Karl Kautsky

Staatssocialisme


Bron: Der Staatssozialismus verscheen in nummer 50 van Der Sozialdemokrat, 8 december 1881
Vertaling: Communistisch Platform, door Rogier Specht — Gebaseerd op de Engelse vertaling van Noa Rodman, libcom.org
HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren?

Qr-MIA


Verwant
De Staat
God en de Staat
De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat


Dit is het eerste artikel van een driedelige serie van Karl Kautsky uit 1881/82. Artikel 2 hier, en artikel 3 hier.


Ik wil hier niet praten over de mengelmoes van onduidelijkheid en boerenbedrog die zich de laatste tijd heeft gemanifesteerd in Duitsland; hierover zijn wij sociaaldemocraten in overeenstemming.

Naast dit reactionaire feodale socialisme bestaat er echter ook een modern socialisme, wat volledig voldoet aan de eisen van de sociale wetenschappen, maar net als de eerstgenoemde haar invoering verwacht van de staat.

Hoe zit het met de staatshulp?

Zij, die van de staat de invoering van socialistische eisen verlangen, redeneren veelal vanuit de regel: het is taak van de staat om de zwakken te beschermen tegen de sterken. Deze regel komt voort uit het contractdenken, wat zich vormde aan het einde van de zestiende eeuw, en in de vorige eeuw en zelfs vandaag de wetenschap domineerde, en met name in de rechtspraak een grote rol speelt.

Dit denken stelt: in haar oorsprong was de mens ge├»soleerd; eenzaam zwierf hij door de bossen om zijn voedsel te vinden. Toen deze individuen eenmaal in dorpen terecht kwamen, onderdrukten de sterkeren de zwakken en er woedde een strijd van allen tegen iedereen. Om een einde aan deze strijd te maken, stelden de individuen met elkaar een contract op, waarin zij een deel van hun vrijheid inleverden aan een door hun opgezette autoriteit, zodat deze zorgt voor vrede en voorkomt dat de sterken de zwakken zouden onderdrukken. Het misbruik van deze door het volk aan de autoriteit verleende macht is dan de oorzaak van het kwaad in de huidige maatschappij en het huidige staatsbestel. Er zijn dus maar twee factoren in dit staatsbestel, die van cruciaal belang zijn: de overheid – of dat nou een monarchie of een republiek is – en het ‘volk’. De overheid moet zich ontfermen over het hele ‘volk’. Het moet boven de partijen en klassen staan, om de zwakkere partijen en de zwakkere klasse tegen de uitbuiting van de sterken te beschermen.

Dit is de theorie die het republikeinse socialisme van Louis Blanc en het monarchische socialisme van Lorenz von Stein en Albert Schäffle onderbouwt.

Deze theorie is geweldig, het heeft maar een gebrek: het klopt niet. Het samenleven van mensen rust niet op een contract, maar in de menselijke natuur. Het sociale leven van mensen komt voort uit instinct, die zij hebben meegekregen van hun aapachtige voorouders, en wat net zo krachtig is als het instinct van de zwaluw om een nest te maken of de winter in het zuiden door te brengen. Mensen stammen af van apen, die in groepen leefden, en in zoverre als wij de ontwikkeling van de mens kunnen herleiden, vinden we hun altijd in groepen.

Maar deze oorspronkelijke groepen waren nog geen staat. We vinden binnen deze groepen geen overheid. De invloed van het stamhoofd is zeer beperkt, hij word opgevolgd in zoverre het in overeenkomst is met de wil van het geheel. Vaak zijn er bij deze natuurmensen alleen stamhoofden wanneer ze in oorlog zijn.

De vertegenwoordigers van het contractdenken spreken dit tegen: zelfs als de oorspronkelijke mens geen contract opstelde om tot een staat te komen, werd dit mogelijk wel gedaan door individuele stammen.

Zulke contracten, amfictionen of confederaties kunnen we al in een vroeg stadium vinden. Zelfs de Indianen in Noord-Amerika kwamen hiertoe. De Irokezen vormden een confederatie van vijf, later zes, naties, de Mohawk, Onondaga, Oneida, Cayuga, Seneca en vanaf 1712 de Tuscarora. Maar ook deze confederatie vormde nog geen staat, want elke lidstaat hield volledige onafhankelijkheid in haar eigen zaken. De raad kon zeker tot besluiten komen, maar alleen als er unanimiteit was.

Van een autoriteit, die in opdracht van het geheel door dwang macht kon uitoefenen over afgezonderde stammen, was geen sprake. Het bestuur van de bond was dus zelfs zwakker dan dat van een afzonderlijke stam.

De eerste staat die we tegenkomen is de Egyptische. Laten we deze opzet nader bekijken. We vinden hier ongetwijfeld een overheid – maar hoe verhoudt deze zich tot het ‘volk’? Het ‘volk’ bestaat uit een heersende en een beheerste rasse en klasse. Alleen tegenover de beheerste klasse heeft de regering autoriteit. Tegenover de heersende klasse ontbreekt dat volledig. Voor de Grieken leek de heersende klasse van Egypte een priestersklasse – het zou te veel afdwalen om hier uit te leggen waardoor zij tot deze opvatting kwamen – en dus zeiden zij: de Egyptische sultans heersen over Egypte, maar de priesters heersen over de sultan. De overheid is enkel het instrument van de heersende klasse, voor de heersende klasse is de overheid enkel het bestuur.

De overheid zweeft dus niet boven het ‘volk’, als de geest van God boven het water, het staat op een solide steunpilaar: de heersende klasse. Zonder de tegenstelling tussen de heersende en de beheerste klasse bestaat er geen overheid, en dus ook geen staat.

Dit kunnen we herleiden vanaf de eerste staat, zoals we nu weten, de Egyptische, tot de moderne tijd. Of het nu grootgrondbezitters of het lompenproletariaat is die de regering in handen hebben, huurlingen, praetores, Mamelukken, Janitsaren of priesters, de adel of de bourgeoisie, het is altijd een klasse die heerst, een klasse, die zelfs als zij zich omhoog gewerkt hebben, nog steeds een klasse onder zich heeft.

De verschillende veroveringen in de klassieke oudheid plaatste verschillende lagen stammen en kasten boven op elkaar, zoals de technische ontwikkeling in de moderne tijd dit deed voor de verschillende klassen. Hoeveel deze klassen en rassen ook met elkaar mogen strijden, of het nou het lompenproletariaat, de Italiaanse bondgenoten, of de provincies degene waren die in opstand kwam tegen de Romeinse optimates, het voortbestaan van de staat bleef onaangetast, zolang er onder hun de massa aan slaven kalm bleef. Echter, zodra de slaven in opstand kwamen, was het voortbestaan van de staat in gevaar.

Zo is het ook in de moderne tijd. Laat de priesters en de adel, het groot- en kleinkapitaal maar met elkaar strijden, de voortgang van de staat blijft onaantastbaar, zolang als de arbeidersklasse niet oproept voor gelijkheid. De gelijkschakeling van de arbeidersklasse met de andere klassen, of beter gezegd, de opheffing van klassenheerschappij, is het belangrijkste kenmerk van het socialisme, dit bevat echter het afsterven van de staat.

Om te verwachten van de staat dat zij deze gelijkschakeling zullen invoeren is verwachten dat zij vrijwillig zelfmoord zullen plegen. Verwachten van de overheid van de bezittende klassen dat zij met haar machtige hand de arbeidersklasse naar de overwinning helpt betekent het verwachten van het onmogelijke. De macht van de overheid strekt maar zo ver als de belangen van de heersende klassen dat toelaten. Het kan door een slim schommelspel tussen verschillende delen van de heersende klassen een zekere autonomie krijgen, maar enkel als deze klassen te corrupt en verbitterd zijn om hun onafhankelijkheid te bewaren: deze autonomie valt echter weg tegenover de gezamenlijke aanval van de heersende klassen op het moment dat het de gewone onderlaag, de laagste klasse wilt helpen.

Staatssocialisme is socialisme van de staat en voor de staat.

Het is socialisme van de overheid en voor de overheid.

Het is dus socialisme van de heersende klassen en voor de heersende klassen.

De opheffing van de staat lijkt dus de noodzakelijke eerste vereiste voor de emancipatie van de arbeidersklasse.

Of en in hoeverre dit juist is bespreken we in het volgende artikel

(Was getekend ‘Symmachos’)