Hendrikus van Kol
(Rienzi)

Geen dogma’s!


Geschreven: 4 juli 1898
Bron: De Nieuwe Tijd, 2e jaargang, 1898 - Via: kb.nl
Deze versie: spelling - sommige momenteel voor zich sprekende voetnoten niet overgenomen. Aansluitend op deze tekst: het antwoord van Frank van der Goes
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
In het Publieke Domein
| Hoe te citeren?


Verwant:
De rol van de persoonlijkheid in de geschiedenis
Het historisch materialisme
Het wetenschapsbegrip van het dialectisch materialisme

Idealisme, Ich bin das Schwert, ich bin die Flamme.
Ich habe euch erleuchtet in der Dunkelheit, und
als die Schlacht begann, focht ich voran, in der
ersten Reihe.
Heinrich Heine[1]

De socialistische theorieën zijn evenals alle theorieën aan voortdurende herzieningen onderworpen, toenemende wetenschap maakt aanvulling nodig, en meer nauwkeurige aanpassing aan de nieuw bekend geworden feiten. Onjuist noemen mag men daarom zulke theorieën niet, maar omzichtigheid bij de toepassing daarvan blijft dure plicht, en daarvan mist men soms alle spoor.

Minder dan ooit is het thans de tijd om op zulke absolute wijze als in de laatste weken hier en daar geschiedt, theorieën door te voeren die in volle gisting en wording zijn en op allerlei wijze aan louterende kritiek werden onderworpen. Niet het minst van socialistische zijde worden de theorieën een Marx voor velen van ons jarenlang even onaantastbaar als voor de gelovigen hun Bijbel, aan een vuurproef onderworpen, waaruit zij in zuiver vorm en van edeler gehalte zullen te voorschijn komen.

De “marxistische waardetheorie” van het eerste deel[2] van Das Kapital, wordt in het derde deel aangevuld en doet ons duidelijk voelen dat de bepaling der waarde door het kwantum arbeid alléén, onvolledig is, en een nauwkeuriger maatstaf moet worden aangelegd.

Het streven van Marx, en vooral van Engels, om uit de economische veranderingen een gehele wereldbeschouwing, een volledig wijsgerig systeem op te bouwen, is nog altijd niet bereikt.

Marx gaf geen abstracte (algemeen geldende), maar bijzondere ontwikkelingswetten, waardoor slechts enkele historische fasen worden beheerst; de volledige wet is nog te zoeken.

Van de gewelddadige revolutionaire tactiek van een halve eeuw geleden, gingen de socialisten in alle landen steeds meer en meer over tot een tactiek van geleidelijke hervormingen.

Van communisme kwam men tot collectivisme, en acht zelfs de “meerwaarde” onvermijdelijk, ook in de socialistische maatschappij der naaste toekomst.

Wat is er van de eenmaal zo trouw verdedigde “ijzeren loonwet” geworden? – Oud roest!

Wie durft nog de zo vaak gehoorde leer verkondigen, dat de arbeidende klasse in steeds dieper ellende verzinkt? Daar tal van feiten zulks tegenspreken.

De theorie van Engels en anderen, beschouwende het matriarchaat als de oorspronkelijke vorm der familie, vindt ernstige bestrijding door hen die menen te kunnen aantonen dat het patriarchaat de oudste vorm was, waaruit het matriarchaat zich onder sommige omstandigheden ontwikkelde. Een beslissend oordeel kan men daarbij nog niet uitspreken.

Het internationalisme van Marx en Engels, deed hen de nationale vragen verwaarlozen, en deze dringen zich bij de aanwas van de socialistische beweging steeds meer op de voorgrond, vertonen bij verschil van nationaliteit een verschillende socialistische tactiek, en zo wacht het nationale probleem nog altijd op een grondige bewerking, al is het in vele landen een levenskwestie voor de bloei van onze partij. Want eerst ná de nationale bourgeoisie te hebben overwonnen, zal een afdoend internationaal optreden mogelijk zijn.

Het marxisme in zijn eerste vorm was amoreel (moraalloos); het wilde de mensen veranderen door sociale instellingen, achtte zedenleer, godsdienst en filosofie een reeds overwonnen “burgerideologie”, en noemde naastenliefde een “lyrische ontboezeming”. De gelijkheid zou, volgens Engels, komen van de revolutie, de ware methode van alle maatschappelijke vooruitgang, en de socialistische zedenleer zich oplossen in de klassenstrijd.

Ook daarbij is reactie merkbaar, en wenste Engels zelf in latere jaren een meer menselijke moraal, was de invloed van het humanisme van Feuerbach duidelijker merkbaar en van meer invloed dan vroeger, toen men niets meer van de moraal meende te mogen hopen. Meerdere latere socialistische schrijvers erkennen reeds de “rechtmatigheid en zelfstandigheid” van de ethische krachten, voelen de zwakheid van een beginsel berustende op egoïsme (maar al te vaak- door socialisten als vanzelfsprekend beschouwd) en wachten niet meer alle heil van de sociale instellingen en de productiewijze.

Kautsky o.a. erkent de grote invloed der “inneren psychologischen Antriebe”,[3] en geeft toe dat de materialistische historie-theorie niet alle feiten geheel en al verklaren kan, en er dus andere invloeden bij de ontwikkeling van het mensdom actief zijn.

Over de gehele linie dus, in elke stelling is wisseling, althans twijfel aan de vastheid der muren van ons bolwerk merkbaar: ons pantser toont gapingen die men niet met frasen en algemeenheden, veel minder met blinde dogma’s mag wegstoppen: een gewetensvol onderzoek is nodig, en in geen geval is een apodictisch optreden als wij in de laatste maanden wel eens moesten waarnemen, in deze tijden van crisis en kritiek geoorloofd. Het is meer een tijd van inkeer, van nijver onderzoek en van ernstige overpeinzing, dan van het triomfantelijk zwaaien met een banier, die nog geen vast voetstuk heeft gevonden en meer op gissingen moet rusten, dan op talrijke, goed vaststaande feiten en waarnemingen. Vooral met de theorie van het zogenaamde geschiedkundig materialisme moeten wij uiterst omzichtig te werk gaan, en juist zij leidt vaak tot ondoordachte toepassingen, tot apodictische beweringen. Daarover thans alleen een enkel woord om de dogmatici tot omzichtigheid aan te sporen.

Het historisch materialisme

De theorie van het geschiedkundig of economisch materialisme is aldus samen te vatten: de productiewijze van het materiële leven bepaalt het maatschappelijk en geestelijk levensproces (K. Marx, 1859).

De ontwikkeling der maatschappij en van de in haar heersende inzichten geschiedt dan ook volgens vaste wetten, waarvan de drijfkracht moet gezocht worden in de economische voorwaarden, waaronder de mensen in hun materiële behoeften moeten voorzien.

De geschiedenis van de mens wordt aldus de geschiedenis van de maatschappij, en deze lost zich op in een lange reeks van klassenstrijden.

De ontwikkeling der maatschappij is dus afhankelijk van bepaalde materiële, van de wil der individuen onafhankelijke oorzaken.

Niet de ideeën spelen de hoofdrol in de geschiedenis, maar de verschillende productiewijzen, en “de laatste oorzaak van de maatschappelijke verordeningen en politieke omwentelingen is niet te zoeken in de hersenen der mensen, het toenemend inzicht, maar in de verordeningen van productiewijze en ruil.” (Engels)

Wat vele volgelingen over het hoofd zagen, en wat Engels indien hem een langer leven was vergund wel nader zou hebben toegelicht, is dat hier gesproken wordt van “hoofdrol spelen” en “laatste oorzaak”, wat volstrekt niet hetzelfde is, gelijk sommigen schijnen te menen, als “alleen een rol spelende” en “enige oorzaak.” Marx en Engels hebben slechts deze theorie opgeworpen, de tijd om haar volledig uit te werken heeft hen ontbroken. Reeds hebben zij zelf in latere geschriften het absolute van hun bewering verzacht en blijkbaar gevoeld dat:
a. vele andere invloeden actief zijn bij de ontwikkeling der maatschappij;
b. de menselijke geest wel degelijk kan ingrijpen in de geschiedenis der mensheid.

Zij stelden de kwestie maar gaven niet de oplossing. Hun theorie moest de jongeren aansporen tot studie en onderzoek, “een studie en een onderzoek,” zoals Engels mij in 1886 zei, “waarvoor een heel mensenleven te kort zou blijken.” Maar in plaats daarvan gingen velen de theorie overdrijven tot in het dwaze. Laat een of ander van onze partijgenoten, wie het noch aan ijver noch aan talent ontbreekt, eens eenvoudig de geschiedenis van Nederland schrijven volgens de hier bedoelde theorie, en hij zal veel van het dogmatische laten varen, en meer rekening leren houden met de werkelijkheid der historie. Hij die zich de realist bij uitnemendheid waant, zal reeds spoedig voelen hoe hij willens of onwillens vaak offers moet brengen aan de zo gesmade “ideologie”.

Waar hij de klassenstrijd van onze dagen bestudeert, zal hij ontwaren dat behalve de klasse van kapitalist en van arbeider, er tal van schakeringen en tussenklassen bestaan (kleinburgers, kooplieden, handwerkersbazen, kleine boeren en pachters) die noch tot de bourgeoisie noch tot het proletariaat behoren, dat ongerekend enkele lompenproletariërs, er moeilijk van een niets-bezittende klasse kan gesproken worden en het georganiseerde proletariaat slechts een “ideologisch” begrip vertegenwoordigt, een gedachtebeeld in de werkelijkheid nog niet aan te wijzen.

De drijvende kracht der geschiedenis zal hij niet langer alléén vinden in de strijd om brood, doch ook in het streven naar en het strijden voor vrijheid, gelijkheid, humaniteit en individuele geestelijke volmaking. Zelfzucht zal hem blijken niet de enige drijfveer te zijn.

De macht der individuen op de ontwikkeling van het sociale organisme zal hij niet langer op nihil schatten, daar deze macht, al is zij niet grenzeloos, toch binnen zekere perken kan ingrijpen in – en invloed uitoefenen op – de loop der maatschappelijke evolutie, die zij zeer zeker kan bespoedigen dan wel vertragen. De sociale ontwikkeling werd in de loop der eeuwen steeds minder het product van (onbewuste) instincten, doch komt steeds meer onder de invloed van ideeën, van doeleinden, van idealen.

Enkele individuen kunnen hun tijd veel geven en hebben dit gedaan, door hun gelouterde geest, hun hoogste volmaking, hun overwinnen van tradities, van klassen- en van partijvooroordelen.

Er is in één woord, wisselwerking tussen individu en maatschappij, tussen de feiten en de ideeën. Elke theorie, dus ook de materialistische geschiedenistheorie, moet op feiten berusten en een methodisch onderzoek der feiten is niet mogelijk zonder het streven naar een vast theoretisch standpunt, zonder het streven naar een ideaal. En dat ideaal is de volmaking der mensheid, het louteren van onze hartstochten, het afwerpen van ons egoïsme, het streven naar onvervalste humaniteit, onze hoogste, ja enige deugd. Eerst daardoor zal het socialisme zijn wat het worden moet, geen vechten om een betere brok, geen strijd om persoonlijk genot, maar een streven naar het betere en hogere; en “de sociale kwestie” worden wat zij “vóór alles moet zijn een zedelijk vraagstuk.” (Em. Van der Velde).

“De maatschappij is geen organisme in fysiologische zin, doch een vereniging van personen, en elke verandering in haar moet door personen geschieden. De maatschappelijke ontwikkeling is geenszins onafhankelijk van de activiteit der individuen, doch enkel en alleen van de wil van enkelen. De richting der maatschappelijke ontwikkeling is door de materiële verhoudingen onafwijkbaar gegeven. Doch de manier en de wijze waarop zulks geschiedt, evenals de snelheid van haar vooruitgang, hangen binnen zekere grenzen af van de werkzaamheid van enkelen.” Juist in onze eeuw met haar wereldpers, het snelle verkeer door stoom en elektriciteit doet de invloed en de macht van de enkeling groter worden en nooit was de invloed van individuen zou groot als in onze dagen. Een Napoleon en een Darwin, een Bismarck en een Rothschild, een Marx en een Zola, die zo krachtdadig ingrepen in de maatschappelijke evolutie van onze dagen, waren in vroeger eeuwen onbestaanbaar.

Waar de maatschappij, het economisch milieu, de mensen vormt en invloed heeft op hun karakter, hebben omgekeerd de mensen een meestal te gering geschatte invloed op de maatschappij, d.i. de menselijke samenleving. De kapitalistische maatschappij die op het persoonlijk bezit der productiemiddelen berust, moet wel de zelfzucht en het meest enghartig egoïsme aanwakkeren, doch vindt haar krachtigste bestrijders en gevaarlijkste tegenstanders juist in die individuen, die zich losrukkende uit hun zelfzuchtige belangen en die van hun klasse, de bloem der toewijding deden groeien op de mesthoop van de hebzucht.


Als reactie tegen de overschatting van de morele invloeden op het leven der maatschappij, was een onderschatting, zelfs negeren daarvan, hij de aanvang van het optreden van Marx en Engels begrijpelijk, en een noodzakelijk gevolg van de felheid en overdrijving der tegenstanders. Maar ook van de overdrijving der materialistische theorie kwam men (en niet op historisch gebied alleen) tot juister inzicht en zal men steeds meer gaan voelen dat verbetering der levensverhoudingen alleen geenszins voldoende is, doch er ook naar verbetering van de mensen moet worden gestreefd, om én tot loutering der maatschappij én tot loutering van het individu te geraken. Bij vele socialisten, oud-aanhangers van de orthodoxe leer van Marx, is een ernstig zoeken naar de juiste samenhang tussen algemene en persoonlijke invloeden merkbaar. Belfort Bax acht de ideologische “spontane psychologische Antriebe” oorspronkelijk en zelfstandig, die een eigen leven hebben als bv. de vrucht en de bodem, waaraan zij wordt toevertrouwd, en deze bodem wordt gevormd door de economische verhoudingen. Kautsky erkent de grote invloed der “inneren psychologischen Antriebe” en geeft de oorspronkelijke theorie reeds een ruimere betekenis door tot de “productieverhoudingen” te rekenen de gehele reeks der technische, chemische, natuurkundige en wiskundige wetenschappen, de productie der vroeger zo miskende hersenen dus.

Jaurès verklaart de invloed der individuen, door het bezit der ideeën van gelijkheid en gerechtigheid reeds op de eerste trap der menselijke ontwikkeling aan te nemen, welke ideeën sinds als zelfstandige sociale krachten actief waren. Evenals de plompe materialistische leer van Vogt en Moleschott op het gebied der fysiologie op tal van raadsels stuitte en reeds als overwonnen kan worden betracht, zal zij op het gebied der levensleer van de maatschappij eerlang grondige herziening eisen.

Evenmin als de werking van het individu, is de invloed van het genie op de maatschappij alleen uit economische oorzaken te verklaren. Het genie toch ontstaat volgens K. Kautsky uit de samenwerking van verschillende factoren: ten eerste uit de algemene maatschappelijke verhoudingen van zijn tijd en van zijn land, en deze machtige factor laat zich op economische voorwaarden terug brengen. Doch bovendien hebben invloed op hem het bijzondere maatschappelijke milieu waarin hij leeft, de mensen van zijn omgeving, de traditie en de literatuur, evenals de wetenschappelijke ontdekkingen van zijn tijd; en ten slotte mogen zijn persoonlijke karaktertrekken, gevolgen van ras, afstamming en erfelijkheid, opvoedingen onderwijs niet als factoren van zijn vorming worden verwaarloosd. Letten de vroegere geschiedvorsers nagenoeg uitsluitend op de individuele invloeden der genieën en der helden, zo wordt thans meer rekening gehouden met de algemene maatschappelijke invloeden, maar verkeerd doet men door aan de personen alle invloed op de geschiedenis te ontzeggen.

“De menselijke geest en wil heeft evengoed binnen zekere grenzen een zelfstandige ontwikkeling als de economische verhoudingen der maatschappij. Beide hebben (binnen bepaalde grenzen) hun eigen oorzaken en effecten en staan in wisselwerking tot elkaar in elk bepaald geval.” (Kautsky) “Even onjuist als de bewering dat de economische toestanden zich ontwikkelen zonder ingrijpen van geest en wil, is de bewering dat de psychologische aandrift onafhankelijk is van de economische voorwaarden. Er is wisselwerking van de uitwendige en de inwendige factoren. De economische ontwikkeling kan geen stap vooruit doen zonder de actie van de menselijke geest.”

In de aanvang der geschiedenis was bewusteloze ontwikkeling de overheersende macht; naarmate het menselijk verstand meer de natuur beheerste, reageren de mensen bewust op de economische ontwikkeling, die een gevolg is van de wisselwerking van geest en economische voorwaarden. De mensen kunnen niet vrij, geheel willekeurig ingrijpen, maar ingrijpen en krachtdadig ingrijpen op de economische verhoudingen kunnen zij wél en hebben zij reeds eeuwenlang gedaan. Enkele individuen kunnen hun tijd veel, zeer veel geven!

In alle eeuwen, niet het minst in onze eeuw, had het mensdom leiders en veel hangt van hen af of de weg naar de overwinning lang of kort zal zijn, of vooruitgang dan wel de reactie zal zegevieren. De steun van enkelen is nodig, de bestrijding van anderen is onvermijdelijk, want door de invloed van individuen kan een systeem worden gehandhaafd, een stelsel worden ten val gebracht.

Elk stelsel bestaat alleen door personen, het geheel uit delen en de maatschappij door de samenwerking der individuen. De gehele mensheid heeft dus overwegend belang bij de morele, intellectuele en lichamelijke ontwikkeling van het individu, slechts door betere mensen zal een betere maatschappij tot stand komen en omgekeerd. Rechtvaardiger wetten, hoger moraal, edeler religie zijn dus geen “burgerlijke vooroordelen die burgerlijke belangen verbergen”, maar het onmisbare zaad waaruit op de bodem der economische verhoudingen zich ontwikkelen moet een hogere vorm van menselijke samenleving; zij vormen de zuurdesem van de toekomstige maatschappij.

Tal van grote denkers hebben dat ingezien. “De staat”, zei Plato, “dat is ten slotte de georganiseerde maatschappij, is de mens in het groot.” De drang naar hoger zedelijk leven, naar grotere volmaking is in elk individu gelegd, moet de ontwikkeling der mensheid ten goede komen; geen goed geheel is te verwachten, waar de onderdelen bedorven zijn; geen hechte brug kan worden geslagen naar de nieuwe maatschappij als wij slechts beschikken over vermolmde balken. Het gronddoel van alle wetenschappelijk (en maatschappelijk) streven moet zijn de zedelijke verbetering der mensheid. En daarin zijn wij achter gebleven, want tegenover de reusachtige vooruitgang op mechanisch gebied, en in de productiewijze ter voorziening in onze materiële behoeften, schijnt op zedelijk gebied stilstand te zijn ingetreden, werd egoïsme meer geprikkeld dan sympathie voor anderen, werd verwaarloosd de enige deugd die alle andere in zich sluit, de mensenliefde.

De sociale kwestie is niet enkel en alleen een maagvraag, een strijd om meer brood; van brood alleen kan de mens niet leven, welvaart is niet het enige wat hij nodig heeft. Voor hogere doeleinden en voor edeler taak moeten wij onze lendenen omgorden en in die strijd de beste krachten van lichaam en ziel ten offer brengen. Wij mogen geen beroep doen op de honger alleen, maar in de arbeidende klassen opwekken het slechts licht sluimerende gevoel van recht en humaniteit. Wij moeten strijden niet in naam van het materialisme maar van een goed begrepen idealisme.

Geen zelfzucht mag ons drijven, maar een ideaal dat louterend zal werken op het individu; zonder deze ruimere opvatting van onze taak, zullen onder elke productiewijze slechte individuen ook een slechte maatschappij vormen! Meer dan naar vlees en brood moeten wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid, naar toewijding. naar broederschap en humaniteit; alleen het streven naar een ideaal, die leidster in de verte, zal ons kracht en sterkte geven in de strijd, het geloof schenken dat alleen bergen verzetten kan. Verhoging van het peil van onze volksidealen is een dringende eis van de tijd; eerst wanneer wij daarnaar streven zal de fakkel der geestdrift ons pad verlichten, de opkomende ster van het socialisme ons brengen op de goede weg naar een betere maatschappij.

4 juli 1898
Rienzi

_______________
[1] Zwaard ben ik en vlam. Ik heb u verlicht in de duisternis, en toen de slag begon vocht ik vooraan in de eerste rij. (H. Heine)
[2] Bernstein geeft toe dat het eerste deel voor de economische verhoudingen slechts “ein Meer von allgemeinheiten ohne Ufer ist” (een oeverloze zee vol algemeenheden).
[3] Innerlijke psychologische drijfveren.


Dogma en Overtuiging

Frank van der Goes

I

Ook om deze reden dient men onzerzijds van het recht om zich te vergissen een spaarzaam gebruik te maken, omdat dadelijk tegenstanders gereed staan, niet om de vergissing te verbeteren en alzo aanspraak te verwerven op onze dankbaarheid, maar om zich er aan te goed te doen.

Immers, alleen de abuizen welke wij maken, vinden bij onze tegenstanders ingang. Bespeuren wij van hun kant toenadering, dan kunnen wij zeker zijn de rechte weg te hebben verlaten.[4] En de ontwikkeling van enig theoretisch punt, door hen begroet als een bewijs van het doordringen van betere gedachten in het socialisme, zal in de meeste gevallen enkel bewijzen dat het ons aan helderheid van gedachten op dit punt, althans tijdelijk, heeft gemankeerd.

In deze termen valt, menen wij, het artikel van onze partijgenoot van Kol in de oktoberaflevering van dit tijdschrift. Maar deze mening, welke reeds geen beletsel was om het stuk te plaatsen, dat denkbeelden bevatte nu eenmaal uit de partij niet plotseling te verwijderen, en daarom in de organen van de partij niet met geweld te onderdrukken, had wellicht geen aanleiding tot een directe weerlegging van de redactie gegeven, indien niet aan de ene kant (van burgerlijke zijde) van Kol aanmoediging had ontvangen, en aan de anderen tevens was gebleken dat onze beginselen in de laatste tijd ongekende vorderingen makend, meer dan ooit behoefte hebben aan strenge en zuivere formulering. Met andere woorden: wij voelen ons niet gedreven door de lust tot theoretisch twistgeschrijf, en allerminst zijn wij genegen iemand wegens theoretisch meningsverschil te verketteren. Wat van Kol aangaat, hij is een der zeldzame naturen die zuivere praktische instincten verbinden met twijfelachtige theoretische inzichten. Nu blijft, weliswaar, het gevaar bestaan, dat het instinct soms kan falen; bij iets onzekers in het inzicht, is enig kwaad dan licht gebeurd. Maar aan de andere kant bezit van Kol zoveel degelijke kennis en is zijn gevoel zo krachtig, dat men hem tamelijk onbezorgd zijn gang kan laten gaan. In het ergste geval is de pers bij de hand om op zijn zonden te wijzen, en blijft in hoger ressort aan het partijcongres het oordeel.

Zegt nu van Kol, sprekende van de socialistische overtuigingen, dat wij geen dogma’s moeten vereren, dan schijnt het niet direct nodig hem tegen te spreken. Allicht denkt men: nu ja, zo de overtuigingen u niet zeer klaar in het hoofd zitten in de vorm van strenge formules, ge hebt ze toch, en ge hebt getoond ze te kunnen gebruiken in de strijd. Maar – zo het vandaag van Kol is, morgen kan het iemand anders zijn. Nu blijft het bij enige afwijkingen op ondergeschikte punten, zoals het onderwerp uitmaakte van een discussie met van Kol op de vorige partijdag te Amsterdam – straks sticht een ander partijgenoot (D. de Clercq te Nunspeet) een blad gewijd aan een algemene democratie, waarmee men een streep haalt door ons gehele programma dat zich juist in de plaats wil stellen van deze algemene democratie.[5] Ofwel, naast de bestaande afdeling tracht men te Utrecht een nieuwe afdeling van dezelfde personen te scheppen, omdat die nieuwe ordening een naam zou kunnen dragen, welke herinnert aan een instelling die de stichteres in de dagen van haar streven als burgerlijke idealiste heeft lief gehad. Onlangs hoorde men – derde voorbeeld – van een Schiedams predikant dat hij zich marxist noemt en niettemin bij voorkeur zijn propagandistische werkzaamheden verricht in de kringen van de bourgeoisie; wellicht van gevoelen dat het socialisme, beginsel van een nieuw evangelie, allereerst moet worden verkondigd aan die het meest van al nodig hebben. Dezelfde predikant komt vervolgens voor onder bestuurders van een burgerlijk-democratische kiesvereniging, en weinige dagen later vindt men van hem vermeld dat hij besloten heeft zich geheel te wijden aan de sociaaldemocratie: twee berichten die elkaar uitsluiten en toch geen van beiden worden tegengesproken.

Maar zijn dit, vraagt men, dingen om zich warm over te maken? Ja en nee. Neen als men let op de beweging in het groot en haar aangeboren kracht, die meer dan het bedrag van juist deze zwarigheden overwon. Een blijvend kwaad is in geen van haar avonturen voor de sociaaldemocratie gelegen. Wij behoeven, wij kunnen er niet over spreken dat het socialisme zou ondergaan. Opstanden zijn onderdrukt, revoluties ongedaan gemaakt. Maar de chaos die volgen zou op een in het niets verlopend kapitalisme, is een voorstelling buiten het menselijk kenvermogen, zo goed als grens van tijd of ruimte in het heelal, Intussen is een tijdelijk kwaad reeds kwaad genoeg. Het socialisme is, ja, een verandering van productiewijze. Doch de verandering komt niet vanzelf, zij komt als het resultaat van zekere handelingen bij mensen. En de mensen worden gedreven, ook veelal teruggehouden, door ideeën. De oorsprong van onze ideeën ligt buiten ons, wat niet wegneemt dat de idee de drijfveer is of wel de belemmering van ons doen.

En hieruit volgt iets zeer gewichtigs. Het is mogelijk dat door de aanwezigheid van verkeerde denkbeelden het doordringen van de socialistische propaganda wordt gehinderd. Met name kan ergens de burgerlijke levensbeschouwing zo diep zijn gevestigd, ook bij het proletariaat, dat de ontwikkeling van de denkbeelden, voortspruitende uit de verwordingverschijnselen van het kapitalisme, zeer langzaam plaats vindt. Wij hebben, in één woord, er overwegend belang bij dat deze verschijnselen, waar zij zich voordoen, niet als een onbegrepen euvel aan de massa van de arbeiders voorbijgaan. Onze propaganda zal geen ingang vinden waar en zolang het naderend socialisme in de tekenen van kapitalistisch verval afwezig blijft – omdat de inhoud van de propaganda niets anders is dan de verklaring van deze tekenen. Maar hieruit volgt niet dat, met de economische gebeurtenissen, de propaganda onmiddellijk ingang vindt. De lotgevallen van het proletariaat onder het vorige tijdvak van het kapitalisme, de ontwikkelingsomstandigheden van het kapitalisme zelf, kunnen gunstig zijn voor het socialisme, maar ook ongunstig. In het beste geval bereidt de materiële geschiedenis de bodem. Daar strooien wij het zaad van de socialistische idee. Aan de gesteldheid van de bodem kunnen wij niets veranderen. Het zaad is in zich zelve rijk aan vruchtdragende vermogens. Maar het is onze hand die het uitwerpt en wij hebben toe te zien dat het niet teloorgaat of verstikt wordt.

In Nederland is de voorhistorie niet gunstig. Des te meer hebben wij met elkaar te zorgen voor een goede propaganda. Reeds eenmaal is de sociaaldemocratie bijna ondergegaan door een verkeerde propaganda. Een bewijs, in het algemeen, dat een beweging, direct voortkomende uit materiële toestanden, een economisch onvermijdelijke beweging, door een averechtse behandeling van haar ideële bestanddelen, gevaar kan lopen vernietigd te worden. Voor ons, in het bijzonder, een waarschuwing. De fouten van hen die het socialisme wilden wurgen waren producten van maatschappelijke omstandigheden. De inzichten van hen die het hebben gered, waren het insgelijks. Hun optreden als propagandisten was bepaald door zekere factoren buiten hen. Maar dit verandert niets aan het feit dat de val van hun eigen stichting door hen is teweeggebracht. Als hun noodlot heeft gewild dat aan persoonlijke begeerten en kwade hartstochten de zaak der arbeiders werd ondergeschikt gemaakt, en voor het overige bedorven door de theoretische verwarring waarin men noodzakelijk viel door beurtelings de meest tegenstrijdige meningen te moeten verdedigen naarmate haat en belang dit eisten; zo valt ons het geluk te beurt dat de reactie tegen een propaganda van leugen en duistere spitsvondigheid, ons op des te hoger prijs heeft leren stellen een tactiek van goede trouw en vaste, klare beginselen.

In het tijdvak dat wij thans beleven en waarvan wij in de aanvang staan, nu deze zaak met snelle schreden vordert, doordringt in arbeiderskringen tot dusver voor ons gesloten, haast overal in het land groepen van werkzame, betrouwbare aanhangers vormt, die weer de kern zullen worden van plaatselijke organisaties; nu deze zaak en feitelijk geen onafhankelijk denkend mens in de bourgeoisie zelve meer met rust laat, maar allen, die door geen overwegend belang of bezwaar van onvrijheid of officiële positie, ofwel onbekwaamheid tot geloof aan enige bereikbare, alomvattende maatschappelijke ommekeer worden terug gehouden, de stille, dringende vraag stelt wat er wel is van deze wereldbeweging en of zij langer vrede kunnen hebben met haar uit de verte te beschouwen; – in deze tijd, zeiden we, hebben wij bovenal behoefte aan een propaganda die, ook theoretisch, duidelijk en precies is.

Zolang het socialisme de leer is van een sekte, bestaat voor verwarring en verslapping weinig gevaar. Dit gevaar begint eerst, als het de meningen aantast van de massa. Hoe sneller de uitbreiding, hoe talrijker de aanhang, des te groter dit gevaar. Er komen mensen bij die allerlei uiteenlopende meningen onlangs hebben afgelegd, en dikwijls niet geheel afgelegd. Zij willen, vooral de burgerlijke idealisten, die gisteren nog strijd voerden tegen het inwendige verval van hun klasse, zij willen zo gaarne geloven dat iets, zelfs veel in het socialisme, verenigbaar is met de gevoelens welke hun dierbaar waren. Bij personen met een ontwikkeld gedachteleven, en die praktisch reeds een langere periode van deze arbeid hebben doorgemaakt, is dit ook niet anders dan natuurlijk. Doch onze schuld is het evenmin, dat de werkelijkheid tegen de strekking van deze beschouwing zich verzet. Hebben zij, als vertegenwoordigers van de betere tradities in de burgerlijke klasse, persoonlijke eigenschappen van strijdvaardigheid en zelfverloochening geoefend – des te beter. Maar overigens is de tactiek anders en zijn de denkbeelden anders. De burgerij te vermanen tot liefde en altruïsme om aan de arbeiders zekere rechten en voordelen toe te kennen, is niet hetzelfde als de arbeiders aan te sporen tot machtsontwikkeling om aan de regering van de bourgeoisie een eind te maken. De boodschap van vrede hebben zij te vervangen door het evangelie van de oorlog. En, indien zij niet voelen dat alle ideële verheffing binnen de kring van de bevoorrechte klasse, oneindig wordt overtroffen door de verheffing van de onderdrukte, dan is het beter voor hen en voor ons dat hun wegen gescheiden blijven van de onze. Want in de werkelijkheid is het zo gesteld dat wie deze strijd niet voert met ons, de strijd tegen ons voert. En wie iets anders wil als het nodige, wil het verkeerde. Ook de kwade trouw, waarmee sommigen de partij naderen, niet om haar te dienen maar om haar te gebruiken, is een gevaar. Doch zulke aanslagen worden licht gekeerd en doorgaans verijdeld voor ze half zijn uitgevoerd. Een arbeiderspartij, welke geen avonturiers aan de deur zou weten te zetten, heeft geen reden van bestaan. Groter kwaad is de aantrekkelijkheid die zij blijkt te bezitten voor lieden op wier braafheid geen enkel smetje kleeft – tenzij wellicht het ongerief van in de toepassing geneigd tot dwalen te zijn. Wij weten, ter ene, dat de sociaaldemocratie de natuurlijke toevlucht is van lieden die illusies willen bewaren en ze niet veilig achten bij de bourgeoisie. Maar wij mogen eisen, ten andere, dat de aldus overgegane, niet het zuivere streven zullen opgeven, maar aan hun streven een andere richting geven. Dat zij zullen erkennen wat in hun illusies thans houdbaar is en wat niet. En vooral, dat zij in die zin hun oude burgerlijke natuur geheel zullen afleggen van met ons te beseffen dat, bij alle strijdrumoer en ondanks een veelal onliefelijke schijn – de enig mogelijke, de enig rechtvaardige, de blijvende en eeuwige vrede op aarde komt in en door het socialisme.

Zo heeft dan de partij, zo heeft de klasse der arbeiders ook in ons land en in haar tegenwoordig stadium, een zuivere beginselverklaring dringend nodig. Aan het socialisme moet van buiten duidelijk te zien zijn wat het is. Een uitnodiging voor sommigen, voor sommigen een waarschuwing.

Voornamelijk schijnt ons dit de grief tegen het genoemde artikel van van Kol, dat als over “dogma’s” met enige lichtvaardigheid gesproken werd over wat socialistische overtuigingen zijn. Waarop zullen wij steunen, indien niet op overtuigingen? Al zouden wij willen toegeven dat de onjuistheid eenmaal zal kunnen blijken, zou dit nog geen reden zijn om haar thans op te geven. Komt een kreupele niet verder op eigen krukken dan op de gezonde benen van een ander? Wat wij bedoelen zijn geen aangewaaide of voor de omstandigheden pasklaar gemaakte leerstukken – het zijn, naar onze mening, de verkregen resultaten van de ervaring van onze klasse, welke nu haar gedrag bepalen. Het zullen altijd overtuigingen zijn die het gedrag bepalen. De leerstukken kunnen – willen wij aannemen – veranderen van inhoud, maar zonder leerstukken zal geen strijdende klasse, zal zelfs geen enkel verstandig mens in het gewone leven, iets gewichtigs kunnen bereiken. – Er moet dus een bijzondere reden zijn waarom thans, ook misschien in socialistische kringen, het hechten aan “dogma’s” verkeerd wordt gevonden. Die afkeer, menen wij, behoort tot de denkwijze van onze tegenstanders.

Allereerst hierover een woord, waarna de betekenis van enkele sociaaldemocratische leerstukken zal worden beschouwd als uitdrukkingen van proletarische overtuiging – en als zodanig onmisbaar in de dagelijkse strijd.

II

De schrijver van een sociale kroniek in het dagblad de Telegraaf heeft aan van Kol de twijfelachtige beleefdheid bewezen van hem in hoofdzaak bij te vallen.

“De heer van Kol had gelijk, toen hij zijn waarschuwend artikel schreef, waarvan het opschrift luidde: Geen dogma’s!” – zo luidt het eindoordeel in het Amsterdamse blad. Vooraf ging deze slotsom, voorgedragen als een waarheid welke van Kol nog eens had helpen bevestigen: “Het is met het socialisme gesteld als met de meeste wetenschappelijke theorieën. Wat men vandaag als onomstotelijk en onaantastbaar aannam, wordt morgen omver geworpen”. En de schrijver was begonnen met te herinneren aan de mening van de Franse publicist Brunetière, die de wetenschap bankroet heeft verklaard. Ook door socialisten is in zoverre dit oordeel onderschreven als het geacht kan worden op de burgerlijke samenlevingswetenschap van toepassing te zijn, welke noodzakelijk het lot van de burgerlijke samenleving moet volgen.

“Zij”, schrijft de Heer Falkenburg, “zij die hun verwachtingen zo hoog spanden om te menen dat de moderne wetenschap in staat zou zijn de ondoorgrondelijke raadselen der schepping te ontwarren, zijn bedrogen uitgekomen. Anderen, die in kennis de weg zagen tot het hoogste mensengeluk, hebben moeten ervaren dat de verspreiding van die kennis alleen onvoldoende is om de menigte zedelijk te verheffen. De wetenschap leverde voedsel voor het verstand, doch de ziel hongerde naar andere spijzen.”

Blijkbaar is hier bedoeld de burgerlijke wetenschap van economie in de eerste plaats. Inderdaad was de mening voor niet zeer langen tijd nog vrij algemeen verbreid, dat een getrouw uitvoeren van de maatregelen door de liberale economisten voorgeschreven, vroeg of laat een staat van overvloed, geluk en vrede zou teweegbrengen; armoede, onwetendheid, misdaad, slavernij verdelgen; een ideale maatschappij, wel niet geheel zonder verschil van gezag of bezit, maar toch, bij de tegenwoordige vergeleken een staat van aardse gelijkzaligheid. – De twijfel, de zelfkritiek, het pessimisme. de zucht naar compromissen, de halve ontvankelijkheid voor socialisme, niets van deze kenmerken van latere schrijvers vindt men bij hun voorgangers. Er wordt veelal rondweg erkend dat het liberalisme de verwachte zegeningen niet heeft gebracht en van het socialisme blijft men alleen verwijderd door de vrees dat het op zijn beurt zal blijken te veel beloofd te hebben.

Maar aan deze openhartigheid, om van veel nut te zijn, mankeert een juist inzicht. Het is niet de wetenschap in het algemeen welke haar betalingen staakt en een akkoord wenst, maar het is, zeiden wij, de burgerlijke wetenschap die zich aan het ongeval van de burgerlijke maatschappij niet onttrekken kan. – Van een algemeen geluk, ten eerste, heeft de proletarische theorie nooit gesproken. Zij heeft de oorzaak van enige voorname euvelen van onze samenleving aangewezen, zij strijdt voor de verandering van de grondslag van deze samenleving, de kapitalistische productiewijze. Het socialisme verlangt niets anders dan de afschaffing van het kapitalisme en belooft alleen de opheffing van het kapitalistisch kwaad. – Bovendien is de gevolgtrekking dat voortaan de wetenschap minder vertrouwen verdient in haar algemeenheid, om twee redenen onjuist. Zelfs de burgerlijke wetenschap, als de wetenschap van een klasse welker heersende politieke en sociale positie met de economische grondslag van haar positie bestemd was te vallen en dus slechts een beperkte, tijdelijke betekenis kan hebben, zelfs de burgerlijke wetenschap wordt door vele van de jongere burgerlijke schrijvers onderschat. De verwachtingen door sommige van haar oude beoefenaren opgewekt, zijn, het is waar, niet bevredigd; maar daarmee is geenszins gezegd dat zij als klassewetenschap haar taak niet heeft vervuld. Reeds vóór er een liberale economie was, wisten de ondernemers van handel en nijverheid wat zij doen moesten om rijk te worden; en de lessen van de liberale economie zijn meer te beschouwen als aan de praktijk ontleende voorschriften, dan dat de praktijk van nijverheid en handel toegepaste economische lessen mag heten. Met dat al heeft de liberale economie de grote verdienste van de zuivere uitdrukking te zijn van de belangen en het sociale streven van een hele maatschappelijke klasse; van een maatschappelijke klasse welker revolutionair verzet tegen de middeleeuwse instellingen en machten aan onderscheidene volken een heldentijdvak heeft gegeven en aan de wereldlitteratuur in vele categorieën van kunst en wetenschap overgankelijke gedenkstukken zonder tal. Zij heeft, de liberale economie, verricht wat door haar verricht kon worden en dit was niet weinig. Zij is het evangelie van het kapitalisme en tot hen voor wie haar boodschap was bestemd heeft zij niet te vergeefs gesproken.

Twee dingen echter bleven van de aanvang vreemd aan de liberale economie. Haar eigen tijdelijk karakter als leer van een bepaalde productiewijze kon zij niet doorgronden. Evenmin vermocht zij te bespeuren dat deze productiewijze als maatschappelijk gevolg gevolgd werd door de opkomst van een nieuwe klasse. Intussen is in de loop van deze eeuw het feit dat de economische categorieën de verschijnselen van het kapitalisme in zijn verval zeer onvolkomen dekten, steeds duidelijker geworden. Een van deze verschijnselen is de overgang van de concurrentie in de associatie, in het monopolie. De maatschappelijke productie in handen van ettelijke alles beheersende compagnieën, gelijkt zeer weinig op de toestand door de liberale economie beschreven, op de strekking aan het kapitalisme toegekend, op de regels voor de productie gegeven. De invloed van de nieuw opgekomen klasse is zichtbaar in de grote verandering algemeen aangenomen in het liberale leerstuk van de staatsbemoeiing. Hetgeen nu, ook door de liberale burgerij, van de Staat verlangd, althans van de Staat geduid wordt, overtreft verre de grenzen door de Liberale economie gesteld. Verder heeft het socialisme enige van de leemten in de economie aangevuld, enige van haar dwalingen verbeterd; en de wijzigingen en uitbreidingen welke de economie heeft ondergaan zijn inderdaad gewichtig genoeg om te doen spreken van een revolutie in de oude leer. – Doch wie het wezen van alle menselijke kennis overdenkt, en in het bijzonder nagaat van welke maatschappelijke omstandigheden de liberale economie de ideële vrucht was, zal geenszins verwonderd zijn hierover, dat tegen de veranderingen in de maatschappelijke basis, het kapitalisme, de economie niet bestand gebleken is. De burgerlijke geleerden daarentegen, die deze oorzaak niet bespeuren, kunnen van de veranderingen in hun wetenschap alleen besluiten tot een ongemotiveerde geringschatting van haar oude periode. Die ondernemingsgeest bezitten maken van twee mogelijke stelsels, kapitalisme en socialisme, een onmogelijk middending; de verwarde en hulpeloze theorie van een klasse welke hecht aan een systeem dat zich van haar losmaakt en afkeer heeft van een systeem dat haar overmeestert. Die wijsgerig zijn, prediken een wijze onthouding, of wel een wantrouwen, waarvan enkel te zeggen valt dat het van de kant der wetenschap wederkerig schijnt.

Op dit ogenblik aan dogma’s van liberale economie vasthouden, is hun aard, hun historische betekenis miskennen. Maar het is dit niet minder, wanneer men de grond van hun ontoereikendheid zoekt in het begrip van de opstellers, die de gebeurtenissen van hun tijd niet zouden hebben verstaan. Die zo oordelen, begrijpen van hun eigen tijd de strekking niet, welke praktijk en theorie beide verstoort van het kapitalisme. Zij zijn minder dan hun voorgangers, die tenminste het kapitalisme in zijn bloei hebben verstaan.

III

Het wantrouwen in de wetenschap dat bij de burgerlijke klasse niet komt tot de erkenning van welke soort van wetenschap, en waarom zij schijnbaar gefaald heeft, wordt allerminst verdiend door de leer van het socialisme.

Niet alles wat de socialisten hebben voorspeld is uitgekomen, niet alles wat zij hebben beweerd is onweerlegd gebleven. Zelfs van de besten en bekwaamste zijn dwalingen aangetoond. Onfeilbaarheid heeft niemand van hun voor zich verlangd of aan anderen toegeschreven. Maar de grote waarheid is, en tevens het grote onderscheid met de liberale economie, dat de liberale economie de ontwikkeling van het kapitalisme niet heeft gekend, toen zij er midden in stond, terwijl de wording van het socialisme is aangekondigd toen er nog weinig van te bemerken viel. De wording van een nieuwe productiewijze, niet als de uitvoering van een beraamd plan, maar opkomende in en door de ondergang van de oude.

De geschriften van Engels en Marx vóór 1848, het manifest van dat jaar, bevatten profetieën; alles schijnt ons na een halve eeuw en langer nu zo toepasselijk, dat wij ons kwalijk kunnen voorstellen hoe de auteurs konden schrijven, als zij deden, zonder het materiaal, sedert door de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling geleverd, en ons min of meer bekend. Een zodanig wonder is ook de korte verhandeling van Marx over de Parijse Commune van ’71, uitgegeven toen voor het oog van het publiek de gebeurtenissen nog nauwelijks te onderscheiden, veel minder te beoordelen waren. De gehele wetenschappelijke socialistische litteratuur, niet uitzondering van enige weinige werken, is samengesteld uit gelegenheidsgeschriften, artikelen in bladen en tijdschriften, brochures, bestemd voor enig ogenblikkelijk doel, veelal vervaardigd te midden van moeilijkheden, beslommeringen en gevaren, politieke en andere. Zij zijn bewaard gebleven, enkele teruggevonden nadat ze vergeten waren, ondanks de kritiek of het eenstemmig zwijgen van de gehele invloedrijke pers. Evenmin als de aanvallen van de tegenpartij. welke over de gehele officiële wereld en haar organen beschikte, de socialistische schrijvers afschrikte, ontmoedigde hen het door velen gevolgde stelsel van verzwijgen. Zij zagen de onweerstaanbaarheid van de ontwikkelingsgang die het kapitalisme doorliep; zij wisten dat wat zij zeiden en schreven gelijkelijk onweerstaanbaar zou zijn, want het was niets anders dan de in woord gebrachte consequentie van de werkelijkheid. Wel kon lange tijd de ontwikkeling van het kapitalisme verborgen blijven en de onvermijdelijkheid van de overgang tot andere vormen, door het kapitalisme voorbereid, een geheim voor de grote meerderheid; zo kon ook het besef van de socialistische leer aanvankelijk tot een kleine minderheid zich beperken en zelfs tijdelijk schijnbaar verloren gaan – gelijk dit laatste spoedig na de rampen van het revolutiejaar 1848 het geval was. Maar de enkelen die dieper zagen en beter wisten, gingen voort met de dikwijls hopeloos en reddeloos uitziende propaganda. – De negentiende eeuw, weten wij nu, staat gereed aan de komende tijd een nalatenschap te beschikken, juist zoals de grondleggers van het socialisme hebben voorzegd. Niets in deze periode van het kapitalisme, zo zeker als zijn naderend einde. Geen toekomst zo vast als die van het socialisme. Als partij en als leer, de sociaaldemocratie overal begrepen in een fase van ontwikkeling en voorspoed, welke ook in ons land na tijden van teleurstelling, misverstand en aarzeling, eindelijk aangebroken schijnt.

Daarom, gelijk twijfel de grondtoon is van het spreken in de burgerlijke kringen en hun streven een zoeken in het duister, vinden wij bij de socialisten een blij vertrouwen en een doelbewuste arbeid. Vertrouwen ook in hun wetenschap, die proefhoudend gebleken is in een donker en batig verleden, toen de socialistische wetenschap vaak het enige licht was en de enige steun. Het is geen blinde ingenomenheid met overgeleverde ideeën of een godsdienstig dwepen met dierbare leerstellingen. Het socialistische gevoel van liefde en eerbied voor de leer heeft met gehechtheid aan andere religiën en filosofieën gemeen iets van het fanatieke en dogmatische dat, omdat het eerbied en liefde is voor het onstoffelijke en dus het wezen uitmaakt van des mensen hoogste vatbaarheid, in iedere vorm aanspraak heeft op onze dank. Doch wie fanatiek en dogmatisch is in de zin van een uitsluitende genegenheid voor enig burgerlijk stelsel, loopt in de tegenwoordige omstandigheden velerlei gevaar, en niet het geringste kwaad, dat hem treft, is de kans dat hij zal eindigen in mismoedigheid en twijfel.

De opgewondenheid voor een wijsbegeerte, een wetenschap, een godsdienst, bedekt al te dikwijls een gezindheid welke in waarheid niets ideaals bezit. In het beste geval een uiterlijke beschaafdheid, een gelegenheidsstemming, een feestgewaad. En deze dubbelheid is niets vreemds in deze maatschappij en bij een klasse die haar idealen van vroeger en van elders heeft, wier leven in zijn economische grondslagen strijdig is met het beste dat literatuur en traditie haar brengt. Ongerekend dat vasthoudendheid aan oude vormen van denken en voelen een belemmering is van de vooruitgang van ons geslacht, dat zich in de nieuwe toestanden gemakkelijker zal voegen en de oude met minder tegenzin verlaten, naarmate het voor de nieuwe ideeën en idealen ontvankelijker is.

Fanatiek en dogmatisch zijn, derhalve, kan evengoed zijn een voordeel als een nadeel. De waardeloosheid van de burgerlijke theorieën te hebben ingezien, is voor ons een noodzakelijke voorwaarde. Een stille twijfel aan de deugdelijkheid van onze denkbeelden werkt bij socialisten noodlottig. Wij behoeven niet te vragen wat van de moderne arbeidersbeweging zou geworden zijn, als na 1848, of na 1871, of bij de ontbinding van de oude Internationale, de enkele handvol overtuigde sociaaldemocraten zich hadden neergelegd bij de omstandigheden, die welhaast het gehele socialisme schenen vernietigd te hebben. Zij bleven over, die enkelen over Europa verspreid, met luttele leerstellingen en een hartstochtelijke gehechtheid aan hun zaak – het enige wat men hun niet had kunnen roven. – Om alleen van onze jonge beweging te spreken, wat scheen zij voor een half dozijn jaren te beloven? Alle macht was gekant tegen de nog minder dan een handvol die niet zonder fanatisme dit ene dogma aanhingen: de bevrijding van de arbeidersklasse ligt in haar verovering van de politieke macht. – En nog een half dozijn jaar vroeger, welke toekomst scheen meer te beloven dan die van de radicale partij – beschikkende over grotere materiële middelen en intellectuele krachten dan de arbeiderspartij tot op dit ogenblik? Hoe fanatiek en dogmatisch werd het gevonden, te menen dat een fractie, welke de vooruitgang waarlijk dienen wilde, in de klassenstrijd partij had te kiezen en de zijde van het proletariaat niet anders dan op de grondslag van het economische program van het socialisme. Het is niet meer nodig te zeggen, dat het dogmatisch gebleken is in de werkelijkheid het enige praktische te zijn; en wie door hun politieke denkbeelden bezeten werden, zoals men zei, de enigen, die in de politiek bruikbare denkbeelden toonden te bezitten.

Hier ligt het grote belang van deze discussie. Wij laten ons de in zekere wetenschappelijke formules neergelegde overtuiging niet ontnemen, maar geenszins uit een overdreven zwak voor deze formules als zodanig. Zijn onder de formules onvolledige of onjuiste, worden zij verkeerd gebruikt, dan heeft de kritiek, welker vrijheid ons lief is, te zorgen voor herstel. Had van Kol niets anders bedoeld dan dit, dan zou waarschijnlijk niemand iets te zeggen hebben gehad. Maar reeds in zijn te algemene titel ligt opgesloten, dat hij de burgerlijke twijfel niet geheel kan onderdrukken.

IV

Wie het artikel van van Kol in de oktoberaflevering van deze jaargang, waarover ik thans in enige bijzonderheden heb te spreken, wie dit artikel doorleest, zal ten slotte niet veel wijzer zijn omtrent van Kols bedoeling. Er laat zich, in zijn opstel, meer gevoelen dan gewaar worden. Gevoelen, dat de schrijver aan ettelijke voorname grondslagen van de socialistische leer een geringere mate van vertrouwbaarheid wil toekennen, dan men gewoon is in onze beschouwingen aan ons programma gehecht te zien. Maar men wordt niet gewaar, welke veranderingen, welke verbeteringen hij wil voorstellen; noch waarom, met het oog op welke omstandigheden in het partijleven of in de propaganda, waarvan het program de wetenschappelijke onderlaag is, hij zijn algemene bezwaren te berde brengt. Geen dogma’s! roept hij uit. Zeer goed, maar waar heeft van Kol enige geneigdheid tot dogmatiseren ontdekt? Gebeurt er bij ons iets dat met recht aan een overdreven liefde voor dogma’s te wijten valt? van Kol geeft het te kennen, maar zegt het niet nauwkeurig genoeg om tot enig resultaat te leiden. Zijn artikel is een klacht, zo geen aanklacht; maar waarover hij klaagt of wie hij aanklaagt zal wel niemand kunnen begrijpen. Zijn artikel, in één woord, is niets anders als de uiting van een stemming, in welke wij die onze vriend langer kennen dan sinds vandaag of gisteren niets ongewoons vinden, maar die voor een geregelde discussie nauwelijks vatbaar is.

Onze partijgenoot van Kol is één van de uit de bourgeoisie overgekomenen, die door een sterk ontwikkeld gevoel van recht en onrecht, een warme liefde voor een menselijk ideaal, tot het socialisme zijn gebracht. De betekenis van in bepaalde economische en filosofische regels neergelegde wereldbeschouwing van de andere klasse, is hem evenwel nooit geheel duidelijk geworden. Dit bezit en dit gemis zijn oorzaak dat van Kol beter dan vele anderen een daad van strijd zal ten uitvoer brengen (gelijk hij spoedig een kamerzetel veroverde en voor vrienden hielp veroveren) – maar zijn tevens oorzaak dat hij minder goed dan sommigen de algemene gedragslijn van strijd zal kunnen samenstellen.

De geestdrift voor het schone in de beweging van het proletariaat, gelijk iedere drift, bedaart soms. van Kol behoort tot de lieden bij wie het doorgaans vloed is; maar, zijn de springende wateren gekeerd, dan schijnt de strandvlakte een weinig dor. Is er eb in zijn gemoed, wat de beste overkomt, dan lijkt hem het theoretische deel van de sociaaldemocratie, in de regel overspoeld door hooggaande golven van hartstocht, niet veel zaaks. Zijn dat, klaagt hij, de heerlijkheden waarvoor ik mij dikwijls zo warm kan maken? Is dat het socialisme, die handvol leerstellingen; – wat ik bewonderde als sterren aan de hemel, zie ik nu als lichtloze punten van een wetenschappelijk program. Hij weegt zijn geestdrift in de ene, zijn theorie in de andere schaal en de evenaar valt naar de zijde van de geestdrift. Maar zijn vrienden wisten wel dat bij hem de theorie – geheel afgescheiden van speciale economische of andere kennis – nooit heel heeft gewogen.

Nu is, aan de andere kant, van Kol een te ambitieus mens en te goed partijgenoot, om met welke zwakheid ook in zijn ziel op den duur tevreden te zijn. Hij werpt zijn linkeroog niet van hem, zo het hem ergert, maar gebruikt een watertje of past een bril. Hij legt veeleer voor het vervaardigen van theoretische geschriften een bijzondere liefde aan de dag. Hij worstelt, als de aartsvader, met een engel in zijn droom. Ontwakende, schrijft hij brochures en artikelen, die niet kunnen verbergen dat hij hinkt.

Een zodanig artikel is het hier bedoelde. De theorie scheen hem, voor een keer, weer zeer onvoldoende. In haar gezelschap, omdat de harstocht hem een ogenblik verlaten had en de volkstribuun in hem plaats gemaakt voor de wijsgeer; in haar gezelschap alleen voelt van Kol zich niet op zijn gemak. Maar hij laat het er niet bij. Zo er een verwijdering tussen haar en hem moet zijn, dan is het zijn schuld niet, maar de hare. De theorie is een nufje, een al te preutse dame. Hij zal haar dwingen haar stijve manieren te veranderen. Hoogmoed, zegt hij, komt vóór de val. Het wordt meer dan tijd dat zij zich zelve herziet, eer hij en anderen haar geheel in de steek laten. Dat is vroeger ook gezien. En van Kol neemt de pen en heft waarschuwend aan:

“De socialistische theorieën zijn evenals alle theorieën aan voortdurende herziening onderworpen, toenemende wetenschap maakt aanvulling nodig, enz.” (N. T. blz. 113).

V

“Minder dan ooit is het thans de tijd om op zulke absolute wijze als in de laatste weken hier en daar geschiedt, theorieën door te voeren die in volle gisting en wording zijn, en op allerlei wijze aan louterende kritiek worden onderworpen. Niet het minst van socialistische zijde werden de theorieën van Marx; voor velen van ons jarenlang even onaantastbaar als voor de gelovigen hun Bijbel, aan een vuurproef onderworpen, waaruit zij in zuiver vormen en van edeler gehalte zullen te voorschijn komen.” – Wat hebben wij van deze inleidende bewering te geloven?

Deze theorieën zijn niet anders dan de woordgeworden werkelijkheid, waargenomen van het kritisch standpunt van een opkomende arbeidersklasse.

De vraag zou nu kunnen worden: doen zich nieuwe feiten voor welke onze mening, als geheel, over de economische tijden die wij beleven, of over de tijden die aanstaande zijn, min of meer belangrijk wijzigen; ofwel: moeten wij erkennen dat in de waarneming van de kenmerkende feiten min of meer grote onjuistheden zijn aan te wijzen?

Schrijver dezes heeft in het eerste deel van dit artikel als zijn gevoelen te kennen gegeven dat de “theorieën van Marx” door de ervaring niet dan bevestigd zijn geworden. Herhaaldelijk hebben Marx en Engels, wel verre van door de gebeurtenissen gelogenstraft te zijn, de loop der gebeurtenissen voorzegd. Hierbij waren vergissingen mogelijk en zijn, mede door Marx en Engels zelf, later vergissingen erkend. Maar wie heeft dit ooit anders beweerd? Het opmerkelijke is niet dat in enige bijzonderheden de werkelijkheid van de theorie is afgeweken, maar dat in het algemeen de theorie door de werkelijkheid volkomen is gedekt. Wat men van de ontwikkeling en van de inrichting van het kapitalisme heeft gezegd, is nog altijd de grondslag van de socialistische beschouwing, welke steeds vatbaar voor aanvulling zal blijven, maar waarvan de herziening nog in geen enkel opzicht gebleken is nodig te zijn. Mij dunkt dat het edeler gehalte en de reinere vorm welke van Kol zegt, dat de bedoelde theorieën nu weldra zullen aannemen, louter fantastische beweringen zijn. Voor wie haar diepere strekking wil verstaan – ze mogen dan haar formulering hebben gekregen in de studeerkamer, haar inhoud is wat de arbeider denkt van de economische wereld waarin voor hem de taak is weggelegd zijn klasse te bevrijden en de mensheid tevens – voor wie deze betekenis wil verstaan van het wetenschappelijk socialisme, zijn, reeds in haar tegenwoordige gedaante, meergenoemde theorieën edel en rein genoeg.

Van Kol ziet verder voorbij dat, naast en na de arbeid van Marx en Engels, een zeer uitgebreide letterkunde is ontstaan die in haar geheel de theorieën van de meesters niet heeft afgebroken maar bevestigd. Ontelbaar, van Kol weet dat even goed als wie ook; ontelbaar zijn de bijdragen over economische en politieke geschiedenis en sociale toestanden, waarvan de auteurs hebben gewerkt in de door hen aangeduide richting en volgens de door hen gelegde grondslagen. Een zo eerbiedwaardig standaardwerk als de nog niet voltooide geschiedenis van het socialisme door Kautsky, Mehring, Lafargue, Bernstein e.a. heeft niet ten doel een smeltkroes te zijn voor de marxistische leer, maar is haar liefdevolle en triomfante bevestiging. Zo is ook het geestrijke boek van Mehring over Lessing, en zo is ook ieder van de verschenen jaargangen van de Neue Zeit. Er zijn Franse, er zijn Italiaanse, er zijn Russische studies die het marxisme uitwerken en versterken, er zijn zelfs enige Hollandse. Kortom, het tegendeel van wat van Kol zegt, schijnt ons de waarheid. “Niet het minst van socialistische zijde” worden de theorieën van Marx steeds meer wat zij reeds vele jaren waren: punten van uitgang en van aanknoping tot ijverig en diepgaand onafhankelijk onderzoek zowel van het heden als van het verleden. Dit is meer dan een voldoening wegens het zegevieren van een schoolgeleerdheid, dit is het teken dat de wereldbeschouwing van de arbeiders over een toenemend getal van talentvolle mannen beschikt, en dus van de machtsuitbreiding van de klasse.

Er volgen nu bij van Kol een reeks van beweringen die dat geen aangename taak is te behandelen. Het zijn punten van tactiek en zaken van beginsel, wonderlijk dooreen geworpen en vreemd uitgedrukt. Men zou vele bladzijden nodig hebben om dit alles te ordenen en te zuiveren, hier moeten wij ons bepalen tot enige regels. Tot het algemene behoort nog dit:

“Het streven van Marx, en vooral van Engels, om uit de economische veranderingen een gehele wereldbeschouwing, een volledig wijsgerig systeem op te bouwen, is nog altijd niet bereikt. Marx gaf geen abstracte (algemeen geldende) doch bijzondere ontwikkelingswetten, waardoor slechts enkele historische fasen worden beheerst; de volledige wet is nog te zoeken.”

Wat wil van Kol zeggen in deze eerste zinsnede? Welke economische veranderingen bedoelt hij? De wereldbeschouwing kan niet anders dan de wereldbeschouwing van het proletariaat zijn, het geheel van maatschappelijke en wijsgerige denkbeelden in de hoofden gewekt door de “economische veranderingen” welke het kapitalisme in de loop van deze eeuw heeft ondergaan. Men zal toegeven, als men het oog laat gaan over de socialistische letterkunde, dat het gebied waarover een algemene filosofie zich pleegt te bewegen, vrijwel samengaat met het terrein dat door de marxistische school is onderzocht. Van Kol, meen ik, zal zich nader hebben te verklaren eer men zijn opmerking voor iets meer dan een ondoordachte uitval mag houden.

Geheel onjuist dunkt mij de tweede. Marx heeft wel degelijk algemeen geldende ontwikkelingswetten gegeven in zijn geschiedtheorie. De geestelijke beschaving is het voortbrengsel van de samenleving; wil men dus de beschaving in ieder bepaald tijdvak, in een bepaalde maatschappij kunnen begrijpen, dan moet men de samenleving onderzoeken tot in haar grondslagen, de productiewijze. Indien dit een aannemelijke voorstelling is van de materialistische theorie, dan volgt er uit wat ik zei. Marx gaf bovendien bijzondere wetten, namelijk die van het kapitalisme; de grondslag van deze wetten is de algemene wet, die wederom de wetenschappelijke grondslag is van de socialistische wereldbeschouwing. Geen wonder overigens dat van Kol twijfel moet voelen, want aan de voorstelling die hij zich maakt van deze dingen, is waarlijk weinig houvast.

Bij wijze van toelichting van deze twijfelmoedigheid, maakt van Kol attent op enige veranderingen in de socialistische zienswijze, nu bij vroeger. Wij vinden er weinig bewijskracht in voor zijn stelling, en enkel bijdragen tot de kennis van van Kols humeur toen hij schreef:

“Van de gewelddadig-revolutionaire tactiek van een halve eeuw geleden, gingen de socialisten in alle landen steeds meer en meer over tot een tactiek van geleidelijke hervormingen.”

Een in dit verband, menen wij, ongelukkige bewering. Voor vijftig jaar, het is waar, hebben in sommige landen de socialistische en andere arbeidersgroepen het gewapend verzet van de bourgeoisie gesteund tegen de regeringen, en velen hebben wellicht toen gedacht dat, zover zij een eigen programma hadden, tamelijk spoedig hun beurt van gewapend verzet tegen de bourgeoisie zou komen – gelijk in juli 1848 de Parijse werklieden. Maar heeft men ooit een dogma gemaakt van de noodzakelijkheid van een zodanige tactiek, een sedert onhoudbaar gebleken dogma? Zo ja, dan toch zeker niet in het gevolg van de schrijvers van Het Communistisch Manifest, nu ruim een halve eeuw geleden uitgekomen.

Voorts, zegt van Kol, “kwam men van communisme tot collectivisme en acht zelfs de “meerwaarde” onvermijdelijk, ook in de socialistische maatschappij der naaste toekomst.”

Het is de vraag wie met men bedoeld wordt. Inderdaad is het een kinderlijke voorstelling, welke vroeger meer verbreid dan thans mag geweest zijn, dat het socialisme verlangde afschaffing van het eigendom omdat alle eigendom als zodanig verkeerd zou zijn. Men begreep niet dat alle eigendomsvormen voortkwamen uit de productiewijze en dat het dus een radicalere leuze was de verandering van de productiewijze dan van het eigendom te willen. De vraag is welke eigendomsvormen met de socialistische productiewijze verenigbaar zullen zijn. Zijn eenmaal de productiemiddelen in handen van de gemeenschap, dan kan men zonder enig bezwaar een uitgebreid bezitsrecht van gebruiksvoorwerpen toestaan. Waarom niet? Het is niet eigendom of bezit dat schaadt, maar het gebruik dat in een bepaalde productiewijze van bezittingen (grond, geld, gereedschap, goederen) kan worden gemaakt. – Overigens is het denkbaar dat in een enigszins ontwikkelde socialistische maatschappij het eigendomsrecht als zodanig alle praktische betekenis zal verliezen, en weldra alleen gekend worden als een historisch begrip. Bij individueel bezit van productiemiddelen, in een klassenmaatschappij alleen, heeft het eigendomsrecht reden van bestaan.

Nu is het zeer begrijpelijk dat, evenals de volkswoede aanvankelijk tegen de machines, de vroegere socialistische kritiek veelal tegen het eigendom was gericht. Het begin van de scheuring tussen het socialisme richting Recht voor Allen en de onze, was juist een debat over deze vraag, gevoerd door C. Cornelissen en ondergetekende. Maar nu moet van Kol niet zeggen dat hier sprake is van een veranderde zienswijze, allerminst van een afgezworen dogma. Hier was een beter inzicht van het wezen van de economische kwestie, een der punten van overgang van het utopistische tot het wetenschappelijk socialisme.

Het gezegde dat men “meerwaarde” onvermijdelijk acht, bewijst alleen dat “men” niet weet wat meerwaarde is. Een socialistische maatschappij zal geen waarde kennen, en dus ook geen meerwaarde. Bedoelt van Kol dat niet de gehele opbrengst van de arbeid onmiddellijk verbruikt zal worden, dan zullen we hem niet tegenspreken. De werken bv., die hij als ingenieur zal helpen uitvoeren, bruggen, waterleidingen, wegen, zullen waarschijnlijk langer duren dan die er met hem aan hebben gearbeid. Ook erkennen wij gaarne dat een spijkermaker meer spijkers zal vervaardigen dan hij zelf behoeft. In zulke gevallen zou toepassing van de leus: de volle opbrengst van de arbeid aan de arbeider, die in het kapitalisme een utopie is, lastig genoeg kunnen zijn voor de arbeiders. De mensen van de pen bv., van Kol en ik, zouden zich in hun woning niet kunnen wenden of keren, zonder het hoofd te stoten tegen de opgestapelde voorraad van hun geschriften. En wie wil nu graag door zijn eigen werken voor het hoofd gestoten worden? Vervaardigers van scherpe werktuigen of ontplofbare stoffen kwamen in direct levensgevaar. – Kortom, van waarde of meerwaarde is in een maatschappij van directe productie geen sprake. Wat van Kol door het hoofd spookt is waarschijnlijk een kritiek van de utopistische eis, het arbeidsproduct aan de arbeider. Maar te zeggen dat deze eis in het kapitalisme onmogelijk is, omdat strijdig met de grondslag van de productiewijze, is niet hetzelfde als de meerwaarde voor onvermijdelijk verklaren in het socialisme. Zal de meerwaarde eerst vervallen met het ene stelsel, in het andere zal het niet herleven.

De ijzeren loonwet. Wat is, vraagt van Kol, van haar, “eenmaal zo trouw verdedigd”, gebleven? Oud roest!” Zeer wel mogelijk, maar van Kol weet dat de theorie volgens welke door onderlinge concurrentie van de arbeiders in de kapitalistische maatschappij, het loon niet in staat zou zijn zich boven een tot de volstrekt noodzakelijke behoeften beperkte laagte noemenswaard te verheffen – hij weet dat deze theorie tot het wetenschappelijke socialisme evenmin behoord heeft als de eis van afschaffing van het bezit in de door hem bedoelde zin. Tot de historische verdiensten van Lassalle behoort niet het doorgrond hebben van de beginselen der kapitalistische maatschappij. Hij maakte gebruik van vele bestaande meningen uit de burgerlijke economie om de heerschappij van de burgerij te bestrijden. Zo behoort het tot deze leer dat, telkens bij enige verbetering in de loontoestanden, de arbeiders door haastige huwelijken hun getal dermate zullen vermeerderen, dat spoedig een daling intreedt. Deze daling, heeft zij haar natuurlijke grens bereikt, is wederom oorzaak van beperking van de concurrentie. Doch de dan wederom mogelijk geworden loonsverhoging gaat teloor, evenals te voren. En zo drukt de ijzeren loonwet het arbeidende volk. Lassalle nu heeft (zoals onlangs nog dr. Conrad Schmidt in de Socalistischen Monatshefte uitvoerig aanwees) de strekking van deze zogenoemde wet andersom toegepast als gebruikelijk was: niet om de arbeiders bij het onvermijdelijke te doen neerzitten, maar om hen aan te voeren tegen een maatschappij waarin zodanige wetten golden. Intussen, tot het marxisme is de ijzeren loonwet nooit gerekend. In het programma van 1875 dat lassallianen en marxisten verenigde, werd zij opgenomen, doch ondanks het verzet van Marx (zie Neue Zeit jaargang 1890-91, dl. I, blz. 570). Het was een concessie aan de broederpartij en spoedig na 1875 kwamen voor de Duitse partij de tijden, dat een rustige herziening van het programma onmogelijk was. Onmiddellijk na de val der socialistenwet bij de herziening in 1891, werden de toen onnodig geworden concessies uit het programma verwijderd; en wederom toonde zich het marxisme als de zuiverste uitdrukking van de gedachten der arbeiders.

En wel hebben de organen van de burgerlijke pers grote ophef gemaakt van het opgeven van de ijzeren loonwet, hetgeen evenwel alleen hun eigen onkunde bewees. Een uit het wetenschappelijk socialisme verbannen dogma is dus ook de ijzeren loonwet niet, want dan had het eerst in het wetenschappelijk socialisme opgenomen moeten zijn.

“De vaak gehoorde leer dat de arbeidende klasse in steeds dieper ellende verzinkt”, is in zover nog altijd juist als het pauperisme toeneemt. Ook dit toenemen kan tweeledig zijn: volstrekt, zodat er meer armen komen, betrekkelijk, zodat men spoediger arm is. Er is alleen tegenover te wijzen op de in vele vakken stijgende lonen en de lagere prijzen van levensmiddelen, waar althans, en waar is dit niet het geval, de regerende klassen haar niet kunstmatig verhogen. Maar de onvastheid van het werk, de achteruitgang van de landbouw, de ontvolking van het platteland en de drang naar de grote steden, zijn motieven die de toestand van de arbeidende klasse in het algemeen met nieuwe ellende hebben bedreigd. – Trouwens, als van Kol terecht vraagt: wie durft nog de leer van de toenemende ellende verkondigen, geeft hij zelf te kennen dat het de bereidwilligheid is van de socialisten om alle verschijnselen te overwegen en niet hun dogmatische zin, die hem in de gelegenheid stelt die vraag te doen.

De theorie van Engels omtrent het matriarchaat als ouder dan het patriarchaat, zegt van Kol, vindt bestrijding. “Een beslissend oordeel kan men echter nog niet uitspreken”. – Laten wij wachten tot het zo ver is.

Vervolgens spreekt van Kol over het internationalisme van Marx en Engels, hetgeen hun “de nationale vragen deed verwaarlozen”. “Het nationale probleem wacht nog altijd op een grondige bewerking”, zegt hij. – Men zou menen dat iedere partij in haar eigen land bezig was het nationale probleem uit te werken. Of kent van Kol een nationaal probleem, in het algemeen, los van iedere nationaliteit? Dan zal hij het moeten stellen eer het kan worden opgelost. Gewichtig schijnt het zeker. Want, zegt hij, “want eerst na de nationale bourgeoisie te hebben overwonnen, zal een afdoend internationaal optreden mogelijk zijn.” – Wederom zou men menen dat dit dan niet meer nodig zal zijn. Of bestaat een internationale bourgeoisie naast de nationale ergens anders dan in van Kols verbeelding? Immers neen, evenmin als het probleem waarvan hij spreekt.

Uitvoeriger komt van Kol nu te spreken over het historisch materialisme.

VI

De grieven door onze partijgenoot tegen het historisch materialisme aangevoerd, gelden, welbeschouwd, niet de leer zelve maar de voorstelling die hij er zich van heeft gemaakt, en die een zeer bekrompen en eenzijdige voorstelling is. Juist dezer dagen, intussen, mag het niet overbodig heten tegen deze voorstelling op te komen. Het gezag van van Kol wordt licht misbruikt om het sprookje van een eenzijdig materialisme, een bekrompen dogmatisme, ten nadele van de partij te propageren. Dit mag men zo heel erg niet vinden, op de woordvoerders van de partij ligt nu eenmaal de plicht verkeerde denkbeelden van haar streven af te wijzen. Wat van Kol thans weer heeft gezegd is een telkens terugkerende grief en onze lezers kunnen het getuigen dat meermalen in ditzelfde tijdschrift de ongegrondheid is aangetoond. Velen, echter, geloven gaarne wat ten kwade van het socialisme kan worden aangebracht, en zij zijn dubbel in hun schik als het hun door een socialist wordt geleverd. En wij kunnen op onze beurt volkomen begrijpen dat zekere opvatting eenzijdig en bekrompen schijnt. Gelukkig evenwel, is de opvatting een zuivere persoonlijke.

“Niet de ideeën” – lezen wij – “spelen de hoofdrol in de geschiedenis, maar de verschillende productiewijzen en de laatste oorzaak van de maatschappelijke veranderingen[6] en politieke omwentelingen is niet te zoeken in de hersenen der mensen, het toenemend inzicht, maar in de veranderingen van productiewijze en ruil” (Engels).

Wat vele volgelingen over het hoofd zagen”, zegt van Kol verder, “en wat Engels, indien hem een langer leven ware gegund, wel nader zou hebben toegelicht, is dat hier gesproken wordt van “hoofdrol spelen” en “laatste oorzaak”, wat volstrekt niet hetzelfde is, gelijk sommigen schijnen te menen, als alleen een rol spelende en enige oorzaak.”

Ik weet niet wie de vele volgelingen zijn die deze grote en noodlottige vergissingen hebben begaan. Eerder meen ik dat wij hier met een onbewuste zelfkritiek hebben te doen. Het blijft mogelijk dat van Kol, die meer van de wereld heeft gezien dan wij, ergens een school van marxisten heeft aangetroffen die zo dachten. Maar waarschijnlijker is, dat van Kol tot voor korte tijd zelf dit belangrijke verschil heeft verwaarloosd, gemeend dat volgens Engels en Marx de ideeën in de geschiedenis niets hebben te beduiden en de economische veranderingen alles; en nu, ter goeder trouw gebruik makende van een bekende wending en daarmee vallende in een niet minder bekende fictie, zijn eigen misverstand voorstelt als het misverstand van anderen. Te meer wordt dit waarschijnlijk als men let op het gezegde dat Engels zelf, had hij slechts langer geleefd een wenselijke toelichting niet zou hebben achterwege gehouden. Nu is zeker Engels, die de zeventig ruim heeft gehaald, voor de zaak welke hij diende, nog te vroeg gestorven; en evenwel is hij oud genoeg geworden om zijn grote wetenschappelijke ontdekking te hebben kunnen achterlaten in een betere staat dan hier door van Kol beweerd wordt. “Marx en Engels”, zegt hij verder, “hebben slechts deze theorie opgeworpen, de tijd om haar volledig uit te werken heeft hun ontbroken.” Wat is opwerpen en wat is volledig uitwerken? Een geschiedtheorie is niet volledig uitgewerkt vóór, hetzij de hoofdwerken van andere scholen aan een uitvoerige kritiek volgens de nieuwe leer zijn onderworpen, hetzij de grote tijdvakken der historie volgens haar opnieuw zijn behandeld. Om een van beiden te doen, hebben Marx en Engels inderdaad geen tijd gehad. Maar daarom is de theorie toch meer dan enkel opgeworpen. Zijn al hun geschriften niet voor een groot deel historisch? En is de materialistische of maatschappelijke theorie niet de grondslag van hun historische voorstelling en bovendien van hun algemene levensbeschouwing? Ongerekend de vele zuiver geschiedkundige opstellen, kortere of langere gedeelten van andere opstellen. Wie gelezen heeft van Engels Herrn Dühring’s[7] Unwälzung, Ursprong der Familie etc., of van Marx, om maar één titel te noemen, de door zijn dochter uitgegeven courantenartikelen over Duitsland in 1848, en de grote historische hoofdstukken in Das Kapital Deel 1, kan niet zeggen dat het aan toelichting van de theorie ontbroken heeft. – Neen, genoeg is er door de auteurs van de theorie zelve gezegd, om althans voor het door van Kol aangeduide grove abuis ieder oplettend lezer van hun werken te bewaren. En Engels, vrees ik, had honderd jaar kunnen worden zonder nog de door van Kol verlangde opheldering te geven van een theorie, die waarlijk de opheldering niet meer behoefde.

Sprekende over iets zo gewichtigs als deze theorie, welke onophoudelijk haar aanhangers ziet vermeerderen en tegenover de gezamenlijke burgerlijke scholen zegevierend vorderingen maken, komt de volgende bewering van van Kol mij reeds wegens haar algemeenheid ongeoorloofd voor.

“Reeds hebben zij (M. en E.) zelve in latere geschriften het absolute van hun bewering verzacht en blijkbaar gevoeld dat:
a. vele andere invloeden actief zijn bij de ontwikkeling der maatschappij;
b. de menselijke geest wel degelijk kan ingrijpen in de geschiedenis der mensheid”.

In welke latere geschriften enige te absolute stelling verzacht geworden is, zal van Kol eerst hebben aan te geven. Mij dunkt dat de waarheden hier vermeld onder a en b wel nooit door een van beiden uit het oog zijn verloren. Is het niet van Kol zelf die de verwarring van laatste en enige oorzaak hier overdraagt? Houden wij ons aan de bekende voorstelling van laatste oorzaak, dan kunnen wij direct toegeven dat werkende onder “andere invloeden”, uit de laatste oorzaak ontspringende, de menselijke geest op de geschiedenis kan ingrijpen zoveel men wil. Maar is dat van de menselijke geest anders te verwachten – die, toch wederom stekende in een geestelijke mens, het meest eerbiedwaardige is van de gehele schepping. Wie heeft ooit de geest der mensen tot nietsdoen veroordeeld? Wie de werking van geestelijke invloeden, soms gericht op hoogst ongeestelijke doeleinden, uit de geschiedenis willen verwijderen? Dit zijn, kort en goed, schrikbeelden, waarmee men elkaar in burgerlijk-idealistische gezelschappen van het socialisme afkerig maakt. Alleen is de vraag: is de menselijke geest primair? Heeft zij de samenleving, heeft de samenleving haar geschapen? Tenzij men nu wil geloven aan een schepping van het lichaam uit de stof, waarin een Almacht een vonk van haar eigen geest heeft geplaatst, en de mens, wandelende lantaarn, op deze wijze aan het onstoffelijke verwant is, – blijft alleen de andere veronderstelling over. Maar is het geestelijke in de mens daar minder om?

VII

Het volgende van van Kols artikel is nu de uitwerking van een misverstand. Ten onrechte schrijft hij aan de marxisten de door hem verbeelde gevoelens toe; en wanneer hij nu verder met de hem eigen voortvarendheid welke niets ten halve doet, een aantal misvattingen onderhanden neemt, die uit de principiële dwaling schijnen voort te komen, ziet men hem veel overbodig werk verrichten. Wij zouden nogmaals overbodig werk verrichten, gezwegen van het verdrietige, niet op het hierboven gegeven principiële antwoord een weerlegging van alle bijzondere opmerkingen te laten volgen. Intussen, behalve een aanval op het “orthodoxe” marxisme dat het doel voorbij schiet, bevat dit laatste deel van het artikel enige staaltjes van van Kols eigen historiebeschouwing, even weinig marxistisch als de door hem aan de marxisten ondergeschoven denkbeelden, zonder daarom, naar ik meen, minder onjuist te zijn.

Alsof er nog zo goed als niets op dit gebied was gedaan, dringt van Kol er op aan dat men de proef neme. Laat men eens proberen de geschiedenis van Nederland te schrijven volgens deze theorie, men zal, zegt hij, “veel van het dogmatische (moeten) laten varen en meer rekening leren houden met de werkelijkheid der historie.” Omgekeerd meen ik mij te mogen beroepen op alle partijgenoten die zich met historie hebben beziggehouden, of niet eerst toen enige orde kwam in de chaos en enig licht in de duisternis, toen zij zich vertrouwd hadden gemaakt met de marxistische theorie. Laat, vraag ik op mijn beurt aan van Kol, laat hij eens proberen de geschiedenis van Nederland te schrijven, al ware het enkel in de nu weldra gesloten negentiende eeuw, zonder behulp van deze theorie. Hij zal de gemeenplaatsen en de tautologie van de burgerlijke geleerden niet kunnen vermijden. Ik stem hem volkomen toe, dat hij niet alleen zal vinden als “drijvende kracht” “de strijd om brood” – ook het streven naar en het strijden voor vrijheid, gelijkheid, humaniteit en individuele geestelijke volmaking.” Maar ik voorspel hem dat hij versteld zal staan, wanneer hij gewaar wordt bij een nauwkeurige en rustige beschouwing, dat niemand ooit gestreden heeft voor geestelijke ledigheid, wreedheid of tirannie; zodat al die strijders, die allen schijnbaar een en hetzelfde ideaal nastreven, toch wederom vertegenwoordigers waren van zeer verschillende begrippen. Dan zal hij de inhoud van die begrippen moeten verklaren; met algemene verwijzingen naar “inwendige zielsdrijfveren” is daar niets aan te doen; welke maatschappelijke effecten formeren de denkbeelden, – ik zeg niet: welke egoïstische motieven dreven de personen waarvan de personen de dragers waren? Wil hij zijn lezers wijzer maken, dan zal hij die vraag moeten beantwoorden.

Aan wat van Kol zegt over de invloed van personen op de gebeurtenissen, is duidelijk te zien dat hij nog weinig of niet in deze richting heeft gedacht. “Nooit” – zegt hij – “was de invloed van individuen zo groot als in onze dagen. Een Napoleon en een Darwin, een Bismarck en een Rothschild, een Marx en een Zola, die zo krachtdadig ingrepen in de maatschappelijke evolutie van onze dagen, waren in vroeger eeuwen onbestaanbaar.”

Aangenomen dat dit zo was: hoe kan van Kol menen dat het in strijd zou zijn met de materialistische theorie? Is het ondenkbaar dat bepaalde maatschappelijke oorzaken in bepaalde tijdvakken van onze eeuw werkzaam, het ingrijpen van bijzondere personen in bepaalde richting hebben mogelijk gemaakt, bevorderd, enz.? Het aannemen van zodanige oorzaken sluit het waarderen van bijzondere personen niet uit, maar brengt er toe dat men in hun optreden de werking van deze oorzaken tracht op te sporen. Dit nu is een van de belangrijkste toepassingen van het marxisme. Immers, alleen dit onderzoek mag wetenschap heten. Het optreden van grote mannen wil verklaard worden. Zeggen wij: zij hadden invloed omdat zij groot waren, dan zeggen wij tweemaal hetzelfde, maar verklaren niets. Een man, wijsgeer of staatsman, wordt gezegd groot te zijn, indien een sterke invloed van hem uitgaat. Het gevoelen van iemands kracht door tijdgenoot of nakomeling geeft hem de naam van een groot man. Wij spreken dus minder van de grootheid van een enkel man, dan van de verhouding van één bepaald persoon tot een groter of kleiner getal andere personen. En dus spreken wij van de invloed van een groot man op de denkwijze of gebeurtenissen van zijn tijd, dan bedoelden wij de verhouding waarin een zeker aantal mensen tot een van hun tijdgenoten zich hebben bevonden. Eindelijk, willen wij het optreden van een bijzonder persoon verklaren, dan moeten wij de omstandigheden verklaren van die verhouding. Die omstandigheden zullen, in laatste instantie, geen persoonlijke in engere zin, maar algemene maatschappelijke omstandigheden zijn.

Bijvoorbeeld, van de genoemden, Darwin of Bismark. Te zeggen, Darwin heeft op de gedachten van zijn tijdgenoten overwegende invloed uitgeoefend omdat hij een geniaal onderzoeker en denker was, kan niemand die van de boom der maatschappelijke wereldbeschouwing slechts even heeft geproefd, een bevredigende voorstelling achten. Lieden met buitengewone geestelijke begaafdheden levert het mensdom onophoudelijk; en wij moesten al zeer weinig ervaring bezitten van de wereld en zeer weinig kennis van haar geschiedenis, om niet te weten dat onophoudelijk buitengewone geestelijke gaven te loor gaan. Om vrij wat minder revolutionaire meningen dan Darwin was toegedaan, zijn velen in vroeger dagen op het schavot gebracht, of op een andere wijze klein gemaakt. Andere ontdekkers, zo men hen al met vrede liet, hebben dikwijls hun vindingen meegenomen in het graf, zonder baat voor hun tijdgenoten die onverschillig waren of afkerig. Darwin, verbrand als ketter voor hij iets blijvend tot stand had gebracht, of als een zonderling alleen gelaten met zijn plantjes en zijn beestjes, is een tweeledige mogelijkheid, die maar weinig verbeelding of geleerdheid eist. – Darwin, spoedig erkend als een groot vernuft, zijn leringen aanstonds verbreid, overgenomen en uitgewerkt door anderen, bijna even groot als hij; zijn naam het voorwerp geworden van verering voor een hele toongevende klasse in alle beschaafde landen, en voor altijd verbonden aan een nieuwe, alomvattende beschouwing van de levende natuur, is een verschijnsel dat men niet verklaart uit Darwins genialiteit alleen. Het merkwaardige van dit verschijnsel is niet in de eerste plaats een schier geheimzinnige invloedsfeer door één man als uit een bijzondere zielestof geweven over de wereld om zich heen, gelijk de spin haar web. Maar het merkwaardige is veeleer de drang die talloos vele mensen beweegt naar die éne te luisteren, hun gedachten te laten leiden door de zijnen, te zien door zijn ogen. De lichtkring die het publiek om zijn slapen speurt, is de weerglans van de tot hem geheven blik van zovele dankbare generaties. Grote mannen, zeggen wij, worden gemaakt en niet geboren; voor het minst is wat hen maakt, gewichtiger dan wat hen kweekt.

En zo wordt de studie van de geschiedenis eerst recht menselijk. Zij verwijdert het bovennatuurlijke, dat tevens het onmenselijke is, uit haar beschouwing; het plompe element van de inmenging van grote mannen, waarvan in het midden wordt gelaten of zij groot zijn omdat zij invloed hebben of invloed hebben omdat zij groot zijn. Het voorwerp van haar onderzoek is gemoedsgesteldheid en geestesrichting van de menigte welker bijval het voetstuk is waarop, zichtbaar boven allen, de bijzondere personen in de historie staan. Zo en zo alleen leren wij, wat van Kol ons aanprijst, “rekening houden met de werkelijkheid.” Zo alleen leren wij het menselijk leven verstaan. Wij verdelen niet de mensen in herders die voorgaan en kudden die volgen, wat ons niets dichter brengt bij de kennis van de mens en allerminst onze achting zou verhogen voor het menselijke. Maar wij letten op de verhouding welke bestaat tussen de menigte en het individu; dan eerst krijgen wij met de kennis van het menselijke, kennis om te onderscheiden tussen menselijke zwakheid en menselijke kracht.

In de grote naam van Darwin vinden wij gronden tot eerbied voor het geslacht, voor de tijd, die hem de grote naam hebben gegeven. De reputatie van Bismarck daarentegen, berust op de zwakheid van de klasse die hem vereert. Zulke vragen, zijn zij meer of minder onze aandacht waardig, dan de vraag naar de afmetingen en de aard van het bijzondere dat Bismarck of Darwin heeft onderscheiden? Onderscheiden hebben zij zich inderdaad. Hun namen zullen langer leven dan die van de grote meerderheid van hun tijdgenoten. Maar, behalve dat wij zouden dwalen wanneer wij in een persoonlijke en uitsluitende voortreffelijkheid hunnerzijds de oorzaak van hun grootheid gingen zoeken, zou een onderzoek hiernaar onze kennis niet baten. Onze kennis in de zin van het begrijpen van de mensen en van het leven. De invloed van Darwin staat voor het levensbelang, dat de klasse van nijverheid en handel reeds in de vorige eeuw bij de ontwikkeling van de natuurstudie voelde te bezitten. Zij had nodig de natuurkrachten en zij had evenzeer nodig de natuurkunde. De heerschappij werd haar betwist door de verschillende kerken en zij kon de heerschappij van de Kerk aantasten door het geloof te ondermijnen aan de leerstukken van de Kerk. De opleving van de fysische wetenschap is de directe ideële uitdrukking van deze dubbele behoefte. Hiermee is niet gezegd dat deze studie zich strikt beperkt heeft tot het dienen van materiële belangen, noch ontkend dat zij vele beoefenaren heeft gevonden vol heilige toewijding en edelmoedigheid. Integendeel is hierin plaats gemaakt voor de waarheid van de opmerking, dat iets van het grootse, algemeen menselijke streven der bourgeoisie terug is te vinden in de beoefening van de natuurwetenschap, de uitverkoren muze van een eenmaal revolutionaire klasse. En het is eerst sedert kort, dat zij van de natuurwetenschap eist wat de natuurwetenschap niet kan geven; het pleidooi van haar klassebelang in de strijd tegen de arbeiders. Maar overigens, ongerekend het misbruik dat op de klank afgaande van het woord, met de leer van Darwin wil goedspreken de voorstelling van de concurrentie als noodzakelijke conditie van alle beschaving; overigens staat Darwins beeld in de geschiedenis voor hen die de materialistische theorie hebben leren toepassen, niet als een afgod, die aangestaard wil worden door een ontzette menigte, noch als de held van een sprookje voor kinderen die horen willen over de “invloed van een groot man”; maar als een gedenkteken van een beweging onder een deel van de mensheid, welker noodzakelijke ontwikkelingsvoorwaarde als leidende maatschappelijke klasse gelukkig samenviel met die van een edele wetenschap.

Bismarck, daarentegen, Bismarck, de geborneerde Pruisische jonker, kon slechts machtig zijn voor zover de regerende groepen in Duitsland liever bukten onder een despoot dan weken voor de arbeiders. Hij staat in de geschiedenis als een monument niet van eigen grootheid, maar van de kleinheid van anderen. Machtig heeft hij ingegrepen, maar voor nog groter macht dan de zijne is hij ten slotte bezweken. Zijn werk was een ruïne voor hij zelf een lijk was. Sterker dan ooit stonden zijn vijanden, nationale en internationale, aan zijn graf. Het bestaan van het Rijk hangt van de krijgskans af in de eerste oorlog. Voor zijn grote binnenlandse vijand, de sociaaldemocratie, is de krijgskans reeds gekeerd. En van zijn grootheid is alleen blijvend de herinnering van de behoefte van een nog heersende, maar al teruggaande klasse, de behoefte aan een strenge heerser wie alles wordt toegegeven, zo hij maar het streven van de opkomende belooft te keren.

Al het welk gezegde over de materialistische geschiedbeschouwing van het werken van bijzondere personen niet tegenspreekt de waarheid, dat, hebben eenmaal zekere algemene maatschappelijke oorzaken iemands positie bepaald, aan karakters en geestesgaven als het zijne een plaats verschaft boven anderen – dan, deze voorrang als zodanig een schouwspel kan zijn dat voor velen de vreugde van deze aarde aanmerkelijk verhoogt. In de ideële wereld, dat met het zielsoog enkel wordt aanschouwd, hebben wij inderdaad te doen met een middelmatige massa, met helden en reuzen. Wij voelen ons tot hen aangetrokken, zij voelen ons afgestoten. Zullen wij deze werkelijke gevoelens loochenen? Neen, wij zullen hun inhoud en oorsprong gedenken wanneer wij geschiedenis schrijven. De ingenomenheid met een groot man is de vorm waarin wij een maatschappelijke verhouding constateren; dit te constateren is toch wel niet hetzelfde als de aandoening, waarvan wij de verklaring geven, te ontkennen? Wij bemerken met blijdschap dat wij voor zodanige aandoeningen vatbaar zijn. Het enkele constateren van de maatschappelijke verhouding is, ja, een wetenschappelijke verrichting, maar ook niets meer. Buiten haar gebied, daarboven zo men wil, ligt die vatbaarheid, en zij alleen is het, die tot handelen voert. De namen van grote mannen mogen wij ten slotte hebben leren kennen als symbolen van feitelijke verhoudingen tussen mensen, dit neemt niet weg, dat onze ziel haar eigen vreugde heeft aan zodanige symbolen, haar ontvankelijkheid voor liefde en haat. Wij hebben tussen haat en liefde geen vrije keus, maar toch zal het alleen haat of liefde zijn die onze daden bestuurt. Dit, dus, is de zin waarin wij hechten aan de invloed van grote mannen. -

Hiermee is niet alles aangeroerd, wat van Kol in het midden bracht. Maar genoeg, waarschijnlijk, om duidelijk te maken dat zijn bevreesdheid voor dogma’s in het socialisme weinig grond heeft, althans niet voor de dogma’s die hij aanwijst. Want, zover het dogma’s zijn, zijn het geen socialistische.

_______________
[4] Om misverstand te voorkomen, wordt opgemerkt dat hiermee niet bedoeld is ieder voorstel tot praktische samenwerking voor een bepaald doel, komende van een politieke partij of van verenigingen. Evenmin de goedkeuring door het optreden van socialisten aan tegenstanders afgedwongen. Bijvoorbeeld de lof ook door Nederlandse burgerlijke journalisten gebracht aan de Franse partijgenoten wegens hun houding in de zaak van Dreyfus.
[5] Het weekblad Ontwikkeling te Gouda, onlangs verschenen.
[6] Blz. 115 staat tweemaal verordeningen, hetgeen niet anders dan een drukfout kan zijn.
[7] Swan Sonnenschein & C. Londen, 1896.



een rode leeszetel





QRcode MIA-Nederlandstalig
Lezen
Marxistisch Internet Archief
Algemeen Archief
Selectie marxisten
Documenten
Filosofie
Thema’s
Arbeidersbeweging
Woordenboek
Wat ?
Wat is marxisme
Over ons
Andere talen
Auteurswet
Citeren
Disclaimer
Doen
Zoeken
Nieuwe teksten
Werk mee
Contact
Reclame

In of uitschrijven Nieuwsbrief

RSS

Volg ons op twitter