers en aanvoerders van rovers waren, maar tot de klasse van de Nederlandse natie welke in het moederland vooral niet minder scherp werd verdrukt door de zelfde lieden die de Javanen mishandelden en hielpen mishandelen. Ik bedoel dat deze overgang van het bijzondere tot het algemene reeds dertig of veertig jaar geleden niet ondenkbaar zou zijn geweest.

Douwes Dekker, echter, was geen kalm waarnemer maar een ijverig medespeler in de komedie van deze wereld. Geen groot wonder dat iemand die zo hevig het bijzondere had gevoeld, dat hem vrij onverwachts was overvallen; die naar de Oost ging, niet als de criticus van een economisch wereldstelsel, maar als een idealistisch jonkman, besloten dapper zijn plicht te doen en zo rechtvaardig mogelijk te zijn in dienst van een regering die hem en zijn gelijken slechts gebruiken kon als handlangers van afpersing, – geen wonder dat Dekkers levenslang onder de indruk bleef van het speciale dat hem toen was wedervaren.

Wij zullen in het vervolg van deze beschouwingen zien dat later, toen de economische ontwikkeling ook bij ons een scheiding tussen proletariërs en bourgeoisie te weeg had gebracht, het voor Multatuli te laat was geworden zich bij de proletariërs aan te sluiten. -

IV

Twee oorzaken onderscheid men, die Multatuli hebben belet socialist te worden.

Ten eerste en in het algemeen, dat toen hij optrad de strijd van proletariërs en kapitalisten nergens in een hevige vorm werd gevoerd, en het scheen alsof de liberale bourgeoisie, heersende met haar constitutionele instellingen, bestemd was de maatschappij aanmerkelijk te verbeteren en te hervormen.

Ten tweede, dat Multatuli, toen zijn beroep op de liberale bourgeoisie vruchteloos was gebleken, hij alle hervormingen en verbeteringen, speciaal in Nederland en Nederlandse koloniën tot stand te brengen, onmogelijk achtte. Het socialisme zou niet slagen, waar “Max Havelaar” niets had bereikt.

Douwes Dekker, uit de bourgeoisie geboortig, zou zijn gezichtskring buiten de burgerlijke beschaving hebben kunnen uitbreiden, indien slechts een andere beschaving voorhanden was geweest. Het geheel van Multatuli’s denkbeelden en aandoeningen, zo goed als die van alle mensen, is een maatschappelijk product. Maatschappelijke werkingen, die later een klassenbewust proletariaat zouden scheppen, waren, zeggen wij tussen 1840 tot 1860, niet aanwezig. Dit kan men noemen de negatieve oorzaak van het verschijnsel.

Bij gebrek aan socialisme kon Dekker geen socialist zijn – ten zij, gelijk opgemerkt is, socialist in de zin van aanhanger der nieuwe economie, nog slechts bekend als een vreemde, buitenlandse, revolutionaire en tegelijk utopistische leer, in ons land zonder weerklank of toekomst.

Maar Multatuli was niet alleen geen socialist omdat de maatschappelijke werkingen welke de socialistische denkbeelden voortbrengen, hem vreemd waren gebleven; de maatschappelijke werkingen die de zijne bepaalden, bezaten een geheel tegenovergestelde strekking. Hier ligt de positieve oorzaak van zijn gedrag. Douwes Dekker was niet alleen een denker en schrijver van de burgerlijk-kapitalistische richting, omdat het zo goed als onmogelijk was in zijn tijd anders te wezen. Maar Douwes Dekker, eenmaal opgetreden als criticus van bourgeoisstellingen, met het doel de fouten en misbruiken te verhelpen, zodat in de plaats van een gebrekkige bourgeoismaatschappij een ideale zou treden, Douwes Dekker geraakte van deze rol onafscheidelijk en was nimmer meer te brengen tot een andere, noch theoretisch, noch in de praktijk. Aanvankelijk was het socialisme hem onbekend, later werd hij afkerig van het socialisme. Geen andere hervorming had hij voorgestaan dan een hervorming op kapitalistische grondslag; naderhand wilde hij van geen andere hervormingen horen.

Multatuli is niet als antisocialist in het openbaar opgetreden. Zijn strijd tegen het socialisme werd alleen of bijna alleen gevoerd in brieven aan vrienden en bekenden. Niemand kan zeggen hoe het later met hem zou zijn gegaan.

Toen het socialisme in Nederland de eerste levenstekenen gaf, bezat Dekker genoeg burgerlijk idealisme om deze nieuwe vorm van oppositie met sympathie te begroeten. Niettemin was hij volkomen antisocialistisch gezind, en zo dit niet of nauwelijks publiek is gebleken, was het waarschijnlijk uit een gevoel van solidariteit met alle strijders tegen burgerlijk bederf en wegens de hem in hoge mate eigen ridderlijkheid, welke met de tegenstanders van de sociaaldemocratie zich niet wilde compromitteren. Maar deze persoonlijke geneigdheid en een hoogheid van karakter, die hem bewaarde voor uitgesproken vijandschap tegen de arbeiderspartij, kon zijn inzichten niet veranderen, of zijn tactiek brengen in een gewijzigde richting, noch haar bezielen met nieuwe kracht. En, wat hij zelf binnenskamers hield of alleen bestemde voor zijn correspondenten, werd door zijn volgelingen aan het licht gebracht en gebruikt als een wapen in de publieke strijd. Multatuli heeft de ontwikkeling van het socialisme in Nederland belemmerd door die na hem kwamen. In zover is zijn afkeer van het socialisme een werkzaam motief in de geschiedenis van de Nederlandse beweging geweest, als het, op anderen overgegaan en de burgerlijke zienswijze van anderen versterkende, heeft bijgedragen tot de ondergang van het officiële socialisme in de anarchie. Bijtijds hebben zij die tot de richting van dit tijdschrift behoren, deze parasiet van de arbeiderspartij afgeschud. Maar de kleinburgerlijke elementen in de partij, die nooit van de sociaaldemocratie anders dan de strijdleuzen overgenomen, en bovendien iedere leuze goedkeurden welke hun een ogenblikkelijke populariteit beloofde, misten de moed en de overtuiging nodig om weerstand te bieden aan het indringen van de anarchie.

In Nederland, nu, is inderdaad door niemand het zedelijk gezag van het anarchisme machtiger gesteund dan door Multatuli. Juist niet als vijandig aan de sociaaldemocratie is Multatuli opgetreden. Bezaten wij thans niet zijn Brieven, dan zouden wij in zijn geschriften van enig antisocialisme de sporen nauwelijks vinden. Overigens, echter, is alles wat tot het wezen van de anarchistische theorie behoort, in zijn werken voorhanden. Multatuli is het type van een aan abstracte begrippen verslingerde geest. Dit is de werking van de burgerlijke maatschappelijke positie, welke verbiedt te erkennen dat de burgerlijke ideeën en idealen afschijnsels zijn van deze positie zelve en herinneringen aan de strijd geleverd om haar in te nemen – maar welke veeleer voorschrijft te geloven dat de burgerlijke maatschappelijke positie naar die idealen en ideeën is ingesteld en even onveranderlijk als zij – slechts te verstoren, wanneer het zuivere gevoelen en scherpe denken hun macht over het mensdom zouden hebben verloren. Multatuli – verdere bewijzen volgen – rekende, bijvoorbeeld, met het idee van vrijheid als met een begrip van een vaste inhoud, kenbaar voor ieder verlicht en rechtschapen gemoed, en dat algemeen in de wereld zou heersen zodra genoeg edelaardige en verstandige lieden zouden besluiten volgens hun inzichten de wereld te veranderen. Multatuli daarom was tegen leerplicht, onverschillig welke de resultaten zouden zijn, en alleen gedachtig aan de onverenigbaarheid van het systeem met de betekenis van het woord vrijheid. Hij bekommerde zich niet, en zou zelfs niet begrepen hebben wat men bedoelde, met de oorsprong van het idee, met de redenen van zijn en andere ingenomenheid. En dat de vrijheid heden in het belang van de bourgeoisie kon zijn , zonder daarom morgen te wezen in het belang van het proletariaat, was een beschouwing voor welke Multatuli geheel blind moet geweest zijn...

De directe volgelingen van Multatuli hebben zijn denkwijze tegen de sociaaldemocratie geëxploiteerd en de verwoestingen van het anarchisme zeggen ons dat zij niet zonder succes hebben gearbeid. In vroeger jaren waren de werken van Multatuli de voorname studie van alle geavanceerde personen in de kleinburgerij en bij de arbeiders. Schijnbaar leidde zij tot het socialisme. Het ontbrak aan eerlijke en bekwame lieden om het verschil duidelijk te maken. In waarheid leiden de geschriften van Multatuli tot de burgerlijke nabootsing en onverzoenlijk aan haar vijandige karikatuur: tot de anarchie. De propagandisten van het socialisme hebben niet alleen te strijden gehad tegen de hier met een enkel voorbeeld aangeduide denkwijze, maar talloze malen heeft men hen bestookt met aanhalingen uit Multatuli. Doch juist de hier behandelde bundel brieven levert ons de directe bewijzen dat de algemene anarchistische filosofie die Multatuli verkondigde, één was met zijn weerzin tegen het socialisme.

Behalve deze bijzondere lering, overtuigt ons deze verzameling wederom van de waarheid dat de burgerlijke beschaving zelfs aan haar meest uitmuntende vertegenwoordigers geen gezichtspunten verschaft die in staat stellen het socialisme te begrijpen, veel minder, het te beoordelen.

V

De eerste brief in de bundel is gericht “aan de Voorzitter van het Democratisch Congres te Antwerpen”, en gedagtekend 29 mei 1873. Het lange stuk overgenomen uit het destijds te Antwerpen verschijnend “Vrije Volk”, orgaan van de Democratische Bond voor Noord- en Zuid-Nederland, bevat het antwoord van Douwes Dekker op een uitnodiging voor genoemd congres, welk antwoord tevens een weigering was.

In deze brief nu, vindt men de afdoende bewijzen dat Multatuli reeds toen ongeschikt was voor ernstige hervormingsarbeid. Zijn plaats in de rijen van de burgerlijke oppositie tegen de misbruiken van het koloniale systeem, was hij zich niet bewust, Multatuli heeft zijn eigen beeld van eerlijk en menslievend ambtenaar geïdealiseerd en in zijn werken onsterfelijk gemaakt. Zijn verzet was een individuele daad, die hoog uitstak boven het gemiddelde van zijn stand en beroepsgenoten, een voor de bourgeoisie zeldzaam edelmoedig en geniaal protest, maar niet het teken van een beweging in de bourgeoisie welke tot iets zou leiden. Waarom kon Douwes Dekker het overige van zijn leven doorbrengen met het staren naar het ideale beeld van Max Havelaar? Omdat aanvankelijk geen mogelijkheid bestond voor een reële strijd om aan Max Havelaar recht te verschaffen. Hij bleef zitten met zijn illusie en zag voortaan niets anders. Toen langzamerhand een beweging ontstond, die door Multatuli begrepen en gesteund, een macht had kunnen zijn, ook te gebruiken in de Havelaarszaak, was zijn blindheid voor haar betekenis, en voor politieke bewegingen in het algemeen, volkomen geworden.

Hij zag enkel dit ene: het opstaan van één bijzonder man tegen onrecht en laagheid – gevolgd door niets dan enig gedruis van handgeklap en bravo ter ene, van scheldwoorden ter andere zijde. Douwes Dekker bleef wachten op een zichtbaar, feitelijk protest van de beschaafden, de gegoeden, de invloedrijken – zonder wier hulp of initiatief, het hem, de bourgeois, niet mogelijk was zich een beweging van enige betekenis te denken. Maar een zodanig protest kwam niet. Wat Dekker van de aanzienlijken ondervond was integendeel openlijke tegenwerking of een vertoon van sympathie, erger somtijds dan vijandschap. Een Multatuli commissie van omstreeks 1870 slaagde er enkel in hem ontzaglijk te grieven. Dekker, van deze zelfde tijd tot zijn overlijden in het begin van 1887 buitenlands, geraakte in de politiek steeds verder van de enig juiste weg. Zijn vergeefs wachten op een onmogelijke gebeurtenis stemde hem bitter. De noodzakelijkheid van letterkundige arbeid voor zijn brood vervreemde hem van de werkelijkheid, dwong hem zijn toch reeds niet op een bepaald staatkundig doel gerichte propaganda, uitsluitend schriftelijk, veelal belletristisch te voeren. Menigmaal stak hem de walg wegens deze zijn eigen houding en het loze, onvruchtbare succes van zijn pennenwerk. Ook dit is een teken van zijn door geen onafhankelijk denken noch onverschrokken kritiek te doordringen burgerlijke begrensdheid. Omdat zijn geschrijf het doel niet trof dat het onmogelijk had kunnen bereiken, nl. een doortastend optreden van de bourgeoisie te zijnen gunste, wanhoopte hij aan de nuttigheid van het schrijven. Hij verwachtte een wonder: dat Droogstoppel aan Multatuli de hand zou reiken tot een revolutionaire maatregel. En de zelfzuchtige, daadloze, aan alle idealen ontzonken bourgeoisie vond, het moet erkend worden, in Multatuli een leider die het haar niet lastig maakte. Zijn kritieken waren fraaie prozawerken, bij de meeste boekhandelaren verkrijgbaar, verschenen bij solide uitgevers; en de persen van Funke kraakten beurtelings van de “Ideeën” en van het “Nieuws van de Dag”. Gesteld dat zij hadden gewild, hoe hadden zij zich moeten gedragen – de kopers en lezers van Multatuli’s werken? Iets anders dan litteratuur werd hun niet geboden, een programma van actie bleef hun onthouden, het middel om bewondering voor het geschrevene te verheffen tot handeling in de geest van de schrijver hield Multatuli voor zich.

Inderdaad, hoewel tot zijn dood Douwes Dekker zich bleef plagen met het nadenken over het grote raadsel van zijn leven, – een man van actie zelf te zijn en van het volk dat hij toesprak niets dan actie te begeren, doch behalve de ene grote daad in zijn ambtenaarsloopbaan niets te hebben verricht dan letterkunde en niets te hebben verkregen dan letterkundige beroemdheid, is deze schijnbare tegenstrijdigheid slechts de volkomen logische en noodzakelijke uitkomst van alle pogingen om de bourgeoisie te bewegen de burgerlijke maatschappij te verstoren.

Ik ben er natuurlijk ver van af aan Multatuli te verwijten dat hij aan de Rijn bleef zitten in plaats van in Holland de boer op te gaan, de kiesverenigingen te bezoeken, vergaderingen te beleggen en in de dagbladen te schrijven. Mijn stelling is juist dat hem in de praktijk een terrein van handelen ontbrak. Douwes Dekker zag het feit maar kende de oorzaak niet, want de oorzaak was de afwezigheid van een maatschappelijke klasse, in staat en bereid tot daden over te gaan; en hij heeft van de strijd der maatschappelijke klassen nooit het geringste begrepen. Ook dit is geen verwijt; veeleer, gelijk is gezegd, een treffend bewijs van de waarheid dat het gehele geestesleven zelf een maatschappelijk product is en geen persoonlijke scherpzinnigheid bij machte te vergoeden wat historisch noodzakelijk aan het geestesleven van personen of klassen mankeert.

Multatuli, derhalve, was veroordeeld tot het isolement dat erger is dan gevangenisstraf. Gestadige aanraking met de realiteit schijnt een onvermijdelijke eis van de menselijke geest; het bad des levens zonder welks reinigende en sterkende werking verschrompeling van alle vermogens der ziel vroeg of laat moet intreden.

Van Multatuli’s afzondering was de geografische verwijderdheid van zijn woonplaats de onmiskenbare uitdrukking. Hij leefde ver van Nederland, buiten de werkelijke beweging in het Nederlandse volk. Na enige tijd bezat Multatuli niets meer dan zich zelf. Hij werd overgevoelig voor lof en blaam, woedend vijandig tegen de auteurs van ongunstige beoordelingen, wegwerpend hartelijk jegens de minst beduidende lieden die het gebeurd was zich goedkeurend over hem uit te laten. Hij miste de troost van de vooruitgang van zijn zaak, bij de miskenning van zijn persoon; want zijn zaak was zijn persoon. Hem ontbrak de voldoening, anderen voor zijn beginsel met gelijke of groter kracht te zien strijden; want hij was een eenzame strijder. Multatuli kende niet de verheffende solidariteit; de rustige schouder van kameraden; de verkwikking van de gemeenschap der geesten, die de individuen verbindt en het individu bevrijdt. – Vandaar in zijn brieven die de intiemere aanduiding van zijn zielenleven bevatten, een dikwijls kleingeestige prikkelbaarheid, een angstige zorg voor details, een hopeloze afmatting, een verdrietig berusten; en, bij onmatige zelfverheffing, geen blijmoedig besef van met goed resultaat de waarheid te hebben gediend.

De onbekwaamheid voor praktische inmenging toen het ogenblik was gekomen, werd bij Douwes Dekker verergerd door een andere oorzaak.

De tijdsomstandigheden, die Douwes Dekker hadden gedwongen zich te wenden tot de verkeerde mensen, zodat hij na tien jaar vergeefse strijd en ontzenuwend wachten zich terugtrok, en, vereenzaamd in ieder opzicht, geheel van de praktijk vervreemd, terende op de herinnering van de grote daad in zijn leven en het beeld van zijn vroeger zelf verheerlijkende in de litteratuur welke voortaan zijn uitsluitende bezigheid werd – de tijdsomstandigheden maakten van deze nawerking een onoverkomelijk beletsel.

Immers, de zeldzaamheid van het protest door Dekker in Indië uitgebracht, is wat zijn houding hoofdzakelijk kenmerkt. Sedert het optreden van een arbeiderspartij en de ontwikkeling van de klassenstrijd, werden bewijzen van offervaardigheid en zelfverloochening gelijk de zijn veelvuldig gegeven, dikwijls door personen die onbekend blijven en op een wijze die geen aandacht trekt. Waar zou het heen moeten, als de talloze personen die in de socialistische propaganda hun maatschappelijk voordeel zagen verloren gaan, aanspraak wilden maken op enige onderscheiding? In de bourgeoisie was Multatuli een uitzondering, in het proletariaat is het een uitzondering niet te doen zoals hij. Multatuli mocht zijn vijanden vragen naar het kleed van kemelshaar in de woestijn versleten. Ging men in het socialisme er naar vragen, dan zou men een afzonderlijk confectiemagazijn moeten inrichten. En Multatuli werd zo zeer bezig gehouden door het achter hem liggende schouwspel van de buitengewoonheid welk hij zelf had verschaft, dat de aanwezigheid van dezelfde dingen om hem heen, nu gewoon geworden, niet door hem werd opgemerkt. Terwijl de socialistenwet in Duitsland honderden brodeloos maakte, in de gevangenis wierp, het land uitdreef, een lijden en een verdrukking, die geen fraaie letteren inspireerde maar tot edele daden spoorde; bleef Douwes Dekker recht vragen voor “Havelaar” en zag niet het onrecht dat een hele klasse leed – zo drukte op hem het noodlot van te behoren tot de bourgeoisie die zelfs door haar deugden kwalijk wordt gediend.

Wat Multatuli in vele van deze brieven over socialisme of aan socialisten – een enkele maal aan democraten – schreef, kunnen wij niet anders dan aan ijdelheid en tot idee-fixe verworden zelfbeschouwing wijten. Echter niet dan met het voorbehoud, dat in de omstandigheden waarin hij verkeerde, zijn kracht zich als deze zwakheid noodzakelijk moest voordoen.

VI

Dekker weigerde het congres bij te wonen op argumenten welke hen die hem uitnodigden, zullen overtuigd hebben dat revolutionaire of zelfs hervormingsgezinde mannen niets meer te verwachten hadden van Hollands grote schrijver. Meer nog: zijn brief bewijst een schrikwekkende afwezigheid van realiteitskennis; Multatuli, aan zich zelf overgelaten, aan de zelfstreling van het besef van zijn kwaliteiten, aan het teisterende gevoel van zijn onmacht, in onwetendheid van wat buiten zijn wereldje gebeurde, was vervallen tot een aan ontoerekenbaarheid grenzende ijdelheid.

Dekker, als een verontschuldiging voor het aanvankelijk onbeantwoord laten van de uitnodiging, brengt de opmerking te pas dat ook hij nog geen antwoord heeft gekregen “op mijn brief aan de koning in september” ... en, erger nog, dat de natie, “democraten zomin als andere partijgangers, mij niet geantwoord (hebben) op de “Havelaar” die reeds dertien jaren oud is!” – Het is klaar, dat dit niet de stemming is van iemand die zich bezig houdt met de vraag hoe hij koning en natie tot antwoorden kan dwingen; en die het bijeenkomen van het democratische congres geenszins heeft overwogen als een maatregel die wellicht enig nut kan stichten, maar enkel als een aanleiding voor hem om zekere beweringen aan de man te brengen. Toen Dekkers antwoord in druk verscheen, zullen niet weinigen met teleurstelling hebben bemerkt dat op deze wijze aan “Havelaar” wel nimmer recht zou geschieden: – immers Multatuli was er toe gekomen de persoon van Douwes Dekker gewichtiger te vinden dan de zaak van “Havelaar”.

“Wat nu – schreef hij verder – wat nu het bijeenroepen van het congres aangaat, ik begrijp waarlijk niet, hoe men mij daartoe kan uitnodigen.

Voor zeer veel jaren reeds stak ik een vaan uit, en niemand kwam. Ik riep en niemand antwoordde. Ik schudde het volk een ogenblik wakker – of nagenoeg, en men liet toe dat alles weer indommelde.

Hoe nu dezelfde personen die het geduldig aanzagen dat ik door gelovers en behouders, of liever door de mannen en place van alle partijen, werd mishandeld, thans op het denkbeeld kunnen komen dat ik aan hun roep zou gehoor geven, is mij raadselachtig”. Spreekt hier iets anders dan een kleinzielige verbittering? En zo uit zich een van de scherpzinnigste en edelmoedigste mannen der Hollandse ... bourgeoisie! Geen spoor van belangstelling in de zaken die de democraten zouden behandelen; van blijdschap dat sommigen, wellicht ook aangevuurd door het relaas van de mishandelingen door hem geleden, de publieke kwestie wilden ter sprake brengen in een congres waarbij zijn tegenwoordigheid verzocht werd ... Zulke dingen laten zien met hoeveel recht wij van de burgerlijke beschaving spreken als op weg haar plaats af te staan aan die van het proletariaat. “Wat zou van het socialisme terecht zijn gekomen als de lijders of de leden geredeneerd hadden als Multatuli? En zo wij, bij uitzondering, leiders kennen die op Dekker geleken; die niemand naast zich duldden, die vriendschap gaven voor vleierij, en vijandschap voor kritiek, die het beginsel achterstelden bij hun persoon, dan was dit omdat ook zij uit de bourgeoisie afkomstig, de ondeugden van hun klasse niet hadden overwonnen. Voor Douwes Dekker had het integendeel een vreugde behoren te zijn dat Havelaar kans kreeg op een sympathiek gehoor; dat lieden opstonden en een organisatie begeerden waarmee, al zou zijn naam zijn verzwegen en zijn medewerking niet verlangd, de zaak van recht en waarheid klaarblijkelijk slechts kon winnen.

Multatuli, zeiden wij, begreep niets van het opkomen der proletarische beweging, die na 1870 ook in ons land zichtbaar werd. Dit bewijst reeds de hier meegedeelde aanhef van zijn brief aan het Democratisch Congres, waarin hij haar eerste levenstekenen begroette. Multatuli begreep ook niet de noodzakelijkheid van de politieke vormen, welke deze beweging moest aannemen.

Hij schreef: “Men kan bovendien weten, dat redevoeringen, debatten, verhandelingen, parlementeren, enz. enz. mij zeer tegen de borst stuiten. Door frasen is het volk bedorven, het zal door frasen niet genezen worden. In alle geval behoor ik niet bij “Vergaderingen”, het Parlage van democraten bevalt mij geen haar beter dan dat van de meest ouderwetse conservatieven. Integendeel. Ik kan nog beter met een redevoerende minister overweg dan met een werkman die aan het raisonneren slaat, zegge déraisonneren gewoonlijk.”

Multatuli gaf hier opmerkingen die wederom bewijzen dat de schijn van uiterste geavanceerdheid verenigbaar is met het wezen van de reactie. – Hoe zouden de democraten, de werklieden, anders handelen dan op de manier die de schrijver beschimpt – en sommigen thans nog gedachteloos napraten? Zich tegen arbeiderscongressen verklaren met deze argumenten, was de reactie in de hand werken. Als alle woorden vooruit frasen genoemd mogen worden, wat was dan de arbeid van Multatuli anders dan een eindeloze fraseologie? Zeker zullen ten slotte alleen de daden helpen, maar kan men daden met toverij verrichten, de mannen van de daad uit de grond stampen? Was geen onderling overleg, wederzijdse bespreking, gemeenschappelijke verstandhouding nodig? En wat de democratie betreft, hoe kon een klassenbeweging die de grote massa moet omvatten, organiseren en tot bewustheid brengen van haar taak, anders dan democratische gedachten inspireren en zich bedienen van andere dan democratische vormen? Niet omdat wij menen dat er een abstract meerderheidsrecht is, of dat de meerderheid als zodanig verondersteld moet worden het gelijk aan haar zijde te hebben, zijn wij democraten; maar omdat wij het belang van de massa bedoelen en dit niet eerder zullen bereiken dan als de massa tot inzicht en tot macht is geraakt. “Zou toevallig de proletariërklasse de kleinere helft van de bevolking zijn, dan zouden de socialisten geen democraten zijn, maar de heerschappij prediken van de minderheid. Multatuli, echter, hechtte aan het woord democratie de abstracte, burgerlijke betekenis; de leer van de eerbied voor het cijfer ontstemde hem, wat een blijk is van zijn scherpzinnigheid als burgerlijk beoordeler, maar tevens van zijn gebrek aan begrip van het grote verschijnsel van zijn dagen: de ontwikkeling van het klassenbesef der arbeiders. Douwes Dekker is althans zo openhartig en zo consequent zijn voorkeur aan het parlementeren van een “minister” niet te verzwijgen. In 1873, na de Commune, de Franse en vooral de Duitse socialistische partijvorming, een bewijs van typisch burgerlijke kortzichtigheid.

VII

Douwes Dekker had zijn brief aan het Antwerpse Congresbestuur niet alleen voor de geadresseerden, maar voor het publiek bestemd. Althans hij verleende per postscriptum volle vrijheid voor publicatie, zich alleen verontschuldigend wegens zijn gebrek aan tijd om aan de “slordige vorm” het nodige te verbeteren.

“Wat was het advies dat hij zijn geestverwanten, zijn vereerders en in het algemeen allen gaf, die de handen wilden ineenslaan tot maatregelen van hervorming, tot propaganda van het betere onder de massa?

De democratische vormen, zagen we, waren door Multatuli niet begrepen, en evenmin had hij begrepen dat alleen van een volksbeweging iets te hopen viel. Gaf hij dan een andere leuze, of deed hij zelfs maar een ander praktisch middel aan de hand, buiten of tegenover de democratie, waarvan men zich zou moeten bedienen? Geen van beiden. Wie toen naar Multatuli hebben uitgekeken om raad, om hulp, om een wenk in welke richting het handelen lag dat hij aanprees en dat zij als nodig erkenden – zij zijn met een praatje afgescheept. Zo hulpeloos en reddeloos betoonde in hun beste man zich reeds toen de Nederlandse bourgeoisie! Een treffend bewijs bovendien dat andere dingen te willen doen als op een gegeven tijdstip van de maatschappelijke ontwikkelingsomstandigheden doenlijk is, een nutteloze inspanning moet heten; – en dat geen persoonlijke begaafdheid bij machte is te volbrengen wat de maatschappelijke omstandigheden niet veroorloven; – eindelijk, dat de inspanning ook van de meest begaafde niet slechts nutteloos is, maar gevaarlijk dreigt te worden wanneer zij de natuurlijke loop van de maatschappelijke ontwikkeling verkeerd verstaan of tegen haar zich willen verzetten.

Want wij hebben met niets anders te doen dan met het geniale ongeduld van het individu, dat de werking van de sociale oorzaken van de vooruitgang te langzaam oordeelt, en haar door zijn persoonlijk ingrijpen wil vervangen. Multatuli, heb ik gezegd, had zijn bijzondere redenen die hem dreven. De edelmoedige buitensporigheid die aan zijn ambtenaarsloopbaan een eind had gemaakt, paste niet in de politieke werkelijkheid van de dag en bleef daarom op voorhand vruchteloos. Aan zich zelf overgelaten, in zich zelf opgesloten, tot zich zelf beperkt, zat Multatuli met zijn onschatbaar talent als een Samson in ketenen.

Erger nog. De maatschappelijke ontwikkelingsgeschiedenis is de geschiedenis van de productiewijze en van haar sociale verschijnselen. En onder deze is de strijd van de bezitterklassen en der niet-bezitters (tenzij somtijds de twist van de bezitters onderling) het grote feit dat wij hebben gevonden in de politieke en sociale gebeurtenissen. Bijzonder in de tweede helft van deze eeuw is de toestand van de productie zó, dat een heviger wordende klassenstrijd tussen proletariërs en kapitalisten bet gehele politieke leven is gaan beheersen. Wat is nu geworden het motief van maatschappelijke verbeteringen en geestelijke vooruitgang? Vroeger was het de opstijgende tak van de kapitalistische productie, en van deze ontwikkelingsfase de politieke uiting: de groei van de kapitalistische klasse. Nu is het de neerdalende arm van de productiewijze en de beweging van het proletariaat. Zo is nu eenmaal de werkelijkheid samengesteld, onze keus is niet vrij, wij zijn gebonden aan de feiten van het leven. Wie met raad of daad de geestelijke vooruitgang, de maatschappelijke verbetering wil dienen, moet op een of andere wijze de arbeidersbeweging te hulp komen. En de arbeidersbeweging, niet zoals men wenste dat zij zou zijn of zich verbeeldt dat zij kon zijn – maar zoals zij is. Namelijk, de socialistische partij – of, want wij spreken over een tijd toen in ons land van geen klassenbeweging in het proletariaat iets te vinden was, de burgerlijke democratie die de opleving is van het burgerlijk idealisme onder de weldadige invloed van de denkbeelden door de ontwikkeling van het socialisme gewekt.[1]

En wie nu, als Multatuli, in blindheid voor de werkelijkheid en overmoedig hechten aan eigen initiatief, de beginnende tekenen van een nog met de burgerlijke democratie verbonden arbeidersbeweging miskent; en, in stede van haar met zijn krachten te versterken, haar wil terzijde schuiven en in haar plaats treden – hij doet erger dan nutteloos, hij doet verderfelijk. Immers is hier een geval van strijd, en die een der partijen niet helpt, helpt de andere. Ik zeg niet dat Douwes Dekker gehouden was ingenomen te zijn met alle uitingen van burgerlijke democratie, arbeidersbeweging, enz., welke in de tijd die hier bedoeld wordt, merkbaar werden – maar gehouden was hij, wil ik zeggen, alle deze tekenen met belangstelling, met sympathie gade te slaan en de zaak van het volk te dienen met wijze en billijke kritiek. Wat hij hier in zijn brief schreef was een schampere en onverdiende afwijzing, en zijn antwoord op de uitnodiging enkel een kreet van gekwetste zelfliefde. De dingen die hij schreef moesten, omdat Multatuli ze schreef, de democratische belangen schade doen. De volksvijanden konden zich in stilte verheugen, dat de meest te vrezen vijand van de bourgeoisie zich in de verte zat te verkniezen in ijdel utopisme en kleingeestige geraaktheid. De averechtse volksvrienden die met een bescheiden plaats in de rijen van de strijdende massa niet tevreden waren en priester wilden spelen in de kerk van een sekte, zij konden zich op zijn antidemocratische frasen beroepen en zich dekken met de aan Multatuli ontleende schijn van uiterste geavanceerdheid.

In de plaats van Multatuli’s medewerking kreeg men een woordenkraam zonder slot of zin:

“Wie het goede wilde, had mij moeten steunen. En dit is nog zo. C’est a prendre ou à laisser! Ik zal zorgen dat de 19e eeuw niet sluit voor men van deze waarheid de overtuigendste blijken heeft gezien. Ik wijk niet terug, en doe wat ik op de laatste blz. van de “Havelaar” gezegd heb. Te zijner tijd zal ik nota houden, niet van degenen die mij oproepen – dat is onnodig en zelfs enigermate ongepast; het is alsof men u voorstelde te Antwerpen te komen wonen en daar in het Volksblad te schrijven! – maar van de weinigen die tempore utili teken van leven hebben gegeven op mijn roep.”

De strekking van deze grootspraak welke ieder veroorloofde rustig bij het vuur te blijven, ja tot stilzwijgen dwong door overvloed van strijdlust – en van niemand een andere inspanning eiste dan de betuiging van zijn sympathie met Multatuli, werkte de briefschrijver nog nader uit.

“Wat wilt gij doen?” vraagt hij. Gij zijt voorstanders van de vrijheid? Welnu, begeef u dan “onvoorwaardelijk” onder een “dictatuur”. Dit is “de eerste stap tot vrijheid.” Discipline moeten de democraten stellen tegenover “de wel georganiseerde macht van hun tegenstanders”. De aanvoerder zou Multatuli zijn...

Doch de poging om de langzame en moeilijke vrijmaking van de onderdrukte volksklasse, die alleen zich zelve kan bevrijden, te vervangen door een dictatoriaal ingrijpen van een individu, moest wel op niets uitlopen. Vergeleken bij de grootse werkelijkheid die Multatuli miskende, was zijn persoonlijk optreden een kinderspel. De waarheid is, dat iemand die dictator zou kunnen wezen, te verstandig is om het te willen zijn; en slechts iemand die het niet vermag, voelt zich geroepen. Deze waarheid bleek, want indien Dekker iets anders had bedoeld dan een uiting geven aan zijn daadloze stemming en zijn onmacht verschonen met fraaie volzinnen, zou de generaal allereerst zich hebben gehaast zijn tegenwoordigheid te brengen in een kamp van medestanders, die juist bijeenkwamen om organisatie en discipline te versterken. Het kapitool, noch het kapitaal, zegt Dekker, is te veroveren door een “onordelijke troep”. Volkomen waar, maar het Congres vergaderde immers om de orde te stichten? Niet als een bits verwijt, maar als een helpende hand had de kritiek van Multatuli moeten worden aangeboden; niet in een paar bladzijden schriften uit de verte maar als een waarschuwende en levende stem in de vergadering die hem had uitgenodigd.

Multatuli eindigt zijn brief met te zeggen dat als er “ongewone wrijving” in Holland is, zowel politiek als godsdienstig, dit voornamelijk het gevolg moet heten van zijn voorbereidende arbeid. Welnu, des te meer reden dat hij het begonnen werk niet in de steek had moeten laten. “Waarlijk”, schrijft hij, “men zou niet op zijn gemak geweest zijn in Den Haag, indien het volk, wiens eer ik trachtte te handhaven, zich om mij geschaard had!” Zeker niet; maar als er nog enige vrees voor Multatuli mocht zijn overgebleven in regeringskringen, heeft deze brief van hem ongetwijfeld alle ongerustheid verdreven.

Want nu bleek duidelijk dat, wat het volk zou ondernemen om zich te bevrijden, van Multatuli niets meer was te verwachten. Bij hem besliste de vraag die hij hier doet: “Waarom (mijn verdiensten) niet erkend? Waarom niet mijn pogingen tot uitgangspunt gekozen, enz.?” Die slechts zichzelf ziet, bewijst dat hij de grootsheid van de proletarische beweging niet beseft; en het is alleen een verder bewijs van zijn onmacht om haar te verstaan, als hij om hulp aangemaand, zich verliest in wilde en onvruchtbare grootspraak.

VIII

Het feit dat Multatuli zijn verder leven werkloos is gebleven; altijd malende over de omstandigheid hoe het toch mogelijk was dat de Hollanders maar niet naar hem wildon luisteren, en een door hem zelf slechts vaag aangeduide beweging afwachtende, die onder zijn dictatuur een volkomen twijfelachtig gebleven weg zou inslaan – terwijl deze beweging niet lukte en hij er ten onrechte uit afleidde dat zijn invloed gering was en zijn volgelingen hem in de steek lieten, hetgeen wederom zijn initiatief verlamde en zijn stemming verbitterde; dit feit, dat voor ons thans niets raadselachtigs meer bevat, kunnen wij nog beschouwen van een andere kant door te letten op Dekkers meningen over het socialisme dat in deze jaren van zich deed spreken.

Een algemene opmerking vooraf. – De betekenis van deze dingen zou voor ons verloren gaan indien wij menen dat de schuld bij Douwes Dekker lag, die geen economie had gestudeerd. Immers, socialist te zijn is niet in de eerste plaats een gevolg van studie. Zo waar het is, dat niemand socialist kan worden dan door de kennis van zekere economisch-historische zaken in zich op te nemen, zo waar is het, dat zodanige kennis niet voldoende mag heten. Om de kennis van hetgeen nodig is, zich ten nutte te maken, is een algemene geestelijke voorbereiding onmisbaar, welke op dit ogenblik alleen in de praktijk van het leven kan worden verkregen. De leden van de arbeidersklasse, zover zij hun positie zich bewust zijn geworden, bezitten die voorbereiding al spoedig. Zulke dingen als de aanwezigheid van klassen, de economische grondslag van de klassenverdeling, de noodzakelijkheid van de strijd der klassen – zij ondervinden het zodra zij hebben leren rondzien in de wereld en weten ten minste de beginselen van deze waarheden eer zij iets anders weten. Dan moet de studie komen die de beginselen ontwikkelt, oorzaken van gevolgen leert onderscheiden, en de kennis verandert tot een wapen in dezelfde beweging waaraan de kennis is verschuldigd.

Maar de bourgeoisie blijft van de voorbereiding verstoken. Wat haar de praktijk van het leven onderwijst, is integendeel een les welke het ontvankelijk worden voor de waarheden van de sociaaldemocratie belemmert. Zo zij het klassenkarakter van onze maatschappij enigermate beseft, is het in de vorm van een onuitroeibaar geloof aan de noodzakelijkheid van een grote menigte lieden die de moeilijke en onaangename en slecht bezoldigde baantjes waarnemen, om aan een kleinere groep van personen het lichte en aantrekkelijke werk te laten dat ruim wordt beloond. De bourgeoisie die van het openbare leven de leiding heeft, moet menen dat zij een taak verricht welke haar aanspraak geeft op de dankbaarheid van de gehele samenleving – en dat het geval waarin sommige van haar leden verkeren van zich ongestoord aan kunsten en wetenschap te wijden, en de publieke posten te vervullen, ook zonder betaling, een toestand vertegenwoordigt buiten welke geen beschaving mogelijk is, en een vrije ontwikkeling van het hogere in de mens ondenkbaar. Ik spreek nu van het kleine en beter deel der bourgeoisie. Ook hun lieden bereikt het socialistische stelsel, wanneer het tot hen doordringt, in de onbestemde vorm van een droom. Zij zullen de onverwezenlijkbaarheid van de schone gedachte ernstig betreuren. Het karige, de schrielheid van de kapitalistische samenleving, die wat zij aan de één geeft, de ander heeft ontroofd, en nergens een verheffing duldt welke niet meer dan opgewogen wordt door een verlaging elders, – die ja, geluk en rijkdom kent doch alleen als de keerzijde van armoede en ellende, het zal hun alles toeschijnen overeen te komen met de noodlottig onvolmaakte menselijke natuur. Elke voorstelling van maatschappelijke gegevens die in niets op de onze gelijken, dunkt hun een utopie, waarvan het beste is gezegd als men haar een ideaal noemt.

De besten uit de bourgeoisie zullen op dit punt het minst ontvankelijk zijn: – de geleerden, de kunstenaars, de ernstige publicisten, de eerlijke staatslieden, de idealistische denkers. Hun gaat het welzijn van de wereld ter harte. Maar zij zien de zeldzaamheid van het geluk, het streven van de grootte massa gericht op voordeel, de heerschappij van het onrecht, het geringe idealisme en de machteloosheid van hen die het goede voorstaan. Dit is wat het leven hen leert. En de boeken, geschreven door mensen als zij, maken hen niet veel wijzer. Hun, daarom, slaat de angst om het hart als zij van diepe hervormingen horen. Van revolutionering der bestaande orde, van een volstrekt nieuwe maatschappij. Wie zal haar tot stand moeten brengen? Wat zal er van de orde overblijven als zij eenmaal wordt aangetast? Hoe is het mogelijk dat men aan ingrijpende wijzigingen geloof slaat? Met zoveel moeite en ten koste van zo veel leed, immers, heeft men thans een weinig beschaving en geluk bemachtigd, een toestand verkregen die het behoud van de voortbrengselen van het hogere geestes- en gevoelsleven enigermate waarborgt – zij het zonder winst voor de menigte en als een privilegie van enkelen, dat een poging om deze toestand te veranderen gelijk staat aan het te voorschijn roepen van de chaos waarin alle geluk en beschaving ondergaat, het leed en de moeite vruchteloos worden gemaakt van talloze geslachten. – De werkman, echter, die het kort begrip van ’s werelds kwaad dagelijks ontmoet, ontdaan van ideologische hulsels, eindigt spoedig met alle grotere euvelen van deze tijd te erkennen als gevolgen van het economische stelsel dat de grondslag is van onze maatschappij. Hij kan niet berusten maar moet tot zijn laatste ogenblik strijden tegen de noden die het kapitalisme legt op zijn klasse. Verzet hij zich niet langer dan is zijn laatste ogenblik gekomen. De gegoede geleerde, de wijsgeer, de staatsman heeft de keus tussen een deelnemend gadeslaan, een werkzaam ingrijpen, een onverschillig toekijken.

Maar de arbeider niet. Hij brengt zijn leven door met een voortdurende poging om in het leven te blijven. Hij is verplicht de strijd te aanvaarden, en zijn leven, zijn arbeidskracht zo duur mogelijk te verkopen. Hij kan geen pessimisme bekostigen, hij heeft alleen iets te hopen van zijn inspanning en zijn geluk. En van zijn dagelijks werk tot zijn politiek, is maar één stap. Het is dezelfde strijd: het verzet tegen het kapitalisme. Het individu tracht van de door hem voortgebrachte waarde een groter deel te krijgen dan de arbeidsgever bereid is te verlenen. De klasse streeft naar afschaffing van het stelsel dat haar aan die van de bezitters onderwerpt. En zal hij nu vrezen voor enig kwaad als hij de middelen om te produceren aan de handen ontneemt van die hem uitzuigen, en hun bezit gebruiken zover er winst mee te persen is uit arbeiderslichamen? Hij ziet te goed als in de spiegel van zijn dagelijkse ervaring die niet liegt, al de specifiek-kapitalistische en maatschappelijke oorzaken van de euvelen door welgezinde burgers toegeschreven aan algemeen-menselijke en natuurlijke redenen, om in zijn revolutionair streven naar een samenleving van een hogere orde te worden weerhouden door enige aarzeling of angst. De niet-ideologische, de maatschappelijke levensbeschouwing hoeft hij niet eerst uit de boeken te leren. Zijn politiek is de toepassing van zijn dagelijks leven in ruimer verhoudingen; hij wordt groot gebracht voor de sociaaldemocratie. Multatuli, zoals in het voorgaande uitvoerig is aangetoond, kende het klassenkarakter niet van onze maatschappij; en toen voor het eerst de klasse der werklieden en de burgerlijke democraten aanstalten maakten om op de min of meer duidelijk aangewezen grondslag van de moderne klassenstrijd in het openbare leven te treden, miste men hem in hun rijen. Dit was, wilde ik zeggen, niet in de eerste plaats het gevolg van gebrek aan economische kennis. Niemand betwijfelt dat Douwes Dekker beter dan de meesten tot de studie van deze onderwerpen bekwaam zou geweest zijn. Is, derhalve, wat hij van het socialisme, en ook van het kapitalisme zegt, een aaneenschakeling van vergissingen, waarbij zeer platte, zo blijkt daaruit weliswaar dat hij geen werk had gemaakt van economie – maar dit is wederom het gevolg van gemis aan voorbereiding om economie te verstaan, en van de aanwezigheid van de levensbeschouwing welke de waarheden der economie niet verdraagt. Boekenstudie is tegen dit samenstel van ongunstige oorzaken niet bestand.

IX

In een brief aan de heer D.A. Mansholt van november 1880, vinden wij die, ons uit de burgerlijk radicale letterkunde overbekende mening, dat er een los van tijden en maatschappelijke werkelijkheid bestaande, menselijke rede is, een hoogste verstandelijke autoriteit, die over al ons doen en laten behoort te beslissen. De rede, meent men, staat tegenover bijgeloof en vooroordeel; en zij zal, behoorlijk gediend, de mensen verlossen van het kwaad dat vooroordeel en bijgeloof hebben teweeggebracht. Altijd, voor zover de rede niet een gedeelte van het kwaad, dat de mensen treft, onvermijdelijk noemt. Het volgen van de rede zal, bijvoorbeeld, een einde maken aan de heerschappij van de godsdienst, en ook van vele sociale euvelen ons bevrijden. Maar niet van alle; want enige en misschien de voornaamste zijn niet te verholpen: behoren tot de natuur der menselijke en maatschappelijke dingen.

Wij weten evenwel dat geen gedachtestelsels te scheiden zijn van de gegevens buiten de mens waarop ze zijn gebouwd, en dat deze rede de stem is van het burgerlijk gevoelen, afgeleid uit de sociale toestanden waarin de burgerij zich op haar gemak bevindt. En indien wij nu een vertegenwoordiger van het burgerlijk gevoelen, krachtens de rede, zeer onredelijke dingen horen zeggen, dan is onze indruk een mengsel van ergernis en spotlust waarvoor wij ons moeten wachten de spreker persoonlijk verantwoordelijk te stellen. Overigens, wat Multatuli in deze brief schrijft, is de formulering van zijn hoofdbezwaar tegen het socialisme – dat het met de natuurlijke, noodzakelijke loop van zaken strijdig en dus niet alleen onuitvoerbaar is, maar bovendien nadelig zou zijn.

Dekker zegt in het algemeen van de ongunstige sociale toestand waarover de brief van de heer Mansholt blijkbaar ging: “wij kunnen daar niets aan doen!” – en verontschuldigt zich wegens de schijnbare hardheid van deze uitspraak. Nu, wij weten dat gebrek aan medelijden Dekkers fout niet was. Maar, zegt hij, niet op medelijden maar op de rede moet ons handelen betrekking hebben. En dan eist de rede in de eerste plaats: “het verwerven van inzicht in de natuurlijke eisen der zaak” – nl., van de “maatschappelijke verbeteringen.” De slotsom van deze redenering en het uitgangspunt van praktisch optreden is: er is een natuurlijk, overkomelijk maatschappelijk leed dat willekeurig is en dus kan worden verholpen – de gevolgen namelijk van machtsmisbruik door de rijken en regeerders ... “Jezus zei: ‘Er zullen altijd armen zijn.’ Heel juist ... het is de eis der dingen, even als de nieten in de loterij. Uit die nieten worden de prijzen gevormd. Het gemeenschappelijk leven is een wedloop naar genot, en die strijd is het leven. Niet daarover mogen wij dus klagen, maar wij behoren ons te verzetten tegen het aanwenden van ongeoorloofde middelen om in die strijd overwinnaar te zijn.”

Men ziet het: een andere voorstelling dan die van een verbeterd kapitalisme, kan ook Multatuli zich niet maken. De kapitalistische concurrentie verheft hij tot een strijd die het leven is. Die strijd eerlijk te voeren is het uiterste van een redelijk streven.

Dekker noemt enige verbeteringen die tot dit doel zouden bijdragen: afschaffing van door de diplomatie in de hand gewerkt beursspel, van andere middelen om kapitaal te winnen “op deloyale wijze”, enz. Want er zijn er, zegt hij, die meer nemen van “de genotsmiddelen” dan “hun deel zou wezen bij billijke repartitie”. Een betere verdeling, dus, van het arbeidsproduct, meende ook Multatuli dat het doel moest zijn van de hervormingen; ook hierin, wellicht zonder het te weten of te willen, en zelfs letterlijk, de hoofdzaak van het programma van alle hervormingsgezinde leden der bourgeoisie tot het zijne makende.

Wat heeft men nu volgens Multatuli onder een betere verdeling te verstaan? “Bij het groot verschil van aanleg, gaven, ontwikkeling, zou absolute gelijkheid juist zeer onbillijk zijn ... Welke maatstaf moeten we nu aanleggen om te weten op welk kwantum genot uit de algemene voorraad, ieder aanspraak heeft? Ik meen dat dit beoordeeld moet worde naar het deel dat ieder tot het algemene kwantum heeft bijgedragen.”

Absolute gelijkheid? – Gelovig of ongelovig, Havelaar of Droogstoppel, een denker of een dogmaticus: het zijn onderscheidingen die wegvallen als de bourgeoisie, hetzij theoretisch of in de praktijk, zich opwerpt als rechter over het proletariaat. Waar heeft men een volstrekte gelijkheid anders wellicht dan in het materiële verlangd? En, moet “verschil van aanleg, gaven en ontwikkeling” worden uitgedrukt in een overeenkomstige ongelijkheid van materiële bedeling? Is dan het ideaal van de bourgeoisie om gaven en aanleg te doen strekken tot een materiële boven anderen bevoorrechte positie? Multatuli behoorde tot de weliswaar zeldzame personen die hun geestelijke meerderheid hadden aangewend zonder te letten op enig materieel belang – maar zelfs hij kon zich van de voor zijn klasse beschamende gedachte niet losmaken, dat grotere intellectuele verdiensten beloond moeten worden op een wijze, welke juist met grotere intellectuele verdiensten het minst verenigbaar is. Daargelaten dat de gehele kwestie of in een maatschappij van gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen, al dan niet materiële gelijkheid zal heersen, noodzakelijk zonder enig belang zal zijn zodra een zodanige maatschappij is gevestigd – en vóór die tijd alleen dienst kan doen om ons bekend te maken met de schrikbeelden welke de gedachten van de bourgeoisie bezighouden.

Een verbeterd kapitalisme, een kapitalisme met een billijke verdeling, met vrijheid voor de bekwaamste mensen om zich te verrijken ten koste van anderen – ziedaar dus het burgerlijk ideaal, op zijn beurt ook door Multatuli aanbevolen.

En in de zelfde brief vinden wij het bewijs dat de denkwijze van de bourgeoisie die het kapitalisme wil vereeuwigen, en slechts hervormingen toelaat welke het stelsel van in het ooglopende misbruiken zal ontdoen – dat haar instinctmatige gehechtheid aan het kapitalisme haar belet het kapitalisme te begrijpen.

Uitdrukkelijk immers zegt Dekker dat men niet te lijden heeft “door het kapitaal zelf , maar door “het valse spel”. “Het agglomereren van financiële kracht is m.i. nodig, en zou zonder het valse spel waarop ik doelde, de arbeiders ten nutte komen.” Zeer zeker – in het kapitalisme is het kapitaal onontbeerlijk en ook nuttig voor de arbeiders. Daarom, omdat het financiële kracht is uit hun arbeidskracht geput, de enige manier om kapitaal te verzamelen moet niet slechts het valse spel met hun arbeidsproducten eindigen maar ook het stelsel dat het exploiteren van de arbeid veroorlooft. En dit is mogelijk omdat bij gemeenschappelijk bezit van de arbeidsmiddelen alleen maatschappelijke productie zal voorkomen, en dus de financiële kracht overbodig is geworden.

Zolang echter, het kapitaal nodig is zullen ook de arbeiders zich van het kapitaal moeten bedienen. Zij zullen, bijvoorbeeld, een gedeelte van de door hen voortgebrachte meerwaarde trachten terug te krijgen door coöperatie – enigermate hun eigen kapitalist zijn, en het gedeelte dat als winst aan de handel kwam, zelf verdienen. Maar dit is niet wat Dekker er van zei “de socialisten erkennen dit (nl. de nuttigheid van het kapitaal) praktisch door hun pogingen tot coöperatie.” En allerminst verdienen zij het verwijt: “Zij zelf trachten tot stand te brengen wat zij in anderen afkeuren.” Neen, de fout ligt bij de schrijver, die zijn burgerlijke beschouwing van de hervormingsarbeid ook bij anderen veronderstelt. De arbeiders verwerpen niet het kapitaliseren zolang het kapitalisme heerst. Het systeem van zijn onmisbare werkingen te ontdoen, is gelukkig hun tactiek niet. Een kapitalisme met “afgekeurde maar onvermijdelijke uitingen, vindt men alleen op de programma’s van de bourgeoisie.

X

Altijd is Douwes Dekker blijven staan op het punt gekenmerkt door zijn brief van 1873 aan het democratisch congres te Antwerpen, wat de politiek betreft; en voor zijn economische beschouwingen, door de brief aan de heer Mansholt van 1880.

Omdat de volksbeweging van het socialisme geen direct verband hield met de Havelaarszaak; én, bij al de eerbied voor zijn arbeid en zijn persoon, niet uitdrukkelijk tot hem zich wendde als de aanvoerder in een trouwens door hem zelf maar zeer vaag aangeduide strijd – daarom zei en herhaalde hij dat hij voor haar zich niet wilde interesseren. Doch het waren slechts andere woorden voor de waarheid dat Multatuli noch de democratische politiek, noch de economie van het socialisme ooit heeft begrepen. De oorzaken van het verschijnsel zijn in het voorgaande onderzocht. Hier volgt uit een aantal andere brieven een verzameling uitspraken van Multatuli over beiden.

Niet van de socialisten, van de anarchisten is Multatuli in Nederland de patroon geweest, en is hij het nog. Een bewijs te meer voor onze stelling, dat de anarchie geen leer is waarin proletariërs op den duur de uitdrukking van hun wensen en gevoelens vinden – maar dat zij de voortzetting is van het burgerlijke vrijheidsbegrip. In het algemeen gaat de gezichtskring van het anarchisme de grenzen van de burgerlijke maatschappij niet te buiten. Ieder voor zich, zoals thans, maar dan zonder het staatsgezag, is het anarchistisch ideaal. Hiermee geeft zich het anarchisme te kennen als een burgerlijk stelsel van hervormingsmaatregelen, de afschaffing van “fouten” en “misbruiken” beogende, voortgekomen uit “het gezag”. Anderen zoeken het in de sterke drank, anderen in het privaat grondbezit. Aangezien de regerende klasse het gezag in handen heeft, is de strijd van de anarchisten, althans in naam, een strijd tegen de bourgeoisie; en dit is weer de oorzaak dat in de praktijk socialisten en anarchisten somtijds samengaan. Maar omdat de anarchisten in het programma van de socialisten voor hen onverstaanbare en stuitende dingen vinden, bestrijden zij ruim zo dikwijls de socialisten als de bourgeoisie. Dit is dan ook, welbeschouwd, het verzet van Multatuli. Laten wij de ene reden buiten rekening, de gehele vooringenomenheid door de Havelaarszaak, welke Dekker niet wist te plaatsen in de historie van zijn tijd, dan blijft in zijn afkeer van het socialisme de anarchistische oppositie over. Indien Dekker, niet in een hoekje van Duitsland, maar in Nederland had gewoond, zou hij als anarchist tegen de sociaaldemocratie in naam der vrijheid zich hebben verzet.

De bourgeois ziet in de kapitalistische maatschappij een toppunt van de sociale ontwikkeling, zeker niet als een volmaakte samenleving, maar toch als een geheel zoals het samenstel van menselijke eigenschappen het in de loop der tijden heeft tot stand gebracht. Wat er bevredigend is in de maatschappij is men aan de goede eigenschappen verschuldigd; het verkeerde is te wijten aan de slechte eigenschappen. Ook de natuur heeft een woord meegesproken, de beschaving hier bevorderd, daar belemmerd. Maar hoofdzakelijk berust de wereld van de beschaving op de mens en zijn wezenstrekken. De baatzucht, de nijd, de zinnelijkheid, de trots ter ene; de naastenliefde, de edelmoedigheid, de zelfbeheersing, de nederigheid ter andere zijde – zijn ze niet alle te vinden in de verschillende instellingen die ons omringen, die voor het merendeel en dan in minder ontwikkelde vormen van overoude tijden dagtekenen: zodat de geschiedenis der mensheid het verhaal is van de strijd der deugden en ondeugden, zichtbaar in de maatschappelijke vormen en staatkundige gebeurtenissen.

De consequentie van deze leer is, dat van geen maatregelen verbetering te verwachten is dan die rekening houden met de ondeugden van de mensen. Aan een uitsluitend op de deugden gesticht ideaal, zal daarom geen maatschappij in werkelijkheid ooit beantwoorden – tenzij de mensen hun ondeugden afleggen.

Maar, in dat geval zullen ingrijpende maatregelen overbodig zijn, want volmaakte mensen weten zelfs met gebrekkige instellingen onberispelijk te leven.

Tegenover deze theorie waarvan de conservatieve strekking onmiskenbaar is, staat de materialistische of misschien beter te zeggen maatschappelijke opvatting. Het is hier de plaats niet de vroeger in dit tijdschrift en elders gegeven uiteenzetting te herhalen. Alleen, in verband met het volgende, en als een toepassing van de maatschappelijke theorie herinner ik aan de stelling, dat ons begrip van goed en kwaad van maatschappelijke werkingen de vrucht is (de tegenstelling van algemeen en bijzonder belang); dat het goede in de mens, evenals het kwade, door de telkens veranderende voorwaarden van het maatschappelijk samenzijn wordt gewekt; en dat, derhalve, geen kwaad behoeft te worden gevreesd, waarvan het maatschappelijk motief ontbreekt, en alleen het goede mag worden verwacht, waarvan het maatschappelijk motief aanwezig is.

De bijzondere toepassing is deze: – een economisch sterke klasse heeft politieke machtsinstellingen geschapen of van bestaande zich meester gemaakt. Het is geen menselijke eerzucht, zo maar, die geleid heeft tot het vestigen van een staatsgezag; maar eerst de mogelijkheid om zich te verrijken (de maatschappelijke voorwaarde) heeft de wenselijkheid doen gevoelen van machtsmiddelen om de rijkdommen te bewaren, om de gelegenheid tot plunder te bestendigen. Wie in het oog houdt, dat economisch verschil de oorsprong is geweest van het gezag, dat economische gelijkheid aan het begrip van vrijheid een eind zal maken omdat dan de tegenstelling met onvrijheid ontbreekt – die moet begrijpen hoe weinig bezorgd wij ons maken voor het gevaar, dat, is eenmaal de economische gelijkheid gevestigd, de vrijheid teloor zou gaan – tenzij dan wederom economische ongelijkheid intrad.

Burgerlijke voorstanders van de vrijheid, echter, zinnen op maatregelen om alle personen of instellingen met gezag bekleed, van gezag te ontdoen. Wanneer zij geslaagd zullen zijn, rekenen zij het gezochte maatschappelijk heil gevonden te hebben. Dan kan ieder doen wat hij wil en is niemand meer in staat een ander te dwingen of te hinderen. Dit zou, zoals gezegd is, in de klassenstrijd van tegenwoordig weinig of geen kwaad kunnen, en zelfs ten bate van de arbeiders strekken, omdat de strijd van de arbeiders ook gericht is tegen de gezaghebbers, namelijk tegen de bezittende klasse. Maar nu komt het beslissende onderscheid tussen socialisten en anarchisten. De anarchisten zien zo weinig zuiver wat de proletarische beweging beduidt, dat zij zich geheel vergissen in de vijand. Zij delen zo weinig de maatschappelijke theorie, dat zij aan een algemene menselijke heerszuchtigheid geloven, en het gezag menen te moeten bestrijden, in plaats van de gezagvoerende en gezagoefenende personen en instellingen – van de bourgeoisie; van de bourgeoisie, de bevoorrechte klasse, die, ten nadele van een hogere sociale orde, haar gezag wil handhaven. Immers, wanneer nu de arbeiders macht willen stellen tegenover macht, en voor zichzelf de dwingende middelen van de Staat in bezit nemen (naar omstandigheden en gelegenheid te wijzigen), zien zij de anarchisten als vijanden tegenover of althans achter zich. De arbeiderspartij die naar het staatsgeweld streeft, is bij de anarchisten evenzeer gehaat als de kapitalistische partij, die het staatsgeweld bezit. De ene heerszucht, menen zij, is zo erg als de andere. Zij willen, zeggen ze, zo min door arbeiders als door heren worden onderdrukt. Want het gezag, bevrediging van de honger naar macht, komt uit de boosheid voort en versterkt wederkerig de boosheid...

Wij nu, die niet hechten aan een volstrekt goed of slecht, wij menen dat het gezag geen kwaad kan doen (als zodanig een alleen in onze verbeelding bestaand begrip) maar alleen het gezag van bepaalde personen of van een bepaalde klasse – en dat wegens de economische verhoudingen, waarin heersers en overheersten zich bevinden. Om de economische gelijkheid te verwezenlijken, moet de tegenstand van de bourgeoisie worden gebroken. Het gezag waarmee de arbeiders tegen haar optreden – onverschillig welk dwangmiddel – is dus gezag ten goede, gezag dat de vooruitgang dient, dwang, waaruit vrijheid voortkomt. En, aangezien het doel moet zijn, de afschaffing van het klassenverschil, kan geen gevaar van misbruik voor later in deze tactiek vervat zijn.

De anarchist Multatuli schreef over de«e dingen niet anders dan anarchisten plegen.

XI

Bij voorbeeld over leerplicht, waaraan, in de vorm van schooldwang, Dekkers pleegkind Wouter onderwerpen was. “Bij die liefelijke instelling – schrijft hij in 1886 – is men geen baas meer over zijn eigen kind. Het is een gruwel! En dat wil men – “de liberalen!” – in Holland ook invoeren? Alva zou zich lang bedacht hebben voor hij zo’n maatregel zou hebben durven invoeren. Onderwijs van staatswege! Maar weet men dan niet dat die “staat” een heterogeen, veranderlijk, dood mechanisme is? Regering moet beperkt worden tot het onmisbaar nodige, evenals elk noodzakelijk kwaad. En die malle socialisten willen alles aan die staat opdragen, tot de verdeling van de arbeidsvruchten toe! Het komt mij voor, dat ik in een gekkenhuis leef...”[2]

Men kan in het midden laten welke de bedoelingen zijn van een bourgeoisregering, die gedwongen onderwijs instelt. Maar van de arbeiderspartij is de bedoeling, dat de kinderen aan exploitatie van kapitalisten onttrokken, tegen verwaarlozing door ouders beschermd worden, en de opkomende generatie werklieden zijn jeugd besteedt aan betere fysieke en intellectuele voorbereiding. Wij willen gaarne de waarde van de voorgestelde maatregel discussiëren, maar haar niet gemeten zien met de bedrieglijke maatstaf van een algemene vrijheidsliefde. De vraag is of wij de Staat die het kan doen, zullen verplichten het te doen. En of een ander lichaam bij machte is zowel het onderwijs te geven als de school- of leerplicht te handhaven. Een regeling in een maatschappij van vrije en gelijke leden zou wellicht anders zijn, maar daarom mogen wij de enige doeltreffende regeling in de klassenstaat niet achterwege laten. Met de verwarring tussen het opdragen aan de Staat en het gebruiken van de Staat – en de andere niet minder vaste anarchistische verwarring van de klassenstaat en de socialistische gemeenschap, die de arbeidsvruchten “verdelen” zal, is deze aanhaling volledig. – Of deze:[3]

“...Wat zouden de Dageraders van me zeggen als ik kwam vertellen dat ik een tegenstander ben van staatsonderwijs? A plus forte raison van: leerplicht!”

Mijn eis is – en dit vind ik liberaal – vrijheid van onderwijs.

De anarchisten strijden een ijdele strijd tegen het begrip Staat. De arbeiderspartij die zegt: de Staat willen wij zijn, is haar even weinig sympathiek als de bourgeoisie die de Staat is, zonder het te zeggen. Zij hebben gezien wat er van Staat en staatsinstellingen wordt in handen van de bourgeoisie, en, omdat zij de redenen niet kennen en alleen de effecten voelen, blijven zij dood op een theorie dat Staat en staatsinstellingen niets anders kunnen zijn dan wat de thans heersende klasse er van heeft gemaakt. Dit is het anarchistische verzet tegen het parlementair stelsel en het kiesrecht, zoals het ook bij Multatuli in zijn brieven wordt gevonden.

Aan Dr. H. C. Muller, d.d. 15 augustus 1886 schrijft Dekker – woorden, die stuk voor stuk in de anarchistische geschriften en redevoeringen herhaald worden – het volgende:

“Niet alleen dat ik niet socialist ben, ik ben antisocialist. De socialisten willen de “staat” almachtig maken, ik dring aan op de meest mogelijke inkrimping der bemoeienis van het noodzakelijk kwaad dat men “regering” noemt. Zij houden zich voortdurend bezig met het voorstaan en doordrijven van nieuwe wetten, ik beweer dat men zich hoofdzakelijk moest bezighouden met afschaffing van wetten. Zij blijken te smachten naar verzwaring van juk, ik eis, binnen de grens van het mogelijke: vrijheid. Zij staan een wrede ongelijkheid voor, door de meest ongeëvenredigde verhoudingen, behoeften en aanspraken naar een stupide maatstaf te bepalen ... Zij willen alle kans op winst in de levensloterij vernietigen door het ongerijmd afschaffen van de Nieten, ik wil de schelmen straffen die sedert zeer lang, ja voortdurend de prijzen stelen, en dit – behoudens gedeeltelijke verandering van personeel – zullen blijven doen als de socialisten aan het roer komen.”[4]

De stemrechtbeweging, die in deze tijd valt, wordt door Multatuli bestreden met dezelfde argumenten later gebruikt door dezelfde personen die haar toen voorstonden, tegen dezelfde agitatie in een latere periode.

“Die verkiezingen? Lood om oud ijzer! Verandering in het stelsel van kiezen? ’t Geeft niets! Misschien zal het doch dan ook maar voor korte tijd baten, door de groepering der stemmen iets natuurlijker te maken ... ’t Is een verrotte boel! Er is een Cromwell nodig, iemand die het “Weg met die vodderij!” uitspreekt.”[5]

Bij deze zienswijze past de opmerking dat overvloedig schrijven en spreken, in tegenstelling met handelen, het “rechtstreeks gevolg is van het parlementair stelsel”. Alsof, waar ten bate van de bourgeoisie gehandeld moest worden, zij het hoofdzakelijk door de natuurlijke loop van zaken in het kapitalisme zo weinig mogelijk te hinderen, het parlementair stelsel geen wonderen van energie heeft verricht. En waarom zouden op hun beurt de arbeiders niet nadoen wat hun met zoveel succes is voorgedaan? Een Cromwell die tegen de arbeiders het “Weg met die vodderij!” heeft durven uitspreken, is nog met gezien. Als enig parlement met geweld bedwongen is geworden, lag het in de machtsverhoudingen buiten het parlement, niet in het “stelsel”. Maar de anarchisten weten slechts met gereduceerde begrippen te rekenen, en het moeilijke, samengestelde wezen van de werkelijkheid, ontgaat hun. Dekker spreekt op deze plaats van Duitse en Engelse toestanden – ten bewijze dat het parlementarisme niet helpt. Wij zouden zeggen dat het misverstand bij hem is, en niemand van ons van het enkel invoeren van stemrecht iets verwacht. Komt in een volksvertegenwoordiging de volkszaak niet tot haar recht, dan ligt het aan machtsverhoudingen buiten haar en niet aan het vertegenwoordigend systeem. Dat de Engelse proletariërs nog niet, en vroeger nog minder dan nu, van het kiesrecht, zover ze het bezitten, een behoorlijk gebruik hebben gemaakt, is een fout van de proletariërs en niet van het kiesrecht. Ook Bismarck, schrijft Dekker, “ook Bismarck wist het wel. Hij gaf de Duitsers twee parlementen, twee fontanellen op kracht en denkvermogen. De volkeren zijn uilig genoeg zich tevreden te tonen, als ze maar praten mogen![6]

Kan men zich schromelijker vergissen? Bismarck die het proletariaat tegen de bourgeoisie nodig had, brak juist het machtsmiddel van de bezittende klasse, wilde het althans breken, door er het proletariaat aandeel in te geven. Op welke wijze dit hem gelukt is, en hoe gaarne Bismarck en zijn opvolgers ontslagen zouden zijn van het arbeidersstemrecht, is sedert algemeen bekend geworden.

Opmerkelijk is verder dat het motief vóór algemeen kiesrecht bij Multatuli geheel tot de burgerlijke denkwijze behoort – ten eerste “omdat dan de tegenwoordige niet-stemmers een grief ontnomen wordt: 2e omdat men zelfs in ficties consequent moet zijn.”[7] – Met andere woorden: als een recht en als een logische eis van het vertegenwoordigend systeem: twee ideologische gronden, die ons niet zouden motiveren een vinger te verroeren.

De burgerlijke revolutionair of anarchist zou in Multatuli niet compleet zijn zonder de twee elementen van persoonlijke tirannie en van geweld tegen personen.

Zelfs voor individueel zachtmoedige lieden, zoals Douwes Dekker was en vele anarchisten zijn, bestaat geen ander hervormingsmiddel dan het verwijderen van de “slechte mensen” uit de samenleving; – zijn zij het niet, die haar beletten goed te zijn?

“Mijn innige overtuiging is, dat er slechts een praktisch wapen is, het heet geweld.”[8] En deze opmerking, die vele malen terugkeert, vinden wij uitvoeriger herhaald in een brief van 15 augustus 1886:

“Meen niet dat ik bij het afkeuren der tactiek van de ontevredenen zoetemelkpapachtige zoetheid predik. Integendeel! Ik lijk meer op Danton, Robespierre of zelfs op Marat, dan op Lamartine, die in ’48 ter inwijding van zijn politieke loopbaan, afschaffing doordreef van de doodstraf voor politieke misdrijven... Mij komt zachtmoedigheid jegens misdadigers in ’t groot ongeoorloofd voor, en – ja, als ik de macht had gekregen, waarnaar ik uit bestwil gestreefd heb, zou ik honderden koppen hebben laten vallen. Misschien duizenden.”

Natuurlijk, de kleine veranderingen werden bereikt met de kleine middelen, maar de vestiging van een nieuwe orde van zaken komt niet ver met het vervangen van personen. Zoals altijd bedekt de sterke uitdrukking de beperkte gedachte, en is schijn-revolutionair hetzelfde als conservatief in de daad. Wij zullen niet ontkennen als Multatuli ons vraagt in een van deze brieven ... “zou je wel geloven dat ik – in weerwil van mijn volslagen atheïsme – eigenlijk meer lijk op een behouder dan op een “liberaal” van de thans heersende soort? – Ik ben (vervolgt hij) vóór orde, vóór gezag, tegen vaccinedwang, tegen staatsonderwijs, en dit alles omdat die meningen mij voorkomen inderdaad liberaal te zijn. Zo ben ik ook royalist, niet te verwarren met aanbidder van Willem III.”

Beschouwt men enige uitingen in deze brieven nader, dan blijkt dat de schijnbare tegenstrijdigheid van de ingenomenheid met vrijheid en deze betuiging van gehechtheid aan het gezag, vatbaar is voor de verklaring, dat het enige gezag door Multatuli niet verworpen, zijn eigen gezag was. In het voorgaande zijn reeds enige aanhalingen opgenomen die dit nader toelichten. Een kwalijk omschreven dictatorschap begeerde deze vrijheidsman – voor zichzelf. Zoals hij zelf zegt, alleen tijdelijk, en dit stelsel moest niet als een regering voor normale tijden worden gehouden, maar een zeer buitengewoon middel om aan de buitengewone ergernissen van de eeuw een einde te maken.

Eigen tirannie te idealiseren, overigens, is aan anarchie niet vreemd. Hoe kan het anders? De slechte mensen moeten uit de weg geruimd worden – de goeden moeten het geluk aan de massa, bestolen door de slechten, teruggeven. De strijd die hiervoor moet worden gestreden, omdat hij langs democratische weg: organisatie van de arbeidersklasse die de staatsmacht aan zich onderwerpt, niet kan worden beslist, komt neer op de personen van enkele aanvoerders met dictatoriaal gezag. Maar in de werkelijkheid is dit niet uitvoerbaar, zodra de proletariërs tot het inzicht zijn gekomen van de nuttigheid van de organisatie, van het belang van de democratie. Dit verklaart dat, behalve de aanslagen op personen, de enige praktische werkzaamheid van de anarchisten bestaat in agitatie tegen de socialistische arbeiderspartijen. De eerlijke anarchisten willen dit niet en vallen uit de beweging. Multatuli, die er nooit in was geweest, bepaalde in zijn latere levensjaren zich tot de doelloze, zelfbedrieglijke opwinding voor hetgeen hij had gewild, en had gekund – maar niet had gedaan, omdat, zoals hij meende, zijn geestverwanten hem in de steek hadden gelaten. Multatuli heeft niet tevergeefs geleefd en gewerkt. Maar wat hij heeft tot stand gebracht is gering in evenredigheid tot zijn gaven en krachten. Neemt men zijn aandeel in het bevorderen van de anarchistische denkwijze en tactiek in aanmerking, dan is het zelfs twijfelachtig of hij meer goed dan kwaad heeft gedaan. Dit is een andere voorstelling van de waarheid dat in de geschiedenis van de menselijke ontwikkeling het particulier initiatief onbeduidend is, wanneer het wordt aangewend tegen of zelfs maar buiten de maatschappelijke stroming welke in het gegeven geval de vooruitgang beheerst. Het is ontwijfelbaar dat buitengewone mensen de vooruitgang onwaardeerbare diensten hebben bewezen, maar de aard van hun bemiddeling leert men enigszins kennen als men bedenkt, dat van andere buitengewone mensen ten slotte onzeker moet heten of zij nuttig dan wel schadelijk zijn geweest. In Multatuli is een schrijver en spreker, als beide in het buitenland wellicht nauwelijks, in ons land zeker niet door leiders van een arbeiderspartij geëvenaard, heengegaan zonder een ander spoor in de arbeidersbeweging – de drijvende macht van de maatschappelijke vooruitgang – te hebben nagelaten dan een verhoogd prestige van een schadelijke sekte. En dit verschijnsel kan juist daarom zo goed aan Douwes Dekker worden waargenomen, omdat hij zich geen anarchist voelde en ook niet noemde. Doch voor wat hij deed en dacht past geen andere naam dan die er hieraan is gegeven. De krankheid van het anarchisme, die Multatuli’s geestelijk leven heeft geknakt, is de welbekende zielenkanker van de door het noodlot getroffenen, die bij het ondergaan van de kapitalistische maatschappij de taak van leiders en redders moeten uitvoeren met de kleine middelen van de burgerlijke beschaving.

XII

Gold dit artikel iemand van mindere talenten dan die Douwes Dekker bezat, het had ongeschreven kunnen blijven. Zijn grote betekenis heeft Dekker zelf voorvoeld in de dikwijls tegen vrienden uitgesproken klachten over gebrek aan bevrediging, onmacht ten goede...

Er is een plaats in een brief van Mevrouw Dekker, geschreven op een spreekreis in Holland, maart 1880,[9] roerender, meen ik, dan enige andere bladzijde van dit veelal tragische boek. Hij ging door het land in grote en kleine steden, besteedde zijn uitmuntende welsprekendheid aan gezelschappen van applaudisserende heren en dames die de noodzakelijke toegangsprijs konden betalen. Kon verwacht worden een uitkomst, ook maar in de verte evenredig aan de verbruikte schatten van talent en geestkracht? Ja, welke andere uitkomst dan het vermaak van Multatuli te zien en te horen ware te bereiken geweest? En de spreker, zijn werk verricht, kon hij voor zich een andere voldoening hopen dan lof en eer uit de mond van zijn toehoorders? – Geen resultaten in de daad voor een goede zaak. Omgekeerd moest het hem bitter ergeren als de bladen een ongunstige of onverschillige vermelding gaven. Zo schrijft hij in zijn brief over een verslag in een courant... “geen woord ter kwalificatie van m’n spreken! Geen woord zelfs over het feit dat ik 21/2 uur ruim voor de vuist sprak, zonder het minste notaatje voor me. Geen woord over stijl, inkleding, schijnbare afwijking, terugkeer tot de tekst! Geen woord over het epigrammatische, over de logische volgorde, over het verband, over de bijzondere opvatting van de meest dagelijkse dingen, over het verrassende van sommige conclusies. Niets over dat alles! ’t Is pitoyable.”

Deze honger naar complimenten moest wel de ziel vervullen van een man, die niet, als een uit velen, streed in de rijen van een door het revolutionaire zelfbewustzijn gedragen klasse. Enige fraaie woorden uit de pen van de eerste de beste courantenschrijver zouden welkom zijn geweest.

Hoog en eenzaam, en zo doelloos als een vuurbaak in een zandwoestijn, stond Multatuli in de laatste jaren van zijn leven in de dorre vlakte van de Nederlandse burgerlijke beschaving.[10]

Aug. ’97.

_______________
[1] Dit oudere en enig achtenswaardig element van de burgerlijke democratie wel te onderscheiden van het politieke radicalisme van latere datum, dat in beginsel aan het klassenbewuste proletariaat sterk vijandig is en zich van de democratische traditie bedient om de arbeiders van hun klassentaak te vervreemden en het kapitalisme te redden.
[2] Bundel, bl. 292/3.
[3] Bl. 322/3.
[4] Brief 22 aug. van ’83; blz. 314/15.
[5] id. van 19 sept. blz. 318.
[6] Brief van 14 mei 1884, blz. 266.
[7] Id. van 15 februari 1884, blz. 331.
[8] In een aantekening bij dit artikel, op te nemen bij voldoende ruimte in een volgende aflevering, zal ik, voor hen die de Brieven van Multatuli niet bezitten, enige aanhalingen overnemen die het hier geschrevene nader bevestigen.



een rode leeszetel Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

RSS

Volg ons op twitter