Marcel van der Linden en Ronald Commers

Marx en het “wetenschappelijk socialisme”


Bron: Uitgeverij Leon Lesoil, Antwerpen 1982 en Internationale Socialistiese Publikaties, Amsterdam 1982
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Algemene geschiedenis van het socialisme
Lenin en het probleem van het proletarisch klassenbewustzijn
Karl Marx. Bekend en onbekend

Inhoud

Over de grenzen van het wetenschappelijk socialisme       Marcel van der Linden

Marx nogmaals ter aarde besteld, of over de vruchtbaarheid van het graf. Een herwaardering van Marx’ maatschappijkritiek       Ronald Commers


Over de grenzen van het wetenschappelijk socialisme

Een Pruisische politiespion schreef eens over Karl Marx, dat deze ‘iets demonisch en huiveringwekkends’ had. En hij voegde daaraan toe: ‘overigens ziet men op de eerste blik, dat men met een man van genie en van grote energie te doen heeft; zijn geestelijke superioriteit oefent een onweerstaanbare invloed uit op zijn omgeving’.

De mengeling van afschuw en bewondering, die uit deze woorden spreekt is symptomatisch voor vrijwel alle literatuur over Marx. De ‘grondlegger van het wetenschappelijk socialisme’ wordt aanbeden, verguisd of beide tegelijk. Hoe dan ook, negatief of positief, ‘aanraken’ is verboden. De klassieke definitie van het taboe dringt zich op. Wat Freud de ‘dubbelzinnigheid der gevoelsuitingen’ noemde, maakt een nuchtere en zakelijke beoordeling van Marx meestal onmogelijk. Daarin ligt waarschijnlijk ook de verklaring waarom er nauwelijks marxistische studies over Marx zijn. Waarom ziet men in Marx niet gewoon wat hij was: een gedeclasseerde burgerlijke intellectueel, die contact zocht met de arbeidersbeweging van zijn tijd?

Al meer dan vijftig jaar geleden deed Karl Korsch, de filosoof, het voorstel om het marxisme met zijn eigen methodes te onderzoeken. Nog steeds is daar weinig van terecht gekomen. In het onderstaande kleine essay wordt een bescheiden aanzet voor een marxistische Marx-biografie gegeven. Mijn belangstelling is daarbij vooral gericht op de verhouding tussen Marx en de arbeiders. Ik hoop aan te tonen, dat die relatie beslist niet zo simpel was als gewoonlijk wordt aangenomen. Historici zoals Na’aman, Brandenburg of Schäfer hebben de laatste twintig jaar materiaal aangedragen dat een kritische kijk op Marx rechtvaardigt. Enkele meer algemene conclusies, die uit dit alles volgen, geef ik in het laatste gedeelte van mijn beschouwing.

Nog een technische opmerking: teneinde de tekst niet door voetnotenkanker te laten overwoekeren heb ik de citaten van Marx en Engels op de Amerikaanse manier gecodeerd: in de tekst zelf wordt heel kort aangegeven waar ik ze vandaan heb gehaald. MEGA verwijst naar de Marx-Engels-Gesamtausgabe, Gr betreft de Grundrisse en MEW betekent Marx-Engels-Werke (allemaal DDR-edities). De code (MEW 13/17) geeft dus aan: Werke, deel 13, bladzijde 17.

1

“Alles möcht’ ich mir erringen,
Jede schönste Göttergunst,
Und im Wissen wagend dringen
Und erfassen Sang und Kunst”

(Alles zou ik willen veroveren,
elke schoonste gunst der goden,
en kennis gedurfd verwerven
en zang en kunst omvatten)

(Karl Marx, gedicht uit zijn studententijd)

Over de vroege jeugd van Karl Marx (geboren in 1818) is weinig bekend. We weten dat zijn vader, een welgestelde jurist in het West-Pruisische Trier, tot het meer verlichte deel van de burgerij behoorde. Voltaire, Rousseau, Kant, Locke en Leibniz: dat waren de denkers die deze man hogelijks waardeerde. Karls moeder was een zeer praktisch ingestelde vrouw van Nederlandse afkomst. Van haar stamt de gevleugelde – en wel érg Hollandse – opmerking, dat Karl beter kapitaal had kunnen maken dan erover schrijven.

Na zijn gymnasiumtijd en één jaar rechtenstudie in Bonn – waar hij onmiddellijk een slechte naam had gekregen als drinkebroer en vechtersbaas – werd Marx in 1836 door zijn vader naar Berlijn gestuurd. Hier werd een geheel andere Marx zichtbaar. De studentikoze bon vivant veranderde in een ontstellend ijverige kennisvergaarder. ‘In Berlijn aangekomen’, schreef hij aan z’n ouders, ‘sneed ik alle tot dan toe bestaande contacten af, legde met tegenzin af en toe bezoeken af en trachtte in wetenschap en kunst te verzinken.’ (MEGA III – 1/10)

Vanaf die tijd bleef Marx de onverzadigbare waarheidszoeker, die we kennen. Fritz Brupbacher karakteriseerde zijn theoretische persoonlijkheid treffend als volgt: ‘Iedere indruk, die van buiten komt, wordt onmiddellijk omgezet in abstractie en omgekeerd verlangt zijn onmiskenbaar abstract denkende brein naar steeds weer nieuwe prikkels, die het verwerken, abstraheren wil. (...) Reeds de jonge Marx bracht dagen en nachten, weken in het eenzame studeervertrek door en nam met ijzeren vlijt een enorme hoeveelheid kennis op, abstraheerde en systematiseerde, snakkend naar steeds weer nieuwe indrukken, teneinde de abstractie aller abstracties uit de verschijnselen te destilleren en zo via het abstractieproces te geraken bij de zin van de werkelijkheid, van het leven.’

Marx was een intellectuele alleseter geworden. In een lange brief uit 1837 aan zijn vader, die een half jaar later zou overlijden, schreef hij: ‘Daarbij had ik er een gewoonte van gemaakt uittreksels te maken uit alle boeken, die ik las, ondermeer uit Lessings Laokoon, Solgers Erwin, Winkelmanns kunstgeschiedenis, Ludens Duitse geschiedenis, en daar overpeinzingen bij te krabbelen. Tegelijkertijd vertaalde ik de Germania van Tacitus, de Libri Tristrium van Ovidius en begon privé, d.w.z. uit grammatica’s Engels en Italiaans te leren, waarmee ik tot nu toe niets heb bereikt, las Kleins strafrecht en zijn annalen en alle nieuwste literatuur.’ (MEGA III - 1/15) Dit alles (en nog meer) in een halfjaar, naast de gewone studie!

De gezondheid van Marx leed onder deze werkdrift. Zijn arts adviseerde hem op het platteland te gaan wonen. Marx vestigde zich in het gehucht Stralow, aan de rand van Berlijn. Daar leerde hij enkele leden van de zogenaamde ‘Doctorenclub’ kennen – een groep academici die regelmatig discussies organiseerde in een café aan de Berlijnse Gendarmenmarkt. Hoewel zelf nog niet afgestudeerd en behorend tot de jongeren verwierf Marx al snel groot aanzien bij de andere leden van de club. Eén van hen, Moses Hess, duidde hem enkele jaren later aan als ‘de grootste, misschien de enige thans levende werkelijke filosoof, die binnenkort, als hij in de openbaarheid zal treden, (...) de aandacht van heel Duitsland zal trekken’.

Via de Doctorenclub leerde Marx de wijsbegeerte van Hegel kennen, de grote Pruisische filosoof die enkele jaren eerder was overleden. Hegel zelf was een conservatieve denker geweest, die in de Pruisische staat de belichaming van zijn idealen had gezien. De leden van de Doctorenclub waren linkshegelianen, d.w.z. zij namen niet de politieke inhoud van Hegels ideeën over, maar wel de methode, die bekend staat als de dialectische. De dialectiek gaat ervan uit dat er geen stilstand is, dat alles zich ontwikkelt. Niets rust in zichzelf, maar elk verschijnsel draagt zijn eigen tegendeel in zich, eerst als kiem, later als directe tegenpool. De spanning tussen deel en tegen-deel leidt tot de overstijging (opheffing) van beide elementen in iets nieuws, dat zelf ook weer kiemen van een tegen-deel in zich bergt.

De doctoren gebruikten de dialectische methode vooral om het vraagstuk van de godsdienst te lijf te gaan. Vlak voordat Marx naar Berlijn was gekomen had één der linkshegelianen, David Friedrich Strauss, een boek over Het leven van Jezus gepubliceerd, waarin werd beweerd dat de Bijbelverhalen mythes vormen zonder reële historische inhoud. Destijds was dat een zeer schokkende mededeling; de Pruisische klassenmaatschappij werd immers met de Bijbel gerechtvaardigd. Kritiek op de Bijbel was daarmee onmiddellijk politieke kritiek op staat en samenleving. Daarop doelde Marx, toen hij schreef: ‘De strijd tegen de religie is dus direct de strijd tegen die wereld, waarvan het geestelijk aroma de religie is (...) De religie is de hunkering van het verdrukte schepsel, de inborst van een harteloze wereld, zoals zij de geest van geestloze toestanden is. Zij is de opium van het volk’ (MEW 1/379).

Van staatswege werd de religiekritiek niet zeer gewaardeerd, zoals te begrijpen valt. De overtuiging der linkshegelianen kostte hen hun academische loopbaan. Strauss verloor zijn docentschap in 1839, en Bruno Bauer – de centrale figuur van de Doctorenclub – werd in 1842 ontslagen. Marx had aanvankelijk gehoopt op een universitaire betrekking. Die kans was nu dus verkeken. Nadat hij in ’41 de titel ‘Doctor in de wijsbegeerte’ had verworven richtte hij zich daarom op de politieke journalistiek. De jonge liberale bourgeois werd in 1842 medewerker en al snel hoofdredacteur van het belangrijkste oppositionele burgerlijke blad, de Rheinische Zeitung in Keulen. Vrijwel dagelijks moest Marx conflicten uitvechten met censuur- en regeringsinstanties. Dat was één van de factoren, die hem duidelijk maakten dat kritiek op filosofie en religie ontoereikend is en dat het uiteindelijk gaat om de kritiek op de politieke en sociaaleconomische verhoudingen.

De eerste keer, dat Marx een concreet sociaal vraagstuk behandelde, was in de herfst van 1842, toen hij een reeks artikelen schreef over een wet tegen de houtdiefstal; veel paupers kapten hout in adellijke bossen om ’s winters thuis een vuurtje te kunnen stoken – daarop stonden zware straffen. Marx wierp zich op als verdediger van de armen en rechtvaardigde hun optreden. Een tweede keer behandelde Marx een sociale kwestie in het jaar daarop. Na een voetreis door het dal van de Moezel en na tal van gesprekken met de boeren daar schreef hij enkele artikelen waarin hij de Pruisische bureaucratie kritiseerde omdat ze de kleine boeren gewetenloos ruïneerde.

Naarmate hij sterker sociaal bewogen raakte begon Marx ook meer belangstelling te krijgen voor het filosofische materialisme. De hegelianen waren uitgegaan van de ideeën, van het denken, Marx begon nu uit te gaan van de materiële wereld, het doen van de mensen. Zijn leidsman daarbij was Ludwig Feuerbach, die vooral aandacht besteedde aan de concrete zinnelijkheid van de mens. Zijn befaamde adagium ‘De mens is wat hij eet’ vormt geen adequate samenvatting van zijn wijsbegeerte, maar geeft wel aan in welke richting zijn denken ging. Het behoeft dan ook niet te verbazen dat de materialist Feuerbach (hij was al in ’36 door de universiteit ontslagen vanwege zijn religiekritiek) zich fel keerde tegen de Pruisische staat. Nog op hoge leeftijd sprak hij de heuglijke woorden: ‘Er zal geen verbetering komen totdat de laatste koning hangt aan de laatste papendarm’. (Marx heeft Feuerbach ook nadat hijzelf andere gedachten had ontwikkeld steeds een warm hart toegedragen).

Toen de regering in 1843 de ‘Rheinische Zeitung’ verbood werd daarmee aan Marx de laatste mogelijkheid ontnomen om politiek actief te zijn. Hij was nu definitief verstoten door zijn eigen klasse. Voortaan zou hij als een sociale randfiguur door het leven gaan. In juni van datzelfde jaar trouwde Marx met zijn jeugdliefde Jenny von Westphalen en verhuisde naar Parijs. In de lichtstad vulde Marx zijn tijd met historische, wijsgerige en economische studies. Daarbij kwam hij tot het inzicht dat de geschiedenis wordt bepaald door de economische en sociale ontwikkeling. Voor het eerst probeerde Marx zich nu op het standpunt der onderdrukte klassen te plaatsen.

De overgang van de bourgeoisie naar het proletariaat was dus, wat Marx betreft, in verschillende fasen verlopen. Na een eerste periode van ongericht zoeken volgde de ‘bekering’ tot het hegelianisme. De daaruit voortvloeiende religiekritiek leidde tot het verlies van een academisch toekomstperspectief. Zijn loopbaan als links-burgerlijk politiek journalist wekte bij Marx sociale interesse en belangstelling voor het filosofische materialisme. De beëindiging van deze loopbaan – en daarmee zijn declassering als burgerlijk intellectueel – deed Marx pogen zich aan te sluiten bij de belangen van de onderdrukte klassen, in het bijzonder van het proletariaat (In hoeverre die poging geslaagd is zullen we dadelijk nader bekijken). Er is een direct verband tussen de radicalisering en de declassering van Marx zichtbaar.

In september 1844 leerde Marx de jonge koopman Friedrich Engels kennen. Ook Engels had enige tijd filosofie gestudeerd in Berlijn. Na afloop van zijn militaire diensttijd was Engels op verzoek van zijn vader naar het Britse Manchester gereisd. In deze industriestad zag hij de massale ellende, die het kapitalisme veroorzaakte. Engels nam echter niet alleen de lijdende, maar ook de strijdende arbeiders waar en onderhield goede verbindingen met de chartistische arbeidersbeweging. In twee publicaties zette Engels zijn pas verworven inzichten uiteen: de Omtrekken van een kritiek der volkshuishoudkunde (1844), waarop ik nog terug kom, en De toestand van de arbeidende klasse in Engeland (1845). Engels was communist geworden. Bij hun ontmoeting bleken Engels en Marx het op alle belangrijke punten met elkaar eens te zijn. Hun beroemde vriendschap voor het leven was begonnen.

Begin ’45 werd Marx uit Frankrijk verbannen. Hij vestigde zich nu te Brussel. Korte tijd later begonnen hij en Engels met het schrijven van een lijvig boek, getiteld De Duitse Ideologie, waarin zij hun nieuwe theorie wilden uiteenzetten door middel van kritiek op Bruno Bauer, Feuerbach e.a. Het werk is tijdens hun leven nooit in druk verschenen, omdat geen uitgever bereid was het in zijn fonds op te nemen.

De Duitse Ideologie bevatte reeds vele essentiële uitgangspunten van het historisch materialisme. In tegenstelling tot de materialisten à la Feuerbach legden Marx en Engels de nadruk op het historische en vergankelijke van de dingen. Zij combineerden als het ware Hegels dialectiek met Feuerbachs materialisme.

‘Wij kennen slechts één enkele wetenschap, de wetenschap van de geschiedenis’, schreven ze. En die wetenschap moest niet van de hemel neerdalen op de aarde maar ‘van de aarde naar de hemel opstijgen’, ‘er wordt niet uitgegaan van datgene wat mensen zeggen, zich verbeelden, zich voorstellen (...); er wordt uitgegaan van de werkelijk actieve mensen en via hun werkelijk levensproces wordt de ontwikkeling van de ideologische reflexen en echo’s van dit levensproces weergegeven.’

Wat is die ‘werkelijk actieve mens’? Dat is de mens die leeft. ‘Voor het leven is vooral nodig eten en drinken, woning, kleding en nog een paar zaken’. Dit is het basisfeit waarop alle verdere theorie gebouwd dient te worden. De productie van het leven is een dubbele productie: enerzijds de dagelijkse arbeid om levensmiddelen etc. te verwerven, anderzijds het grootbrengen van de kinderen. Deze twee productieprocessen zijn beide maatschappelijk ‘in die zin, dat hieronder het samenwerken van meerdere individuen (...) wordt verstaan’. De hoogste vorm van maatschappelijke productie is het communisme, waarin de vervreemding is opgeheven, het privé-eigendom niet meer bestaat en de arbeidsdeling is opgeheven (MEW 3/18-35).

Terwijl zij deze gedachten noteerden probeerden Marx en Engels ook praktisch aansluiting te vinden bij de communistische beweging van hun tijd.

II

Parijs telde in de jaren dertig van de vorige eeuw zo’n 15 tot 30.000 Duitsers. Voor een klein gedeelte politieke vluchtelingen, merendeels echter ambachtslieden (kleermakers, schoenmakers enz.), die om economische redenen in de stad verbleven.

In 1834 ontstond uit de ‘Duitse volksvereniging’, waartoe vele der emigranten behoorden de Bond der Ballingen. Naar het voorbeeld van de Franse kleinburgerlijke republikeinen hielden de leden van de Bond zich vooral bezig met de ‘politieke bewerking van de Duitse ambachtslieden’ en met de ‘inwerking op de onderste volksklassen’.

De Bond vond gemakkelijk toegang bij deze sociale groepen. De regelmatige bijeenkomsten van Duitse ambachtslieden in kroegen en cafés werden benut om geschikte mensen te leren kennen. Bondsleden zongen radicale liederen en maakten zo hun opvattingen duidelijk. De discussies die daar op volgden werden gebruikt om politieke agitatie te bedrijven.

De Bond verenigde in zijn gelederen burgerlijke radicalen (journalisten e.d.) en meer plebejische halfproletarische werkers. Het duurde niet lang of daaruit ontstonden conflicten. Geleidelijk scheidden zich in de periode van 1835 tot ’37 groepen van de Bond af. Politieke en organisatorische meningsverschillen waren de oorzaak van dit splijtingsproces. De Bond der Ballingen was zeer autoritair georganiseerd: de leiding (aangeduid als ‘de berg’) was aan niemand verantwoording schuldig en kon zich geheel zelfstandig samenstellen. Besluiten werden van bovenaf bekendgemaakt zonder dat de leden geraadpleegd hoefden te worden. De basiseenheden van de organisatie (aangeduid als de ‘tenten’) hadden uitsluitend te gehoorzamen en opdrachten uit te voeren.

De tegenstelling tussen top en basis was tegelijkertijd een sociale tegenstelling: de ‘berg’ bestond uit kleinburgerlijke democraten, de ‘tenten’ omvatten vooral ambachtslieden en arbeiders. Het afgescheiden, meer plebejische, deel van de organisatie vormde in september 1937 de Bond der Rechtvaardigen, die wél democratisch gestructureerd was. De leiding (aangeduid als de ‘volkshal’) werd jaarlijks door alle leden gekozen en kon ook tussentijds worden afgezet indien de basis geen vertrouwen meer in haar had.

In de Bond der Rechtvaardigen – de eerste zelfstandige politieke organisatie van de Duitse arbeidersbeweging – werden omvangrijke politiek-theoretische debatten gevoerd. De in de Bond georganiseerde ambachtslieden waren mensen, die vaak nog wel hun eigen arbeidsmiddelen bezaten, maar zich toch al in een positie van loonafhankelijkheid bevonden. Gewoonlijk werkten zij in opdracht van ondernemers en soms ook in fabrieken en manufacturen.

In Frankrijk, maar vooral ook in Engeland, kwamen deze proletarische ambachtslieden in aanraking met de moderne industriële productie. De grote bedrijven toonden hen hun toekomst: verlies van de laatste restjes zelfstandigheid, een bestaan beheerst door honger en behoeftigheid. De opstand der ‘canuts’ in Lyon 1831, een der eerste bloedige conflicten tussen bourgeoisie en arbeiders, de aprilrevoltes van 1834 in Parijs en Lyon, de economische crisis van 1836-37 – dat alles liet bovendien zien dat de tegenstellingen in de kapitalistische maatschappij groeiden.

De leden van de Bond probeerden van al deze ontwikkelingen te leren. Zonder steun van ‘beroepsintellectuelen’ bouwden zij aan een eigen revolutionaire theorie. Terecht schreef Friedrich Engels vele jaren later: ‘Het strekt hen tot de hoogste eer, dat zij, die zelf nog niet eens volledig proletariërs waren, maar slechts een zich in de overgang naar het moderne proletariaat bevindend aanhangsel van de kleinburgerij, dat nog niet in directe tegenstelling tot de bourgeoisie, d.w.z. het grote kapitaal stond – dat deze ambachtslieden in staat waren hun toekomstige ontwikkeling instinctief te voorzien en, hoewel nog niet met volledig bewustzijn, zich als partij van het proletariaat te constitueren’ (MEW 21/211).

Wilhelm Weitling, een kleermakersgezel uit Magdeburg, die sinds 1835 in Parijs leefde, schreef op basis van de discussies binnen de Bond het program De mensheid hoe zij is en hoe zij zou moeten zijn. De leden van de Bond beschouwden deze publicatie als hun gemeenschappelijk werkstuk. Weitling was voor hen slechts de spreekbuis van de groep. Om de brochure te kunnen doen verschijnen brachten de leden ontroerende offers. Sommigen leenden daartoe hun kamer, anderen werkten ’s nachts als zetter, drukker of binder, nog anderen schonken geld, ja zelfs brachten zij bij gebrek aan geld hun uurwerken naar het pandhuis.

In het program werd gesteld dat er een ingrijpende en bloedige revolutie nodig zou zijn om het onrecht, de uitbuiting van de mens door de mens, af te schaffen. Een rechtvaardige maatschappij zou pas bestaan wanneer het communisme zou zijn verwezenlijkt: de goederengemeenschap waar het ordenende principe luidt: ‘een gelijke verdeling van de arbeid en een gelijk genot der levensmiddelen voor allen’. Weitlings communisme beschouwde zichzelf als onderdeel van een lange traditie: de Spartanen, Thomas Münzer, Jan van Leiden enz. Het program stelde duidelijk, dat de belangen van de arbeider en de bourgeois niet samenvallen en dat de arbeidersklasse zich daarom noodzakelijk zelfstandig zou moeten organiseren. De bevrijding van de arbeidersklasse kan slechts haar eigen werk zijn.

Toen in 1839 de Bond der Rechtvaardigen het slachtoffer werd van repressie van de kant van de Franse regering werden de activiteiten verplaatst naar Zwitserland en vooral naar Engeland. Ook in Duitsland zelf begon de Bond overigens enige invloed te verwerven. In Berlijn en Hamburg ontstonden afdelingen. In een reeks andere steden waren individuele leden actief.

In Londen was het vooral Karl Schapper, die het bondswerk voortzette. In februari 1840 richtte hij daar een ‘Communistische Arbeidersvormingsvereniging’ op – een met de bond gelieerde openbare organisatie. In Zwitserland was het Weitling, die de dragende kracht bleef. Tussen de verschillende secties van de bond was een intensief contact over de grenzen heen. Een regelmatige briefwisseling tussen Londen, Zwitserland en de restanten van de organisatie in Parijs zorgde voor uitwisseling van informatie en standpunten.

Al gauw werden meningsverschillen zichtbaar tussen Parijs en Londen enerzijds en Zwitserland anderzijds. Weitling radicaliseerde namelijk verder en begon steeds meer sympathie te voelen voor gewelddadige actie. In de lente van 1843 vatte hij zijn redenering als volgt samen: ‘We zijn nu in Zwitserland al met een paar honderd mensen. Laten we nu veronderstellen, dat iedereen elke maand iemand communist maakt, en deze nieuwe communist werft ook weer communisten, dan zijn we in het voorjaar van 1844 al met 40.000 man. Als 40.000 mannen in opstand komen, dan zou men wel respect voor ons krijgen.’ Ook pleitte Weitling voor de diefstal als revolutionaire daad, die het mogelijk zou maken het ‘lompenproletariaat’ te winnen voor de communistische revolutie.

De Parijse en Londense secties zagen niets in deze opvattingen. Zij gaven de voorkeur aan gestadige scholings- en voorlichtingsactiviteiten. Toen Weitling in ’44 naar Londen verhuisde omdat hij in Zwitserland eerst gevangen gezet en vervolgens verbannen was wegens godslastering, werden de discussies – die tot dan toe immers uitsluitend via brieven waren gevoerd – intensiever. Het centrale verschil in opvatting bleek betrekking te hebben op de vraag of het communisme reeds onmiddellijk te verwezenlijken zou zijn, of dat eerst aan bepaalde voorwaarden voldaan diende te zijn. Sommige communisten, zoals Pfänder en Mentel, meenden dat de tijd voor het communisme nog niet rijp was. Het communisme was in hun ogen het resultaat van een langdurig wetmatig proces, dat nog maar net was begonnen. Ook Schapper waarschuwde voor overhaaste revolutiepogingen. Laten we inzien, aldus Schapper, dat wij slechts bladeren zijn aan de grote boom van de mensheid en dat de komende generaties zullen oogsten wat wij met ons stille werken hebben gezaaid.

Lijnrecht hier tegenover stonden Weitling en Kriege, die van mening waren dat het communisme onmiddellijk te verwezenlijken zou zijn. Het communisme gedoogde geen uitstel: het ging daarbij immers om de enige mogelijkheid van het proletariaat om de huidige ellende te overwinnen. Voorlichting en scholing zouden daarom ontoereikend zijn. Vrijheid en recht konden slechts door harde strijd veroverd worden de tijd drong.

Opmerkelijk bij deze discussie is dat alle deelnemers aan het debat ervan uitgaan dat het communisme objectief-‘technisch’ gesproken allang mogelijk is. De standpunten verschillen alleen wanneer het gaat om het tempo waarmee het proletariaat leert – dus als het gaat om de subjectieve voorwaarden voor het communisme. Enkele jaren later zal dit tot heftige conflicten met Marx leiden. (zie VI).

III

In de lente van 1846 richtten Marx en Engels te Brussel het ‘Communistische Correspondentiecomité’ op. Dit comité, met vele contactpunten in Europa, was bedoeld om het wetenschappelijke socialisme in de jonge arbeidersbeweging te verankeren. Door middel van rondbrieven (‘Zirkulare’), ontelbare brieven en gesprekken, probeerden Marx en Engels hun ideeën te verspreiden. Dat gebeurde vanuit een zeer specifieke opvatting over hun eigen rol. Al in zijn Kritiek op Hegels wijsbegeerte van het recht uit ’44 had Marx geschreven: ‘Zoals de filosofie in het proletariaat haar materiële wapen vindt, zo vindt het proletariaat in de filosofie zijn geestelijke wapens, en zodra de bliksemschicht van de gedachte grondig is ingeslagen in deze naïeve volksbodem, zal zich de emancipatie van de Duitsers tot mensen voltrekken. (...) Het hoofd van deze emancipatie is de filosofie, haar hart het proletariaat. De filosofie kan zich niet verwezenlijken zonder de opheffing van het proletariaat, het proletariaat kan zich niet opheffen zonder de verwezenlijking van de filosofie.’ (MEW 1/391).

Marx plaatst hier bondig een aantal zaken tegenover elkaar:

Filosofie – proletariaat
geestelijk – materieel
hoofd van de emancipatie – hart van de emancipatie
bliksemschicht – naïeve volksbodem

Deze begripsparen laten duidelijk zien, dat Marx een soort arbeidsverdeling nastreefde, waarbij de radicale intelligentsia (de ‘filosofie’) de theorie ontwikkelt, die vervolgens door het proletariaat – deze ‘naïeve volksbodem’ – wordt opgezogen en in daden omgezet. Voorwaarde voor een dergelijk samengaan is, dat de theorie aansluit bij de problemen waar de werkende bevolking mee te kampen heeft: ‘De theorie wordt in een volk steeds slechts in zoverre verwezenlijkt, als zij de verwezenlijking is van zijn behoeftes (...) Het is niet voldoende, dat de gedachte naar de werkelijkheid streeft, de werkelijkheid moet zelf ook naar de gedachte streven.’ (MEW, 1/386).

Marx’ zelfbeeld als revolutionaire intellectueel komt hier duidelijk naar voren: hij ontwikkelt de theorie – het wetenschappelijk socialisme, – en draagt die over aan het proletariaat. Daarbij moet een dubbele strijd gevoerd worden: tegen ‘onwetenschappelijke’ opvattingen in het proletariaat en tegen concurrerende theorieën van andere intellectuelen. Slechts een helder ‘hoofd’ kan het ‘hart’ naar de overwinning leiden.

Marx ziet het verschil tussen zichzelf en de andere socialistische theoretici (Cabet, Proudhon enz.) vooral in het feit, dat de anderen ‘ideale’ systemen uitdenken over een perfecte communistische maatschappij, terwijl hij analyseert hoe de werkelijkheid zich ontwikkelt. De systeembouwers zijn volgens hem het product van de eerste, nog zeer onrijpe, fase van de arbeidersbeweging. In zijn venijnige aanval op Proudhon – het boek Misère de la philosophie uit 1847 – zette hij deze visie uiteen. ‘Zoals de economen de wetenschappelijke vertegenwoordigers van de bourgeoisklasse zijn, zo zijn de socialisten en communisten de theoretici van de klasse van het proletariaat. Zolang het proletariaat nog niet genoeg ontwikkeld is, om zich als klasse te constitueren, en de strijd van het proletariaat met de bourgeoisie daarom nog geen politiek karakter bezit; zolang de productiekrachten nog in de schoot van de bourgeoisie zelf niet genoeg ontwikkeld zijn, om de materiële voorwaarden te laten doorschijnen, die nodig zijn voor de bevrijding van het proletariaat en de vorming van een nieuwe maatschappij – zolang zijn deze theoretici slechts utopisten, die teneinde de behoeftes van de onderdrukte klasse te bevredigen systemen verzinnen en naar een zich herstellende wetenschap zoeken. Maar in die mate waarin de geschiedenis voortschrijdt en daarmee de strijd van het proletariaat duidelijker trekken begint te vertonen, hoeven zij niet meer de wetenschap in hun hoofd te zoeken; zij hoeven zich alleen rekenschap te geven van datgene, wat zich voor hun ogen afspeelt, en zich tot het orgaan daarvan te maken. Zolang zij de wetenschap zoeken en alleen maar systemen maken, zolang zij zich in het begin van de strijd bevinden, zien zij in de ellende uitsluitend de ellende, zonder de revolutionaire omverwerpende kant erin te onderkennen, die de oude maatschappij op haar kop zal zetten. Vanaf dat ogenblik wordt de wetenschap het bewuste resultaat van de historische beweging en houdt zij op doctrinair te zijn, zij is revolutionair geworden.’ (MEW 4/143).

Hoofdprioriteit van het ‘Communistische Correspondentiecomité’ was dan ook de uitschakeling van de ‘doctrinaire’, ‘onwetenschappelijke’ opvattingen in de Bond der Rechtvaardigen. Het eerst kwam Weitling aan de beurt. Hoe dat in zijn werk ging weten we dank zij een verslag van Paul Annenkov, een Rus die destijds contact had met Marx. Vele jaren later, in 1880, publiceerde hij zijn herinneringen aan die periode in het tijdschrift ‘Vestnik Evropy’ (de Europese Bode). Ik zal het betreffende fragment geheel weergeven, omdat het ons een zeer typisch beeld van Marx verschaft. Op 29 maart 1846 stelde Annenkov zich in Brussel aan Marx voor: ‘Al tijdens de eerste ontmoeting nodigde Marx mij uit voor een bespreking, die de volgende dag zou plaats grijpen tussen hem en de kleermaker Weitling, die destijds in Duitsland een tamelijk grote arbeiderspartij achter zich had staan. Deze vergadering was belegd teneinde, indien mogelijk, de leiders van de arbeidersbeweging een gemeenschappelijke tactiek te doen overeenkomen. Ik aarzelde natuurlijk niet en gaf gevolg aan de uitnodiging.

De kleermaker Weitling was een knappe, blonde jongeman in een ietwat fatterig gemodelleerd jasje, met een koket opgedraaid snorretje. Hij leek eerder op een handelsreiziger dan op de sombere, verbitterde, door de last van de arbeid en van de gedachte neergedrukte arbeider, die ik had verwacht.

Nadat wij ons oppervlakkig aan elkaar hadden voorgesteld, wat van de kant van Weitling met een zekere gezochte hoffelijkheid geschiedde, gingen we aan een klein groen tafeltje zitten. Aan de smalle kant had Marx plaatsgenomen, het potlood in de hand, zijn leeuwenhoofd over een vel papier gebogen. Zijn onafscheidelijke vriend en compagnon in de propaganda, de rechte, Brits voorname, serieuze Engels met zijn hoge gestalte, opende de zitting met een toespraak. Hij zette uiteen, hoe noodzakelijk het is, dat de mannen die zich wijden aan de hervorming van de arbeid, hun opvattingen aan elkaar duidelijk maken en een algemeen program vaststellen, dat voor alle partijgangers, die óf niet de tijd óf niet de mogelijkheid hebben om zich met theoretische vraagstukken bezig te houden, als banier zou kunnen dienen, waarrond zij zich zouden kunnen scharen. – Hij was nog niet klaar met zijn toespraak of Marx richtte al zijn hoofd op en stelde rechtstreeks aan Weitling de vraag:

‘Vertelt u ons toch eens, Weitling, u die met uw communistische propaganda zo veel lawaai in Duitsland hebt gemaakt en zo veel arbeiders hebt aangetrokken, die u van hun werk en brood hebt beroofd: met welke argumenten verdedigt u uw sociaalrevolutionaire agitatie en waarop denkt u deze in de toekomst te grondvesten?’. Ik herinner mij nog heel precies zelfs de vorm van deze barse vraag, die in de kleine kring een hartstochtelijke discussie opende, die overigens, zoals ik zal laten zien, niet lang duurde.

Weitling leek de bespreking tot gemeenplaatsen van de liberale mooipraterij te willen beperken. Met een ernstige, bezorgde uitdrukking op zijn gezicht begon hij uiteen te zetten, dat het niet zijn taak was nieuwe economische theorieën te scheppen, maar dié theorieën te gebruiken die, zoals in Frankrijk duidelijk te zien is geweest, de arbeiders de ogen openen, die hen leren aan geen enkele belofte geloof te hechten en hun hoop uitsluitend op zichzelf te vestigen.

Hij praatte veel, maar tot mijn verbazing en in tegenstelling tot de toespraak van Engels onduidelijk en verward, ook wat de vorm betreft, zich vaak herhalend en de eigen woorden verbeterend en slechts met moeite conclusies bereikend, die bij hem vaker te laat of vroeger dan de voorwaarden kwamen. Hij had nu met geheel andere toehoorders te maken dan degenen die gewoonlijk zijn werkplaats omringden of zijn krant en zijn gedrukte pamfletten over de huidige economische toestand lazen, en hij raakte daardoor de vrijheid van het denken en spreken kwijt.

Hij zou vermoedelijk nog langer gesproken hebben, als Marx hem niet met toornig samengetrokken wenkbrauwen had onderbroken en met zijn antwoord was begonnen. De essentie van zijn tegenargument was, dat het eenvoudig bedrog is om het volk op te ruien, zonder het vaste grondslagen voor zijn handelingen te geven. Het opwekken van fantastische verwachtingen, waarvan zojuist sprake was geweest, aldus ging Marx verder, zou nimmer aan de lijdenden redding brengen, maar wel de ondergang. Vooral in Duitsland is de benadering van de arbeiders zonder streng wetenschappelijke ideeën en concrete leer niets anders dan een leeg, gewetenloos spel met de propaganda, waarbij aan de ene kant een geestdriftige apostel verondersteld wordt en aan de andere zijde uitsluitend ezels, die met opengesperde muilen luisteren. – Hier, voegde hij eraan toe, terwijl hij plotseling met een heftige handbeweging op mij wees, hier is een Rus in ons midden. In zijn land, Weitling, zou misschien uw rol op zijn plaats zijn, dáár alleen kunnen werkelijk met succes verenigingen van absurde apostelen en absurde volgelingen worden opgericht en bestaan.

In een beschaafd land als Duitsland, meende Marx verder, kan men zonder stevige, concrete leer niets beginnen en is ook tot nu toe niets bereikt behalve lawaai, schadelijke opwinding en vernietiging van de zaak zelf, die men ter hand heeft genomen.

De bleke wangen van Weitling kregen kleur en zijn taal werd vrij en levendig. Met een van opwinding trillende stem begon hij te bewijzen dat een man die honderden mensen in naam van de idee der rechtvaardigheid, solidariteit en broederliefde om zich heeft geschaard, niet een inhoudsloos, lui mens genoemd kan worden, dat hij, Weitling, zich bij de huidige aanvallen troost met honderden brieven, verklaringen en betuigingen van dankbaarheid, die hij uit alle delen van zijn vaderland ontvangt en dat misschien zijn bescheiden voorbereidende werk voor de gemeenschappelijke zaak van groter belang is, dan de kritiek en de schrijftafelanalyses, die ver van de lijdende wereld en de kwellingen van het volk worden ontwikkeld.

Bij de laatste woorden sloeg Marx in volle woede met de vuist zó hard op tafel, dat de lamp begon te beven en opspringend riep hij: ‘Nog nooit is de onwetendheid iemand tot nut geweest.’

Wij volgden zijn voorbeeld en stonden eveneens op. Het gesprek was ten einde, en terwijl Marx ongewoon boos en geprikkeld in de kamer op en neer liep, nam ik snel afscheid van hem en de anderen en ging naar huis – ten zeerste verrast door datgene wat ik zojuist had gezien en gehoord.’

Tot zover Annenkov. De geschilderde episode is van groot historisch belang. Op deze opmerkelijke avond in Brussel werd voor het eerst een deel van de arbeidersbeweging, belichaamd in Weitling, geconfronteerd met de leiderschapspretenties van de wetenschap, belichaamd in Marx. De wetenschap matigt zich daarbij een autoritaire houding aan tegenover het onwetenschappelijke arbeiderscommunisme. Het gesprek wordt geheel beheerst door Marx, die begint met een inquisitie-vraag en afsluit met een arrogante uitroep. De discussie zelf betreft niet de gemeenschappelijkheden van arbeiders en wetenschappers, maar de ‘onwetendheid’ van Weitling. Marx had niet de bedoeling Weitling op de een of andere manier voor te lichten of de les te lezen. Het verwijt van de onwetendheid was principieel bedoeld. Marx en Engels wisten dat Weitling, die zonder ‘streng wetenschappelijke ideeën’ werkte en toch vele arbeiders had georganiseerd, niet door hen zou worden overtuigd. Zij moesten daarom met Weitling breken om hun ambities te kunnen verwezenlijken.

Bij dit alles moeten we in gedachte houden dat de op dat moment 38-jarige Weitling internationaal bekend stond als de grondlegger van het Duitse communisme, wiens geschriften in het Engels, Frans en Noors waren vertaald, en die als onverzettelijke revolutionair ongeveer een jaar kerker achter de rug had. Marx (destijds 28 jaar) was net als Engels nog een vrijwel onbekende intellectueel. Zij probeerden bekendheid voor hun ideeën te verwerven door de befaamde Weitling zeer bruusk te kritiseren. In dat verband ging Engels in augustus 1846 naar Parijs om de daar verblijvende Duitse arbeiderscommunisten – in de briefwisseling tussen Marx en Engels regelmatig aangeduid als ‘lomperds’, ‘ezels’ en ‘landlopers’- te bewerken. Of, duidelijker gezegd, om de Weitling-aanhangers en andere concurrenten uit de Bond der Rechtvaardigen ‘te mieteren’ (MEW 27/32).

Na de confrontatie met Weitling probeerden Marx en Engels via hun correspondentiecomité de meerderheid van de Bond der Rechtvaardigen (Schapper c.s.) voor de eigen opvattingen te winnen. In tegenstelling tot hetgeen meestal wordt beweerd is deze poging nooit geheel geslaagd. Een brief van de Londense arbeiderscommunisten aan Marx en Engels van juli 1846 zegt bijvoorbeeld: ‘Jullie hebben gelijk, wanneer jullie de filosofische en sentimentele richtingen van het communisme bestrijden, zodra zij eenzijdig zijn en het alleenrecht opeisen, maar jullie moeten ook vermijden eenzijdig te worden – en jullie worden het wanneer jullie de mogelijkheid van het communisme uitsluitend willen grondvesten op de toenemende nood van de arbeiders en de vervolmaking van de machines etc. (...) Niet allen zijn zulke grote economen als jullie, verlangt daarom ook niet dat iedereen het communisme moet opvatten, zoals jullie dat doen.’

De Londense communisten zagen het ‘wetenschappelijke socialisme’ slechts als één theorie uit meerdere. Zij wensten een vreedzaam en tolerant naast elkaar bestaan der verschillende opvattingen. Bovendien meenden zij dat het communisme niet kan volstaan met een louter economische onderbouwing. Kortom: de Londense communisten geloofden dat Marx en Engels de beweging zeer van dienst zouden kunnen zijn, maar zij waren niet bereid zichzelf als de ‘naïeve volksbodem’ te beschouwen, waar de wetenschappelijke socialisten hen voor aanzagen.

IV

In februari 1847 werden Marx en Engels lid van de Bond der Rechtvaardigen, die zij tot dan toe van buitenaf hadden beïnvloed. Op het ogenblik van hun toetreding bevond de Bond zich juist middenin een uitgebreide programmatische discussie. De Londense leiding had een aantal problemen geformuleerd, zoals:
- ‘Wat is de plaats van het proletariaat tegenover de hoge en lage bourgeoisie?’
- ‘Wat is communisme, en wat willen de communisten?’
- ‘Op welke manier kan de goederengemeenschap het snelst en gemakkelijkst worden ingevoerd?’.

Op het eerste bondscongres (begin juni 1847) werd door 12 à 15 afgevaardigden over deze kwesties gedebatteerd. Tot de aanwezigen behoorden Engels (namens de Parijse communisten) en Wilhelm Wolff namens de rond Marx gegroepeerde Brusselse communisten. Op het congres werd een ‘communistische catechismus’ ontworpen, evenals nieuwe statuten. De naam van de Bond werd veranderd in Bond der Communisten. Op het tweede bondscongres (eind november, begin december 1847) – met als afgevaardigden behalve Engels nu ook Marx zelf – werden de statuten in iets gewijzigde vorm aangenomen. Artikel één luidde: ‘Het doel van de Bond is de omverwerping van de bourgeoisie, de heerschappij van het proletariaat, de opheffing van de oude, op klassentegenstellingen berustende burgerlijke maatschappij en de oprichting van een nieuwe maatschappij zonder klassen en zonder particuliere eigendom.’ (MEW 4/596) Marx kreeg de opdracht om de in de loop van het jaar gevoerde programmatische discussies in een manifest samen te vatten. In januari 1848 had Marx zich – bijgestaan door Engels – van deze taak gekweten. In februari rolde het eerste exemplaar van het Manifest van de Communistische Partij in Londen van de drukpersen.

Het Communistisch Manifest zet in vier hoofdstukken uiteen wat de communisten als ‘hun visie, hun doelstellingen, hun tendensen’ voor ogen hebben. Het eerste hoofdstuk behandelt uitvoerig de groeiende tegenstelling tussen proletariaat en bourgeoisie. ‘De gehele maatschappij splitst zich meer en meer in twee grote vijandige kampen, in twee grote, direct tegenover elkaar staande klassen: bourgeoisie en proletariaat’ (MEW 4/463) Naarmate de burgerlijke maatschappij zich ontwikkelt neemt de omvang en kracht van de arbeidersklasse toe. Het kapitalisme degradeert de arbeider tot ‘een louter aanhangsel van de machine’, zodat het werk onzelfstandig en onaantrekkelijk wordt. Omdat de proletariër steeds minder scholing nodig heeft, neemt zijn loon af. ‘De kosten, die de arbeider veroorzaakt, zijn bijna uitsluitend beperkt tot de levensmiddelen, die hij voor zijn onderhoud en voor de voortplanting van zijn soort nodig heeft. De prijs van een waar, dus ook van de arbeid, is echter gelijk aan haar productiekosten. In dezelfde mate, waarin de walgelijkheid van de arbeid groeit, neemt daarom het loon af.’ (MEW 4/469) De noodzaak van een omwenteling ten gunste van het proletariaat wordt van dag tot dag groter.

Het tweede hoofdstuk bespreekt de rol van de communisten binnen de proletarische verzetsbeweging: ‘De communisten zijn geen bijzondere partij tegenover de andere arbeiderspartijen. Zij hebben geen belangen die gescheiden zijn van de belangen van het gehele proletariaat. Zij stellen geen bijzondere principes op, volgens welke zij de proletarische beweging willen modelleren. De communisten onderscheiden zich van de overige proletarische partijen alleen doordat zij enerzijds in de verschillende nationale gevechten van de proletariërs de gemeenschappelijke, van de nationaliteit onafhankelijke belangen van het gehele proletariaat benadrukken en tot hun recht doen komen, en doordat zij anderzijds in de verschillende ontwikkelingsfasen, die de strijd tussen proletariaat en bourgeoisie doorloopt, steeds het belang van de beweging als geheel vertegenwoordigen. De communisten zijn dus praktisch het meest vastberaden, steeds verder drijvende deel van de arbeiderspartijen van alle landen.’ (MEW 4/474).

Hoofdstuk drie bevat een omstandige polemiek tegen andere socialistische opvattingen (Fourier, Cabet, Proudhon, Owen, e.a.). Het vierde hoofdstuk schetst tenslotte beknopt de taken voor de komende periode. ‘Hun grootste aandacht richten de communisten op Duitsland, omdat Duitsland aan de vooravond van een burgerlijke revolutie staat en omdat het deze omwenteling onder hoger ontwikkelde voorwaarden van de Europese beschaving in het algemeen en met een veel verder ontwikkeld proletariaat volbrengt dan Engeland in de 17de en Frankrijk in de 18de eeuw. De Duitse burgerlijke revolutie kan dus slechts het directe voorspel van een proletarische revolutie zijn.’ Daarom zullen de communisten in Duitsland ‘gemeenschappelijk met de bourgeoisie’ strijden ‘tegen de absolute monarchie, het feodale grondeigendom en de kleinburgerij.’ Tegelijkertijd zullen de communisten de arbeiders een zo helder mogelijk bewustzijn bijbrengen over ‘de vijandige tegenstelling tussen bourgeoisie en proletariaat’ opdat onmiddellijk na de overwinning van de bourgeoisie ‘de strijd tegen de bourgeoisie zelf’ een aanvang kan nemen (MEW 4/492-93).

Het Communistisch Manifest is een ‘marxistisch’ werkstuk. Daarover kan geen twijfel bestaan. Maar betekent dit nu ook, dat met het verschijnen van het manifest de Bond der Communisten ‘marxistisch’ is geworden, zoals meestal wordt beweerd? Het antwoord moet ontkennend zijn. Veeleer is het Communistisch Manifest een tekst, die zó geformuleerd is, dat de verschillende stromingen uit de bond zich er alle in konden herkennen. We mogen niet vergeten, dat Marx het manifest schreef als samenvatting van de diverse discussiebijdragen die in de voorafgegane periode in de Bond naar voren waren gebracht. Marx moest van de verschillende opvattingen een voor de gehele organisatie aanvaardbare synthese maken – blijkbaar heeft hij dat met succes gedaan, want zijn tekst werd in Londen zonder aarzelen gedrukt. Men had deze taak aan Marx toebedeeld, niet zozeer omdat hij als de onbetwistbare theoretische leider werd gezien, maar omdat hij als vlot schrijvende en verstandige intellectueel daartoe in staat werd geacht. Dat de arbeiderscommunisten Marx niet als onmisbaar beschouwden blijkt ook wel uit het feit, dat het Londense centrale comité op 24 januari 1848 nog aan Marx had geschreven dat hij moest opschieten of men zou de opdracht aan iemand anders overdragen: ‘In het geval dat K. Marx het manifest niet opstelt, verlangt de centrale leiding de onmiddellijke terugzending van de hem door het congres overhandigde documenten.’ – aldus de aanmaningsbrief. Een week later was de tekst af, zodat sindsdien Marx’ naam met het manifest is verbonden.

V

In 1848 brak de revolutionaire storm los boven Europa. Het hevigst getroffen werden de heersende klassen in Frankrijk. De heerschappij van de grote geldmagnaten was ernstig in diskrediet gebracht door corruptie affaires en omkopingsschandalen. Eerste Minister François Guizot had geroepen ‘Verrijkt u zich, mijne heren!’ en de machtigen hadden graag aan zijn oproep gehoor gegeven. Zelfs de ‘burgerkoning’ Louis-Philippe had kans gezien zijn enorme vermogen door beursspeculaties verder te vergroten.

Toen vanaf 1847 een diepe economische crisis zichtbaar werd, kreeg de Franse regering het steeds moeilijker. Onder de werkende bevolking groeide de onvrede. Maar ook de industriële en handelsbourgeoisie, die geen deel had in de politieke macht, drong aan op veranderingen. In februari 1848 werd een door de diverse oppositionele stromingen georganiseerde manifestatie ten gunste van een parlementaire hervorming door de regering onderdrukt. Het volk van Parijs aanvaardde dat niet. Grote mensenmassa’s verzamelden zich uit protest op de boulevards bij de Champs- Élysées. Onder het zingen van de Marseillaise en het roepen van leuzen trokken arbeiders en studenten naar het Palais Bourbon, waar parlement en regering zetelden. Een bloedig treffen tussen soldaten en demonstranten was het resultaat. De revolutie was begonnen.

Metershoge barricades versperden in de volgende dagen de straten van Parijs; hardnekkige gevechten kostten vele doden. Toen de nationale Garde weigerde mee te doen aan de onderdrukking van de opstand en het moreel van de overige troepen snel bleek te verslechteren zette de koning Guizot af.

Maar de opstandelingen waren daarmee niet tevreden. Zij wilden veel méér dan een nieuwe minister-president. Een menigte bestormde het koninklijk paleis. Meer dan honderdduizend mensen namen er een kijkje. De troon werd verbrand op de Place de la Bastille. De monarchie was ten val gebracht. De nieuwe voorlopige burgerlijke regering kon slechts met moeite verhinderen, dat de Franse driekleur door een rode vlag werd vervangen. De arbeiders haalden een flinke buit binnen. De arbeidsdag werd verkort (tot tien uur in Parijs en elf uur in de provincie), pers- en vergadervrijheid werden hersteld en het kiesrecht uitgebreid.

Heel Europa volgde de Franse gebeurtenissen met spanning. Overal werden onderdrukte nationaliteiten en bevolkingsgroepen erdoor geïnspireerd. In maart 1848 verdreven de bewoners van Milaan de Oostenrijkse bezettingsmacht; tezelfdertijd braken de opstanden uit in Hongarije en bij de Tsjechen. Slovaken, Serviërs, Slovenen en Kroaten kwamen in beweging tegen de Habsburgse monarchie. In het Poolse Poznan ontbrandde het verzet tegen de Pruisische overheersing. En ook België en Engeland raakten in beroering.

In het Duitse rijk was de reactie op de Franse gebeurtenissen het sterkst. In tegenstelling tot Frankrijk, waar al eeuwen een centrale staat bestond, was Duitsland nog versnipperd. Daardoor nam de revolutie hier de vorm aan van een groot aantal betrekkelijk geïsoleerde opstanden: eerst in het Groothertogdom Baden – dat aan Frankrijk grensde – en vervolgens in de andere delen van het rijk. Na dagenlange straatgevechten in Berlijn werd zelfs de Pruisische koning Friedrich Wilhelm IV op de knieën gedwongen en genoodzaakt democratische hervormingen door te voeren. Overal werden nieuwe regeringen benoemd, bestaande uit vertegenwoordigers van de liberale grootburgerij. In Pruisen werd Ludolf Camphausen – een groothandelaar in olie en graan – de nieuwe minister-president.

Vanaf de eerste dag probeerden de nieuwe regeringen ‘rust en orde’ te herstellen. De volksmassa’s waren nuttig geweest bij het veroveren van de politieke macht door de bourgeoisie, maar nu dit eenmaal bereikt was diende de beweging weer aan banden te worden gelegd, volgens het motto: ‘De moor heeft zijn schuldigheid gedaan, hij kan gaan’.

De omvang van het proletariaat was in deze tijd nog betrekkelijk gering. Echte fabrieksarbeiders vormden een kleine minderheid van de bevolking. Veel loonafhankelijken waren thuiswerkers, gezellen of behoorden tot het dienstpersoneel. In Pruisen telde men bijvoorbeeld krapjes 600.000 fabrieksarbeiders en 350.000 gezellen en leerlingen op een totale bevolking van ruim zestien miljoen. Desondanks gaf de arbeidersklasse blijk van groeiend klassebesef. In het kielzog van de revolutie ontstonden vanaf eind maart 1848 op vele plaatsen arbeidersverenigingen. Niet, dat al deze verenigingen socialistisch waren; het merendeel stond nog sterk onder burgerlijke invloed. Maar er was niettemin een begin van zelforganisatie.

De belangrijkste centra van arbeidersstrijd waren Berlijn, de hoofdstad van Pruisen, en Keulen, het middelpunt van de Duitse industrie. De Berlijnse arbeiders stonden helemaal aan het begin van hun leerproces. Via barricadegevechten hadden zij de burgerij in het zadel geholpen – en nu waren ze achteraf teleurgesteld. Acht dagen na de overwinning vond dan ook een grote bijeenkomst plaats, waaraan meer dan twintigduizend mensen deelnamen. De discussie eindigde in een volslagen chaos. Praatjesmakers en demagogen stichtten verwarring en zorgden voor een mislukking.

Een paar dagen later kwam een groep van 150 arbeiders bijeen om over deze en eerdere ervaringen te praten. De groep kwam tot de gevolgtrekking, dat men eerst in kleinere kring duidelijkheid moest scheppen voordat men weer massameetings zou organiseren. De vergadering besloot daarom alle Berlijnse vakbonden, bedrijven enz. uit te nodigen om vertegenwoordigers te kiezen, die een centraal comité zouden moeten vormen voor alle arbeiders van de stad.

Aldus geschiedde. Op 19 april was het comité reeds opgericht. Onmiddellijk begon het met agitatie, publicaties en vergaderingen. Vanaf 1 juni liet het comité drie keer per week Das Volk verschijnen – een krant, die als doelstelling had ‘enerzijds de burgerij te ondersteunen bij de strijd tegen de aristocratie, tegen de middeleeuwen, tegen de machten van gods genade, anderzijds de kleine ambachtslieden en de arbeiders bij te staan tegen de macht van het kapitaal en de vrije concurrentie.’

Vanuit Berlijn werd het initiatief genomen tot de oprichting van een arbeidersparlement voor heel Duitsland, dat zou moeten ijveren voor de afschaffing van de werkloosheid, staatsvoorzieningen voor invalide arbeiders, beperking van de arbeidsduur, progressieve inkomstenbelasting, gratis onderwijs, kosteloze rechtsbijstand enz. Het ‘parlement’ kwam bijeen op 23 augustus 1848. Aanwezig waren vertegenwoordigers van 35 arbeidersverenigingen, uit Berlijn, Breslau (Wroclaw), Hamburg, Leipzig, Königsberg (Kaliningrad), München en andere grote Duitse steden. Het congres besloot tot de vorming van een overkoepelende landelijke organisatie, de Arbeidersverbroedering, met een trapsgewijze opbouw van plaatselijke en regionale comités, en een centraal comité als hoogste instantie. De nieuwe bond – de eerste massaorganisatie van de Duitse arbeidersklasse – groeide snel. Afdelingen schoten uit de grond.

De belangrijkste leider van de Arbeidersverbroedering was ongetwijfeld de typograaf Stephan Born (schrijversnaam van Simon Buttermilch). Born was een van de zeer weinigen, die het Communistische Manifest echt hadden begrepen. Hij kende Marx en Engels al sinds hun Brusselse tijd persoonlijk en werd door Marx beschouwd als een ‘modelleerling’. Born probeerde nu dus via de arbeidersverenigingen de Duitse proletariërs de ideeën van Marx bij te brengen: heel langzaam en voorzichtig, opdat er sprake zou zijn van een werkelijk diepgeworteld leerproces. In toespraken, op congressen en in artikelen zette hij de grote tegenstelling uiteen tussen ondernemers en arbeiders. Aan de ambachtelijke gezellen legde Born uit, dat zij niet met hun meesters solidair moesten zijn maar met de fabrieksarbeiders; dat de meesters in feite solidair waren met de fabriekseigenaren, en dat de maatschappij anders in elkaar zit dan ze tot dan toe hadden verondersteld. Het blad Verbrüderung – de opvolger van Das Volk – werd al snel het meest populaire blad van de werkende bevolking. Zelfs toen alle redactieleden gevangen werden gezet kon het blijven voortbestaan. Het voorzag in een werkelijke behoefte.

Vanuit socialistisch standpunt gezien was de Arbeidersverbroedering het belangrijkste resultaat van de periode na de revolutie van ’48. Toch negeerden Marx en Engels deze hele ontwikkeling (In de meeste Marx-biografieën wordt er dan ook geen aandacht aan besteed). De reden daarvan zal aanstonds duidelijk worden.

Na de geslaagde maartrevolutie had de Bond van Communisten zichzelf ontbonden. De meeste leden, die tot dan toe in Londen, Parijs of Brussel hadden gewoond, keerden terug naar hun vaderland om in de diverse steden de democratische bewegingen te versterken. Marx en Engels vestigden zich in Keulen en namen deel aan de oprichting van een nieuwe krant, de Neue Rheinische Zeutung (NRZ). De NRZ (ondertitel ‘Orgaan van de democratie’) beschouwde zichzelf als de spreekbuis van de radicale democraten. De lijn van het blad bestond eruit de liberale bourgeoisie ‘rode peper in de kont’ te strooien; de brede volksmassa’s van kleinburgers, arbeiders en boeren moesten de grootbourgeoisie voorwaarts drijven. De arbeiders dienden zich te organiseren, maar niet om hun eigen eisen naar voren te brengen, doch om de grootbourgeoisie tot democratische maatregelen te dwingen. De actieve rol bij de invoering van de politieke democratie was bestemd voor de burgerij. Daarom wilde de NRZ bijvoorbeeld niet, dat er arbeiders in de parlementen zouden komen. Over de opstelling van een proletarische kandidaat in Elberfeld berichtte de krant dan ook zeer sceptisch en toen de gekozen wever na korte tijd terugtrad kon men zijn vreugde nauwelijks verhelen. Geheel in dit kader schreef Engels vanuit Barmen aan Marx: ‘De arbeiders beginnen enigszins in beweging te komen, nog zeer onbehouwen, doch massaal. Ze hebben onmiddellijk coalities (belangenorganisaties – Mvdl) gevormd. Dat is echter voor ons juist een obstakel.’ (MEW 27/126) Marx en Engels keerden zich tegen de zelfstandige klasseactie van de arbeiders; hun analyse had hen immers gezegd, dat de revolutie burgerlijk zou zijn. De arbeiders wilden in hun onbesuisdheid echter méér dan dat en liepen hen zodoende voor de voeten. Daarom paste ook de Arbeidersverbroedering niet in de theorie en werd zij door het wetenschappelijk socialisme verwaarloosd. De eerlijkheid gebiedt te vermelden, dat Marx en Engels in de nadagen van de revolutie, in het voorjaar van 1849, erop aandrongen, dat de Keulse arbeidersvereniging zich wél aansloot bij de Arbeidersverbroedering. Deze manoeuvre vormde echter slechts een zwaktebod. Later hebben de beide wetenschappelijke socialisten deze episode zoveel mogelijk verhuld. Toen Engels in 1885 terugblikte probeerde hij de Arbeidersverbroedering te kleineren door (geheel ten onrechte) te schrijven dat zij ‘grotendeels alleen op papier bestond en een zo ondergeschikte rol speelde dat de reactie pas in 1850 het nodig vond haar te onderdrukken’ (MEW 21/219). Over de Keulse toenadering van 1849 repte hij met geen woord.

VI

In de eerste helft van 1849 slaagden de conservatieve krachten in Duitsland erin de ‘orde’ te herstellen. Het verzet van de bevolking was gebroken. De NRZ werd verboden. Op 19 mei verscheen het laatste nummer, geheel gedrukt met rode inkt. Marx moet het land verlaten. Aanvankelijk probeerde hij zich met zijn gezin in Parijs te vestigen. Maar ook daar werd hem gauw het verblijf onmogelijk gemaakt. Zo vertrok hij naar Londen, waar hij in augustus 1849 arriveerde en voor de rest van zijn leven zou blijven wonen.

De communistische vereniging voor arbeidersvorming bestond daar nog steeds. Weliswaar hadden veel oude leden de roep van de revolutie gevolgd en waren weer naar Duitsland getrokken, maar een aantal had er de voorkeur aan gegeven in Engeland te blijven. Oude leiders, zoals Karl Schapper waren wel naar Duitsland gegaan, maar hadden er later de voorkeur aan gegeven weer naar de Britse hoofdstad terug te keren. Marx trad toe tot de vereniging en probeerde haar naar zijn opvatting te modelleren. In maart 1850 publiceerden hij en Engels een discussietekst, waarin zij poogden de lessen te trekken uit de mislukte revolutie van 1848-49. Terwijl zij voorheen de arbeidersklasse in Duitsland als een aanhangsel van de bourgeoisie hadden behandeld, schreven zij nu dat bij een volgende revolutie de arbeiders moesten trachten ‘met alle mogelijke middelen’ eigen kandidaten in het parlement te krijgen. ‘Zelfs daar, waar geen enkele kans op succes aanwezig is, moeten de arbeiders hun eigen kandidaten opstellen om hun zelfstandigheid te bewaren, hun krachten te tellen, hun revolutionaire positie en partijstandpunten in de openbaarheid te brengen.’ (MEW 7/251)

Enkele maanden later formuleerden Marx en Engels hun visie op de oorzaken van komende revoluties. ‘Een nieuwe revolutie’, schreven zij, ‘is alleen mogelijk als gevolg van een nieuwe crisis.’ Zolang er economische voorspoed heerst ‘kan van een werkelijke revolutie geen sprake zijn. Een dergelijke revolutie is alleen in de periodes mogelijk waarin deze beide factoren, de moderne productiekrachten en de burgerlijke productievormen, met elkaar in tegenspraak geraken.’ (MEW 7/440)

Deze theorie die de revolutie uit objectieve ontwikkelingen afleidde, stuitte binnen de Londense communistenbond op hevig verzet. Op een vergadering in september 1850 scheurde de organisatie: aan de ene kant stonden Marx en Engels, gesteund door enkele arbeiderscommunisten (Pfänder, Eccarius) en aan de andere kant Willich, Schapper en de meerderheid van de leden. In zekere zin herhaalde zich de discussie, zoals die eerder in Brussel tussen Marx en Weitling was gevoerd. Marx legde de nadruk op de objectieve, ‘wetmatige’ aspecten; de meerderheid van de arbeiderscommunisten schonk, net als Weitling destijds, vooral aandacht aan de subjectieve voorwaarden van een omwenteling. Schapper en de zijnen meenden dat de proletarische heerschappij elk moment tot stand zou kunnen komen, op voorwaarde dat de arbeidersklasse daartoe bereid zou zijn. ‘Zou dat niet het geval zijn, dan zou ik net zo goed kunnen gaan slapen’, merkte Schapper op. Marx wees dit revolutionaire ongeduld af op grond van zijn wetenschappelijke benadering. Zijn stelling luidde: ‘Jullie moeten 15, 20, 50 jaar burgeroorlog meemaken, om de verhoudingen te veranderen, om jullie zelf de vaardigheid tot heersen bij te brengen.’ (MEW 8/598)

Aan alle betrokkenen was duidelijk dat er sprake was van een zeer principieel verschil in opvatting: geeft de subjectieve wil of de objectieve mogelijkheid tot verandering de doorslag? De definitieve opheffing van de Bond der Communisten maakte in elk geval één ding duidelijk: het ‘marxisme’ was nooit werkelijk tot de arbeiderscommunisten doorgedrongen. Teleurgesteld schreef Engels in februari 1851 aan Marx: ‘Hebben wij niet sedert zo-en-zoveel jaar gedaan, alsof janrap en zijn maat tot onze partij behoorden, terwijl wij helemaal geen partij hadden en de mensen, die wij beschouwden als aanhangers van onze partij, althans officieel, (...) zelfs niet de uitgangspunten van onze zaken begrepen hadden?’ (MEW 27/190).

VII

Karl Marx is in bredere kring vooral bekend als de auteur van de driedelige studie Het Kapitaal – overigens naar alle waarschijnlijkheid een van de meest genoemde en minst gelezen boeken aller tijden. Het Kapitaal heeft een zeer langdurige en moeizame wordingsgeschiedenis gekend. Al in 1844 – drieëntwintig jaar voordat het eerste deel verscheen – was Marx begonnen met de systematische bestudering van de economie. Bewijs daarvoor zijn de in de lente van dat jaar gemaakte uittreksels van economische studies en een slechts als fragment bewaard gebleven manuscript over ‘Politiek en Economie’.

Bij zijn eerste terreinverkenningen werd Marx zeer sterk beïnvloed door Engels, die in datzelfde jaar in de ‘Deutsch-Französische Jahrbücher’ een uiterst belangwekkend essay had gepubliceerd over de Omtrekken van een kritiek der Volkshuishoudkunde. Uiteraard betreft het hier nog een zeer onrijpe publicatie, maar enkele essentiële uitgangspunten van Marx’ latere theorie waren er toch al geformuleerd. Het opstel opende bijvoorbeeld met de volgende zin: ‘De volkshuishoudkunde ontstond als een natuurlijk gevolg van de uitbreiding van de handel en met haar komt in de plaats van het eenvoudige onwetenschappelijke gesjacher een ontwikkeld stelsel van het geoorloofde bedrog, een complete verrijkingswetenschap.’ (MEW 1/ 499) Het klassekarakter van de heersende economische theorie werd hier dus duidelijk aan de kaak gesteld. Daarmee samenhangend kwam Engels tot de ontdekking, dat de burgerlijke economie voortdurend over kapitaal praat en nauwelijks over arbeid, hoewel toch uiteindelijk de arbeid ‘de hoofdzaak bij de productie’ is, omdat kapitaal ook slechts het resultaat van arbeid is (MEW 1/512). Voorts wees Engels op het feit, dat de concurrentie de drijfveer van het kapitalisme is en dat concurrentie het gevolg is van het bestaan van particuliere eigendom. ‘Uiteindelijk komt alles op concurrentie neer, zolang het particuliere eigendom bestaat’ (MEW 1/513). Zolang de concurrentie heerst, betoogde Engels verder, zullen er crises optreden. Hun einde is pas in zicht wanneer het huidige stelsel door een bewust gepland systeem wordt vervangen: ‘Als de producenten als zodanig wisten hoeveel de consumenten nodig zouden hebben, als zij de productie zouden organiseren, als zij haar onderling zouden verdelen, dan zou de wisselvalligheid van de concurrentie en haar neiging tot crisis onmogelijk zijn. Produceert met bewustzijn, als mensen, niet als versnipperde atomen zonder bewustzijn van de eigen soort, en jullie zijn van alle kunstmatige en onhoudbare tegenstellingen af. Zolang jullie echter doorgaan met de huidige onbewuste, gedachteloze, door het toeval beheerste manier van produceren, zolang blijven de handelscrises bestaan; en elke volgende moet universeler, dus erger worden dan de voorgaande, moet een grotere hoeveelheid kleine kapitalisten verarmen en de omvang van de louter van de arbeid levende klasse in toenemende mate vermeerderen.’ (MEW 1/515)

Aanvankelijk was Marx van plan op zeer korte termijn een economische studie te publiceren. Al in 1845 had hij een contract gesloten met uitgever Leske uit Darmstadt voor een boek met de voorlopige titel ‘Kritiek van de volkshuishouding’. Het wilde maar niet gereedkomen. Begin augustus 1846 beloofde Marx dat hij een eerste deel eind november zou hebben voltooid. ‘Het tweede deel kan snel volgen’ voegde hij er overmoedig aan toe (MEW 27/447). Maar ook daarvan kwam niets terecht. De revolutieperiode van ’48/49 legde vervolgens de studie lam. Pas in 1850 kon Marx de draad weer opnemen.

De 50er jaren waren voor Marx jaren van politiek en maatschappelijk isolement. In haar memoires schreef zijn vrouw Jenny later: ‘Karl deed aan geen enkele demonstratie meer mee. Hij en zijn vrienden traden uit de arbeidersvereniging en ieder van hen trok zich volledig terug in de privésfeer.’ Het organische contact tussen wetenschappelijk socialisme en arbeidersorganisaties was nu geheel verbroken. De arbeidersbewegingen in de verschillende Europese landen waren na de nederlagen van ’48-49 vrijwel uitgeschakeld. Zelfs stakingen kwamen in de eerste helft van de jaren vijftig nauwelijks voor. In deze fase van windstilte en reactie wijdde Marx zich aan de voortzetting van zijn economische studies. Zijn nieuwe woonplaats Londen was daarvoor bij uitstek geschikt. Niet alleen was Londen, als hoofdstad van het hoogst ontwikkelde kapitalistische land, de beste plek om de opkomende productiewijze praktisch te zien functioneren, ook had Marx sinds de zomer van 1850 toegang gekregen tot de bibliotheek van het British Museum (een instelling die niet voor iedereen toegankelijk was en is), zodat hem bijna alle belangrijke economische literatuur ter beschikking stond.

Na de literatuur enigszins verkend te hebben begon Marx in september 1850 met het maken van omvangrijke uittreksels van economische klassieken. Een hele reeks brieven aan Engels laat zien, dat Marx binnen korte tijd zeer fundamentele kritieken op de klassieke auteurs – vooral David Ricardo – ontwikkelde.

Gezien deze snelle vorderingen meende Marx reeds in april ’51: ‘Ik ben zover, dat ik over vijf weken met de hele economische stront klaar ben. Als dat gedaan is zal ik thuis de economie uitwerken en mij in het Museum op een andere wetenschap storten. Dit begint me te vervelen.’ (MEW 27/228) Dat het vervolgens toch nog zo vele jaren duurde voordat het project, althans gedeeltelijk, was voltooid had verschillende oorzaken. De minst belangrijke is waarschijnlijk dat Marx ondanks vele pogingen daartoe geen uitgever kon vinden. Belangrijker is, dat Marx bij de uitwerking van zijn kritiek van de politieke economie aanvankelijk dacht op alle belangrijke vragen een antwoord te hebben gevonden, maar bij verder doordenken steeds weer op nieuwe problemen stuitte. Een derde factor was de slechte financiële situatie waarin het gezin Marx verkeerde. Ondanks vele schenkingen van Engels was Marx genoodzaakt als ‘free lancer’ te schrijven voor de ‘New York Tribune’. Deze broodwinning noopte hem regelmatig om specifieke studies te verrichten die weinig met zijn theoretische werk te maken hadden. Marx haatte de journalistiek. In een brief uit ’53 klaagde hij hoe saai dit geknoei voor de krant was, hoeveel tijd het hem roofde en dat het allemaal uiteindelijk toch niks voorstelde (MEW 28/592). Eind ’57 schreef hij aan Lasalle, dat hij voor zijn wetenschappelijke studies alleen nog ’s nachts tijd had (MEW 29/548).

Van de zomer in 1851 tot eind ’52 werd Marx vrijwel geheel in beslag genomen door journalistieke bezigheden. Eind ’52 zette hij zijn studies voor korte tijd voort, maar al snel volgde een tweejarige pauze. Begin 1855 maakte hij een nieuwe start. Marx las zijn oude aantekeningen weer door. De ziekte van zijn vrouw, de dood van zijn zoontje Edgar en tenslotte ook zijn eigen verslechterende gezondheid zorgden echter voor de zoveelste onderbreking.

Eind ’56 werden de eerste tekenen zichtbaar van een nieuwe economische crisis. Marx verwachtte dat een revolutionaire situatie hieruit zou volgen, net als uit de crisis van 1847 de opstanden van ’48 gevolgd waren. Koortsachtig ging hij nu aan de slag om zijn werk af te hebben voordat het zover zou zijn. ‘Ik werk als gek door de nachten heen aan de samenvatting van mijn economische studies, opdat ik tenminste de hoofdlijnen duidelijk heb vóór de zondvloed’, schreef hij in december 1857 aan Engels (MEW 29/225). Welke intellectuele prestatie Marx leverde werd zichtbaar toen hij in maart 1858 het manuscript, bekend als de Grundrisse (Hoofdlijnen) in ruwe vorm had voltooid: in slechts negen maanden tijd had hij ruim 750 pagina’s tekst geproduceerd, terwijl hij daarnaast regelmatig bijdragen aan de New York Tribune had geleverd. Het behoeft dan ook niet te verbazen, dat Marx onmiddellijk na de afronding van zijn werk ernstig ziek werd als gevolg van overwerktheid en uitputting. Een persklare versie van de Grundrisse is er nooit gekomen. De nog ongepolijste aantekeningen werden pas in de jaren 1939-41 gepubliceerd door het Marx-Engels-Lenin-Instituut te Moskou.

Het is niet mogelijk hier uitgebreid in te gaan op de inhoud van de Grundrisse. Ik moet daarom volstaan met enkele opmerkingen. Het baanbrekende van de tekst zit allereerst in het methodische aspect. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Ricardo, die zich vooral met distributievraagstukken bezig hield, ging Marx er als eerste van uit, dat de maatschappij dient te worden gezien als een totale dialectische samenhang: productie, distributie, ruil en consumptie dienen als elementen van één groot economisch proces te worden gezien, die weliswaar verschillend zijn maar tegelijkertijd bij elkaar horen en elkaar wederzijds beïnvloeden. Het zijn allemaal ‘geledingen van een totaliteit, verschillen binnen één eenheid’ (Gr 20). De productie is daarbij natuurlijk het uitgangspunt, maar een voortgezet productieproces vereist distributie, ruil, consumptie enz. ‘Er vindt wisselwerking plaats tussen de verschillende momenten. Dit is het geval bij ieder organisch geheel.’ (Gr 20-21)

Bovendien – en daarin ligt toch wel zijn grootste verdienste – wijst Marx op het historische, vergankelijke, dynamische karakter van de verschillende productiewijzen. Met klem zet hij zich af tegen de burgerlijke economen, die net doen alsof de huidige maatschappij de enig denkbare is en die daarom de historische bepaaldheid ervan vergeten. In deze vergeetachtigheid ligt ‘de hele wijsheid van de moderne economen, die de eeuwigheid en harmonie van de bestaande maatschappelijke verhoudingen bewijzen.’ (Gr 9) Marx toont aan, dat de wareneconomie, zoals we die in het kapitalisme kennen, ontstaan is uit andere productiewijzen, die nog niet op veralgemeende warenproductie gebaseerd waren. De begrippen van de politieke economie (waar, kapitaal enz.) zijn dan ook historisch bepaald en niet geschikt voor de analyse van alle maatschappijformaties.

Marx beschouwde de Grundrisse slechts als een onderdeel van zijn geplande grote werk. Het plan voor de opbouw van die ultieme studie werd meerdere keren door hem veranderd. Toen hij met het schrijven van de Grundrisse begon had hij vijf boeken voor ogen (Gr 28-29), maar toen het manuscript zijn afsluiting naderde, was hij alweer van mening veranderd: er zouden zes boeken moeten komen, die achtereenvolgens zouden behandelen: het kapitaal, het grondeigendom, de loonarbeid, de staat, de internationale handel en de wereldmarkt (MEW 29/551). Alleen het boek over het kapitaal zou (gedeeltelijk) gereedkomen, maar er zaten uiteindelijk wel tal van elementen uit de andere geplande boeken in. Om zichzelf en zijn omgeving gerust te stellen publiceerde Marx in 1859 bij Duncker in Berlijn zijn eerste ‘echte’ economische werk, Bijdrage tot de kritiek van de volkshuishouding. Dit boek was echter duidelijk niet afgerond en Marx kondigde dan ook vervolgstudies aan (MEW 13/7). Acht jaar later, in ’67, kwam eindelijk het eerste deel uit van Het Kapitaal, zijn levenswerk.

VIII

In het voorwoord van Het Kapitaal vergelijkt Marx zichzelf met een fysicus, die natuurprocessen observeert. Hij spreekt over ‘de natuurwetten van de kapitalistische productie’, die hij beschouwt als ‘met ijzeren noodzaak werkende en zich doorzettende tendensen’ (MEW 23/12). Enkele bladzijden verder omschrijft hij zijn visie als het ‘standpunt, dat de ontwikkeling van de economische maatschappijformatie opvat als een natuurhistorisch proces’ (MEW 23/16). Marx lijkt hier geheel gevangen in een objectivistische maatschappijopvatting: als beoefenaar van het wetenschappelijk socialisme staat hij boven de werkelijkheid, bestudeert haar en hoopte haar ‘natuurwetten’ te ontdekken. Het subjectieve, de zelfstandige daad die tegen deze wetten in gaat, staat hier los van en past ook eigenlijk niet in de theorie. Het is precies deze objectivistische neiging van het wetenschappelijk socialisme, waar reeds de vroege arbeiderscommunisten zo’n moeite mee hadden. We herinneren ons nog hun klacht uit 1846: de theorie wordt ‘eenzijdig’ wanneer men het communisme uitsluitend wil grondvesten op economische wetmatigheden.

Marx heeft deze kritiek nooit begrepen. Zijn isolement in de jaren vijftig versterkte bovendien de objectivistische tendensen in zijn denken nog verder. Karl Korsch had gelijk toen hij in 1931 noteerde dat Marx’ theorie zich in de periode na 1850 steeds meer had ontwikkeld ‘tot een zuiver abstracte beschouwende theorie over de door uitwendige wetten bepaalde objectieve afloop van de maatschappelijke ontwikkeling (...) Onder de marxistische economie verstaan tegenwoordig zowel de apologeten als de critici van het marxisme gewoonlijk alleen nog maar een in de vorming van een wetenschappelijk systeem tot afronding komende poging tot theoretische afleiding van alle gegeven economische verschijnselen van de burgerlijke maatschappij uit het onkritisch aangenomen axiomatische grondbegrip van de “waarde”’.

In hoeverre is dit objectivisme in de analyses van het Kapitaal terug te vinden? De belangrijkste theoretische bijdrages van Het Kapitaal zijn de arbeidswaardeleer en de uitbuitings- of meerwaardetheorie. Marx zelf wees daarop in een brief aan Engels: ‘Het beste van mijn boek is ten eerste (daarop berust alle begrip van de feiten) het onmiddellijk in het eerste hoofdstuk beklemtoonde dubbelkarakter van de arbeid, al naar gelang zij zich in gebruikswaarde of ruilwaarde uitdrukt, ten tweede de behandeling van de meerwaarde onafhankelijk van de bijzondere vormen zoals winst, intrest, grondrente etc.’ (MEW 31/326).

Laten we eerst bekijken wat de arbeidswaardeleer volgens Marx in grote lijnen inhoudt. Daartoe volgen we zijn redenering in het eerste hoofdstuk op de voet.
a) Elke waar is primair ‘een uitwendig voorwerp, een ding, dat door zijn eigenschappen menselijke behoeften van een of andere soort bevredigt’ (MEW 23/49). Deze eerste ‘factor’ van de waar, de gebruikswaarde, is dus niets anders dan de nuttigheid van het product. Daarnaast kent elke waar nog een tweede ‘factor’: de ruilwaarde. Deze is niets anders dan de ‘kwantitatieve verhouding (...) waarin gebruikswaarden van een bepaalde soort geruild worden tegen gebruikswaarden van een andere soort.’ (MEW 23/50) Bijvoorbeeld: X schoensmeer wordt geruild tegen Y zijde enz. Elke waar is dus tegelijkertijd gebruikswaarde én ruilwaarde.
b) Vervolgens stelt Marx dat – als twee waren tegen elkaar geruild worden – er een derde factor moet bestaan, die in beide waren aanwezig is en hun fundamentele gemeenschappelijkheid vormt. Beide waren zijn gelijk aan een derde factor ‘die als zodanig noch het een noch het ander is. Ieder van beide moet dus tot een derde gereduceerd kunnen worden. Een eenvoudig meetkundig voorbeeld moge dit verduidelijken: om de oppervlakte van alle rechtlijnige figuren te bepalen en te vergelijken, lost men ze op in driehoeken. De driehoek zelf reduceert men tot een van zijn zichtbare figuur geheel verschillende uitdrukking – het halve product van zijn basis en zijn hoogte. Net zo zijn de ruilwaarden van de waren te reduceren tot iets gemeenschappelijks, waarvan zij een meer of minder vertegenwoordigen.’ (MEW 23/51)
c) Wat kan dit gemeenschappelijke derde van de waren zijn? Het gaat blijkbaar niet om hun stoffelijke eigenschappen, zoals kleur, gewicht, samenstelling enz., want van deze gebruikswaarde-eigenschappen wordt in het ruilproces nu juist geabstraheerd. ‘Ziet men af van de gebruikswaarde van de warenlichamen, dan rest hen nog slechts één eigenschap, die van arbeidsproducten.’ (MEW 23/52) Een gebruikswaarde heeft dus alleen waarde, indien zij een kristallisatie vormt van menselijke arbeid. De arbeid is dus de ‘waardevormende substantie’, waarvan de ruilwaarde de verschijningsvorm is. Hoe meer arbeid belichaamd is in een waar, des te groter is de waarde van die waar.
d) De hoeveelheid arbeid, die is opgegaan in een waar, wordt gemeten in arbeidstijd. Hoe langer de arbeidsduur, des te waardevoller de waar. Betekent dit nu, dat een waar, die vervaardigd is door een langzame, luie persoon meer waarde bevat dan een die uit snelle, vlijtige handen afkomstig is? Uiteraard ontkent Marx dat. Het gaat niet om de arbeidstijd als zodanig, maar om de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, dat wil zeggen, de ‘arbeidstijd, vereist, om één of andere gebruikswaarde voort te brengen met de aanwezige maatschappelijk-normale productievoorwaarden en de maatschappelijke doorsnee-graad van bekwaamheid en intensiteit van de arbeid.’ (MEW 23/53)
e) De arbeid, die een bepaalde waar voortbrengt, bezit blijkbaar een dubbelkarakter. Zij brengt immers tegelijkertijd een gebruikswaarde en een waarde voort. Zij is dus zowel waardevormend als gebruikswaardevormend. Marx noemt deze arbeid concrete arbeid (arbeid van de timmerman, de schoenmaker enz.) voor zover zij gebruikswaarde produceert. De arbeid is tevens abstracte arbeid voor zover het alleen om de waardevorming gaat. De concrete inhoud van de arbeid doet er dan niet meer toe. Niet wát er gemaakt wordt is dan van belang, maar hoeveel het gemaakte waard is.

In schema:
Schema arbeidswaarde

Tot zover de theorie van de arbeidswaarde. Direct met deze theorie verbonden is de theorie van de meerwaarde, die is opgebouwd rond het begrip van de abstracte, waardevormende arbeid.
a) Er is één waar, die zich van alle andere waren onderscheidt doordat zij in staat is méér waarde voort te brengen, dan zij zelf vertegenwoordigt: de arbeidskracht. ‘Onder arbeidskracht of arbeidsvermogen verstaan wij het geheel van de lichamelijke en geestelijke vaardigheden, die in de lijfelijkheid, de levende persoonlijkheid van een mens bestaan en die hij in beweging zet, zo vaak als hij gebruikswaarden van een bepaalde soort produceert’ (MEW 23/181). De arbeider biedt zichzelf, zijn arbeidskracht, aan op de markt. ‘Hij en de geldbezitter ontmoeten elkaar op de markt en treden in een verhouding tot elkaar als gelijkwaardige warenbezitters.’ (MEW 23/182). Geld wordt geruild tegen arbeidskracht.
b) ‘De waarde van de arbeidskracht is net als die van elke andere waar bepaald door de arbeidstijd die noodzakelijk is voor de productie, dus ook reproductie, van dit specifieke artikel (...) Voor zijn instandhouding heeft het levende individu een bepaalde som van levensmiddelen nodig. De voor de productie van de arbeidskracht noodzakelijke arbeidstijd lost zich dus op in de voor de productie van deze levensmiddelen noodzakelijke arbeidstijd, ofwel de waarde van de arbeidskracht is de waarde van de voor de instandhouding van haar bezitter noodzakelijke levensmiddelen’ (MEW 23/185). Voor zover de arbeider scholing heeft genoten verhogen de daarmee verbonden kosten de waarde van zijn arbeidskracht. Voor de doorsnee-arbeidskracht zijn deze kosten echter van weinig belang.
c) Wanneer de arbeider zijn arbeidskracht heeft verkocht gaat hij voor de kapitalist produceren. De producten zijn eigendom van de kapitalist. ‘De kapitalist betaalt bv. de dagwaarde van de arbeidskracht. Haar gebruik, net als dat van iedere andere waar, bv. van een paard, dat hij voor een dag huurt, is dus van hem gedurende die dag’ (MEW 23/200).
d) De waarde van de door de arbeidskracht voortgebrachte waren is groter dan zijn eigen waarde. Daardoor valt zijn arbeidsdag in twee delen uiteen. Gedurende één deel van de dag produceert hij de waarde die gelijk is aan de waarde van zijn arbeidskracht. Dit noemt Marx de noodzakelijke arbeidstijd. Voor de rest van de dag produceert de arbeider voor de kapitalist. Dit tijdsbestek noemt Marx surplusarbeidstijd. De waarde die in dit deel van de dag wordt geproduceerd, heet meerwaarde. ‘Zo doorslaggevend het voor de kennis van de waarde in het algemeen is, hem louter als stolsel van arbeidstijd te begrijpen, als louter veruitwendigde arbeid, zo doorslaggevend is het voor de kennis van de meerwaarde, hem louter als stolsel van surplusarbeidstijd, als louter veruitwendigde meerarbeid te begrijpen.’ (MEW 23/231)

Noodzakelijke arbeid en surplusarbeidstijd

e) De verhouding tussen noodzakelijke en surplusarbeidstijd noemt Marx de meerwaardevoet. ‘De meerwaardevoet is daarom de exacte uitdrukking van de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht door het kapitaal of van de arbeider door de kapitalist.’ (MEW 23/232) Marx geeft het volgende voorbeeld: een arbeider ontvangt een weekloon van £52. Hij maakt per week producten ter waarde van £132. Het wekelijks meerproduct heeft dan een waarde van £80 (£132 – £52). ‘De meerwaardevoet is dus 80/52 = 15311/13 %. Bij een tienurige doorsnee-arbeidsdag geeft dit: noodzakelijke arbeid = 331/33 uur en meerarbeid = 62/33 uur.’ (MEW 23/233)

Onmiddellijk valt op, dat in Marx’ theorie de klassenstrijd geheel ontbreekt. Wie mocht denken, dat de hoogte van het arbeidsloon het resultaat is van een krachtmeting tussen arbeiders en kapitalisten, kan zich beslist niet op Marx’ kapitaal beroepen. Marx reduceert de arbeiders – althans hun arbeidskracht – tot een waar, die in wezen niet verschilt van alle andere waren.

Steeds zijn er socialisten geweest, die daar grote moeilijkheden mee hadden. Eén van hen was bijvoorbeeld Karl Liebknecht, de revolutionair die in 1919 samen met Rosa Luxemburg werd vermoord. In zijn postuum uitgegeven Studies over de bewegingswetten van de maatschappelijke ontwikkeling merkte hij op dat- als Marx gelijk zou hebben – er eigenlijk helemaal niet over uitbuiting van de arbeidersklasse gesproken zou kunnen worden. Op de voor hem kenmerkende omslachtige manier schreef Liebknecht: ‘Bij Marx krijgt de arbeider zijn arbeidskracht als zodanig volledig betaald; alleen wordt in het arbeidsproces van een beweerde mystieke eigenschap (vaardigheid) van deze arbeidskracht geprofiteerd, namelijk die: meer te kunnen produceren dan voor haar reproductie nodig is. Deze constructie van de uitbuiting lijdt aan grote onduidelijkheid, ja aan een ernstige inwendige tegenstrijdigheid: want als de arbeidskracht werkelijk de vaardigheid bezit meer te produceren dan voor haar reproductie nodig is – heeft de werkgever, die de arbeidskracht verwerft, dan alleen dat deel van haar verworven en betaald, dat voor haar reproductie nodig is, of niet veeleer ook het overige, de rest ervan, haar occulte macht, het mystieke iets, het waardevoortbrengende vermogen, dat verder gaat dan de zelf-reproductiekracht? Wat rechtvaardigt de bewering als zou er één of andere relatie bestaan tussen de waarde van het loon (koopprijs van de arbeidskracht) en de zelf-reproductiekracht van de arbeidskracht? De arbeidskracht, zoals zij is, telle quelle, met al haar eigenaardigheden is verworven en geheel betaald, zoals met de koopprijs van een bloem niet alleen de stengels, bladeren enz., maar ook haar vermogen om te geuren en door kleur en vorm te verblijden is betaald. (...) Waarin zit, wat betekent ‘uitbuiting’ als werkelijk de gehele arbeidskracht is betaald, een volledig equivalent voor de waarde van de arbeidskracht gegeven is?’.

De laatste jaren zijn, juist ook vanuit ‘marxistische’ hoek, steeds meer problemen zichtbaar gemaakt bij Marx’ economische theorie. Daarover alleen al zou een lijvige studie geschreven kunnen worden. Ik wil daarom volstaan met enkele verdere kanttekeningen bij het begrip van de ‘waar arbeidskracht’.
a) De gedachte dat de waarde van de arbeidskracht wordt bepaald door de waarde van de levensmiddelen voor haar instandhouding is door de geschiedenis weerlegd. Het moderne consumptieniveau van de arbeidersklasse kan er niet mee worden verklaard. Veeleer moet gezegd worden, dat de hoogte van het arbeidsloon wordt bepaald door twee factoren, namelijk 1) de krachtsverhouding tussen arbeid en kapitaal en 2) de groei van de kapitalistische productie, die gepaard moet gaan met een stijgende levensstandaard, opdat de massaproductie van consumptiegoederen verkocht kan worden.
b) ‘Gewone’ waren worden geproduceerd onder concurrentievoorwaarden, met zo min mogelijk kosten in een zo kort mogelijke tijd. Voor de arbeider, die zijn arbeidskracht (re)produceert, gaat dit niet op.
c) Terwijl in het productieproces een machine afgeschreven wordt en dus geleidelijk zijn eigen waarde overdraagt op de producten, gaat dit voor de arbeidskracht niet op. Deze is in het productieproces als gebruikswaarde aanwezig en niet als waarde, zoals de machine. Hieruit volgt logisch, dat de arbeidskracht binnen het arbeidsproces niet als waar functioneert en dus ook niet zichzelf reproduceert.
d) Voor alle niet-kapitalistische productiewijzen zegt Marx terecht dat de arbeidsproducten, die niet voor de instandhouding van de productie noodzakelijk zijn, het meerproduct vormen. Voor het kapitalisme geldt dit echter – uitgaande van Marx’ tweedeling van het arbeidsproces – niet meer. Dan bevatten opeens alle producten in zich noodzakelijke en meerarbeid. Luxegoederen belichamen aldus noodzakelijke arbeid en loongoederen meerarbeid.

Waarom weigerde Marx deze en andere bezwaren onder ogen te zien? Het antwoord ligt voor de hand. Als men zegt dat de waarde van de arbeidskracht mede bepaald wordt door de klassenstrijd, dan wordt die waarde letterlijk onvoorspelbaar en onberekenbaar. Dan sluipt er een willekeurig element in de theorie, dat niet ‘natuurwetenschappelijk’ kan worden vastgelegd. De schijn van exactheid is dan doorbroken (inderdaad komt dan zelfs zo’n wezenlijke hypothese van de marxistische economie als de ‘tendentiële daling van de winstvoet’ – die overigens nog nooit overtuigend is aangetoond – op losse schroeven te staan!).

Deze kritische kanttekeningen hebben niet de bedoeling om Marx’ prestatie te kleineren. Het Kapitaal bevat een schat aan inzichten, die nog steeds actueel zijn. De scherpzinnige kritiek op andere theoretici, de historisering van het begrip waar, de analyse van de voorgeschiedenis van het kapitalisme (de oorspronkelijke accumulatie), dat alles en nog meer blijft van buitengewoon belang.

Een laatste kanttekening in dit verband. Kritiek op de waarde- en meerwaardetheorie betekent niet dat daarmee het kapitalisme wordt goedgepraat. Gerald A. Cohen – een marxistische filosoof die onlangs de Isaac Deutscher Memorial Prize ontving – heeft er terecht op gewezen dat de arbeidswaardeleer niet nodig is om toch het kapitalisme als een uitbuitingsstelsel te kunnen karakteriseren. Want of Marx’ theorie nu precies klopt of niet, het blijft een feit, dat de arbeidersklasse een maatschappelijk meerproduct voortbrengt waarover zij geen zeggenschap heeft.

IX

Tijdens de laatste drie jaren voordat hij Het Kapitaal voltooide raakte Marx weer betrokken bij de arbeidsbeweging. Na de jaren vijftig, waarin de reactie de boventoon had gevoerd, was de arbeidersklasse in verschillende landen weer in beweging gekomen. In Engeland werd in 1860 de London Trades Council gevormd, een vakbond die onder andere ijverde voor een negenurige werkdag. In Frankrijk had Napoleon III de antivakbondswetten verzacht in de hoop, dat hij de arbeiders zou kunnen gebruiken tegen de groeiende liberale oppositie. En in Duitsland ‘wekte Lassalle’, zoals Marx schreef, ‘na een vijftienjarige sluimering’ ‘de arbeidersbeweging weer’ (MEW 32/568). Deze herleving van de arbeidersbeweging ging gepaard met een groeiend internationalisme vooral in Engeland. De Italiaanse vrijheidsstrijder Garibaldi werd in Londen als een volksheld onthaald. De vakbonden organiseerden een massameeting uit solidariteit met de Noordelijken in de Amerikaanse burgeroorlog. De meest invloedrijke gebeurtenis was echter de Poolse opstand van 1863, die tot een samenwerking tussen Franse en Engelse arbeiders leidde. Op een vakbondsdemonstratie in Londen was een Franse delegatie aanwezig; Franse en Engelse bonden droegen bij aan elkaars stakingsfondsen. Op 28 september 1864 vond een Frans-Engelse meeting plaats nabij Covent Garden. Het zou de bijeenkomst worden waar de (eerste) Internationale werd opgericht.

Het spreekt voor zich dat Marx deze ontwikkelingen nauwgezet volgde. In een brief aan Engels beschreef hij hoe hij zelf bij de septembermeeting betrokken werd: ‘Een zekere Le Lubez werd naar mij gestuurd, of ik namens de Duitse arbeiders deel wilde nemen, in het bijzonder een Duitse arbeider als spreker voor de meeting etc. wilde leveren. Ik leverde Eccarius, die een groot succes was, en ik was er ook – als zwijgende figuur op het podium. Ik wist, dat zowel van Londense als Parijse kant deze keer werkelijke ‘machten’ aanwezig waren en besloot daarom af te wijken van mijn anders zo vaste regel om dergelijke uitnodigingen af te slaan.’ (MEW 31/13)

De zaal was overvol met zo’n 20.000 aanwezigen. Verschillende nationaliteiten begroetten elkaar met officiële verklaringen. Le Lubez zette vervolgens het Franse plan uiteen om in Londen een centraal comité te vormen met subcomités in andere Europese hoofdsteden. George Wheeler en William Dell, twee Britse vakbondskaders, stelden, hierbij aansluitend, voor een internationale associatie (vereniging) te vormen en een commissie te kiezen, die regels zou opstellen voor de nieuwe organisatie. Dit voorstel werd aangenomen. Er kwam een commissie van 34 leden: zevenentwintig Engelsen, drie Fransen, twee Italianen en twee Duitsers, Eccarius en Marx.

In de volgende maanden herhaalde zich in zekere zin de voorgeschiedenis van het Communistisch Manifest. Ook nu weer kwam het er uiteindelijk op neer, dat Marx verschillende discussiebijdrages van arbeiders verwerkte tot een eigen tekst, de Inwijdingsgroet van de Internationale Arbeiders Associatie. Wederom was er sprake van een tekst die ‘marxistisch’ was, maar ook voor de niet-marxisten in de beweging aanvaardbaar was. Marx schreef daarover aan Engels: ‘Het was heel moeilijk de zaak zo te brengen, dat onze opvatting in een vorm verscheen, die haar acceptabel maakte voor het huidige standpunt van de arbeidersbeweging (...) Er is tijd nodig voordat de herleefde beweging weer de oude vermetelheid van de taal toestaat. Nodig is fortiter in re, suaviter in modo (krachtig in de zaak, gematigd in de vorm – MvdL)’ (MEW 31/16).

Inderdaad is de Inwijdingsgroet een tactische meesterzet. De toenmalige beweging geloofde zeer sterk in het belang van de arbeiderscoöperaties. Marx speelde daarop in door te stellen dat ‘de waarde van deze grote experimenten niet overschat (kan) worden. Door de daad, in plaats van door argumenten, bewijzen zij, dat productie kan geschieden op grotere schaal en in overeenstemming met de vooruitgang van de moderne wetenschap zonder het bestaan van een klasse van bazen’. Tegelijkertijd wees Marx er evenwel op dat coöperaties uiteindelijk ingepast kunnen worden in het kapitalistische stelsel ... tenzij de gehele maatschappij één grote coöperatie zou worden: ‘Teneinde de werkende massa’s te bevrijden moet het coöperatiestelsel op nationale schaal ontwikkeld en met nationale middelen bevorderd worden.’ (MEW 16/11-12) Op exemplarische wijze probeerde Marx zo zijn wetenschappelijk socialisme aan te laten sluiten bij de opvattingen van de toenmalige arbeidersbeweging.

Marx genoot binnen de Internationale groot aanzien: men waardeerde hem zeer omdat hij als geleerde partij koos voor de arbeidersklasse. Marx van zijn kant begon de Internationale steeds meer te zien als een apparaat dat door hem beheerst werd. In ’67 schreef hij aan Engels: ‘De zaken gaan vooruit. En bij de volgende revolutie, die misschien dichterbij is dan het lijkt, hebben wij (d.w.z. jij en ik) deze machtige machine in onze handen.’ (MEW 31/342-43). Zo eenvoudig lag het echter niet. Zonder twijfel oefende Marx lange tijd een doorslaggevende invloed uit. Hij overdreef niet erg, toen hij in 1871 opmerkte dat de Algemene Raad van de Internationale ‘theoretisch door het Duitse element beheerst’ werd en dat de andere leden van de Raad ‘deze heerschappij, d.w.z. de Duitse wetenschap, erg nuttig en zelfs onontbeerlijk’ vonden (MEW 33/330). Maar het feit, dat men Marx’ advies zeer waardeerde, betekende geenszins dat de organisatie uit kritiekloze discipelen bestond. ‘De geschiedenis van de Internationale was een voortdurende strijd van de Algemene Raad tegen de sektes en amateuristische strevingen, die probeerden in te gaan tegen de werkelijke beweging van de arbeidersklasse binnen de Internationale.’ (MEW 33/328-9) In de acht jaar dat de Internationale heeft bestaan zag Marx zich gedwongen om tal van interne conflicten uit te vechten, onder andere tegen Mazzini en zijn aanhangers, de blanquisten, proudhonisten en de lassalleanen. Zijn grootste tegenstrever was evenwel Bakoenin, volgens Marx ‘een mens zonder enige theoretische kennis’ (MEW 33/329). Bakoenin bewonderde Marx om zijn economische ideeën – hij had zelfs een gedeelte van Het Kapitaal in het Russisch vertaald – maar op alle belangrijke politieke punten bestreed hij hem. Bakoenin was tegen elke vorm van staatsmacht (Marx was voor hem een ‘autoritaire communist’), keerde zich tegen centralisatie van de Internationale en opponeerde tegen iedere vorm van samenwerking met burgerlijke politieke partijen.

Aanvankelijk was Bakoenins invloed in de Internationale gering, maar tegen het eind van de jaren zestig veranderde dat. Marx probeerde Bakoenin uit de organisatie te werken. Dat lukte toen echter niet. Na de Frans-Pruisische oorlog en de daaruit ontstane Commune van Parijs (1870) raakte de Internationale snel verzwakt. De oorlog had het nationalisme doen opleven; de Commune was ten koste van duizenden doden bloedig onderdrukt en bevorderde de demoralisatie bij de Franse beweging. Tegelijkertijd leek de Commune Bakoenins opvatting te bevestigen, omdat de opstandige Parijzenaars onmiddellijk de staatsmacht ontbonden en door een directe basisdemocratie vervangen hadden.

Al deze factoren versterkten de invloed van Bakoenin, die binnen de Internationale een eigen (geheim) netwerk had opgebouwd. Toen het erop begon te lijken dat de Internationale bakoeninistisch zou worden deden Marx en Engels al het mogelijke om de organisatie te ‘redden’. Op hun aandringen werd Bakoenin tijdens het congres te Den Haag (1872) geroyeerd en werd de Algemene Raad verplaatst naar New York, zodat de gehele organisatie een zekere dood tegemoet ging wegens gebrek aan contact met de Europese bewegingen. Vlak vóór het congres had Marx in een brief geschreven: ‘Op het internationale congres (Den Haag, begin 2 sept.) gaat het om leven of dood van de Internationale’ (MEW 33/505). Uiteindelijk heeft Marx blijkbaar gedacht: liever een dode organisatie dan een levende met een verkeerde theorie. Het lijkt waarschijnlijk dat de Internationale ook zonder Marx’ ingrijpen uiteen zou zijn gevallen – zij het enige tijd later. Waar het hier echter om gaat is dat Marx deze ontwikkeling niet heeft afgeremd maar juist bevorderd.

X

Hoe enorm belangrijk Marx het programmatische aspect voor de arbeidersbeweging vond werd nog één keer duidelijk in 1875. Toen fuseerden de twee arbeiderspartijen in Duitsland, de ‘lassaleanen’ en de ‘eisenacher’, waardoor een proletarische eenheidspartij ontstond. Op het fusiecongres, in mei ’75 in het Thüringense Gotha, werd een program aangenomen, dat de officiële opvattingen van de nieuwe organisatie vastlegde.

Marx was furieus. Het programma deugde niet en dus zou er van de organisatie niets terecht komen. Hij sprak over ‘een naar mijn mening volstrekt verwerpelijk en de partij demoraliserend programma’ (MEW 19/13). Liever nog had hij gezien dat de nieuwe partij helemaal géén programma had aangenomen: ‘Iedere stap werkelijke beweging is belangrijker dan een dozijn programma’s’. Daarom zou men beter ‘eenvoudig een afspraak over actie tegen de gemeenschappelijke vijand hebben kunnen maken. Wanneer men echter principiële programma’s maakt (...) dan richt men voor het oog van de wereld mijlpalen op, waaraan zij het niveau van de partijbeweging meet.’ (MEW 19/13-14).

In uitvoerige kanttekeningen zette Marx zijn kritiek op het programma uiteen. Ongetwijfeld is deze kritiek, de Marginalia bij het programma van de Duitse arbeiderspartij, na het Communistisch Manifest en de Inwijdingsgroet de derde belangrijke politiek-programmatische tekst van Marx. In zijn barse kanttekeningen ging Marx voor het eerst nader in op de ontwikkelingen na de proletarische revolutie. Maar bovenal schreef hij het program van Gotha aan flarden, pedant maar scherpzinnig. Het programma opende bijvoorbeeld met de zin: ‘De arbeid is de bron van alle rijkdom en alle cultuur.’ Marx commentarieert: ‘De arbeid is niet de bron van alle rijkdom. De natuur is evenzeer de bron der gebruikswaarden (...) als de arbeid.’ Het programma zei: ‘De bevrijding van de arbeid vereist de verheffing van de arbeidsmiddelen tot gemeenschappelijk eigendom van de maatschappij en de coöperatieve regeling van de totale arbeid met rechtvaardige verdeling van de opbrengst van de arbeid.’ Marx commentarieerde: ‘Wat is de opbrengst van de arbeid? Het product van de arbeid of zijn waarde? En in het laatste geval, de totale waarde van het product of alleen het gedeelte van de waarde, dat de arbeid extra heeft toegevoegd aan de waarde van de opgebruikte productiemiddelen? (...) Wat is ‘rechtvaardige’ verdeling? Beweren de bourgeois niet dat de huidige verdeling ‘rechtvaardig’ is? En is zij niet inderdaad de enige ‘rechtvaardige’ verdeling op basis van de huidige productiewijze? Worden de economische verhoudingen door juridische begrippen geregeld, of ontstaan niet omgekeerd de juridische verhoudingen uit de economische? Hebben niet ook de socialistische sektariërs de meest uiteenlopende opvattingen over ‘rechtvaardige’ verdeling?’ (MEW 19/15-18). Enzovoorts, enzovoorts. Marx’ kritiek was volledig juist. Maar dat hielp niets. Het programma werd door de Duitse beweging aangenomen zonder dat Marx’ opmerkingen serieus waren genomen.

De vrees van Marx, dat het programma demoraliserend zou zijn, bleek volkomen ongegrond. De Rijksdagverkiezingen van 1877 betekenden een grote overwinning voor de Duitse partij: het aantal stemmen steeg van 379.500 (in ’74) tot 486.000.

De laatste jaren, tot zijn overlijden in 1883, vormden een nieuwe periode van betrekkelijk isolement in Marx’ leven. De arbeidersbeweging bevond zich bijna overal in een periode van tegenslagen. Door ziekte en uitputting lagen voorts de theoretische studies van Marx vrijwel stil. De delen twee en drie van Het Kapitaal, die Engels samenstelde na Marx’ dood, zijn dan ook bijna geheel gebaseerd op aantekeningen uit de periode vóór 1867.

XI

De kritische politieke biografie, zoals fragmentarisch geschetst in het voorgaande, verwijst naar bepaalde grenzen van het wetenschappelijk socialisme.

Op de eerste plaats is het opmerkelijk, dat de ideeën van Marx tijdens zijn leven nooit werkelijk geworteld zijn in de arbeidersorganisaties. Noch de Bond der Communisten, noch de Internationale, noch de Duitse arbeiderspartij van 1875 hadden zich het wetenschappelijk socialisme werkelijk eigen gemaakt. Marx zelf schijnt dit niet zo scherp te hebben willen zien. In het nawoord bij de tweede oplage van Het Kapitaal (1873) schreef hij: ‘Het begrip dat Het Kapitaal snel in brede kringen van de Duitse arbeidersklasse vond, is het beste loon van mijn werk’ (MEW 23/19). Recent historisch onderzoek heeft definitief duidelijk gemaakt dat hier sprake was van een illusie. De Duitse arbeiders wisten aantoonbaar over de oorspronkelijke Marx vrijwel niets en uit de tweede hand slechts heel weinig. Zelfs de leiders van de beweging hadden merendeels Het Kapitaal niet gelezen. De historicus Hans-Josef Steinberg schrijft over de Duitse partij in de jaren zeventig van de vorige eeuw: ‘Volgens de bronnen kan men met zekerheid slechts voor vijf personen onder de leidende partijleden een solide kennis van de economische theorie van Karl Marx vaststellen’

Ook in de latere tijd is dat nooit echt veranderd. Sprekend is wat Willi Böpple onlangs vertelde, een man die vóór de nazistische tijd parlementslid was voor de Duitse communistische partij en die zich later aan de zijde van Trotski’s Linkse Oppositie heeft geschaard. Böpple zei over de partijleden in de jaren twintig: ‘De massa van de leden, die toch veel, veel, veel meer gepolitiseerd was dan tegenwoordig, die had een verkeerde opvatting: theorie, dat is iets, dat heel hoog zweeft, dat is iets voor een paar slimmeriken, die kunnen dat, die snappen dat, en als ze erover praten, dan begrijp je er soms ook iets van, maar in grote lijnen is dat iets wat mij als simpele kameraad van de basis niet aangaat. (...) Ik kan op grond van mijn eigen ervaring alleen maar zeggen, de poging om de geschiedenis te begrijpen, en de conclusies daaruit te bevatten, dus uit de theorie af te leiden, en die dan weer in de praktijk toe te passen, zoiets is slechts te verwezenlijken in kleine groepen, in kleine kaderorganisaties.’

Het opvallende is, dat grote massa’s van de marxistische theorie alleen dit oppikken, wat niet typisch marxistisch is: bijvoorbeeld dat er fundamentele klassentegenstellingen zijn, dat er uitbuiting is, dat de arbeiders een meerproduct maken waarover zij niets te zeggen hebben en dat de bevrijding van de arbeidersklasse alleen het resultaat van haar eigen inspanningen kan zijn. Al deze ‘programmapunten’ waren al door de arbeiderscommunisten vóór Marx geformuleerd en zijn historisch de uitkomst van een zelfstandig proletarisch leerproces, waaraan intellectuelen geen deel hebben gehad. En juist die punten die wel typisch marxistisch zijn (de arbeidswaardeleer, de grondrentetheorie, de tendentiele daling van de winstvoet enz.) – die zijn door de massa’s nooit verwerkt.

Dit brengt ons bij de vraag, waardoor deze betrekkelijke onmacht van Marx wetenschappelijk socialisme wordt veroorzaakt. Oskar Negt en Alexander Kluge hebben er terecht op gewezen, dat intellectuelen en arbeiders structureel op een verschillende manier praten en denken. Voor de arbeider ‘is de kortste verbinding tussen twee ervaringen niet de zuivere logica. Hij schetst mede een gedeelte van de situatie, neemt daardoor ook emotioneel een standpunt in, tast zijn eigen plaats binnen de situatie af, terwijl hij spreekt.’ Omstanders worden impliciet voortdurend uitgenodigd om opmerkingen te maken en zo aan het spreken deel te nemen. Deze associatieve manier van denken en spreken staat in schril contrast tot die van intellectuelen, waarbij men geacht wordt ‘zakelijk’ en ‘logisch’ te redeneren en de eigen persoon weg te moffelen. De historicus Wolf Schäfer gebruikte de termen ‘wild’ en ‘getemd’ denken (ontleend aan Claude Levi-Strauss) om dit verschil aan te duiden. Het ‘wilde’ denken sluit direct aan bij de ervaring en de alledaagse fantasie en is vandaar ook emotioneel. Het ‘getemde’ denken daarentegen werkt zoveel mogelijk zonder gevoel en staat los van de directe waarneming. De historische ervaring doet ons vermoeden dat er een fundamenteel vertaalprobleem bestaat bij de omzetting van ‘getemd’ in ‘wild’ denken: het lijkt onmogelijk het wetenschappelijk socialisme op grote schaal te laten wortelen in de arbeidersklasse. In de woorden van de jonge Marx: de theorie streeft wel naar de werkelijkheid, maar de werkelijkheid streeft niet naar de theorie. Deze bewering klinkt ketters en misschien is zij dat ook wel. Maar wat dan nog?

Mijn stelling is beslist niet theorievijandig bedoeld. Ik wil absoluut niet beweren dat de wetenschap voor de arbeidersbeweging onbelangrijk is. Het enige wat ik naar voren breng is, dat de verhouding tussen theorie en beweging uiterst problematisch is. Als de arbeidersklasse zichzelf wil bevrijden, dan zal zij niet aan de hand van bepaalde ‘wetenschappelijke socialisten’ moeten lopen, maar uit de eigen ervaringen met de eigen intellectuele middelen moeten leren. Intellectuelen kunnen daarbij uiteraard diensten verlenen, voor zover zij met hun ideeën geheel aansluiten bij de dagelijkse waarnemingen van de klasse, maar ze kunnen niet pretenderen de leiding of voorhoede te zijn.

Ook inhoudelijk zijn de mogelijkheden van de wetenschap kleiner dan marxisten gewoonlijk willen toegeven. Wetenschap is gebaseerd op herhaling. Pas wanneer er in bepaalde verschijnselen een regelmaat ontdekt kan worden (‘als dit-en-dit gebeurt, dan is het gevolg zus-en-zo’) vermag de wetenschap veronderstellingen te formuleren. Dat het kapitalisme periodiek crises voortbrengt kan bijv. pas ontdekt worden als er een aantal van dergelijke crises heeft plaatsgevonden. Deze simpele constatering heeft twee belangrijke gevolgen.

1) De mensen en hun maatschappij zijn (gelukkig) niet geheel regelmatig. Natuurlijk zitten er bepaalde patronen in de maatschappelijke ontwikkeling. Maar er is geen sprake van dat alle verschijnselen volgens wetmatige patronen tot stand komen. Steeds weer zijn er in de geschiedenis van kapitalisme en reëel bestaand socialisme spontane ‘explosies’ geweest die door de wetenschappelijke socialisten niet werden voorzien en ook niet konden worden voorzien. Steeds opnieuw ook moesten theorieën als gevolg van subjectief-bepaalde ontwikkelingen veranderd of verworpen worden. Natuurlijk zijn er socialisten, die menen dat de wetenschap uiteindelijk wél alles zal kunnen verklaren en voorspellen. Zij zullen echter aan zichzelf moeten toegeven, dat die overtuiging weinig met materialisme en veel met een metafysisch geloof te maken heeft. Marx zelf heeft – onder andere via zijn arbeidswaardeleer -geprobeerd een algemene natuurwetenschap van de maatschappij te ontwikkelen. Niet alleen heeft dit, zoals we zagen, geleid tot een onhoudbare theorie van de arbeidskracht. Maar bovendien is die poging ook anderszins niet geslaagd: zijn opvatting bijvoorbeeld dat iedere economische crisis tot revolutionaire situaties leidt is niet bewaarheid, ook niet tijdens zijn eigen leven. De door Marx voorspelde radicale bewegingen voor 1857-58 – de reden waarom hij de Grundrisse zo snel voltooide – zijn bijv. nooit ontkiemd (een zelfkritiek heeft hij daar overigens nooit aan verbonden).

2) In de loop van de maatschappelijke ontwikkeling komen steeds weer nieuwe regelmatigheden te voorschijn, juist omdat de maatschappij zich ontwikkelt (stagflatieverschijnselen, de groeiende toepassing van kernenergie en het verzet daartegen enz.). Dit betekent dat de wetenschap nooit voltooid kan zijn zolang haar studieobject onvoltooid is.

Beide aspecten hebben samen één gevolg: elke wetenschappelijke theorie van de maatschappij loopt steeds gedeeltelijk achter de werkelijkheid aan. Een goed voorbeeld daarvan is de houding van Marx en Engels tegenover de Arbeidsverbroedering 1848/49. Omdat deze organisatie niet in hun theorie paste, en zij weigerden hun theorie te herzien, moesten zij er wel een volkomen verkeerd standpunt over innemen (beter gezegd: ze deden bij voorkeur alsof de Arbeidersverbroedering niet bestond – een zeer bijzondere variant van het materialisme).

Een politiek die zich uitsluitend baseert op het wetenschappelijk socialisme is ook technisch onmogelijk. Socialistische politiek kan per definitie alleen slagen indien zij ruimte laat voor improvisatie, spontaneïteit en subjectiviteit. Is die ruimte er niet, dan verstart de bewegingen wordt zij een rem op de ontwikkeling. Het ‘wilde’ en het ‘getemde’ denken zullen op de een of andere manier moeten samengaan. (Hoe precies, dat is nu net de vraag).

In de lente van 1845 schreef Marx in een notitieboekje zijn beroemde Stellingen over Feuerbach (pas na Marx’ dood gepubliceerd). De derde van deze stellingen zei: ‘dat de opvoeder zelf opgevoed moet worden’ en dat het daarom niet opgaat de maatschappij te splitsen in twee gedeeltes, waarvan ‘het ene verheven is boven het andere’ (MEW 3/6). Zo ook zal het ‘getemde’ denken niet boven maar naast het ‘wilde’ denken moeten staan. Pas dan kan de theorie werkelijk praktisch worden.


Ronald Commers

Marx nogmaals ter aarde besteld, of over de vruchtbaarheid van het graf

Een herwaardering van Marx’ maatschappijkritiek

1. Rond 1524 schreef Thomas Münzer, de predikant van de Duitse boerenopstanden, die in 1525 te Mühlhausen onthoofd werd, over Martin Luther het volgende:

Waarom noem jij ze doorluchtige vorsten? Is die titel eigenlijk niet voor Christus alleen bedoeld en niet voor hen? Waarom noem jij ze hooggeboren? Ik bedoel, jij zou een christen zijn, terwijl je een aartsheiden bent...

Hij vervolgde met een scherpe kritiek op zijn tijd:

De vorsten zijn geen heren, maar dienaars van het zwaard. Zij behoren het niet te gebruiken volgens hun goeddunken, zij behoren recht te spreken. Daarom moet het volk erbij zijn wanneer volgens het goede oude gebruik over iemand recht wordt gesproken naar de goddelijke wet. En wel daarom: wanneer de overheid het oordeel zou willen veranderen, behoren de omstaande christenen dat af te wijzen en dat niet te tolereren, want God vraagt rekenschap over onschuldig bloed. Dat niemand zich over de behoeftige nood wil ontfermen is de allergrootste gruwel op aarde; de groten doen maar wat ze willen. Kijk toch, hoe het ruimwater van de woeker, hoe de dieverij en roverij onze heren en vorsten zijn; zij nemen alle schepselen tot hun eigendom, de vissen in het water, de vogels in de lucht, de gewassen van de aarde, alles, alles moet van hen zijn. En proclameren zij dan Gods gebod, dat zij de armen voorhouden en zij verordenen: God heeft geboden, gij zult niet stelen! Maar zij beschouwen dit gebod voor henzelf als niet van doen. Daarom leggen zij op alle mensen, de arme boer, de handwerker en allen die daar leven, een last en zij zuigen hen uit en schrapen hen af. En wanneer de arme zich even vergrijpt aan het allerkleinste ding, moet hij hangen; want dat zegt toch de doctor leugenaar (= Luther) Amen. De heren zorgen ervoor dat de arme man hun vijand wordt; zij willen de oorzaken van het oproer niet te niet doen, doch hoe kan het dan ooit goed worden? En als ik zo spreek, dan zou ik een oproerkraaier zijn? Welaan dan.[1]

Münzer spreekt hier over misdaad en straf. Hij wijst op de tegenstelling, die is ontstaan tussen de beoordeling van verschillende soorten diefstal. Hij wijst er op hoe onder andere Martin Luther, die hij de doctor leugenaar noemt, Gods wetten van toepassing acht op het allerkleinste vergrijp van de arme man, terwijl hij niet ziet hoe een maatschappelijke bestel van dieverij en roverij aan de basis van het stelen van de arme lui ligt. Hij fulmineert in heftige en compromisloze bewoordingen tegen de verdraaiing van Gods woord en de hypocrisie van de partijdige en eenzijdige toepassing van Gods wetten op het maatschappelijke handelen van de armen. Hij veroordeelt de partijdigheid, die door Luthers teksten het kenmerk worden van die wetten, waardoor de belangen van de heren, de doorluchtigen en hooggeborenen, gewettigd worden als zijnde in overeenstemming met Gods gebod. Münzer doet nog iets meer. Hij merkt op dat de wereld wordt gekenmerkt door ‘de behoeftige nood’, waarover niemand zich ontfermt en hij noemt dat juist de grootste gruwel op aarde. En wanneer men de werkelijke oorzaken zal zien van die nood, dan zal men ook begrijpen waarin het oproer zijn wortels heeft. Münzer openbaart in zijn schimpend geschrift de tegenstelling, die zich andermaal van God en diens woord heeft meester gemaakt, en hij voert die tegenstelling terug op de strijd van de heren tegen de arme lieden.

In 1842 schreef Karl Marx, de jonge journalist die net een mooie academische carrière had zien verloren gaan na veeleer briljante filosofiestudies, een artikel over de houtdiefstallen in het Rijnland. Over die diefstallen werd een debat gevoerd in de landdag (= parlement van een deelstaat). Hij speelde in op de argumentaties van de vertegenwoordigers van de verschillende standen en hij merkte op dat de boseigenaars, de grote grondbezitters, hun wil opdrongen aan de wetgever, waardoor zij de houtsprokkelaars zouden kunnen doen vervolgen als houtdieven. Hij besloot hieruit dat de overheid werd veranderd in een dienaar van de grondbezitters:

De staat kan en moet zeggen: ik waarborg het recht tegen alle toevallen. Alleen het recht is voor mij onsterfelijk, en daarom bewijs ik jullie de sterfelijkheid van het misdrijf, doordat ik het ophef. Maar de staat kan en mag niet zeggen: een privébelang, een welbepaalde vorm van eigendom..., een houtsplinter (en de allergrootste boom is voor de staat maar net een houtsplinter) is tegen alle toevallen gewaarborgd, is onsterfelijk.[2]

Ook Marx heeft het over de beoordeling van een misdrijf en hoewel hij in 1842 nog niet op het punt van Münzer was gekomen en het oproer nog niet kraaide, gaan zijn gedachten in een analoge richting. Hij wijst op het feit dat men zich druk maakt om een klein vergrijp, om ondertussen te vergeten hoe een maatschappelijke organisatie aan de basis ligt van het stelen van het hout door de arme lui. Hij gaat in fraaie bewoordingen in op de verdraaiing van de idee overheid, gezag en staat. De staat moet het algemene belang verdedigen en er ook de correcte en adequate uitdrukking van zijn. Aan de staat zijn allen onderworpen en in hem vinden zij hun belangen verdedigd. Maar dit gebiedt, dat er geen privébelangen van grondbezitters het ‘woord’ van de staat zullen bepalen. Precies dat heeft zich in de landdag voorgedaan, waardoor de wetten van de heren werden voorgesteld als het recht van de staat.

Ook Marx wil nog iets meer doen. Onder de houtdiefstallen in het Rijnland ziet hij een fundamenteel maatschappelijk tekort, dat men aan de wortel moet aanpakken. Want het is door de maatschappelijke tegenstelling, die boseigenaars opjaagt tegen houtsprokkelaars, dat zich van de staat een tegenstrijdigheid heeft meester gemaakt. Hierdoor kan de staat niet meer zijn wat hij krachtens zijn natuur moet zijn. Het recht gebiedt de staat het misdrijf op te heffen en te zeggen ‘slechts het recht is onsterfelijk’, en niet de rechten van deze of gene partij. En om het misdrijf op te heffen moet de staat peilen naar de werkelijke oorzaken van het misdrijf: het bestaan van privébezit waardoor particuliere belangen in het leven worden geroepen. Dat gebeurt in de maatschappelijke sfeer en het maakt deel uit van het alledaagse leven. In de politieke sfeer, bij de politieke organisatie van het alledaagse leven, heeft dit geleid tot de tegenstelling tussen de natuur van de staat en zijn praktijk (want dat dacht Marx toen nog).

Er bestaat dus een analogie tussen het geschrift van Münzer en het artikel van Marx. Maar er zijn ook verschillen. Thomas Münzer leefde in een tijd waarin de centrale overheid nog niet bestond in de vorm van een nationale staat, die voorwendt het algemeen belang uit te drukken en veiligheid, zekerheid en welvaart van elk individu te waarborgen en verdedigen. Daarom heeft Münzer het in zijn schimpen niet over de staat en het recht, maar wel over God en het recht. Marx kreeg nu precies af te rekenen met de contradictie tussen de politieke organisatie (centraal gezag, staat) en de burgerlijke maatschappij. Thomas Münzer zag het tekort vanuit een christelijke visie op recht en op Gods woord. Marx zag het tekort vanuit de klassiek geworden en cultuur-dominante visie op de staat.

Met Thomas Münzer spreken die van onderen, het gepeupel en de verarmde boeren aan de vooravond van de vorming van de politieke organisatie van de burgerlijke maatschappij. Zij zouden doorheen de geschiedenis van West-Europa hun stem verliezen. Met Marx spreekt de doctor in de filosofie, die participerend aan de burgerlijke maatschappij en inspelend op haar politieke organisatie, geconfronteerd wordt met een zich filosofistisch presenterend vraagstuk van de tegenstelling tussen privébelangen en algemeen belang.

Münzers verwijzingen naar het Nieuwe Verbond (Het Nieuwe Testament) en naar ‘de koning der koningen’, ‘de dappere hertog van alle gelovigen’, naar Jezus Christus, hadden een eenvoudig en aanspreekbaar karakter. De boeren en arme stedelingen organiseerden zich onder zijn zweepslagen van woorden en achter die voor hen onmiddellijk begrijpelijke religieuze voorstelling. Wanneer zij ten strijde trokken voor de verdediging van hun belangen, streden zij tegelijk ook voor het herstel of voor de uiteindelijke vestiging van het ware Rijk Gods. Maar die strijd was gericht tegen een nieuwe maatschappij, die de zich snel vormende geleerde cultuur tot een gesloten zaak van specialisten zou maken, die beducht en op hun hoede waren voor het spontane en zelfstandige optreden van het gore volkje achter dweperige voorstellingen stammend uit een duistere tijd.

Marx was in alles een kind van die geleerde cultuur. Hoe kon het ook anders? Door zijn afkomst, door zijn opleiding en door zijn aanvankelijke verwachtingen behoorde hij ertoe. Het was voor hem ondenkbaar met ethisch-godsdienstige begrippen over zijn tijd en maatschappij na te denken. Hij behoorde tot een ‘verlichte’ filosofenwereld, die gefascineerd was door de totaliteit van de wereld. Dat was voor Duitsland heel gebruikelijk. In de intellectuele kringen, waartoe Marx behoorde, hield men geleerde discussies over religie, staat en recht. Men dacht er niet in termen van boer en handwerksman, van de edelman die alle schepselen tot zijn eigendom maakt en zware lasten legt op de arme lieden, hen uitzuigt en afscheept. Men dacht er in termen van de wereldgeest die aan zijn opmars bezig is, over de etappen die hij nog moest afleggen om daar te komen waar hij noodzakelijk moet zijn, en over hoe hij zijn contradicties overwint door zich op een steeds hoger peil van synthese te tillen.

Marx was 100 % een product van de nieuwe maatschappij en hij had van haar cultuur met volle emmers gedronken. Na zijn stormachtige studies had hij zich opgewerkt tot één der bekwaamste en meest geduchte disputanten binnen die cultuur. Hij zou dit kenmerk tot het einde van zijn levensdagen blijven behouden en zich daar zelfs op beroemen. Hij was wat in zijn nopjes zijn intellectuele prestaties te kunnen vergelijken met die van Charles Darwin en zich op het niveau te weten van de meest savante kringen van het Britse rijk. En toch was het uitgerekend die positie, die hem toestond de vraag te stellen over wat Münzer erg overeenkomstig de ‘behoeftige nood’ had genoemd en te zoeken naar de wortels van de tegenstellingen die zich in de politieke sfeer van het maatschappelijke leven geopenbaard hadden.

Ik ben van mening dat we dit gegeven niet uit het oog mogen verliezen bij een herwaardering van Marx’ werk, zeker niet nu Marx weer eens verantwoordelijk wordt gesteld voor de terreur van de Goelag, Gdansk, Kampuchea en hij genoemd wordt als de geestelijke vader van enkele grote dynastieën van de twintigste eeuw, zoals de Il Sungs in Noord-Korea en de Ceauscescu’s in Roemenië. Ik wil hier zeker niet argumenteren met de verkondigers van die standpunten, want dit komt mij als volstrekt futiel voor. Maar het belet mij niet mij er rekenschap van te geven, dat er met Marx’ werk wat aan de hand is, wat ik slechts kan verklaren uit de bijzondere tweeledigheid van de opgave waarvoor hij zich gesteld zag. Want toen Marx zich eindelijk over de ‘behoeftige nood’ wou gaan ontfermen, voelde hij zich verplicht die bekommernis deel te doen uitmaken van een intellectueel project op het niveau van de savante cultuur die hem had voortgebracht. Hij nam zich voor de historische en feitelijke overschrijdbaarheid van die ‘nood’ aan te tonen. Want slechts in de mate dat hij dat kon bewijzen, zou zijn diagnose aanvaardbaar en meer zelfs onbetwistbaar zijn volgens de normen van de dominerende savante cultuur. De overtuigingskracht van zijn kritiek op de tegenstrijdigheden die zich van de staat en het recht hadden meester gemaakt, zou daardoor onontkoombaar worden. Zijn startpunt was de staats-, rechts- en godsdienstfilosofie van zijn tijd. De vooropstellingen van die filosofie werden ook de immer aanwezig blijvende vooropstellingen van zijn voortdurend ingenieuzer wordende ontrafeling van de wortels van de ‘behoeftige nood’ en dus tevens van zijn conclusies voor de politieke en maatschappelijke actie.

De tweeledigheid van Marx’ opgave werkte op de volgende wijze door in het project dat hij zich rond 1844 had gevormd.
a) Toen hij er mee begon de contradicties bloot te leggen, die de burgerlijke maatschappij kenmerken en die tot de fatale onvervulbaarheid leiden van de taak, die de staat (= de politieke organisatie van die burgerlijke maatschappij) zich volgens zijn legitimatie en justificatie voorwendde uit te voeren, moet hij dat doen met de intellectuele instrumenten waarover hij beschikte en die hem aanvaard zouden maken voor mede- en tegenstanders. Marx moest zich noodzakelijk binnen de voorstellingen, de denktradities, de taal en de methoden van de geleerde cultuur, die het product was van diezelfde burgerlijke maatschappij waarvan hij de contradicties onderzocht, blijven voortbewegen.
b) Wat hij door die intellectuele onderneming te weten kwam plaatste hem voor een indrukwekkende opdracht van legitimatie en justificatie van de verzuchtingen van de arme lui uit de burgerlijke maatschappij. Zijn ontdekking van de fundamentele tegenstellingen van die maatschappij, moest hij convergerend, ja zelfs samenvallend stellen met de praktisch-maatschappelijke manifestatie van de tegenstellingen. Dit liep er op uit, dat hij een originele maar kunstmatige combinatie ‘uitdokterde’ van zijn analyse der onvervulbaarheid van wat de staat zich krachtens zijn legitimatie als wezenlijk taken heeft voorgeschreven enerzijds, en anderzijds de dagelijkse revendicatieve strijd van de groep van mensen, die in de staat en in de dominerende cultuur, d.w.z. in het ‘bewustzijn’ en ‘zelfbewustzijn’ van de burgerlijke maatschappij, is weggedrukt en ‘vergeten’.

Na 1844 ging Marx zijn analyse meer en meer als een gevolg van de eisenstrijd van die uitgeslotenen beschouwen, terwijl hij hun strijd als een bevestiging en zelfs tot een aanloop tot de verwezenlijking zag van zijn analyse. Het is mijn bedoeling dat punt, het tegelijk originele én artificiële karakter van die combinatie, verder te belichten. Ik zal hierbij een duidelijke (hoewel dialectische) stelling hanteren; het was in de mate dat die combinatie artificieel was, dat ze ook haar originaliteit kon demonstreren, en omgekeerd, voor zover zij origineel was, bleek ze ook artificieel. De basis van de paradox die, volgens mijn lectuur, Marx’ werk beheerst, ligt in het feit dat in Marx de Westerse samenleving zichzelf bekritiseerde aan de hand van de instrumenten van kritiek die zij had voortgebracht en die ook 100 % tot haar geestelijke en materiële patrimonium bleven behoren. Ik meen dat ook Marx zich van die ‘vis-in-het-water’-problematiek onvoldoende rekenschap kon geven. En overigens blijft juist die problematiek ook voor wie na Marx kwam en komt fundamenteel, waardoor het precies onze opdracht is ons te vergewissen van de myopie van Marx’ savant zicht, ten einde de moeilijke taak van de zichzelf telkens weer genererende kritiek op de burgerlijke maatschappij in haar wereldcontext verder te zetten. De actualiteit van Marx, dat is de actualiteit van de burgerlijke maatschappij, d.w.z. het wereldsysteem dat gebaseerd is op de kapitalistische productiewijze. De ter aarde bestelling van Marx is de wanhoop die de burgerlijke maatschappij telkens weer doormaakt, wanneer zij voor de moeilijkheden komt te staan zich aan haarzelf te openbaren. Daarom draagt dat graf steeds opnieuw rozen, want haar tegenstellingen verdwijnen niet en de tegenspraak in haar staten, zowel ten oosten als ten westen, is en blijft manifest.

2. Marx was zo geboeid door de ‘logische’ contradictie in de staat, dat hij zich aan het werk zette om in de filosofie van staat en recht van Hegel te ontdekken wat er zou kunnen fout gelopen zijn. Hierbij ging hij dieper dan Hegel had gedaan in op het onderscheid tussen de burgerlijke maatschappij (de sociale sfeer) en de staat (de politieke sfeer). Marx aanvaardde die scheiding tussen de twee sferen, maar hij verwierp de idee van Hegel dat de staat de onafhankelijke en rationele synthese kon zijn boven en los van de enkelingen of de families. De debatten over de houtdiefstallen hadden hem duidelijk gemaakt, dat de staat slechts een uitdrukking was van concrete particuliere belangen, en hij stelde dat de scheiding tussen staat en maatschappij zelf een historisch feit was. Dat komt er op neer, dat hij bij zijn zoektocht de geschiedenis ontdekt. De opsplitsing van de enkelingen in bourgeois en citoyens, de eerste de egoïst, de cijferaar die leeft van de ander, de tweede de verantwoordelijkheid afleggende en nemende mens, die het algemeen belang respecteert dat boven hem uit bestaat, was een historische opsplitsing. Elke ontvoogding van de mens, die tegen de politie-instellingen is gericht en dus slechts haar eindpunt vindt in de politieke instellingen, moet partieel blijven en daardoor een illusie. De kwalen die de burgerlijke maatschappij beroeren worden daardoor niet aangeraakt. In de maatschappelijke sfeer blijven de mensen tegenover elkaar staan als vijanden, uitbuiters tegenover uitgebuitenen. In de politieke sfeer wordt telkens weer met nieuwe vormen en in een andere terminologie gesuggereerd, dat zij medeburgers zijn, die worden gedreven door een samenhorigheidsgevoel. Een ware emancipatie (= een emancipatie in de volle betekenis van het woord) moet de tegenstellingen in de maatschappelijke sfeer zelf aanraken. Die ontvoogding moet haar middelen én haar eindpunt vinden in het werkelijk maatschappelijke bestaan van de mensen, niet in hun fictieve politieke of staatsburgerlijke bestaan.

Het is belangrijk op te merken, dat Marx de hegeliaanse opvattingen voluit bleef hanteren: een wijsgerige conceptie over de bevrijde mens en mensheid maakt de kern uit van zijn kritiek op de staatsfilosofie. Werkelijke ontvoogding is de ontvoogding, die de mens meester maakt over zichzelf en die de samenhang, die de mensen met elkaar vormen, als iets natuurlijks en autonooms doet ervaren, veeleer dan als iets artificieels en opgedrongen. En precies daartoe moeten in de maatschappelijke sfeer de tegenstellingen opgeheven worden. Tegenstellingen die de ene tegen de andere opjaagt en die er voor zorgen dat de citoyen (de verantwoordelijke burger) toch weer steeds bourgeois wordt (de egoïst, die zijn belangen beter verdedigd en beveiligd ziet in de mate dat hij de anderen in de luren kan leggen). Slechts wanneer die tegenstellingen verdwijnen, kan de mens meester worden over zichzelf, de natuur doorgronden, en de relaties die hij met anderen heeft doorzichtig, evident en onmiddellijk maken. Marx voegde daar zijn persoonlijke accenten aan toe, maar Hegels inspiratie blijft voortdurend centraal. Het is maar eerst in het onderzoeksproject dat Marx er later zou aan koppelen, dat hij zijn originaliteit zou bewijzen. Maar ook dan zou hij steeds binnen het kader van de hegeliaanse opvattingen blijven. Dat blijkt ook al omdat Marx verder aan Hegel het belangrijkste thema van de arbeid zou ontlenen (cfr. zie het extra cahier van Toestanden over ‘De arbeid in de filosofie van Hegel’, oktober 1982, waarin ook op de relatie Hegel en Marx wordt ingegaan). Het punt was dat de gehele filosofie van Hegel doordrongen bleef van het thema van het ‘ongelukkige bewustzijn’. Dat resulteert uit de breuk tussen de mens en de natuur. De werkelijkheid is in brokstukken gevallen en de ‘sprekende mond’, de ‘arbeidende hand’, de ‘liefde’ en de ‘volksgemeenschap der families’ zijn de opeenvolgende middelen tot synthese. Misschien heeft Marx hier zelfs ten onrechte een belangrijke idee van Hegel over het hoofd gezien. De laatste synthese, de volksgemeenschap die zich in de volksgeest en in de staat uitdrukt, is voor Hegel soms het nooit voltooide en nooit te voltooien, het telkens weer te creëren bindmiddel, tussen de mensen. Het is een algemeenheid, die niet vanzelfsprekend uit de bijzondere belangentegenstellingen en -bemiddelingen voortkomt, maar die voortdurend weer in het leven moet worden geroepen. Misschien heeft Marx al te gemakkelijk gemeend, dat Hegel in de staat een tot eindpunt gekomen synthese voor ogen stond. Maar hoe dit ook verder zij, Marx concentreerde zich meer in het bijzonder op de arbeid, die in Hegels filosofie een centraal bindmiddel was en dus een specifieke synthese veroorzakende rol had gekregen. De menselijke arbeid is als bemiddelaar tussen mens en natuur de motor van de maatschappelijke ontwikkeling. Die ontwikkeling geeft de mogelijkheden om de menselijke autonomie en de persoonlijke vrijheid te doen toenemen. Marx ziet in de arbeid, waarmee hij in eerste instantie slechts langs speculatieve weg in contact kwam, eveneens de potentieel ontvoogdende praktijk. De arbeid brengt de natuur op mensenmaat en naturaliseert de mens. Dat dit niet voluit gebeurt en dat dit niet tot een volkomen humanisering van de natuur en een volkomen naturalisering van de mens leidt, is aan de beperkende maatschappelijke omstandigheden gelegen. Die laatste moeten meer in het bijzonder onderzocht. Hun geheim, het geheim van hun beperkende macht en mogelijkheden, moet worden ontsluierd. Hier speelde een heel oude en gereputeerde wijsgerige gedachte mee. Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen de voortgebrachte natuur en de voortbrengende natuur. Dat is een pijnlijke toestand. Het gelijkt op een ballingschap en gans de geschiedenis van de natuur drukt het heimwee en streven uit naar de hereniging van die twee. De opperste harmonie ligt in de volstrekte opheffing, thans in het heldere en duidelijke bewustzijn van het onderscheid, van de pijnlijke scheiding tussen de voortbrengende en de voortgebrachte natuur. De verwezenlijking van die opperste harmonie is een mensenzaak. De mens kan in zijn geschiedenis de geschiedenis van de scheiding binnen de natuur (waarvan hijzelf deel uitmaakt) beëindigen. Door de menselijke arbeid, door de vermenselijking van de natuur als gevolg van de arbeidende inspanning, en door de naturalisering van de mens, wordt in de mens de natuur zich van zichzelf bewust. Dit via Hegel op de geschiedenis van de Westerse filosofie teruggaande thema, zette Marx in een sinds 1940 beroemd geworden reeks van ‘essays’ uiteen, bekend onder de naam Parijse Filosofisch-Economische Manuscripten. Ook hierin bleef Marx aan de recente Duitse filosofie en aan Hegel trouw. Hij zag in de overwinning van de dualismen van mens-natuur, mens-voorwerp van verlangen, mens-werktuig, een rationeel eindpunt van de ontvoogding van de mensheid. Hij had zich terdege ingelicht over de gangbare wijsgerige denkbeelden van zijn tijd, op maat waarvan een ‘savant’ man zijn opvattingen over mensen wereld behoorde uit te drukken.

Het ‘moment’ van de Parijse Manuscripten is belangrijk. Het filosofische project van Marx richt zich naar de concrete maatschappelijke gegevens van de menselijke praktijk en de arbeid. Marx ‘ontdekte’ dat de feitelijke sociale organisatie van de arbeid wel eens de hoofdreden zou kunnen zijn voor de tegenstellingen, die in de sociale sfeer van invloed, verantwoordelijk zijn voor de onvervulbaarheid van de in de staat begrepen finaliteit. Het was een ‘ontdekking’ die hij voor een belangrijk deel weer aan het werk van Hegel had te danken. Er is nog een tweede reden, waarom de Parijse manuscripten belangrijk zijn. Marx was op een ander spoor van de dominerende cultuur terecht gekomen: de politieke economie. In de loop der jaren en door de beslissende invloed van Engels, zou zijn belangstelling daarvoor toenemen. Zijn al door de Duitse filosofie gevormde ideeën zouden door de politiek-economische ondersteuning en ‘definitieve’ formulering een nog overtuigender karakter krijgen. De onmacht van de wijsgerige concepties om duidelijker en vooral concreter te maken, hoe die finale ontvoogding van de mens en de mensheid werd belemmerd, zou kunnen worden overschreden aan de hand van de kennis uit de politieke economie. In de taal en aan de hand van de concepties van de best ontwikkelde van wat men later de sociale wetenschappen zou noemen, zou Marx zich beslist een positie verwerven in de culturele wereld van West-Europa.

Er waren ook nog andere redenen om die politieke economie ernstig te nemen. De tegenstellingen in de maatschappelijke sfeer waren in de Parijse Manuscripten, in relatie met het centrale credo van de ‘terugwinning’ van ’s mensens identiteit en autonomie, definitief in verband gebracht met de arbeid. De politieke economie sprak over de maatschappelijke organisatie van de menselijke arbeid, vanuit het oogpunt van de privéoogmerken van winst, en bevatten aldus een beperkte en beperkende opvatting over de rationaliteit. Engels had Marx aan het verstand gebracht, wat de betekenis was van de politieke economie (hoewel Marx zelfstandig al tot de eerste bestudering ervan was gekomen en hoewel de grote inspirator Hegel, al of niet geweten door Marx, er reeds voorafgaand aan zijn grote werk Die Phanomenologie des Geistes, een intense bestudering van enkele Britse politieke economisten had op zitten; daaronder waren James Steuart en Adam Smith; cfr. R. Plant, ‘Hegel and Political Economy’, New Left Review, 1977). De politieke economie was de wetenschap van de privé-eigendom en van het kapitaal; het is de wetenschap van de aan banden gelegde rationaliteit. Een bevrijde rationaliteit zou zijn startpunt kunnen hebben in de efficiëntie-opvattingen uit de politieke economie. In feite konden Marx en Engels op dat ogenblik de ene savante cultuur voor de andere inruilen. In hun gezamenlijke werken, Die heilige Familie oder Kritik der kritischen Kritik (1845) en vooral in Die deutsche Ideologie (1845-46), maakten zij duidelijk hoe dat in zijn werk ging. Waar Marx tot nog in 1844 thematisch en terminologisch bepaald bleef door de Duitse filosofie, en er voor het leven de op een eindpunt gerichte emancipatiegedachte zou blijven aan ontlenen, daar luidt het in Die heilige Familie:

Het werkelijk humanisme heeft in Duitsland geen gevaarlijker vijand dan het spiritualisme of het speculatieve idealisme, dat in de plaats van de werkelijke individuele mens het ‘zelfbewustzijn’ of de ‘geest’ stelt.[3]

Met de Duitse Ideologie blijkt de uiteindelijke ‘reconversie’ ingeleid. Marx zou zijn inzichten in de tegenstellingen binnen de maatschappelijke sfeer aanscherpen. Van dan af worden het economische substraat van de tegenstellingen en de technisch-materiële onderbouw van dit substraat, in relatie met de politieke organisatie en het culturele leven, geviseerd. Hegel kon nu, binnen zijn eigen voorstellingen van de spontaan en autonoom geharmoniseerde mensheid, worden overschreden. De feitelijk-maatschappelijke gegevens, d.w.z. de maatschappelijke verhoudingen in de productie, die de realisatie van de rationaliteitsvisie in de weg staan, konden nu voluit op de voorgrond komen. De mens is een arbeidend wezen, dat instrumenten gebruikt en dat zijn arbeid een georganiseerd karakter verleent. Met de instrumenten en met de techniek, die daarin worden aangewend, gaan bewustzijnsvormen vergezeld. De bewustzijnsvormen blijven verbonden met de historisch gegroeide en maatschappelijk verstolde methoden van behoeftebevrediging: de methoden van arbeid. De patronen van arbeid hangen zelf samen met het gebruik van technische hulpmiddelen, instrumenten en werktuigen, machines, methoden van arbeidsorganisatie en zelfs met de daarmee in verband staande familie- en verwantschapssystemen. Marx wou zich thans richten op de concrete feitelijke, d.w.z. historische, vormen van de maatschappelijke organisatie van de arbeid. Kortom, bij de ‘filosofische’ ontdekking van de geschiedenis voegde zich nu de ‘filosofische’ ontdekking van de arbeidende arbeidsdeling. Aangezien hij aannam, dat die zich langs historische lijnen ontwikkelende en ontwikkelde arbeidsdeling aan de basis ligt van die maatschappelijke tegenstellingen die leiden tot de ficties van de politieke sfeer, moest hij nog een stap verder gaan. Het kwam er op aan te ontdekken wat de interne ‘logica’ was van die historische ontwikkeling. Als men die interne ‘logica’ kon achterhalen, zou men in een concrete, in plaats van algemeen speculatieve richting, de wezenlijke tendensen kunnen achterhalen, die een toekomstige harmonisatie van de mensheid zouden helpen verwezenlijken. De praktische realisatie van de Duitse wijsbegeerte moest op de agenda worden geplaatst. In plaats van over de praktijk te speculeren, moest de speculatie in praktijk worden gebracht, zo luidde het bij Marx. Daartoe was een gedegen kennis van de werking van het economische leven onontbeerlijk. In het economische produceert de mens zichzelf, d.w.z. produceert hij de maatschappelijke verhoudingen en de tegenstellingen, die daarin spelen en die zijn existentie determineren. Marx zou met dit project een gans leven vullen. Het bracht hem via de lectuur van de politieke economisten tot de ontrafeling van de meest ontwikkelde vorm van arbeidsdeling: de kapitalistische productie. In de arbeidsdeling, onder kapitalistische productievoorwaarden, zitten alle tegenstrijdigheden verscholen. De ontdekking van die tegenstrijdigheden zou de theoretische kennis leveren, die de ontvoogding van de mens in beginsel zou mogelijk maken. Ik zal hier niet verder uiteenzetten op welke wijze Marx, geholpen door Engels, dit impressionante project voortzette. Dat zou mij in het kader van dit artikel te ver voeren. Ik kan de geïnteresseerde lezer verwijzen naar de omvangrijke literatuur, die over dat onderwerp bestaat. Ik refereer ook naar mijn boek De overbodigheid en de noodzakelijkheid van de moraal. Bericht aan de kinderen van Prometheus, dat oktober 1982 verschijnt bij Het Wereldvenster, Bussum, en waarin ik Marx’ project kritisch analyseer vanuit de recente kritieken op zijn wijsgerige conceptie over de ontvoogding van de mens en de mensheid. Ik ga in die publicatie dieper in op de relaties tussen de filosofische en de politiek-economische Marx. Laten wij het streefdoel van Marx niet uit het oog verliezen. Het ging hem om de ‘interne logica’ van het systeem van de geschiedenis en dat systeem houdt verband met de veranderingen die optraden in de maatschappelijke organisatie van de arbeid. Het systeem van de geschiedenis resulteert uit de arbeidsdeling en haar tegenstrijdigheden. Andermaal moet gezegd, dat voor Marx de nood in de wereld een kwestie bleef van een gebrek aan rationaliteit, of beter, een kwestie van een onvoltooide, niet tot zijn eindpunt gebrachte rationaliteit. Die ‘savante’ bekommernis convergeerde ongetwijfeld met een groeiende kennis van zaken over de feitelijke nood, die de kapitalistische maatschappij in Groot-Brittannië hem openbaarde, maar ook dan nog rees de vraag: wat is de interne relevantie van die feitelijke nood, kortom wat is de systeeminterne betekenis van de uitbuiting van de fabrieksarbeiders, en van de verdergaande onthechting van de arme plattelandsbevolking, voor het historische proces van de rationaliteit. Marx ging er vanuit, dat dit historische proces in West-Europa aan zijn wezenlijke grenzen was gekomen. Hoe dat precies zat kon slechts gereveleerd worden door de ontrafeling van het economische substraat.

Marx had de arbeidersklasse in zijn project een plaats gegeven. Hij had die klasse in eerste instantie ‘filosofisch’ ontdekt. Zij verscheen toen nog hoofdzakelijk onder haar ‘morele vorm’, als ‘arme lui’, zoals in zijn overwegingen over de houtdiefstallen. Het betrof de mensen uit de West-Europese samenleving, die door hun levensvoorwaarden helemaal niet beantwoorden aan de filosofische voorstelling van de rationaliteit, d.w.z. van de onafhankelijke, zichzelf bepalende mens. Het gold mensen voor wie het uitgesloten was zichzelf en de familie autonoom en vrij te produceren en te reproduceren. De behoeften en de aspiraties van die mensen moesten wel aan de basis liggen van de werkelijke ontvoogding van de mensheid. Die behoeften en aspiraties waren de meest elementaire en meest volledige: zij sloten elke vorm van nood in. En wanneer die eenmaal uit de existentie van de mensheid was verwijderd, zou zij ook volstrekt bevrijd zijn. De strijd voor de aspiraties van die arme drommels is de strijd voor de verwezenlijking van de volledige menselijkheid en moet dus de basis vormen voor elk programma van de zich van de irrationaliteit bevrijdende mensheid. Het ging Marx over een klasse waarin de humaniteit, zoals die door de Duitse filosofie werd voorgesteld en geïdealiseerd, zo volstrekt was genegeerd, dat de verwezenlijking van haar verlangens ook de ultieme verwezenlijking van de wijsbegeerte en de religie zou inluiden.

Marx streefde ernaar de coherentie van die positie nog te versterken door die klasse nu ook ‘politiek-economisch’ te ontdekken. Daardoor zou hij ze in de terminologie van de discours van die andere dominerende savante cultuur een wezenlijke rol en betekenis kunnen toebedelen en op die manier zou op een aanvaardbare wijze de actor van de ontvoogding aangeduid zijn. Dat betekende, dat hij die arbeidersklasse ook als fundament van de economische realiteit van de burgerlijke maatschappij moest identificeren, onder een politiek-economische categorie verscholen en als dusdanig ook impliciet aanwezig in de discours van de politiek-economische werken, die hij bekritiseerde. De arbeidersklasse werd de groep mensen die de economie van de burgerlijke maatschappij toelaat arbeid te gebruiken. Marx zou hier, naar zijn eigen zeggen, zijn grootste ontdekking doen: datgene wat toelaat de arbeid te gebruiken is de koopwaar arbeidskracht. De koopwaar arbeidskracht is de enige koopwaar, die bij machte is om waarde te creëren en die dus minder kost dan ze zelf opbrengt. Het beroemde ‘Hic Rhodos, hic salta’ van Marx was door die ontdekking gepasseerd. De arbeidersklasse is, politiek-economisch beschouwd, de immense en schier onuitputtelijke ‘pool’ waaruit de arbeidskracht kan worden betrokken. Op die wijze meende Marx er in geslaagd te zijn, in de termen van de discours van de heersende cultuur, de justificatie te geven voor de aanspraken van de arbeidersklasse op rechtvaardigheid, vrijheid en autonomie. Bovendien kon hij zijn ontrafeling van de belangentegenstellingen in de burgerlijke maatschappij verder zetten, in de terminologie van de politieke economie. Hij kon die tegenstellingen terugvoeren op het mechanisme van de accumulatie van het kapitaal, dat hij kon uitleggen aan de hand van de categorie van de arbeidskracht. Het betreft het precieze mechanisme van de wijze waarop de arbeidsklasse onder de kapitalistische productievoorwaarden (in het stelsel van de loonarbeid) de economische basis vormt voor de vervaardiging van het maatschappelijk meerproduct en dus voor de productie en reproductie van de burgerlijke maatschappij zelf.

Marx had nu bereikt, wat hij sinds zijn ongenoegen met de debatten over de houtdiefstallen gezocht had. Zijn tot dan toe wijsgerig gebleven opvattingen over rationaliteit en vrijheid, twee zaken die in de Duitse wijsgerige traditie innig met elkaar verbonden waren, werden overtuigender gemaakt. De strijd van de arbeidersklasse tegen het sociale onrecht en voor zijn voortbestaan, was tegelijk ook een strijd tegen de irrationaliteit van de kapitalistische productie. De arbeidersklasse was zonder het te weten van filosofische tot politiek-economische hoofdacteur geworden in de emancipatie van de irrationaliteit van de burgerlijke maatschappij en de geschiedenis. De strijd van de arbeidersklasse was ook een strijd voor de volledige verwezenlijking van de efficiëntie van de voortbrengst van maatschappij en cultuur.

Ik heb tot hiertoe twee zaken willen verduidelijken.

a) Marx heeft nooit zijn filosofische eschatologie, ik bedoel zijn van Hegel afgeleide theorie over de voltooiing van de humaniteit en de voleindiging van de werkelijkheid, opgegeven. Integendeel, hij heeft die theorie maar op een andere, op een overtuigender manier willen voorstellen. Het eindpunt bleef voor Marx de volstrekte doorzichtigheid van de mens-mens-relaties en van de mens-natuur verhouding. De werkelijkheid, ik bedoel de maatschappelijke werkelijkheid in de eerste plaats, werd door hem blijvend benaderd vanuit haar voorlopig gebrek aan adequatie, vanuit haar noodwendig maar tijdelijk beperkte rationaliteit. Het was precies de concretisering van die filosofische eschatologie, die Marx bracht tot de filosofische ontdekking van het proletariaat en van de historische betekenis van de arbeidsdeling:
1) het proletariaat, de klasse in wiens existentie de rationaliteit en de adequatie van de werkelijkheid zo genegeerd zijn, dat ze in haar revendicatief optreden de sociale motor moet zijn van de volledige emancipatie van de totale werkelijkheid;
2) de arbeidsdeling, het mechanisme waardoor de maatschappelijke tegenstellingen tussen de bijzondere en de algemene belangen worden voortgebracht, maar dat door zijn interne logica (= zijn historisch dwingende ontwikkeling), nl. de scheiding tussen loonarbeid en kapitaal, maakt dat een potentieel steeds rationeler economisch proces, voortdurend meer en meer aan de controle van de mens ontsnapt. Die oriëntatie, en slechts die, bracht Karl Marx tot een door de politieke economie gestuurd onderzoek van de interne tegenstrijdigheden van de meest ontwikkelde vorm van de arbeidsdeling, de kapitalistische productiewijze. De ‘zaak van het proletariaat’ werd maar eerst een gerechtvaardigde zaak door de vaststelling van die interne contradicties.

b) Van bij de aanvang was het Marx’ streefdoel niet de morele snaar te raken. Hij drukte meermaals zijn misprijzen uit over een louter moreel protest tegen de miserie en de armoede. Overigens werd hij niet rechtstreeks door de concrete vormen van de miserie geboeid, hoewel hij in het kader van zijn politiek-economische arbeid zeer expliciet de aandacht zou vestigen op de gewelddadige verspilling aan menselijke potenties, die de kapitalistische productie in Groot-Brittannië met zich meebracht. Marx presenteerde de armoede en de miserie niet in de eerste plaats als een moreel of ethico- religieus te veroordelen verschijnsel, maar wel als een logisch-werkelijke tegenstrijdigheid. Hierbij bediende hij zich zowel van de cultuur-dominante discours van de Duitse filosofie (de rationaliteitsopvattingen) als van de cultuur-dominante discours van de Britse en Franse politieke economie (de efficiëntie-opvattingen). Slechts die voorstelling van zaken zou overtuigend zijn binnen de dominerende savante cultuur, waartoe Marx door zijn familie, opvoeding en intellectuele praktijk behoorde.

3. De reden dat ik bij Marx’ ‘filosofische’ ontdekkingen van de contradicties van de burgerlijke maatschappij bleef stilstaan, ligt in het feit dat we van 1970 af opnieuw werden geconfronteerd met een globaal afwijzen van zijn werk. Dat afwijzen had en heeft precies zijn basis in de dubieuze filosofische vooropstellingen. Diegenen, die op die grond Marx’ werk hebben afgewezen (en tegen 1980 zelfs hebben verantwoordelijk gesteld voor de excessen van het ‘reële socialisme’) meenden sterk te staan. De aanduiding van het onhoudbare van de filosofisch-metafysische uitgangspunten moet ten ene male Marx’ kritiek op de burgerlijke maatschappij discrediteren. Men zou zich van Marx’ kritiek op de burgerlijke maatschappij kunnen ontmaken door de filosofisch-metafysische basis aan te vallen. Ik heb hieromtrent twee standpunten: ten eerste, de identificatie van de filosofisch-metafysische basis van Marx’ emancipatiegedachte, en de aanduiding van enkele discutabele punten lijkt mij onafwendbaar; ten tweede, met die identificatie en afwijzing is evenwel niet in globo de marxiaanse kritiek op de burgerlijke maatschappij van de baan.

a) De onafwendbaarheid van de kritiek op de filosofisch-metafysische vooropstellingen van Marx’ kritiek op de burgerlijke maatschappij.
In wat vooraf ging heb ik gepoogd aan te geven waarom de marxiaanse analyse van de burgerlijke maatschappij op een beslissende wijze wordt belast door haar vooronderstellingen. Marx wou een systeem van kritiek presenteren, dat binnen de discours van de dominante cultuur aanvaardbaar en respectabel was, dat men niet kon afdoen met de opmerking ‘moreel protest’, ‘sentimenteel denken’, ‘utopie’, enz. Zijn kritiek op de utopische socialisten gaat precies in de richting van de bevestiging van de tradities en methoden van de dominerende cultuur en gaat van nogal simpele veronderstellingen uit betreffende de inferioriteit van de kritieken van die utopische socialisten. Enkele van die kritieken blijken vandaag soms zelfs penetranter te zijn, dan die van Marx zelf. Bovendien zou slechts veel later blijken, hoe de tekorten van Marx’ ontrafeling zelf te maken hadden met de utopische dimensies van zijn vooronderstellingen. Ik noem er slechts enkele.

1) De arbeidswaardeleer, die Marx zelf als de hoeksteen van zijn ontrafeling had aangeduid, zorgde voor heel wat moeilijkheden. Er waren de interne problemen, die de arbeidswaardeleer, waarin Marx er vooral naar streefde ‘te bewijzen’ hoe de arbeidersklasse ‘logisch-werkelijk’ begrepen was in de emancipatiebeweging, die in de wereld aan de gang is en hoe die klasse binnen zijn analyse van de maatschappelijke tegenstellingen paste als het natuurlijke subject en de actor van de verwezenlijking van de resultaten van zijn analyse, stelde. Bovendien leidde die theorie ook tot erg bediscussieerbare voorspellingen en explicaties. Die konden moeilijk behouden blijven zonder de nodige exegese, of zonder kunst- en vliegwerk.

2) Het optimisme over de technische en energetische mogelijkheden, optimisme dat Marx deelde met Engels, was een der belangrijkste bases om te blijven geloven aan de historische onafwendbaarheid en finaliteit van een volstrekt overzichtelijk en transparant maatschappelijk systeem van productie, distributie en consumptie, en dus aan het historisch-werkelijk eindpunt van de volstrekt open en doorzichtige maatschappelijke betrekkingen onder de mensen. In dit optimisme hadden Marx noch Engels enig oog voor de energetische en de milieulimieten.

3) Dat gaat samen met de vrij rudimentaire en nooit uitgewerkte opvattingen over de schaarste. Marx’ analyse impliceerde een simpele theorie over de menselijke behoeften. Hij schijnt die behoeften boven een bepaald niveau als stabiel en onveranderlijk te hebben verondersteld. Dit komt hier op neer, dat hij nergens veronderstelde, dat met de wijzigingen in de technisch en organisatorische aspecten van de voortbrengst ook nieuwe behoeften zouden kunnen ontstaan, die zelf door andere en ingewikkelder productieorganisaties zouden moeten worden opgevangen. Men kan zich een dynamischer relatie voorstellen tussen productie, technische mogelijkheden, organisatie van het werk en behoeften.

4) Marx heeft de analyse van de staat nooit weer opgenomen na zijn werk over de fundamenten en het interne mechanisme van de maatschappelijke tegenstellingen, behalve in enkele pamfletaire teksten, waarin hij direct inspeelde op concrete politieke ontwikkelingen van zijn tijd. Niets wijst er op, dat hij dat in penetrantere zin, dan zijn aanvankelijk filosofische benadering (vanuit Hegels staats- en rechtsfilosofie) zou gekund hebben.

Ik noem slechts die vier vraagstukken, die verbonden zijn met het filosofische startpunt. Er zijn er nog andere. Het gemeenschappelijke punt is het volgende. Marx veronderstelde voortdurend (ook na zijn indrukwekkende arbeid, die de bestudering van de kapitalistische productie tot onderwerp had), dat er in de lijn van het proces van de wereld, zo’n organisatie van de productie, distributie en consumptie mogelijk was, dat we zouden kunnen komen tot een zeer bijzonder maatschappelijk systeem. Een systeem nl. waarin de in het proces geïmpliceerde opheffing van geconstateerde tegenstrijdige belangen zou leiden tot de vanzelfsprekende verwezenlijking van het algemene belang. Aan de basis van die finale overgang zag hij de buitengewone omwenteling van techniek en energie in West-Europa. Dat bracht hem er ook toe om de loonarbeid, d.w.z. het in West-Europa dominerende systeem van surplusproductie, te beschouwen als de noodzakelijke én voldoende ontwikkelingsvoorwaarde voor die omwenteling. Dat de loonarbeid het fundament vormt voor een aantal belangrijke omwentelingen hoeft niet te worden betwist. Maar we beschikken zelfs na 100 jaar waarlijk over weinig voorbeelden om de filosofisch conceptie van de vanzelfsprekende verwezenlijking van het algemene belang, waardoor de politieke organisatie van de menselijke samenleving overbodig zou worden, te aanvaarden. De vraag dient dan ook te worden gesteld of we die visie zullen blijven beschouwen als centraal voor de politieke praktijk en voor de beoordeling van die praktijk. Wanneer we echter zouden te maken krijgen met een lange reeks van creaties van nieuwe bijzondere belangentegenstellingen en dus politieke synthesen, wat de marxiaanse analyse van het economische substraat en van het mechanisme van de arbeidsdeling zeker niet zou overbodig maken, dan blijft de vraag hoe we die zullen moeten beoordelen. De voorbeelden zijn bekend: de ‘Sovjet’staat in Rusland, het Joegoslavische systeem, het sandinistische regime, enz. De beoordeling blijven ondernemen vanuit een hoofdzakelijk filosofische conceptie van het algemene belang en de finale opheffing van de bijzondere belangen en hun tegenstellingen, kan ons slechts theoretisch en praktisch belasten. We hanteren dan een maatstok, waarvan we de maateenheden niet kennen en die slechts tot de willekeur leidt van de gebruiker.

b) Met de afwijzing en de identificatie van de filosofisch-metafysische basis is de marxiaanse kritiek op de burgerlijke maatschappij niet van de baan en zijn de daarin geïmpliceerde analyse-instrumenten niet overbodig geworden.

Kunnen wij dan überhaupt nog oordelen en blijven er mogelijkheden voor de marxiaans georiënteerde analyse van de bijzondere belangentegenstellingen over? Kunnen wij ons nog inspireren aan Marx’ uiteindelijke analyse van de arbeidsdeling en van de dynamiek van de tegenstrijdigheden binnen de economische en sociale sfeer? Ik meen dat we die vragen bevestigend moeten beantwoorden. Aan de basis van dit standpunt ligt hoofdzakelijk een algemene overweging. Maar laat ik eerst enkele specifieke theoretische redenen vermelden.

Ik zie een belangrijk voordeel in het feit dat we, op het ogenblik dat het socialisme meer dan ooit verdeeld is, de effectieve (= de historisch-werkelijke) verwezenlijking van het algemene belang in de sociale sfeer zelf tot een pure fictie verklaren. Dat kan de analyse van de uitbuitingsstructuren die het wereldsysteem beheersen, waarvan de kapitalistische economie het centrum vormt, alleen maar ten goede komen. En dit moet op korte termijn tot nieuwe politieke inzichten leiden. Het analytische voordeel is het volgende: wij kunnen niet meer onder de vraag uit, welke middelen wij ter hand moeten nemen om de historische ‘oneindige’ opeenvolging van de bijzondere belangentegenstellingen en politieke synthesen te kunnen beoordelen. Nu geeft de marxiaanse analyse van de belangentegenstellingen in de sociale sfeer zowel de middelen als een breder kader. Dat betreft de arbeidsdeling onder zich voortdurend wijzigende technische verworvenheden en productieorganisaties. Ik kan met verwijzing naar Marx’ latere werk, aangeven welke punten bruikbaar blijven. Ik zou kunnen zeggen ‘noodzakelijk bruikbaar’, door de klaarblijkelijke persistentie van de tegenstellingen van de burgerlijke maatschappij in een wereldcontext.

Er is geen enkele reden om Marx’ standpunt, dat de staat slechts een mythische en ‘valse’ synthese brengt van de bijzondere belangen in de sociale sfeer, te verlaten. Dit gaat niet alleen op voor de kapitalistische maatschappij, maar eveneens voor de zogenaamde communistische maatschappijen. Bovendien kunnen wij uit Marx’ werk de volgende heuristische en methodische richtlijn behouden. De bijzondere belangentegenstellingen in de sociale sfeer, vormen met hun economisch substraat, d.w.z. de productie van het maatschappelijke surplus en de verdeling, het werkelijke fundament voor de voortdurende onvoltooide en misleidende politieke synthesen. Het komt er dus op aan analyses op te zetten, die Marx’ ontleding van de kapitalistische maatschappij als voorbeeld nemen, en die de politieke synthesen voortdurend herleiden tot hun maatschappelijke en economische bases. Met Marx kunnen we de analyses koppelen aan de bijzondere vormen van arbeidsorganisatie en de maatschappelijke organisaties van de arbeidsdeling.

Nog altijd zullen wij er vanuit moeten gaan, dat de mechanismen van de wereldwijde maatschappelijke organisatie van de voortbrengst van het surplus, ons de middelen aan de hand kan doen voor een rationeler politiek optreden: we zullen de geschiedenis hierbij moeten leren zien als een proces waarin deze bijzondere tegenstellingen uitgeschakeld worden ten voordele van gene bijzondere tegenstellingen. Al op het theoretische vlak geeft dit ons een grotere controle op dit proces. Het laat ons nog met het praktische vraagstuk: welke sociale krachten kunnen (in de richting van die theoretische inzichten) aan de basis liggen van de te volbrengen omwentelingen? De moeilijkheid kan hier nauwelijks groter zijn dan voor het orthodoxe marxisme, dat al sinds het einde van de jaren dertig te kampen heeft met het vraagstuk van de sociale bases en de zogenaamde subjectieve factor.

De arbeidswaardeleer suggereerde ons een uitbuitingstheorie en liep uit op een nog steeds actuele theorie van de accumulatie en concentratie van het kapitaal. Zowel de uitbuitingstheorie, als de accumulatie- en concentratietheorie kunnen geherformuleerd worden, waarbij de arbeidswaardeleer ‘en marge’ wordt geplaatst. De analyse van de loonarbeid blijft zijn belang behouden, hoewel ik er elders heb op gewezen dat Marx het belang van dit systeem overschat heeft in het geheel van de geschiedkundige ontwikkeling der economische verhoudingen op wereldvlak. Ik denk dat het vruchtbaar zou zijn de loonarbeid verder als centrum en als spil van een groter systeem van organisaties van maatschappelijke productie op wereldschaal te beschouwen. De contradicties van dit grotere systeem, die we moeten analyseren in samenhang met de contradicties van het loonarbeidsysteem, moeten verder opgehelderd worden.

De actualiteit van de politieke bemiddelingen tussen de bijzondere en de algemene belangen blijft gesteld, zoals we hoger al duidelijk poogden te maken. Met de antikapitalistische revoluties heeft het vraagstuk van de politieke bemiddeling alleen maar een andere dimensie gekregen. Maar ook hier blijft dus Marx’ inzicht over de economische basis (de maatschappelijke organisatie van de surplusproductie en distributie) een inspirerend heuristisch en methodisch middel. Een voortgezette ‘materialistische’ interpretatie van de nieuwste geschiedenis kan hier alleen maar vruchten afwerpen.

4) De tijd van Münzer is lang voorbij. Maar Münzers vraagstuk, dat van de ‘behoeftige nood’, blijft nog steeds gesteld. Hoe sympathiek de revolutionaire predikant ons mag voorkomen, we kunnen het ons thans niet meer veroorloven ons op zijn ethico-religieus protest te verlaten. Maar toch hield dit protest een verwittiging in: kijk uit met diegenen, die de bijzondere belangentegenstellingen opgelost stellen in telkens weer bijzonder blijvende politieke synthesen, die ze zoals de doctor leugenaar deed, bekrachtigen met God of wat anders. Hoewel Marx van dat laatste zeker niet verdacht kan worden, heeft het niet belet, dat anderen dat in zijn plaats en aan de hand van zijn inzichten hebben gedaan. Het terugkerende gevaar van Marx’ eschatologie zit in de verleiding van haar retoriek, die meer schijnt te beantwoorden aan het sentiment dan aan de rede. Stalin schijnt zelf eens het verwezenlijken van de klassenloze maatschappij verordend te hebben, wat op waanzinnig handgeklap werd onthaald. Hier moeten wij Münzer zijn gelijk geven. De strijd van die van onderen is een onafgebroken strijd en kan niet belast worden met deze of gene filosofisch-metafysische vooropstellingen. Maar dat de marxiaanse kritiek op de burgerlijke maatschappij in zijn analytische uitwerkingen het resultaat is van zo’n vooropstellingen moet niet, zoals enkelen ons nu willen doen geloven, betekenen dat die kritische uitwerkingen van de baan zijn met de ‘bewijsvoering’ van de wijsgerige basis (als men dat al zou kunnen). Dat laatste zou er op neer komen, Newtons uitgewerkte natuurfilosofie van de baan te schuiven omwille van de bewijsvoering van de onhoudbaarheid van zijn duistere filosofie der universele attractie in de natuur. Precies de cartesianen hebben dat gedaan, wat hen slecht is bekomen in de geschiedenis van de wetenschappen. Filosofische vooropstellingen kunnen zoals in het geval van Marx, een belangrijke en baanbrekende heuristische en ontdekkende functie hebben, hoewel dit ons niet afhankelijk moet maken van hun filosofische credo. Zij blijven basisintuïties en niet meer dan dat. Zij helpen én doen zien. Achter Einstein staat Spinoza, achter Niels Bohr Sören Kierkegaard, achter Charles Darwin Erasmus Darwin en achter Marx Hegel. Misschien staat achter Kolakowski wel de duivel.

_______________
[1] Ernst Bloch, Th. Münzer, als Theologe der Revolution. Suhrkamp, 1976 (eigen vertaling).
[2] Karl Marx, MEW, 1, p. 141 (eigen vertaling).
[3] Savante cultuur: ik verwijs naar ‘culture savante’.