Karl Marx

Grundrisse

Hoofdlijnen van de Kritiek van de Politieke Economie (ruwe schets)


Geschreven: 1857-1861
Bron: Karl Marx – Friedrich Engels Werke (MEW42), Dietz Verlag Berlin 1983 (appendix en register niet overgenomen)
Copyright: Creative Commons Licentie 2.0
Nalezer: Hugo Buyssens
Vertaling, HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren?

Qr-MIA

       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


De boekuitgave

Voor de boekuitgave klik hier.

☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐ ☐

Verwant
Het Kapitaal I - Het Kapitaal II - Het Kapitaal III
De Parijse Manuscripten
Beginselen en toepassing van de marxistische economie

Marx Karl

Over de Grundrisse:
Voorbij de clichés over Marx: een lezing van de Grundrisse.
Het beschavend karakter van het kapitalisme, deel 1
Kapitalisme en vrijheid, deel 2
De onontkoombare ineenstorting van het kapitalisme, deel 3

Over dit boek

Marx schreef dit enorme manuscript als onderdeel van zijn voorbereiding op wat zou uitgroeien tot Een bijdrage tot de kritiek van de politieke economie (gepubliceerd in 1859) en Het Kapitaal (gepubliceerd in 1867).

Sovjet-marxologen hebben in de jaren 1930 een aantal nooit eerder geziene werken van Marx en Engels gepubliceerd. De meeste waren vroege werken – zoals De Economische en Filosofische Manuscripten – maar de Grundrisse stond op zichzelf als het resultaat van de meest intense periode van Marx’ tien jaar durende, diepgaande studie van de economie. Het is een buitengewoon rijk en tot nadenken stemmend werk, dat tekenen vertoont van humanisme en de invloed van de hegeliaanse dialectische methode. Let wel, Marx had niet de bedoeling het zo te publiceren, het is soms ruw van stijl.

De lezers van dit boek kunnen Marx “horen” denken. Dat is fascinerend.
Zij gaan moeilijke zinnen tegenkomen. Ook tekstgedeelten die onlogisch lijken (of het zijn?). Een zin lijkt soms onlogisch door een hoog abstractieniveau. Dit boek is nu eenmaal het nauwelijks bewerkte resultaat van Marx’ onderzoek en denken, waar hij zijn materie helder wil krijgen. Bij moeilijke en lastige zinnen, is het raadzaam die passage traag te lezen en goed proberen te begrijpen.

De reeks van zeven schriften werd door Marx in de winter van 1857-58 in grove lijnen geredigeerd, voornamelijk met het oog op zelfverduidelijking. Het manuscript is onder nog onbekende omstandigheden verloren gegaan en werd voor het eerst gepubliceerd, in het Duitse origineel, in 1953. Een ingeperkte editie werd gepubliceerd door Foreign Language Publishers in Moskou in twee delen, respectievelijk in 1939 en 1941, onder het redacteurschap van het Marx-Engels-Lenin Instituut, Moskou. Het eerste deel bevatte de inleiding en de zeven hier vertaalde schriften. Het tweede deel voegde fragmenten toe uit Marx’ notitieboeken van 1851 met uittreksels van Ricardo, het fragment Bastiat en Carey (ook opgenomen in deze vertaling), en divers gerelateerd materiaal; ook uitgebreide annotaties en bronnen. Een foto-offset herdruk van de twee delen in één band, minus illustraties en facsimile’s, werd uitgegeven door Dietz Verlag, Berlijn, in 1953, en is de basis van de huidige vertaling. Het wordt hierna Grundrisse genoemd.

• In plaats van “Bijdrage” is er gekozen voor “Hoofdlijnen” – Grundrisse in deze context is lastig te vertalen. Grundrisse blijft wel de titel.

• Deze vertaling is soms schatplichtig aan de editie in de Engelstalige MIA-sectie, maar tevens verschillend, bv. alleen nog maar wat betreft “zelfstandigheid” en “onafhankelijkheid”.

• Sachlich – In de woordenboeken is dit: zakelijk. Als de bijbehorende variant staat er o.a.: objectief. Veel Marx-vertalingen gebruiken “objectief” of “geobjectiveerd”, enz., voor sachlich. Niet altijd, maar toch veelal, maakt dit de tekst onnodig moeilijk. Wat krijgt men immers voor ogen bij een zin als: “De persoonlijke verhoudingen zijn geobjectiveerd”? Dan is zakelijk beter (“De persoonlijke verhoudingen zijn verzakelijkt”), omdat het precies gaat over de verandering van interactie tussen de individuen in een kapitalistische maatschappij, die zakelijk worden of zijn (denk bv. aan platformeconomie/platformkapitalisme: “Een algoritme is mijn baas”). Zelfs zodanig onmenselijk dat er ultraliberalen bestaan die bv. spraken (spreken?) van financiële transacties tussen kinderen en de ouders. Daarom is er gekozen voor zakelijk en niet “objectivering”. Het laatste is onvoldoende duidelijk en helder.

• Marx gebruikte in dit werk: surpluszeit, surpluswert, Arbeitsinstrument, Arbeitsvermögen, enz. Meestal is dit ‘letterlijk’ overgenomen, dus: surplustijd, surpluswaarde, arbeidsinstrument, ..., al is bv. het woord arbeidsinstrument te vertalen als “werktuig” of “gereedschap”. Arbeidsvermogen en arbeidskracht zijn voor Marx synoniem, toch is arbeidsvermogen doorgaans behouden. Betreffende die surpluswaarde: er is een aanwijzing dat Marx dit onderscheid van het begrip meerwaarde.

• De “waar”. Het kapitalisme produceert geen goederen maar waren. Anders geformuleerd, het kapitalisme produceert geen goederen op zich, het produceert niet omwille van de goederen. Het produceert omwille van winst. Het gebruik van de woorden “waar” en “waren” is daarom geen archaïsch taalgebruik. Het duidt op het verschil dat Marx maakt tegenover andere productievormen. En dat is nu juist het punt dat weinigen lijken te begrijpen. Het kapitalisme – als systeem, als totaliteit – bepaalt wat er al dan niet geproduceerd wordt. In de kapitalistische productiewijze zijn dat “waren”, omwille van de winst. [Met dank aan Hugo Buyssens voor deze duiding.]

• De Engelse en Franse woorden, zinnen, enz., zijn omwille van eenvoud direct vertaald en verschijnen niet als voetnoten. Waar nodig, staan voetnoten, opmerkingen of toevoegingen uit de Duitstalige bron, of andere geraadpleegde teksten, tussen: [ ].


Bedenkingen bij een vertaling – door Hugo Buyssens
Woord vooraf   (MEW42)

HOOFDLIJNEN VAN DE KRITIEK VAN DE POLITIEKE ECONOMIE – Inleiding
1. Productie in het algemeen
2. De algemene verhoudingen tussen productie, distributie, ruil en consumptie
3. De methode van de politieke economie —   Sleutelpassage  
4. Productiemiddel (-kracht) en productieverhoudingen, productieverhoudingen en verkeersverhoudingen, enz.

HET HOOFDSTUK OVER GELD
Darimons theorie van crisissen
Ontstaan en aard van het geld —   Sleutelpassage   – Pittig !  
Edele metalen als dragers van de geldverhouding
a) Goud en zilver in verhouding tot de andere metalen
b) Fluctuaties in de waardeverhoudingen tussen de verschillende metalen
De circulatie van geld
a) Geld als maatstaf voor waarden
b) Geld als circulatiemiddel
c) Geld als de materiële representant van rijkdom (accumulatie van geld; voorheen: geld als de algemene materie van contracten, enz.)
Het hoofdstuk over geld (vervolg)

HET HOOFDSTUK OVER HET KAPITAAL
Het hoofdstuk over geld als kapitaal
Verandering van geld in kapitaal
1. Circulatie en de uit circulatie voortkomende ruilwaarde zijn de voorwaarden van het kapitaal
2. Ruilwaarde die ontstaat in de circulatie, een voorwaarde van circulatie, die zichzelf daarin in stand houdt en vermenigvuldigt door middel van arbeid
Ruil tussen kapitaal en arbeid
Arbeidsproces en valorisering —   Sleutelpassage  
Absolute en relatieve meerwaarde
Meerwaarde en winst

HET CIRCULATIEPROCES VAN HET KAPITAAL
Reproductie en accumulatie van kapitaal
De oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal
Voorkapitalistische maatschappijvormen
De circulatie van kapitaal
Meerwaardetheorieën en winst
Vast en circulerend kapitaal
Vast kapitaal en de ontwikkeling van de productiekrachten van de samenleving —   Sleutelpassage  
Circulatie en reproductie van vast en circulerend kapitaal

PRODUCTIEF KAPITAAL. RENTE. WINST. (Productiekosten, enz.)
Aanvullingen op de hoofdstukken over geld en kapitaal
Geld als waardemeter
Geld als circulatiemiddel en als zelfstandige waarde
Machines en winst
Vervreemding
Uiteenlopende onderwerpen
1. Waarde

BASTIAT EN CAREY
Bastiats economische harmonieën
Bastiat over lonen


Bedenkingen bij een vertaling

Vooraleer Het Kapitaal Deel 1 onder Marx’ supervisie in 1867 van de persen rolde, had hij veel stukken die Engels na Marx’ dood opnam in wat nu de Delen Twee en Drie zijn, al enkele malen uitgeschreven. Een belangrijk deel van de andere vroegere versies van Het Kapitaal werd inmiddels reeds uitgegeven in het Duits of vertaald naar het Engels.

In 1859 publiceerde Marx het relatief korte, belangrijke en toegankelijke werk Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie. Dit is samen met de lezing Loonarbeid en kapitaal uit 1847 erg nuttig als eerste kennismaking met de economische theorieën van Marx.

In 1857 en ’58, dus kort voor Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie, trachtte Marx in wat later bekend werd als de Grundrisse, zijn opvattingen uit te diepen of te verfijnen. Hoe dit werk past in het oeuvre van Marx kan u lezen in het Woord Vooraf. In dit voorwoord willen we het hebben over de stijl, de vorm, de woordkeuze en de leesbaarheid van deze vertaling.

In tegenstelling tot de werken die hierboven vermeld werden, is de Grundrisse alles behalve gestructureerd of gepolijst. Dikwijls herhaalt Marx volledige betogen of herneemt hij hetzelfde thema vanuit een lichtjes andere invalshoek of geflankeerd door kritieken op nog andere voorgangers of tijdgenoten. Dit alleen al maakt het de lezer moeilijk en verklaart mede de geheimzinnige sfeer die rond dit werk is blijven hangen. Zelfs al had Marx nog tien jaar nodig om zijn opvattingen coherent uit te werken, toch zijn die nota’s belangrijk voor een goed begrip van Marx’ economische theorieën.

Regelmatig kan men lezen dat er ‘duizend marxismes’ zijn. Heel wat marxisten en filosofen hebben het over breuklijnen in de opvattingen van Marx. De analyses en interpretaties lopen sterk uiteen. In die discussies neemt de Grundrisse een sleutelpositie in omdat het kort voor de veel toegankelijker Bijdrage … (1859) geschreven werd, en omdat heel wat formuleringen veraf staan van de gepolijste meer analytische aanpak in de drie delen van Het Kapitaal. Het belang dat men eraan hecht, bepaalt hoe men Het Kapitaal uiteindelijk interpreteert. De discussies hebben veelal filosofische en methodologische uitlopers. Uiteindelijk mondt dit uit in de vraag of het economische luik van het marxisme en dus Het Kapitaal een natuurgetrouwe wetenschappelijke analyse van de inherente logica van het kapitalisme is of kan zijn, of daarentegen enkel een eerder moraliserende kritiek op de economen van zijn tijd is. Ernest Mandel verdedigde het eerste.

Soms wordt gewezen op leemtes in het werk van Marx, zoals het ontbreken van een theorie over het geld. De uitgebreide stukken in de Grundrisse samen met de vele opmerkingen verspreid in het volledige oeuvre van Marx wijzen op het tegendeel.

Het zoekende taalgebruik in Marx’ nota’s wordt omschreven als organisch, te synthetisch, hegeliaans. De vertaling trachtte dit ‘organisch’ woordgebruik te behouden, ook al weten we dat het voor de moderne lezer vreemd aanvoelt. Het is soms alsof Marx in die nota’s niet alleen wil beschrijven hoe het ‘is’, maar eerder hoe het organisch leeft en groeit.

De Grundrisse toont echter niet enkel hoe Marx steeds weer op zoek gaat naar een geschikte formulering of hoe zijn theorie vorm krijgt, maar kan ook helpen bij de interpretatie van Het Kapitaal. Dit is zeker zo voor de betekenis van het wetenschappelijke concept ‘waarde’ in zijn analyse van het kapitalisme. Ook wat dat betreft lopen de standpunten binnen het marxisme sterk uiteen. Het belangrijke onderscheid tussen ‘ruilwaarde’ en ‘gebruikswaarde’, de twee facetten van de ‘waren’ komt goed aan bod in de Grundrissse. Iedereen die voor het eerst geconfronteerd met het archaïsch aandoende woord ‘waar’ of ‘waren’ vraagt zich af waarom er niet gewoon ‘goederen’ staat.

Met het woord ‘goederen’ in plaats van ‘waren’ zou het specifieke van het kapitalisme ondergesneeuwd geraken. Het kapitalisme – als systeem, als totaliteit, als organisch geheel, als verzameling individuele kapitalen – bepaalt wat, wanneer, waar en hoe er al dan niet geproduceerd wordt. Er wordt geproduceerd om winst te maken, niet om tegemoet te komen aan individuele of maatschappelijke noden. Het produceert dus ‘waren’, geen ‘goederen’. De motivatie is de winst of de ‘ruilwaarde’, niet het tegemoet komen aan noden of de ‘gebruikswaarde’. De burgerlijke econoom zal hiertegen inbrengen dat de ondernemer toch ‘inspeelt’ op de individuele noden, en bij uitbreiding ook de maatschappelijke noden. Marx ontkent in de Grundrisse niet dat wat geproduceerd wordt gebruikswaarde of nut moet hebben, anders kan het immers niet worden verkocht. Marx onderzoekt de interne logica van een economie die produceert omwille van de ruilwaarde, dus impliciet omwille van de winst. Het theoretische model dat hij uitwerkt spitst zich toe op de ruilwaarde. In de werkelijkheid zijn ruilwaarde en gebruikswaarde onverbrekelijk met elkaar verbonden. In de theorie maakt Marx een dialectische opsplitsing, hij bakent zijn onderzoeksterrein af. ‘Waren’ door ‘goederen’ vervangen kan Marx’ analyse uithollen en herleiden tot een moraliserend betoog. Het verschuift zowel de motor – de drijfveer – van de economie als de verantwoordelijkheid, naar de consument. Tegelijkertijd wordt zo onbegrijpelijk hoe de Delen Twee en Drie van Het Kapitaal complementair zijn aan Deel Een.

Bij de vertaling werden keuzes gemaakt. Het moest mogelijk zijn om de vertaling naast de originele tekst te leggen. Daarom werd niet getracht om gebrekkige zinnen beter leesbaar te maken. Zinnen van een halve pagina werden evenmin in stukken gehakt. Als men bereid is op zoek te gaan naar de hoofdzin, valt het best mee. De lezer van deze vertaling bevindt zich in net dezelfde situatie als de lezer van het origineel. H/Zij wordt ondergedompeld in Marx’ zoektocht. Zo kan deze vertaling voor een beter begrip van het marxisme zorgen, en kan ze een middel zijn om een eigen mening te vormen.


Uit: Karl Marx – Friedrich Engels Werken (MEW42), Dietz Verlag Berlin 1983 (Instituut voor Marxisme-Leninisme van het CC van de SED).
Dit “Woord vooraf” is een algemene, enigszins afzonderlijke, inleiding tot deze vertaling van de Grundrisse.
De Engelse en Franse woorden, zinnen, enz., worden omwille van eenvoudigheid direct vertaald in het Nederlands en verschijnen niet als voetnoten. Het “technische” luik waarover dit voorwoord spreekt, dat is eveneens vereenvoudigd. Waar het nodig lijkt, staan de voetnoten, opmerkingen of toevoegingen uit de Duitstalige bron, of andere geraadpleegde teksten, tussen deze [ ].

Woord vooraf

Dit deel bevat drie economische manuscripten die Marx tussen juli 1857 en mei 1858 heeft geschreven:
1. “Bastiat en Carey” (juli 1857);
2. “Inleiding” (augustus 1857);
3. “Grundrisse der Kritik der politischen ökonomie” (oktober 1857 tot mei 1858).

Deze manuscripten werden voor het eerst volledig en in de originele tekst gepubliceerd in de jaren 1939-1941, in twee delen van de uitgave Karl Marx, Grundrisse der Kritik der politischen ökonomie (Rohentwurf) door het Instituut voor Marxisme-Leninisme van het CC van de CPSU. Een fotomechanische herdruk van deze uitgave werd gepubliceerd door Dietz Verlag Berlin in 1953.

De economische manuscripten van 1857/1858 zijn het resultaat van intens onderzoek door Marx op het gebied van de politieke economie.

Reeds de jaren veertig van de 19e eeuw waren een belangrijke periode in de ontwikkeling van de marxistische economische theorie. In deze periode werkten Marx en Engels de dialectisch-materialistische opvatting van de geschiedenis uit in werken als “De economisch-filosofische manuscripten”, “De heilige familie”, “De toestand van de arbeidersklasse in Engeland”, “De Duitse Ideologie”, “De armoede van de filosofie”, “Loonarbeid en kapitaal”, “Rede over de vrijhandel” en “Het Manifest van de Communistische Partij”, en breidden zo het dialectisch materialisme uit tot de kennis van de menselijke samenleving. Hierdoor konden zij al in de jaren veertig met een wetenschappelijk gefundeerde kritiek op de burgerlijke maatschappij komen. Marx en Engels werkten nauw samen en legden in de genoemde werken de leer van de klassenstrijd vast; zij onthulden de aard van de klassenstrijd in de kapitalistische maatschappij en toonden aan dat het socialisme het onvermijdelijke resultaat is van de economische wetten die in de burgerlijke maatschappij werkzaam zijn en dat het kapitalisme niet eeuwig zal blijven bestaan, maar zijn eigen doodgraver zal scheppen in de vorm van de arbeidersklasse. Marx begon zijn economische theorie in deze teksten al uit te werken.

In 1850, kort na zijn verhuizing naar Londen, hervatte Marx zijn economische studies, die hij tijdens de revolutie van 1848/49 had onderbroken, en zette hij zo zijn wetenschappelijke onderzoekingen van de jaren veertig voort. Hij bestudeerde systematisch boeken, pamfletten en tijdschriften, vooral de geschriften van burgerlijke economen als William Petty en François Quesnay tot de vertegenwoordigers van de klassieke Engelse economie Adam Smith en David Ricardo. Naast het werk van talrijke burgerlijke economen en utopische socialisten bestudeerde hij statistisch materiaal en Engelse parlementaire documenten, hij las officiële rapporten van Engelse fabrieksinspecteurs aan het Lagerhuis, verdiepte zich in historische, technische en wetenschappelijke literatuur, hij was ook geïnteresseerd in cultuurgeschiedenis, wereldgeschiedenis en hedendaagse geschiedenis. Londen, de grootste stad ter wereld in die tijd en metropool van het meest ontwikkelde kapitalistische land, bood gunstige voorwaarden voor deze studies. Marx zelf merkte hierover op: “Het immense materiaal voor de geschiedenis van de politieke economie in het British Museum, het gunstige standpunt dat Londen biedt voor de observatie van de burgerlijke maatschappij, tenslotte het nieuwe stadium van ontwikkeling waarin deze laatste schijnt te zijn gekomen met de ontdekking van het Californisch en Australisch goud, hebben mij ertoe gebracht opnieuw te beginnen en mij kritisch door het nieuwe materiaal heen te werken.”

Tot juli 1857 bestond het werk van Marx hoofdzakelijk uit het verzamelen en kritisch indexeren van de meest uiteenlopende bronnen over de economische theorie en uit het rechtstreeks bestuderen van alle belangrijke gebeurtenissen en feiten van het kapitalistische economische leven in Engeland en andere landen. Duizenden bladzijden met uittreksels getuigen van de omvang van zijn onderzoekswerk in de jaren vijftig. Van 1850 tot 1857 vulde hij tientallen schriften met uittreksels en samenvattingen, waarvan hij sommige achtereenvolgens met Romeinse cijfers nummerde, en waarnaar hij in de volgende jaren steeds weer verwees bij de uitwerking van zijn theorie. Bovendien maakte Marx in deze jaren een aantal notitieboekjes waarin hij de citaten over bepaalde onderwerpen samenvatte, bv. “Het volmaakte geldsysteem”, “Monetair stelsel, kredietstelsel, crisissen”, en van kort commentaar voorzag. Dit was een eerste behandeling van het verzamelde materiaal. Bovendien schreef Marx een groot aantal persartikelen over het economisch beleid en het economisch leven in de kapitalistische landen van die tijd, die nieuwe wetenschappelijke conclusies bevatten uit zijn theoretische studies.

Marx besteedde bijzondere aandacht aan de economische crisissen in sommige Europese landen in de jaren vijftig. In deze context wachtten Marx en Engels vol ongeduld op het ontstaan van een revolutionaire situatie. “Er is ditmaal een dies irae [Laatste Oordeel] als nooit tevoren, de gehele Europese industrie kaput, alle markten veroordeeld (...), alle bezittende klassen in moeilijkheden, totaal bankroet van de bourgeoisie, oorlog en losbandigheid in de hoogste graad. Ik geloof ook dat dit alles zal uitkomen in 1857”. In een brief van 17 november 1856 schreef Engels aan Marx: “Zo’n mooi tabula rasa als nu zal zich voor de revolutie niet zo gemakkelijk opnieuw voordoen. Alle socialistische bedriegerijen uitgeput, de gedwongen tewerkstelling van arbeiders sinds zes jaren geanticipeerd en ontploft, geen mogelijkheid tot nieuwe experimenten en frasen. Maar aan de andere kant zijn de moeilijkheden naakt en onverhuld; de stier moet direct bij de horens worden gevat.”

Toen in 1857 de economische crisis uitbrak, zoals Marx had voorspeld, verwachtte hij een nieuwe revolutionaire opstand als gevolg daarvan. Hij zag het daarom als zijn plicht zich onmiddellijk bezig te houden met de uitwerking van zijn economische theorie, om de arbeiders zo snel mogelijk economische kennis bij te brengen, hun klassenbewustzijn te versterken en hen te helpen de nieuwe historische taken van hun klasse te begrijpen. De arbeiders moest de onverzoenlijkheid van de klassentegenstelling tussen het proletariaat en de bourgeoisie worden getoond, een tegenstelling die noodzakelijkerwijs tot een proletarische revolutie zou leiden. Marx ging dus met grote haast over tot het samenvatten van de resultaten van zijn economische onderzoekingen van de jaren vijftig. “Ik werk ’s nachts als een bezetene aan de samenvatting van mijn economische studies”, schreef hij op 8 december 1857 aan Engels, “opdat ik tenminste de grote lijnen duidelijk zal hebben vóór de zondvloed”.

Dezelfde dag beschreef Jenny Marx in haar brief aan Conrad Schramm, een vriend en strijdmakker van Marx en Engels, de voortgang van het werk van Marx als volgt: “Je kunt je goed voorstellen hoe goedgehumeurd de Moor is. Al zijn vroegere vermogen om te werken en lichtheid zijn teruggekeerd, evenals de frisheid en opgewektheid van geest (...). Karl werkt overdag voor het dagelijks brood en ’s nachts om zijn economie te voltooien.” Nu is “dit werk dringend geworden, een noodzaak.” Toen brak in de herfst van 1857 de economische crisis uit, die echter niet leidde tot de revolutionaire situatie die men met zoveel ongeduld verwachtte, maar die voor Marx de onmiddellijke aanleiding was om zijn economische studies samen te vatten.

Het belangrijkste overgebleven resultaat, de creatieve veralgemening en systematisering van het in de jaren veertig en vooral vijftig verzamelde materiaal, zijn de drie in 1857/1858 geschreven economische manuscripten, die het onderhavige boekdeel bevat.

De schets “Bastiat en Carey” is een fragment. Marx schreef het in juli 1857. Hij schetst het kader van de klassieke politieke economie, waarvan de grondslagen einde 17e eeuw zijn gelegd door Petty en Boisguillebert, en die in het eerste derde deel van de 19e eeuw haar voltooiing vond in de werken van Ricardo en Sismondi.

Deze onvoltooide schets getuigt ervan hoe ver Marx toen reeds gevorderd was met zijn kritiek op de burgerlijke economen en de essentie van de economische wetten van het kapitalisme had onderkend. Deze schets is interessant voor de ontstaansgeschiedenis van de marxistische politieke economie, omdat Marx hier voor het eerst een volwassen oordeel velt over de overgang van de klassieke burgerlijke economie naar de vulgaire economie. Terwijl in Marx’ eerdere werken de verdeling van de burgerlijke economen in twee hoofdstromingen slechts in grote lijnen wordt gesuggereerd, geeft hij hier een nauwkeurige karakterisering van de klassieke burgerlijke politieke economie als onderscheiden van de vulgaire economie, waarmee hij getuigt van het verval van de burgerlijke economie.

Bastiat en Carey waren typische vertegenwoordigers van die vulgaire economen die het nodig vonden “de harmonie van de productieverhoudingen te bewijzen waar de klassieke economen naïef hun antagonisme tekenden.” Hun theorieën vormden een zeker gevaar voor de arbeidersbeweging, want zij vertroebelden de werkelijke situatie van de arbeiders in de kapitalistische maatschappelijke orde en dienden als krukje voor verschillende maatschappelijke illusies die de bourgeoisie goed uitkwamen. Marx onderzocht de economische omstandigheden die ten grondslag lagen aan de opvattingen van deze twee economen en toonde aan dat de “zeer verschillende, zelf-contradictoire nationale omgeving van waaruit beiden schrijven (...) hen niettemin tot dezelfde aspiraties drijft”.

Deze economen beschouwden de kapitalistische productie als het eeuwige natuurlijke ideaal van een harmonische ontwikkeling van de maatschappij; zij verklaarden het schandelijke kwaad van de burgerlijke maatschappij uit feodale overblijfselen en de inmenging van de staat in het economische leven – zoals Bastiat dacht – of uit de “vernietigende invloed van Engeland met zijn streven naar een industrieel monopolie op de wereldmarkt”, zoals het geval was bij Carey.

Marx weerlegde deze apologetische opvattingen met een wetenschappelijke analyse van de kapitalistische economie, haar objectieve wetten en haar interne antagonistische tegenstellingen.

Marx bedoelde de fragmentarische schets “Bastiat en Carey” oorspronkelijk als een bespreking van Frédéric Bastiats boek Harmonie économiques, 2e ed. Parijs 1851, maar hij liet dit project varen. “Het is onmogelijk om verder te gaan met deze onzin. Daarom stoppen we met Mr. Bastiat.

De andere onvoltooide schets, de “Inleiding”, werd eind augustus 1857 geschreven. Marx zag er later van af het te publiceren omdat hij niet vooruit wilde lopen op de “resultaten die eerst bewezen moesten worden”. Zij moesten het resultaat zijn van het gehele onderzoekswerk. In de “Inleiding” formuleert Marx uitvoeriger dan waar ook zijn opvatting over het doel en de methode van de politieke economie. In tegenstelling tot de burgerlijke economen, die de distributie op de voorgrond plaatsten, haar tot het eigenlijke voorwerp van de politieke economie verklaarden en het kapitalisme niet als een historisch voorbijgaande orde beschouwden, ging Marx uit van het primaat van de maatschappelijke productie. De analyse van de dialectische wisselwerking tussen productie, distributie, ruil en consumptie bracht hem tot de conclusie dat de productie niet alleen het uitgangspunt maar ook het bepalende moment is in deze eenheid, dat de vormen van distributie slechts een andere uitdrukking zijn van de vormen van productie. Marx erkende dat de productie maatschappelijk bepaald was en maakte haar tot voorwerp van zijn onderzoek.

In de “Inleiding” ontwikkelde Marx de wetenschappelijk correcte, de dialectisch materialistische methode van opklimmen van het abstracte naar het concrete, waarbij onder het concrete de eenheid van het veelvoudige wordt verstaan, de samenvatting van vele bepalingen als resultaat van het denken in het proces van deze synthese. In dit proces besteedde Marx bijzondere aandacht aan het probleem van de logische en historische benadering van het voorwerp van onderzoek. Hij toonde de noodzaak aan van een logisch samenhangende beschouwing van de economische categorieën, rekening houdend met hun rol in de gegeven economische structuur. De economische categorieën verschijnen echter niet alleen als knooppunten en middelen van kennis, maar ook als producten van de historische ontwikkeling van de maatschappij; daarom mag een logische analyse niet een willekeurige, zuiver mentale constructie zijn, los van de werkelijke processen. De wetenschappelijke abstracties in Marx’ theorie zijn onlosmakelijk verbonden met de concrete werkelijkheid en het verloop van het abstracte denken van het eenvoudige naar het ingewikkelde komt in het algemeen overeen met het werkelijke historische proces.

Uitgaande van zijn opvatting over het onderwerp en de methode van de politieke economie, gaf Marx in de “Inleiding” een eerste schets van de structuur van zijn economisch werk, dat alle belangrijke kanten van de burgerlijke maatschappij omvat. Marx schreef: “De indeling moet kennelijk zo worden gemaakt dat 1. de algemene abstracte bepalingen, die dus min of meer tot alle samenlevingsvormen behoren (...). 2. de categorieën die de innerlijke structuur van de burgerlijke maatschappij vormen en waarop de fundamentele klassen zijn gebaseerd. Kapitaal, loonarbeid, onroerend goed. Hun verhouding tot elkaar. Stad en platteland. De drie grote maatschappelijke klassen. Ruil tussen hen. Circulatie. Krediet (privé). 3. synthese van de burgerlijke maatschappij in de vorm van de staat. De staat met betrekking tot zichzelf beschouwd. De ‘onproductieve’ klassen. Belasting. Staatsschuld. Staatskrediet. De bevolking. De koloniën. Emigratie. 4. Verhouding van de productie tussen de naties. Internationale arbeidsdeling. Internationale ruil. In- en uitvoer. Wisselkoers. 5. De wereldmarkt en crisissen.”

Van oktober 1857 tot mei 1858 schreef Marx een manuscript van meer dan 50 gedrukte vellen. Het is bekend onder de titel “Grundrisse der Kritik der politischen ökonomie” en vertegenwoordigt de eerste versie – de ruwe schets – van zijn hoofdwerk Das Kapital.

Dit manuscript neemt een bijzondere plaats in in de geschiedenis van het ontstaan van het marxisme. Toen Marx zich in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw tot taak stelde een grondige en alomvattende studie te maken van de economie van de kapitalistische maatschappelijke orde, onderzocht hij de middelen, categorieën en methoden van zowel de filosofie als de politieke economie. Hij worstelde met de eerdere filosofie en ontwikkelde in dit proces de marxistische filosofie. Ook de Grundrisse getuigt duidelijk van dit creatieve filosofische werk. Zij behoren tot de klassieke werken van het marxistische wereldbeeld en getuigen van een grote rijkdom aan economische en filosofische vragen en antwoorden. Met de Grundrisse heeft Marx een geweldig theoretisch werk verricht: de ontdekking van de ontwikkelingswet van de moderne kapitalistische maatschappij. Hier werkte Marx voor het eerst zijn waardetheorie in grote lijnen en in wezenlijk detail uit, en op basis daarvan de meerwaardetheorie, de “hoeksteen van de economische theorie van Marx”. De materialistische opvatting van de geschiedenis en de theorie van de meerwaarde, dat zijn de twee grote ontdekkingen waardoor, zoals Engels zei, het socialisme van een utopie in een wetenschap werd omgevormd.

Toen Marx begon met de Grundrisse was de kern van de politieke economie, het probleem van de meerwaarde, hem vrij duidelijk, maar in de loop van het werk doken nieuwe onvoorziene details op die moesten worden opgehelderd. Het schrijven van het manuscript was dus niet slechts het vastleggen van wat eerder was uitgedacht, maar in de loop van het werk kwam Marx tot conclusies die niet alleen ontdekkingen waren met betrekking tot de stand van de politieke economie in die tijd; zijn eigen economische opvattingen werden verrijkt. Tegelijkertijd maakt het manuscript Marx’ onderzoeksmethode zichtbaar. De verschillende werkfasen waarin de theorie op beslissende wijze werd ontwikkeld, worden duidelijk zichtbaar en het is mogelijk om stap voor stap het proces te volgen waarin hij de basiselementen van zijn economische doctrine tot stand bracht. Zo worden bijvoorbeeld veel van Marx’ formuleringen in de loop van het verdere werk als ontoereikend erkend en derhalve gepreciseerd. Vaak wordt een probleem slechts zijdelings aangestipt en wordt de oplossing ervan uitgesteld tot later. Overheerst in de latere ontwerpen van zijn hoofdwerk de systematische uiteenzetting van reeds volledig ontwikkelde delen van zijn economische leer, dan is het in het manuscript van 1857/1858 mogelijk rechtstreeks de weg te volgen die Marx tot zijn grote ontdekkingen in de politieke economie heeft geleid.

Het is in dit verband ook van belang te benadrukken hoe energiek Marx tijdens zijn werk door Engels werd gesteund. Niet zelden had hij Engels’ deskundig advies nodig bij het analyseren van problemen die geworteld waren in de kapitalistische economische praktijk, maar onbeantwoord bleven in de gespecialiseerde literatuur. De briefwisseling tussen hen, uit deze periode, getuigt hier welsprekend.

Marx begon de Grundrisse met een kritiek op de economische opvattingen van de proudhonist Alfred Darimon, met name de proudhonistische theorie van het geld. Marx beschouwde de kritiek op het proudhonisme als een belangrijke taak van het wetenschappelijk socialisme. In 1880 schreef hij in een inleiding op de herdruk van zijn De armoede van de filosofie dat “om de weg vrij te maken voor een kritisch en materialistisch socialisme, dat de werkelijke, historische ontwikkeling van de maatschappelijke productie begrijpelijk wil maken, het noodzakelijk was bruusk te breken met die ideologie in de economie waarvan de laatste belichaming ongewild Proudhon was”.

De eerste uitvoerige kritiek op de kleinburgerlijke opvattingen van Proudhon leverde Marx al in 1847 in De armoede van de filosofie, maar toen baseerde hij zich voor een belangrijk deel op de economische leer van Ricardo. In het manuscript van 1857/1858 zette Marx de kritiek op het proudhonisme voort vanuit de positie van zijn eigen economische leer, die al grotendeels was uitgewerkt. Hij weerlegde de stelling van de proudhonisten dat een hervorming van de banken, de uitgifte van zogenaamd “werkgeld” of “timesheets”, een doeltreffend middel was om de ellende en de uitbuiting van de arbeidersmassa’s uit te bannen. Hij stelde dat het antagonistische karakter van de tegenstellingen in de kapitalistische maatschappij “nooit doorbroken kan worden door een stille metamorfose”, dat de voorstellen van de proudhonisten om de individuele “gebreken” van de kapitalistische maatschappij te elimineren en tegelijkertijd de economische grondslagen onaangetast te laten, een utopie zijn die de arbeidersklasse desoriënteert en afleidt van de vervulling van haar historische opdracht.

In het kader van zijn kritiek op de opvattingen van Proudhon werkte Marx in de Grundrisse de grondslagen van zijn waardetheorie uit, met inbegrip van het tweeledige karakter van arbeid en waar in de burgerlijke maatschappij en de noodzaak om de waar in geld om te zetten.

Het is geen toeval dat Marx de uiteenzetting van zijn waardetheorie begon met de kritiek op de proudhonistische geldtheorie. In deze benadering komt een essentieel kenmerk van Marx’ onderzoeksmethode tot uitdrukking. In feite is geld een bijzonder kenmerkende verschijningsvorm van de warenwaarde, aangezien geld, de geldvorm van waarde, de meest ontwikkelde vorm van waarde is die geschikt is voor het kapitalisme. De theorie van het geld is dus het directe gevolg van de theorie van de waarde. Marx was in staat tot deze inzichten te komen omdat hij in zijn kritiek op de burgerlijke politieke economie, zoals in het geheel van zijn onderzoek, dat voor Marx een eenvormig proces was, van de uiterlijke schijn naar de innerlijke essentie ging.

De these van het duale karakter van de arbeid in de kapitalistische warenproductie, voor het eerst uitgewerkt in de Grundrisse, is een schitterend resultaat van Marx’ denken. Zij vormt de basis van zijn waardetheorie en verschilt daarin vooral van de arbeidstheorie van de klassieken van de burgerlijke politieke economie. Zij begrepen niet de tegenstelling tussen concrete en abstracte arbeid in de burgerlijke maatschappij en beperkten zich tot de eenvoudige bepaling van de hoeveelheid waarde door arbeidstijd. Marx daarentegen benadrukte dat “alle begrip van de feiten” gebaseerd was op de erkenning van het duale karakter van de arbeid.

Uit het dubbele karakter van de arbeid, uit het feit dat de arbeid onder de voorwaarden van het privé-eigendom van de productiemiddelen rechtstreeks privé-arbeid is, terwijl haar maatschappelijke karakter zich eerst op de markt moet bewijzen, volgt de tegenstelling tussen gebruikswaarde en waarde van de waar, de tegenstelling die haar uiterlijke vorm van beweging vindt in de verdubbeling van de waar in de waren en het geld, in het feit dat de warenwaarde een zelfstandig bestaan verwerft in een speciale waar, het geld. Door op het eerste gezicht de tegenstelling tussen de gebruikswaarde en de waarde van de waar op te lossen, intensiveert het geld tegelijkertijd alle tegenstellingen van de op particuliere ruil gebaseerde warenproductie en confronteert het het kapitalisme onvermijdelijk met economische crisissen.

Tijdens de uitwerking van zijn waardetheorie in de Grundrisse bereikte Marx het punt waarop hij de waar als de economische celvorm van het kapitalisme had blootgelegd. Dit betekende echter dat het uitgangspunt voor de analyse van de economische structuur van de maatschappij niet de waarde kon zijn, zoals Ricardo veronderstelde, noch de waardeverhouding van de waren, maar veeleer de waar zelf, de materiële drager van deze verhouding.

Bij het beschouwen van de categorieën waren en geld analyseerde Marx de verzakelijking van maatschappelijke verhoudingen die kenmerkend is voor de burgerlijke maatschappij, de verknechting van individuen, gedomineerd door hun economische verhoudingen waarvan zij zich alleen met revolutionaire middelen kunnen bevrijden.

Een van de belangrijkste onderzoeksresultaten van Marx in het “Hoofdstuk over het geld” is de constatering dat de ontwikkelde vorm van warenproductie onder de voorwaarden van particulier eigendom van de productiemiddelen noodzakelijkerwijs de omzetting van geld in kapitaal veronderstelt. De ontwikkeling van de warenproductie en van de ruilwaarde leidt onvermijdelijk tot de “scheiding van arbeid en eigendom; zodat arbeid = gealiëneerde eigendom zal scheppen en eigendom vervreemde arbeid zal commanderen.”

In het “Hoofdstuk over het kapitaal” loste Marx het centrale probleem van zijn onderzoek op – de studie van de aard en het mechanisme van de kapitalistische uitbuiting.

De bourgeois economen hadden tevergeefs geprobeerd om van waarde rechtstreeks naar kapitaal over te gaan. Zij beschouwden kapitaal als een eenvoudige som van waarden en begrepen niet de essentie van de omzetting van geld in kapitaal. Marx stelde dat “de eenvoudige beweging van ruilwaarden, zoals die bestaat in zuivere circulatie, nooit kapitaal kan realiseren”.

De aard van de kapitalistische productieverhoudingen wordt bepaald door de verhouding tussen loonarbeider en kapitalist, tussen arbeid en kapitaal, die tegenover elkaar staan en waartussen een ruil plaatsvindt. De moeilijkheid bij de analyse van deze relatie bestaat erin aan te tonen dat de ruil tussen loonarbeider en kapitalist plaatsvindt op basis van de waardewet, d.w.z. op basis van ruil van equivalenten.

Marx’ analyse in het “Hoofdstuk over het kapitaal” is in wezen gebaseerd op het dubbele karakter van de waar, dat in het “Hoofdstuk over Geld” is onderzocht, op de beschouwing van de waar als een eenheid van tegenstellingen: van gebruikswaarde en waarde.

In de ruil tussen kapitaal en arbeid onderscheidt Marx twee kwalitatief verschillende processen: 1. de eigenlijke ruil tussen arbeider en kapitalist, waarbij de kapitalist de productiekracht ruilt “die het kapitaal in stand houdt en vermeerdert”, 2. het arbeidsproces zelf, waarin dit in stand houden en vermeerderen van het kapitaal plaatsvindt. Bij de analyse van het eerste proces formuleerde Marx het volgende inzicht: in de verhouding tussen kapitaal en arbeid, “is de ene kant (het kapitaal) (...) allereerst tegenover de andere kant ruilwaarde en de andere kant (arbeid), is het kapitaal gebruikswaarde.” Marx deed hier een belangrijke stap om van de gebruikelijke formule van de burgerlijke economen van de “waren-arbeid” en de “verkoop van arbeid” over te stappen op de waren-arbeidskracht. In de visie van Marx verschijnt arbeid niet langer als een waar, maar als de gebruikswaarde van een waar dat de arbeider aan de kapitalist verkoopt. Het bijzondere van deze gebruikswaarde bestaat erin dat zij “niet gematerialiseerd is in een product”, en helemaal niet bestaat los van de arbeider, “dus niet werkelijk, maar slechts naar mogelijkheid, als zijn kracht.”

In het eerste proces van ruil tussen arbeid en kapitaal werd ook de beschikkingsmacht over de levende arbeid van de arbeider, d.w.z. zijn arbeidskracht, zijn arbeidskapitaal, aan de kapitalist overgedragen. Het tweede proces van deze ruil is het arbeidsproces zelf, dat samenvalt met het proces van instandhouding en vermeerdering van het kapitaal.

Marx bewees dat de arbeider, die geen eigenaar is van de productiemiddelen, geen eigenaar kan zijn van de producten van zijn arbeid, van de waarde die hij in het productieproces voortbrengt. Maar een bepaald, vooraf bepaald deel van deze door de arbeider geproduceerde en aan de kapitalist toebehorende waarde moet door de kapitalist aan de arbeider worden terugbetaald in de vorm van loon, om de waarde van de arbeidskracht te betalen, d.w.z. dat deel van de arbeid dat in de “productie” van de arbeider zelf wordt verbruikt. De arbeider creëert meer waarde dan de waarde van zijn arbeidskracht, en de kapitalist ontvangt een meerwaarde die even groot is als het verschil tussen de waarde die door de levende arbeid wordt gecreëerd en de waarde van de arbeidskracht.

Het was in de Grundrisse dat Marx voor het eerst de termen constant kapitaal en variabel kapitaal gebruikte en hun relatie uitlegde. Het onderscheid tussen deze twee bestanddelen van het kapitaal is van groot belang voor de politieke economie van de arbeidersklasse, omdat het aantoont dat de winst in het productieproces niet door het gehele kapitaal wordt voortgebracht, maar alleen door dat deel dat voor de arbeidskracht wordt betaald. De waarde van het constant kapitaal groeit niet tijdens het productieproces, maar wordt slechts overgedragen op het product.

De klassieke burgerlijke politieke economie heeft de meerwaarde nooit zuiver als zodanig bestudeerd, maar alleen in haar bijzondere vormen, zoals winst, interest en rente, die aan de oppervlakte van de burgerlijke maatschappij werkzaam zijn. De studie van de meerwaarde los van haar bijzondere vormen is een van de belangrijkste verworvenheden van de economische leer van Marx.

In het “Hoofdstuk over het Kapitaal” ontwikkelde Marx voor het eerst in grote lijnen zijn leer van de twee soorten meerwaarde, de absolute en de relatieve meerwaarde. In dit verband onthulde hij de tweeledige tendens van het kapitaal: de verlenging van de arbeidsdag als middel om de absolute meerwaarde te verhogen en de verkorting van de noodzakelijke arbeidstijd door verhoging van de arbeidsproductiviteit als middel om de relatieve meerwaarde te verhogen.

Op deze wijze heeft Marx in dit manuscript voor het eerst in de geschiedenis van de economische wetenschap het mechanisme van de kapitalistische uitbuiting uiteengezet. Hij toonde aan dat de toe-eigening door de kapitalistische klasse van de door de arbeiders gecreëerde meerwaarde de basis vormt van de kapitalistische productiewijze. Zij verloopt volgens haar inherente wetten, met name de wet van de meerwaarde. Meerwaarde verschijnt in Marx’ theorie als het noodzakelijke resultaat van de kapitalistische productieverhoudingen; de productie en toe-eigening ervan is de essentie van deze verhoudingen, het voornaamste doel van de kapitalisten, zij bepaalt de andere categorieën en verhoudingen van de burgerlijke maatschappij, zij ligt ten grondslag aan de bewegingswet van de kapitalistische productiewijze en conditioneert onvermijdelijk haar ondergang en haar vervanging door het communisme. Als, zoals Marx aantoonde, kapitalistische uitbuiting voortkomt uit de aard van de kapitalistische productieverhoudingen, dan volgt daaruit dat binnen de kapitalistische maatschappelijke orde de arbeidersklasse niet bevrijd kan worden van haar uitbuiting. Gelijktijdig hiermee worden, zoals Marx aantoonde, binnen de burgerlijke maatschappij zelf de materiële voorwaarden geschapen voor de vernietiging van de kapitalistische productiewijze, “zowel de verkeersverhoudingen als de productieverhoudingen brengen zichzelf voort, die evenzeer mijnen zijn om op te blazen”.

In de Grundrisse had Marx ook al een begin gemaakt met het verklaren van de verschijningsvormen van de meerwaarde op basis van zijn meerwaardetheorie. Hij ontwikkelde zijn eerste gedachten over de ontdekking van de wet van de gemiddelde winst en de definitie van de productieprijs, d.w.z. over de verklaring van het tegenstrijdige mechanisme van prijsvorming onder de voorwaarden van het kapitalisme. Marx stelde vast dat de winst van de gehele kapitalistische klasse niet groter kan zijn dan de som van de totale meerwaarde en kwam aldus tot de conclusie dat de winstpercentages, die noodzakelijkerwijs verschillen in de verschillende bedrijfstakken, in evenwicht zijn tot een algemeen winstpercentage als gevolg van de concurrentie tussen de bedrijfstakken. De vorming van de algemene winstvoet geschiedt, zoals Marx aantoont, door de herverdeling van de totale som van de in alle takken van de kapitalistische productie geproduceerde meerwaarde, naargelang van de omvang van het in deze of gene tak geïnvesteerde kapitaal. In dit proces worden waren verkocht tegen een productieprijs die verschilt van hun waarde. Het kan in sommige takken hoger zijn dan de waarde en in andere lager.

Tijdens zijn werk aan het “Hoofdstuk over het Kapitaal” vulde Marx de analyse van de kapitalistische productiewijze aan met een onderzoek van de voorafgaande samenlevingsvormen en richtte hij zijn blik op de toekomst, op die maatschappelijke orde die noodzakelijkerwijs het kapitalisme zal vervangen. Hij schreef: onze methode toont “de punten aan waar de historische beschouwing haar intrede moet doen, of waar de burgerlijke economie, als louter historische gedaante van het productieproces, verwijst naar vroegere historische productiewijzen (...). Evenzo leidt deze juiste waarneming anderzijds tot punten waarop de opheffing van de huidige vorm van de productieverhoudingen – en dus de voorafschaduwing van de toekomstige, wordende beweging – wordt aangegeven. Als aan de ene kant de voor-burgerlijke fasen als louter historische, d.w.z. opgeheven, voorwaarden worden gezien, dan worden aan de andere kant de huidige productievoorwaarden als opheffing van zichzelf gezien, dus als historische voorwaarden voor een nieuwe maatschappelijke toestand.”

In dit verband heeft Marx in het “Hoofdstuk over het Kapitaal” een historische schets gegeven van de vormen die aan de kapitalistische productie voorafgingen. Hij onderzocht de ontwikkeling van eigendom vanaf de primitieve gemeenschappelijke orde tot het ontstaan van de kapitalistische wijze van toe-eigening, waarmee hij een belangrijke stap zette in de uitwerking van zijn leer van de economische maatschappelijke formaties. Op deze wijze verdiepte hij de opvattingen die hij voor het eerst had uiteengezet in De Duitse Ideologie. Marx gaf een definitie van eigendom en traceerde in detail de evolutie van de vormen ervan in relatie tot veranderingen in de productievoorwaarden. Dit verband tussen de eigendomsvorm en de productievoorwaarden werd later door Marx geformuleerd in het voorwoord bij de publicatie van zijn geschrift Zur Kritiek der Politischen ökonomie. Erstes Heft, waarin hij spreekt over eigendomsverhoudingen als een “juridische uitdrukking” van een of andere historisch ontwikkelde productieverhouding.

In de Grundrisse karakteriseerde Marx ook het begrip “productiewijze” door te wijzen op de actieve rol van de productiekrachten in het proces van maatschappelijke ontwikkeling, die onvermijdelijk leiden tot de vervanging van de ene maatschappelijke formatie door de volgende, een hogere.

In verband met de studie van de ontwikkeling van de voorkapitalistische eigendomsvormen heeft Marx het proces van de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal uiteengezet en aangetoond dat de essentie ervan enerzijds bestaat in de vorming van een klasse van loonarbeiders die de productiemiddelen niet bezitten, en anderzijds in de omzetting van productiemiddelen in kapitaal, bevrijd van de traditionele hindernissen van de feodaliteit en de gilden. Voor het eerst werd het tijdperk van de oorspronkelijke accumulatie hier gedefinieerd als een bijzondere overgangsperiode van de historische ontwikkeling.

In de Grundrisse heeft Marx de grondslagen van de wetenschappelijke periodisering van de geschiedenis van de kapitalistische maatschappij, die hij reeds in de jaren veertig had aangegeven, verder uitgediept. Hij stelde de noodzaak vast om in de ontwikkeling van het kapitalisme een onderscheid te maken tussen de manufactuur- en de machinefase. De manufactuur vormt nog niet de materiële basis voor de algemene verbreiding van de kapitalistische verhoudingen en voor de verdringing van de voorkapitalistische formaties. Alleen de grootschalige machinale productie is de materiële basis voor de uiteindelijke vorming van het kapitalistische systeem, alleen zij is toereikend voor de volledige overheersing van het kapitaal.

Door de ontstaansgeschiedenis van het kapitalisme te bestuderen en de wetten van zijn vorming en ontwikkeling te ontdekken, had Marx de werkelijke historische plaats van het kapitalisme bepaald en de onvermijdelijke ondergang ervan aangetoond, de onvermijdelijke opheffing van de inherente scheiding van arbeid en eigendom van het kapitalisme. “Opdat de arbeid zich opnieuw zou kunnen verhouden tot zijn objectieve voorwaarden, als zijn eigendom, moet een ander systeem de plaats innemen van het systeem van privéruil.” Marx’ analyse van de nieuwe maatschappelijke orde die in deze context het kapitalisme vervangt, verdient bijzondere belangstelling.

In het manuscript van 1857/1858 beschrijft Marx de communistische maatschappij als zo’n maatschappij waar “vrije individualiteit, gebaseerd op de universele ontwikkeling van individuen en de ondergeschiktheid van hun gemeenschappelijke, maatschappelijke productiviteit, als hun maatschappelijk eigendom” heerst. Marx onderstreept de historische noodzaak van de overgang naar de communistische maatschappij, waarvan het ontstaan een bepaald stadium in de ontwikkeling van de materiële en geestelijke omstandigheden veronderstelt.

Arbeid in de toekomstige communistische maatschappij wordt door Marx gekarakteriseerd als direct maatschappelijke arbeid. Onder de voorwaarden van de gemeenschappelijke productie verschijnt de arbeid van het individu van meet af aan als maatschappelijke arbeid. Het is niet de ruil die de arbeid het karakter van het algemene geeft, maar het maatschappelijke eigendom van de productiemiddelen en het gemeenschappelijke karakter van de productie maken het product van de arbeid van meet af aan tot een maatschappelijk, algemeen product.

Van bijzonder belang in dit verband is Marx’ wet van de tijd-economie onder de voorwaarden van de communistische maatschappij. Marx schrijft: “Uitgaande van een gemeenschappelijke productie, blijft de bepaling van de tijd natuurlijk essentieel. Hoe minder tijd de maatschappij nodig heeft om graan, vee, enz. te produceren, hoe meer tijd zij wint voor andere producties, materiële of geestelijke. Evenals in het geval van een individu hangt de veelzijdigheid van zijn ontwikkeling, zijn genot en zijn activiteit af van de besparing van tijd. Economie van de tijd, daarin lost alle economie zich uiteindelijk op. Op dezelfde wijze moet de maatschappij haar tijd op de juiste wijze verdelen om een productie te verkrijgen die aan haar totale behoeften voldoet; net zoals het individu zijn tijd op de juiste wijze moet verdelen om kennis in de juiste verhouding te verwerven of om aan de verschillende eisen van zijn activiteit te voldoen. De economie van de tijd, evenals de systematische verdeling van de arbeidstijd over de verschillende bedrijfstakken, blijft dus de eerste economische wet op basis van de gemeenschappelijke productie. Het wordt zelfs in veel grotere mate wet.” Elke echte economie manifesteert zich in de besparing van arbeidstijd, in de vermindering van de productiekosten tot een mogelijk minimum; met andere woorden, in de verhoging van de productiviteit van de arbeid. Dit is identiek met de ontwikkeling van de productiekrachten. Besparing van arbeidstijd betekent verlenging van de vrije tijd, hetgeen weer een weerslag heeft op de productiekracht van de arbeid. Vrije tijd – als tijd van ontspanning, tijd voor onderwijs, artistieke activiteit, enz. – stelt ieder lid van de samenleving in staat zijn of haar geestelijke en lichamelijke vermogens ten volle te ontwikkelen.

In tegenstelling tot sommige utopische socialisten, die ervan droomden dat onder het communisme het werk zou worden omgevormd van de gehate last, de vloek, die het onder het kapitalisme voor de overgrote meerderheid van de werkende mensen is, tot een spel, louter vermaak, spreekt Marx van de universaliteit van het werk in de communistische maatschappij, van het werk als de eerste levensbehoefte, als de “meest verdoemde ernst”. Communistische arbeid heeft een wetenschappelijk karakter, het is de praktische toepassing van kennis, “experimentele wetenschap, materieel scheppende en objectiverende wetenschap”. De wetenschap wordt omgevormd tot een onmiddellijke productieve kracht.

Toen Marx zijn economische theorie ontwikkelde, werkte hij tegelijkertijd aan de structuur van zijn economisch werk. In de “Inleiding” is reeds melding gemaakt van het eerste ontwerpplan dat Marx eind augustus 1857 heeft opgesteld en dat onvoltooid is gebleven. Volgens dit plan, dat Marx in bijna dezelfde vorm herhaalde aan het einde van het “Hoofdstuk over het geld”, zou het werk uit vijf delen bestaan, waarvan het eerste de algemene abstracte bepalingen zou bevatten die in deze of gene vorm inherent zijn aan alle maatschappelijke ordeningen.

In november 1857, aan het begin van het “Hoofdstuk over het Kapitaal”, gaf Marx al meer gedetailleerdere versies van het plan voor dat deel van zijn werk dat als onmiddellijk doel het kapitaal in al zijn vormen en aspecten heeft, waarbij hij in de sectie “Algemeenheid” (waaraan Marx later de benaming “Kapitaal in het algemeen” gaf) een driedeling maakte van het materiaal dat later zo’n grote rol speelde in de structuur van zijn “Kapitaal”.

Met dit manuscript “Grundrisse der Kritik der politischen ökonomie” vatte Marx de resultaten van zijn economische studies samen. Het is niet in de eerste plaats geschreven voor publicatie, maar diende Marx voor zelfbegrip. In zijn confrontatie met de bourgeois en kleinburgerlijke ideologie ontwikkelde hij belangrijke basisideeën van zijn economische doctrine. Door zijn uitgebreide studies was Marx in staat het mechanisme van de kapitalistische uitbuiting bloot te leggen en zo een belangrijke stap te zetten in de richting van een alomvattende economische rechtvaardiging van de historische missie van de arbeidersklasse.

De voltooiing van dit manuscript betekende het einde van de eerste belangrijke fase in de uitwerking van Marx’ economische theorie en de vorming van de structuur van zijn toekomstige magnum opus, Das Kapital.

Omwille van volledigheid is het onderstaande ‘technische’ luik behouden in deze vertaling van het MEW42-voorwoord

Met de publicatie van de Marx-Engels-Gesamtausgabe (MEGA), die gezamenlijk wordt uitgegeven door het Instituut voor Marxisme-Leninisme van het CC van de CPSU en het Instituut voor Marxisme-Leninisme van het CC van de SED, is het mogelijk de huidige MEW op basis van de MEGA aan te vullen met aanvullende delen.
In dit deel zijn de nieuwe onderzoeksresultaten van deel 1 van het tweede deel van de MEGA en van deel 46 van de tweede Russische uitgave van de werken van Marx en Engels verwerkt in de tekst, het voorwoord en het wetenschappelijk apparaat.
De tekst volgt de ongewijzigde weergave van Marx’ manuscripten in de MEGA. Duidelijke tikfouten worden zonder bewijs gecorrigeerd, en alle tekstuele ingrepen die de betekenis veranderen, worden in voetnoten aangegeven. Voor een beter begrip van de tekst heeft de redactie op sommige plaatsen verklarende of aanvullende woorden tussen vierkante haken geplaatst. De manuscripten werden door Marx zelf slechts spaarzaam gestructureerd met hoofdingen. Een groot deel van de hoofdingen is afkomstig van de redactie en wordt aangegeven met vierkante haken. Hier worden de hoofdingen van het MEGA-volume gebruikt. De vierkante haakjes van Marx worden vervangen door gekrulde haakjes.
Alle langere citaten staan in kleine letters. Citaten in vreemde talen zijn in de tekst voor het eerst in het Duits vertaald; de oorspronkelijke bewoordingen zijn te vinden in de bijlage. Voor zover mogelijk zijn vertalingen opgenomen van citaten die Marx of Engels hebben gegeven in de Theorieën over de meerwaarde, in Het Kapitaal en in andere werken. Voor de vertaling van Smith en Ricardo zijn de nieuwe edities van hun belangrijkste werken gebruikt (David Ricardo, On the Principles of Political Economy and Taxation. Vertaald en met een inleiding door Gerhard Bondi, Berlijn 1959. Adam Smith, An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations. Vertaald en ingeleid door Peter Thal, deel I, Berlijn 1963).
De voetnoten van Marx zijn gemarkeerd met een asterisk. De niet-Nederlandse woorden en zinnen die hij in de tekst gebruikte, zijn ongewijzigd overgenomen en vertaald in voetnoten. Deze worden van de tekst gescheiden door een doorlopende lijn en aangegeven met nummers.
De nummers van Marx’ manuscripten worden aangeduid met Romeinse cijfers, de manuscripten met Arabische cijfers tussen verticale lijnen.
Spelling en interpunctie zijn gemoderniseerd waar dat gerechtvaardigd is.
De fonetische volgorde en het aantal lettergrepen in de Duitstalige teksten worden niet gewijzigd. In de tekst voorkomende inconsistenties in de valuta-aanduidingen zijn gestandaardiseerd.
Dit deel bevat noten, waarnaar in de tekst wordt verwezen met superscriptnummers tussen vierkante haken, een index van literatoren en personen, een index van gewichten, maten en munten, een index van afkortingen en een index van onderwerpen.


Inleiding

[Hoofdlijnen van de Kritiek van de Politieke Economie]

1. Productie, consumptie, distributie, ruil (circulatie)

1. Productie

a) Het huidige onderwerp is allereerst de materiële productie.
Individuen die produceren in de maatschappij – dus maatschappelijk gedetermineerde productie door individuen is natuurlijk het uitgangspunt. De individuele en geïsoleerde jager en visser, waarmee Smith en Ricardo beginnen, behoort tot de fantasieloze wanen van de 18e eeuw. Robinsonades die geenszins, zoals cultuurhistorici veronderstellen, alleen maar een afkeer uitdrukken tegen oververfijning en een terugkeer naar een fout begrepen natuurlijk leven. Evenmin als dat Rousseau’s Contrat social, dat de van nature onafhankelijke subjecten in een verhouding en contact brengt door middel van een contract, gebaseerd is op een dergelijk naturalisme. Dit is schijn en louter de esthetische schijn van de kleine en grote robinsonaden. Het is veeleer de anticipatie van de “burgerlijke maatschappij”, die zich sinds de 16e eeuw voorbereidde en in de 18e grote stappen naar volwassenheid heeft gezet. In deze maatschappij van vrije concurrentie lijkt het individu los te staan van de natuurlijke banden enz. die hem in eerdere historische tijdperken tot een aanhangsel maken van een bepaald, beperkt menselijk conglomeraat. De profeten van de 18e eeuw, op wier schouders Smith en Ricardo nog steeds staan, hebben dit individu van de 18e eeuw – het product enerzijds van de ontbinding van de feodale maatschappijvormen en anderzijds van de nieuwe productiekrachten ontwikkeld sinds de 16e eeuw – voor ogen als een ideaal waarvan het bestaan voorbij is. Niet als een historisch resultaat, maar als het uitgangspunt van de geschiedenis. Omdat het natuurlijke individu, passend bij hun opvatting van de menselijke natuur, er niet één is die historisch ontstaat, maar die door de natuur is bepaald. Tot nu toe is dit bedrog eigen aan elk nieuw tijdperk. Steuart, die in sommige opzichten contrasteert met de 18e eeuw en als aristocraat meer historisch geworteld is, heeft deze dwaasheid vermeden.

Hoe verder wij in de geschiedenis teruggaan, hoe meer het individu, dus ook het producerende individu, als niet-zelfstandig verschijnt, als deel uitmakend van een groter geheel: eerst nog op een heel natuurlijke manier in de familie en de tot de stam uitgebreide familie; later in de gemeenschap die ontstaat uit de oppositie en versmelting van de stammen in hun verschillende vormen. Pas in de 18e eeuw, in de “burgerlijke maatschappij”, werden de verschillende vormen van maatschappelijke samenhang geconfronteerd met het individu als louter een middel voor zijn particuliere doeleinden, als uitwendige noodzaak. Maar het tijdperk dat dit standpunt voortbrengt, dat van het geïsoleerde individu, is juist dat van de meest ontwikkelde maatschappelijke (vanuit dit standpunt algemene) verhoudingen tot nu toe. De mens is in de meest letterlijke zin een zoön politikon [gemeenschapswezen], niet alleen een maatschappelijk dier, maar een dier dat zich alleen in de maatschappij kan individualiseren. De productie van het geïsoleerde individu buiten de maatschappij – een zeldzame uitzondering die zich kan voordoen wanneer een beschaafd persoon in wie de sociale krachten reeds actief aanwezig zijn, door het toeval in de wildernis wordt geworpen – is net zo een onding als de ontwikkeling van de taal zonder individuen die samenleven en samen spreken. Het is niet nodig hier lang bij stil te staan. Het zou zelfs niet hoeven aangeroerd te worden, indien de flauwiteit, die bij mensen van de 18e eeuw zinnig en redelijk was, niet opnieuw door Bastiat, Carey, Proudhon, enz. ernstig opgenomen werd in de moderne economie. Voor Proudhon e.a. is het natuurlijk aangenaam om de oorsprong van een economische verhouding, waarvan hij de historische genese niet kent, in termen van historische filosofie te ontwikkelen door te mythologiseren dat Adam of Prometheus een klaar en afgerond idee hadden, waarna het werd ingevoerd, enz. Niets is zo saai en droog als een verzonnen locus communis [gemeenplaats].

Wanneer wij dus over productie spreken, hebben wij het altijd over productie in een bepaald stadium van maatschappelijke ontwikkeling – over de productie van maatschappelijke individuen. Het lijkt er dus op dat wij, om zelfs maar van productie te kunnen spreken, ofwel het historische ontwikkelingsproces in zijn verschillende fasen niet moeten volgen, ofwel van meet af aan moeten verklaren dat wij te maken hebben met een bepaald historisch tijdperk, bv. de moderne burgerlijke productie, die in feite ons eigenlijke onderwerp is. Maar alle tijdperken van de productie hebben bepaalde kenmerken gemeen, gemeenschappelijke regels. De productie in het algemeen is een abstractie, maar een begrijpelijke abstractie, in zoverre dat zij werkelijk het gemeenschappelijke benadrukt en vastlegt en ons de herhaling bespaart. Maar dit algemene, of het door vergelijking afgescheiden gemeenschappelijke, is zelf een veelvoudige geleding, uiteenlopend in verschillende bepalingen. Een deel ervan behoort tot alle tijdperken; andere zijn gemeenschappelijk. [Sommige] bepalingen zullen het modernste tijdperk gemeen hebben met het oudste. Geen enkele productie is denkbaar zonder deze gemeenschappelijkheid; maar zoals de meest ontwikkelde talen wetten en bepalingen gemeen hebben met de meest onontwikkelde, dan is juist het verschil met dit algemene en gemeenschappelijke het kenmerk van hun ontwikkeling. De regels van toepassing op de productie in het algemeen moeten afgescheiden worden, juist om het wezenlijke verschil met de eenheid niet te vergeten – wat reeds blijkt uit het feit dat het subject, de mensheid, en het object, de natuur, hetzelfde zijn. In dit vergeten ligt bijvoorbeeld alle wijsheid van de moderne economen, die de eeuwigheid en harmonie van de bestaande maatschappelijke verhoudingen bewijzen. Zo is er geen productie mogelijk zonder een productie-instrument, zelfs al zou dit instrument alleen de hand zijn. Geen enkele is mogelijk zonder eerder geaccumuleerde arbeid, ook indien deze arbeid slechts de vaardigheid zou zijn die door herhaalde oefening in de hand van de wilde is geaccumuleerd en geconcentreerd. Kapitaal is, onder andere, ook een productie-instrument, ook eerdere geobjectiveerde arbeid. Kapitaal is dus een algemene, eeuwige natuurlijke verhouding; dat wil zeggen, indien ik juist dat specifieke ding weglaat, dat “productie-instrument”, de “geaccumuleerde arbeid”, dat wat het in de eerste plaats tot kapitaal maakt. De hele geschiedenis van de productieverhoudingen verschijnt aldus, bv. in Carey’s werk, als een vervalsing, kwaadwillig opgevoerd door de regeringen.

Als er geen productie in het algemeen bestaat, bestaat er ook geen algemene productie. Productie is altijd een bijzondere bedrijfstak, bv. landbouw, veeteelt, industrie, enz. – of het is een totaliteit. Maar de politieke economie is geen techniek. De verhouding van de algemene bepalingen van de productie op een gegeven maatschappelijk niveau tot de bijzondere productievormen zijn elders te ontwikkelen (later).

Tenslotte is de productie niet geïsoleerd. Het is altijd een bepaald maatschappelijk lichaam, een maatschappelijk subject, dat actief is in een groter of kleiner geheel van bedrijfstakken. De verhouding van de wetenschappelijke uiteenzetting tot de reële beweging staat hier los van. Productie in het algemeen. Bijzondere bedrijfstakken. Totaliteit van de productie.

Het is mode om een economisch werk in te leiden met een algemeen deel – en precies dit deel komt voor onder de titel “productie” (zie bv. J. St. Mill) – waarin de algemene voorwaarden van alle productie worden behandeld. Dit algemene deel bestaat, of wordt verondersteld te bestaan: 1. uit de voorwaarden zonder welke productie niet mogelijk is. Dat is in feite niets anders dan het vermelden van de essentiële momenten van alle productie. In feite wordt dit echter, zoals wij zullen zien, gereduceerd tot enkele zeer eenvoudige vaststellingen en geformuleerd in oppervlakkige tautologieën; 2. de omstandigheden die meer of minder bevorderlijk zijn voor de productie, zoals Adam Smiths progressieve en stagnerende staat van de maatschappij. Om dit, wat bij hem zijn waarde als aperçu heeft, een wetenschappelijke betekenis te geven, zou onderzoek nodig zijn naar de perioden van de productiviteitsgraden in de ontwikkeling van de afzonderlijke volkeren – een onderzoek dat buiten de eigenlijke grenzen van het onderwerp ligt, maar dat, voor zover het daar thuishoort, moet worden toegepast op de ontwikkeling van concurrentie, accumulatie, enz. In de gebruikelijke formulering komt het antwoord neer op de algemene stelling dat een industrieel volk het hoogtepunt van zijn productie bereikt op het moment dat het in het algemeen zijn historische hoogtepunt bereikt. Feitelijk. Het industriële hoogtepunt van een volk wanneer zijn voornaamste zorg nog niet winst is, maar eerder winnen. Dus de Yankees op de Engelsen. Of, ook, dat bv. bepaalde rassen, locaties, klimaten, natuurlijke omstandigheden zoals havens, bodemvruchtbaarheid enz. gunstiger zijn voor de productie dan een andere. Ook dit komt neer op de tautologie dat rijkdom gemakkelijker tot stand komt waar de elementen ervan subjectief en objectief in grotere mate aanwezig zijn.

Maar dat is niet waar economen zich in dit algemene deel echt mee bezighouden. De productie wordt veeleer voorgesteld – zie bv. Mill – in tegenstelling tot de distributie, enz., als gekaderd in eeuwige natuurwetten die onafhankelijk zijn van de geschiedenis, en bij die gelegenheid worden de burgerlijke verhoudingen dan heel slinks in abstracto als onveranderlijke natuurwetten van de maatschappij opgedrongen. Dit is het min of meer bewuste doel van de hele procedure. Bij de distributie daarentegen zou men zich allerlei willekeur hebben veroorloofd. Afgezien van de ruwe scheiding tussen productie en distributie en hun werkelijke verhouding, moet van meet af aan duidelijk zijn dat, hoe verschillend de distributie ook mag zijn op verschillende niveaus van de maatschappij, het evengoed mogelijk moet zijn gemeenschappelijke regelingen aan het licht te brengen als bij de productie, en evenzeer mogelijk moet zijn alle historische verschillen in algemene menselijke wetten te verwarren of uit te wissen. Bv., de slaaf, de horige, de loonarbeider, allen ontvangen een hoeveelheid voedsel die hen in staat stelt te bestaan als slaaf, als horige, als loonarbeider. De veroveraar die leeft van een tribuut, of de ambtenaar die leeft van de belasting, de landeigenaar die leeft van pacht, of de monnik van aalmoezen, of de leviet van tienden, allen ontvangen een quotum van de maatschappelijke productie, bepaald door andere wetten dan die van de slaaf, enz. De twee hoofdpunten die alle economen onder deze noemer plaatsen, zijn: 1. eigendom; 2. bescherming daarvan door justitie, politie, enz. Het antwoord hierop moet heel kort zijn:

1. Alle productie is toe-eigening van de natuur door het individu binnen en door middel van een bepaalde maatschappijvorm. In die zin is het een tautologie te zeggen dat eigendom (toe-eigening) een voorwaarde is voor productie. Maar het is belachelijk om van dit alles een sprong te maken naar een bepaalde vorm van eigendom, bv. privé-eigendom. (Wat bovendien een tegengestelde vorm veronderstelt, niet-eigendom). De geschiedenis toont dat het gemeenschappelijk bezit (bv. bij de indianen, Slaven, oude Kelten, enz.) de oorspronkelijke vorm was, een vorm die nog lange tijd een belangrijke rol heeft gespeeld in de vorm van gemeenschappelijk bezit. De vraag of rijkdom zich beter ontwikkelt onder deze of gene vorm van eigendom is hier niet eens aan de orde. Maar het is een tautologie dat er geen productie, dus geen maatschappij, kan zijn waar er geen vorm van eigendom is. Een toe-eigening die niets tot het zijne maakt is een contradictio in subjecto [een ongerijmdheid].

2. Beveiliging van het verworvene enz. Wanneer deze trivialiteiten tot hun werkelijke inhoud worden teruggebracht, zeggen zij meer dan hun verkondigers weten. Namelijk dat elke vorm van productie zijn eigen rechtsverhoudingen, regeringsvorm, enz. voortbrengt. De ruwheid en het gebrek aan begrippen ligt juist in het feit dat wat organisch bij elkaar hoort, willekeurig met elkaar in verband wordt gebracht, in een loutere context van reflectie. De bourgeois economen leven enkel in de waan dat met de moderne politie beter kan worden geproduceerd dan met bijvoorbeeld het vuistrecht. Zij vergeten dat het vuistrecht ook een recht is en dat het recht van de sterkste in een andere vorm voortleeft in hun “rechtsstaat”.

Wanneer de maatschappelijke omstandigheden die met een bepaalde productiefase overeenkomen, zich voor het eerst voordoen, of wanneer zij reeds vergaan, treden er van nature productieverstoringen in, zij het in verschillende mate en met verschillende effecten.

Om samen te vatten: er zijn bepalingen die alle productiestadia gemeen hebben en die door het denken als algemeen worden begrepen; maar de zogenaamde algemene voorwaarden van alle producties zijn niets anders dan deze abstracte momenten, waarmee geen enkel werkelijk historisch productiestadium wordt gevat.

2. De algemene verhouding van de productie tot distributie, ruil, consumptie

Alvorens over te gaan tot een verdere analyse van de productie, moeten we stilstaan bij de verschillende rubrieken die de economen ernaast plaatsen.

Het voor de hand liggende idee: met de productie eigenen de leden van de maatschappij zich de producten van de natuur toe (voortbrengen, vorm geven) in overeenstemming met de menselijke behoeften; de distributie bepaalt de verhouding waarin het individu aan deze producten deelneemt; de ruil geeft hem de producten waarin hij het quotum wil omzetten, verkregen door die distributie; tot slot, bij de consumptie worden de producten voorwerpen van genot, van individuele toe-eigening. De productie brengt de voorwerpen voort die overeenkomen met de behoeften; de distributie verdeelt ze volgens de maatschappelijke wetten; de ruil verdeelt opnieuw wat reeds verdeeld is volgens de individuele behoefte; in de consumptie komt uiteindelijk het product uit deze maatschappelijke beweging te voorschijn, wordt het rechtstreeks voorwerp en dienaar van de individuele behoefte en bevredigt die in het genot. De productie verschijnt dus als uitgangspunt, de consumptie als eindpunt, distributie en de ruil als middelpunt, dat zelf dubbel is, in die zin dat de distributie bepaald wordt als het moment dat uitgaat van de maatschappij, de ruil als het moment dat uitgaat van de individuen. Bij de productie wordt de persoon geobjectiveerd, bij de consumptie wordt het ding gesubjectiveerd; bij de distributie neemt de maatschappij de bemiddeling tussen productie en consumptie op zich in de vorm van algemene, dominante bepalingen; in de ruil worden de twee bemiddeld door de toevalligheden van het individu.

De distributie bepaalt de verhouding (de hoeveelheid) waarin de producten aan de individuen toevallen; de ruil bepaalt de producten waarin het individu het hem door de distributie toegewezen aandeel opeist.

Productie, distributie, ruil, consumptie vormen aldus een reguliere conclusie; productie is de algemeenheid, distributie en ruil is de bijzonderheid, en consumptie de bijzonderheid waarin het geheel verenigd is. Dit is zeker een samenhang, maar een oppervlakkige. De productie wordt bepaald door de algemene natuurwetten; de distributie door het maatschappelijk toeval, en kan dus een min of meer bevorderend effect hebben op de productie; de ruil zit er als formele maatschappelijke beweging tussenin, en de afsluitende handeling, de consumptie, die niet alleen wordt opgevat als een eindpunt maar ook als een doel op zich, ligt feitelijk buiten de economie, behalve in zoverre zij op haar beurt reageert op het beginpunt en het hele proces opnieuw in gang zet.

De tegenstanders van de politieke economen – zowel binnen als buiten haar domein – die hen ervan beschuldigen op barbaarse wijze zaken uit elkaar te rukken die bij elkaar horen, hebben ofwel hetzelfde standpunt als zij, ofwel een lagere positie dan zij. Niets komt vaker voor dan het verwijt dat de politieke economen de productie te veel als een doel op zich beschouwen, dat de distributie even belangrijk is. Dit verwijt berust juist op de economische opvatting dat de distributie als zelfstandige en onafhankelijke sfeer naast de productie staat. Of dat deze momenten niet in hun eenheid worden begrepen. Alsof deze breuk niet vanuit de werkelijkheid in de leerboeken terecht was gekomen, maar vanuit de leerboeken in de realiteit, en alsof de taak bestond uit het dialectisch in evenwicht brengen van begrippen en niet om het vatten van de werkelijke verhoudingen!

[Productie en Consumptie]

Productie is direct ook consumptie. Dubbele consumptie, subjectief en objectief: het individu, dat zijn bekwaamheden ontwikkelt in de productie, besteedt ze ook, verbruikt ze in de handeling van de productie, net zoals de natuurlijke voortplanting een verbruik van levenskrachten is. Ten tweede: verbruik van productiemiddelen, die door het gebruik verslijten en gedeeltelijk (bv. bij verbranding) weer in hun bestanddelen worden opgelost. Hetzelfde geldt voor het verbruik van grondstoffen die niet in de natuurlijke vorm en toestand blijven, maar geconsumeerd. De productie zelf is dus in al haar momenten ook een consumptiedaad. Maar dit geven de economen toe. Productie als direct identiek met consumptie, consumptie als direct samenvallend met productie, noemen zij productieve consumptie.

Deze identiteit van productie en consumptie komt neer op Spinoza’s stelling: determinatio est negatio [determineren is ontkenning].

Maar deze definitie van productieve consumptie wordt alleen gegeven om de consumptie, die identiek is met de productie, te scheiden van de eigenlijke consumptie, die veeleer wordt beschouwd als de destructieve antithese van de productie. Laten we daarom kijken naar de echte consumptie.

Consumptie is direct ook productie, net zoals in de natuur het verbruik van de elementen en chemische stoffen de plant zich produceert. Het is duidelijk dat bijvoorbeeld de mens met zijn voedsel, een vorm van consumptie, zijn eigen lichaam produceert. Maar dit geldt ook voor elke vorm van consumptie die op de een of andere manier de mensen in een bepaald opzicht produceert. Consumptieve productie. Maar, zegt de economie, deze productie, die identiek is met de consumptie, is de tweede, die voortvloeit uit de vernietiging van het eerste product. In het eerste geval objectiveert de producent zichzelf; in het tweede geval personifieert het ding dat hij creëert zichzelf. Aldus is deze consumptieve productie – hoewel zij een onmiddellijke eenheid vormt tussen productie en verbruik – wezenlijk verschillend van de werkelijke productie. De onmiddellijke eenheid waarin de productie samenvalt met de consumptie, en de consumptie met de productie laat hun in deze directe dualiteit.

Dus productie is direct consumptie, consumptie is direct productie. Elk is direct zijn tegenpool. Tegelijkertijd is er echter een bemiddelende beweging tussen de twee. De productie bemiddelt de consumptie, waarvan zij het materiaal realiseert, dat zonder haar objectloos zou zijn. Maar de consumptie bemiddelt ook de productie, in die zin dat zij voor de producten eerst het subject schept waarvoor zij producten zijn. Het product krijgt zijn definitieve voltooiing pas in de consumptie. Een ongebruikte spoorweg, die niet wordt versleten, die niet wordt geconsumeerd, is slechts potentieel een spoorweg, niet feitelijk. Zonder productie is er geen consumptie; maar ook zonder consumptie is er geen productie, want productie zou zinloos zijn. De consumptie produceert tweemaal de productie, 1. in die zin dat pas bij consumptie het product een echt product wordt. Zo wordt een jurk pas echt een jurk door de handeling van het dragen; een huis dat niet bewoond wordt, is in feite geen echt huis; zo bewijst het product, in tegenstelling tot een louter natuurlijk voorwerp, dat het pas een product is, een product wordt, door consumptie. Slechts door de decompositie van het product geeft de consumptie het product de finaliteit; want een product bestaat niet enkel als productie van een geobjectiveerde handeling, maar toch ook als object voor het handelende subject; 2. De consumptie schept de behoefte aan nieuwe productie, d.w.z. de ideale, interne stuwende motivatie voor de productie, die haar voorwaarde is. Consumptie schept de productiedrang; zij schept ook het actieve object als bepalend doel in de productie. Als het duidelijk is dat de productie het voorwerp van de consumptie uiterlijk presenteert, dan is het even duidelijk dat de consumptie het voorwerp van de productie denkbeeldig plaatst, als een innerlijk beeld, als een behoefte, als een impuls en als een doel. Het creëert de productieobjecten in nog subjectieve vorm. Zonder behoefte, is er geen productie. Maar consumptie reproduceert behoefte.

De productie van haar kant 1. levert het materiaal en het object voor de consumptie. Consumptie zonder object is geen consumptie; in dit opzicht schept de productie dus consumptie, brengt consumptie voort. 2. Maar het voorwerp is niet het enige wat de productie voor de consumptie schept. Het geeft ook aan de consumptie haar definitief karakter, haar voltooiing. Net zoals de consumptie het product zijn voltooiing als product gaf, geeft de productie de voltooiing aan de consumptie. Ten eerste is het object geen object in het algemeen, maar een specifiek object dat op een specifieke manier moet worden geconsumeerd, op een manier die opnieuw wordt bemiddeld door de productie zelf. Honger is honger, maar honger die wordt gestild met gekookt vlees dat met vork en mes wordt gegeten, is een andere honger dan de honger gestild met rauw vlees met behulp van de hand, nagels en tanden. Niet enkel het consumptieobject, maar ook de wijze van consumptie wordt dus door de productie tot stand gebracht, niet alleen objectief, maar ook subjectief. Productie creëert derhalve de consument. 3. Productie voorziet niet alleen in een materiaal voor de behoefte, maar ook in een behoefte aan het materiaal. Wanneer de consumptie uit haar eerste natuurlijke ruwheid en directheid te voorschijn komt – en, als het in dat stadium zou blijven, zou dat zijn omdat de productie zelf daar was gestopt – wordt zij zelf als motivatie bemiddeld door het object. De behoefte die het voelt, wordt gecreëerd door de perceptie ervan. Het kunstvoorwerp schept – net als elk ander product – een publiek dat in staat is van kunst en schoonheid te genieten. De productie produceert dus niet alleen een object voor het subject, maar ook een subject voor het object. De productie brengt dus de consumptie voort, 1. door er het materiaal voor te creëren; 2. door de wijze van consumptie te bepalen; 3. door eerst producten te vervaardigen als objecten, in de vorm van een door de consument gevoelde behoefte. Zij produceert dus het voorwerp van consumptie, de wijze van consumptie, de motivatie tot consumptie. Evenzo brengt de consumptie de investering van de producent voort door deze behoeften expliciet te maken als een doel.

De identiteit tussen consumptie en productie is dus drievoudig:
1. directe identiteit: productie is consumptie; consumptie is productie. Consumptieve productie. Productieve consumptie. De politieke economen noemen beide productieve consumptie. Maar ze maken nog steeds een onderscheid. Het eerste wordt beschouwd als reproductie, het tweede als productieve consumptie. Alle studies over het eerste gaan over productieve of niet-productieve arbeid; die over het tweede over productieve of niet-productieve consumptie.
2. Dat elk verschijnt als het middel van de ander; erdoor bemiddeld wordt; wat tot uitdrukking komt als hun wederzijdse afhankelijkheid; een beweging waardoor zij op elkaar betrokken zijn en wederzijds onmisbaar voor elkaar lijken, maar toch extern aan elkaar blijven. Productie creëert het materiaal als een extern object voor consumptie; consumptie creëert behoefte als een intern object, als een doel voor productie. Zonder productie is er geen consumptie; zonder consumptie is er geen productie. [Dit] komt in de economie in vele vormen voor.
3. Productie is niet alleen direct consumptie en consumptie direct productie; noch is productie alleen het middel voor consumptie en consumptie het doel voor productie, d.w.z. dat elk van beide zijn object levert, productie extern aan consumptie, consumptie de beoogde productie; maar elk van hen is niet alleen onmiddellijk het andere, noch het andere slechts bemiddeld, maar elk van de twee, in het voltrekken van zichzelf, schept het andere; zichzelf als het andere. De consumptie voltooit de handeling van de productie slechts door het product als product te voltooien, door het om te zetten, door de zelfstandige objectieve vorm erin te consumeren; in die zin dat de vaardigheid die in de eerste productieve handeling is ontwikkeld, door de noodzaak van herhaling tot vaardigheid wordt verheven; het is dus niet alleen de laatste handeling waardoor het product een product wordt, maar ook waardoor de producent een producent wordt. Anderzijds brengt de productie de consumptie voort door de bijzondere wijze van realiseren van de consumptie, en vervolgens door de stimulans van de consumptie, het vermogen tot consumptie zelf als een behoefte. Deze laatste identiteit, onder punt 3, wordt in de economie vaak verklaard uit de verhouding tussen vraag en aanbod, tussen voorwerpen en behoeften, tussen door de maatschappij geschapen behoeften en natuurlijke behoeften.

Daarna is voor een hegeliaan niets eenvoudiger dan productie en consumptie als identiek te stellen. En dit is niet alleen gedaan door socialistische belletristen, maar ook door prozaïsche economen, bv. Say; in de vorm dat, als men een volk bekijkt, zijn productie zijn consumptie is. Of ook de mensheid, abstract gezien. Storch bewees het ongelijk van Say, in die zin dat een volk bv. niet alleen zijn product consumeert, maar ook de productiemiddelen, vast kapitaal, enz. schept. De maatschappij als één enkel subject beschouwen is het verkeerd beschouwen; speculatief. Met één subject verschijnen productie en consumptie als momenten van één handeling. Het is belangrijk hier te benadrukken dat, of men productie en consumptie nu beschouwt als activiteiten van één subject of van vele individuen, zij in elk geval verschijnen als momenten van een proces waarin de productie het eigenlijke uitgangspunt is en dus ook het overkoepelende moment. Consumptie als noodzaak, als behoefte, is zelf een intrinsiek moment van productieve activiteit. Maar dit laatste is het beginpunt van de verwezenlijking en dus ook het overkoepelende moment ervan, de handeling waarin het hele proces zich opnieuw voltrekt. Het individu produceert een voorwerp en keert tot zichzelf terug door de consumptie ervan, maar als een productief en zichzelf reproducerend individu. De consumptie verschijnt dus als een moment van de productie.

In de maatschappij echter is de verhouding van de producent tot het product, zodra het klaar is, een externe, en de terugkeer ervan tot het subject hangt af van zijn verhouding tot andere individuen. Het wordt niet onmiddellijk toegeëigend. Evenmin is de onmiddellijke toe-eigening het doel als het maatschappelijk geproduceerd is. Tussen de producent en de producten komt de distributie, en het aandeel in de wereld van de producten wordt bepaald door maatschappelijke wetten tussen productie en consumptie.
Staat de distributie nu als een onafhankelijke sfeer naast en buiten de productie?

b) Productie en distributie

Wanneer men naar normale economieën kijkt, is het eerste wat opvalt, dat alles daarin dubbel is. Zo figureren bijvoorbeeld grondrente, lonen, interest en winst onder de distributie, terwijl grond, arbeid en kapitaal figureren onder de productie als productiemiddelen. Nu is het met kapitaal van meet af aan duidelijk dat het dubbel is, 1. als productieagent; 2. als bron van inkomsten; als bepalend voor bepaalde vormen van distributie. Rente en winst maken dus ook als zodanig deel uit van de productie, voor zover zij vormen zijn waarin het kapitaal toeneemt, groeit, dat wil zeggen momenten van zijn productie zelf. Rente en winst als vormen van distributie veronderstellen dat kapitaal een productiemiddel is. Het zijn distributiewijzen die kapitaal als productiemiddel veronderstellen. Het zijn ook reproductiemethoden van het kapitaal.

Ook de looncategorie is dezelfde als die welke onder een andere noemer als loonarbeid wordt onderzocht: de eigenschap die de arbeid hier als agent van de productie bezit, verschijnt als een eigenschap van de distributie. Indien de arbeid niet als loonarbeid zou worden bepaald, zou de wijze waarop zij in de producten participeert, niet als loonarbeid verschijnen, zoals bijvoorbeeld in de slavernij. Tenslotte gaat de grondrente, om de meest ontwikkelde vorm van distributie te nemen, waarin de grondeigendom deelneemt aan de producten, uit van het grootgrondbezit (eigenlijk de grote landbouw) als productieagent, en niet van de aarde als zodanig, evenmin als het loon uitgaat van de arbeid als zodanig. De distributieverhoudingen en -wijzen verschijnen dus slechts als de keerzijde van de productieagenten. Een individu dat deelneemt aan de productie in de vorm van loonarbeid, neemt in de vorm van het arbeidsloon [klemtoon v.d. vertaler] deel aan de producten, het resultaat van de productie. De structuur van de distributie wordt volledig bepaald door de structuur van de productie.

De distributie is zelf een product van de productie, niet alleen in haar object, omdat alleen de resultaten van de productie kunnen worden verdeeld, maar ook volgens de vorm, omdat de specifieke deelname aan de productie de specifieke vormen van distributie bepaalt, d.w.z. het patroon van deelneming aan de distributie. Het is een hele illusie om de grond te plaatsen bij de productie, de grondrente bij de distributie, enz.

Economen zoals Ricardo, die er vaak van beschuldigd worden alleen de productie voor ogen te hebben, hebben dus uitsluitend de distributie tot voorwerp van de economie gemaakt, omdat zij instinctief de distributievormen begrepen als de meest definitieve uitdrukking waarin de productieagenten zich in een gegeven maatschappij fixeren.

Voor het afzonderlijke individu verschijnt de verdeling natuurlijk als een maatschappelijke wet die zijn positie bepaalt binnen het productiesysteem waarbinnen hij produceert, wat dus voorafgaat aan de productie. Het individu komt op de wereld zonder kapitaal of grond. Vanaf de geboorte is het aangewezen op de loonarbeid door de maatschappelijke distributie. Maar deze situatie is zelf een gevolg van het bestaan van kapitaal en grondbezit als onafhankelijke productieagenten.

Wat de gehele maatschappij betreft, lijkt de distributie aan de productie vooraf te gaan en deze in nog een ander opzicht te bepalen, bijna alsof het een voor-economisch feit is. Een veroverend volk verdeelt de grond onder de veroveraars en legt zo een bepaalde verdeling en eigendomsvorm van de grond op en bepaalt zo de productie. Of het maakt de veroverden tot slaven, en maakt zo slavenarbeid tot basis van de productie. Of een volk breekt, door revolutie, het grootgrondbezit in percelen op en geeft zo, door de nieuwe distributie, de productie een nieuw karakter. Of de wetgeving bestendigt het grondbezit in bepaalde families of verdeelt de arbeid als een erfelijk voorrecht en legt het zo vast per kaste. In al deze gevallen, en zij zijn alle historisch, lijkt de distributie niet te worden gestructureerd en bepaald door de productie, maar omgekeerd de productie door de distributie.

Distributie in de meest oppervlakkige opvatting verschijnt als de distributie van producten en dus ver weg van, en quasi onafhankelijk, van de productie. Maar voordat distributie een distributie van producten is, is er: 1. distributie van de productie-instrumenten, en 2. wat een verdere bepaling van dezelfde verhoudingen is, distributie van de leden van de maatschappij over de verschillende soorten productie. (Subsumptie van de individuen onder specifieke productieverhoudingen.) De distributie van de producten is klaarblijkelijk slechts het resultaat van deze distributie en opgenomen in het productieproces zelf, die de verdeling van de productie bepaalt. De productie is, afgezien van de distributie die er deel van uitmaakt, natuurlijk een lege abstractie, terwijl omgekeerd de distributie van producten uit zichzelf gegeven is met deze distributie, die oorspronkelijk een moment van productie vormt. Ricardo, die zich bezighield met het begrijpen van de moderne productie in haar bijzondere maatschappelijke structuur, en bij uitstek de econoom van de productie is, verklaart juist om deze reden dat niet de productie maar de distributie het eigenlijke onderwerp van de moderne economie is. Hieruit blijkt weer eens de onbekwaamheid van die economen die de productie als een eeuwige waarheid afschilderen en de geschiedenis verbannen naar het rijk van de distributie.

Hoe deze distributie, die ook de productie zelf bepaalt, zich verhoudt tot de productie, is uiteraard een vraag die binnen de productie zelf valt. Als men zou zeggen dat, aangezien de productie moet voortkomen uit een zekere distributie van de productie-instrumenten, de distributie in die zin aan de productie voorafgaat, haar voorwaarde vormt, dan is het antwoord dat de productie wel degelijk haar voorwaarden en beperkingen heeft, die er de momenten van vormen. Deze kunnen op het eerste gezicht natuurlijk lijken. Door het productieproces zelf veranderen zij van natuurlijk in historisch, en als zij voor de ene periode de natuurlijke vereiste van de productie zijn, zijn zij voor een andere periode het historische resultaat ervan. Binnen de productie zelf worden zij voortdurend gewijzigd. Zo heeft de toepassing van machines de distributie van zowel de productie-instrumenten als de producten veranderd. Het moderne grootgrondbezit is zelf het resultaat van zowel de moderne handel en de moderne industrie als van de toepassing van de laatste op de landbouw.

De hierboven gestelde vragen lossen in laatste instantie allemaal op in de vraag hoe algemeen-historische verhoudingen een rol spelen in de productie en de verhouding tot de historische beweging in het algemeen. De vraag behoort uiteraard tot de discussie over en de ontwikkeling van de productie zelf.

In de triviale vorm waarin zij hierboven aan bod kwamen, kunnen zij net zo kort worden behandeld. Bij alle veroveringen zijn drie dingen mogelijk. De veroveraars onderwerpen de overwonnenen aan hun productiewijze (bv. de Engelsen in Ierland in deze eeuw, en tot op zekere hoogte in India); of zij laten de oude bestaan en zijn tevreden met een tribuut (bv. Turken en Romeinen); of er ontstaat een wisselwerking waarbij iets nieuws ontstaat, een synthese (tot op zekere hoogte bij de veroveringen van de Germanen). In alle gevallen bepaalt de productiewijze, zij het die van het veroverende volk, zij het die van de overwonnenen, zij het het resultaat uit de samensmelting van de twee, de nieuwe distributie. Hoewel dit een voorwaarde lijkt voor de nieuwe productiefase, is zij dus zelf weer een product van de productie, niet alleen van de historische productie in het algemeen, maar van de specifieke historische productie.

De Mongolen bijvoorbeeld, met hun verwoestingen in Rusland, handelden overeenkomstig hun productie, het weiden van vee, waarvoor grote onbewoonde stukken grond de hoofdvoorwaarde waren. De Germaanse barbaren, die geïsoleerd op het land leefden en voor wie de landbouw met slaven de traditionele productie was, konden deze voorwaarden des te gemakkelijker opleggen aan de Romeinse provincies, omdat de concentratie van het grondbezit die daar had plaatsgevonden, de vroegere landbouwverhoudingen reeds volledig had omvergeworpen.

Het is een gangbare opvatting dat in bepaalde perioden mensen alleen van roof leefden. Maar om te kunnen roven moet er iets zijn dat geroofd kan worden, dus productie. En de wijze van roven wordt op zijn beurt weer bepaald door de wijze van produceren. Een volk van effectenmakelaars kan bijvoorbeeld niet op dezelfde manier worden beroofd als een volk van veehoeders.

Met de slaaf wordt het instrument van productie rechtstreeks geroofd. Maar dan moet de productie van het land vooraleer het beroofd wordt, zodanig gestructureerd zijn dat slavenarbeid mogelijk is, of (zoals in Zuid-Amerika enz.) moet een productiewijze worden gecreëerd passend bij de slaaf.

Wetten kunnen een productie-instrument, bv. grond, in bepaalde families vereeuwigen. Deze wetten krijgen pas economische betekenis wanneer grootgrondbezit in harmonie is met de maatschappelijke productie, zoals bijvoorbeeld in Engeland. In Frankrijk werd kleinschalige landbouw bedreven ondanks grootgrondbezit, dat uiteindelijk door de revolutie de kop werd ingedrukt. Maar vereeuwiging van de verkaveling, bijvoorbeeld door wetten? Ondanks deze wetten is het bezit opnieuw geconcentreerd. De invloed van de wetten op de handhaving van de distributieverhoudingen en dus op de productie moet specifiek worden vastgesteld.

c) Ten slotte de ruil en de circulatie

De circulatie zelf is een bepaald moment van de ruil of ook de ruil beschouwd in zijn totaliteit.

In zoverre de ruil slechts een bemiddelingsmoment is tussen de productie en de daardoor bepaalde distributie met de consumptie; maar in zoverre deze laatste zelf verschijnt als een moment van de productie, is de ruil klaarblijkelijk ook in deze laatste begrepen als een moment.

In de eerste plaats is het duidelijk dat de ruil van activiteiten en vaardigheden die in de productie zelf plaatsvindt, er rechtstreeks toe behoort en haar in wezen vormt. Hetzelfde geldt, in de tweede plaats, voor de ruil van producten, voor zover dit het middel is om het voor onmiddellijke consumptie bestemde eindproduct te vervaardigen. In zoverre de ruil zelf een handeling is die deel uitmaakt van de productie. Ten derde wordt de zogenaamde ruil tussen ondernemers en ondernemers in haar organisatie volledig bepaald door de productie daar zij zelf een producerende activiteit is. Alleen in de eindfase, waarin het product rechtstreeks wordt geruild voor consumptie, lijkt de ruil onafhankelijk van en onverschillig tegenover de productie te staan. Maar 1. geen ruil zonder arbeidsdeling, of deze nu natuurlijk is of zelf al een historisch resultaat; 2. particuliere ruil veronderstelt particuliere productie; 3. de intensiteit van de ruil wordt, evenals de uitbreiding en de aard ervan, bepaald door de ontwikkeling en de verdeling van de productie. Bv. ruil tussen stad en platteland; ruil op het platteland, in de stad, enz. De ruil is dus in al zijn vormen hetzij rechtstreeks in de productie begrepen, hetzij erdoor bepaald.

Het resultaat, waar we op uitkomen, is niet dat productie, distributie, ruil, consumptie identiek zijn, maar dat zij alle deel zijn van een totaliteit, verschillen binnen een eenheid. De productie heerst niet alleen over zichzelf, in de antithetische definitie van productie, maar ook over de andere momenten. Het proces keert altijd terug naar de productie om opnieuw te beginnen. Dat ruil en consumptie niet dominant kunnen zijn, dat spreekt vanzelf. Hetzelfde geldt voor de distributie als distributie van de producten. Maar als distributie van de productieagenten is zij echter zelf een productiemoment. Een bepaalde productie bepaalt dus een bepaalde consumptie, distributie, ruil en bepaalde verhoudingen van deze verschillende momenten tot elkaar. De productie, in haar eenzijdige vorm, wordt echter weer bepaald door de andere momenten. Wanneer bijvoorbeeld de markt zich uitbreidt, d.w.z. de ruil, neemt de productie in volume toe en verdiept zij zich. Met veranderingen in de distributie verandert de productie; bv. met de concentratie van kapitaal, een verschillende distributie van de bevolking in stad en land, enz. Uiteindelijk bepalen de consumptiebehoeften de productie. Er is interactie tussen de verschillende momenten. Dit is het geval met elk organisch geheel.

3. De methode van de politieke economie

Wanneer we een bepaald land politiek-economisch bekijken, beginnen we met de bevolking, de verdeling in klassen, stad, grond, zee, de verschillende bedrijfstakken, export en import, jaarlijkse productie en consumptie, de prijzen van de waren, enz.

Het lijkt juist om te beginnen bij het reële en concrete, het echte criterium, dat wil zeggen, in de economie, bij de bevolking, basis en subject van de hele maatschappelijke productiehandeling. Bij nader onderzoek blijkt dit echter onjuist te zijn. De bevolking is een abstractie als ik bijvoorbeeld de klassen waaruit zij bestaat buiten beschouwing laat. Deze klassen zijn weer een leeg woord als ik niet weet op welke elementen zij zijn gebaseerd. Bv. loonarbeid, kapitaal, enz. Deze veronderstellen ruil, arbeidsdeling, prijzen, enz. Kapitaal bijvoorbeeld is zonder loonarbeid niets, zonder waarde, geld, prijs, enz. is het niets. Dus als ik begin met de bevolking, zou dat een chaotische opvatting van het geheel zijn, en door nadere definiëring zou ik analytisch steeds meer tot eenvoudiger begrippen komen; van het ingebeelde concrete tot steeds ijlere abstracten, totdat ik tot de eenvoudigste bepalingen zou zijn gekomen. Van daaruit zou ik weer terug moeten gaan tot ik uiteindelijk terug bij de bevolking aankom, maar deze keer niet als een chaotisch idee van een geheel, maar als een rijke totaliteit van vele determinaties en verhoudingen. De eerste weg is de weg die de economie bij haar ontstaan historisch heeft genomen. De economen van de 17e eeuw bv., beginnen altijd met het levende geheel, de bevolking, de natie, de staat, meerdere staten, enz.; maar uiteindelijk vinden zij altijd, door analyse, enkele bepalende abstracte, algemene verhoudingen, zoals arbeidsdeling, geld, waarde, enz.

Zodra deze afzonderlijke momenten min of meer vastlagen en geabstraheerd waren, begonnen de economische systemen, die opklommen van het eenvoudige, zoals arbeid, arbeidsdeling, behoefte, ruilwaarde, tot het niveau van de staat, de ruil tussen naties en de wereldmarkt. Dit laatste is duidelijk de wetenschappelijk correcte methode. Het concrete is concreet omdat het de samenvatting is van vele bepalingen, d.w.z. de eenheid van de veelheid. In het denken verschijnt het dus als een proces van samenvatting, als een resultaat, niet als een uitgangspunt, hoewel het het werkelijke uitgangspunt is en dus ook het uitgangspunt van conceptie en denken. Op de eerste manier is de volledige conceptie verdampt in een abstracte bepaling; op de tweede manier leiden de abstracte bepalingen tot de reproductie van het concrete in de manier van denken. Op deze manier is Hegel in de illusie verzeild het reële op te vatten als het product van het denken dat zich concentreert, zichzelf verdiept en zichzelf, uit zichzelf, ontvouwt, terwijl de methode om van het abstracte naar het concrete te stijgen slechts de manier is waarop het denken zich het concrete toe-eigent en het als het concrete in de geest reproduceert. Maar helemaal niet het proces van het ontstaan van het concrete zelf. De eenvoudigste economische categorie, bv. ruilwaarde, veronderstelt bevolking, bevolking die in bepaalde verhoudingen produceert; ook bepaalde typen familie-, of gemeenschaps-, of staatssystemen enz. Zij kan nooit bestaan behalve als een abstracte, eenzijdige relatie van een reeds gegeven concreet, levend geheel. Als categorie leidt de ruilwaarde echter een antediluviaans bestaan. Voor het bewustzijn – en zo is het filosofische bewustzijn bepaald – verschijnt het begrijpende denken, de werkelijke mens en de begrepen wereld als het werkelijke – verschijnt de beweging van de categorieën als de werkelijke productiehandeling – die helaas alleen maar een por van buitenaf krijgt – waarvan het resultaat de wereld is; en dit is – maar dit is opnieuw een tautologie – juist, voor zover de concrete totaliteit als een totaliteit van het denken, als een concreet denken, in feite een product is van het denken, van het begrijpen; maar geenszins van een waarneming en denkbeeld van buitenaf en een zichzelf voortbrengend begrip, maar van de verwerking van de waarneming en het denkbeeld tot een begrip. De totaliteit zoals die in het hoofd verschijnt, als een totaliteit van gedachten, is een product van een denkend hoofd, dat zich de wereld toe-eigent op de enige manier die het kan, een manier die verschilt van de artistieke, religieuze, praktische en mentale toe-eigening van deze wereld. Het werkelijke subject blijft buiten het hoofd onafhankelijk bestaan; zolang het hoofd zich slechts speculatief, slechts theoretisch ertoe verhoudt. Daarom moet ook in de theoretische methode het onderwerp, de maatschappij, steeds als vooronderstelling voor ogen worden gehouden.

Maar hebben deze eenvoudige categorieën niet ook een onafhankelijk historisch of natuurlijk bestaan vóór de concrete categorieën? Ça dépend [Dat hangt ervan af]. Hegel bv. begint De filosofie van het recht terecht met de eigendom, als de eenvoudigste juridische verhouding van het subject. Maar er bestaat geen eigendom vóór er sprake is van familie of heer- en knechtverhoudingen, die veel concreter zijn. Anderzijds is het juist om te stellen dat er families en stammen bestaan die alleen bezit hebben, geen eigendom. De eenvoudige categorie verschijnt dus als een verhouding van eenvoudige familie of stamgenoten met betrekking tot eigendom. In de hogere maatschappij verschijnt zij als de eenvoudige verhouding van een ontwikkelde organisatie. Maar het meer concrete substraat, waarvan de verhouding bezit is, wordt altijd verondersteld. Men kan zich een afzonderlijke wilde voorstellen die bezit heeft. Maar bezit is dan geen juridische verhouding. Het is onjuist dat bezit zich historisch ontwikkelt bij de familie. Bezit veronderstelt veeleer altijd deze “concretere juridische categorie”. Er zou echter altijd nog dit overblijven, namelijk dat de eenvoudige categorieën de uitdrukkingen zijn van verhoudingen, waarbinnen het minder ontwikkelde concrete zich reeds gerealiseerd kan hebben, voordat het de meer veelzijdige samenhang of verhouding, die mentaal in de meer concrete categorie wordt uitgedrukt, heeft geponeerd; terwijl het meer ontwikkelde concrete dezelfde categorie als een ondergeschikte verhouding bewaart. Geld kan bestaan en heeft historisch bestaan voordat er kapitaal bestond, voordat er banken bestonden, voordat er loonarbeid bestond, enz. Aldus kan men zeggen dat de eenvoudige categorie de heersende verhoudingen van een onontwikkeld geheel, of de ondergeschikte verhoudingen van een ontwikkeld geheel, kan uitdrukken, die historisch reeds bestonden voordat het geheel zich ontwikkelde volgens de concrete categorie. In dit opzicht zou het verloop van het abstracte denken, dat opklimt van het eenvoudigste tot het gecombineerde, overeenstemmen met het werkelijke historische proces.

Aan de andere kant kan worden gezegd dat er zeer ontwikkelde, maar historisch onvolgroeide samenlevingsvormen zijn met de hoogste vormen van economie, bv. coöperatie, ontwikkelde arbeidsdeling, enz., zonder dat er geld bestaat, bv. Peru. Ook in de Slavische gemeenschappen komt het geld en de ruil die het bepaalt niet, of slechts in beperkte mate, voor binnen de afzonderlijke gemeenschappen, maar aan hun grenzen, in hun omgang met anderen, zoals het over het algemeen onjuist is om de ruil in het midden van een gemeenschap te plaatsen als het oorspronkelijke constituerende element. In het begin komt het eerder tot uiting in de verhouding van de verschillende gemeenschappen tot elkaar dan voor de leden binnen één en dezelfde gemeenschap. Hoewel geld al heel vroeg en overal een rol speelt, wordt het in de oudheid slechts een heersend element binnen bepaalde eenzijdige naties, handelsnaties. En zelfs in de meest ontwikkelde delen van de antieke wereld, de Grieken en de Romeinen, verschijnt de volledige ontwikkeling van het geld, die in de moderne burgerlijke maatschappij wordt verondersteld, pas in de fase van ontbinding. Deze zeer eenvoudige categorie komt dus pas in haar volle omvang tot uiting in de meest ontwikkelde maatschappelijke omstandigheden. Geenzins doorgedrongen in alle economische omstandigheden. In het Romeinse Rijk bijvoorbeeld, op het hoogste punt van ontwikkeling, bleven de belastingen en de betalingen gebeuren in natura. Het geldsysteem ontwikkelde zich daar eigenlijk pas volledig in het leger. Het heeft ook nooit de totaliteit van de arbeid in zijn greep gekregen. Hoewel de eenvoudiger categorie dus historisch vóór de concretere kan hebben bestaan, kan zij in haar volledige intensieve en extensieve ontwikkeling juist tot een gecombineerde maatschappijvorm behoren, terwijl de concretere in een “minder ontwikkelde” maatschappijvorm vollediger tot ontwikkeling kwam.

Arbeid lijkt een zeer eenvoudige categorie. Het algemene idee ervan – arbeid als zodanig – is ook oeroud. Niettemin is “arbeid”, in deze eenvoud economisch opgevat, net zo’n moderne categorie als de verhoudingen die deze eenvoudige abstractie voortbrengen. Het monetaire systeem, bijvoorbeeld, plaatst rijkdom nog steeds objectief als een ding los van zichzelf in het geld. Vergeleken met dit standpunt was het een grote vooruitgang toen de manufactuur of het handelsstelsel, de commerciële en de manufactuurarbeid – de bron van rijkdom – uit het object in de subjectieve activiteit plaatste, maar deze activiteit zelf nog slechts in haar beperktheid als geldmakerij opvatte. Tegenover dit systeem staat het fysiocratische systeem, dat een bepaald soort arbeid – de landbouw – als schepper van rijkdom plaatst, en het voorwerp zelf verschijnt niet meer in een monetaire vermomming, maar als het product in het algemeen, als het algemene resultaat van de arbeid. Dit product blijft, zoals het de beperktheid van de activiteit betaamt, altijd een natuurlijk bepaald product – het product van de landbouw, het product van de aarde bij uitstek.

Het was een enorme stap voorwaarts voor Adam Smith om elke definitie van rijkdom scheppende activiteit overboord te gooien – arbeid bij uitstek, noch fabrieks-, noch handels-, noch landbouwarbeid, maar zowel het een als het ander. Met de abstracte algemeenheid van de rijkdom scheppende activiteit hebben we nu de algemeenheid van het object dat als rijkdom wordt gedefinieerd, het product als zodanig of opnieuw de arbeid als zodanig, maar de arbeid als verleden, geobjectiveerde arbeid. Hoe moeilijk en groot deze overgang was, blijkt uit het feit dat Adam Smith zelf van tijd tot tijd nog terugvalt in het fysiocratische systeem. Nu kan het lijken alsof dit slechts de abstracte uitdrukking is voor de eenvoudigste en oudste verhouding waarin mensen – in welke maatschappijvorm dan ook – produceren. Dat is enerzijds correct, anderzijds niet. Onverschilligheid ten opzichte van een bepaald soort arbeid veronderstelt een zeer ontwikkeld geheel van daadwerkelijke soorten arbeid, waarvan er niet een overheerst. Zo ontstaan de meest algemene abstracties slechts in de rijkste concrete ontwikkeling, waar één ding gemeenschappelijk blijkt voor velen, gemeenschappelijk voor allen. Dan stopt het om er alleen in een bepaalde vorm aan te kunnen denken. Aan de andere kant is deze abstractie van de arbeid als zodanig niet enkel het mentale product van een concrete totaliteit van arbeid. De onverschilligheid voor bijzondere arbeid komt overeen met een maatschappijvorm waarin de individuen gemakkelijk van de ene arbeid naar de andere overgaan en de bijzondere soort arbeid voor hen toevallig is, dus onverschillig. Hier is arbeid, niet alleen in de categorie, maar in werkelijkheid, het middel geworden om rijkdom als zodanig te scheppen, en is het niet langer organisch verbonden met bepaalde personen in een specifieke vorm. Een dergelijke conditie is het meest ontwikkeld in de modernste vorm van de burgerlijke maatschappijen – de Verenigde Staten. Hier wordt dus de abstractie van de categorie “arbeid”, “arbeid in het algemeen”, arbeid sans phrase, het uitgangspunt van de moderne economie, pas praktisch waar. De eenvoudigste abstractie dus, die de moderne economie bovenaan plaatst en die een eeuwenoude verhouding uitdrukt die geldt voor alle maatschappijvormen, blijkt in deze abstractie praktisch waar als een categorie van de modernste maatschappij. Men zou kunnen zeggen dat wat in de Verenigde Staten een historisch product lijkt, bij de Russen bv. – deze onverschilligheid tegenover een bepaalde arbeid – als een natuurlijke aanleg verschijnt. Alleen is er het duivelse verschil, of de barbaren de aanleg hebben voor alles bruikbaar te zijn, of dat de beschaafde mensen zich voor alles laten gebruiken. En in het geval van de Russen komt deze onverschilligheid tegenover een bepaalde arbeid er praktisch op neer dat door traditie, zij vast zitten in een bepaalde arbeid, waaruit zij slechts door invloeden van buitenaf kunnen loskomen.

Dit voorbeeld toont treffend aan hoe zelfs de meest abstracte categorieën, ondanks hun geldigheid juist door hun abstractie – voor alle tijdperken, niettemin in de bepaling van deze abstractie zelf evenzeer het product zijn van historische verhoudingen en hun volle geldigheid alleen bezitten voor en binnen deze verhoudingen.

De burgerlijke maatschappij is de meest ontwikkelde en meest diverse historische organisatie van de productie. De categorieën die hun verhoudingen uitdrukken, het begrip van hun structuur, verschaffen dus tegelijk inzicht in de structuur en de productieverhoudingen van alle te gronde gegane maatschappijvormen met wier ruïnes en elementen zij zich heeft opgebouwd, waarvan deels nog onoverwonnen restanten in haar voortleven, waarvan de nuances alleen al een expliciete betekenis hebben ontwikkeld, enz. De anatomie van de mens is een sleutel tot de anatomie van de aap. De toespelingen op het hogere in de ondergeschikte diersoorten kunnen daarentegen alleen worden begrepen als het hogere zelf reeds bekend is. Zo biedt de burgerlijke economie de sleutel tot de oudheid, enz. Maar helemaal niet op de wijze van die economen, die alle historische verschillen doen vervagen en in alle maatschappijvormen de burgerlijke zien. Men kan de cijns, tienden, enz. begrijpen, als men de grondrente begrijpt. Maar men hoeft ze niet te identificeren. En aangezien de burgerlijke maatschappij zelf slechts een tegenstrijdige vorm van ontwikkeling is, zullen de verhoudingen van vroegere vormen er vaak slechts in een zeer rudimentaire vorm in terug te vinden zijn of zelfs getravesteerd. Bv. gemeenschappelijk eigendom. Als het waar is dat de categorieën van de burgerlijke economie een waarheid bezitten voor alle andere maatschappijvormen, dan moet dit slechts cum grano salis [met een korrel zout] worden opgevat. Zij kunnen deze bevatten in een ontwikkelde, een verstarde, of een karikaturale vorm enz., maar altijd met een essentieel verschil. De zg. historische ontwikkeling berust in het algemeen op het feit dat de jongste vorm de voorgaande vormen ziet als etappes naar zichzelf, en aangezien hij zelden en slechts onder zeer bepaalde voorwaarden in staat is zichzelf te bekritiseren – wij spreken hier natuurlijk niet van historische periodes die duidelijk periodes van verval zijn – deze altijd partijdig bekijkt. De christelijke godsdienst was pas in staat bij te dragen tot een objectief begrip van de vroegere mythologieën, zodra haar zelfkritiek tot op zekere hoogte was voltooid, als het ware potentieel. Zo kwam de burgerlijke economie pas tot het begrip van de feodale, de antieke, en oosterse, zodra de zelfkritiek van de burgerlijke maatschappij aanving. Voor zover de burgerlijke economie zich niet louter mythologiserend met het verleden identificeerde, leek haar kritiek op de vroegere, met name feodale systemen, waarmee zij nog steeds rechtstreeks te kampen had, op de kritiek die het christendom uitoefende op het heidendom of het protestantisme op het katholicisme.

Zoals in het algemeen bij elke historische, maatschappelijke wetenschap moet bij de economische categorieën steeds worden opgemerkt dat, zowel in de realiteit als in het denken, het subject, hier de moderne burgerlijke maatschappij, gegeven is en dat de categorieën dus bestaansvormen, bestaansbepalingen uitdrukken, die vaak slechts partijdige kanten van deze bepaalde maatschappij, van dit subject, uitdrukken en dat het dus geenszins pas wetenschappelijk begint waar er nu als zodanig over gesproken wordt. Dit moet voor ogen worden gehouden omdat het onmiddellijk doorslaggevende informatie geeft over de indeling. Zo lijkt niets natuurlijker dan te beginnen met de grondrente, de grondeigendom, daar dit gebonden is aan de aarde, de bron van alle productie en alle bestaan, en aan de eerste productievorm van alle redelijk stabiele maatschappijen – de landbouw. Maar niets zou meer fout zijn. In alle maatschappijvormen is het een bepaalde productie die rang en invloed geeft aan al de rest, en haar verhoudingen dus met al de rest. Het is een algemeen licht [Beleuchtung] waarin alle andere kleuren baden en die hen in hun bijzonderheid wijzigt. Het is een bijzondere ether die het specifieke gewicht bepaalt van al het bestaan daarin. Bijvoorbeeld in het geval van herdersvolkeren (louter jagers- en vissersvolkeren liggen buiten het punt waar de echte ontwikkeling begint). Bij hen is er, sporadisch, een bepaalde vorm van landbouw. Het grondbezit wordt hierdoor bepaald. Het is gemeenschappelijk en handhaaft min of meer deze vorm, afhankelijk van het feit of deze volkeren nog min of meer vasthouden aan hun traditie, bv. het gemeenschappelijk bezit bij de Slaven. Bij volkeren met een dominante gevestigde landbouw – wat al een grote stap is – zoals in de oudheid en in de feodaliteit, heeft zelfs de industrie, tezamen met haar organisatie en de eigendomsvormen die ermee overeenkomen, een min of meer grondbezit-karakter; is er ofwel volledig afhankelijk van, zoals bij de oude Romeinen, of imiteert, zoals in de middeleeuwen, binnen de stedelijke verhoudingen, de organisatie van de grond. Het kapitaal zelf in de middeleeuwen – voor zover het geen zuiver geldkapitaal is – als traditioneel werktuig van het ambacht, enz., heeft het karakter van de grondeigendom. In de burgerlijke maatschappij is het precies andersom. Landbouw wordt meer en meer een gewone tak van de industrie en wordt volledig beheerst door kapitaal. Eveneens de grondrente. In alle vormen waar de grondeigendom heerst, overheerst nog steeds de verhouding tot de natuur. Daar waar het kapitaal heerst, heerst het maatschappelijk, historisch gecreëerde element. De grondrente kan niet worden begrepen zonder kapitaal. Kapitaal kan echter worden begrepen zonder de grondrente. Het kapitaal is de allesoverheersende economische macht van de burgerlijke maatschappij. Het moet zowel begin- als eindpunt zijn en vóór de grondeigendom aan bod komen. Nadat beide afzonderlijk zijn beschouwd, moet hun onderlinge verband behandeld worden.

Het zou dus onbegrijpelijk en verkeerd zijn de economische categorieën elkaar te laten opvolgen in de volgorde waarin zij historisch bepalend waren. Hun volgorde wordt veeleer bepaald door de verhouding die zij tot elkaar hebben in de moderne burgerlijke maatschappij, die precies het omgekeerde is van wat hun natuurlijke volgorde lijkt te zijn of van wat overeenkomt met de historische ontwikkeling. Het gaat niet om de verhouding die de economische betrekkingen historisch gezien innemen in de opeenvolging van de verschillende maatschappijvormen. Nog minder over hun volgorde “in de idee” (Proudhon), (een vage opvatting van de historische beweging). Maar eerder hun geleding binnen de moderne burgerlijke maatschappij.

De zuiverheid (abstracte bepaaldheid) waarin de handelsvolkeren – Feniciërs, Carthagers – in de oude wereld voorkomen, wordt juist bepaald door de overheersing van de agrarische volkeren. Kapitaal als handels- of geldkapitaal verschijnt juist in deze abstractie, waar kapitaal nog niet het heersende element van de maatschappij is. De Longobarden en de Joden nemen dezelfde positie in ten opzichte van de middeleeuwse agrarische maatschappijen.

Een ander voorbeeld van de verschillende posities die eenzelfde categorie in verschillende maatschappelijke stadia kan innemen: een van de laatste vormen van de burgerlijke maatschappij: de naamloze vennootschappen. Zij verschijnen echter ook, in het begin, in de grote, bevoorrechte monopolistische handelsmaatschappijen.

Het begrip nationale rijkdom is bij de economen van de zeventiende eeuw zo binnengeslopen – een opvatting die nog ten dele voortleeft bij die van de achttiende – in de opvatting dat rijkdom alleen wordt gecreëerd om de staat te verrijken, en dat de staatsmacht evenredig is aan deze rijkdom. Dit was nog een onbewust hypocriete vorm, waarin de rijkdom en haar productie zich uitriepen tot het doel van de moderne staten en deze slechts beschouwden als een middel voor de productie van de rijkdom.

Klaarblijkelijk moet de indeling zo zijn dat 1. de algemene abstracte bepalingen, die dus min of meer tot alle maatschappijvormen behoren, maar in de zin van hierboven; 2. de categorieën die de interne geleding van de burgerlijke maatschappij vormen en waarop de fundamentele klassen zijn gebaseerd. Kapitaal, loonarbeid, grondeigendom. Hun betrekking tot elkaar. Stad en grond. De drie grote maatschappelijke klassen. Ruil tussen hen. Circulatie. Krediet (privé); 3. groepering van de burgerlijke maatschappij in de vorm van de staat. In relatie tot zichzelf. De “onproductieve” klassen. Belastingen. Staatsschuld. Overheidskrediet [öffentlicher Kredit]. De bevolking. Kolonies. Emigratie; 4. internationale productieverhoudingen. Internationale arbeidsdeling. Internationale ruil. Uitvoer en invoer. Wisselkoers; 5. De wereldmarkt en crisissen.

4. Productie

Productiemiddel en productieverhoudingen
Productieverhoudingen en verkeersverhoudingen
Staats- en bewustzijnsvormen in verhouding tot de productie- en verkeersverhoudingen
Juridische verhoudingen. Familieverhoudingen

Nota bene in verband met de punten die hier moeten worden vermeld en niet vergeten:

1. Oorlog eerder ontwikkeld dan vrede; de manier waarop, door oorlog en in legers, enz., bepaalde economische verhoudingen, zoals loonarbeid, machines, enz. zich eerder ontwikkelden dan binnen de burgerlijke maatschappij. Ook de verhouding tussen productiekracht en verkeersverhoudingen is bijzonder duidelijk [anschaulich] in het leger.

2. De verhouding van de vroegere ideale geschiedschrijving tot de echte. Namelijk de zogenaamde culturele geschiedenissen, die allemaal geschiedenissen van religies en staten zijn. (Bij deze gelegenheid kan ook iets worden gezegd over de verschillende manieren waarop tot nu toe geschiedenis is geschreven. Zgn. objectieve. Subjectieve (morele enz.). Filosofische).

3. Secundaire en tertiaire, over het algemeen afgeleide, overgedragen, niet oorspronkelijke productieverhoudingen. Invloed [einspielen] hier van internationale verhoudingen.

4. Verwijten over het materialisme van deze opvatting. Verhouding tot het naturalistisch materialisme.

5. Dialectiek van de begrippen productiekracht (productiemiddel) en productieverhoudingen, een dialectiek waarvan de grenzen moeten worden vastgesteld en die het werkelijke verschil niet opheft.

6. De ongelijke verhouding van de ontwikkeling van de materiële productie tot bv. de artistieke productie. In het algemeen kan het begrip vooruitgang niet in de gebruikelijke abstractie worden gevat. Bij kunst enz. is de wanverhouding nog niet zo belangrijk en moeilijk te vatten als binnen de praktisch-maatschappelijke verhoudingen zelf. Bv. onderwijs. De verhouding van de Verenigde Staten tot Europa. Het echt moeilijke punt om hier te bespreken is echter hoe de productieverhoudingen als juridische verhoudingen in een ongelijke ontwikkeling terechtkomen. Bijvoorbeeld de verhouding van het Romeinse privaatrecht (minder inzake strafrecht en publiekrecht) tot de moderne productie.

7. Deze opvatting lijkt een noodzakelijke ontwikkeling te zijn. Maar rechtvaardiging van het toeval. Hoe. (Ook van vrijheid o.a.) (Invloed van het communicatiemiddel. Wereldgeschiedenis heeft niet altijd bestaan; geschiedenis als wereldgeschiedenis resultaat).

8. Het uitgangspunt, natuurlijk, is de determinatie van de natuur; subjectief en objectief. Stammen, rassen, enz.

1. In het geval van de kunsten is het bekend dat bepaalde bloeiperioden in geen enkele verhouding staan tot de algemene ontwikkeling van de maatschappij en dus ook niet tot de materiële basis, het skelet als het ware, van haar organisatie. Bv. de Grieken vergeleken met de modernen, of zelfs Shakespeare. Men erkent zelfs dat bepaalde kunstvormen, bv. het epos, niet meer in hun wereldbepalende, klassieke gestalte kunnen worden voortgebracht zodra de kunstproductie als zodanig begint; dat wil zeggen dat bepaalde betekenisvolle vormen binnen het domein van de kunsten alleen mogelijk zijn in een onontwikkeld stadium van artistieke ontwikkeling. Als deze verhouding het geval is tussen de verschillende soorten kunst binnen de kunsten zelf, is het al minder raadselachtig dat dit het geval is met de verhouding van de kunst tot de algemene ontwikkeling van de maatschappij. De moeilijkheid bestaat alleen in de algemene formulering van deze tegenstellingen. Zodra zij gespecificeerd zijn, zijn zij reeds opgehelderd.

Neem bv. de verhouding van de Griekse kunst en dan Shakespeare tot het heden. Het is bekend dat de Griekse mythologie niet alleen het arsenaal van de Griekse kunst is, maar ook haar grond. Is de zienswijze op de natuur en de maatschappelijke verhoudingen die aan de Griekse fantasie en dus aan de Griekse [kunst] ten grondslag ligt, mogelijk met automaten [selfactors (de Spinning Mule)], spoorwegen, locomotieven en telegrafie? Waar is Vulcanus tegenover Roberts en co, Jupiter tegen de bliksemafleider en Hermes tegen het Crédit mobilier? Alle mythologie overwint en overheerst en vormt de natuurkrachten in en door de verbeelding; zij verdwijnt dus met de komst van het werkelijke meesterschap over hen. Wat gebeurt er met Fama naast Printinghouse square? [Een plein met de drukkerij van The Times] De Griekse kunst veronderstelt de Griekse mythologie, d.w.z. de natuur en de maatschappelijke vormen die reeds op een onbewuste artistieke manier door de volkse verbeelding zijn verwerkt. Dat is het materiaal. Niet zomaar een mythologie, d.w.z. niet zomaar een onbewust kunstzinnige verwerking van de natuur (hier inclusief alles wat objectief is, d.w.z. inclusief de maatschappij). De Egyptische mythologie kon nooit de grond of de schoot van de Griekse kunst zijn. Maar in ieder geval was het een mythologie. Met andere woorden, in geen geval een maatschappelijke ontwikkeling die elke mythologische verhouding tot de natuur, elke mythologiserende verhouding tot de natuur uitsluit; met andere woorden, die van de kunstenaar een verbeelding eist die onafhankelijk is van de mythologie.

Aan de andere kant: is Achilles mogelijk met kruit en lood? Of zelfs de “Ilias” met de drukpers en de boekdrukkunst? Verdwijnen het lied, het epische gedicht, de muzen niet noodzakelijkerwijs voor de typograaf, verdwijnen niet de noodzakelijke voorwaarden van de epische poëzie?

Maar de moeilijkheid ligt niet in het inzicht dat de Griekse kunst en epiek verbonden zijn met bepaalde vormen van maatschappelijke ontwikkeling. De moeilijkheid ligt in het feit dat zij ons nog steeds kunstgenot gunnen en in sommige opzichten worden beschouwd als de norm en onbereikbaar voorbeeld.

Een man kan niet opnieuw een kind worden, of hij wordt kinds. Maar verheugt de naïviteit van het kind hem niet en moet hij zelf niet opnieuw op een hoger niveau streven naar de weergave van zijn waarheid? Komt het ware karakter van elk tijdperk niet tot leven in de aard van zijn kinderen? Waarom zou de historische kindertijd van de mensheid, de mooiste ontplooiing ervan, als een nooit meer terugkerend toneel, niet een eeuwige bekoring uitoefenen? Er zijn onhandelbare kinderen en vroegrijpe kinderen. Vele oude volkeren behoren tot deze categorie. De Grieken waren normale kinderen. De charme van hun kunst is voor ons niet in tegenspraak met het onontwikkelde stadium van de maatschappij waarin zij opgroeiden. [Zij] is veeleer het resultaat ervan en is onlosmakelijk verbonden met het feit dat de onrijpe maatschappelijke voorwaarden waaronder zij ontstond, en alleen kon ontstaan, nooit meer kunnen terugkeren.


Het hoofdstuk over geld

Alfred Darimon: De la Réforme des Banques, Parijs 1856

“Het hele kwaad komt voort uit het hardnekkig vasthouden aan de suprematie van het edelmetaal in circulatie en ruilmiddel.” (pp. 1-2)

Begint met de maatregelen die de Banque de France in oktober 1855 heeft genomen om de geleidelijke vermindering van haar kassaldo tegen te gaan (p. 2). Wil ons een statistisch overzicht geven van de toestand van deze bank gedurende de laatste vijf maanden die voorafgingen aan de maatregelen van oktober. Vergelijkt daartoe de edelmetaalvoorraad gedurende elk van deze vijf maanden met de “fluctuations du portefeuille”, d.w.z. de hoeveelheid door haar verrichte disconto’s (handelspapier, wissels in haar portefeuille). Het cijfer dat de waarde van de door de bank aangehouden effecten weergeeft,

“vertegenwoordigt”, volgens Darimon, “de grotere of kleinere behoefte van het publiek aan hun diensten, of, wat op hetzelfde neerkomt, de behoeften van de circulatie.” (p. 2)

Wat op hetzelfde neerkomt? Indien de massa van de ter disconto aangeboden biljetten identiek zou zijn met de “behoefte aan circulatie”, de geldomloop in de ware zin van het woord, dan zou de omloop van biljetten moeten worden bepaald door de hoeveelheid verdisconteerde wissels. Doorgaans is deze beweging niet parallel, maar vaak zelfs omgekeerd. De hoeveelheid verdisconteerde wissels en de schommelingen daarin drukken de behoefte aan krediet uit, terwijl de massa van het in omloop zijnde geld door geheel andere invloeden wordt bepaald. Om conclusies te kunnen trekken over de circulatie had Darimon, naast het deel over de voorraad ongemunt edelmetaal en het deel over verdisconteerde wissels, een deel moeten opnemen over de hoeveelheid in omloop zijnde biljetten. Om over de circulatiebehoeften te spreken, lag het inderdaad voor de hand om eerst over de schommelingen in de reële circulatie te spreken. Het weglaten van deze noodzakelijke schakel in de vergelijking verraadt tegelijk het amateuristische geknoei en het opzettelijk op één hoop gooien van de kredietbehoeften met die van de geldcirculatie – het op één hoop gooien waarop in feite het hele geheim van Proudhons wijsheid berust. (Een grafiek met ziekten aan de ene kant en sterfgevallen aan de andere kant, maar geen geboorten.) De twee rubrieken (zie p. 3) die Darimon geeft, enerzijds de rubriek van de metaalvoorraad van de Bank van april tot september en anderzijds de beweging van haar portefeuille, drukken niets anders uit dan het tautologische feit, waarvoor geen enkele statistische illustratie nodig is, dat de portefeuille van de bank zich vulde met wissels en het metaal uit de kluizen verdween, naarmate de wissels werden aangeboden om metaal op te nemen. En zelfs deze tautologie, die Darimon met zijn tabel wil bewijzen, is niet helder uitgedrukt. Hieruit blijkt veeleer dat van 12 april tot 13 september 1855 de metaalvoorraad van de bank met ongeveer 144 miljoen is gedaald, terwijl het papier in de portefeuille met ongeveer 101 miljoen is gestegen. De daling van het bezit aan edelmetaal was dus 43 miljoen meer dan de toename van het verdisconteerd handelspapier. De identiteit van beide bewegingen faalt door dit algemene resultaat van de vijfmaandelijkse beweging. Een nauwkeurige vergelijking van de cijfers brengt nog andere ongerijmdheden aan het licht.

Metaalvoorraad in de bank
12 april – 432.614.797 frs.
10 mei – 420.914.028

Papieren verdisconteerd door de bank
12 april – 322.904.313
10 mei – 310.744.925

Met andere woorden, van 12 april tot 10 mei daalt de metaalvoorraad met 11.700.769, terwijl het aantal effecten met 12.159.388 toeneemt; d.w.z. de toename van de effecten overtreft met ongeveer een half miljoen (458.619 frs.) de afname van de metaalvoorraad. Het tegenovergestelde feit, maar op een veel verrassender schaal, komt aan het licht wanneer we de maand mei vergelijken met de maand juni:

Metaalvoorraad in de bank
10 mei – 420.914.028
14 juni – 407.769.813

Papieren verdisconteerd door de bank
10 mei – 310.744.925
14 juni – 310.369.439

Van 10 mei tot 14 juni was de metaalvoorraad met 13.144.215 frs. afgenomen. Zijn de waardepapieren met hetzelfde bedrag toegenomen? Omgekeerd waren zij in dezelfde periode met 375.486 frs. gedaald. Hier is dus niet langer sprake van een louter kwantitatieve wanverhouding tussen daling aan de ene kant en stijging aan de andere kant. De omgekeerde verhouding tussen de twee bewegingen is verdwenen. Een enorme daling aan de ene kant gaat gepaard met een betrekkelijk zwakke daling aan de andere kant.

Metaalvoorraad in de bank
14 juni – 407.769.813
12 juli – 314.629.614

Papieren verdisconteerd door de bank
14 juni – 310.369.439
12 juli – 381.699.256

Een vergelijking van de maanden juni en juli toont een daling van de metaalvoorraad met 93.140.199 frs. en een stijging van de effectenportefeuille met 71.329.817 frs., d.w.z. dat de daling van de metaalvoorraad met 21.810.382 frs. groter is dan de stijging van de portefeuille.

Metaalvoorraad in de bank
12 juli – 314.629.614
9 augustus – 338.784.444

Papieren verdisconteerd door de bank
12 juli – 381.699.256
9 augustus – 458.689.605

Bij beide zien wij een stijging, de metaalvoorraad met 24.154.830 frs., bij de portefeuille de veel belangrijkere met 76.990.349 frs.

Metaalvoorraad in de bank
9 augustus – 338.784.444
13 september – 288.645.333

[Papieren verdisconteerd door de bank]
9 augustus – 458.689.605
[13 september] – 431.390.562

De daling van de metaalvoorraad met 50.139.111 frs. gaat hier gepaard met een daling van de waardepapieren met 27.299.043 frs. (In december 1855 was haar kassaldo, ondanks de beperkende maatregelen van de Banque de France, opnieuw met 24 miljoen verminderd).

Wat saus is voor de ganzerik, is saus voor de gans. De waarheden die naar voren komen uit een opeenvolgende vergelijking van de vijf maanden hebben dezelfde aanspraak op zekerheid als de waarheden die naar voren komen uit de vergelijking door de heer Darimon van de twee eindpunten van de reeks. En wat laat de vergelijking zien? Waarheden die elkaar wederzijds opslokken. – Tweemaal groeit de portefeuille met een daling van de metaalvoorraad, maar zodanig dat de daling van de laatste niet de groei van de andere evenaart (april-mei en juni-juli). Tweemaal daalt de metaalvoorraad, gepaard gaande met een daling van de portefeuilles, maar zo dat de daling van de laatste, niet de daling van de eerste dekt (mei-juni en augustus-september), en tenslotte een toename van de metaalvoorraad en een toename van de portefeuille, maar zodanig dat de eerste de tweede niet dekt. Daling aan de ene kant, stijging aan de andere kant; daling aan beide kanten; stijging aan beide kanten; dus alles behalve gelijkblijvend, maar vooral geen omgekeerde verhouding, zelfs geen wisselwerking, omdat de daling van de portefeuille niet de oorzaak kan zijn van de daling van de metaalvoorraad en de stijging van de portefeuille niet de oorzaak kan zijn van stijging van de metaalvoorraad. De inverse verhouding en wisselwerking wordt niet eens vastgesteld door de geïsoleerde vergelijking die Darimon maakt tussen de eerste en de laatste maand. Indien de toename van de portefeuille met 101 miljoen niet de afname dekt van de metaalvoorraad met 144 miljoen, blijft het mogelijk dat de toename aan de ene kant en de afname aan de andere kant geen oorzakelijk verband hebben. In plaats van een oplossing te bieden, wierp de statistische illustratie een aantal vragen op die elkaar doorkruisen; in plaats van een raadsel, een shock.

Het raadsel is inderdaad verdwenen zodra de heer Darimon naast zijn rubrieken metaalvoorraad en portefeuille (verdisconteerd papier) de rubrieken bankbiljettencirculatie en deposito’s maakt. Een snellere toename van de portefeuille dan een daling van het metaal zou dan verklaard kunnen worden door een gelijktijdige toename van de metaaldeposito’s of door het feit dat een deel van de bankbiljetten die in ruil voor verdisconteerd papier werden uitgegeven, niet in metaal werd omgezet maar in plaats daarvan in omloop bleef, of, tenslotte, dat de uitgegeven bankbiljetten onmiddellijk terugkeerden in de vorm van deposito’s of in de vorm van terugbetaling van vervallen wissels, zonder in omloop te komen. De daling van de metaalvoorraad, die gepaard ging met een lichte daling van de portefeuille, is te verklaren door het feit dat deposito’s van de bank werden teruggetrokken of het deponeren van bankbiljetten bij de bank in ruil voor metaal, met een nadeel voor de eigen disconto-activiteiten, door de eigenaars van de teruggetrokken deposito’s of de verzilverde bankbiljetten. Ten slotte is de kleine daling van de metaalvoorraad, die gepaard ging met een kleinere daling van de portefeuille, met dezelfde redenen te verklaren. (Wij laten de uitstroom ter vervanging van het zilvergeld in het binnenland buiten beschouwing, aangezien Darimon deze niet in zijn beschouwing betrekt.) Maar de rubrieken die elkaar onderling verklaren, bewijzen wat niet bewezen mocht worden, namelijk dat het vervullen van de groeiende commerciële behoeften van de bank niet noodzakelijkerwijs een toename van de biljettencirculatie meebrengt, dat de vermindering of de toename van deze circulatie niet overeenstemt met de vermindering of de toename van haar voorraad metaal, dat de bank de massa van de circulatiemiddelen niet controleert, enz. – allemaal resultaten die de heer Darimon niet wil bewijzen. – Dit waren allemaal resultaten die de heer Darimon niet bevielen. In zijn haast om zijn vooropgezette mening uit te schreeuwen, de tegenstelling tussen de metalen fundatie van de bank, vertegenwoordigd in haar metaalvoorraad, en de behoeften van de circulatie, volgens zijn visie vertegenwoordigd in de portefeuille, rukt hij twee rubrieken uit hun noodzakelijke context, die aldus geïsoleerd, alle zin verliezen of hoogstens tegen hem getuigen. Wij hebben bij dit feit stilgestaan om de hele waarde van de statistische en positieve illustraties van de proudhonisten aan de hand van een voorbeeld te verduidelijken. De economische feiten vormen voor hen niet de toetssteen van hun theorieën, maar veeleer het bewijs van hun gebrek aan beheersing van de feiten, om er mee te kunnen werken. De manier waarop zij met de feiten omgaan toont veeleer de ontstaansgeschiedenis van hun theoretische abstracties.

We gaan verder met Darimon.
Toen de Banque de France haar metaalvoorraad met 144 miljoen zag slinken en haar portefeuille met 101 miljoen zag toenemen, nam zij op 4 en 18 oktober 1855 een reeks maatregelen om haar kluizen tegen haar portefeuille te beschermen. Zij verhoogde het disconto achtereenvolgens van 4 tot 5 en van 5 tot 6 % en bracht de looptijd van de ter disconto aangeboden wissels terug van 90 tot 75 dagen. Met andere woorden, zij bemoeilijkte de voorwaarden waaronder zij haar metaal voor de handel beschikbaar stelde. Wat bewijst dit?

“Dat een bank”, zegt Darimon, “georganiseerd volgens de huidige principes, d.w.z. gebaseerd op het beginsel van goud en zilver, haar diensten aan het publiek onttrekt juist op het moment dat het publiek er het meest behoefte aan heeft.” (p. 3)

Had de heer Darimon zijn cijfers nodig om aan te tonen dat het aanbod de kosten van zijn diensten duurder maakt in dezelfde mate als de vraag ze opeist (en overtreft)? En gehoorzamen de heren die het “publiek” vertegenwoordigen ten opzichte van de bank niet het zelfde “aangename bestaan”? De filantropische graanhandelaren die hun wissels bij de bank aanbieden om bankbiljetten te ontvangen, om die bankbiljetten te ruilen tegen goud van de bank, om het goud van de bank te ruilen tegen buitenlands graan, om het buitenlands graan te ruilen tegen het geld van het Franse publiek, gingen ongeveer uit van het idee, dat, aangezien het publiek nu het meest behoefte had aan graan, het nu hun plicht was hen graan te geven tegen voordeligere voorwaarden, of haastten zij zich niet eerder naar de bank om te profiteren van de stijgende graanprijs, door de nood van het publiek, uit de wanverhouding tussen vraag en aanbod van het graan? En de bank zou losstaan van deze algemene economische wet? Quelle idée! Maar misschien heeft de huidige organisatie van de banken tot gevolg dat goud in grote hoeveelheden moet worden opgehoopt, zodat het aankoopbudget, dat in geval van nood aan graan van het grootste nut zou zijn voor de natie, gedoemd is braak te liggen; kortom, zodat het kapitaal, in plaats van de noodzakelijke transformaties van de productie te doorlopen, de onproductieve en verrotte basis van de circulatie wordt. In dit geval ging het er dus om dat de onproductieve voorraad metaal in de huidige organisatie van de banken nog boven het noodzakelijke minimum lag, omdat het oppotten van goud en zilver binnen de circulatie nog niet beperkt was tot zijn economische grens. Het is een kwestie van minder of meer op dezelfde basis. Maar de kwestie zou van een socialistische hoogte gekrompen zijn tot een burgerlijk praktisch niveau, waar wij haar aantreffen onder het grootste deel van de Engelse burgerlijke tegenstanders van de Bank of England. Wat een debacle! Of gaat het niet om een grotere of kleinere besparing van metaal door bankbiljetten en andere bankmiddelen, maar om een volledige afschaffing van de metaalbasis? Maar nogmaals, dan dient de statistische fabel niet zijn moraal. Indien de bank, onder welke voorwaarden ook, in geval van nood edele metalen naar het buitenland moet verzenden, moet zij deze eerst accumuleren, en indien het buitenland ze wil aanvaarden in ruil voor zijn waren, moeten zij gedekt zijn.

De oorzaken die de bank van haar kostbare metaal beroofden, waren volgens Darimon de mislukte oogsten en daardoor de noodzaak om graan uit het buitenland te importeren. Hij vergeet het mislukken van de zijdeoogst en de noodzaak om de zijde in bulk in China te kopen. Bovendien spreekt Darimon over de grote en talrijke ondernemingen, samenvallend met de laatste maanden van de Industriële Tentoonstelling van Parijs. Hij vergeet opnieuw de grote buitenlandse speculaties en ondernemingen van Crédit mobilier en zijn rivalen om aan te tonen, zoals Isaac Péreire zegt, dat het Franse kapitaal zich van het andere kapitaal onderscheidt door zijn kosmopolitische karakter, net zoals de Franse taal zich van andere talen onderscheidt. Voeg daarbij de onproductieve uitgaven ten gevolge van de oorlog in het Oosten, 750 miljoen geleend. Aan de ene kant dus een grootte en plotselinge uitval in twee van de belangrijkste Franse bedrijfstakken! Anderzijds een ongewoon gebruik van Frans kapitaal op buitenlandse markten in ondernemingen die geenszins een onmiddellijk equivalent hebben gecreëerd en die ten dele misschien nooit hun productiekosten zullen dekken! Om enerzijds de daling van de binnenlandse productie door invoer en anderzijds de toename van buitenlandse industriële ondernemingen te dekken, waren niet de circulerende geldmunten nodig voor de ruil van equivalenten, maar de equivalenten zelf, niet het geld, maar het kapitaal. In ieder geval was het verlies van Franse binnenlandse productie geen equivalent voor de activiteit van Frans kapitaal in het buitenland.

Stel nu dat de Bank van Frankrijk niet werkte op basis van metalen en dat het buitenland bereid was geweest de Franse tegenwaarde of het Franse kapitaal in om het even welke vorm te aanvaarden, niet alleen in de specifieke vorm van edele metalen. Zou de bank niet evenzeer gedwongen zijn geweest de voorwaarden van haar discontorekening te verhogen op het moment dat haar “publiek” het meest op haar diensten aandringt? De bankbiljetten waarin zij de wissels van dit publiek verdisconteert, zijn nu niets anders dan orders betreffende goud en zilver. Zij zouden, in onze veronderstelling, orders zijn betreffende de voorraad producten van de natie en de onmiddellijk bruikbare arbeidskracht: de eerste beperkt, de tweede slechts binnen zeer positieve grenzen en in bepaalde tijdsperioden vermenigvuldigbaar. Anderzijds is de geldpers onuitputtelijk en werkt zij als bij toverslag. Terwijl de mislukte graan- en zijdeoogst de onmiddellijk ruilbare rijkdom van de natie enorm verminderden, legden de buitenlandse spoorwegen, mijnbouwondernemingen enz. dezelfde onmiddellijk ruilbare rijkdom vast in een vorm die geen onmiddellijk equivalent creëert en die ze dus voor het ogenblik verzwelgt zonder compensatie! De direct ruilbare, circuleerbare rijkdom van de natie, die naar het buitenland kan worden gezonden, wordt zo absoluut verminderd! Aan de andere kant, onbeperkte groei van bankbiljetten. Direct gevolg: stijgende prijzen van producten, grondstoffen en arbeid. Aan de andere kant, een daling van de prijs van bankbiljetten. De bank zou de nationale rijkdom niet bij toverslag hebben verhoogd, maar slechts haar eigen papier door een heel gewone operatie hebben gedevalueerd. Met deze devaluatie, een plotselinge verlamming van de productie? Maar nee, schreeuwt de proudhonist. Onze nieuwe bankorganisatie zou zich niet tevreden stellen met de negatieve verdienste om de metaalbasis af te schaffen en al het andere te laten zoals het is. Zij zou geheel nieuwe voorwaarden scheppen voor de productie en het verkeer, dat wil zeggen, zij zou ingrijpen onder geheel nieuwe omstandigheden. Heeft de invoering van de huidige banken indertijd niet voor een revolutie in de productievoorwaarden gezorgd? Zou grootschalige moderne industrie mogelijk zijn geweest zonder deze nieuwe financiële instelling, zonder de concentratie van krediet die zij tot stand bracht, zonder de staatsinkomsten die zij in het leven riep als tegenpool van de grondpacht, zonder het geldwezen als tegenpool van het grondbezit, zonder de geldrente als tegenpool van de landrente; zouden er zonder deze dingen aandelenvennootschappen enz. zijn geweest, en de duizenden vormen van circulerend papier die evenzeer de voorwaarden als het product van de moderne handel en de moderne industrie zijn?

Hier komen we bij de fundamentele vraag, die los staat van het uitgangspunt. De vraag algemeen: kunnen de bestaande productieverhoudingen en hun overeenkomstige distributieverhoudingen revolutionair worden veranderd door een verandering van het circulatiemiddel – de organisatie van de circulatie? Een andere vraag is of een dergelijke transformatie van de circulatie kan worden doorgevoerd zonder de bestaande productieverhoudingen aan te tasten, met de daarop gebaseerde maatschappelijke verhoudingen. Indien elke dergelijke transformatie van de circulatie zelf, veranderingen in de andere productievoorwaarden en maatschappelijke omwentelingen veronderstelde, dan zou een doctrine die een kunstgreep in de circulatie voorstelt, natuurlijk van meet af aan sneuvelen, enerzijds om het gewelddadige karakter van de veranderingen te vermijden, en anderzijds om deze veranderingen zelf niet als voorwaarde te stellen, maar omgekeerd het geleidelijke resultaat van de transformatie van de circulatie te laten zijn. De onjuistheid van dit uitgangspunt zou volstaan om hetzelfde misverstand aan te tonen over de interne samenhang van de productie-, distributie- en circulatieverhoudingen. Het hierboven genoemde historische voorbeeld kan natuurlijk niet doorslaggevend zijn, aangezien de moderne kredietinstellingen evenzeer gevolg en oorzaak waren van de kapitaalconcentratie, slechts een moment waren, en de concentratie van rijkdom evenzeer wordt versneld door gebrek aan circulatie (zoals in het oude Rome) als door een gefaciliteerde circulatie. Bovendien zou onderzocht moeten worden, of zou het eerder de algemene vraag worden, of de verschillende beschaafde vormen van geld – metaalgeld, papiergeld, kredietgeld, arbeidsgeld (dit laatste als socialistische vorm) – kunnen realiseren wat van hen geëist wordt zonder de productieverhouding zelf, uitgedrukt in de categorie geld, op te heffen, en of het anderzijds dan niet weer een zichzelf opheffende eis is om essentiële voorwaarden van een verhouding te willen opheffen door haar formeel om te vormen? Verschillende vormen van geld kunnen beter overeenkomen met een maatschappelijke productie in verschillende stadia; de ene vorm kan kwalen verhelpen waartegen een andere machteloos is; maar geen van hen, zolang zij vormen van geld blijven, en zolang geld een essentiële productieverhouding blijft, is in staat de tegenstrijdigheden te overwinnen die inherent zijn aan de geldverhouding, en kan in plaats daarvan alleen hopen deze tegenstrijdigheden te reproduceren in een of andere vorm. De ene vorm van loonarbeid kan de misbruiken van een andere corrigeren, maar geen enkele vorm van loonarbeid kan het misbruik van loonarbeid zelf corrigeren. De ene hefboom is wellicht beter in het overwinnen van de weerstand van materie in rust dan de andere. Elk is gebaseerd op het feit dat er tegenstand is. Deze algemene vraag over de verhouding van de circulatie tot de andere productieverhoudingen kan natuurlijk pas aan het eind worden gesteld. Het blijft van meet af aan verdacht dat Proudhon en consorten het niet eens in zijn zuivere vorm poneren, maar er slechts af en toe over declameren. Waar het wordt aangeroerd, moet het elke keer zorgvuldig worden bekeken.

Zoveel is onmiddellijk duidelijk bij Darimons’ insteek, dat geldomloop en krediet volledig vereenzelvigd worden, hetgeen economisch onjuist is. (Het crédit gratuit is overigens een hypocriete, kleinburgerlijke en angstwekkende vorm voor: La propriété c’est le vol [Eigendom is diefstal (Proudhon) – vert.]. In plaats van dat de arbeiders het kapitaal van de kapitalisten afnemen, moeten de kapitalisten gedwongen worden het aan hen te geven). Dit is ook iets om op terug te komen.

Wat het onderwerp zelf betreft, is Darimon slechts tot de vaststelling gekomen dat banken die in krediet handelen, net als kooplieden die in waren handelen of arbeiders die in arbeid handelen, duurder verkopen wanneer de vraag verhoudingsgewijze toeneemt met het aanbod, d.w.z. hun diensten voor het publiek moeilijker maken op het moment dat het deze het hardst nodig hebben. Wij hebben gezien dat de bank dit moet doen, ongeacht of zij converteerbaar of niet-converteerbaar papier uitgeeft.

Het optreden van de Banque de France in oktober 1855 gaf aanleiding tot een “immens misbaar” (p. 4) en een “grand débat” tussen haar en de woordvoerders van het publiek. Darimon vat dit debat samen, of doet alsof hij het samenvat. Wij volgen hem hier slechts af en toe omdat zijn resumé de zwakte van beide tegenstanders laat zien met hun voortdurend van de hak op de tak springen. Tastend naar extrinsieke redenen. Elk kamp laat op elk moment zijn wapen vallen om een ander wapen te nemen. Geen van beiden komt tot een gevecht, niet alleen omdat zij voortdurend de wapens verwisselen waarmee zij vechten, maar evenzeer omdat zij elkaar slechts op één terrein hebben ontmoet om onmiddellijk naar een ander te vluchten. (Van 1806 tot 1855 werd de discontovoet in Frankrijk niet tot 6 % verhoogd: de betalingstermijn voor handelswissels was 50 jaar lang op 90 dagen blijven staan.)

De zwakte waarmee Darimon de bank zichzelf en zijn eigen misvatting verdedigt, blijkt bv. uit de volgende passage uit zijn fictieve dialoog:
Zegt de tegenstander van de bank:

“Dankzij uw monopolie bent u verstrekker en regulator van krediet. Als u zich streng toont, zullen de beleggers u niet alleen imiteren, maar uw strengheid overtreffen... Door uw maatregelen heeft u de handel tot stilstand gebracht.” (p. 5)

Zegt de bank, inderdaad “bescheiden”:

“Wat wilt u dat ik doe?” zegt de bank nederig... “Om mij tegen de buitenlander te verdedigen, moet ik mij tegen onze burgers verdedigen... Bovenal moet ik de uitstroom van de munteenheid voorkomen, zonder welke ik niets ben en niets kan doen.” (p. 5)

De bank wordt een dwaasheid verweten. Het leidt er toe de vraag op een zijspoor te zetten, om er een retorische algemeenheid van te maken, om ze te kunnen beantwoorden met een retorische algemeenheid. De bank deelt in deze dialoog de illusie van Darimon dat zij via haar monopolie het krediet werkelijk regelt. In feite begint de macht van de bank pas waar die van de particuliere disconteringen ophoudt, op een moment dus dat haar macht zelf al buitengewoon beperkt is. Veronderstel dat, wanneer de geldmarkt ontspannen is en iedereen tegen 2 1/2 % disconteert, de bank een disconto van 5 % aanhoudt; in plaats van haar te imiteren, zullen de disconteerders alle transacties voor haar neus weg disconteren. Nergens is dit beter aangetoond dan in de geschiedenis van de Bank of England, sinds de wet van 1844, die haar tot de echte rivaal van de particuliere bankiers maakte op het gebied van het disconto enz. De Bank of England zag zich, om voor zichzelf een aandeel, en een groeiend aandeel, in de discontohandel veilig te stellen gedurende de perioden dat de geldmarkt ontspannen was, voortdurend genoodzaakt deze niet alleen te verlagen tot, maar dikwijls zelfs onder de koers van de particuliere bankiers. Hun “regulering van het krediet” is dus met een korrel zout te nemen, terwijl Darimon uitgaat van zijn bijgeloof in hun onvoorwaardelijke controle over de geldmarkt en het krediet.

In plaats van de determinanten van de werkelijke macht van de bank over de geldmarkt kritisch te analyseren, grijpt hij onmiddellijk naar de zinsnede dat contant geld alles is voor de bank en dat zij moet voorkomen dat dit uit het land wegvloeit. Een professor aan het Collège de France (Chevalier) antwoordt:

“Goud en zilver zijn handelswaar zoals alle andere ... Hun metaalreserve is alleen goed om op dringende momenten in het buitenland aankopen te doen.”

De bank antwoordt:

“Metaalgeld is geen handelswaar zoals de andere; het is een ruilmiddel, en krachtens deze titel geniet het het voorrecht wetten voor te schrijven voor alle andere handelswaren.”

Hier springt Darimon tussen de combattanten:

“Het is dus aan dit voorrecht, dat goud en zilver genieten, het enige authentieke instrument van circulatie en ruil, dat men niet alleen de huidige crisis moet toeschrijven, maar ook de periodieke handelscrisissen.”

Om alle ongemakken van de crisissen te beheersen,

“zou het volstaan dat goud en zilver handelswaar worden zoals de andere, of nauwkeuriger, dat alle handelswaren ruilmiddelen worden van dezelfde rang (au même titre) als goud en zilver; dat producten werkelijk zichzelf tegen producten ruilen”. (p. 5-7)

De kwestie wordt hier oppervlakkig gesteld. Als de bank wissels op geld (biljetten) en promessen op kapitaal uitgeeft die in goud (of zilver) terugbetaalbaar zijn (deposito’s), dan spreekt het vanzelf dat zij de daling van haar metaalreserves slechts tot een bepaald punt kan aanzien en ondergaan zonder te reageren. Dit heeft niets te maken met de theorie van het metaalgeld. Wij komen terug op de crisistheorie van Darimon.

In het hoofdstuk Petite Histoire des crises de circulation laat de heer Darimon de Engelse crisis van 1809 tot 1811 buiten beschouwing en beperkt zich tot het vermelden, in 1810, van de benoeming van het Bullion Committee; onder 1811 laat hij de echte crisis (die in 1809 begon) opnieuw buiten beschouwing en beperkt hij zich tot het aannemen van de resolutie door het Lagerhuis, dat

“De depreciatie van de biljetten tegenover het edelmetaal is niet het gevolg van een depreciatie van het papiergeld, maar van een depreciatie van het edelmetaal”,

en Ricardo’s pamflet die het tegenovergestelde beweert, met de conclusie:

“Geld in zijn meest perfecte staat is papiergeld.” (pp. 22-23)

De crisissen van 1809 en 1811 zijn hier van belang omdat de bank toen niet-converteerbare bankbiljetten uitgaf, zodat de crisissen geenszins voortvloeiden uit de converteerbaarheid van de bankbiljetten in goud (metaal), en zij ook niet konden worden afgeremd door het opheffen van deze converteerbaarheid. Als een behendige kleermaker gaat Darimon voorbij aan deze feiten die zijn crisistheorie tegenspreken. Hij klampt zich vast aan het aforisme van Ricardo, dat niets te maken had met het werkelijke onderwerp van discussie in het pamflet, namelijk de waardevermindering van bankbiljetten. Hij beseft niet dat Ricardo’s theorie van het geld even volledig is weerlegd als zijn valse veronderstellingen dat de bank de hoeveelheid biljetten in circulatie controleert, en dat de hoeveelheid circulatiemiddelen de prijzen bepaalt, terwijl integendeel de prijzen de hoeveelheid circulatiemiddelen bepalen, enz. In Ricardo’s tijd ontbraken nog alle gedetailleerde studies over de verschijnselen van de monetaire circulatie. Dit terloops.

Goud en zilver zijn waren zoals alle andere. Goud en zilver zijn geen waren zoals de andere: als algemeen ruilmiddel zijn zij geprivilegieerde waren en degraderen zij de andere waren juist door dit privilege. Dit is de finale analyse, waarna Darimon het antagonisme reduceert. Schaf het voorrecht van goud en zilver af, degradeer het tot de rang van alle andere waren, besluit Darimon uiteindelijk. Dan schaft u niet specifiek het kwaad van goud- en zilvergeld af, of het in goud en zilver converteerbaar papier. U schaft alle kwaad af. Of liever, til alle waren naar het monopolie, dat nu exclusief ligt bij goud en zilver. Laat de paus bestaan, maar maak iedereen tot paus. Schaf het geld af door elk product tot geld te maken en het de specifieke eigenschappen van geld te geven. De vraag is hier of het probleem niet zijn eigen inconsistentie uitdrukt en daardoor de onmogelijkheid om het op te lossen, door de opgelegde voorwaarden. Vaak is het enige mogelijke antwoord een kritiek op de vraag en de enige oplossing is dan de vraag te ontkennen. De echte vraag is: maakt het burgerlijke ruilsysteem zelf niet een specifiek ruilmiddel noodzakelijk? Creëert het niet noodzakelijkerwijs een speciaal equivalent voor alle waarden? De ene vorm van dit ruilmiddel of dit equivalent kan handiger zijn, geschikter, minder ongemakken met zich meebrengen dan het andere. Maar de ongemakken die voortvloeien uit het bestaan van een bijzonder ruilmiddel, een bijzonder en toch algemeen equivalent, zouden in elke vorm moeten worden gereproduceerd, zij het op verschillende wijze. Op deze vraag gaat Darimon natuurlijk enthousiast verder. Schaf het geld af, en schaf het niet af! Schaf het exclusieve privilege af dat goud en zilver bezitten door hun exclusiviteit als geld, maar maak alle waren tot geld, d.w.z. geef ze allemaal collectief een eigenschap, maar die niet meer bestaat indien gescheiden van hun exclusiviteit.

In het wegvloeien van goud en zilver komt inderdaad een tegenstrijdigheid naar voren die Darimon even licht als overweldigend begrijpt. Er wordt aangetoond dat het goud en zilver geen waren zijn zoals de andere, en de moderne economie ziet zich plotseling en met schrik tijdelijk weer terugvallen op de vooroordelen van het mercantiele systeem. De Engelse economen proberen het probleem op te lossen door een onderscheid te maken. Wat nodig is op de momenten van zulke monetaire crisissen, zeggen zij, is niet goud en zilver als geld, goud en zilver als munt, maar goud en zilver als kapitaal. Ze vergeten toe te voegen: kapitaal, maar kapitaal in de bijzondere vorm van goud en zilver. Waar zou anders de uitstroom van juist deze waren vandaan komen, terwijl de meeste andere depreciëren bij gebrek aan uitstroom, indien kapitaal in elke vorm exporteerbaar zou zijn?

Nemen we enkele specifieke voorbeelden: uitstroom als gevolg van mislukte oogsten in eigen land voor een basisvoedingsmiddel (bv. graan), mislukte oogsten in het buitenland en dus duurder worden van een belangrijk ingevoerd consumptieartikel (bv. thee); uitstroom als gevolg van mislukte oogsten van cruciale industriële grondstoffen (katoen, wol, zijde, vlas); uitstroom als gevolg van te grote import (door speculatie, oorlog, enz.). De vervanging van een plotseling of blijvend tekort (aan graan, thee, katoen, vlas, enz.) in geval van mislukking van binnenlandse oogsten berooft de natie dubbel. Een deel van het geïnvesteerde kapitaal of arbeid wordt niet gereproduceerd – echt productieverlies. Een deel van het gereproduceerde kapitaal moet worden afgestaan om deze leemte op te vullen, een deel dat niet in eenvoudige rekenkundige verhouding staat tot het tekort, aangezien het ontbrekende product stijgt en moet stijgen ten gevolge van het verminderde aanbod en de toegenomen vraag op de wereldmarkt. Er moet precies worden geanalyseerd hoe dergelijke crisissen eruit zouden zien als geld buiten beschouwing zou worden gelaten, en welke determinanten geld in de gegeven verhoudingen inbrengt. (Mislukte graanoogsten en overtollige invoer zijn de belangrijkste gevallen. De gevolgen van een oorlog zijn evident, want economisch gezien is het precies hetzelfde als wanneer de natie een deel van haar kapitaal in het water zou gooien.)

Geval van een mislukte graanoogst: de natie beschouwd ten opzichte van andere naties, is het duidelijk dat haar kapitaal (niet alleen haar reële rijkdom) is verminderd, even duidelijk als dat een boer die zijn brooddeeg heeft laten aanbranden en het nu bij de bakker moet kopen, armer is door zijn aankoop. Wat de binnenlandse markt betreft, lijkt de stijging van de graanprijs, wat de waarde betreft, alles te laten zoals het was. Behalve dan dat de kleinere hoeveelheid graan vermenigvuldigd met de hogere prijs, bij echte mislukte oogsten, nooit = de normale hoeveelheid vermenigvuldigd met de lagere prijs. Stel dat in Engeland slechts 1 quarter wordt geproduceerd en dat 1 quarter dezelfde prijs krijgt als de eerder geproduceerde 30 miljoen quarters tarwe. Dan, afgezien van het feit dat zij niet over de middelen beschikt om leven of tarwe te reproduceren, en als we stellen dat de werkdag die nodig is om 1 quarter te produceren = A, dan zou de natie A × 30 miljoen werkdagen (productiekosten) inruilen voor 1 × A werkdagen (product); de productiviteit [produktive Kraft] van haar kapitaal zou met miljoenen zijn afgenomen en de som van alle waarden in het land zou zijn verminderd, aangezien elke werkdag met een factor 30 miljoen zou zijn afgeschreven. Elk deel van het kapitaal zou slechts 1/30.000.000 van de vroegere waarde vertegenwoordigen, het equivalent in productiekosten, hoewel in het gegeven geval niets zou zijn gedaald in de nominale waarde van het nationale kapitaal (afgezien van de waardevermindering van de grond), aangezien de gedaalde waarde van de andere producten precies zou zijn gecompenseerd door de toegenomen waarde van het ene quarter tarwe. De stijging van de tarweprijs met een factor 30 miljoen zou de uitdrukking zijn van een soortgelijke depreciatie van alle andere producten. Overigens is dit onderscheid tussen binnenland en buitenland een illusie. De relatie tussen de natie die lijdt onder een mislukte oogst en een andere natie waar de eerste aankoopt, zo verhoudt ieder individu van de natie zich tot de pachter of de graanhandelaar. Het extra bedrag dat hij moet uitgeven om graan te kopen, wordt rechtstreeks van zijn kapitaal, van zijn beschikbare middelen afgetrokken.

Om de kwestie niet te vertroebelen met het niet-essentiële, moet worden uitgegaan van een natie met een vrije graanhandel. Zelfs indien het ingevoerde graan even goedkoop zou zijn als het graan dat de natie zelf produceert, zou de natie armer zijn wegens het kapitaal dat niet door de pachters wordt gereproduceerd. Alleen in de gegeven veronderstelling importeert de natie altijd evenveel buitenlands graan als tegen de normale prijs kan worden ingevoerd. De toename van de invoer veronderstelt dus een prijsstijging.

De stijging van de graanprijs = de daling van de prijs van alle andere waren. De hogere productiekosten (weergegeven in de prijs) waartegen het quarter graan wordt bekomen, is = de verminderde productiviteit van het kapitaal dat in alle andere vormen bestaat. Het surplus dat voor de aankoop van graan wordt gebruikt, moet overeenkomen met een vermindering van de aankoop van alle andere producten en derhalve met een prijsdaling. Met of zonder metaalgeld, of geld van een andere soort, zou de natie zich in een crisis bevinden, niet beperkt tot graan, maar zich uitstrekkend tot alle andere bedrijfstakken, niet alleen omdat hun productiviteit positief zou zijn gedaald en de prijs van hun productie zou zijn gedeprecieerd in vergelijking met hun waarde, die wordt bepaald door de normale productiekosten, maar ook omdat alle contracten, verplichtingen enz. berusten op de gemiddelde productieprijzen. X schepels graan bv. moeten worden geleverd voor de staatsschuld, maar de productiekosten van deze x schepels zijn in een bepaalde verhouding gestegen. Zonder rekening te houden met geld, zou de natie in een algemene crisis belanden. Indien men niet alleen van het geld, maar ook van de ruilwaarde zou abstraheren, dan zouden de producten in waarde zijn gedaald en de productiviteit van de natie verminderd, terwijl al haar economische betrekkingen gebaseerd zijn op de gemiddelde productiviteit van haar arbeid.

De crisis die door een graantekort wordt veroorzaakt, is dus niet het gevolg van het wegvloeien van edelmetaal, hoewel zij kan worden vergroot door belemmeringen die dit wegvloeien in de weg staan.

In ieder geval kan men niet met Proudhon zeggen dat de crisis te wijten is aan het feit dat alleen de edele metalen een authentieke waarde hebben in tegenstelling tot de andere waren; want de stijging van de graanprijs betekent in het volgende geval alleen dat er meer goud en zilver moet worden gegeven in ruil voor een gegeven hoeveelheid graan, d.w.z. dat de prijs van goud en zilver is gedaald in verhouding tot de prijs van graan. Goud en zilver delen dus in de waardevermindering ten opzichte van graan met alle andere waren, waartegen geen enkel privilege hen beschermt. De depreciatie van goud en zilver ten opzichte van graan is identiek aan de stijging van de graanprijzen (Niet helemaal juist. Een quarter graan stijgt van 50 naar 100 sh., d.w.z. met 50 %, maar de katoenwaren dalen met 100. Zilver is slechts met 50 gedaald ten opzichte van graan, de katoenwaren zijn er met 100 % ten opzichte van gedaald (als gevolg van een haperende vraag enz.). D.w.z., de prijzen van de andere waren dalen meer dan dat die van het graan stijgen. Maar het tegenovergestelde gebeurt ook. Toen bv. in de afgelopen jaren het graan tijdelijk met 100 % steeg, daalden de industrieproducten niet in dezelfde mate als dat het goud ten opzichte van het graan was gedaald. Deze omstandigheid heeft in eerste instantie geen betrekking op de algemene these.) Van goud kan evenmin worden gezegd dat het een voorrecht bezit door het feit dat het, als munt, een nauwkeurig en authentiek bepaald kwantum heeft. Een taler (zilver) blijft onder alle omstandigheden een taler. Zo blijft een schepel tarwe een schepel en een el linnen een el.

De depreciatie van de meeste waren (arbeid inbegrepen) en de crisis door aanzienlijke misoogsten van graan, kunnen derhalve niet op primitieve wijze worden toegeschreven aan de uitvoer van goud, aangezien er depreciatie en een crisis zouden zijn indien in het geheel geen binnenlands goud zou worden uitgevoerd en geen buitenlands graan ingevoerd. De crisis is eenvoudigweg het gevolg van de wet van vraag en aanbod, die, zoals bekend, op het gebied van de primaire behoeften – op nationale schaal gezien – veel sterker en krachtiger werkt dan op alle andere gebieden. De export van goud is niet de oorzaak van de graancrisis, maar de graancrisis is de oorzaak van de export van goud.

Van goud en zilver op zich kan alleen worden gezegd dat zij op hun beurt de crisis beïnvloeden en de symptomen ervan in twee richtingen verergeren: 1. in zoverre de uitvoer van goud wordt bemoeilijkt door de regelgeving op het metaal, waaraan de banken zijn gebonden; in zoverre de maatregelen die de bank daarom tegen deze uitvoer van goud neemt, nadelig zijn voor de binnenlandse circulatie; 2. in zoverre de uitvoer van goud noodzakelijk wordt omdat de buitenlandse naties enkel en alleen kapitaal willen opnemen in de vorm van goud.

Moeilijkheid nr. 2 kan blijven bestaan zelfs wanneer moeilijkheid nr. 1 is opgeheven. De Bank of England ondervond dit juist in de periode dat zij wettelijk bevoegd was om niet-inwisselbaar papier uit te geven. Het papier daalde ten opzichte van het ongemunte goud, maar dat gold ook voor de muntprijs van goud ten opzichte van de prijs van ongemunt goud. Goud was een speciaal soort waar geworden tegenover het papier. Men kan stellen dat het bankbiljet nog slechts in zoverre van goud afhankelijk bleef dat het nominaal een bepaalde hoeveelheid goud vertegenwoordigde die in feite niet kon worden ingewisseld. Goud bleef de noemer, hoewel het niet langer wettelijk inwisselbaar was tegen die hoeveelheid goud bij de bank.

Er kan geen twijfel over bestaan (?) (later te onderzoeken en niet direct behorend tot het onderwerp in kwestie) dat zolang papiergeld zijn denominatie van goud krijgt (bv. een 5 pondbiljet vertegenwoordigt 5 soevereinen), de converteerbaarheid van het biljet in goud een economische wet op zich blijft, of die nu politiek al dan niet bestaat. Ook op de biljetten van de Bank of England stond tussen 1799-1819 vermeld dat zij de waarde vertegenwoordigden van een bepaalde hoeveelheid goud. Hoe deze bewering anders op de proef te stellen, dan door het feit dat het biljet inderdaad zoveel goud en zilver vordert? Vanaf het moment dat er voor een biljet van 5 pond niet langer edelmetaal ter waarde van 5 soevereinen te krijgen was, is het biljet in waarde gedaald, ook al was het niet inwisselbaar. De pariteit van de waarde van het biljet met een bepaalde goudwaarde, de nominale waarde, kwam onmiddellijk in conflict met de feitelijke ongelijkheid tussen bankbiljet en goud. Het geschil bij de Engelsen die goud als denominatie willen behouden, is in feite niet de inwisselbaarheid van het biljet in goud – die slechts de praktische equivalentie is van wat op de voorzijde van het biljet theoretisch staat – maar veeleer de vraag hoe deze inwisselbaarheid moet worden gewaarborgd, hetzij door wettelijke beperkingen opgelegd aan de bank, hetzij door de bank aan haar lot over te laten. De laatsten beweren dat deze convertibiliteit een gemiddelde is bij een wisselbank die voorschotten verstrekt op wissels en waarvan de biljetten dus een gegarandeerde terugvloeiing hebben, zij stellen dat hun tegenstanders, ondanks alles, nooit een beter en gewaarborgd gemiddelde bereiken. Dit laatste is een feit. Dat gemiddelde is overigens niet te verwerpen, en gemiddelden kunnen en moeten evengoed het fundament van de banken zijn, als van alle verzekeringsmaatschappijen, enz. Hier zijn het vooral de Schotse banken die terecht het model zijn. De strikte bullionisten [een soort van mercantilisme – vert.] van hun kant zeggen dat het hun ernst is met de inwisselbaarheid, dat de noodzaak van deze inwisselbaarheid wordt gegeven door de denominatie van het biljet zelf, dat de verplichting van de bank om het biljet convertibel te houden een barrière vormt tegen over-uitgifte, dat hun tegenstanders pseudo-aanhangers zijn van niet-convertibiliteit. Tussen deze twee liggen nog verschillende schakeringen, een massa van kleine speciale “gevallen”. Tenslotte zijn de verdedigers van de inconvertibiliteit, de resolute antibullionisten, zonder het te weten evenzeer pseudo-aanhangers van de convertibiliteit als hun tegenstanders van de inconvertibiliteit, omdat zij de denominatie van het biljet handhaven, d.w.z. dat zij de praktische gelijkstelling van een biljet van een bepaalde denominatie en een bepaald kwantum goud tot graadmeter maken voor de volle waarde van hun biljetten.

In Pruisen heeft het papiergeld een verplichte wisselkoers. (Het terugvloeien is verzekerd voor zover een quotum van de belastingen met papier moet worden betaald.) Deze papieren talers zijn geen orders voor zilver, zijn niet wettelijk inwisselbaar tegen zilver bij een bank, enz. Zij worden niet uitgegeven door een handelsbank tegen wissels, maar door de regering om haar uitgaven te dekken. Maar hun denominatie is die van zilver. Van een papieren taler wordt gezegd dat hij dezelfde waarde vertegenwoordigt als een zilveren taler. Indien het vertrouwen in de regering grondig zou worden geschokt, of indien dit papiergeld in grotere hoeveelheden zou worden uitgegeven dan vereist voor de circulatie, dan zou de papieren taler in de praktijk ophouden gelijk te zijn aan de zilveren taler en zou hij in waarde dalen omdat hij onder de nominale waarde zou zijn gedaald. De munt zou zelfs in waarde dalen indien geen van de bovengenoemde omstandigheden zich voordeed, maar indien een bijzondere behoefte aan zilver, bv. voor uitvoer, het zilver een bevoorrechte positie ten opzichte van de papieren taler verschafte. De converteerbaarheid in goud en zilver is dus een praktische maat voor de waarde van elk papiergeld dat zijn denominatie aan goud of zilver ontleent, of het papier nu wettelijk converteerbaar is of niet. De nominale waarde vergezelt haar slechts als een schaduw; of de twee in evenwicht zijn kan alleen worden aangetoond door de feitelijke convertibiliteit. Het zakken van de reële waarde onder de nominale waarde is depreciatie. Convertibiliteit is er wanneer de twee echt naast elkaar lopen en met elkaar van plaats verwisselen. In het geval van niet-converteerbare biljetten komt de converteerbaarheid niet tot uiting in de kassa van de bank, maar in de dagelijkse ruil tussen papier en het metaalgeld waarvan het de denominatie draagt. In feite is de converteerbaarheid van converteerbare biljetten reeds in gevaar gebracht zodra zij niet langer bevestigd wordt door het dagelijks verkeer in alle landsdelen, maar specifiek moet worden verzekerd door grootscheepse operaties van de kant van de bank.

Op het Schotse platteland wordt papiergeld geprefereerd boven metaalgeld. Schotland van vóór 1845, toen de Engelse wet van 1844 werd opgelegd, heeft natuurlijk alle Engelse sociale crisissen meegemaakt en sommige crisissen in sterkere mate, omdat de ontginning van het land zich hier meedogenlozer ontwikkelde. Schotland heeft echter geen daadwerkelijke monetaire crisissen gekend (het feit dat sommige banken uitzonderlijk failliet zijn gegaan omdat zij roekeloos geld hadden uitgeleend, hoort hier niet thuis); geen depreciërende biljetten, geen klachten en geen onderzoeken of de hoeveelheid circulerend geld al dan niet toereikend was, enz. Schotland is hier van belang, omdat het enerzijds laat zien hoe het monetaire systeem op de huidige basis volledig kan worden gereguleerd – alle kwaad waar Darimon over klaagt is afgeschaft – zonder af te wijken van de huidige maatschappelijke basis; sterker nog, terwijl tegelijkertijd de tegenstellingen, de antagonismen, de klassentegenstelling, enz., een nog hogere graad hebben dan in enig ander land ter wereld. Het is kenmerkend dat Darimon, evenals de beschermheer die zijn boek inleidt – Emile Girardin, die zijn praktische fratsen aanvult met theoretisch utopisme – het verzet tegen de monopoliebanken zoals de Bank of England en de Bank of France niet in Schotland vinden, maar zoeken in de Verenigde Staten, waar het banksysteem, wegens de noodzaak tot het verkrijgen van een vergunning in de afzonderlijke staten, slechts in naam vrij is, waar het heersende systeem geen vrije concurrentie tussen banken is, maar een federatie van monopoliebanken.

Het Schotse bank- en geldwezen was echter de gevaarlijkste klip voor de illusies van de circulatie-artiesten. Van goud- of zilvergeld (behalve wanneer munten van beide soorten wettig betaalmiddel zijn) wordt niet gezegd dat het in waarde vermindert, hoe vaak de waarde ervan ook verandert ten opzichte van andere waren. Waarom niet? Omdat zij hun eigen noemer zijn; omdat hun denominatie niet die van een waarde is, d.w.z. zij worden niet tegen een derde waar getaxeerd, maar drukken slechts aliquote delen [getal dat een ander getal zonder rest in gelijke delen verdeelt – vert.] van hun eigen materie uit, 1 soeverein = zoveel kwantum goud van zulk en zulk gewicht. Goud is dus nominaal niet te ontwaarden, niet omdat het enkel een authentieke waarde uitdrukt, maar omdat het als geld geen enkele waarde uitdrukt, en omdat op zijn voorhoofd een welbepaalde hoeveelheid van zijn eigen materie, zijn eigen kwantitatieve bepaaldheid staat. (Later zal nader worden onderzocht of dit kenmerk van goud- en zilvergeld in laatste instantie een intrinsieke eigenschap is van alle geld.)

Misleid door deze nominale niet-ontwaarding van het metaalgeld, zien Darimon en de zijnen slechts deze ene kant die in een crisis optreedt: de opwaardering van goud en zilver ten opzichte van bijna alle andere waren; zij zien niet de andere kant, de afwaardering van goud en zilver of geld ten opzichte van alle andere waren (arbeid misschien, niet altijd, uitgezonderd) in perioden van zogenaamde welvaart, de perioden van tijdelijke algemene prijsstijging. Aangezien deze depreciatie van het metaalgeld (en van alle soorten geld daarop gebaseerd) altijd voorafgaat aan de appreciatie ervan, hadden zij het probleem andersom moeten formuleren: hoe de periodieke waardevermindering van het geld te voorkomen (in hun taal: de afschaffing van de voorrechten van waren ten opzichte van geld). In deze laatste formulering hadden zij het probleem onmiddellijk opgelost: hoe het stijgen en dalen van de prijzen de baas worden. Het laatste: prijzen afschaffen. Dit: afschaffen van de ruilwaarde. Probleem: ruil die overeenkomt met de burgerlijke organisatie van de maatschappij. Laatste probleem: de burgerlijke maatschappij economisch revolutioneren. Dan zou van meet af aan zijn aangetoond dat het kwaad van de burgerlijke maatschappij niet kan worden verholpen door “omvormingen” van de banken of het invoeren van een rationeel “geldstelsel”.

Convertibiliteit – wettelijk of niet – blijft dus een vereiste voor alle geld dat de titel van waardeteken verkrijgt, d.w.z. het gelijkstelt met de hoeveelheid van een derde goed. Gelijkstellen omvat reeds de tegenstelling, de mogelijke ongelijkheid; converteerbaarheid omvat haar tegendeel, inconverteerbaarheid; appreciatie omvat depreciatie, potentieel, zoals Aristoteles zou zeggen. Stel bv. dat de soeverein niet alleen soeverein zou heten, wat slechts een ereteken is voor het x-ste aliquote deel van een ounce goud (rekennaam), zoals een meter een naam is voor een bepaalde lengte, maar bv., zeg, x uren arbeidstijd zou heten. 1/x ounce goud is inderdaad niets anders dan gematerialiseerde, geobjectiveerde, x uren arbeidstijd. Maar het goud is dode arbeidstijd, definitieve arbeidstijd. De naam ervan maakt een bepaalde hoeveelheid arbeid tot maat. Het pond goud zou inwisselbaar moeten zijn tegen x arbeidsuren, die men op elk ogenblik moet kunnen kopen; zodra [goud] het meer of minder zou kunnen kopen, zou het worden geapprecieerd of gedeprecieerd; in het laatste geval houdt de convertibiliteit op. Niet de arbeidstijd die in de producten zit, maar de arbeidstijd die vandaag de dag noodzakelijk is, bepaalt de waarde. Neem het pond goud zelf: het is het product van 20 uur arbeidstijd. Stel dat door bepaalde omstandigheden later 10 uur nodig waren om een pond goud te produceren. Het pond goud, waarvan het teken zegt dat het = 20 uur arbeidstijd, zou nu nog slechts = 10 uur arbeidstijd zijn, aangezien 20 uur arbeidstijd = 2 pond goud. 10 arbeidsuren worden in de praktijk geruild voor 1 pond goud; derhalve kan 1 pond goud niet langer worden geruild voor 20 arbeidsuren.

Goudgeld met de plebejische titel: x arbeidsuren zou aan grotere schommelingen blootstaan dan enig ander geld en vooral dan het huidige goudgeld; want goud kan niet stijgen of dalen tegen goud (is gelijk aan zichzelf), maar de arbeidstijd uit het verleden die in een bepaalde hoeveelheid goud besloten ligt, moet voortdurend stijgen of dalen tegen de huidige levende arbeidstijd. Om het convertibel te houden zou de productiviteit van het arbeidsuur stationair moeten worden gehouden. Immers, volgens de algemene economische wet dat de productiekosten voortdurend dalen, dat levende arbeid voortdurend productiever wordt, waardoor de arbeidstijd in de producten voortdurend in waarde daalt, zou een voortdurende depreciatie het onvermijdelijke lot van dit gouden arbeidsgeld zijn. Om dit kwaad te bedwingen, zou men kunnen zeggen dat niet het goud de titel van arbeidsuur zou moeten krijgen, maar, zoals Weitling voorstelde en de Engelsen voor hem en de Fransen na hem, waaronder Proudhon en co, dat papiergeld, louter een waardeteken, deze titel zou moeten krijgen. De arbeidstijd, in het papier belichaamd, zou even weinig meetellen als de papieren waarde van de bankbiljetten. Het ene zou slechts een weergave zijn van de arbeidsuren, zoals het andere van goud of zilver. Indien de arbeidsuren productiever zouden worden, zou de koopkracht van het biljet dat deze uren vertegenwoordigt toenemen en omgekeerd, zoals nu een biljet van vijf pond meer of minder koopt, naargelang de relatieve waarde van goud stijgt of daalt in vergelijking met andere waren.

Volgens dezelfde wet, volgens welke het gouden arbeidsgeld onderhevig zou zijn aan een voortdurende depreciatie, zou het papieren arbeidsgeld een voortdurende appreciatie genieten. Dat is precies wat wij willen; de arbeider zou gelukkig worden met de toenemende productiviteit van zijn arbeid, in plaats van proportioneel meer vreemde rijkdom te creëren en zichzelf te devalueren zoals nu. Aldus de socialisten. Maar, helaas, er rijzen enkele kleine bedenkingen. Ten eerste: indien wij eenmaal geld veronderstellen, zij het slechts arbeidstijdbonnen, moeten wij ook veronderstellen dat dit geld wordt opgestapeld en dat er contracten, obligaties, vaste lasten, enz. worden aangegaan onder de vorm van dit geld. De geaccumuleerde biljetten zouden voortdurend in waarde stijgen, evenals nieuwe biljetten, en aldus zou enerzijds de groeiende arbeidsproductiviteit ten goede komen aan de niet-arbeiders, en anderzijds zouden de vroeger aangegane lasten gelijke tred houden met de toegenomen arbeidsproductiviteit. Het dalen en stijgen van de waarde van goud of zilver zou volstrekt irrelevant zijn, indien de wereld ieder ogenblik opnieuw zou kunnen beginnen en de aangegane verplichtingen om een bepaalde hoeveelheid goud te betalen de schommelingen van de goudwaarde niet zouden overleven. Hetzelfde geldt hier voor de arbeidstijdbon en de productiviteit per uur.

Het punt dat hier moet worden onderzocht is de converteerbaarheid van de arbeidstijdbonnen. We bereiken hetzelfde doel als we een omweg maken. Hoewel het nog te vroeg is, kunnen enkele opmerkingen worden gemaakt over de waanideeën waarop de arbeidstijdbon rust, en die ons inzicht verschaffen in de diepte van het geheim dat de circulatietheorie van Proudhon verbindt met zijn algemene theorie – zijn theorie van de waardebepaling. Hetzelfde verband vinden we bv. bij Bray en Gray. Welke waarheid er aan ten grondslag ligt, moet later onderzocht worden (Maar eerst terzijde: bankbiljetten mogen alleen worden gezien als wissels op goud en mogen niet worden uitgegeven in grotere hoeveelheden dan de hoeveelheid goud die zij pretenderen te vervangen, of zij ontwaarden. Drie wissels van 15 pond die ik aan drie verschillende crediteuren uitreik op hetzelfde 15 pond in goud zijn, in feite slechts wissels op 15/3 pond = 5 pond elk. Elk van die biljetten zou vanaf het begin tot 33 1/3 procent in waarde zijn gedaald.).

De waarde (de reële ruilwaarde) van alle waren (met inbegrip van arbeid) wordt bepaald door hun productiekosten, met andere woorden, door de arbeidstijd die nodig is om ze te produceren. De prijs is die ruilwaarde uitgedrukt in geld. De vervanging van metaalgeld (en van het papier- of kredietgeld dat er zijn denominatie van krijgt) door arbeidsgeld, dat zijn denominatie zou ontlenen aan de arbeidstijd zelf, zou dus de reële waarde (ruilwaarde) van waren gelijkstellen aan hun nominale waarde, d.w.z. de geldwaarde. Het gelijkstellen van de reële waarde en de nominale waarde, de waarde en de prijs. Maar dit kan alleen worden verwezenlijkt op voorwaarde dat waarde en prijs slechts nominaal verschillend zijn. Maar dat is niet het geval. De waarde van de waren, bepaald door de arbeidstijd, is enkel hun gemiddelde waarde. Een gemiddelde dat op het eerste gezicht een abstractie is, voor zover het wordt berekend als het gemiddelde van een tijdvak, bv. 1 pond koffie 1 sh., wanneer het gemiddelde wordt genomen van, laten we zeggen, de koffieprijzen van 25 jaar; maar dat zeer reëel is wanneer het tegelijkertijd wordt erkend als de drijvende kracht en het bewegende principe van de schommelingen die de warenprijzen gedurende een bepaald tijdvak doormaken. Deze realiteit is niet enkel theoretisch belangrijk: zij vormt de basis van commerciële speculatie, waarvan de waarschijnlijkheidsberekening zowel gebaseerd is op het gemiddelde van de gemiddelde prijzen, die zij als het middelpunt van de oscillatie beschouwt, als op de gemiddelde hoogtes en de gemiddelde laagtes van de oscillatie boven of onder dit middelpunt. De marktwaarde wijkt altijd af van die gemiddelde waarde en ligt er altijd ofwel onder of boven. De marktwaarde komt overeen met de werkelijke waarde door haar voortdurende schommelingen, nooit door een gelijkstelling met de werkelijke waarde als een derde, maar door een voortdurende ongelijkheid met zichzelf (niet, zoals Hegel zou zeggen, door abstracte identiteit, maar door voortdurende ontkenning van de ontkenning, d.w.z. van zichzelf als de ontkenning van de werkelijke waarde). Dat de reële waarde zelf – onafhankelijk van haar controle op de schommelingen van de marktprijs (los van haar rol als de wet van deze schommelingen) – zichzelf ontkent en voortdurend de reële waarde van de waren in tegenspraak brengt met haar eigen bepaling, de reële waarde van de bestaande waren afwaardeert of opwaardeert – heb ik aangetoond in mijn betoog tegen Proudhon, en het is niet nodig om er hier verder op in te gaan.

De prijs verschilt dus van de waarde, niet alleen omdat de nominale waarde verschilt van de reële, niet alleen omdat hij in goud en zilver is uitgedrukt, maar ook omdat de laatste [de waarde] verschijnt als wet van de bewegingen, waar de eerste [de prijs] doorheen gaat. Maar zij zijn voortdurend verschillend en vallen nooit, of uitzonderlijk, samen. De warenprijs ligt voortdurend boven of onder de warenwaarde, en de warenwaarde zelf bestaat alleen in de ups en downs van de warenprijzen. Vraag en aanbod bepalen voortdurend de prijzen van de waren; zij vallen nooit samen, of slechts toevallig; maar de productiekosten bepalen van hun kant de schommelingen van vraag en aanbod. Het goud of zilver waarin de prijs van een waar, zijn marktwaarde, wordt uitgedrukt, is zelf een bepaalde hoeveelheid geaccumuleerde arbeid, een bepaalde maat van gematerialiseerde arbeidstijd. Op voorwaarde dat de productiekosten van de waar en de productiekosten van het goud en zilver gelijk blijven, betekent de stijging of daling van zijn marktprijs niets anders dan dat een waar, = x arbeidstijd, constant de markt commandeert dat > of < als x arbeidstijd, boven of onder zijn gemiddelde waarde staat die door de arbeidstijd bepaald is. De eerste fundamentele illusie van de arbeidstijdbonnen bestaat hierin, dat zij door het opheffen van het nominale verschil tussen werkelijke waarde en marktwaarde, tussen ruilwaarde en prijs – d.w.z. door de waarde uit te drukken in de arbeidstijd, in plaats van in een bepaalde objectivering van de arbeidstijd, zeg goud en zilver – ook het werkelijke verschil en de tegenstelling tussen prijs en waarde opheffen. En zo is het te begrijpen dat de loutere invoering van arbeidstijdbonnen alle crisissen, alle fouten van de burgerlijke productie afschaft. De geldprijs van waren = hun werkelijke waarde; vraag = aanbod; productie = consumptie; geld tegelijk afgeschaft en bewaard; de arbeidstijd, waarvan het product de waar is, die in de waar wordt gematerialiseerd, hoeft slechts te worden vermeld om een spiegelbeeld te produceren dat ermee overeenkomt in een waardeteken, geld, in arbeidstijdbonnen. Elke waar zou aldus direct in geld worden omgezet; en goud en zilver zouden van hun kant worden gedegradeerd tot de rang van alle andere waren.

Het is niet nodig uit te weiden dat de tegenstelling tussen ruilwaarde en prijs – de gemiddelde prijs en de prijzen waarvan zij het gemiddelde is – dat het verschil tussen grootheden en gemiddelde grootheden niet wordt opgeheven door alleen het verschil in naam op te heffen, d.w.z. in plaats van te zeggen: 1 pond brood kost 8 d, te zeggen: 1 pond brood = 1/x arbeidsuur. Omgekeerd, als 8 d = 1/x arbeidsuur, en als de arbeidstijd gematerialiseerd in een pond brood meer of minder is dan 1/x arbeidsuur, zou het verschil tussen waarde en prijs, in die zin dat de maat van de waarde tegelijkertijd het element zou zijn waarin de prijs wordt uitgedrukt, hun verschil alleen maar scherp doen uitkomen, dat verborgen is in de prijs van goud of zilver. Het resultaat zou een oneindige vergelijking zijn. 1/x uur arbeid (vervat in 8 d of uitgedrukt in een bon) > < dan 1/x uur arbeid (vervat in het pond brood).

De arbeidstijdbon van de gemiddelde arbeidstijd zou nooit overeenstemmen met de reële arbeidstijd en zou nooit om te zetten zijn; d.w.z. de in een waar geobjectiveerde arbeidstijd zou nooit een gelijke hoeveelheid arbeidsgeld opbrengen en omgekeerd, maar meer of minder, zoals nu elke schommeling van de marktwaarden zich uit in een stijging of daling van hun goud- en zilverprijzen.

De voortdurende depreciatie van waren – over langere perioden – ten opzichte van de arbeidstijdbonnen, waarover wij eerder spraken, kwam voort uit de wet van de toenemende productiviteit van de arbeidstijd, uit de verstoringen binnen de relatieve waarde zelf, veroorzaakt door haar eigen inherente principe, de arbeidstijd. De inconvertibiliteit van de arbeidstijdbonnen, waarover wij het nu hebben, is niets anders dan een andere uitdrukking voor de inconvertibiliteit tussen reële waarde en marktwaarde, ruilwaarde en prijs. De arbeidstijdbon vertegenwoordigde, in tegenstelling tot alle waren, een ideale arbeidstijd, die nu eens voor meer, dan weer voor minder dan de werkelijke werd geruild, en in de arbeidstijdbon een afzonderlijk, een eigen bestaan kreeg, dat overeenkwam met deze reële ongelijkheid. Het algemene equivalent, het circulatiemiddel en graadmeter van de waren zou opnieuw tegenover de waren komen te staan in een individuele vorm, volgens zijn eigen wetten, vervreemd, d.w.z. voorzien van alle eigenschappen van het geld zoals het nu bestaat, maar niet in staat om zijn functie te vervullen. Het middel waarmee de waren – de geobjectiveerde hoeveelheden arbeidstijd – worden vergeleken zou geen derde waar zijn, maar veeleer hun eigen maat van waarde, de arbeidstijd zelf; en daardoor zou de verwarring een totaal nieuwe hoogte bereiken. De waar a, de objectivering van 3 arbeidsuren, is = bon van 2 arbeidsuren; de waar b, de objectivering idem dito van 3 arbeidsuren, is = bon van 4 arbeidsuren. Deze tegenstrijdigheid komt in feite, verhuld, tot uitdrukking in de geldprijzen. Het verschil tussen prijs en waarde, tussen het goed, gemeten naar de arbeidstijd waarvan het het product is, en het product van de arbeidstijd waar tegen het geruild wordt, dit verschil vereist een derde waar als graadmeter waarin de werkelijke ruilwaarde van de waar wordt uitgedrukt. Omdat de prijs niet gelijk is aan de waarde, kan het waardebepalende element – de arbeidstijd – niet het element zijn waarin de prijzen worden uitgedrukt, want dan zou de arbeidstijd zich tegelijkertijd moeten uitdrukken als het bepalende en het niet-bepalende, als het equivalent en het niet-equivalent van zichzelf. Omdat de arbeidstijd als de maat van de waarde slechts als ideaal bestaat, kan zij niet dienen als materiaal van de prijsvergelijking. (Hier wordt tegelijkertijd duidelijk hoe en waarom de waardeverhouding een afzonderlijk materieel bestaan verkrijgt in de vorm van geld. Dit moet verder worden uitgewerkt.) Het verschil tussen prijs en waarde vereist dat waarden, als prijzen, worden gemeten met een andere graadmeter dan de hunne. De prijs, te onderscheiden van de waarde, is noodzakelijkerwijs de geldprijs. Hier wordt duidelijk dat het nominale verschil tussen prijs en waarde wordt bepaald door hun reële verschil.

[Ontstaan en aard van het geld]

Waren a = 1 sh. (d.w.z. = 1/x zilver); waren b = 2 sh. (d.w.z. 2/x zilver). Daarom is de waar b = tweemaal de waarde van waar a. De waardeverhouding tussen a en b wordt uitgedrukt door de verhouding waarin beide zich ruilen tegen de hoeveelheid van een derde waar, tegen zilver; niet tegen een waardeverhouding.

Elke waar (product of productiemiddel) is = de objectivering van een bepaalde arbeidstijd. Hun waarde, de verhouding waarin zij worden geruild tegen andere waren, of andere waren tegen hen, is = aan de hoeveelheid arbeidstijd die erin is gerealiseerd. Als een waar bv. = 1 uur arbeidstijd, dan ruilt het met alle andere waren die het product zijn van 1 uur arbeidstijd. (Deze hele redenering gaat ervan uit dat de ruilwaarde = de marktwaarde; de werkelijke waarde = de prijs.) De waarde van de waar is te onderscheiden van de waar zelf. De waar is slechts een waarde (ruilwaarde) binnen een (reële of ingebeelde) ruil: waarde is niet alleen de ruilbaarheid van de waar in het algemeen, maar ook zijn specifieke ruilbaarheid. Het is tegelijkertijd de exponent van de verhouding waarin het wordt geruild met andere waren, en de exponent van de verhouding waarin het zichzelf reeds heeft geruild in de productie met andere waren (gematerialiseerde arbeidstijd); het is kwantitatief bepaalde ruilbaarheid. De waren, bv. een el katoen en een maat olie, beschouwd als katoen en olie, zijn van nature verschillend, bezitten verschillende kwaliteiten, worden gemeten met verschillende maten, zijn niet met elkaar te vergelijken. Als waarden zijn alle waren kwalitatief gelijk en slechts kwantitatief verschillend, dus meten zij elkaar wederzijds en vervangen zij elkaar (ruilbaar, zijn convertibel tegenover elkaar) in bepaalde kwantitatieve verhoudingen. De waarde is hun maatschappelijke verhouding, hun economische kwaliteit. Een boek dat een bepaalde waarde bezit en een brood dat dezelfde waarde bezit, worden tegen elkaar geruild, hebben dezelfde waarde maar in een ander materiaal. Als waarde is een waar een equivalent voor alle andere waren in een gegeven verhouding. Als waarde is de waar equivalent; als equivalent zijn al zijn natuurlijke eigenschappen erin gedoofd; het staat niet langer in een bijzondere kwalitatieve verhouding tot de andere waren; maar het is zowel de algemene maat en de algemene vertegenwoordiger, als het algemene ruilmiddel van alle andere waren. Als waarde is het geld.

Maar omdat de waar, of liever het product of het productie-instrument, verschilt van zijn waarde, is zijn bestaan als waarde verschillend van zijn bestaan als product. Haar kwaliteit als waarde kan niet alleen, maar moet tegelijkertijd een ander bestaan krijgen dan haar natuurlijke bestaan. Waarom? Omdat waren als waarden slechts kwantitatief van elkaar verschillen, moet elke waar kwalitatief verschillend zijn van zijn eigen waarde. Zijn waarde moet dus ook een bestaan hebben dat er kwalitatief van verschilt, en in de echte ruil moet deze scheidbaarheid een echte scheiding worden, omdat het natuurlijke verschil van de waren in tegenspraak moet komen met hun economische equivalentie en beide slechts naast elkaar kunnen bestaan, in die zin dat de waar een dubbel bestaan krijgt, naast het natuurlijke zuiver economisch bestaan, waarin het louter een symbool is, een letter voor een productieverhouding, een louter symbool voor zijn eigen waarde. Als waarde is elke waar gelijkelijk deelbaar; in zijn natuurlijk bestaan is het dat niet. Als waarde blijft zij dezelfde, hoeveel gedaanteverwisselingen en bestaansvormen zij ook doorloopt; in werkelijkheid worden waren slechts geruild omdat zij ongelijk zijn en beantwoorden aan verschillende systemen van behoeften. Als waarde is zij algemeen, als een echte waar een bijzonderheid. Als waarde is zij altijd ruilbaar; in de werkelijke ruil is zij dat alleen wanneer zij aan bijzondere voorwaarden voldoet. Als waarde wordt de maat van haar ruilbaarheid door haarzelf bepaald; de ruilwaarde drukt juist de verhouding uit waarin zij andere waren vervangt; in de werkelijke ruil is zij slechts ruilbaar in hoeveelheden die verband houden met haar natuurlijke eigenschappen en die overeenkomen met de behoeften van de ruilers. (Kortom, alle eigenschappen die als bijzondere eigenschappen van geld worden opgesomd, zijn eigenschappen van de waar als ruilwaarde; van het product als waarde, onderscheiden van de waarde als product.) (De ruilwaarde van de waar, als een bijzonder bestaan naast de waar zelf, is geld; de vorm waarin alle waren op elkaar lijken, elkaar vergelijken, elkaar meten; waarin alle waren opgaan, wat opgaat in alle waren; het algemene equivalent.)

Op elk moment, in rekenen, boekhouden, enz., veranderen wij waren in waardetekens, we stellen ze vast als louter ruilwaarden, abstraheren ze van hun substantie en al hun natuurlijke eigenschappen. Op papier, in het hoofd, verloopt deze metamorfose door loutere abstractie; maar in de echte ruil is een echte bemiddeling nodig, een middel om deze abstractie te verwezenlijken. In zijn natuurlijk bestaan, met zijn natuurlijke eigenschappen, in zijn natuurlijke identiteit met zichzelf, is de waar noch voortdurend ruilbaar, noch ruilbaar tegen elke andere waar; dit is zij alleen als iets anders dan zichzelf, iets dat van zichzelf onderscheiden is, als ruilwaarde. Wij moeten de waar eerst in zichzelf als ruilwaarde omzetten om vervolgens deze ruilwaarde met andere ruilwaarden te kunnen vergelijken en te kunnen ruilen. In de primitiefste ruilhandel, wanneer twee waren tegen elkaar worden geruild, wordt elke waar eerst gelijkgesteld met een symbool dat zijn ruilwaarde uitdrukt, bv. bij bepaalde zwarten aan de West-Afrikaanse kust = x staven. De ene waar = 1 staaf, de andere = 2 staven. In deze verhouding worden ze geruild. De waren worden eerst omgezet in staven in het hoofd en in de spraak voordat zij tegen elkaar worden geruild. Zij worden beoordeeld voordat zij worden geruild, en om ze te kunnen beoordelen moeten zij in een bepaalde numerieke verhouding tot elkaar worden gebracht. Om ze in een dergelijke getalsverhouding te brengen, om ze vergelijkbaar te maken, moeten ze dezelfde benaming (eenheid) krijgen. (De staaf heeft een louter denkbeeldig bestaan, zoals in het algemeen een verhouding slechts door middel van abstractie een bepaalde belichaming kan krijgen en geïndividualiseerd kan worden.) Om het overschot van de ene waarde ten opzichte van de andere in de ruil te dekken, om de balans te vereffenen, is in de ruigste ruil betaling in geld noodzakelijk, zoals nu in de internationale handel.

De producten (of arbeid) ruilen zichzelf slechts als waren; de geruilde waren bestaan zelf slechts als waarden; slechts als zodanig zijn zij onderling vergelijkbaar. Om het gewicht van het brood te bepalen dat ik ruil tegen een el linnen, moet ik eerst het el linnen = zijn ruilwaarde, d.w.z. = 1/x = arbeidstijd. Evenzo stel ik het pond brood = zijn ruilwaarde = 1/x of 2/x enz. arbeidstijd. Ik stel elk van de waren = een derde, d.w.z. ongelijk aan zichzelf. Deze derde, die verschillend is van beide, omdat zij een verhouding uitdrukt, bestaat eerst in het hoofd, een denkbeeld, zoals verhoudingen in het algemeen alleen gedacht kunnen worden als ze gedefinieerd moeten worden, in tegenstelling tot de subjecten die zich verhouden. Wanneer een product (of arbeid) ruilwaarde wordt, wordt het niet alleen omgezet in een bepaalde kwantitatieve verhouding, een getalsverhouding – namelijk in een getal dat uitdrukt welke hoeveelheid van de andere waren er gelijk aan is, zijn equivalent, of in welke verhouding het, het equivalent is van andere waren – maar moet het tegelijkertijd kwalitatief worden omgezet, omgezet in een ander element, zodat beide waren benoembare hoeveelheden worden, met dezelfde eenheid, dat wil zeggen, commensurabel worden. De waar moet eerst worden omgezet in arbeidstijd, dat wil zeggen in iets dat kwalitatief anders is (kwalitatief anders, 1. omdat het niet arbeidstijd als arbeidstijd is, maar gematerialiseerde arbeidstijd; arbeidstijd niet in de vorm van beweging, maar van rust; niet van proces, maar van resultaat; 2. omdat het niet de gematerialiseerde arbeidstijd in het algemeen weergeeft, dat alleen in de verbeelding bestaat (arbeid gescheiden van zijn kwaliteit, arbeid die kwantitatief verschillend is), maar veeleer het specifieke resultaat van een specifiek, van nature gespecificeerd, soort arbeid dat kwalitatief verschilt van andere arbeid), om vervolgens als een bepaalde hoeveelheid arbeidstijd, als een bepaalde omvang van arbeid, te worden vergeleken met andere hoeveelheden arbeidstijd, andere grootheden van arbeid.

Voor de loutere vergelijking – het schatten van de producten – voor hun ideale waardebepaling, is het voldoende deze transformatie in het hoofd uit te voeren (een transformatie waarbij het product slechts bestaat als een weergave van kwantitatieve productieverhoudingen). Bij het vergelijken van waren is deze abstractie voldoende; bij een echte ruil moet de abstractie opnieuw worden geobjectiveerd, gesymboliseerd, gerealiseerd door een teken. Deze noodzaak doet zich voor: 1. Zoals wij reeds hebben gezegd, worden de te ruilen waren beide in het hoofd omgezet in gemeenschappelijke grootteverhoudingen, ruilwaarden, en aldus ten opzichte van elkaar geschat. Maar als zij werkelijk moeten worden geruild, komen hun natuurlijke eigenschappen in conflict met hun bepaling als ruilwaarden en loutere getallen. Ze zijn niet willekeurig deelbaar, enz. 2. Bij een echte ruil worden bepaalde waren altijd geruild tegen bepaalde waren, en de ruilbaarheid van elke waar, alsmede de verhouding waarin het ruilbaar is, hangt af van omstandigheden van plaats en tijd, enz. De verandering van de waar in ruilwaarde stelt haar echter niet gelijk aan een bepaalde andere waar, maar drukt haar uit als een equivalent, haar ruilbaarheidsverhouding tot alle andere waren. Deze vergelijking, die in het hoofd in één klap wordt gemaakt, wordt in werkelijkheid slechts in een bepaalde omvang, door de behoefte bepaalt, slechts successief, gerealiseerd. (Bv.: ik ruil op mijn beurt een inkomen van 100 talers, in functie van mijn behoeften, tegen een hele reeks van waren waarvan de som = de ruilwaarde van 100 talers.) Om de waar in één keer als ruilwaarde te realiseren en het de algemene impact van ruilwaarde te geven, is de ruil met een bepaalde waar onvoldoende. Het moet worden geruild met een derde ding, dat zelf geen speciale waar is, maar het symbool van de waar als waar, van de ruilwaarde van de waar zelf; dat dus de arbeidstijd als zodanig vertegenwoordigt, zeg een stuk papier of leer, dat een aliquot deel van de arbeidstijd vertegenwoordigt. (Een dergelijk symbool veronderstelt een algemene erkenning; het kan alleen een maatschappelijk symbool zijn; het drukt in feite alleen een maatschappelijke verhouding uit.) Dit symbool vertegenwoordigt de aliquote delen van de arbeidstijd; de ruilwaarde in zulke aliquote delen zijn in staat om door eenvoudige rekenkundige combinaties alle relaties van ruilwaarden onder elkaar uit te drukken. Dit symbool, dit materiële ruilwaardeteken, is een product van de ruil zelf, niet de uitvoering van een a priori idee. (In feite wordt de waar, dat als ruilmiddel wordt gebruikt, slechts geleidelijk in geld, in een symbool veranderd; zodra dit is gebeurd, kan een symbool ervan het weer vervangen. Het wordt nu een bewust teken van ruilwaarde.)

Het proces is dus gewoon: het product wordt een waar, d.w.z. een moment in de ruil. De waar wordt veranderd in ruilwaarde. Om het als ruilwaarde aan zichzelf gelijk te stellen, wordt het geruild met een teken dat de ruilwaarde als zodanig voorstelt. Als zodanig gesymboliseerde ruilwaarde kan zij vervolgens in bepaalde verhoudingen weer worden geruild met elke andere waar. Doordat het product een waar wordt en de waar ruilwaarde, krijgt het in het hoofd een dubbel bestaan. Deze abstracte verdubbeling gaat zo (en moet gaan) dat de waar tweemaal in de reële ruil verschijnt: als een natuurlijk product aan de ene kant, als ruilwaarde aan de andere. Dat wil zeggen dat zijn ruilwaarde een bestaan verwerft dat er materieel van gescheiden is.

De definitie van het product als ruilwaarde brengt dus noodzakelijkerwijs met zich mee dat de ruilwaarde een afzonderlijk bestaan verwerft, los van het product. De ruilwaarde, losgemaakt van de waren en zelf een waar zijnde die er naast staat, is – geld. In de vorm van geld verschijnen alle eigenschappen van de waar als ruilwaarde, als een van haar verschillend object, als een vorm van maatschappelijk bestaan gescheiden van het natuurlijk bestaan van de waar. (Dit is verder te bewijzen door de gebruikelijke eigenschappen van geld op te sommen.) (Het materiaal waarin dit symbool wordt uitgedrukt is geenszins om het even, hoe verscheiden het historisch ook verschijnt. In de ontwikkeling van de maatschappij wordt niet alleen het symbool uitgewerkt, maar ook het materiaal dat met het symbool overeenkomt, en waaraan het zich nadien weer tracht te onttrekken; een symbool, als het niet willekeurig is, stelt bepaalde eisen aan het materiaal waarin het wordt voorgesteld. Zo hebben bv. de tekens voor woorden een geschiedenis. Het alfabet, enz.) De ruilwaarde van het product genereert dus het geld naast het product. Welnu, zoals het onmogelijk is de verwikkelingen en tegenstellingen die voortvloeien uit het bestaan van geld naast bepaalde waren op te heffen door de vorm van het geld te veranderen (hoewel moeilijkheden die voortvloeien uit zijn lagere vorm kunnen worden vermeden door zijn hogere), zo is het evenzeer onmogelijk het geld zelf op te heffen zolang de ruilwaarde de maatschappelijke vorm van de producten blijft. Het is noodzakelijk dit goed te begrijpen om zich geen onmogelijke taken op te leggen en de grenzen te kennen waarbinnen geldhervormingen en wijzigingen in de circulatie, de productieverhoudingen en de daarop berustende maatschappelijke verhoudingen kunnen veranderen.

De eigenschappen van het geld als 1. graadmeter voor de ruil van waren; 2. ruilmiddel; 3. vertegenwoordiger van waren (dus voorwerp van overeenkomsten); 4. algemene waar naast de specifieke waren, dat volgt allemaal eenvoudigweg uit zijn karakter als ruilwaarde, gescheiden van de waren zelf en geobjectiveerd. (De eigenschap van het geld als algemene waar tegenover alle andere, als de belichaming van hun ruilwaarde, maakt het tegelijkertijd tot de gerealiseerde en altijd realiseerbare vorm van het kapitaal; de altijd geldige verschijningsvorm van het kapitaal, een eigenschap die in het wegvloeien van het edelmetaal naar voren komt; die het kapitaal historisch gezien aanvankelijk alleen in de vorm van geld doet verschijnen; die tenslotte het verband van het geld met de rentevoet en zijn invloed daarop verklaart.)

Hoe meer de productie zo wordt vormgegeven dat iedere producent afhankelijk wordt van de ruilwaarde van zijn waar, d.w.z. hoe meer het product werkelijk ruilwaarde wordt en de ruilwaarde het onmiddellijke object van de productie, des te meer moeten de geldverhoudingen zich ontwikkelen en de tegenstellingen die inherent zijn aan de geldverhouding, de verhouding van het product tot zichzelf als geld. De behoefte aan ruil en de verandering van het product in zuivere ruilwaarde evolueert in dezelfde mate als de arbeidsdeling, d.w.z. met het maatschappelijke karakter van de productie. Maar in dezelfde mate dat dit toeneemt, groeit de macht van het geld, d.w.z. de ruilverhouding stelt zich op als een externe en onafhankelijke macht tegenover de producenten. Wat oorspronkelijk een middel leek om de productie te bevorderen, wordt een verhouding die vreemd is aan de producenten. In dezelfde mate waarin de producenten afhankelijk worden van de ruil, lijkt de ruil onafhankelijk van hen te worden en groeit de kloof tussen het product als product en het product als ruilwaarde. Geld produceert deze tegenstellingen en tegenstrijdigheden niet; de ontwikkeling van deze tegenstellingen en tegenstrijdigheden produceert de schijnbaar transcendente macht van het geld. (Verder te ontwikkelen, de invloed van de transformatie van alle verhoudingen in geldverhoudingen: belastingen in natura in geldbelastingen, huur in natura in geldhuur, militaire dienst in huurlingen, alle persoonlijke diensten in het algemeen in gelddiensten, van patriarchale arbeid, slavenarbeid, horige arbeid en gildearbeid in zuivere loonarbeid.)

Het product wordt een waar; de waar wordt ruilwaarde; de ruilwaarde van de waar is haar immanente geldeigenschap; deze geldeigenschap maakt zich los van haar als geld, verwerft een algemeen maatschappelijk bestaan los van alle bijzondere waren en hun natuurlijke bestaanswijze; de verhouding van het product tot zichzelf als ruilwaarde wordt haar verhouding tot het geld dat naast haar bestaat, of van alle producten tot het geld dat los van hen alle bestaat. Zoals de werkelijke ruil van producten hun ruilwaarde genereert, zo genereert hun ruilwaarde geld.

De volgende vraag die ons nu bezighoudt is deze: het bestaan van geld naast de waren, houdt dat niet van meet af aan de tegenstellingen in, die met deze verhouding zelf gegeven zijn?

Ten eerste: het simpele feit dat de waar een dubbel bestaan heeft, eenmaal als een bepaald product dat idealiter zijn ruilwaarde bevat (latent bevat) in zijn natuurlijke bestaansvorm, vervolgens als gemanifesteerde ruilwaarde (geld), die alle samenhang met de natuurlijke bestaansvorm van het product wegneemt. Dit dubbele, verschillende bestaan moet voortgaan in verscheidenheid, verscheidenheid in tegenstelling en tegenspraak. Dezelfde tegenstelling tussen de bijzondere aard van de waar als product en de algemene aard ervan als ruilwaarde, die de noodzaak schiep het dubbel op te vatten, als deze bijzondere waar enerzijds en anderzijds als geld – deze tegenstelling tussen de bijzondere natuurlijke eigenschappen van de waar en de algemene maatschappelijke eigenschappen ervan, dat bevat van meet af aan de mogelijkheid dat deze twee gescheiden vormen waarin de waar bestaat, niet met elkaar uitwisselbaar zijn. De ruilbaarheid van de waar bestaat als een ding ernaast, als geld, als iets verschillend, niet meer direct identiek. Zodra het geld een extern ding is naast de waar, is de ruilbaarheid van de waar tegen geld onmiddellijk gebonden aan externe voorwaarden die zich al dan niet kunnen voordoen; blootgesteld aan externe voorwaarden. De waar wordt geruild omwille van de natuurlijke kwaliteiten, omwille van de behoeften waarvan het het voorwerp is. Geld daarentegen, alleen vanwege de ruilwaarde, als ruilwaarde. Of de waar dus in geld kan worden omgezet, of ervoor kan worden geruild, of de ruilwaarde ervoor kan worden vastgesteld, dat hangt af van de omstandigheden die er als ruilwaarde aanvankelijk niets mee te maken hebben en er onafhankelijk van zijn. De converteerbaarheid van de waar hangt af van de natuurlijke eigenschappen van het product; die van het geld valt samen met zijn bestaan als gesymboliseerde ruilwaarde. Zo is het mogelijk dat de waar in zijn specifieke productvorm, niet langer geruild, gelijkgesteld kan worden aan zijn algemene vorm als geld [geldvorm].

Door als geld buiten de waar te bestaan, is de ruilbaarheid van de waar iets anders geworden dan en vreemd aan de waar, waarmee zij eerst moet worden gelijkgesteld, en waaraan zij dus in het begin ongelijk is; terwijl de gelijkstelling zelf afhankelijk wordt van externe voorwaarden, dus een kwestie van toeval.

Ten tweede: net zoals de ruilwaarde van de waar een dubbel bestaan heeft, als de specifieke waar en als geld, zo valt de handeling van de ruil uiteen in twee onafhankelijke handelingen: ruil van de waar tegen geld, ruil van geld tegen een waar; kopen en verkopen. Aangezien deze nu een ruimtelijk en temporeel gescheiden en onderling indifferente vorm van bestaan hebben bereikt, houdt hun onmiddellijke identiteit op. Zij kunnen corresponderen en niet corresponderen; in balans zijn of niet; zij kunnen in een wanverhouding tot elkaar staan. Zij zullen natuurlijk altijd trachten elkaar gelijk te stellen; maar in de plaats van de vroegere onmiddellijke gelijkheid is er nu de voortdurende beweging van gelijkstelling, die klaarblijkelijk een voortdurende niet-gelijkwaardigheid veronderstelt. Consonantie kan nu mogelijk enkel volledig gerealiseerd worden door de extreme dissonanten te doorlopen.

Ten derde: ontstaat er met de scheiding van kopen en verkopen – de splitsing van de ruil in twee ruimtelijk en temporeel onafhankelijke acties – een andere nieuwe verhouding.

Zoals de ruil zelf zich opsplitst in twee onafhankelijke acties, zo scheidt de algemene ruilbeweging zich af van de ruilers, de producenten van de waren. Ruil omwille van de ruil scheidt zich van ruil omwille van de waar. Tussen de producenten staat een koopmansstand, een stand die louter koopt om te verkopen en louter verkoopt om weer te kopen, en die bij deze operatie niet uit is op het bezit van de waren als producten, maar louter op het verkrijgen van ruilwaarden als zodanig, van geld. (Bij louter ruilhandel kan zich een koopmansstand vormen. Maar aangezien zij slechts beschikt over het teveel van de productie aan beide zijden, blijft haar invloed op de productie zelf vrij secundair, evenals haar gehele belang.) De verzelfstandiging van de ruilwaarde in geld, losgerukt van de producten, komt overeen met de verzelfstandiging van de ruil (handel) als functie losgerukt van de ruilers. De ruilwaarde was de maat voor de ruil van waren; maar het doel ervan was het directe bezit van de geruilde waar, de consumptie ervan (of deze consumptie nu inhoudt dat het rechtstreeks dient voor de bevrediging van behoeften, als product, of zelf weer als productiemiddel). Het doel van de handel is niet rechtstreeks de consumptie, maar het verwerven van geld, van ruilwaarden. Door deze verdubbeling van de ruil – ruil omwille van de consumptie en ruil omwille van de ruil – ontstaat een nieuwe wanverhouding. De koopman wordt in zijn ruil slechts bepaald door het verschil tussen de aan- en verkoop van waren; maar de consument moet de ruilwaarde van de gekochte waar definitief vergoeden. De circulatie, de ruil binnen de koopmansstand, en het einde van de circulatie, de ruil tussen de koopmansstand en de consumenten, hoezeer zij uiteindelijk ook van elkaar afhankelijk zijn, worden door geheel verschillende wetten en motieven bepaald en kunnen met elkaar in de grootste tegenspraak komen. Alleen al in deze scheiding schuilt de mogelijkheid van handelscrisissen. Maar aangezien de productie rechtstreeks voor de handel werkt en slechts onrechtstreeks voor de consumptie, moet zij evenzeer de gevolgen ondervinden van deze ongerijmdheid tussen de handel en de ruil voor consumptie, als dat zij die verwekt. (De verhoudingen van vraag en aanbod zijn volledig omgekeerd.) (De geldhandel scheidt zich dan weer van de eigenlijke handel.)

Aforismen. (Alle waren zijn vergankelijk geld; geld is de onvergankelijke waar. Hoe verder de arbeidsdeling zich ontwikkelt, hoe meer het onmiddellijke product ophoudt een ruilmiddel te zijn. De noodzaak van een algemeen ruilmiddel treedt in, d.w.z. een ruilmiddel dat onafhankelijk is van elke specifieke productie. In geld wordt de waarde van dingen gescheiden van hun substantie. Geld is oorspronkelijk de vertegenwoordiger van alle waarden; in de praktijk draait de zaak zich om en worden alle reële producten en de arbeid de representanten van het geld. Bij directe ruilhandel kan niet elk artikel tegen elk artikel worden geruild en kan een bepaalde activiteit alleen tegen bepaalde producten worden geruild. Geld kan de moeilijkheden die inherent zijn aan de ruilhandel, alleen opheffen door ze te veralgemenen, universeel te maken. Het is absoluut essentieel dat de met geweld gescheiden elementen, die in wezen bij elkaar horen, zich door middel van een gewelddadige uitbarsting, zich tonen als een scheiding van de dingen die in wezen bij elkaar horen. Eenheid vestigt zich met geweld. Zodra de vijandige verdeeldheid tot uitbarstingen leidt, wijzen de economen op de wezenlijke eenheid en abstraheren zij de vervreemding. Hun apologetische wijsheid bestaat hierin, dat zij op elk beslissend moment hun eigen definities vergeten. Het product als direct ruilmiddel is 1. nog steeds direct gebonden aan zijn natuurlijke kwaliteit, dus in alle opzichten beperkt door deze laatste; het kan bijvoorbeeld bederven enz.; 2. verbonden met de onmiddellijke behoefte die een ander op dat moment al dan niet heeft, of die hij voor zijn eigen product kan hebben. Door het product van de arbeid en de arbeid zelf aan de ruil te onderwerpen, komt er een moment waarop zij van hun eigenaar worden gescheiden. Of zij na deze scheiding in een andere vorm naar hem terugkeren, wordt een toeval. Wanneer geld in de ruil komt, word ik gedwongen mijn product in te ruilen tegen ruilwaarde in het algemeen of tegen de algemene ruilbaarheid; daardoor wordt mijn product afhankelijk van de toestand van de algemene handel en wordt het losgerukt uit zijn plaatselijke, natuurlijke en individuele grenzen. Juist daarom kan het ophouden een product te zijn.)

Ten vierde: Zoals de ruilwaarde in geld, als een algemene waar, naast alle specifieke waren existeert, zo bestaat tegelijkertijd de ruilwaarde, als een bijzondere waar in het geld [in de vorm van geld, in de geldvorm] (omdat het een bijzonder bestaan heeft) naast alle andere waren. Niet alleen leidt dit tot een ongerijmdheid, omdat geld, omdat het slechts in de ruil bestaat, de bijzondere ruilbaarheid van de waren confronteert met de algemene ruilbaarheid en deze onmiddellijk tenietdoet, en toch moeten beide voortdurend tegen elkaar convertibel blijven; geld komt daardoor in tegenspraak met zichzelf en zijn eigenschap, omdat het zelf een bijzondere waar is (ook al is het slechts een merkteken) en daarom in zijn ruil tegen andere waren weer onderworpen is aan bijzondere ruilvoorwaarden, die in tegenspraak zijn met zijn algemene onvoorwaardelijke ruilbaarheid. (Hier spreken we helemaal nog niet over het geld gefixeerd in het warenkapitaal van een bepaald product, enz.) Naast haar bestaan in de waar, verwierf de ruilwaarde een eigen bestaan in het geld, gescheiden van haar substantie precies omdat de natuurlijke eigenschap van deze substantie in tegenspraak was met haar algemene eigenschap als ruilwaarde. Elke waar is gelijk (en vergelijkbaar) aan elke andere als ruilwaarde (kwalitatief: elk vertegenwoordigt nu slechts een kwantitatieve plus of min van de ruilwaarde). Daarom is hun gelijkwaardigheid, hun eenheid, te onderscheiden van hun natuurlijk verschil, en verschijnt daarom in het geld zowel als hun gemeenschappelijk element en als een derde ding dat hen beide confronteert. Maar enerzijds blijft de ruilwaarde natuurlijk een inherente eigenschap van de waren, terwijl zij er tegelijkertijd extern aan is; anderzijds wordt het geld, als dat niet langer bestaat als een eigenschap van de waren, als een gemeenschappelijk element, maar geïndividualiseerd, zelf een bijzondere waar naast de andere waren (Bepaalbaar door vraag en aanbod; splitst zich op in verschillende soorten geld, enz.) Het wordt een waar zoals de andere waren en is tegelijkertijd geen waar zoals de andere waren. Ondanks zijn algemeenheid is het ruilbaar naast andere ruilbaren. Het is niet alleen de algemene ruilwaarde, maar tegelijkertijd een bijzondere ruilwaarde naast andere bijzondere ruilwaarden. Hier is een nieuwe bron van tegenstellingen die zich in de praktijk doen gelden. (Bij de scheiding van de geldhandel en de reële handel komt de bijzondere aard van het geld weer naar voren.)

We zien dus hoe het een inherente eigenschap van het geld is om zijn doeleinde te bereiken door het tegelijkertijd te ontkennen; zich te verzelfstandigen van de waren; van een middel wordt het een doel; realisatie van de ruilwaarde van de waren door ze ervan te scheiden; de ruil te vergemakkelijken door ze te splitsen; de moeilijkheden van de onmiddellijke warenruil te overwinnen door ze te veralgemenen; in dezelfde mate waarin de producenten afhankelijk worden van de ruil, de ruil te verzelfstandigen tegenover de producenten.

(Het zal later nodig zijn, alvorens deze vraag te laten vallen, de idealistische wijze van voorstelling te corrigeren, die de indruk wekt dat het alleen maar gaat om definities en de dialectiek van deze begrippen. Dus vooral de uitdrukking: het product (of de activiteit) wordt een waar; de waar wordt ruilwaarde; de ruilwaarde wordt geld.)

(Economist. 24 jan. 1857. De volgende zin moet in gedachten worden gehouden bij het onderwerp banken:

“Voor zover de commerciële klassen delen in de winsten van de banken, hetgeen thans vrij algemeen het geval is – en waarschijnlijk nog zal toenemen ten gevolge van de verdere verbreiding van de aandelenbanken, de afschaffing van alle vennootschappelijke voorrechten en de uitbreiding van de volledige vrijheid van het bankwezen – is hun rijkdom toegenomen ten gevolge van de stijging van de geldkoersen. In feite zijn de commerciële klassen, gezien het bedrag van hun deposito’s, in wezen hun eigen bankiers; en voor zover dit waar is, moet de discontovoet voor hen van weinig belang zijn. Alle bank- en andere reserves moeten uiteraard het resultaat zijn van volgehouden ijver en besparingen die opzij zijn gezet uit de winst; en als bijgevolg de commerciële of industriële klassen als geheel worden genomen, moeten zij hun eigen bankiers zijn en is het slechts nodig het beginsel van de vrije handel uit te breiden tot alle transacties, om voor hen de voor- en nadelen van alle schommelingen van de geldmarkt af te vlakken of te neutraliseren”.)

Alle tegenstrijdigheden van het geldwezen en van de ruil van producten onder het geldwezen, zijn ontwikkelingen uit de verhoudingen van de producten als ruilwaarden, gewoon van hun bepaling als ruilwaarde of waarde.

(Morning Star. 12 febr. 1857. “Het drukken van geld gedurende het afgelopen jaar en de hoge discontovoet die daarbij werd ingevoerd, zijn zeer gunstig geweest voor de winst van de Bank van Frankrijk. Het dividend is blijven stijgen: 118 frs in 1852, 154 frs in 1853, 194 frs in 1854, 200 frs in 1855, 272 frs in 1856”.)

Ook de volgende passage dient te worden genoteerd:

“Engelse zilveren munten werden uitgegeven tegen een prijs hoger dan de waarde van het zilver dat ze bevatten. Een pond zilver met een waarde van 60-62 sh. (gemiddeld £3 in goud) werd geslagen in munten met een waarde van 66 sh. De Munt betaalt de dagprijs van 5 sh. tot 5 sh. 2 d per ounce en geeft ze uit tegen een koerswaarde van 5 sh. 6 d per ounce. Twee oorzaken verhinderen dat deze regeling een praktisch ongemak geeft: (van zilveren munten, die geen werkelijke waarde hebben [tekengeld – fiduciair geld]) ten eerste kan de munt alleen bij de Munt tegen die prijs worden gekocht; want als circulatiemiddel in het land kan zij niet worden gedevalueerd, en ook niet naar het buitenland gezonden, omdat zij hier boven haar werkelijke waarde circuleert; ten tweede, omdat zij slechts een wettig betaalmiddel is tot 40 sh., komt zij nooit in conflict met de gouden munten, noch tast zij de waarde daarvan aan. Adviseert Frankrijk eveneens zilveren munten uit te geven van mindere waarde, niet de werkelijke waarde, en het bedrag te beperken waartegen zij wettig betaalmiddel is. Maar tegelijkertijd: wanneer zij de kwaliteit van de munt vastleggen, moeten zij een grotere marge toestaan tussen de werkelijke en de nominale waarde die wij in Engeland hebben, omdat de stijgende waarde van zilver ten opzichte van goud zeer waarschijnlijk binnenkort onze huidige muntprijs zal bereiken, en wij dan gedwongen zullen zijn deze opnieuw te veranderen. Onze zilveren munten liggen thans iets meer dan 5 % onder de eigenlijke waarde; korte tijd daarna was dat 10 %.” (Economist. 24 jan. 1857)

Men zou nu kunnen denken dat de uitgifte van arbeidstijdbonnen al deze moeilijkheden oplost. (Het bestaan van arbeidstijdbonnen veronderstelt natuurlijk reeds voorwaarden die niet onmiddellijk gegeven zijn bij het onderzoek naar de verhouding van ruilwaarde en geld, zonder dewelke beide kunnen bestaan: openbaar krediet; bank, enz.; maar dit alles wordt hier niet aangeroerd; want de mannen van de arbeidstijdbonnen beschouwen het natuurlijk als het laatste product van de “reeks” dat, daar zij het meest overeenkomt met het “zuivere” begrip geld, in werkelijkheid het laatst “verschijnt”.) Ten eerste: indien de voorwaarden, waaronder de prijs van de waren = hun ruilwaarde, vervuld en gegeven zijn: vraag en aanbod in evenwicht, productie en consumptie, in laatste instantie evenredige productie (de zg. distributieverhoudingen zijn zelf productieverhoudingen), dan wordt de kwestie van het geld secundair en vooral de vraag of er blauwe of groene biljetten, van papier of metaal, worden uitgegeven, of in welke andere vorm ook de maatschappelijke boekhouding wordt gevoerd. Het is dan zinloos om de schijn op te houden dat er onderzoek moet worden gedaan naar de werkelijke geldverhoudingen.

De bank (eender welke bank) geeft arbeidstijdbonnen uit. De waar a = de ruilwaarde x, d.w.z. = x arbeidstijd, ruilt zich tegen geld dat x arbeidstijd vertegenwoordigt. De bank zou net zo de waar moeten kopen, d.w.z. ruilen tegen haar geldvertegenwoordiger, zoals bv. nu de Bank of England biljetten moet geven voor goud. De waar, het substantiële en daarom bijkomstige bestaan van de ruilwaarde, wordt geruild tegen het symbolische bestaan van de ruilwaarde als ruilwaarde. Het is dus niet moeilijk om het van de vorm van waren [warenvorm] om te zetten in de vorm van geld [geldvorm]. De erin vervatte arbeidstijd behoeft slechts betrouwbaar te worden geverifieerd (wat overigens niet zo eenvoudig is als het bewijzen van zuiverheid en gewicht van het goud en het zilver) en genereert aldus onmiddellijk zijn tegenwaarde; een bestaan als geld. Hoe men de zaak ook draait of keert, uiteindelijk komt het hierop neer: de bank die de arbeidstijdbonnen uitgeeft, koopt de waar tegen de productiekost, koopt alle waren, en in feite kost de aankoop haar niets anders dan de productie van stukjes papier die, in plaats van de ruilwaarde die zij in een bepaalde substantiële vorm bezit, de verkoper de symbolische ruilwaarde van de waar verschaft, met andere woorden een voorbeeld voor alle andere waren om dezelfde ruilwaarde te betalen. De ruilwaarde als zodanig kan natuurlijk alleen symbolisch bestaan, hoewel dit symbool, om het als ding te kunnen toepassen – niet slechts als een vorm van verbeelding – een feitelijk bestaan bezit; het is niet louter ideële verbeelding, maar een werkelijke verbeelding op een objectieve manier. (Een maat kan in de hand worden gehouden; de ruilwaarde meet, maar ruilt alleen wanneer de maat van de ene hand in de andere overgaat.)

De bank geeft dus geld voor de waar; geld dat exact een indicatie is van de ruilwaarde van de waar, d.w.z. van alle waren van dezelfde waarde: de bank koopt. De bank is de algemene koper, de koper niet alleen van deze of gene handelswaar, maar van alle handelswaren. Want het is de omzetting van elke waar in zijn symbolisch bestaan als ruilwaarde. Maar als hij de algemene koper is, moet hij ook de algemene verkoper zijn; niet alleen de kade waar alle waren worden gedeponeerd, niet alleen het pakhuis, maar als de eigenaar van de waren, net als iedere koopman. Ik heb mijn waar a geruild tegen de arbeidstijdbon b, dat zijn ruilwaarde vertegenwoordigt; maar alleen opdat ik b nu naar believen opnieuw kan metamorfoseren in alle reële waren c, d, e, enz. Kan nu dit geld buiten de bank circuleren? Anders dan tussen de bezitter van de bonnen en de bank? Door wat is de converteerbaarheid van de bonnen gewaarborgd? Er zijn slechts twee gevallen mogelijk. Ofwel willen alle warenbezitters (producten of arbeid) hun waren tegen hun ruilwaarde verkopen, ofwel willen sommigen dat wel en anderen niet. Als zij allen tegen hun ruilwaarde willen verkopen, zullen zij niet het toeval afwachten of er al dan niet een koper wordt gevonden, maar zullen zij terstond naar de bank gaan, hun waren aan haar toevertrouwen en in ruil daarvoor hun ruilwaarde-teken, geld, ontvangen: inruilen tegen hun eigen geld. In dit geval is de bank zowel de algemene koper als de verkoper in één persoon. Of het tegenovergestelde gebeurt. In dit geval is het bankpapier louter papier, het beweert slechts het algemeen erkende symbool van ruilwaarde te zijn, maar heeft geen waarde. Want dit symbool heeft de eigenaardigheid dat het niet alleen de ruilwaarde vertegenwoordigt, maar dat het in de reële ruil hetzelfde is. In het laatste geval zou het bankpapier geen geld zijn, of slechts conventioneel geld tussen de bank en haar cliënten, niet op de algemene markt. Het zou hetzelfde zijn als een dozijn menu’s die ik per abonnement van een restaurant ontvang, of een dozijn theaterkaartjes, die beide geld voorstellen, maar het ene alleen bij dit specifieke restaurant, het andere bij het specifieke theater. Het bankpapier zou niet meer voldoen aan de eisen van geld, aangezien het niet circuleert onder het grote publiek, maar alleen tussen de bank en haar klanten. Daarom moeten wij deze laatste veronderstelling laten vallen.

De bank zou dus de algemene koper en verkoper zijn. In plaats van biljetten zou zij ook cheques kunnen uitschrijven en in plaats daarvan eenvoudige bankrekeningen bijhouden. Afhankelijk van de som van de waarden van de waren die X bij hem deponeert, zou hij dezelfde waardesom in andere waren aan hem moeten crediteren. Een tweede attribuut van de bank zou nodig zijn om de ruilwaarde van alle waren, d.w.z. de erin gematerialiseerde arbeidstijd, betrouwbaar vast te stellen. Maar haar functies konden hier niet stoppen. Zij zou de arbeidstijd moeten vaststellen waarin de waren met de gemiddelde industriële middelen kunnen worden geproduceerd, de tijd waarin zij moeten worden geproduceerd. Maar zelfs dit zou niet voldoende zijn. Zij zou niet alleen de tijd moeten bepalen waarin een bepaalde hoeveelheid producten moet worden voortgebracht, en de producenten in zodanige omstandigheden moeten brengen dat hun arbeid gelijkelijk productief is (en dus ook de verdeling van de arbeidsmiddelen evenwichtig ordenen), maar zij zou ook het kwantum arbeidstijd moeten bepalen dat aan de verschillende bedrijfstakken moeten worden besteed. Dit laatste zou noodzakelijk zijn, want om de ruilwaarde te realiseren, om haar geld werkelijk convertibel te maken, zou de algemene productie veilig gesteld moeten worden en wel in zodanige verhoudingen dat aan de behoeften van de ruilers zou worden voldaan. Dat is niet alles. De grootste ruil is niet die van waren, maar die van arbeid tegen waren. (Hierover dadelijk meer.) De arbeiders zouden hun arbeid niet aan de bank verkopen, maar zouden de ruilwaarde ontvangen voor het volledige product van hun arbeid, enz. Juist dan zou de bank niet alleen de algemene koper en verkoper zijn: maar ook de algemene producent. In feite zou het ofwel de despotische heerser van de productie en beheerder van de distributie zijn, of het zou inderdaad niets meer zijn dan een bestuur dat de boeken en rekeningen bijhoudt van een maatschappij die gemeenschappelijk produceert. De gemeenschappelijkheid van de productiemiddelen wordt verondersteld, enz., enz. De saint-simonisten maakten van hun bank het pausdom van de productie.

Het overgaan van alle producten en activiteiten in ruilwaarden veronderstelt zowel de ontbinding van alle vaste persoonlijke (historische) afhankelijkheidsrelaties in de productie als de algehele afhankelijkheid van de producenten van elkaar. De productie van ieder individu is afhankelijk van de productie van alle anderen; omdat de transformatie van zijn product in voedsel voor hemzelf afhankelijk is geworden van de consumptie van alle anderen. De prijzen zijn aloud; hetzelfde voor de ruil; maar zowel de bepaling van de ene, meer en meer door de productiekosten, als het binnendringen van de andere in alle productieverhoudingen, ontwikkelen zich pas ten volle, en ontwikkelen zich steeds meer en meer, in de burgerlijke maatschappij, de maatschappij van de vrije concurrentie. Dat wat Adam Smith, op ware 18e-eeuwse wijze, in de voorhistorische periode plaatst, de periode die voorafgaat aan de geschiedenis, dat is veeleer een product ervan.

Deze onderlinge afhankelijkheid komt tot uiting in de voortdurende noodzaak van de ruil en in de ruilwaarde als de wederzijdse bemiddelaar. Economen drukken het zo uit: ieder jaagt zijn particulier belang na en alleen zijn particulier belang en dient daarmee, zonder het te willen en zonder het te weten, het particulier belang van allen, het algemeen belang. Maar de grap is niet, dat door ieder zijn particulier belang na te jagen, het geheel van particuliere belangen, d.w.z. het algemeen belang, wordt bereikt. Uit die abstracte zin zou men evengoed kunnen afleiden dat ieder individu wederzijds de verdediging van de belangen van de anderen blokkeert, zodat deze oorlog van allen tegen allen, in plaats van een algemene bevestiging, een algemene ontkenning teweegbrengt. Het gaat er veeleer om dat het particulier belang zelf reeds een maatschappelijk bepaald belang is en alleen kan worden verwezenlijkt binnen de door de maatschappij gestelde voorwaarden en met de door haar gegeven middelen, d.w.z. dat het gebonden is aan de reproductie van deze voorwaarden en middelen. Het is het belang van particulieren; maar de inhoud ervan, evenals de vorm en de middelen om ze te verwezenlijken, worden gegeven door maatschappelijke omstandigheden, die onafhankelijk zijn van iedereen.

De wederzijdse en alomvattende afhankelijkheid van individuen die elkaar onverschillig zijn, dat vormt hun maatschappelijke verbondenheid. Deze maatschappelijke verbondenheid komt tot uiting in de ruilwaarde, waarin voor ieder individu zijn eigen activiteit of zijn product pas een activiteit en een product voor hem wordt; hij moet een algemeen product voortbrengen – de ruilwaarde of, dat voor zichzelf afgescheiden, geïndividualiseerd, geld. Anderzijds bestaat de macht die elk individu uitoefent over de activiteit van anderen of over de maatschappelijke rijkdom, erin dat hij de eigenaar is van ruilwaarden, van geld. Hij draagt zijn maatschappelijke macht, evenals zijn band met de maatschappij, in zijn portemonnee. De activiteit, die altijd een individuele manifestatie is, en het product van de activiteit, dat altijd een bijzondere hoedanigheid is, is de ruilwaarde, d.w.z. een algemeenheid, waarin alle individualiteit, eigenaardigheid, wordt ontkend en tenietgedaan. Dit is inderdaad een toestand die sterk verschilt van die waarin het individu of het individuele lid van een familie of clan (later de samenleving) zich rechtstreeks en op natuurlijke wijze voortplant, of waarin zijn productieve activiteit en zijn aandeel in de productie gebonden zijn aan een specifieke vorm van arbeid en van product, die zijn verhouding tot anderen juist op die specifieke manier bepalen.

Het maatschappelijke karakter van de activiteit, zoals de maatschappelijke vorm van de producten, zoals het aandeel van het individu in de productie, verschijnt hier als iets vreemds aan de individuen, zakelijk; niet als hun gedrag ten opzichte van elkaar, maar als hun ondergeschiktheid aan verhoudingen die onafhankelijk van hen bestaan en voortkomen uit de impuls van de onverschillige individuen ten opzichte van elkaar. De algemene ruil van activiteiten en producten, die voor elk individu de levensvoorwaarde is geworden, hun onderling verband, komt hen zelf vreemd voor, onafhankelijk, als een ding. In de ruilwaarde wordt de maatschappelijke relatie van personen omgevormd tot een maatschappelijk gedrag van dingen; de persoonlijke capaciteit in een maatschappelijke. Hoe minder maatschappelijke kracht het ruilmiddel bezit, hoe meer het verbonden is met de aard van het onmiddellijke arbeidsproduct en de onmiddellijke behoeften van de ruilers, en des te groter moet de kracht van de gemeenschap zijn, die de individuen verbindt, patriarchale verhouding, antieke gemeenschap, feodalisme en gildewezen. (Zie mijn cahier, XII, 34b [MEW 42])

Ieder individu bezit een maatschappelijke macht in de vorm van een ding. Beroof het ding van die maatschappelijke macht, dan moet u die geven aan personen over personen. Persoonlijke verhoudingen van afhankelijkheid (die aanvankelijk heel natuurlijk waren) zijn de eerste samenlevingsvormen waarin de menselijke productiviteit zich slechts op kleine schaal en op geïsoleerde punten ontwikkelt. Persoonlijke onafhankelijkheid, gebaseerd op zakelijke afhankelijkheid, is de tweede grote vorm, waarin alleen een systeem van algemene maatschappelijke stofwisseling, universele betrekkingen, universele behoeften en universele capaciteiten worden gevormd. De vrije individualiteit, gebaseerd op de universele ontwikkeling van de individuen en de ondergeschiktheid van hun gemeenschappelijke, maatschappelijke productiviteit als hun maatschappelijk vermogen, is de derde etappe. De tweede schept de voorwaarden voor de derde. De patriarchale, evenals de antieke (en feodale) omstandigheden, verdwijnen dus evenzeer met de ontwikkeling van de handel, de luxe, het geld en de ruilwaarde, als de moderne maatschappij in dezelfde mate opkomt en groeit.

Ruil en arbeidsdeling bedingen elkaar wederzijds. Aangezien iedereen voor zichzelf werkt en zijn product niet voor hemzelf is, moet hij natuurlijk ruilen, niet alleen om deel te hebben aan de algemene rijkdom van de productie, maar ook om zijn eigen product om te zetten in zijn eigen levensonderhoud (zie mijn Opmerkingen over economie, p. V (13, 14)). [In de Engelstalige editie: Deze aantekening verwijst naar een onbekend manuscript van Marx, dat ouder moet zijn dan zijn werk van 1851 over Het voltooide geldstelsel. Mogelijk verwijst het naar een van de ontbrekende delen van het manuscript van 1845-7 over de Kritiek van de politiek en de Politieke Economie, waarvan fragmenten zijn herdrukt in Marx-Engels Gesamtausgabe (MEGA) 1/3, pp. 33-172, 437-583 en 592-6. Het manuscript van 1851, Het voltooide geldstelsel, is niet in zijn geheel overgeleverd.] De ruil, bemiddeld door ruilwaarde en geld, veronderstelt de algehele afhankelijkheid van de producenten ten opzichte van elkaar, samen met de volledige afzondering van hun particuliere belangen ten opzichte van elkaar, alsmede een verdeling van de maatschappelijke arbeid waarvan de eenheid en de wederzijdse aanvulling bestaan in de vorm van een natuurlijke verhouding, als het ware buiten de individuen en onafhankelijk van hen. De druk van de algemene vraag en het algemene aanbod op elkaar bemiddelt de samenhang van wederzijds onverschillige personen.

De noodzaak om het product of de activiteit van individuen eerst om te zetten in de vorm van ruilwaarde, in geld, en dat zij pas in deze zakelijke vorm maatschappelijke macht hebben en tonen, bewijst twee dingen: 1. dat individuen nu alleen produceren voor en in de maatschappij; 2. dat hun productie niet onmiddellijk maatschappelijk is, niet het resultaat van associatie, die de arbeid onder elkaar verdeelt. De individuen zijn onderworpen aan de maatschappelijke productie; en die bestaat buiten hen om als hun noodlot; maar die maatschappelijke productie valt niet onder de individuen die haar als hun gemeenschappelijk vermogen hanteren. Niets kan dus meer fout en absurd zijn dan op basis van de ruil, het geld, een controle van de geassocieerde individuen over hun totale productie te veronderstellen, zoals hierboven is gedaan met de arbeidstijdbank. De particuliere ruil van alle arbeidsproducten, rijkdom en activiteiten staat in contrast met de verdeling, zowel deze die gebaseerd is op de (natuurlijke of politieke) suprematie en ondergeschiktheid van de individuen onderling (waarbij de eigenlijke ruil slechts parallel loopt of, in het algemeen, niet zozeer greep krijgt op het leven van hele gemeenschappen als wel zich tussen verschillende gemeenschappen invoegt; zij oefent geenszins een algemene heerschappij uit over alle productie- en distributieverhoudingen) (welk karakter deze suprematie en ondergeschiktheid aanneemt: patriarchaal, antiek of feodaal) als op de vrije ruil van individuen die met elkaar geassocieerd zijn op basis van de gemeenschappelijke toe-eigening en controle van de productiemiddelen. (Deze laatste vorm van associatie is niet willekeurig; zij veronderstelt de ontwikkeling van materiële en culturele voorwaarden, die hier niet verder moeten worden onderzocht.) Zoals de arbeidsdeling een samenklontering, combinatie, coöperatie, tegengestelde particuliere belangen, klassenbelangen, concurrentie, kapitaalconcentratie, monopolie en naamloze vennootschappen voortbrengt – regelrechte tegengestelde vormen van eenheid voortgebracht door de tegenstelling zelf – zo brengt particuliere ruil de wereldhandel voort, particuliere onafhankelijkheid een volledige afhankelijkheid van de zg. wereldmarkt, en de gefragmenteerde ruil brengt een bank- en kredietstelsel voort waarvan de boekhouding minstens de balans van de particuliere ruil weergeeft. In de wisselkoers – voor zover de particuliere belangen van elke natie haar in evenveel naties verdelen als zij volwassen individuen bezit en de belangen van de exporteurs en importeurs van dezelfde natie tegenstrijdig zijn – krijgt de nationale handel een schijn van bestaan, enz. enz. Niemand zal dus geloven dat hij door een hervorming van de beurs de basis van de binnenlandse of buitenlandse particuliere handel kan opheffen. Maar binnen de burgerlijke maatschappij, die gebaseerd is op ruilwaarde, ontstaan zowel circulatie- als productieverhoudingen die zeer explosief kunnen zijn. (Een massa tegenstrijdige vormen van maatschappelijke eenheid, waarvan het tegengestelde karakter nooit door een stilzwijgende metamorfose kan worden opgeheven. Aan de andere kant, als wij in de maatschappij zoals zij is niet de verborgen materiële productievoorwaarden en hun overeenkomstige circulatieverhoudingen voor een klasseloze maatschappij zouden vinden, zouden alle pogingen tot exploderen ervan, donquichotterie zijn.)

We hebben gezien dat, hoewel de ruilwaarde = de relatieve arbeidstijd gematerialiseerd in de producten, het geld van zijn kant = de ruilwaarde van de waren, losgemaakt van hun substantie; in deze ruilwaarde- of geldverhouding liggen tegenstellingen besloten tussen de waren en hun ruilwaarde, tussen de waren als ruilwaarden en het geld. Wij hebben gezien dat een bank die direct het tegenbeeld van de waar in arbeidsgeld creëert, een utopie is. Hoewel het geld slechts de ruilwaarde is, losgemaakt van de substantie van de waren en zijn oorsprong dankt aan de tendens van de ruilwaarde een zuivere vorm aan te nemen, kan de waar niet rechtstreeks in geld worden omgezet; d.w.z. het authentieke bewijs van de gerealiseerde hoeveelheid arbeidstijd kan niet dienen als een prijs in de wereld van de ruilwaarden. Hoe kan dat?

(In een vorm van geld, voor zover het een ruilmiddel is (niet een maat van ruilwaarde) – is het voor economen duidelijk dat het bestaan van geld een verzakelijking van de maatschappelijke samenhang veronderstelt; namelijk voor zover geld verschijnt als een onderpand om van iemand een waar te ontvangen. Hier zeggen de economen zelf dat de mensen hun vertrouwen, dat de mensen niet hebben in de mensen, in het ding (geld) stellen. Maar waarom hebben zij vertrouwen in dat ding? Ja, kennelijk alleen als een zakelijke verhouding van personen onder elkaar; als een zakelijke ruilwaarde, en de ruilwaarde is niets anders dan een relationele productieve activiteit van personen onder elkaar. Elk ander onderpand kan van direct nut zijn voor de bezitter als zodanig; geld is voor hem alleen van nut als het “vuistpand van de maatschappij”, maar een vuistpand is het maar vanwege zijn maatschappelijke (symbolische) eigenschap; en het kan alleen een maatschappelijke eigenschap hebben omdat de individuen hun eigen maatschappelijke betrekkingen van zichzelf vervreemd hebben, zodat het de vorm van een ding aanneemt.)

[In de Engelstalige editie is er een verwijzing naar Aristoteles’ Ethica, boek V, 8.
“Daarom moet de prijs van alle producten vastgesteld zijn. Op die manier zal er namelijk altijd uitwisseling van waren, en daarmee maatschappelijk verkeer, mogelijk zijn. Geld fungeert dus als een maat, het maakt de dingen onderling meetbaar en realiseert zo een gelijkheid. Er zou immers geen maatschappelijk verkeer zijn als er geen uitwisseling van waren was, geen uitwisseling van waren als er geen gelijkheid was, en geen gelijkheid als de dingen niet onderling meetbaar waren.” Historische Uitgeverij, Groningen, 1999]

In de prijscouranten, waarin alle waarden in geld worden gemeten, verschijnt de onafhankelijkheid van het maatschappelijke karakter van de dingen ten opzichte van de personen, tegelijkertijd als de handelsactiviteit op basis van deze vervreemding, waarin de totale productie- en circulatieverhoudingen verschijnen aan het individu, aan alle individuen, waardoor ze weer ondergeschikt worden aan het individu. Aangezien de onafhankelijkheid van de wereldmarkt, zo u wilt, (met daarin de activiteit van elk individu) toeneemt met de ontwikkeling van de geldverhoudingen (ruilwaarde), en omgekeerd de algemene samenhang en de algehele afhankelijkheid in productie en consumptie tegelijk met de onafhankelijkheid en onverschilligheid van de consumenten en producenten ten opzichte van elkaar; aangezien deze tegenstrijdigheid tot crisissen leidt, enz., wordt tegelijk met de ontwikkeling van deze vervreemding op dezelfde basis, getracht om haar op te heffen; prijscouranten, wisselkoersen, communicatie tussen handelaars via brieven, telegrammen, enz. (de communicatiemiddelen nemen uiteraard tegelijkertijd toe), waarin ieder individu informatie inwint over de activiteit van alle anderen en tracht zijn eigen activiteit dienovereenkomstig in evenwicht te brengen. (D.w.z., hoewel vraag en aanbod van allen onafhankelijk van elkaar verloopt, tracht ieder zich te informeren omtrent het peil van de algemene vraag en het algemene aanbod; en deze kennis heeft dan weer een praktisch effect op hen. Hoewel dit alles de vervreemding niet wegneemt, brengt het verhoudingen en verbindingen tot stand met de mogelijkheid om het oude standpunt te verlaten.) (De mogelijkheid van een algemene statistiek, enz.) (Dit moet overigens worden ontwikkeld onder de categorieën “prijzen, vraag en aanbod”. Overigens moet hier worden opgemerkt dat het overzicht van de totale handel en de totale productie, voor zover het daadwerkelijk beschikbaar is in de prijscouranten, inderdaad het beste bewijs levert van de wijze waarop de individuen worden geconfronteerd met hun eigen ruil en hun eigen productie als een onafhankelijke zakelijke verhouding. In het geval van de wereldmarkt heeft de verbondenheid van het individu met iedereen, maar tegelijkertijd ook de onafhankelijkheid van deze verbondenheid ten opzichte van het individu, zich tot zo’n hoog niveau ontwikkeld, dat de vorming van de wereldmarkt reeds tegelijkertijd de voorwaarden van de overgang uit zichzelf bevat.) Het vergelijken in plaats van echte gemeenschappelijkheid en algemeenheid.

(Er is gezegd en het mag gezegd zijn dat dit juist de schoonheid en de grootheid ervan is: deze spontane onderlinge verbondenheid, deze materiële en mentale stofwisseling die onafhankelijk is van het weten en willen van de individuen, en die hun wederzijdse onafhankelijkheid en onverschilligheid veronderstelt. En zeker, deze zakelijke band is te verkiezen boven het ontbreken van enige band, of boven een louter plaatselijke band die berust op bloedverwantschap, of op oeroude, natuurlijke of meester-knecht-verhoudingen. Het is even zeker dat individuen hun eigen maatschappelijke verbanden niet de baas kunnen worden voordat zij deze hebben gecreëerd. Maar het is smakeloos om dat louter zakelijke verband op te vatten als natuurlijk, onafscheidelijk van de aard van de individualiteit (in tegenstelling tot gereflecteerde kennis en wil) én immanent er aan is. Het is haar product. Het is een historisch product. Het behoort tot een bepaalde fase van haar ontwikkeling. Het vreemde en onafhankelijke karakter dat zij thans ten opzichte van de individuen heeft, bewijst slechts dat deze laatsten nog bezig zijn met het scheppen van de voorwaarden van hun maatschappelijk leven, en dat zij nog niet begonnen zijn, op grond van deze voorwaarden, dit leven te leven. Het is de band die de individuen van nature hebben binnen specifieke en bekrompen productieverhoudingen. De universeel ontwikkelde individuen, bij wie de maatschappelijke verhoudingen als hun eigen gemeenschappelijke betrekkingen, ook onderworpen zijn aan hun eigen gemeenschappelijke controle, zijn niet een product van de natuur maar van de geschiedenis. De mate en universaliteit van de ontwikkeling van de vermogens, waarin deze individualiteit mogelijk wordt, veronderstelt juist de productie op basis van ruilwaarden, die, met de algemeenheid van de vervreemding van het individu van zichzelf en van de anderen, ook de algemeenheid en universaliteit van zijn relaties en vermogens produceert. In het beginstadium van de ontwikkeling lijkt het afzonderlijke individu voller, omdat hij de volheid van zijn betrekkingen nog niet heeft uitgewerkt en geconfronteerd als onafhankelijke maatschappelijke machten en verhoudingen. Het is even belachelijk te verlangen naar een terugkeer tot die oorspronkelijke volheid, als te geloven dat met deze volledige leegte de geschiedenis tot stilstand is gekomen. Het burgerlijke besef is nooit verder gekomen dan deze tegenstelling tussen zichzelf en dit romantische standpunt, en daarom zal het laatste het vergezellen als legitieme tegenstelling tot aan het gezegende einde.)

(De relatie van het individu tot de wetenschap kan hier als voorbeeld worden genomen.)

(Geld met bloed vergelijken – het woord circulatie gaf hier aanleiding toe – is ongeveer even juist als Menenius Agrippa’s gelijkenis tussen de patriciërs en de maag.) (Geld met taal vergelijken is niet minder fout. De taal transformeert de ideeën niet, zodat de eigenheid van de ideeën wordt opgeheven en hun maatschappelijke karakter als een afzonderlijke entiteit naast hen komt te staan, zoals prijzen naast waren. Ideeën bestaan niet los van taal. Ideeën die eerst vanuit hun moedertaal in een vreemde taal moeten worden vertaald om te kunnen circuleren, om uitwisselbaar te worden, bieden al meer analogie; maar de analogie ligt dan niet in de taal, maar in haar vreemdheid.)

(De ruilbaarheid van alle producten, activiteiten, relaties tegen een derde, object, dat op zijn beurt zonder onderscheid tegen alles kan worden geruild – dat wil zeggen de ontwikkeling van ruilwaarden (en van geldverhoudingen) is identiek met algemene venaliteit [het te-koop-zijn], corruptie. Veralgemeende prostitutie verschijnt als een noodzakelijke fase in de ontwikkeling van het maatschappelijke karakter van persoonlijke talenten, capaciteiten, bekwaamheden, activiteiten. Om het beleefder uit te drukken: de algemene relatie tussen nut en bruikbaarheid. Het gelijkstellen van het ongelijke, zoals Shakespeare het geld mooi weet te verwoorden. De zucht naar verrijking als zodanig, is onmogelijk zonder geld; alle andere accumulatie en begeerte naar accumulatie lijkt natuurlijk, geborneerd, geconditioneerd door de behoeften enerzijds en de geborneerde aard van de producten anderzijds (sacra auri fames [vervloekte honger naar goud].)

(De ontwikkeling van het geldwezen veronderstelt uiteraard andere algemene ontwikkelingen.)

Wanneer men maatschappelijke verhoudingen beschouwt, dat een onontwikkeld systeem van ruil, van ruilwaarden en van geld genereren, of waarmee een onontwikkelde graad correspondeert, dan is het van meet af aan duidelijk dat de individuen, hoewel hun verhoudingen persoonlijker lijken, slechts een betrekking tot elkaar hebben als individuen in een keurslijf, als leenheer en vazal, landheer en horige, enz. of als leden van een kaste, enz. of als leden van een klasse, enz. In de geldverhoudingen, in het ontwikkelde systeem van ruilhandel (en deze schijn verleidt de democratie), worden de banden van persoonlijke afhankelijkheid inderdaad opgeblazen, beëindigd, verschillen in bloed, verschillen van opvoeding, enz. (de persoonlijke banden lijken minstens allemaal persoonlijke verhoudingen); en de individuen lijken onafhankelijk (deze onafhankelijkheid, die algemeen slechts een illusie is en beter afstandelijkheid genoemd zou worden – in de zin van indifferentie), vrijelijk met elkaar botsend en in deze vrijheid ruilen; maar zij lijken zo alleen voor iemand die abstraheert van de voorwaarden, de bestaansvoorwaarden waarbinnen deze individuen met elkaar in contact komen (en deze voorwaarden zijn op hun beurt onafhankelijk van de individuen en lijken, hoewel zij door de maatschappij zijn geschapen, alsof het natuurlijke voorwaarden zijn, niet beheersbaar door individuen).

De bepaaldheid, die in het eerste geval verschijnt als een persoonlijke beperking van het individu door een ander, verschijnt in het tweede geval als een objectieve beperking van het individu door en uit die verhoudingen onafhankelijk van hem. (Aangezien het afzonderlijke individu zijn persoonlijke determinatie niet kan afleggen, maar wel externe omstandigheden kan overwinnen en zichzelf ondergeschikt kan maken, lijkt zijn vrijheid groter in geval 2. Een nader onderzoek van die uiterlijke omstandigheden toont echter aan dat het voor de individuen van een klasse enz. onmogelijk is om ze massaal te overwinnen zonder ze af te schaffen. Het afzonderlijke individu kan er toevallig mee omgaan; maar de massa niet, omdat hun bestaan zelf de ondergeschiktheid en de noodzakelijke ondergeschiktheid van de individuen uitdrukt.) Deze externe verhoudingen zijn nauwelijks een ontbinding van de “afhankelijkheidsbetrekkingen”, zij zijn slechts de ontbinding ervan in een algemene vorm; zij zijn veeleer het gevolg van de algemene grond van de persoonlijke afhankelijkheidsbetrekkingen. Ook hier komen individuen slechts onder voorwaarden met elkaar in contact. Deze zakelijke afhankelijkheidsverhoudingen, in tegenstelling tot de persoonlijke, blijken ook zodanig te zijn (de zakelijke afhankelijkheidsverhouding is niets anders dan de maatschappelijke betrekkingen waarmee de schijnbaar onafhankelijke individuen onafhankelijk worden geconfronteerd, d.w.z. hun van zichzelf onafhankelijk gemaakte wederkerige productieverhoudingen) dat de individuen nu door abstracties worden gedomineerd, terwijl zij vroeger van elkaar afhankelijk waren. Maar de abstractie of het idee is niets anders dan de theoretische uitdrukking van die materiële verhoudingen die de baas zijn. De verhoudingen kunnen natuurlijk alleen worden uitgedrukt in ideeën, en daarom hebben de filosofen het als het kenmerk van de nieuwe tijd beschouwd dat zij wordt beheerst door ideeën en hebben zij met de val van deze heerschappij van de ideeën het ontstaan van de vrije individualiteit vereenzelvigd. De fout was des te gemakkelijker gemaakt vanuit ideologisch standpunt, omdat die macht der verhoudingen (die zakelijke afhankelijkheid, die overigens overgaat in bepaalde, maar ontdaan van alle illusies, persoonlijke afhankelijkheidsverhoudingen) in het bewustzijn van de individuen zelf verschijnt als de macht der ideeën, en het geloof in de eeuwigheid van die ideeën, d.w.z. van die zakelijke verhoudingen van afhankelijkheid, vanzelfsprekend door de heersende klassen versterkt, gevoed, op alle mogelijke manieren ingeprent.

(Natuurlijk mag men, met het oog op de illusie van de “zuiver persoonlijke verhoudingen” uit de feodale tijd enz., geen moment vergeten, 1. dat deze verhoudingen zelf, binnen hun sfeer, in een bepaald stadium een zakelijk karakter kregen, zoals bv. blijkt uit de ontwikkeling van de landeigendomsverhoudingen uit zuiver militaire verhoudingen van subordinatie; maar 2. dat de zakelijke verhouding waarin zij berusten zelf een bekrompen, primitief karakter heeft en daarom als persoonlijk verschijnt, terwijl in de moderne wereld de persoonlijke verhoudingen naar voren komen als een zuiver uitvloeisel van productie- en ruilverhoudingen.)

Het product wordt een waar. De waar wordt ruilwaarde. De ruilwaarde van de waar verwerft een bijzonder bestaan naast de waar; d.w.z. de waar, in de vorm waarin [het] 1. met alle andere waren ruilbaar is; waarin het 2. dus een algemene waar is en zijn natuurlijke bijzonderheid is opgeheven; 3. waarin de maat van zijn ruilbaarheid is vastgelegd, de bepaalde verhouding waarin het alle andere waren gelijkstelt, is het geld als waar, en niet als geld in het algemeen, maar als een bepaalde som geld, want om de ruilwaarde in al haar verschillen weer te geven, moet geld telbaar zijn, kwantitatief deelbaar.

Het geld, de gemeenschappelijke vorm waarin alle waren als een ruilwaarde worden omgezet, de algemene waar, moet zelf als een bijzondere waar naast de andere waren bestaan, omdat zij niet alleen in het hoofd moet gemeten worden, maar er ook in de werkelijke ruil tegen moet worden verhandeld en geruild. De tegenstelling die hieruit voortvloeit, wordt op een andere plaats uitgewerkt. Geld ontstaat niet door een conventie, evenmin als de staat. Zij komt op natuurlijke wijze voort uit en in de ruil, en is er een product van. Oorspronkelijk diende de waar als geld – d.w.z. inruilen, niet als een voorwerp van behoefte en consumptie, maar om weer te worden geruild tegen andere waren – die het meest verhandeld werd als een voorwerp van behoefte, circuleert; datgene wat het vaakst wordt verhandeld en dus met de grootste zekerheid opnieuw kan worden geruild tegen andere waren, d.w.z. datgene wat binnen de gegeven maatschappelijke organisatie rijkdom vertegenwoordigt, het voorwerp is van de meest algemene vraag en aanbod, en een speciale gebruikswaarde bezit. Dus zout, huiden, vee, slaven. Een dergelijke waar komt namelijk in zijn bijzondere vorm als waar op zichzelf meer overeen als ruilwaarde dan de andere waren (het is jammer dat in het Duits het verschil tussen denrée [eetwaar] en marchandise [handelswaar] niet op de juiste wijze kan worden weergegeven).

Het bijzondere nut van de waar, hetzij als een bijzonder consumptie-object (huiden), hetzij als een direct productiemiddel (slaven), ijkt het hier tot geld. In de verdere evolutie zal juist het omgekeerde gebeuren, d.w.z., de waar die direct het minst voorwerp van consumptie of gereedschap is, juist het best zal dienen om de behoefte aan ruil als zodanig te voldoen. In het eerste geval wordt de waar geld wegens de bijzondere gebruikswaarde; in het tweede geval ontleent het zijn bijzondere gebruikswaarde aan het feit dat het als geld dient. Duurzaamheid, onveranderlijkheid, deelbaarheid en opnieuw samen te stellen, betrekkelijk gemakkelijk te vervoeren, omdat een grote ruilwaarde in een kleine ruimte kan, dit alles maakt het edelmetaal bijzonder geschikt voor de laatste fase. Tegelijkertijd vormen zij een natuurlijke overgang naar de eerste vorm van geld. In een iets hoger stadium van productie en ruil krijgt het productiemiddel voorrang boven de producten; maar metalen (eerst stenen) zijn de eerste en meest onmisbare werktuigen van de productie. In koper, dat zo’n grote rol speelde als geld bij de antieken, komen beide nog samen voor, de bijzondere gebruikswaarde als productiemiddel en de andere eigenschappen, die niet voortvloeien uit de gebruikswaarde van de waar, maar overeenkomen met de functie als ruilwaarde (waarin het ruilmiddel is begrepen). Van de andere metalen scheiden de edele zich, doordat zij niet oxideren, enz., van uniforme kwaliteit zijn, enz., en dan beter overeenkomen met het hogere stadium, omdat hun onmiddellijke nut voor consumptie en productie afneemt, maar door hun zeldzaamheid louter berustend op de ruil, meer de waarde vertegenwoordigen. Vanaf het begin vertegenwoordigen zij overvloed, de vorm waarin rijkdom oorspronkelijk verschijnt. Ook metalen worden liever geruild tegen metalen dan tegen andere waren.

De eerste vorm van geld komt overeen met een laag stadium van ruil en ruilhandel, waarin geld meer in zijn functie als maat verschijnt dan als een echt ruilmiddel. In dit stadium kan de maat nog zuiver denkbeeldig zijn (maar de staaf van de zwarten bevat ijzer) (schelpen enz. komen echter meer overeen met de reeks waarvan goud en zilver het hoogtepunt vormen).

Uit het feit dat een waar evolueert tot een algemene ruilwaarde, volgt dat de ruilwaarde een speciale waar wordt: dit kan alleen door een bepaalde waar het voorrecht te geven boven alle andere om de ruilwaarde te vertegenwoordigen en te symboliseren, d.w.z. om geld te worden. Het feit dat een bepaalde waar verschijnt als drager van geld – vloeit voort uit het wezen van de ruilwaarde zelf. In de loop van de ontwikkeling kan de ruilwaarde van het geld weer een bestaan hebben los van zijn materie, zijn substantie, zoals bij papiergeld, zonder echter het privilege van deze bijzondere waar op te heffen, in die zin dat het bijzondere bestaan zijn denominatie moet blijven hebben van deze specifieke waar.

Omdat de waar ruilwaarde is, is het ruilbaar tegen geld, wordt er gesteld = geld [= Geld gesetzt]. De verhouding waarin zij aan geld wordt gelijkgesteld, d.w.z. de bepaling van haar ruilwaarde, is de veronderstelling van haar omzetting in geld. De verhouding waarin een bepaalde waar tegen geld wordt geruild, d.w.z. de hoeveelheid geld waarin een bepaalde hoeveelheid handelswaar kan worden omgezet, wordt bepaald door de arbeidstijd die in de waar is geobjectiveerd. Als de verwezenlijking van een bepaalde arbeidstijd is de waar de ruilwaarde; in geld is dat het kwantum arbeidstijd, dat het vertegenwoordigt, zowel de gemeten, als in zijn algemene vorm, overeenstemmende met het concept van de ruilbare vorm. Geld is het materiële medium waarin ruilwaarden, verdoken, een vorm krijgen die overeenkomt met hun algemene bepaling. Adam Smith zegt dat arbeid (arbeidstijd) het oorspronkelijke geld is waarmee alle waren worden gekocht. Wat de productiehandeling betreft, blijft dit altijd juist (evenals bij de bepaling van de relatieve waarden). Bij de productie wordt elke waar voortdurend geruild tegen arbeidstijd. De noodzaak van geld dat losstaat van de arbeidstijd ontstaat juist omdat het kwantum arbeidstijd niet moet worden uitgedrukt in zijn onmiddellijke en bijzondere product, maar in een bemiddeld en algemeen product, als apart product gelijk aan en ruilbaar tegen alle andere producten van dezelfde arbeidstijd; arbeidstijd niet in één waar, maar in alle waren tegelijk, en dus in een bijzondere waar dat alle andere vertegenwoordigt. De arbeidstijd kan zelf niet direct geld zijn (een claim die met andere woorden samenvalt met het feit dat elke waar direct zijn eigen geld moet zijn), precies omdat zij feitelijk altijd alleen in aparte producten bestaat (als object): als algemeen object kan zij alleen symbolisch bestaan, juist weer in een bijzondere waar, dat als geld is gesteld. Arbeidstijd bestaat niet in de vorm van een algemeen ruilobject dat onafhankelijk is van en los staat (in isolement) van de bijzondere aard van de waren. Maar zo zou het moeten bestaan om onmiddellijk aan de voorwaarden van geld te voldoen. De objectivering van het algemene, maatschappelijke karakter van de arbeid (dus van de arbeidstijd in de ruilwaarde) is precies datgene wat het product van de arbeidstijd tot ruilwaarde maakt; dit is wat de waar de eigenschap van geld geeft, dat echter op zijn beurt het bestaan van een onafhankelijk en extern geld-subject impliceert.

Een bepaalde arbeidstijd wordt geobjectiveerd in een welbepaalde waar met bepaalde kwaliteiten en een bepaalde verhouding tot de behoeften; maar als ruilwaarde moet zij worden geobjectiveerd in een waar dat alleen zijn kwaliteit of kwantiteit uitdrukt, onverschillig is t.o.v. zijn natuurlijke eigenschappen en daarom kan worden gemetamorfoseerd, d.w.z. geruild, in elke andere waar dat dezelfde arbeidstijd objectiveert. Als object moet het dit algemene karakter bezitten, dat in tegenspraak is met zijn natuurlijke bijzonderheid. Deze tegenstrijdigheid kan alleen worden overwonnen door haar te objectiveren: d.w.z. door de waar in een dubbele vorm te plaatsen, eerst in zijn natuurlijke, onmiddellijke vorm, vervolgens in zijn bemiddelde vorm, als geld. Dit laatste is alleen mogelijk wanneer een bepaalde waar als het ware de algemene substantie van de ruilwaarde wordt, of wanneer de ruilwaarde van de waren wordt vereenzelvigd met een bepaalde substantie, een bepaalde waar die zich onderscheidt van alle andere. D.w.z. dat de waar eerst moet worden geruild met deze algemene waar, het symbolische algemene product of objectivering van arbeidstijd, om vervolgens als ruilwaarde indifferent ruilbaar te zijn tegen alle andere waren, om metamorfoseerbaar te zijn. Het geld is arbeidstijd als een algemeen object of de objectivering van algemene arbeidstijd, arbeidstijd als een algemene waar. Zo kan het een zeer eenvoudige zaak lijken dat de arbeidstijd rechtstreeks als geld kan dienen (d.w.z. het element kan leveren waarin ruilwaarden als zodanig worden gerealiseerd), omdat zij ruilwaarden regelt en inderdaad niet alleen de inherente maat van ruilwaarden is, maar ook hun substantie (want als ruilwaarden hebben waren geen andere substantie, geen natuurlijke attributen). Integendeel, de verhouding van de ruilwaarden van de waren als wederzijds gelijke en billijke representaties van de arbeidstijd bevat tegenstellingen die hun objectieve uitdrukking krijgen in een geld dat verschilt van de arbeidstijd.

Bij Adam Smith verschijnt deze tegenstelling nog steeds als een naast elkaar plaatsen. Naast het specifieke arbeidsproduct (arbeidstijd als een specifiek object) moet de arbeider ook een aantal algemene waren produceren (arbeidstijd als een algemeen object). De twee doelen van de ruilwaarde verschijnen hem als extern naast elkaar. Het interne van de gehele waar lijkt nog niet gevat en doortrokken van de tegenstelling. Dit komt overeen met het productiestadium dat hij toen zag, waar de arbeider nog direct een deel bezat van zijn levensonderhoud; noch zijn gehele activiteit, noch zijn gehele product waren toen afhankelijk van de ruil; d.w.z. de zelfvoorzienende agricultuur (of iets dergelijks, zoals Steuart het noemt) domineerde nog in ruime mate, en evenzo de patriarchale nijverheid (handweven, spinnen binnenshuis en verbonden met de landbouw). Alleen het overschot wordt verhandeld in een groot deel van de natie. Ruilwaarde en een bepaling door de arbeidstijd zijn nog niet volledig ontwikkeld op nationale schaal.

(Terloops: Voor goud en zilver is het minder zo dan voor een andere waar, dat de consumptie ervan slechts kan toenemen naarmate de productiekosten dalen. Het neemt eerder toe naarmate de algemene rijkdom toeneemt, omdat het gebruik ervan specifiek staat voor rijkdom, overvloed, luxe, omdat het zelf de algemene rijkdom vertegenwoordigt. Afgezien van het gebruik als geld, worden zilver en goud meer geconsumeerd naarmate de algemene rijkdom toeneemt. Indien dus het aanbod plotseling toeneemt, zelfs zonder evenredige vermindering van de productiekosten of van hun waarde, is er snel een groeiende markt om de waardevermindering te stoppen. Een aantal problemen die onverklaarbaar lijken voor de economen – die over het algemeen de consumptie van goud en zilver uitsluitend laten afhangen van de daling van de productiekosten – met betrekking tot het Australisch-Californische geval en waar zij in cirkels ronddraaien, worden hierdoor opgehelderd. En dit is zo, omdat zij rijkdom vertegenwoordigen, d.w.z. omdat zij geld zijn.)

(De tegenstelling van goud en zilver als de eeuwige waar tegenover de andere, die wij bij Petty aantreffen, vinden wij reeds bij Xenophon, de Vectigalibus, c. 1, in verband met marmer en zilver.

“De aarde bezit echter niet alleen wat elk jaar bloeit en rijpt, maar zij heeft ook waren die blijven. Want er is een overvloed aan steen enz. (namelijk marmer) ... Maar er is ook land dat, wanneer het als landbouwgrond wordt gebruikt, niets oplevert, maar dat, wanneer het wordt ontgonnen [(bovengrondse) mijnbouw – vert.], vele malen meer mensen voedt dan wanneer het graan zou dragen.”)

(Het is belangrijk op te merken dat de ruil tussen verschillende stammen of volkeren – en dit, niet de particuliere ruil, is de eerste vorm ervan – begint wanneer een onontwikkelde stam een overschot verkoopt (of zich laat bedriegen) dat niet het product is van zijn arbeid, maar een natuurproduct van het gebied dat hij bewoont.)

(Uit het feit dat geld gesymboliseerd moet worden in een bepaalde waar, dan die waar zelf (goud enz.), om de gewone economische tegenstellingen te ontwikkelen die daaruit voortkomen. Dit [is] nr. II. Vervolgens, aangezien alle waren tegen geld moeten worden geruild om als prijzen te worden bepaald, of deze ruil nu werkelijk plaatsvindt of alleen in het hoofd, om de verhouding van de hoeveelheid goud of zilver tot de warenprijzen te bepalen. Dit [is] nr. III. Het is duidelijk dat, louter gemeten in goud of zilver, hun hoeveelheid geen invloed uitoefent op de warenprijs; door de reële ruil, voor zover deze werkelijk als een circulatiemiddel dient, is er de moeilijkheid: de verhouding van vraag en aanbod, enz. Maar wat de waarde als circulatiemiddel beïnvloedt, beïnvloedt het uiteraard ook als maat.)

Arbeidstijd zelf bestaat als zodanig alleen subjectief, alleen in de vorm van activiteit. Voor zover het als zodanig ruilbaar is (zelf een waar), is het niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief bepaald en verschillend, geenszins algemeen, gelijk aan de arbeidstijd; maar als subject komt het even weinig overeen met de algemene arbeidstijd die de ruilwaarde bepaalt, als de bijzondere waren en producten met haar als object overeenkomen.

A. Smiths’ stelling dat de arbeider naast zijn bijzondere waar ook een algemene waar moet produceren, met andere woorden dat hij een deel van zijn producten in de vorm van geld moet verstrekken, voor zover het voor hem niet als gebruikswaarde, maar als ruilwaarde dient – betekent, subjectief uitgedrukt, niets meer, dan dat zijn specifieke arbeidstijd niet rechtstreeks kan worden geruild tegen een andere specifieke arbeidstijd, maar dat zijn algemene ruilbaarheid eerst moet worden bemiddeld, dat zij een objectieve vorm moet aannemen die verschilt van zichzelf, om deze algemene ruilbaarheid te realiseren.

De arbeid van een enkeling in een productiedaad is het geld waarmee hij meteen het product koopt, het voorwerp van zijn specifieke activiteit; maar het is een specifiek geld dat alleen dit specifieke product koopt. Om direct het algemene geld te zijn, zou het van meet af aan geen specifieke arbeid moeten zijn, maar algemeen, d.w.z. van meet af aan gesteld als onderdeel van de algemene productie. In deze veronderstelling zou het echter niet de ruil zijn die er het algemene karakter aan geeft, maar is het gemeenschappelijke karakter bepalend voor de deelneming aan de producten. Het gemeenschappelijke karakter van de productie zou het product van meet af aan tot een gemeenschappelijk, algemeen product maken. De oorspronkelijk in de productie plaatsvindende ruil – en die geen ruil van ruilwaarden zou zijn, maar van activiteiten die bepaald worden door gemeenschappelijke behoeften, door gemeenschappelijke doeleinden – zou van meet af aan de deelneming van het individu aan de gemeenschappelijke wereld van producten omvatten. Enkel op basis van ruilwaarden werd arbeid door de ruil als gemeenschappelijk vastgelegd. Op deze basis zou het als zodanig vóór de ruil worden gesteld; d.w.z. de ruil van producten zou in het geheel niet het medium zijn waardoor de deelneming van het individu aan de algemene productie wordt bemiddeld. Bemiddeling moet er uiteraard zijn.

In het eerste geval, dat voortvloeit uit de zelfstandige productie van de individuen – hoezeer deze zelfstandige producties zich ook post festum bepalen door hun onderlinge betrekkingen – vindt de bemiddeling plaats via de ruil van waren, de ruilwaarde, het geld, die alle uitdrukking zijn van een en dezelfde verhouding. In het tweede geval wordt de voorwaarde zelf bemiddeld; d.w.z. een gemeenschappelijke productie, gemeenschappelijkheid als basis van de productie, wordt verondersteld. De arbeid van de enkeling wordt van meet af aan als maatschappelijke arbeid beschouwd. Wat ook de materiële vorm moge zijn van het product dat hij schept of helpt scheppen, wat hij met zijn arbeid heeft gekocht, is niet een bepaald product, maar een bepaald aandeel in de gemeenschappelijke productie. Hij heeft daarom geen specifiek product om te ruilen. Zijn product is geen ruilwaarde. Het product behoeft niet eerst in een bijzondere vorm te worden omgezet om voor het individu een algemeen karakter te krijgen. In plaats van een opdeling van de arbeid, die noodzakelijkerwijs tot stand komt in de ruil van ruilwaarden, zou er een organisatie van de arbeid zijn, die zou resulteren in het aandeel van het individu in de gemeenschappelijke consumptie. In het eerste geval komt het maatschappelijke karakter van de productie pas post festum tot stand door het verheffen van de producten tot ruilwaarden en de ruil van deze ruilwaarden. In het tweede geval wordt het maatschappelijke karakter van de productie verondersteld en wordt de deelname aan de wereld van de producten, aan de consumptie, niet bemiddeld door de ruil van onderling onafhankelijke arbeid of arbeidsproducten. Zij wordt bemiddeld door de maatschappelijke productievoorwaarden waarbinnen het individu actief is. De arbeid van de enkeling rechtstreeks in geld (d.w.z. ook in zijn product), in gerealiseerde ruilwaarde omzetten, is deze onmiddellijk als algemene arbeid bepalen, d.w.z. de voorwaarden zelf ontkennen, waaronder zij in geld en ruilwaarden moet worden omgezet en van de particuliere ruil afhankelijk is. Aan die claim kan alleen worden voldaan onder omstandigheden die nu niet kunnen. Arbeid op basis van ruilwaarden veronderstelt juist dat noch de arbeid van het individu, noch zijn product onmiddellijk algemeen is; dat zij deze vorm slechts verkrijgt door een objectieve bemiddeling, door geld dat ervan verschilt.

Uitgaande van een gemeenschappelijke productie, blijft de tijdsduur natuurlijk essentieel. Hoe minder tijd de maatschappij nodig heeft om graan, vee, enz. te produceren, hoe meer tijd zij wint voor andere producties, materiële of geestelijke. Net als bij een afzonderlijk individu hangt de veelzijdigheid van de ontwikkeling, het genot en de activiteit af van tijdwinst. Tijdsbesparing, daartoe herleidt alle economie zich uiteindelijk. Zo moet ook de maatschappij haar tijd juist indelen om een productie te krijgen die aan haar totale behoeften beantwoordt; zoals ook het individu zijn tijd juist moet indelen om in de juiste verhouding kennis te verwerven of om te voldoen aan de verschillende eisen die aan zijn activiteit worden gesteld. Zo blijft de tijdseconomie, samen met de geplande verdeling van de arbeidstijd over de verschillende bedrijfstakken, de eerste economische wet op basis van de gemeenschappelijke productie. Het wordt zelfs een wet op een hogere trap. Dit is echter wezenlijk anders dan het meten van ruilwaarden (arbeid of arbeidsproducten) aan de hand van de arbeidstijd. De arbeid van individuen in dezelfde bedrijfstak en de verschillende soorten arbeid zijn niet alleen kwantitatief maar ook kwalitatief verschillend. Wat veronderstelt het louter kwantitatieve verschil der dingen? De gelijkheid van hun kwaliteit. De kwantitatieve meting van arbeid veronderstelt dus de gelijkwaardigheid, de identiteit van hun kwaliteit.

(Strabo, liber XI. Over de Albanoi in de Kaukasus:

“Het volk onderscheidt zich ook door schoonheid en grote gestalte; het is eenvoudig en openhartig in hun handel; want zij gebruiken over het algemeen geen gemunt geld en kennen geen getal dat groter is dan honderd, zij doen zaken door middel van ruilhandel in natura... Zij zijn ook niet bekend met nauwkeurige maten en gewichten.”)

Geld, verscheen eerst als maatstaf (bv. ossen bij Homerus), en dan als ruilmiddel, omdat in de ruilhandel elke waar zelf nog zijn ruilmiddel is. Maar het kan niet zijn eigen maatstaf of zijn eigen vergelijkingsstandaard zijn.

[Edele metalen als dragers van de geldverhoudingen]

Uit 2. volgt wat tot dusver is ontwikkeld: een bepaald product (waren) (materiaal) moet het subject worden van geld, dat bestaat als een eigenschap van elke ruilwaarde. Het subject waarin dit symbool wordt gerepresenteerd is niet onverschillig, want de eisen aan wat wordt gerepresenteerd liggen in de voorwaarden – conceptuele definities, bepaalde verhoudingen van wat moet worden gerepresenteerd. De studie van de edele metalen als onderwerp van de geldverhouding, de incarnaties ervan, valt dus geenszins, zoals Proudhon denkt, buiten het domein van de politieke economie, evenmin als de fysieke aard van kleuren en marmer buiten het domein van de schilder- en beeldhouwkunst valt. De eigenschappen die de waar als ruilwaarde heeft, en waarmee zijn natuurlijke eigenschappen niet overeenkomen, formuleren de aanspraken op de waren, bij voorkeur in het materiaal van het geld. Deze aanspraken, op het niveau waartoe wij ons tot nu toe hebben beperkt, daaraan wordt het meest voldaan door de edele metalen. De metalen hebben als productie-instrument de voorkeur boven de andere waren, en van de metalen wordt dat genomen wat fysiek volmaakt en zuiver te vinden is – eerst goud, dan koper, dan zilver en ijzer. De edele metalen verwerkelijken opnieuw het metaal dat de voorkeur krijgt boven de andere, zoals Hegel zou zeggen.

De edele metalen vallen samen in hun fysische eigenschappen, zodat ze in gelijke hoeveelheden identiek aan elkaar zouden moeten zijn in zoverre dat er geen reden is om de ene boven de andere te verkiezen. Dit geldt bijvoorbeeld niet bij gelijke aantallen runderen en gelijke hoeveelheden graan.

a) Goud en zilver in verhouding tot de andere metalen

Onedele metalen oxideren door invloed van lucht; edele metalen niet (kwik, zilver, goud, platina).

Aurum (Au). Dichtheid = 19,5; smeltpunt: 1200 C. “Glinsterend goud is het schitterendste van alle metalen en werd daarom door de ouden de zon of de koning der metalen genoemd. Komt vrij veel voor, nooit in grote massa’s, en is daarom kostbaarder dan de andere metalen. In de regel wordt het in vaste vorm gevonden, soms in grote brokken, soms als kleine korrels in andere gesteenten. De erosie van deze rotsen levert goudhoudend zand op dat door vele rivieren wordt meegevoerd en waaruit het goud dankzij zijn grote dichtheid kan worden uitgespoeld. Buitengewoon smeedbaar: een korrel kan tot een lange draad van 500 voet worden getrokken, en tot platen worden geslagen waarvan de dikte nauwelijks 1/200.000 [duim] bedraagt. Goud wordt door geen enkel zuur aangetast, het wordt alleen opgelost door vrij chloor (koningswater, een mengsel van salpeterzuur en zoutzuur). Vergulden.”

Argentum (Ag). Dichtheid = 10. Smeltpunt = 1000 °C. Helder uiterlijk; het vriendelijkste metaal, zeer wit en smeedbaar; kan prachtig worden bewerkt en in zeer dunne draden worden getrokken. Zilver wordt zuiver gevonden; zeer dikwijls gelegeerd met lood in zilver-loodertsen.

Chemische eigenschappen van goud en zilver tot nu toe. (Deelbaarheid en versmelten, gelijkvormigheid van zuiver goud en zilver enz. bekend.) Mineralogisch:

Goud. Het is zeker merkwaardig dat hoe edeler de metalen zijn, hoe meer zij geïsoleerd lijken en afgezonderd van de meer algemeen voorkomende delen, het zijn hogere naturen verwijderd van de gewone. Zo vinden wij goud in de regel vast, als kristalliet in verschillende korrelvormen of in vele andere uiteenlopende vormen: ordeloze brokken en korrels, zand en stof, zoals het voorkomt in vele soorten gesteente, bv. graniet; en door het vergruizen in het rivierzand en in het kiezelpuin van slibgrond. Aangezien in deze toestand de dichtheid van het goud tot 19,4 gaat, kunnen zelfs die fijne gouddeeltjes worden gewonnen door het goudhoudende zand met water te wassen. Daaruit bezinkt eerst het specifiek zwaardere metaal en wordt dus, zoals men zegt, uitgewassen. Zilver komt het meest voor in het gezelschap van goud, en men treft natuurlijke combinaties van beide metalen aan, die van 0,16 tot 38,7 procent zilver bevatten; hetgeen natuurlijk verschillen in kleur en gewicht met zich brengt.

Zilver. In een aanzienlijk aantal mineralen komt het metaal voor, zowel in natuurlijke vorm als in een legering met andere metalen of gecombineerd met arsenicum en zwavel. (Zilverchloride, zilverbromide, koolzuur zilveroxide, bismutzilvererts, sternbergiet, polybasiet enz.)

De belangrijkste chemische eigenschappen zijn: van alle edele metalen: geen oxidatie door lucht; goud (en platina): geen ontbinding in zuren, maar de eerstgenoemde alleen in chloor. Zij oxideren niet, blijven dus zuiver, vrij van roest; zij presenteren zich als dat wat zij zijn. Weerstand tegen zuurstof – onvergankelijkheid (zo geprezen door de goud- en zilverfanatici uit de oudheid).

Fysische eigenschappen: massadichtheid, d.w.z. veel gewicht in een kleine ruimte; dus bijzonder belangrijk voor het circulatiemiddel. Goud 19,5; zilver 10. Glans. Goudglans, zilverwit, pracht, smeedbaar; vandaar zo nuttig voor sieraden en versieringen van andere voorwerpen. De witte kleur van zilver (die alle lichtstralen terugkaatst in hun oorspronkelijke samenstelling); het roodgele van goud (dat alle gekleurde lichtstralen van het gemengde licht dat erop valt vernietigt en alleen het rood weerkaatst). Moeilijk smeltbaar.

Geologische eigenschappen: Het voorkomen (vooral van goud) in vaste toestand, los van andere voorwerpen; geïsoleerd, apart. Individueel, tegenover het elementaire, zelfstandig voorkomen.

Van de twee andere edele metalen: 1. platina heeft geen kleur: grijs op grijs (roet van metalen); te zeldzaam; onbekend in de oudheid; pas ontdekt na de ontdekking van Amerika; ook ontdekt in de Oeral in de negentiende eeuw; alleen oplosbaar in chloor; altijd vast; massadichtheid = 21; het sterkste vuur doet het niet smelten; meer van wetenschappelijke waarde. 2. kwik: is vloeibaar; kan verdampen; de dampen zijn giftig: verwerkbaar in vloeibare mengsels (amalgamen). (Dichtheid= 13,5, kookpunt = 360 C.) Dus platina, noch kwik past bij geld.

Een van de geologische eigenschappen gemeenschappelijk voor alle edele metalen:

Zeldzaamheid. Zeldzaamheid is een element van de waarde (los van vraag en aanbod) in zoverre dat wat op zich niet zeldzaam is, de negatie van zeldzaam, het elementaire, geen waarde heeft omdat het niet verschijnt als resultaat van een productie. In de oorspronkelijke definitie van waarde is datgene wat het meest onafhankelijk is van bewuste, vrijwillige productie het meest waardevol, ervan uitgaande dat er vraag bestaat. Kiezelstenen hebben geen waarde, relatief gesproken, omdat zij worden gevonden zonder productie (ook al bestaat deze alleen in het zoeken). Opdat iets ruilbaar zou zijn, opdat het ruilwaarde zou hebben, moet niet iedereen het zonder ruilen kunnen hebben; het behoeft niet in zulke rudimentaire vorm voor te komen dat het gemeenschappelijk bezit is. Zeldzaamheid is een element van ruilwaarde, daarom is deze eigenschap van het edelmetaal, los van vraag en aanbod, belangrijk.

Wanneer we kijken naar de voordelen van de metalen als zodanig als productie-instrumenten, dan heeft goud de verdienste dat het in ieder geval het eerste metaal is dat als metaal werd ontdekt. En wel om twee redenen. In de eerste plaats omdat bij de voorbereiding ervan de natuur kundig het werk heeft overgenomen en voor de eerste ontdekking ervan slechts ruwe arbeid nodig was, geen wetenschap, noch ontwikkelde productie-instrumenten.

“Het is zeker dat goud de plaats inneemt van het vroegst bekende metaal, en in de eerste authentieke verslagen over de vooruitgang van de mensheid wordt het reeds aangeduid als een maatstaf voor het niveau van de mens.” [Lectures on Gold for the instruction of emigrants about to proceed to Australia. Delivered at the Museum of Practical Geology. Londen. 1852. p. 172]

(Omdat overvloed als de eerste vorm van rijkdom verschijnt. De eerste vorm van waarde is de gebruikswaarde, het alledaagse, dat de verhouding van het individu tot de natuur uitdrukt; de tweede is de ruilwaarde, naast de gebruikswaarde, zijn macht over de gebruikswaarden van anderen, zijn maatschappelijke verhouding: de ruilwaarde zelf is oorspronkelijk een waarde voor gebruik alleen op zondag, die verder gaat dan de onmiddellijke fysieke noodzaak.)

Zeer vroege ontdekking van goud door de mens:

“Goud verschilt opvallend, op enkele uitzonderingen na, van de andere metalen doordat het in de natuur in metallische toestand wordt aangetroffen. IJzer en koper, tin, lood en zilver worden gewoonlijk ontdekt in chemische verbindingen met zuurstof, zwavel, arseen of koolstof; en het enkele uitzonderlijke aanwezig zijn van deze metalen in een samengestelde toestand of – zoals het vroeger werd genoemd – maagdelijke toestand, dat zijn eerder mineralogische curiositeiten dan alledaagse verschijnselen. Goud wordt echter altijd zuiver gevonden, resp. metallisch ... Als een metaalachtige massa, zeldzaam door zijn gele kleur, moest het daarom de aandacht trekken van de onwetende mens. Terwijl de andere stoffen die mogelijk ook op zijn pad liggen, zijn nauwelijks ontwaakte waarnemingsvermogen niet vangen en geen aantrekkelijke eigenaardigheden bieden. Aangezien goud bovendien wordt gevormd in gesteenten onderhevig aan erosie, wordt het gevonden in bergpuin. De ontbindende invloed van de atmosfeer, de temperatuurveranderingen, het effect van water en vooral de inwerking van ijs, breken voortdurend stukken rots af. Zij worden door waterlopen naar de valleien gevoerd en door de constante activiteit van het stromende water tot keien gevormd. Daar worden kiezelzand, of partjes, van goud ontdekt. De zomerhitte verdampte het water en veranderde de valleien, uitgeslepen door beekjes en winterse regens, in paden voor de nomadische mensen; en hier kunnen we de vroegste ontdekking van goud veronderstellen.” [pp. 171-172]

“Zuiver goud wordt meestal gevonden, of in ieder geval zo zuiver dat het metaalkarakter onmiddellijk herkenbaar is, zowel in rivieren als in kwartslagen.” [p. 8]

De massadichtheid van kwarts en bijna alle andere zware gesteenten met hoge dichtheid, is ongeveer 2 1/2, terwijl de massadichtheid van goud 18 of 19 is. Goud is dus ergens ongeveer zeven keer zo zwaar als elk gesteente of elke steen waarmee het waarschijnlijk is geassocieerd. Stromend water, krachtig genoeg om zand of kwartskiezelstenen of enig ander gesteente mee te voeren, is wellicht daarom niet in staat om de gouddeeltjes die ermee vermengd zijn, te verplaatsen. In het verleden deed het bewegende water met de goudhoudende rotsen precies wat een mijnwerker vandaag zou moeten doen, namelijk de brokstukken breken, de lichtere deeltjes afscheiden en het goud bewaren. Rivieren zijn in feite grote natuurlijke zeven [Schwingtröge], omdat zij alle lichtere en fijnere deeltjes zacht wegspoelen, terwijl de zwaardere ofwel op natuurlijke hindernissen stuiten, ofwel achterblijven waar de kracht of de snelheid van de stroom afneemt. (Zie Goud (Lezingen over), Londen 1852, p. 12-13)

“Op grond van overlevering en vroege geschiedenis lijkt de ontdekking van goud in zand en grind van stromen de eerste stap te zijn geweest in het kennen van metalen, en in bijna alle, misschien wel alle landen van Europa, Afrika en Azië zijn vanaf zeer vroege tijden met eenvoudige middelen grotere of kleinere hoeveelheden goud gewassen uit goudhoudende afzettingen. Af en toe was de opbrengst van een goudstroom groot genoeg voor een golf van opwinding die een tijdlang een streek in beweging bracht, maar die weer bedaarde. In 760 trokken de armen er in groten getale op uit om ten zuiden van Praag goud uit het rivierzand te wassen, en drie mannen konden een mark (een half pond) goud per dag winnen; de toeloop naar de goudvelden was daarna zo groot dat het land het jaar daarop door hongersnood werd getroffen. Wij lezen herhaaldelijk over soortgelijke gebeurtenissen in de volgende eeuwen, hoewel hier, evenals elders, de bovengrondse verspreide rijkdom niet langer het grote publiek aantrok, ten gunste van de echte en systematische mijnbouw”. [pp. 93-95]

“Goud wordt gevonden in twee soorten afzettingen, aders, die het compacte gesteente min of meer loodrecht op de horizon doorsnijden, en sedimentaire afzettingen, “ertshoudend slib”, waarin het goud, vermengd met grind, zand of klei, door de mechanische werking van het water is afgezet op de rotsen, die tot op onbekende diepte zijn doorspekt met aders. De mijnbouwkunde is vooral gericht op het eerste type, het laatste omvat de eenvoudige taken van graafwerk. Goudwinning in de ware zin des woords is, zoals alle andere mijnbouw, een kunde die de inzet van kapitaal vereist en een vaardigheid die alleen door jarenlange ervaring kan worden verworven. Er is geen kunst, door beschaafde mensen beoefend, die voor haar volledige ontwikkeling de toepassing van zoveel wetenschappen en parallelle vaardigheden vereist. Maar hoe belangrijk ze ook zijn voor de mijnwerker, ze zijn nauwelijks noodzakelijk voor de goudwasser of gouddelver, die hoofdzakelijk moet vertrouwen op de kracht van zijn arm of zijn gezondheidstoestand. Het gereedschap dat hij gebruikt moet eenvoudig zijn, zodat hij het van de ene plaats naar de andere kan transporteren, en gemakkelijk kan repareren als het beschadigd is, en geen van die subtiliteiten in behandeling vereist die tijdverlies veroorzaken als hij kleine hoeveelheden wil winnen.” [pp. 95-97]

“Verschil tussen de sedimentaire goudafzettingen, waarvan die in Siberië, Californië en Australië tegenwoordig het beste voorbeeld zijn, en het fijne zand dat jaarlijks door rivieren door het bergdal wordt gespoeld en waarvan sommige ook exploiteerbare hoeveelheden goud blijken te bevatten. Het laatste vindt men natuurlijk letterlijk aan de oppervlakte, de eerste onder een laag van 1 tot 70 voet dik, bestaande uit aarde, turf, zand, grind, enz. De winningsmethoden moeten in principe in beide gevallen dezelfde zijn.” [p. 97]

“Voor de goudzoeker heeft de natuur de rijkste en prachtigste delen van de aders gekliefd en het materiaal zo verpulverd en uitgewassen dat het zwaarste werk al gedaan is; terwijl de mijnwerker, die de magere maar meer gestage en dieper gelegen aders aanpakt, vele vaardigheden tot zijn beschikking moet hebben.” [p. 98]

“Goud wordt terecht beschouwd als het kostbaarste metaal vanwege zijn verschillende fysische en chemische eigenschappen. Het verandert niet in contact met de lucht en roest niet. (De onvergankelijkheid is te danken aan zijn weerstand tegen de zuurstof in de atmosfeer.) In vaste toestand is het helder roodachtig-geel van kleur en heeft het een grote dichtheid. Zeer hamerbaar. Vereist intense hitte om te smelten. Massadichtheid.” [pp. 72-73]

Dus 3 soorten productie: 1. In rivierzand. Makkelijk te vinden aan de oppervlakte. Wassen. 2. in gelaagde slibafzettingen. Goudmijn. 3. mijnbouw. De productie ervan vereist dus geen ontwikkeling van de productiekrachten. De natuur doet het meeste werk.

(De wortels van de woorden voor goud, zilver enz. (zie Grimm); hier hebben wij een aantal algemene begrippen van glansen, die spoedig worden overgedragen op de aan kleur verwante woorden. Zilver wit, goud geel; erts en goud, erts en ijzer veranderen van naam. Bij de Duitsers werd brons vroeger gebruikt als ijzer. Directe verwantschap tussen aes [koper] en aurum [goud]).

Koper (erts, brons: tin en koper) en goud gebruikt vóór zilver en ijzer.

“Goud wordt lang vóór zilver gebruikt, omdat het zuiver wordt gevonden en slechts in geringe mate met zilver gerelateerd; het wordt gewonnen door eenvoudig wassen. Zilver komt over het algemeen voor in aders, in de hardste gesteenten van oerformaties; het vereist ingewikkelde machines en werkmethoden om het te winnen. In Zuid-Amerika wordt het goud uit aders niet geëxploiteerd, maar het goud is als stof en als korrels in de alluviale formaties verspreid. Zo ook in de tijd van Herodotus. De oudste monumenten van Griekenland, Azië, Noord-Europa en de Nieuwe Wereld bewijzen dat het gebruik van goud als gerei en versiering mogelijk is in een semi-barbaarse toestand; en het gebruik van zilver voor hetzelfde doel toont op zichzelf al een voldoende gevorderde maatschappelijke toestand.” Cf. Dureau de la Malle, notitieboek (1) [Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek XIV van 1851.]

Koper als voornaamste instrument voor oorlog en vrede. (ibid. 2) (zoals geld in Italië ibid.)

b) Fluctuaties in de waardeverhouding tussen de verschillende metalen

Als er al sprake is van het gebruik van metalen voorwerpen als geld, van hun relatieve gebruik onderling, van hun vroege of latere verschijning, dan moet men tegelijkertijd kijken naar de schommelingen in hun relatieve waarde (Letronne, Böckh, Jacob). (Het deel van de kwestie dat verband houdt met de kwestie van de massa van de in omloop zijnde metalen als zodanig, en de verhouding daarvan tot de prijzen, dat zal later worden behandeld, als historisch toevoegsel aan het hoofdstuk over de verhouding tussen geld en prijzen.)

“Het voortdurend wisselen tussen goud, zilver en koper in de verschillende tijdperken hing in de eerste plaats af van de aard van de vindplaatsen van deze drie metalen en van hun min of meer zuivere staat waarin zij werden aangetroffen. Vervolgens politieke veranderingen, zoals de invasie van Azië en een deel van Afrika door de Perzen en Macedoniërs, later de verovering van een deel van de drie continenten door de Romeinen (orbis terrarum, enz.).” [Dureau de la Malle, pp. 63-64]

Dus afhankelijk van de relatieve staat van zuiverheid waarin ze worden aangetroffen en hun voorradig zijn.

De waardeverhouding tussen de verschillende metalen kan worden bepaald zonder gebruik te maken van prijzen – door middel van de eenvoudige kwantitatieve verhouding waarin de ene tegen de andere wordt geruild. Zo kan men, algemeen, te werk gaan als men slechts enkele waren met elkaar vergelijkt, die dezelfde maat hebben; bv. zoveel quarter rogge, gerst, haver tegen zoveel quarter tarwe. In de ruilhandel, waar weinig wordt geruild en weinig waren in omloop komen, wordt deze methode gebruikt en is er dus geen geld nodig.

Bij de Sabanen, de nabuur van de Arabieren, was, volgens Strabo, zuiver goud zo overvloedig dat men er 10 pond van gaf tegen 1 pond ijzer, en 2 pond tegen 1 pond zilver. Een rijkdom aan goud in de streek van Bactrië (Bactara, enz., kortweg Turkestan) en in het deel van Azië gelegen tussen de Paropamisadae (Hindoekoesj) en de Imaus (Mustagh-gebergte), d.w.z. in de Desertum arenosum auro abondans (Gobiwoestijn [goudrijke zandwoestijn]): volgens Dureau de la Malle is het daarom waarschijnlijk,

“dat van de vijftiende tot de zesde eeuw v. Chr. de verhouding tussen goud en zilver 6:1 of 8:1 was [de cijfers volgen de Engelstalige editie], dezelfde verhouding die in China en Japan bestond tot het begin van de negentiende eeuw; Herodotus schat deze verhouding op 13:1 voor Perzië onder Darius Hystaspess. Volgens de wet van Manou, geschreven tussen 1300 en 600 v. Chr., was de verhouding goud/zilver = 1:2 1/2. De zilvermijnen bevonden zich in feite bijna nergens anders dan in het oergebergte, voornamelijk in ganggesteente-formaties als afzettingen en in enkele lagen van secundaire formaties. In plaats van alluviaal zand zijn de ganggesteenten van het zilver gewoonlijk de meest compacte en hardste gesteenten, zoals kwarts, enz. Dit metaal komt veel meer voor in koude streken, hetzij door hun breedtegraad, hetzij door hun absolute hoogte, dan goud, dat over het algemeen de voorkeur geeft aan warme landstreken. In tegenstelling tot goud komt men zelden zilver in zuivere vorm tegen, enz. (gewoonlijk gecombineerd met arsenicum of zwavel) (zoutzuur, salpeterzuur). Wat betreft het verspreidingsgebied van de twee metalen (vóór de ontdekking van Australië en Californië): Humboldt, 1811, schatte de verhouding van goud en zilver in Amerika = 1:46, in Europa (Aziatisch Rusland inbegrepen) = 1:40. De mineralogen van de Academie van Natuurwetenschappen schatten tegenwoordig (1842) = 1:52, toch is een pond goud slechts 15 ponden zilver waard; dus waardeverhouding 1:15.” [pp. 54-56]

Koper. Dichtheid = 8,9. Mooie morgenrode kleur; vrij hard; vereist zeer hoge temperatuur om te smelten. Niet zelden gevonden in zuivere toestand; vaak gecombineerd met zuurstof of zwavel.

“Het is te vinden in de oude oorspronkelijke aardlagen. Maar het wordt ook dikwijls, meer dan de andere mineralen, in de aardbodem gevonden, zij het op geringe diepte in brokken van zuiver metaal, met soms een aanzienlijk gewicht. Gebruikt in vrede en oorlog vóór ijzer.” [p. 56]

(Goud als monetair materiaal staat in de historische ontwikkeling in verhouding tot zilver, zoals koper als werkinstrument in verhouding staat tot ijzer).

“Circuleerde in grote hoeveelheden in Italië onder Romeins bewind van de 1e tot de 5e eeuw. Men kan a priori de graad van beschaving van een volk bepalen door alleen het soort metaal te kennen, goud, koper, zilver of ijzer, dat zij gebruiken voor hun wapens, hun werktuigen of hun sieraden”. Hesiodos in zijn gedicht over de landbouw: “Hun werktuig was van brons; zwartachtig ijzer was er nog niet.” [Hesiodos, Opera et dies, I, 151]

Lucretius: Eerder was het gebruik van erts bekend, dan dat van ijzer.” [Lucretius, De rerum natura, V, 1286] Jacob [An historical inquiry..., pp. 35-42] noemt oeroude kopermijnen in Nubië en Siberië (zie Dureau I, 58); Herodotus zegt dat de Massageten alleen brons hadden, geen ijzer. IJzer, volgens de marmeren tabletten van Oxford, niet bekend vóór 1431 v. Chr. In Homerus is ijzer zeldzaam, maar het gebruik van ertsen (brons), de legering van koper, zink en tin waar de Griekse en Romeinse samenleving zo lang gebruik van heeft gemaakt, heel gewoon, zelfs voor het maken van bijlen en scheermessen. [pp. 57-58] Italië, vrij rijk aan zuiver koper; produceerde ook kopergeld tot 247 v. Chr., naast de eenvormige munt, althans voor het gewone geld, de munteenheid in Midden-Italië. De Griekse koloniën in Zuid-Italië ontvingen rechtstreeks zilver uit Griekenland en Azië of via Tyrus en Carthago, waarmee zij vanaf de 5e en 6e eeuw geld verdienden. Het schijnt dat de Romeinen vóór de verdrijving van de koningen zilvergeld bezaten, maar, zegt Plinius [Historia naturalis, III, 24], “dit is verboden volgens een oude resolutie van de Senaat, die de bescherming van Italië (d.w.z. zijn zilvermijnen) gelastte. Zij vrezen de gevolgen van een handig circulatiemiddel – luxe, aanwas van slaven, accumulatie, concentratie van grondbezit.” [pp. 64-66]

Ook bij de Etrusken eerst het koper als geld, dan het goud. Het is fout als Garnier zegt (zie notitieboek III, p. 22):

“Het materiaal bestemd voor accumulatie werd op natuurlijke wijze gezocht en geselecteerd uit het rijk der mineralen.”

Het is omgekeerd, de accumulatie begon nadat het metaalgeld was bedacht (als echt geld of alleen als een geprefereerd ruilmiddel naar gewicht). Dit punt vooral met betrekking tot goud in het bijzonder te bespreken. Reitemeier heeft gelijk (zie notitieboek III, p. 33):

“Goud, zilver en koper werden door de volkeren in de oudheid voor het eerst gebruikt voor snij- en breekgereedschap, ondanks hun betrekkelijke zwakte, vroeger dan ijzer en vroeger dan voor het gebruik van geld.”

(Verbetering van werktuigen toen men leerde koper te temperen en hard genoeg te maken om vast gesteente te trotseren. Voor de beitels en hamers, gebruikt om stenen te bewerken, werd zeer gehard koper gebruikt. IJzer eindelijk ontdekt.) Jacob zegt:

“In het patriarchaat (zie notitieboek IV, p. 3), waren de metalen, waarvan wapens werden gemaakt, zoals 1. messing en 2. ijzer, schaars en onmetelijk duur in vergelijking met het gewone voedsel en de toen gebruikelijke kleding, er was weliswaar geen geld van edele metalen bekend, maar goud en zilver hadden niettemin het vermogen verworven om eenvoudig en gemakkelijker te worden geruild tegen andere metalen dan graan en vee.”

“Overigens is er niets anders nodig dan een eenvoudige wasinstallatie om zuiver of bijna zuiver goud te winnen in de enorme alluviale formaties, tussen de bergketens van Hindoekoesj en de Himalaya. In die tijd was de bevolking in deze streken van Azië zeer talrijk en de arbeid derhalve zeer goedkoop. Zilver was relatief duur vanwege de (technische) moeilijkheidsgraad van de exploitatie. Het tegenovergestelde vond plaats in Azië en Griekenland na de dood van Alexander. Het goudhoudende zand was uitgeput; de prijs van slaven en arbeid steeg; nadat de mechanica en de geometrie van Euclides tot Archimedes enorme vooruitgang had geboekt, konden de rijke aders van de zilvermijnen van Azië, Thracië en Spanje met winst worden geëxploiteerd, en aangezien zilver 52 maal overvloediger was dan goud, moest de verhouding van de waarden van de twee metalen ten opzichte van elkaar veranderen, het pond goud, dat in de tijd van Xenophon, 350 v. Chr., werd geruild tegen 10 pond zilver, was in 422 n. Chr. 18 pond van laatstgenoemd metaal waard.” [Dureau de la Malle, pp. 62-63]

Dus van 10:1 verhoogd naar 18:1.
Einde van de 5e eeuw n. Chr. sterk verminderde geldmassa, stagnatie van de mijnbouw. In de middeleeuwen tot het einde van de 15e eeuw bestond een betrekkelijk groot deel van het geld uit gouden munten. (De vermindering was vooral merkbaar bij het zilver, dat vroeger het meest circuleerde). Verhouding in de 15e eeuw = 10:1, in de 18e eeuw = 14:1 op het continent; in Engeland = 15:1. In het moderne Azië het zilver meer als waar in de handel; vooral in China, waar kopergeld (Tehen, samenstelling van koper, zink, lood) de nationale munt is; in China goud (en zilver) naar gewicht als waar voor de buitenlandse handelsbalans.

Grote schommelingen in Rome tussen de waarde van koper en zilver (in de munten). Tot Servius voor de ruil het metaal en ingots: aes rude [ongemunt kopergeld]. De geldeenheid: as van koper [oud-Romeinse kleine munt] = 1 pond koper. Ten tijde van Servius zilver op koper = 279:1; tot het begin van de Punische oorlog = 400:1; ten tijde van de Eerste Punische oorlog = 140:1; Tweede Punische oorlog = 112:1.

Goud in het begin erg duur in Rome, geruime tijd zilver van Carthago (en Spanje); goud werd alleen gebruikt voor ingots tot 547. Goud op zilver in de handel = 13,71:1, in munten = 17,14:1; onder Caesar = 12:1 (bij het uitbreken van de burgeroorlog, nadat Caesar de schatkist had geplunderd, slechts 8,9:1); onder Honorius en Arcadius (397) vast = 14,4:1; onder Honorius en Theodosius junior (422) = 18:1. Zilver op koper = 100:1; goud op zilver = 18:1. Eerste zilveren munt geslagen in Rome 485 n.C, eerste gouden munt: 547.

Eens de as, na de tweede Punische oorlog, teruggebracht tot 1 ounce, alleen kleingeld; de sestertie (zilver) werd de eenheid, alle grote betalingen werden gedaan in zilver. (In de dagelijkse transacties bleef koper (later ijzer) het belangrijkste metaal. Onder de keizers van het Oosten en het Westen was de solidus (aureus) [een Romeinse gouden munt], d.w.z. goud, het reguliere geld).

In de oudheid dus, gemiddeld genomen:
Ten eerste: zilver is verhoudingsgewijs meer waard dan goud. Afgezien van uitzonderingen (Arabieren), waar goud goedkoper was dan zilver en zelfs goedkoper dan ijzer, gold in Azië vanaf de 15e tot de 6e eeuw v. Chr. goud op zilver = 6:1 of 8:1 (de laatste verhouding in China en Japan tot het begin van de negentiende eeuw). In de wet van Manou = 2 1/2:1. Deze lagere verhouding vindt zijn oorsprong in dezelfde oorzaken waardoor goud voor het eerst als metaal werd gevonden. Goud kwam in die tijd vooral uit Azië en Egypte. Koper als geld correspondeert met de Italiaanse ontwikkeling. In het algemeen komt koper als het voornaamste middel van vrede en oorlog overeen met goud als het overheersende edele metaal. In de tijd van Xenophon, goud op zilver = 10:1.

Ten tweede: na de dood van Alexander is de goudwaarde evenredig gestegen met die van het zilver, door uitputting van de goudzanden, de vooruitgang van technologie en beschaving, en dus de ontsluiting van zilvermijnen; nu de invloed van het kwantitatief grotere voorkomen van zilver boven goud in de aardkorst. Maar vooral de Carthagers, uitbuiters van Spanje, die noodzakelijkerwijs een revolutie teweeg moest brengen in de verhouding tussen zilver en goud, vergelijkbaar met de ontdekking van het Amerikaanse zilver aan het einde van de 15e eeuw. Verhouding in Caesars tijd = 17:1; later 14:1; tenslotte sinds 422 n. Chr. = 18:1. (De daling van het goud onder Caesar om toevallige redenen.) De daling van het zilver ten opzichte van het goud komt overeen met het ijzer als belangrijkste productieinstrument in oorlog en vrede. Werd in de eerste periode goud aangevoerd uit het oosten, in de tweede zilver uit het koudere westen.

Ten derde, in de middeleeuwen: weer de verhouding als in de tijd van Xenophon. 10:1. (Op sommige plaatsen = 12:1?)

Ten vierde, na de ontdekking van Amerika: weer ongeveer dezelfde verhouding als in de tijd van Honorius en Arcadius (397); 14 tot 15:1. Hoewel sinds ongeveer 1815-44 de goudproductie toenam, was er voor goud een premie (bv. in Frankrijk). Het is waarschijnlijk dat de ontdekking van Californië en Australië,

ten vijfde, de verhouding uit de Romeinse keizertijd 18:1, zo niet groter, zal doen terugkeren. Het relatief goedkoper worden van zilver met de vooruitgang van de edelmetaalproductie, zowel in de oude als de nieuwe tijd, van oost naar west tot Californië en Australië keert dit om. Op korte termijn, grote schommelingen; maar wanneer men naar de belangrijkste verschillen kijkt, herhalen deze zich op opmerkelijke wijze.

In de oudheid was koper drie of vier keer zo duur als vandaag. (Garnier [p. 253])

c) Nu te onderzoeken, de bronnen van goud en zilver en hun verband met de historische ontwikkeling.

d) Geld als een munt. In het kort het historische van de muntstukken. Daling en stijging, enz.

[De circulatie van geld]

De circulatie of omloop van het geld correspondeert met een tegengestelde circulatie of omloop van waren. De waar van A gaat over in de hand van B, terwijl het geld van B overgaat in de hand van A, enz. De geldcirculatie begint, net als die van de waren, op oneindig verschillende punten en keert op oneindig verschillende punten terug. Het vertrek uit een centrum naar de verschillende punten van de periferie en de terugkeer van alle punten van de periferie naar een centrum vindt niet plaats in de geldcirculatie in het stadium waarin wij haar hier beschouwen, de onmiddellijke circulatie, maar alleen in de circulatie die door het bankwezen wordt bemiddeld. Deze eerste natuurlijke circulatie bestaat uit een massa circulaties. Maar de werkelijke circulatie begint pas waar goud en zilver ophouden een waar te zijn; tussen de landen die edele metalen uitvoeren en de landen die ze invoeren, is er in dit verband geen sprake van circulatie, maar van eenvoudige ruil, aangezien goud en zilver hier niet als geld, maar als een waar worden beschouwd. Voor zover geld de ruil van de waren bemiddelt, d.w.z. hun circulatie, d.w.z. het is een ruilmiddel, is het een instrument van circulatie, een vehikel van de circulatie; maar voor zover het in dit proces zelf circuleert, omloopt, de eigen beweging volgt, heeft het zelf een circulatie, geldcirculatie, geldomloop. Er moet worden nagegaan in hoeverre deze circulatie door bijzondere wetten wordt bepaald. Het is van meet af aan duidelijk, als geld een circulatiemiddel is voor de waren, zijn de waren evenzeer een circulatiemiddel voor het geld. Als geld de waren laat circuleren, laten waren het geld circuleren. De circulatie van waren en de circulatie van geld zijn dus van elkaar afhankelijk.

Bij de geldomloop moet met drie dingen rekening worden gehouden:
1. de vorm van de beweging zelf; haar richting [Linie] (haar concept); 2. de hoeveelheid circulerend geld; 3. de snelheid waarmee het de beweging voltooit, de omloopsnelheid. Dit kan alleen gebeuren in relatie tot de circulatie van waren. Dit is van meet af aan duidelijk, want de warencirculatie kent momenten die geheel onafhankelijk zijn van de geldcirculatie en deze veeleer rechtstreeks bepalen, of op zodanige wijze dat dezelfde omstandigheden die bv. de snelheid van de warencirculatie bepalen, ook die van de geldcirculatie bepalen. Het totale karakter van de productiewijze zal bepalend zijn voor beide, en nog directer de warencirculatie. De massa van de ruilers (bevolkingsaantal): hun spreiding over stad en land; de absolute hoeveelheid waren, producten en verkopers; de relatieve massa van de in circulatie gebrachte waren; de ontwikkeling van communicatie en transport, in de dubbele betekenis, dat zij zowel de ruilers onderling bepaalt als de snelheid waarmee de grondstof de producent, het product en de consument bereikt; tenslotte de ontwikkeling van de industrie, die verschillende bedrijfstakken concentreert, bv. spinnen, weven, verven, enz. en aldus een reeks bemiddelende ruilingen overbodig maakt. De warencirculatie is de oorspronkelijke voorwaarde voor de geldcirculatie. Voor zover dit op zijn beurt de warencirculatie bepaalt, dat valt te bezien.

Eerst moet het algemene begrip circulatie of omloop worden gedefinieerd.

Er moet ook op gewezen worden dat wat geld doet circuleren ruilwaarden en dus prijzen zijn. Bij de warencirculatie moet dus niet alleen rekening worden gehouden met de hoeveelheid, maar ook met de prijs. Een groot aantal waren tegen een lage ruilwaarde, prijs, heeft uiteraard minder geld nodig voor hun circulatie dan een klein aantal tegen het dubbele van de prijs. Het begrip prijs moet dus eigenlijk vóór dat van de circulatie worden ontwikkeld. Circulatie is het tot stand brengen van prijzen, het is het proces waarin waren worden omgezet in prijzen: hun realisatie als prijzen. De tweevoudige bepaling van het geld als 1. maat of element waarin de waar als ruilwaarde wordt gerealiseerd, en zijn bepaling als 2. ruilmiddel, het instrument van circulatie, werken in geheel verschillende richtingen. Geld circuleert alleen waren die ideëel, niet alleen in het hoofd van het individu, maar ook in de idee van de maatschappij (rechtstreeks bij de betrokken partijen in het proces van kopen en verkopen) reeds in geld zijn omgezet. Deze ideële omzetting in geld en de werkelijke omzetting worden geenszins door dezelfde wetten bepaald. Hun wederzijdse verhouding moet worden onderzocht.

a) [Geld als de maat voor de waarden]

Een essentiële bepaling van de circulatie is dat zij ruilwaarden circuleert, namelijk ruilwaarden die als prijzen worden bepaald. Elke ruilvorm van waren, bv. ruilhandel, natuurlijke voorraden, feodale arbeid, enz. vormt dus nog geen circulatie. Voor de circulatie zijn vooral twee dingen nodig: ten eerste de voorwaarde dat waren prijzen zijn; ten tweede: geen afzonderlijke ruilhandelingen zijn, maar een circuit, een totaliteit, die voortdurend in beweging is en zich min of meer over de gehele samenleving uitstrekt; een systeem van ruilhandelingen. De waar wordt bepaald als ruilwaarde. Als ruilwaarde is zij in een bepaalde verhouding (in verhouding tot de arbeidstijd die zij bevat) equivalent aan alle andere waarden (waren); maar zij correspondeert niet onmiddellijk met deze bepaaldheid. Als ruilwaarde verschilt zij van zichzelf in haar natuurlijk bestaan. Er is een bemiddeling nodig om het als zodanig vast te stellen. In geld presenteert de ruilwaarde van de waar zich aan de waar als iets anders dan zichzelf. De waar, als geld voorgesteld, is eerst de waar als zuivere ruilwaarde, of de waar als zuivere ruilwaarde is geld. Maar tegelijkertijd bestaat het geld nu buiten en naast de waren; de ruilwaarde, de ruilwaarde van alle waren heeft nu een zelfstandig bestaan in zijn eigen materie, in een specifieke waar. De ruilwaarde van de waar drukt de totaliteit uit van de kwantitatieve verhoudingen waartegen alle andere waren kunnen worden geruild, bepaald door de ongelijke kwantiteit van dezelfde waar die in dezelfde arbeidstijd kunnen worden geproduceerd. Geld bestaat nu als de ruilwaarde van alle waren naast en buiten de waren.

Het is in de eerste plaats de algemene materie waarin zij moeten worden ondergedompeld, verguld en verzilverd, om hun vrije bestaan als ruilwaarde te verwerven. Ze moeten worden omgezet in geld, daarin uitgedrukt. Geld wordt de algemene noemer van ruilwaarden, de waren als ruilwaarden. De ruilwaarde – uitgedrukt in geld, d.w.z. gelijkgesteld aan geld – is de prijs. Nadat het geld zelfstandig is ten opzichte van de ruilwaarden, worden nu de ruilwaarden, bepaald als geld, tegenover het subject geplaatst. Maar elke ruilwaarde is een bepaald kwantum; kwantitatief bepaalde ruilwaarde. Als zodanig is het = een bepaalde hoeveelheid geld. Volgens de algemene wet wordt deze bijzonderheid gegeven door de arbeidstijd die in de gegeven ruilwaarde zit. Zo wordt een ruilwaarde van een product, laten we aannemen één dag, uitgedrukt in een hoeveelheid goud of zilver die = één dag arbeidstijd; dat is het product van één dag arbeid. De algemene maat van de ruilwaarden wordt nu de maat tussen elke ruilwaarde en het geld waarmee zij wordt gelijkgesteld. (Goud en zilver worden eerst bepaald door hun productiekosten in de landen waar zij worden geproduceerd.

“In de mijnlanden hangen alle prijzen uiteindelijk af van de productiekosten van de edele metalen; de vergoeding die aan de mijnwerkers wordt betaald is de maat op basis waarvan de betaling van alle andere producenten wordt berekend ... De goud- en zilverwaarde van alle waren die niet onder het monopolie vallen, hangt in een land zonder mijnbouw af van het goud en zilver dat kan worden verkregen door het resultaat van een gegeven hoeveelheid arbeid uit te voeren, van de geldende winstvoet en, in elk afzonderlijk geval, van het bedrag dat voor de lonen is betaald en de tijd waarvoor zij zijn voorgeschoten.” (Senior)

Met andere woorden: uit de hoeveelheid goud en zilver die direct of indirect ontvangen wordt van de landen met mijnen tegen een bepaalde hoeveelheid arbeid (exportproducten).) Geld is in de eerste plaats datgene wat de samenhang en gelijkheid van alle ruilwaarden tot uitdrukking brengt: daarin hebben zij de zelfde naam.
De ruilwaarde die in het geld is vastgelegd, is de prijs. In de prijs wordt de ruilwaarde uitgedrukt in een bepaalde hoeveelheid geld. In de prijs verschijnt het geld, ten eerste, als de eenheid van alle ruilwaarden; ten tweede, als de eenheid waarvan zij een bepaald aantal bevatten, zodat, door ze daarmee te vergelijken, hun kwantitatieve bepaaldheid, hun kwantitatieve verhouding tot elkaar, tot uitdrukking wordt gebracht. Geld is hier dus de maat van de ruilwaarde, en prijzen zijn de ruilwaarden die met geld worden gemeten. Het feit dat het geld een maat van de prijzen is, d.w.z. dat de ruilwaarden erdoor met elkaar worden vergeleken, is dan de vanzelfsprekende vaststelling. Maar het belangrijkste voor de ontwikkeling is dat in de prijzen ruilwaarden worden vergeleken met geld. Nadat het geld als ruilwaarde zelfstandig en gescheiden van de waren is vastgesteld, wordt de afzonderlijke waar, de bijzondere ruilwaarde, nu weer gelijkgesteld met geld, d.w.z. gelijkgesteld aan een bepaalde hoeveelheid geld, uitgedrukt als geld, vertaald in geld. Door ze gelijk te stellen met geld, worden ze opnieuw met elkaar in verband gebracht zoals ze begrepen waren als ruilwaarden: dat ze in bepaalde verhoudingen samenvallen en vergelijkbaar zijn. De bijzondere ruilwaarde, de waar, wordt uitgedrukt, ondergebracht, onder de bepaaldheid van de zelfstandig geworden ruilwaarde, van het geld. Hoe dit gebeurt (d.w.z. hoe de kwantitatieve verhouding tussen de kwantitatief bepaalde ruilwaarde en een gegeven hoeveelheid geld wordt gevonden), zie hoger. Maar omdat geld een zelfstandig bestaan heeft naast de waren, verschijnt de prijs van de waar als een externe relatie van ruilwaarden of waren tot het geld; de waar is niet de prijs, want het was ruilwaarde volgens zijn sociale substantie; deze bepaaldheid valt er niet direct mee samen, maar wordt bemiddeld door de vergelijking met het geld; de waar is een ruilwaarde, maar het heeft een prijs. Het eerste was er in onmiddellijke eenheid mee, zijn onmiddellijke bepaaldheid, waarmee het even onmiddellijk uiteenviel, zodat het aan de ene kant een waar was, aan de andere (in het geld) een ruilwaarde; nu echter, in de prijs, verwijst de waar enerzijds naar het geld als iets dat naast het geld bestaat, anderzijds wordt het ideëel gesteld als het geld zelf, omdat het geld een andere realiteit heeft. De prijs is een eigenschap van de waar, een regeling waarbij het als geld wordt voorgesteld. Het is niet langer een onmiddellijke, maar een weerspiegelde vaststelling. Naast echt geld bestaat de waar nu als een ideëel geld.

Deze volgende bepaling, zowel van geld als maat als van waren als prijs, wordt het eenvoudigst geïllustreerd door het verschil tussen echt geld en rekengeld. Als maat dient geld altijd als rekengeld, en als prijs wordt de waar altijd slechts ideëel in geld omgezet.

“De waardebepaling van de waar door de verkoper, het bod van de koper, de facturen, obligaties, lijfrenten, voorraden, enz., kortom alles wat de materiële handeling van de betaling teweegbrengt en voorafgaat, moet in rekengeld worden uitgedrukt. Het echte geld komt alleen tussen om de betalingen te realiseren en de rekeningen te salderen (vereffenen). Als ik 24 livres 12 sous moet betalen, stelt het rekengeld 24 eenheden van de ene soort voor en 12 van de andere, terwijl ik in werkelijkheid in twee materiële stukken zal betalen: een goudstuk ter waarde van 24 livres en een zilverstuk ter waarde van 12 sous. De totale massa van het reële geld heeft noodzakelijke grenzen in de behoeften van de circulatie. Het rekengeld is een ideale maat die geen grenzen kent dan de verbeelding. Aangewend om elke rijkdom uit te drukken, als het alleen wordt beschouwd vanuit het oogpunt van ruilwaarde; dus de nationale rijkdom, de inkomsten van de staat en van individuen; de rekenwaarden, onder welke vorm deze waarden ook bestaan, geregeld volgens dezelfde vorm; zodat er in de massa consumptiegoederen geen enkel artikel is dat niet meerdere malen door het denken in geld zou worden omgezet, terwijl, vergeleken met deze massa, de totale som van het effectieve geld hooguit = 1:10.” Garnier.

(Deze laatste verhouding is verkeerd. 1: vele miljoenen is correcter. Maar dit is volledig onmeetbaar.)

Als het geld dus oorspronkelijk de ruilwaarde uitdrukte, dan drukt de waar nu een som geld uit als prijs, als een ideëel bepaalde ruilwaarde, gerealiseerd in het hoofd: geld in een bepaalde verhouding. Als prijzen zijn alle waren, onder verschillende vormen, vertegenwoordigers van het geld, terwijl vroeger het geld, als zelfstandige ruilwaarde, de vertegenwoordiger van alle waren was. Nadat het geld reëel is geworden als waar, wordt de waar ideëel gesteld als geld.

Het is nu allereerst duidelijk dat deze ideële verandering van waren in geld of het bepalen van waren als prijzen, de hoeveelheid van het aanwezige reële geld in twee opzichten volstrekt onverschillig is: ten eerste is de ideële verandering van waren in geld op het eerste gezicht onafhankelijk van en niet beperkt door de massa van het reële geld. Voor dit proces is geen enkel geldstuk nodig, evenmin als een lengtemaat (zeg een el) werkelijk moet worden gebruikt om bv. de evenaar van de aarde in ellen uit te drukken. Als bv. de gehele nationale rijkdom van Engeland in geld wordt geschat, d.w.z. uitgedrukt als een prijs, weet iedereen dat er niet genoeg geld op de wereld is om deze prijs te realiseren. Geld is daarvoor alleen nodig als categorie, als een denkbeeld. Ten tweede, aangezien geld als een eenheid wordt beschouwd, d.w.z. de waar wordt zodanig uitgedrukt dat het een bepaalde som van aliquote delen geld bevat, erdoor wordt gemeten, de maat is tussen de twee en de algemene maat is van de ruilwaarden – de productiekosten of de arbeidstijd. Dus als 1/3 ounce goud het product is van 1 dag arbeid, en de waar x het product van 3 dagen arbeid, dan is de waar x = 1 ounce of £3 17 sh 7 d. Bij het meten van geld en waren duikt de oorspronkelijke maat van de ruilwaarde weer op. In plaats van 3 werkdagen wordt de waar uitgedrukt in een hoeveelheid goud of zilver, dat het product is van 3 werkdagen. De voorradige hoeveelheid echt geld heeft uiteraard niets te maken met deze verhouding.

(Fout van James Mill: ziet over het hoofd dat de productiekosten, en niet de hoeveelheid edele metalen, de waarde ervan bepalen, en de prijzen van de waren gemeten in metaalwaarde.)

“Waren in ruil tegen wederzijdse kwantiteit. Maar deze procedure zou evenveel vergelijkingspunten vereisen als er waren in omloop zijn. Indien een waar slechts tegen één en niet tegen twee waren zou worden geruild, zou het niet als een vergelijking kunnen dienen. Vandaar de noodzaak van een algemeen vergelijkingspunt. Dit punt kan zuiver ideëel zijn. De bepaling van de maat is fundamenteel, [is] belangrijker dan die van het loon. In de handel tussen Rusland en China dient zilver om alle waren in waarde in te delen, maar deze handel vindt plaats door ruil.” (Storch)

“De operatie van het meten met geld is vergelijkbaar met het gebruik van gewichten bij het vergelijken van materiële kwanta. Dezelfde naam van de twee eenheden bestemd voor het tellen van zowel het gewicht als de waarde van elk ding. Gewichten en waarden hebben dezelfde namen. Een etalon, dat altijd een identiek gewicht had, was gemakkelijk gevonden. Het geld was weer de waarde van het pond zilver = de productiekosten.”

(Sismondi. Niet alleen dezelfde namen. Goud en zilver oorspronkelijk gewogen. Dus zoals = 1 pond koper bij de Romeinen).

“Schapen en ossen, niet goud en zilver, geld bij Homerus en Hesiod, als maat van de waarde. Op het [slag]veld van Troje ruilhandel.” (Jacob [“An historical inquiry...”, p. 109])

(Evenzo slaven in de middeleeuwen, ibid [p. 351])

De hoeveelheid geld kan worden vastgesteld bij overeenkomst en de algemene elementen van de ruilwaarden, zonder uiteindelijke realisatie in de verdere bepalingen; dus nog voordat het de vorm van metaalgeld heeft aangenomen. In [de] eenvoudige ruilhandel. Maar dan wordt verondersteld dat er slechts weinig ruil plaatsvindt; dat de waren niet worden ontwikkeld als ruilwaarden en dus ook niet als prijzen.

(“Een algemene norm voor de prijs van iets veronderstelt dat het frequent en dagelijks wordt gebruikt. Dit is niet het geval in eenvoudige maatschappelijke omstandigheden. In niet-industriële landen hebben veel dingen geen vaste prijs. Alleen de verkoop kan de prijzen bepalen en de frequente verkoop van artikelen van de eerste levensbehoeften hangt af van de verhouding tussen stad en land,” enz.)

De ontwikkelde prijsbepaling veronderstelt dat het individu zijn levensonderhoud niet direct produceert, maar dat zijn onmiddellijk product ruilwaarde is, d.w.z. eerst door een maatschappelijk proces moet worden bemiddeld om voor hem levensmiddel te worden. Tussen de volledige ontwikkeling van deze basis van de industriële samenleving en de patriarchale toestand zijn er vele tussenstadia en oneindige schakeringen.

Uit a) volgt: als de productiekosten van de edele metalen stijgen, dalen alle warenprijzen; als de productiekosten van de edele metalen dalen, stijgen alle warenprijzen. Dit is de algemene wet, die, zoals we zullen zien, in enkele gevallen anders is.

b) [Geld als circulatiemiddel]

Als ruilwaarden ideëel in geld worden omgezet door middel van prijzen, dan worden zij bij de ruil, bij koop en verkoop, werkelijk in geld omgezet, geruild tegen geld, om vervolgens weer als geld te worden geruild tegen een waar. De bijzondere ruilwaarde moet eerst worden geruild tegen de algemene, om weer te kunnen worden geruild tegen een bijzondere. De waar komt als ruilwaarde slechts tot stand door deze bemiddelende beweging, waarbij geld de bemiddelaar speelt. Geld circuleert dus in een tegengestelde richting van de waren. Het verschijnt als het medium van de warenruil, als het ruilmiddel. Het is een circulariteit, een instrument van circulatie voor de circulatie van waren; maar als zodanig heeft het tegelijkertijd zijn eigen circulatie – geldomloop, geldcirculatie. De prijs van de waar wordt slechts gerealiseerd in de ruil tegen echt geld of in de reële ruil tegen geld.

Uit het voorgaande volgt: de waren worden pas reëel tegen geld geruild, omgezet in reëel geld, nadat ze eerst ideëel in geld zijn omgezet – d.w.z. dat ze als prijzen zijn geprijsd. De prijzen zijn dus de voorwaarde voor de geldcirculatie, hoezeer het realiseren ervan ook het gevolg lijkt te zijn. De omstandigheden die maken dat de prijzen van de waren, wegens hun ruilwaarde, boven of onder hun gemiddelde waarde stijgen, moeten ontwikkeld worden in het hoofdstuk over de ruilwaarde en gaan vooraf aan het proces van hun daadwerkelijke realisering in geld; zij lijken dus in eerste instantie er geheel los van te staan. De verhoudingen van de getallen tot elkaar, in die zin dat ik ze in decimale breuken voorstel, blijven natuurlijk dezelfde. Het is alleen een andere naamgeving. Om de waren werkelijk te laten circuleren zijn er transportmiddelen nodig en dit kan niet met geld worden uitgevoerd. Als ik 1000 pond ijzer heb gekocht tegen het bedrag van x1, is de eigendom van het ijzer in mijn handen overgegaan. Mijn x1 heeft zijn dienst bewezen als ruilmiddel en heeft gecirculeerd, net als de eigendomstitel. De verkoper daarentegen heeft de prijs van het ijzer, het ijzer als ruilwaarde, gerealiseerd. Maar om het ijzer van hem naar mij te brengen, daarvoor doet geld niets; daarvoor zijn nodig karren, paarden, wegen, enz. De reële circulatie van waren in ruimte en tijd wordt niet bewerkstelligd door geld. Geld realiseert alleen hun prijs en draagt daardoor de eigendom van de waar over in de handen van de koper, aan hem die ruilmiddelen heeft aangeboden. Wat door het geld in circulatie wordt gebracht zijn niet de waren, maar het eigendomsrecht daarop; en wat er in deze circulatie tegen wordt gerealiseerd, hetzij bij aankoop hetzij bij verkoop, zijn weer niet de waren, maar hun prijzen. De hoeveelheid geld die nodig is voor de circulatie wordt dus in de eerste plaats bepaald door de hoogte of de laagte van de prijzen van de waren die in omloop worden gebracht. Maar de totale som van deze prijzen wordt in de eerste plaats bepaald door de prijzen van de afzonderlijke waren; in de tweede plaats door het aantal waren die tegen bepaalde prijzen in omloop komen. Om bijvoorbeeld een quarter tarwe tegen 60 sh. in omloop te brengen, zijn twee keer zoveel sh. nodig als om het tegen 30 sh. in omloop te brengen. En als 500 van deze quarters tegen 60 sh. in omloop moeten worden gebracht, zijn 30.000 sh. nodig, terwijl voor het in omloop brengen van 200 van dergelijke quarters slechts 12.000 sh. nodig zijn. De benodigde hoeveelheid geld hangt dus af van het niveau van de warenprijzen en van de hoeveelheid waren tegen bepaalde prijzen.

Ten derde hangt de hoeveelheid geld, nodig om te circuleren, niet alleen af van de totale som van de te realiseren prijzen, maar ook van de snelheid waarmee het geld circuleert en de transacties van deze realisering. Als 1 taler in een uur 10 aankopen doet, telkens tegen de prijs van 1 taler, en zichzelf tien keer ruilt, dan realiseert hij precies dezelfde transactie als 10 talers zouden doen die in een uur slechts 1 aankoop realiseren. Snelheid is het negatieve moment; het vervangt hoeveelheid; daardoor wordt een munt vermenigvuldigd.

De omstandigheden die enerzijds bepalend zijn voor de massa van te realiseren warenprijzen en anderzijds voor de snelheid van de geldomloop, zullen later worden onderzocht. Zoveel is duidelijk, dat de prijzen niet hoog of laag zijn omdat er veel of weinig geld in omloop is, maar dat er veel of weinig geld in omloop is omdat de prijzen hoog of laag zijn; en verder, dat de snelheid van circulerend geld niet afhangt van zijn hoeveelheid, maar dat de hoeveelheid circulerend middel afhangt van zijn snelheid (grote betalingen worden niet geteld maar gewogen; hierdoor wordt de benodigde tijd verkort).

Maar, zoals reeds gezegd, de geldomloop begint niet vanuit een centrum en keert ook niet vanuit alle punten in de periferie terug naar een centrum (zoals bij de circulatiebanken en gedeeltelijk bij het rijksgeld), maar vanuit een oneindig aantal punten, en keert terug naar een oneindig aantal punten (deze terugkeer zelf, en de tijd waarin zij plaatsvindt, zijn toevallig). De snelheid van het circulerende medium kan dus slechts tot op zekere hoogte de hoeveelheid van het circulerende medium vervangen. (Fabriekseigenaren en pachters betalen bijvoorbeeld de arbeider; deze laatste de kruidenier, enzovoort; van deze laatste vloeit het geld terug naar de fabriekseigenaren en pachters.) Dezelfde hoeveelheid geld kan slechts een reeks betalingen achtereenvolgens verrichten, ongeacht de snelheid. Maar een bepaalde massa betalingen moet gelijktijdig worden verricht. De circulatie begint op een en hetzelfde moment vanuit vele punten. Er is dus een bepaalde hoeveelheid geld nodig voor de circulatie, een hoeveelheid die altijd in omloop is en bepaald wordt door de som die vertrekt van de gelijktijdige vertrekpunten in de circulatie, en door de snelheid van de omwenteling (terugkeert). Voor zover deze hoeveelheid van het circulerende medium onderhevig is aan eb en vloed, ontstaat er een gemiddeld niveau; in die zin dat de permanente veranderingen zeer geleidelijk zijn, slechts over langere perioden plaatsvinden en altijd worden verlamd door een massa secundaire omstandigheden, zoals we zullen zien.

(Bij a) “Maatstaf, gebruikt als attribuut van geld, betekent indicator van waarde.” Het is belachelijk dat “de prijzen moeten dalen omdat de waren naar schatting zo of zoveel ounces goud waard zijn en de voorraad goud in dit land afneemt.” “De doeltreffendheid van goud als waarde-indicator wordt niet beïnvloed door de vraag of de hoeveelheid goud in een of ander land groter of kleiner is. Indien men erin zou slagen de papier- en metaalomloop in dit land met de helft te verminderen, zou de relatieve waarde van geld en waren dezelfde blijven. Voorbeeld van Peru in de 16e eeuw en transmissie van Frankrijk naar Engeland.” Hubbard, VIII, 45.)
(“Aan de Afrikaanse kust is goud noch zilver de maatstaf van de waarde, in plaats daarvan een ideëele standaard, een denkbeeldige geldstaaf.” Jacob, V, 15.)

In de hoedanigheid van meten, is geld onverschillig ten aanzien van zijn hoeveelheid, of: de bestaande hoeveelheid geld maakt geen verschil. Als ruilmiddel, als instrument van circulatie, wordt de hoeveelheid [wel] gemeten. Of deze twee bepalingen van geld met elkaar in tegenspraak kunnen komen – dat zien we later.

(Het begrip gedwongen, onvrijwillige circulatie (zie Steuart) hoort hier nog niet).

Het is essentieel voor de circulatie dat de ruil verschijnt als een proces, een vloeiend geheel van kopen en verkopen. De eerste voorwaarde is de circulatie van de waren zelf, hun voortdurende meerzijdige circulatie. De voorwaarde voor de circulatie van de waren is dat zij worden geproduceerd als ruilwaarden, niet als onmiddellijke gebruikswaarden, maar als bemiddeld door ruilwaarde. Toe-eigening door middel van ontvreemding [Entäusserung] en vervreemding [Veräusserung] is de basisvoorwaarde. In de circulatie als realisatie van ruilwaarden ligt besloten: 1. dat mijn product slechts een product is voor zover het voor anderen is; dat wil zeggen, dat het een opgeheven alleenheid is, een algemeenheid; 2. dat het voor mij slechts een product is voor zover het is afgestaan, voor anderen is geworden; 3. dat het slechts voor de ander is voor zover hij zelf zijn product heeft afgestaan; dat impliceert: 4. dat de productie voor mij niet als een doel op zichzelf verschijnt, maar als een middel. Circulatie is de beweging waarin algemene ontvreemding verschijnt als algemene toe-eigening en algemene toe-eigening als algemene ontvreemding. Nu, voor zover het geheel van deze beweging verschijnt als een maatschappelijk proces en voor zover de afzonderlijke momenten van deze beweging voortkomen uit de bewuste wil en speciale doeleinden van de individuen, verschijnt de totaliteit van het proces als een objectieve samenhang dat op natuurlijke wijze ontstaat; het ontstaat uit de interactie van bewuste individuen, maar ligt niet in hun bewustzijn en het wordt ook niet bevat. Hun conflict produceert voor hen een maatschappelijke macht die boven hen staat, een vreemde maatschappelijke macht; hun wisselwerking als een proces en een kracht onafhankelijk van hen. Circulatie, omdat zij een totaliteit is van het maatschappelijke proces, is ook de eerste vorm waarin niet alleen de maatschappelijke verhouding verschijnt als iets dat onafhankelijk is van de individuen, zoals in een muntstuk of in ruilwaarde, maar ook het geheel van de maatschappelijke beweging zelf. De maatschappelijke verhouding van individuen tot elkaar als een zelfstandige macht over de individuen, of die nu wordt voorgesteld als een natuurmacht, een toeval of in welke andere vorm dan ook, is het noodzakelijke gevolg van het feit dat het uitgangspunt niet het vrije maatschappelijke individu is. De circulatie als eerste totaliteit onder de economische categorieën is een goede manier om dit te illustreren.

Op het eerste zicht lijkt de circulatie een kwalijk oneindig proces te zijn. Waren worden geruild tegen geld; het geld wordt geruild tegen waren en dit herhaalt zich tot in het oneindige. Deze voortdurende herhaling van hetzelfde proces vormt inderdaad een wezenlijk moment van de circulatie. Maar nauwkeuriger bekeken onthult het ook andere verschijnselen; het fenomeen van voltooiing, of de terugkeer van het punt van vertrek in zichzelf. De waar wordt geruild tegen geld; het geld wordt geruild tegen de waar. Waren worden dus geruild tegen waren, alleen is deze ruil een bemiddelde ruil. De koper wordt weer verkoper, en de verkoper wordt weer koper. Aldus is elk geplaatst in een dubbele en tegengestelde bepaling, en aldus in de actieve eenheid van beide bepalingen. Het is echter volstrekt onjuist als, zoals economen doen, zodra de tegenstellingen van het monetaire systeem aan het licht komen, plotseling alleen de eindresultaten worden opgetekend, zonder het proces dat hen bemiddelt, alleen de eenheid, zonder het verschil, de bevestiging, zonder de mening. De waar wordt in de circulatie tegen een waar geruild; het wordt evenzeer niet tegen een waar geruild voor zover het tegen geld wordt geruild. De actie van kopen en verkopen, met andere woorden, lijken twee onderling onbelangrijke handelingen, gescheiden in plaats en tijd. Wanneer gezegd wordt dat wie verkoopt ook koopt, voor zover hij geld koopt, en dat wie koopt ook verkoopt, voor zover hij geld verkoopt, is het juist het verschil dat wordt genegeerd, het specifieke verschil tussen de waar en het geld.

Nadat de economen op de prachtigste wijze hebben getoond dat de ruilhandel, waarin beide handelingen samenvallen, onvoldoende is voor een ontwikkelde maatschappijvorm en een productiewijze, zien zij de door geld bemiddelde ruilhandel plotseling als daar meteen, zij kijken weg van het specifieke karakter van deze transactie. Nadat zij ons hebben laten zien dat geld noodzakelijk verschillend is van de waar, beweren zij ineens dat er geen verschil bestaat tussen geld en de waar. Men neemt zijn toevlucht tot deze abstractie omdat er in de reële evolutie van het geld tegenstellingen zijn die onaangenaam zijn voor de apologetiek van het burgerlijk gezond verstand en daarom moeten worden verdoezeld. In zoverre koop en verkoop, de twee essentiële circulatiemomenten, onverschillig tegenover elkaar staan, in ruimte en tijd gescheiden, behoeven zij in geen geval samen te vallen. Hun onverschilligheid kan leiden tot de versterking en schijnbare onafhankelijkheid van de een tegenover de ander. Maar omdat zij beide in wezen momenten van een geheel vormen, moet er een moment komen waarop de zelfstandige vorm met geweld wordt verbroken en de innerlijke eenheid naar buiten toe door een hevige explosie tot stand wordt gebracht. Zo ligt reeds in de kwaliteit van het geld als medium, in de splitsing van de ruil in twee handelingen, de kiem van crisissen, althans hun mogelijkheid, die niet gerealiseerd kan worden als de basisvoorwaarden van de klassiek gevormde circulatie, overeenkomend met het concept ervan, aanwezig zijn.

Ook is aangetoond dat in de circulatie het geld alleen de prijzen realiseert. De prijs verschijnt in eerste instantie de ideële bepaling van de waar; maar het geld dat tegen de waar wordt geruild is de gerealiseerde prijs, de werkelijke prijs. De prijs verschijnt dus evenzeer naast en onafhankelijk van de waar als dat hij [de prijs] ideëel in [de waar] bestaat. Indien het niet in geld kan worden gerealiseerd, kan het niet circuleren en wordt zijn prijs slechts denkbeeldig; net zoals oorspronkelijk het in ruilwaarde omgezette product, indien het niet werkelijk wordt geruild, ophoudt een product te zijn. (Over stijgen en dalen van de prijzen spreken we hier niet.) Vanuit a) verschijnt de prijs als bepaald in de waren; maar vanuit b) verschijnt het geld als de prijs naast de waren. Niet alleen de vraag is noodzakelijk voor de waar, maar ook de vraag in geld. Als de prijs van de waar niet kan worden gerealiseerd, als het niet in geld kan worden omgezet, is de waar gedevalueerd en beroofd van zijn prijs. De in de prijs uitgedrukte ruilwaarde moet worden opgeofferd zodra deze specifieke verandering in geld noodzakelijk is. Vandaar de klachten bij Boisguillebert [Dissertation sur la nature ..., pp. 395 en 413], bv., dat geld de beul van alle dingen is, de Moloch aan wie alles geofferd moet worden, de despoot van de waren. In de tijd van de opkomende absolute monarchie, die alle belastingen in geldbelastingen verandert, verschijnt het geld inderdaad als de Moloch aan wie de echte rijkdom wordt geofferd. Zo verschijnt het ook in elke geldpaniek. Van een knecht van de handel, zegt Boisguillebert, wordt het geld haar despoot. [p. 399] In feite echter, bevat het bepalen van de prijzen op zich reeds wat er in ruil voor geld wordt tegenovergesteld: dat geld staat niet meer voor de waar, maar de waar vertegenwoordigt het geld. Geklaag over de handel in geld als niet-legitieme handel, dat vinden we bij verschillende schrijvers, in de overgang van de feodale naar de moderne periode; hetzelfde later bij de socialisten.

α) Hoe meer de arbeidsdeling zich ontwikkelt, hoe meer het product ophoudt een ruilmiddel te zijn. De noodzaak van een algemeen ruilmiddel doet zich dan voor, onafhankelijk van de specifieke productie van elk. Bij een op onmiddellijk levensonderhoud gerichte productie kan niet elk artikel tegen elk artikel worden geruild, en kan een bepaalde activiteit slechts tegen bepaalde producten worden geruild. Hoe specifieker, diverser, afhankelijker de producten worden, hoe noodzakelijker een algemeen ruilmiddel wordt. In het begin is het arbeidsproduct of de arbeid zelf het algemene ruilmiddel. Maar het is steeds minder een algemeen ruilmiddel naarmate het bijzonder wordt. Een enigszins ontwikkelde arbeidsverdeling impliceert dat de behoeften van ieder zeer gevarieerd zijn geworden en het product zeer eenzijdig. De behoefte aan ruil en de onmiddellijke ruilmiddelen ontwikkelen zich in omgekeerde verhouding. En zo de noodzaak van een algemeen ruilmiddel, waarbij het specifieke product en de specifieke arbeid zich ruilen tegen het ruilmiddel. De ruilwaarde van een ding is niets anders dan de kwantitatief gespecificeerde uitdrukking van zijn vermogen om als ruilmiddel te dienen. In geld wordt het ruilmiddel zelf het ding, of de ruilwaarde van het ding verwerft een zelfstandig bestaan buiten het ding. Aangezien de waar een ruilmiddel is met beperkingen ten opzichte van geld, kan het ophouden een ruilmiddel te zijn tegenover het geld.

β) De splitsing van de ruil in koop en verkoop maakt het mij mogelijk te kopen zonder te verkopen (opslaan van waren) of te verkopen zonder te kopen (accumulatie van geld). Het maakt speculatie mogelijk. Het maakt van ruilen een speciaal bedrijf, d.w.z. het vestigt de koopmansstand. Deze splitsing heeft een massa transacties tussen de definitieve ruil van waren mogelijk gemaakt en zij stelt een massa personen in staat deze scheiding uit te buiten. Het heeft een massa schijntransacties mogelijk gemaakt. Spoedig zal blijken dat wat in wezen een afzonderlijke handeling leek, in wezen samenhorig is; spoedig zal blijken dat wat als een in wezen samenhorige handeling werd beschouwd, in werkelijkheid een in wezen afzonderlijke handeling is. Op momenten dat kopen en verkopen zich doen gelden als wezenlijk verschillende handelingen, vindt de algemene depreciatie van alle waren plaats. Op momenten dat blijkt dat geld slechts een ruilmiddel is, vindt de waardevermindering van geld plaats. Algemene prijsdalingen of -stijgingen.

Geld biedt de mogelijkheid van een absolute arbeidsdeling, omdat de arbeid onafhankelijk is van zijn specifieke product, van de onmiddellijke gebruikswaarde van zijn product voor hen.

De algemene prijsstijging in tijden van speculatie kan niet worden toegeschreven aan een algemene stijging van hun ruilwaarde of van hun productiekosten; want indien de ruilwaarde of de productiekosten van goud in dezelfde mate zouden stijgen als die van alle andere waren, zou hun ruilwaarde in geld, d.w.z. hun prijs, gelijk blijven. Zij kan evenmin worden toegeschreven aan een daling van de productieprijs van goud. (Over krediet spreken we hier nog niet.) Maar aangezien geld niet alleen een algemene waar is, maar ook een bijzondere waar, en als bijzondere waar onderworpen is aan de wetten van vraag en aanbod, moet de algemene vraag naar bijzondere waren, in tegenstelling tot geld, het doen dalen.

Wij zien dat het in de natuur van het geld ligt dat het de tegenstellingen van zowel directe ruil als ruilwaarde alleen oplost door ze algemeen te maken. Of een bijzonder ruilmiddel al dan niet werd ingewisseld tegen een ander bijzonder middel was een kwestie van toeval; nu echter moet de waar worden ingewisseld tegen het algemene ruilmiddel, waartegenover zijn bijzonderheid in een nog grotere tegenspraak staat. Om de ruilbaarheid van de waar te garanderen, wordt de ruilbaarheid zelf er als een zelfstandige waar tegenover gepositioneerd. (Het middel wordt het doel.) De vraag was of de bijzondere waar de andere bijzondere vindt. Maar het geld breekt de ruilhandeling op in twee onderlinge onverschillige handelingen.

(Voordat de vragen over circulatie, sterkte, zwakte, enz. en vooral het omstreden punt over de hoeveelheid circulerend geld en de prijzen verder worden uitgewerkt, moet geld in zijn derde bepaling bekeken worden.)

Een moment in de circulatie is dat de waar zichzelf via geld tegen een andere waar ruilt. Maar het andere moment vindt evenzeer plaats, niet alleen dat de waar zichzelf ruilt tegen geld en geld tegen een waar, maar evenzeer dat het geld zichzelf ruilt tegen een waar en een waar tegen geld; dus dat het geld zichzelf bemiddelt door de waar en verschijnt als de eenheid die met zichzelf verenigd is in zijn circulatie. Zo verschijnt het niet meer als een middel, maar als een doel van de circulatie (zoals bv. in de koopmansstand) (in de handel in het algemeen). Als men de circulatie niet alleen beschouwt als een voortdurende wisseling, maar als een kringloop in zichzelf, verschijnt deze kringloop dubbel: waren-geld-geld-waren; anderzijds geld-waren-waren-geld; d.w.z. als ik verkoop om te kopen, kan ik gelijkerwijs kopen om te verkopen. In het eerste geval is geld slechts het middel om de waar te verwerven, en de waar het doel; in het tweede geval is de waar slechts het middel om geld te verkrijgen, en het geld het doel. Dit is het eenvoudige resultaat wanneer de circulatiemomenten worden samengebracht. Beschouwd als louter circulatie, moet het onverschillig zijn op welk punt ik reageer om het als uitgangspunt te nemen.

Nu is er een specifiek verschil tussen de waren in circulatie en het geld in circulatie. De waar wordt op een bepaald punt uit de circulatie genomen en vervult zijn definitieve bestemming pas zodra het definitief aan de circulatie wordt onttrokken, wordt geconsumeerd, hetzij bij de productie, hetzij bij de eigenlijke consumptie. Het doel van het geld daarentegen is in circulatie te blijven als vehikel; als een perpetuum mobile om de omloop altijd opnieuw te beginnen.

Toch is ook deze tweede functie een element van circulatie, net als de eerste. Nu kan men zeggen: het ruilen van waren tegen waren heeft zin, omdat de waren, hoewel gelijkwaardig in prijs, kwalitatief verschillend zijn en hun ruil dus uiteindelijk kwalitatief verschillende behoeften bevredigt. Daarentegen heeft het ruilen van geld tegen geld geen zin, tenzij er een kwantitatief verschil is, er wordt minder geld geruild voor meer, er wordt meer verkocht dan gekocht, en we hebben nog steeds niets te maken met de categorie winst. De conclusie geld-waren-waren-geld, die wij trekken uit de analyse van de circulatie, zou dus slechts overkomen als een willekeurige en zinloze abstractie, alsof men de kringloop van het leven zou willen beschrijven: dood-leven-dood; hoewel zelfs in het laatste geval niet ontkend kan worden dat de voortdurende ontbinding van het geïndividualiseerde in het elementaire, evenzeer een moment van het natuurproces is als de voortdurende individualisering van het elementaire. Zo ook in de handeling van de circulatie, de voortdurende omzetting van waren in geld is evenzeer een moment van het natuurlijke proces als de voortdurende omzetting van geld in waren. In het werkelijke proces van kopen om weer te verkopen is het motief echter de winst die in het proces wordt gemaakt, en het uiteindelijke doel om minder geld door middel van de waar in te ruilen tegen meer geld, aangezien er geen kwalitatief verschil is tussen geld en geld (hier is geen sprake van speciaal metaalgeld noch van speciale muntsoorten). Het valt echter niet te ontkennen dat de operatie kan mislukken en dat het ruilen van geld tegen geld zonder kwantitatief verschil zelfs in werkelijkheid vaak voorkomt en dus kan voorkomen. Maar voordat dit proces, waarop de handel berust en dat dus, door zijn uitbreiding, een hoofdverschijnsel van de circulatie vormt, mogelijk is, moet de kringloop geld-waren-geld als een bijzondere vorm van de circulatie worden erkend. Deze vorm verschilt specifiek van die waarin geld verschijnt als het loutere ruilmiddel voor waren; als de middelste term; als een minor-premisse van het syllogisme. Naast haar kwantitatieve bepaaldheid in de handel, moet zij worden onderscheiden in haar zuiver kwalitatieve vorm, haar specifieke beweging. Ten tweede: het impliceert reeds dat geld noch alleen als meetmiddel, noch alleen als ruilmiddel, noch alleen als beide functioneert, maar nog een derde kwaliteit heeft. Het verschijnt hier ten eerste als een doel op zich, voor de loutere verwezenlijking van de handel en ruil in waren. Ten tweede, aangezien de kringloop hiermee sluit, treedt het er buiten, evenals de waar, dat met geld tegen zijn equivalent wordt geruild, buiten de kringloop wordt gebracht. Het is geheel juist dat geld, voor zover het slechts een circulatiemiddel is, voortdurend opgesloten blijft in de circulatie. Maar hier wordt getoond dat het iets anders is dan een circulatie-instrument, dat [het] ook een zelfstandig bestaan buiten de circulatie bezit en in deze nieuwe bepaling er [i.e. de circulatie] evenzeer aan kan worden onttrokken, zoals de waar er altijd definitief aan moet worden onttrokken. We moeten het geld dus beschouwen in zijn derde bepaling, waarin het de eerste twee bepalingen in zich opneemt, dat wil zeggen zowel die van het meten, als die van algemeen ruilmiddel, en dus die van realisatie van de warenprijzen.

c) Geld als de materiële representant van rijkdom (accumulatie van geld; voorheen: geld als de algemene materie van contracten, enz.)

Het ligt in de aard van de kringloop dat elk punt zowel als begin- en als eindpunt verschijnt, en dat het zowel als het ene verschijnt voor zover het als het andere verschijnt. De vorm G-W-W-G is even correct als de andere, die oorspronkelijk verschijnt: W-G-G-W. De moeilijkheid is dat de andere waar kwalitatief verschillend is; dat geldt niet voor het andere: geld. Het kan alleen kwantitatief anders zijn. – Als graadmeter is de materiële substantie van het geld van wezenlijk belang, ofschoon het bestaan ervan en, meer nog, de hoeveelheid ervan, het aantal porties goud of zilver, dat als eenheid dient, haar in deze bepaling volkomen onverschillig laat, en zij in het algemeen slechts als een ingebeelde, niet bestaande eenheid wordt gebruikt. In deze hoedanigheid is het nodig als een eenheid en niet als een hoeveelheid. Als ik zeg dat een pond katoen 8 d waard is, zeg ik dat 1 pond katoen = 1/116 ounce goud (de ounce op 31 17 sh. 7 d) (931 d). Dit drukt tegelijkertijd zijn bijzonderheid uit als ruilwaarde ten opzichte van alle andere waren, als equivalent van alle andere waren, die het ounce goud zus en zo vele malen bevatten, aangezien zij alle op dezelfde wijze met het ounce goud worden vergeleken. Deze oorspronkelijke verhouding van het pond katoen tot het goud, waardoor de hoeveelheid goud in een pond katoen wordt bepaald, wordt bepaald door de hoeveelheid arbeidstijd die in beide wordt gerealiseerd, de werkelijke gemeenschappelijke substantie van de ruilwaarden. Dit moet worden verondersteld uit het hoofdstuk over de ruilwaarde als zodanig. De moeilijkheid om deze vergelijking te vinden is niet zo groot als het lijkt. Bv., in de arbeid die direct goud produceert verschijnt een bepaalde hoeveelheid goud direct als het product van een dag arbeid. Concurrentie stelt de arbeid van de andere dagen daarmee gelijk, modificandis modificatis [na de nodige modificaties]. Direct of indirect. Met andere woorden, bij de rechtstreekse productie van goud verschijnt een bepaalde hoeveelheid goud rechtstreeks als product en dus als waarde, als het equivalent van een bepaalde arbeidstijd. Het is dus alleen nodig de arbeidstijd te bepalen die in de verschillende waren wordt gerealiseerd en deze gelijk te stellen met de arbeidstijd die het goud rechtstreeks produceert, om te kunnen zeggen hoeveel goud in een bepaalde waar zit.

De bepaling van alle waren als prijzen – als gemeten ruilwaarden – is een proces dat geleidelijk plaatsvindt, dat frequente ruil en veelvuldige vergelijking van waren als ruilwaarden veronderstelt; maar zodra het bestaan van waren als prijzen een voorwaarde is geworden – een voorwaarde die zelf een product is van het maatschappelijk proces, een resultaat van het maatschappelijk productieproces – dan lijkt de bepaling van nieuwe prijzen eenvoudig, omdat de elementen van de productiekosten zelf reeds aanwezig zijn in de vorm van prijzen, en dus alleen maar moeten opgeteld. (Veelvuldige vervreemding, verkoop, veelvuldige verkoop, Steuart. Veeleer moet dit alles, opdat de prijzen enige regelmaat zouden vertonen, continuïteit hebben.) Maar het punt dat we willen maken is: de verhouding van het goud tot de waren, voor zover het als meeteenheid gedefinieerd is, wordt bepaald door de ruilhandel, de directe ruilhandel; hetzelfde geldt voor de verhouding van alle andere waren tot elkaar. In de ruilhandel echter is het product alleen op zich ruilwaarde; het is de eerste manifestatie ervan; maar het product is nog geen ruilwaarde. Ten eerste beheerst dit karakter nog niet de gehele productie, maar betreft het slechts de overtolligheid ervan en is dus zelf min of meer overtollig (zoals de ruil zelf); een toevallige uitbreiding van de sfeer van bevredigingen, genoegens (met betrekking tot nieuwe objecten). Zij komt dus slechts op enkele plaatsen voor (oorspronkelijk daar waar de natuurlijke gemeenschap eindigt, in hun contact met vreemden), is beperkt tot een kleine kring en vormt iets dat de productie passeert, iets bijkomstigs; zij verdwijnt even toevallig als zij ontstaat. De ruilhandel, waarbij het overtal van de eigen productie toevallig wordt geruild tegen een vreemde productie, is slechts het eerste fenomeen van het product als ruilwaarde in het algemeen, het wordt bepaald door toevallige behoeften, lusten, enz. Maar indien voortgezet, indien zij een voortdurende handeling wordt, die in zichzelf de middelen bevat voor haar voortdurende herhaling, dan zou, evenals van buitenaf, toevallig, de regeling van de wederkerige ruil door de regeling van de wederkerige productie geleidelijk haar intrede doen, en de productiekosten, die tenslotte oplossen in de arbeidstijd, die zouden aldus de graadmeter van de ruil worden. Dit toont aan hoe de ruil tot stand komt, en wat de ruilwaarde van de waren is.

Maar de omstandigheden waaronder een verhouding zich voor het eerst voordoet, tonen ons niet hetzelfde, noch in zijn zuiverheid, noch in zijn totaliteit. Een product als ruilwaarde, wordt in wezen niet meer bepaald als ongecompliceerd; het wordt bepaald in een kwaliteit die verschilt van zijn natuurlijke kwaliteit; het wordt vastgesteld als een verhouding, en deze verhouding is algemeen, niet voor één waar, maar voor elke waar, voor elk mogelijk product. Het drukt dus een algemene verhouding uit; het product, dat zich tot zichzelf verhoudt als de realisatie van een zekere hoeveelheid algemene arbeid, van maatschappelijke arbeidstijd, het is in dit opzicht het equivalent van elk ander product in de verhouding uitgedrukt in zijn ruilwaarde. Ruilwaarde veronderstelt maatschappelijke arbeid als de substantie van alle producten, geheel afgezien van hun natuurlijkheid. Niets kan een verhouding uitdrukken zonder er zich tot te verhouden; en er is geen algemene verhouding zonder zich te verhouden tot het algemene. Aangezien arbeid beweging is, is tijd de natuurlijke graadmeter. De ruilhandel in zijn ruwste vorm gaat uit van de arbeid als substantie en de arbeidstijd als de graadmeter van de waren; die dan ook te voorschijn komt zodra zij geregulariseerd wordt en continu is, zij moet in zich de wederkerige voorwaarden van haar herhaling bevatten. –

De waar is slechts ruilwaarde voor zover het in een andere wordt uitgedrukt, d.w.z. als een verhouding. Een schepel tarwe is evenveel waard als een schepel rogge; in dit geval is de tarwe een ruilwaarde voor zover hij wordt uitgedrukt in rogge, en de rogge een ruilwaarde voor zover hij wordt uitgedrukt in tarwe. Voor zover elk van de twee alleen betrekking heeft op zichzelf, is het geen ruilwaarde. Welnu, in de verhouding waarin het geld als graadmeter verschijnt, wordt het zelf niet uitgedrukt als een verhouding, niet als ruilwaarde, maar als een natuurlijke hoeveelheid van een bepaalde materie, een natuurlijk gewicht van goud of zilver. In het algemeen wordt de waar waarin de ruilwaarde van een ander wordt uitgedrukt, nooit uitgedrukt als een ruilwaarde, nooit als een verhouding, maar als een bepaalde hoeveelheid in haar natuurlijke kwaliteit. Als 1 schepel tarwe 3 schepels rogge waard is, wordt alleen de schepel tarwe in waarde uitgedrukt, niet de schepel rogge. Op zich is het andere ook bepaald, 1 schepel rogge is 1/3 van een schepel tarwe; maar dit wordt niet gesteld, maar is slechts een tweede verhouding, weliswaar direct aanwezig in de eerste. Wanneer een waar wordt uitgedrukt in een andere, wordt het gesteld als een verhouding, de andere als een eenvoudig kwantum van een bepaalde materie. Drie schepels rogge zijn op zichzelf geen waarde; het is eerder rogge die een bepaald volume opvult, gemeten naar een inhoudsmaat.

Hetzelfde geldt voor geld als graadmeter, als de eenheid waarin de ruilwaarde van andere waren wordt gemeten. Het is een bepaald gewicht van de natuurlijke substantie waarin het is vertegenwoordigd, goud, zilver, enz. Als 1 schepel tarwe een prijs heeft van 77 sh. 7 d, dan wordt het uitgedrukt als iets anders, waaraan het gelijk is, als 1 ounce goud, als een verhouding, als ruilwaarde. Maar 1 ounce goud is op zichzelf geen ruilwaarde; niet uitgedrukt als ruilwaarde, maar als een bepaalde hoeveelheid van zichzelf, van zijn natuurlijke substantie, goud. Indien 1 schepel tarwe de prijs heeft van 77 sh. 7 d of van 1 ounce goud, kan dit een grotere of een kleinere waarde zijn, aangezien 1 ounce goud in waarde zal stijgen of dalen in verhouding tot de hoeveelheid aangewende arbeid voor de productie ervan. Dit is echter van geen tel voor zijn prijsbepaling als zodanig; want zijn prijs van 77 sh. 7 d drukt exact de verhouding uit waarin het equivalent is aan alle andere waren, die het kan kopen. De determinatie van de prijs, of de quarter nu 77 of 1,780 sh. is, dat valt buiten de prijsbepaling in het algemeen, d.w.z. het vaststellen van de tarweprijs. Een prijs heeft het, of het nu 100 of 1 sh. kost. De prijs drukt de ruilwaarde alleen uit in een eenheid die alle waren gemeen hebben; ervan uitgaande dat deze ruilwaarde reeds door andere verhoudingen wordt geregeld. Dat 1 quarter tarwe de prijs heeft van 1 ounce goud – daar goud en tarwe, als natuurlijke voorwerpen, geen verhouding tot elkaar hebben, als zodanig onmeetbaar zijn voor elkaar, van geen tel zijn tegenover elkaar – vindt men echter in het feit dat het ounce goud zelf in verhouding staat tot de arbeidstijd, nodig voor hun productie, en dat dus zowel tarwe als goud in een verhouding staan tot een derde, de arbeid, en in deze verhouding worden gelijkgesteld; dat dus beide als ruilwaarde met elkaar worden vergeleken. Maar dit toont ons slechts hoe de prijs van tarwe tot stand komt, de hoeveelheid goud waaraan het wordt gelijkgesteld. In deze verhouding zelf, waar het geld verschijnt als de prijs van tarwe, is het zelf niet weer een verhouding, als ruilwaarde, maar als een bepaald kwantum van een natuurlijke materie.

In de ruilwaarde worden de waren (producten) gesteld als een verhouding tot hun maatschappelijke substantie, de arbeid; maar als prijs worden zij uitgedrukt in hoeveelheden van andere producten volgens hun natuurlijke aard. Men kan echter zeggen dat de prijs van het geld ook wordt vastgesteld als 1 quarter tarwe, 3 quarter rogge, en alle andere hoeveelheden van de verschillende waren waarvan de prijs 1 ounce goud is. Maar dan zou, om de prijs van het geld uit te drukken, de gehele rij van waren moeten worden opgesomd, elk in de hoeveelheid waarin het gelijk is aan 1 ounce goud. Geld zou dus evenveel prijzen hebben als er waren zijn waarvan het zelf de prijs zou uitdrukken. De belangrijkste determinant van de prijs, de eenheid, zou ophouden te bestaan. Geen enkele waar zou de prijs van geld uitdrukken, omdat geen enkele waar zijn verhouding tot alle andere waren zou uitdrukken, zijn algemene ruilwaarde. Maar het is het specifieke van de prijs dat de ruilwaarde zelf moet worden uitgedrukt in haar algemeenheid en toch van een specifieke waar. Maar zelfs dit maakt niets uit. Voor zover geld verschijnt als materie, waarin de prijs van alle waren wordt uitgedrukt, gemeten worden, is het geld zelf bepaald als een bepaald kwantum van goud, zilver, enz., kortom van zijn natuurlijke materie; eenvoudig een hoeveelheid van een bepaalde materie, niet zelf als ruilwaarde, als een verhouding. Elke waar waarin een andere waar als prijs wordt uitgedrukt, wordt dus niet zelf als ruilwaarde geponeerd, maar als een eenvoudige hoeveelheid van zichzelf. Bij de bepaling van het geld als eenheid van de ruilwaarden, als hun graadmeter, hun algemeen vergelijkingspunt, blijkt zijn natuurlijke materie, goud, zilver, essentieel, in die zin dat het als prijs van de waar geen ruilwaarde is, geen verhouding, maar een zeker gewicht aan goud, zilver; bv. een pond, met zijn onderverdelingen, en zo verschijnt geld oorspronkelijk ook als een pond, aes grave. Dit is nu juist wat de prijs onderscheidt van de ruilwaarde, en wij hebben gezien dat de ruilwaarde noodzakelijkerwijs de prijs bepaalt. Vandaar de onzin van hen die de arbeidstijd als zodanig tot geld maken, d.w.z. die het verschil tussen prijs en ruilwaarde wel en niet willen bepalen.

Geld als graadmeter, als element van prijsbepaling, als meeteenheid van ruilwaarden, geeft dus het fenomeem dat het 1. slechts vereist is als denkbeeldige eenheid zodra de ruilwaarde van een ounce goud tegen een bepaalde waar is vastgesteld; dat zijn echte bestaan overbodig is en des te meer de beschikbare hoeveelheid; als waarde-indicator is de hoeveelheid waarin het in een land bestaat onverschillig; slechts als rekeneenheid is het nodig; 2. dat, terwijl het slechts ideëel hoeft te worden vastgesteld, en inderdaad, als de warenprijs, daarin slechts ideëel is vastgesteld, zij tegelijkertijd, als een eenvoudig kwantum van de natuurlijke substantie waarin het wordt voorgesteld, als een bepaald gewicht aan goud, zilver, enz., dat als eenheid wordt aangenomen, het punt van vergelijking, de eenheid, de maat. De ruilwaarden (waren) worden in het hoofd omgezet in bepaalde gewichten van goud of zilver en ideëel gesteld als = dit verbeelde kwantum goud, enz.; als de uitdrukking daarvan.

Maar als wij nu overgaan tot de tweede bepaling van geld, als ruilmiddel en realisator van de prijzen, dan hebben wij gezien dat het in een bepaalde hoeveelheid aanwezig moet zijn; dat het gewicht van goud of zilver dat als eenheid is vastgesteld, in een bepaalde hoeveelheid nodig is om aan deze bepaling te voldoen. Als enerzijds de som van de te realiseren prijzen gegeven is, die afhangt van de prijs van een bepaalde waar vermenigvuldigd met de hoeveelheid ervan, en anderzijds de snelheid van de geldomloop, is een bepaalde hoeveelheid van het circulatiemiddel vereist. Maar als wij nu de oorspronkelijke vorm, de onmiddellijke vorm waarin de circulatie zich voordoet, W-G-G-W, nader beschouwen, verschijnt het geld daarin zuiver als ruilmiddel. De waren worden geruild tegen waren, en geld verschijnt slechts als ruilmiddel. De prijs van de eerste waar wordt in geld gerealiseerd om met het geld de prijs van de tweede waar te realiseren en deze dus voor de eerste te verkrijgen. Nadat de prijs van de eerste waar is gerealiseerd, is het niet de bedoeling van degene die nu zijn prijs in geld heeft ontvangen, om de prijs van de tweede waar te ontvangen, maar hij betaalt de prijs ervan om de waar te hebben. In wezen heeft het geld hem dus slechts gediend om de eerste waar te ruilen tegen de tweede. Als louter circulatiemiddel heeft geld geen ander doel. De man die zijn waar heeft verkocht en geld heeft gekregen, wil een andere waar kopen, en de man van wie hij die koopt, heeft het geld nodig om een andere waar te kopen enz. In deze bepaling als zuiver circulatiemiddel bestaat de bepaling van het geld zelf slechts in deze circulatie, die het tot stand brengt doordat de hoeveelheid ervan vooraf bepaald is; zijn aantal. Hoe vaak het zelf als eenheid in de waren aanwezig is, is vooraf bepaald in hun prijzen, en als instrument van circulatie verschijnt het slechts als het getal van deze veronderstelde eenheid. Voor zover het de prijs van waren realiseert, wordt de waar geruild tegen zijn reële equivalent in goud en zilver; zijn ruilwaarde wordt werkelijk uitgedrukt in een andere waar, geld; maar voor zover dit proces plaatsvindt om geld weer om te zetten in waren, dat wil zeggen om de eerste waar te ruilen voor de tweede, verschijnt het geld slechts om [terug] te verdwijnen, en zijn substantie bestaat enkel hierin, dat het voortdurend verschijnt om [terug] te verdwijnen, als drager van de bemiddeling. Geld als circulatiemiddel is slechts een circulatiemiddel. De enige bepaling, noodzakelijk om in deze hoedanigheid te kunnen functioneren, is die van de hoeveelheid of het aantal waarin het circuleert. (Aangezien het aantal ook door de snelheid wordt bepaald, behoeft dit hier niet speciaal te worden vermeld). Voor zover het de prijs realiseert, is het materiële bestaan als goud en zilver essentieel; maar voor zover deze realisatie slechts verdwijnend is en zichzelf opheft, is het irrelevant. Het is slechts een schijn, alsof het erom gaat de waar in te ruilen tegen goud of zilver als bijzondere waar: een schijn die verdwijnt zodra het proces is beëindigd, zodra goud en zilver weer zijn geruild tegen een waar, en de waar dus weer is geruild tegen een andere. Het karakter van goud en zilver als loutere circulatiemiddelen, of het karakter van het circulatiemiddel als goud en zilver, is derhalve irrelevant voor hun specifieke natuurlijke waren.

Stel dat de totale prijs van de circulerende waren = 10.000 talers. Hun maat is dan 1 taler = x gewicht aan zilver. Nu zijn er 100 talers nodig om deze waren in 6 uur te laten circuleren; d.w.z. dat elke taler de prijs van 100 talers in 6 uur betaalt. Wat nu essentieel is, is dat er 100 talers aanwezig zijn, het bedrag van 100 van de metalen eenheid die de som van de warenprijzen meet; 100 van deze eenheden. Dat deze eenheden uit zilver bestaan, dat maakt niets uit voor het proces zelf. Dit blijkt reeds uit het feit dat de ene taler in de omloop van de circulatie een hoeveelheid zilver vertegenwoordigt die 100 maal groter is dan wat er in reële termen is, hoewel het bij een gegeven omloop slechts het gewicht aan zilver van 1 taler vertegenwoordigt. In zijn geheel beschouwd vertegenwoordigt 1 taler in omloop dus 100 taler, een 100 maal groter gewicht aan zilver dan het in werkelijkheid bevat. Het is in feite slechts een aanduiding van het gewicht aan zilver dat in 100 talers zit. Het realiseert een prijs die 100 keer groter is dan het werkelijk realiseert, beschouwd als een kwantum zilver. Stel bv. dat het £ = 1/3 ounce goud (het is niet zoveel). Voor zover de prijs van een waar met £1 wordt betaald, d.w.z. de prijs ervan met £1 wordt gerealiseerd, het tegen £1 wordt ingewisseld, is het doorslaggevend dat het £ werkelijk 1/3 ounce goud bevat. Als het een vals £ was, samengesteld uit onedel metaal, een £ alleen in schijn, zou de prijs van de waar inderdaad niet gerealiseerd worden; om hem te realiseren zou hij betaald moeten worden in evenveel onedel metaal als = 1/3 ounce goud.

Beschouwd volgens dit afgezonderde moment van de circulatie, is het dus van essentieel belang dat de munteenheid werkelijk een bepaalde hoeveelheid goud en zilver vertegenwoordigt. Maar als we de gehele circulatie nemen, als een samenhangend proces: W-G-G-W, ligt de zaak anders. In het eerste geval zou de realisering van de prijs slechts schijn zijn: slechts een deel van de prijs zou worden gerealiseerd. De ideëel gestelde prijs zou niet reëel worden gesteld. De waar, ideëel gesteld = zoveel delen goudgewicht, zou in de werkelijke ruil niet zoveel delen goud tegen zichzelf ruilen. Maar als een vals £ voor een echte in omloop zou worden gebracht, zou dat de circulatie absoluut dezelfde dienst bewijzen als was het een echt £. Als een waar A tegen de prijs van £1 wordt geruild tegen 1 vals pond, en dit valse pond wordt weer geruild tegen de waar B van £1, heeft het valse pond absoluut dezelfde dienst bewezen als ware het een echt pond. In dit proces is het reële pond in feite niet meer dan een symbool, in zoverre dat niet het moment waarop het de prijzen tot stand brengt in aanmerking wordt genomen, maar het gehele proces, waarin het slechts dient als circulatiemiddel, en waarin de realisatie van de prijzen slechts een schijn is, een verdwijnende bemiddeling. Hier dient het pond goud alleen om de waar A te ruilen tegen de waar B van dezelfde prijs. De werkelijke verwezenlijking van de prijs van de waar A is hier de waar B, en de werkelijke realisatie van de prijs B is de waar A of C of D, wat naar vorm hetzelfde is voor de verhouding, het bijzondere van de waar doet er volstrekt niet toe. Waren van gelijke prijs worden geruild. In plaats van de waar A rechtstreeks te ruilen met de waar B, wordt de prijs van de waar A geruild met de waar B en wordt de prijs van de waar B geruild met de waar A.

Het geld stelt zo de waar tegenover de prijs. De waren worden tegen hun prijs tegen elkaar geruild. De prijs van de waar drukt ideëel uit dat het gaat om een hoeveelheid van een bepaalde natuurlijke eenheid (gewichtseenheden) goud of zilver, van het materiaal waarin het geld is belichaamd. In geld, of de gerealiseerde prijs, komt er nu een reëel aantal van deze eenheid tegenover te staan. Maar voor zover de verwezenlijking van de prijs niet het einde is, en het er niet om gaat de prijs van de waar als prijs te hebben, maar de prijs van een andere waar, maakt het materiaal van het geld, bv. goud en zilver, geen verschil. Het geld wordt het subject als een circulatiemiddel, als een ruilmiddel, en de natuurlijke materie waarin het wordt voorgesteld verschijnt als een toeval waarvan de betekenis verdwijnt in de ruilhandeling; want het is niet in dit materiaal dat de waar, dat tegen geld wordt geruild, uiteindelijk tot stand komt, maar in het materiaal van de andere waar. Want wij hebben nu, naast de momenten, dat in de circulatie, 1. het geld de prijzen realiseert, 2. eigendomstitels circuleren, 3. dat door middel daarvan, dat gebeurt wat niet rechtstreeks kon gebeuren, dat de ruilwaarde van de waar wordt uitgedrukt in elke andere waar. Als een el linnen 2 sh. kost en een pond suiker 1 sh., dan wordt de el linnen door middel van de 2 sh. in 2 pond suiker gerealiseerd; de suiker wordt dus omgezet in de materie van zijn ruilwaarde, in de materie waarin zijn ruilwaarde wordt gerealiseerd.

Als louter circulatiemiddel, in zijn rol in het circulatieproces als constante stroom, is geld noch de maat van de prijzen, want als zodanig is het reeds vastgelegd in de prijzen; noch het middel om de prijzen te realiseren, want als zodanig bestaat het al in dat ene circulatiemoment, maar verdwijnt het in het geheel van de momenten; maar het is de loutere vertegenwoordiger van de prijs tegenover alle waren en dient slechts als middel om de waren tegen gelijke prijzen te kunnen ruilen. Het wordt geruild tegen die ene waar omdat het de algemene vertegenwoordiger is van zijn ruilwaarde en als zodanig de vertegenwoordiger van elke andere waar van gelijke ruilwaarde is, algemene vertegenwoordiger is, en als zodanig is het zelf in omloop. Het vertegenwoordigt de prijs van de ene waar ten opzichte van alle andere waren, of de prijs van alle waren ten opzichte van de ene waar. In deze verhouding is het niet alleen de representant van de warenprijzen, maar het symbool van zichzelf; d.w.z. in de handeling van de circulatie zelf is zijn materiaal, goud en zilver, niet van belang. Het is de prijs; het is een bepaalde hoeveelheid goud of zilver; maar voor zover deze werkelijkheid van de prijs hier slechts een verdwijnende is, een die voorbestemd is om voortdurend te verdwijnen, opgeheven te worden, niet te gelden als een definitieve verwezenlijking, maar voortdurend als een tussenpersoon, een bemiddelaar; in zoverre het hier helemaal niet gaat om de verwezenlijking van de prijs, maar om de verwezenlijking van de ruilwaarde van een bepaalde waar in het materiaal van een andere waar, is zijn eigen materiaal onverschillig, verdwijnt het als de verwezenlijking van de prijs, omdat deze zelf verdwijnt; het is dus, voor zover het in deze voortdurende beweging is, slechts de vertegenwoordiger van de ruilwaarde, die pas reëel wordt doordat de reële ruilwaarde voortdurend de plaats van zijn vertegenwoordiger inneemt, voortdurend met hem van plaats verandert, zich voortdurend met hem wisselt. In dit proces is de realiteit dus niet dat zij de prijs is, maar dat zij hem vertegenwoordigt, zijn vertegenwoordiger is; objectief bestaande vertegenwoordiger van de prijs, dus van zichzelf, en als zodanig van de ruilwaarde van de waren. Als ruilmiddel realiseert zij de prijzen van de waren alleen om de ruilwaarde van de ene waar in de andere als haar eenheid te stellen, om haar ruilwaarde in de andere waar te realiseren, d.w.z. om de andere waar als het materiaal van haar ruilwaarde te stellen.

Als zodanig is het alleen een materieel symbool in de circulatie; als het eruit wordt genomen is het weer een gerealiseerde prijs; binnen dit proces wordt echter, zoals we hebben gezien, de kwantiteit, het aantal van deze materiële symbolen van de monetaire eenheid in wezen bepaald. Terwijl dus in de circulatie, waarin het geld verschijnt als een bestaand ding ten opzichte van de waren, zijn materiële substantie, zijn substraat als een bepaalde hoeveelheid goud en zilver, onverschillig is, terwijl daarentegen zijn aantal wezenlijk bepaald is, omdat het dus slechts een symbool is van een bepaald aantal van deze eenheid, was in zijn bepaling als graadmeter waarin het slechts ideëel gebruikt werd, zijn materiële substraat wezenlijk, maar zijn hoeveelheid en zijn bestaan [was] in het algemeen onverschillig. Hieruit volgt dat geld als goud en zilver, voor zover het alleen zijn rol als ruil- en circulatiemiddel betreft, kan worden vervangen door elk ander symbool dat een bepaalde hoeveelheid van zijn eenheid uitdrukt, en dat op deze manier symbolisch geld het echte kan vervangen, omdat materieel geld als louter ruilmiddel zelf symbolisch is.

Het zijn deze tegenstrijdige functies van het geld als graadmeter, als realisatie van de prijzen en als ruilmiddel, die het anders onverklaarbare verschijnsel verklaren, dat wanneer het metaalgeld, goud, zilver, door toevoeging van een lager staand metaal vervalst wordt, het geld in waarde vermindert en de prijzen stijgen; want in dit geval is de graadmeter van de prijzen niet meer de productiekost van het ounce goud, maar van het ounce dat voor 2/3 met koper enz. vermengd is (de muntvervalsingen, voor zover zij slechts bestaan in het veranderen of vervalsen van de benamingen van de aliquote gewichtsdelen van het edele metaal, bv. indien vroeger 1/4 van een ounce 1 soeverein werd genoemd en nu 1/8, dan drukt de prijs van 1 soeverein nu slechts 1/8 ounce goud uit; er zijn dus (ongeveer) 2 soevereinen nodig om dezelfde prijs uit te drukken die vroeger door 1 soeverein werd uitgedrukt); of in het geval van loutere vervalsing van de namen van de aliquote delen van het edelmetaal, is de maat dezelfde gebleven, maar is het aliquote deel uitgedrukt in tweemaal zoveel franken enz. als voorheen; indien daarentegen het substraat van het geld, goud, zilver, geheel wordt opgeheven en vervangen door papier met het symbool van een bepaalde hoeveelheid echt geld, in de hoeveelheid die nodig is voor de circulatie, circuleert het papier tegen de volle waarde van het goud en zilver. Omdat in het eerste geval, het circulatiemiddel tegelijk het materiaal is van het geld als graadmeter, plus het materiaal waarin de prijs definitief wordt gerealiseerd; in het tweede geval, omdat het geld alleen in zijn rol van circulatiemiddel bestaat.

Een voorbeeld van de onbehouwen verwarring van de tegenstrijdige functies van het geld:

“De prijs wordt precies bepaald door de hoeveelheid beschikbaar geld om het te kopen. Alle waren in de wereld kunnen niet meer opbrengen dan al het beschikbare geld in de wereld.”

In de eerste plaats heeft het bepalen van een prijs niets te maken met de werkelijke verkoop; daarin is geld slechts een graadmeter. Ten tweede kunnen alle waren (in de circulatie) duizendmaal meer geld opbrengen dan er in de wereld is, als elk geldstuk duizend maal in omloop zou zijn. (Het citaat komt uit de London Weekly Dispatch, 8 nov. [1857].)

Aangezien de totale som van de prijzen in de circulatie verandert met de prijzen van de waren in omloop en hun hoeveelheid; daar anderzijds de snelheid van de in omloop zijnde circulatiemiddelen eveneens wordt bepaald door onafhankelijke omstandigheden, moet de hoeveelheid van het circulatiemiddel kunnen veranderen, kunnen uitbreiden en inkrimpen – concentratie en expansie van de circulatie.

Als circulatiemiddel kan van geld worden gezegd dat het ophoudt een waar (speciale waar) te zijn, in die zin dat het materiaal om het even is en het alleen de ruilbehoefte bevredigt, en geen andere onmiddellijke behoefte: goud en zilver houden op een waar te zijn zodra zij als geld circuleren. Aan de andere kant kan men zeggen dat het niet meer is dan een waar (algemene waar), een waar in een zuivere vorm, onverschillig voor haar natuurlijke bijzonderheid en dus onverschillig voor alle onmiddellijke behoeften, zonder enige natuurlijke relatie tot een bijzondere behoefte als zodanig. De voorstanders van het monetaire systeem, zelfs tot op zekere hoogte van het protectionistische systeem (zie bv. Ferrier, p. 2) hangen het eerste aspect aan, de moderne economen het tweede; bv. Say, die zegt dat geld behandeld moet worden als een “specifieke” waar, een waar zoals elk ander. ... Als ruilmiddel verschijnt geld als een noodzakelijke bemiddelaar tussen productie en consumptie. In het ontwikkelde geldsysteem produceert men alleen om te ruilen, of produceert men alleen door te ruilen. Als het geld zou worden afgeschaft, zou men ofwel worden teruggeworpen op een lager productieniveau (waarmee de ruilhandel overeenkomt), ofwel overgaan naar een hoger niveau, waar de ruilwaarde niet langer het belangrijkste van de waar zou zijn, omdat de algemene arbeid, waarvan zij de vertegenwoordiger is, niet langer zou verschijnen als een maatschappelijk bemiddelde particuliere arbeid.

De vraag of geld als circulatiemiddel productief of niet-productief is, wordt net zo gemakkelijk opgelost. Volgens Adam Smith is geld onproductief. Nu zegt Ferrier:

“Het creëert waarde, want zonder dat zouden ze niet bestaan.” [p. 52.]

Men moet niet alleen kijken naar

“zijn waarde als metaal, maar net zo goed zijn eigenschap als geld.” [p. 18.]

A. Smith heeft gelijk voor zover het niet het instrument is van een bepaalde bedrijfstak; Ferrier heeft gelijk omdat er één moment van de algemene productie gebaseerd is op de ruilwaarde, en het product en de productie-agent zich situeren in het geld als doel, en dit doel maakt geld verschillend aan het product; daar de geldverhouding een productieverhouding is, als wij kijken naar de productie in haar totaliteit.

Voor zover W-G-G-W wordt opgesplitst in zijn twee momenten, hoewel de prijzen van de waren worden verondersteld (en dit maakt het grootste verschil), valt de circulatie uiteen in twee handelingen van rechtstreekse ruil. W-G: de ruilwaarde van de waar wordt uitgedrukt in een andere, bijzondere waar, het geldmateriaal, zoals dat van het geld in de waar; evenzo in G-W. In dit opzicht heeft A. Smith gelijk wanneer hij zegt dat geld als ruilmiddel slechts een gecompliceerdere vorm van ruilhandel is. Maar voor zover het gehele proces wordt beschouwd, en niet beide als handelingen zonder verschil, dat de waar in geld wordt gerealiseerd en geld in de waar, hebben de tegenstanders van A. Smith gelijk als zij zeggen dat hij de aard van het geld verkeerd heeft begrepen en dat de geldcirculatie de ruilhandel verdringt; in die zin dat geld alleen dient om de “rekenkundige verdeling” die voortvloeit uit de arbeidsdeling, in balans te brengen. Deze “rekenkundige cijfers” behoeven even weinig van goud en zilver gemaakt te zijn als de lengtematen. (Zie Solly, p. 20)

Waren worden eetwaren [marchandise denrées], worden geconsumeerd; geld als circulatiemiddel doet dat niet; het houdt op geen enkel moment op een waar te zijn zolang het een circulatiemiddel blijft.

Wij gaan nu over tot de derde geldfunctie, die allereerst voortvloeit uit de tweede circulatievorm:
G-W-W-G; waarin geld niet alleen verschijnt als een middel, noch als een graadmeter, maar als een doel op zich en daarom uit de circulatie te voorschijn komt op dezelfde wijze als een bijzondere waar, die de circulatie voltooide en marchandise denrées [vervallen eetwaren] is geworden.

Vooraf zij opgemerkt dat, uitgaande van de vaststelling van het geld als een immanente productieverhouding die in het algemeen op de ruilwaarde berust, nu ook zijn dienst als productie-instrument in de afzonderlijke aspecten kan worden getoond.

“Het nut van goud en zilver berust op het feit dat ze arbeid vervangen.” (Lauderdale, p. 11)

Zonder geld zou een massa ruilingen nodig zijn voordat men het gewenste artikel in ruil zou krijgen. Bovendien zou men bij elke bijzondere ruil een onderzoek moeten doen naar de relatieve waarde van de waren. Het eerste spaart geld als ruilmiddel (handelsinstrument); het laatste als waardemeter en representant voor alle waren. (idem, l.c.) De tegenovergestelde bewering, dat geld niet productief is, komt er alleen op neer dat het, afgezien van de functies waarin het productief is, als graadmeter, circulatie-instrument en waardevertegenwoordiger, niet productief is; dat zijn hoeveelheid alleen productief is voor zover zij nodig is om aan deze voorwaarden te voldoen. Dat het niet alleen onproductief wordt, maar ook faux frais de production [bijkomende productiekost], zodra er meer van wordt gebruikt dan nodig is voor dit productieve doel ervan, is een waarheid die geldt voor elk ander productie- of ruilinstrument; voor de machine zowel als voor het transportmiddel. Maar als men bedoelt dat met geld alleen bestaande reële rijkdom wordt geruild, dan is dat onjuist, want er wordt ook arbeid tegen geruild en gekocht, de productieve activiteit zelf, [is] potentiële rijkdom.

De derde functie van het volledig ontwikkelde geld veronderstelt de eerste twee en vormt hun eenheid. Geld heeft dus een zelfstandig bestaan naast de circulatie; het is eruit gestapt. Als een bijzondere waar kan het van zijn geldvorm veranderd worden in luxe voorwerpen, gouden en zilveren sieraden (zolang het ambacht zeer eenvoudig is, bv. in de oude Engelse periode, was er een voortdurende omzetting van zilvergeld in serviezen en omgekeerd, zie Taylor) of het kan worden geaccumuleerd als geld en zo een schat vormen. Voor zover geld in zijn zelfstandig bestaan voortkomt uit de circulatie, verschijnt het in zichzelf als het resultaat van de circulatie; het sluit de cirkel met zichzelf door de circulatie. Hier ligt reeds zijn roeping als kapitaal latent besloten. Als ruilmiddel wordt het genegeerd. Maar omdat het historisch gezien als meetmiddel kan worden voorgesteld voordat het als ruilmiddel verschijnt, en als ruilmiddel kan verschijnen voordat het als meetmiddel wordt gezien – in het laatste geval zou het slechts als geprefereerde waar bestaan – kan het daarom ook historisch gezien in de derde functie verschijnen voordat het in de twee voorafgaande wordt verondersteld. Maar goud en zilver kunnen alleen als geld worden geaccumuleerd als zij reeds aanwezig zijn in een van de twee functies, en in de derde functie kan het alleen ontwikkeld voorkomen als het ontwikkeld is in de twee eerdere functies. De accumulatie ervan is anders alleen de accumulatie van goud en zilver, niet van geld.

(Een bijzonder interessant voorbeeld is de accumulatie van kopergeld in de eerste perioden van de Romeinse republiek.) Voor zover het geld, als universele materiële representant van rijkdom, voortkomt uit de circulatie en als zodanig zelf het product is van de circulatie, die tegelijkertijd een ruil is in een hogere potentie en een speciale vorm van ruil, staat het ook in deze derde functie in verhouding tot de circulatie; het staat er onafhankelijk tegenover, maar deze zelfstandigheid is slechts het eigen proces. Het komt er net zo goed vandaan als dat het weer teruggaat. Zonder die verbanden zou het geen geld zijn maar een eenvoudig natuurlijk voorwerp, goud en zilver. In deze functie is zij evenzeer haar voorwaarde als haar resultaat. Haar zelfstandigheid is niet het einde van alle banden met de circulatie, maar een negatieve relatie tot de circulatie. En deze zelfstandigheid is het resultaat van G-W-W-G. In het geval van geld als kapitaal is het op zichzelf 1. voorwaarde voor de circulatie en het resultaat ervan; 2. dat de zelfstandigheid daarom zelf een negatieve verhouding is, maar altijd met betrekking tot de circulatie; 3. dat het zelf een productie-instrument is, in die zin dat de circulatie niet langer in zijn allereerste eenvoud verschijnt als een kwantitatieve ruil, maar als een proces van productie, als een werkelijk metabolisme. En zo wordt geld zelf gedefinieerd als een speciaal moment van dit productieproces. Bij de productie gaat het niet alleen om de eenvoudige prijsbepaling, d.w.z. om het omzetten van de ruilwaarden van de waren in een gemeenschappelijke eenheid, maar om het scheppen van ruilwaarden, dus ook om het scheppen van de prijsbepaling. Het gaat niet alleen om de vorm, maar ook om de inhoud. Als in de eenvoudige circulatie het geld in het algemeen productief lijkt, in zoverre de circulatie in het algemeen zelf een moment is in het productiesysteem, dan is dit nog alleen voor ons, nog niet aanwezig in het geld. 4. Als kapitaal verschijnt het geld dus ook als een verhouding tot zichzelf door middel van de circulatie in de verhouding van rente en kapitaal. Maar hier hebben we nog niet te maken met deze definities, maar moeten we het geld gewoon beschouwen zoals het in zijn derde verband is ontstaan, als onafhankelijk van de circulatie, eigenlijk van zijn twee eerdere definities.

(“Een toename van geld is een toename van het betaalmiddel.” Sismondi.

Dit is juist voor zover het bedoeld is als louter ruilmiddel. In de andere hoedanigheid is het ook een toename van het betaalmiddel).

“De handel heeft schaduw en lichaam gescheiden en de mogelijkheid geïntroduceerd ze apart te bezitten.” (Sismondi.) [p. 300]

Het geld is nu de zelfstandige ruilwaarde (als zodanig verschijnt het als ruilmiddel altijd om toch te verdwijnen) in zijn algemene vorm. Het bezit een bijzondere lichamelijkheid of substantie, goud en zilver, en dit is wat het zijn zelfstandigheid geeft, want wat in een ander existeert als een functie of relatie is niet zelfstandig. Aan de andere kant vertegenwoordigt het in [geld] deze lichamelijke zelfstandigheid als goud en zilver niet alleen de ruilwaarde van de ene waar ten opzichte van de andere, maar de ruilwaarde ten opzichte van alle waren, en terwijl het zelf een substantie bezit, verschijnt het tegelijkertijd in zijn bijzondere bestaan als goud en zilver als de algemene ruilwaarde van de andere waren. Aan de ene kant is het geobsedeerd als hun ruilwaarde; zij staan aan de andere kant slechts als zovele bijzondere substanties van ruilwaarde, zodat het zichzelf ofwel door middel van ruil in elk van deze substanties kan veranderen, ofwel onverschillig tegenover hen kan blijven, zich afzijdig houdend van hun bijzonderheid en eigenaardigheid. Zij [goud en zilver] zijn dus slechts toevallige existenties. Het is de “précis de toutes les choses [De belichaming van alle dingen]” waarin hun bijzonder karakter vervaagt; de algemene rijkdom als een beknopt compendium tegenover de uitbreiding en fragmentering in de wereld van de waren. Terwijl rijkdom in de vorm van een bepaalde waar verschijnt als een van de momenten van diezelfde waar, of de waar als een van de momenten van rijkdom; in de vorm van goud en zilver verschijnt de algemene rijkdom zelf als geconcentreerd in een bepaalde materie. Elke bijzondere waar, voor zover ze ruilwaarde is, een prijs heeft, drukt zelf slechts een zekere hoeveelheid geld uit in onvolmaakte vorm, want het moet eerst in omloop worden gebracht om te realiseren, en door zijn bijzonderheid blijft het toevallig of het al dan niet wordt gerealiseerd. Voor zover zij echter niet als prijs, maar in haar natuurlijke eigenschap wordt gerealiseerd, is zij een moment van rijkdom door haar relatie tot een bepaalde behoefte die zij bevredigt; en in deze verhouding 1. drukt zij slechts de rijkdom van het gebruik uit [Gebrauchsreichtum], 2. slechts een zeer bijzondere kant van deze rijkdom. Geld daarentegen is, afgezien van zijn bijzonder nut als waardevol goed, 1. de gerealiseerde prijs; 2. het bevredigt elke behoefte, voor zover het kan worden geruild tegen een voorwerp voor elke behoefte, ongeacht enige bijzonderheid. De waar bezit deze eigenschap alleen uit hoofde van het geld. Geld bezit deze eigenschap rechtstreeks ten opzichte van alle waren, dus ten opzichte van de hele wereld van rijkdom, rijkdom als zodanig. In geld is de algemene rijkdom niet alleen een vorm, maar tegelijk de inhoud. Het begrip rijkdom wordt als het ware geïndividualiseerd in een bepaald voorwerp.

Het hoofdstuk over geld (vervolg)

In de afzonderlijke waar, als zij een prijs heeft, is de rijkdom voorgesteld als een ideële nog niet gerealiseerde vorm; voor zover zij een gebruikswaarde heeft, vertegenwoordigt zij slechts een heel geïsoleerde kant ervan. In geld daarentegen wordt de prijs gerealiseerd, en de essentie ervan is de rijkdom zelf, zowel in de abstractie van haar afgezonderde bestaan als in haar totaliteit.

Ruilwaarde moddelleert de essentie van het geld, en ruilwaarde is de rijkdom. Geld is dus ook de belichaamde vorm van rijkdom in verhouding tot alle bijzondere zaken waaruit het bestaat. Daarom is in het geld op zich beschouwd, enerzijds de vorm en de inhoud van de rijkdom identiek, anderzijds, in tegenstelling tot alle andere waren, is het de algemene vorm van de rijkdom in verhouding tot die waren, terwijl de totaliteit van die afzonderlijke waren de inhoud ervan vormt. Als geld, volgens de eerste functie de rijkdom zelf is, dan is het volgens de tweede, de algemene materiële vertegenwoordiger ervan. In het geld zelf bestaat deze totaliteit als de ingebeelde belichaming van de waren. Rijkdom (ruilwaarde als totaliteit, zowel als abstractie) bestaat dus alleen, met uitsluiting van alle andere waren, als zodanig geïndividualiseerd, in goud en zilver, als een concreet voorwerp. Geld is dus de god onder de waren.

Als geïsoleerd concreet voorwerp kan geld dus bij toeval gezocht, gevonden, gestolen, ontdekt worden, en kan de algemene rijkdom een concreet individueel bezit worden. Vanuit zijn dienende vorm, waarin het slechts een circulatiemiddel is, wordt het plotseling heerser en god in de wereld van de waren. Het vertegenwoordigt het hemelse bestaan van waren, terwijl zij het aardse vertegenwoordigen. Voordat zij door de ruilwaarde wordt vervangen, veronderstelt elke vorm van natuurlijke rijkdom een wezenlijke relatie tussen het individu en de voorwerpen, waarin het individu in een van zijn aspecten zich concretiseert in het ding, zodat zijn bezit van het ding tegelijkertijd verschijnt als een bepaalde ontwikkeling van zijn individualiteit: rijkdom aan schapen, de ontwikkeling van het individu als herder, rijkdom aan graan, zijn ontwikkeling als landbouwer, enz. Geld daarentegen, als het individu van de algemene rijkdom, als zelf afkomstig uit de circulatie en alleen het algemene vertegenwoordigend, als slechts een maatschappelijk resultaat, veronderstelt geen individuele betrekking met zijn bezitter; het bezit is niet de ontwikkeling van een van de essentiële aspecten van zijn individualiteit, maar veeleer het bezit van het individualiteitloze, omdat deze maatschappelijke [verhouding] tegelijkertijd bestaat als een zintuiglijk, uitwendig object, dat mechanisch kan worden bemachtigd en dat net zo gemakkelijk weer verloren kan gaan. De relatie tot het individu verschijnt dus als zuiver toevallig; terwijl deze relatie tot een ding, dat in het geheel niet verbonden is met zijn individualiteit, hem tegelijkertijd, door het karakter van dat ding, algemene macht geeft over de maatschappij, over de wereld van genoegens, arbeid, enz. Het zou hetzelfde zijn als wanneer bijvoorbeeld de vondst van een steen mij, geheel onafhankelijk van mijn individualiteit, het bezit van alle wetenschappen zou geven. Het bezit van geld plaatst mij in dezelfde verhouding tot rijkdom (maatschappelijke rijkdom) als de steen der wijzen mij zou plaatsen in een verhouding tot de wetenschappen.

Geld is dus niet alleen een voorwerp van verlangen naar verrijking, maar het is er het voorwerp van. Het is in wezen auri sacra fames [die vervloekte honger naar goud]. De verslaving aan verrijking als zodanig, als een bijzondere vorm van drift, d.w.z. verschillend van het verlangen naar een bepaald soort rijkdom, bv. naar kleren, wapens, juwelen, vrouwen, wijn enz., dat is alleen mogelijk wanneer de algemene rijkdom, rijkdom als zodanig, geïndividualiseerd is in een bepaald ding, d.w.z. het geld in zijn derde functie. Geld is dus niet alleen het voorwerp, maar tegelijk de bron van hebzucht naar verrijking. Hebzucht is ook mogelijk zonder geld; hebzucht naar verrijking is zelf het product van een bepaalde maatschappelijke ontwikkeling, niet van nature in tegenstelling tot het historische. Vandaar de klaagzang van de antieken over geld als de bron van alle kwaad. Genotzucht, in zijn algemene vorm, en gierigheid zijn de twee merkwaardige vormen van geldzucht. Abstracte genotzucht veronderstelt een object dat [de] mogelijkheid van alle genoegens bevat. De abstracte genotzucht realiseert die functie van het geld, waarin het de materiële vertegenwoordiger van de rijkdom is; gierigheid, in zoverre het slechts de algemene vorm van rijkdom is vergeleken met de waren als zijn bijzondere substanties. Om het als zodanig in stand te houden moet het alle relaties met de objecten van bijzondere behoeften opgeven, afstand van nemen, om de behoefte van hebzucht naar geld als zodanig te bevredigen. De geldzucht of de zucht naar verrijking is noodzakelijkerwijs de ondergang van de oude gemeenschap. Derhalve is het eraan tegengesteld. Het is zelf de gemeenschap en kan niet dulden dat er iemand boven staat. Maar dit veronderstelt de volledige ontwikkeling van ruilwaarden, d.w.z. een organisatie van de maatschappij die daarmee overeenstemt.

Bij de antieken was de ruilwaarde niet de nexus rerum [dat wat dingen en mensen verbindt]; dat blijkt alleen het geval te zijn bij de handelsvolkeren, die echter alleen maar tussenhandel [carrying-trade] bedreven en zelf niet produceerden. Bij de Feniciërs, Carthagers enz. was dit bijzaak. Zij konden evengoed in de tussenruimten van de oude wereld leven als de Joden in Polen of in de middeleeuwen. Veeleer was deze wereld zelf de voorwaarde voor zulke handelsvolkeren. Ze ontbinden ook elke keer als ze in conflict komen met de antieke gemeenschap. Bij de Romeinen, Grieken, enz. verschijnt het geld eerst onbevangen in zijn twee eerste functies als graadmeter en als circulatiemiddel, waarin het in beide gevallen niet erg ontwikkeld is. Maar zodra ofwel hun handel enz. zich ontwikkelt, ofwel, zoals bij de Romeinen, het veroveren massaal geld opbrengt – kortom, plotseling, in een bepaald stadium van hun economische ontwikkeling, verschijnt het geld noodzakelijkerwijs in zijn derde functie, en hoe meer het zich daarin ontwikkelt, hoe meer de ondergang van hun gemeenschap. Om productief te zijn, moet geld in zijn derde functie, zoals we hebben gezien, niet alleen een voorwaarde zijn, maar evenzeer het resultaat van de circulatie, en moet het, als voorwaarde, zelf een moment ervan zijn, erdoor tot stand komen. Bij de Romeinen bv., die de hele wereld bestolen, was dat niet het geval.

Het ligt in het eenvoudige doel van het geld zelf, dat het als een ontwikkeld moment in de productie alleen daar kan bestaan, waar loonarbeid bestaat; dat het dus ook daar, verre van de maatschappelijke vorm op te heffen, veeleer een voorwaarde voor haar ontwikkeling is en een stuwende kracht voor de ontwikkeling van alle productiekrachten, materiële en geestelijke. Een enkel individu kan vandaag de dag nog steeds toevallig aan geld komen, en het bezit ervan kan dus net zo’n ontbindend effect op hem hebben als het had op de antieke gemeenschappen. Maar het opheffen van dit individu in de moderne maatschappij is op zichzelf slechts de verrijking van het productieve deel van de maatschappij. De eigenaar van geld, in de oude betekenis, wordt opgeheven door het industriële proces, dat hij dient tegen zijn weten en wil in. De ontbinding betreft alleen zijn persoon. Als materiële representant van de algemene rijkdom, als geïndividualiseerde ruilwaarde, moet geld meteen het voorwerp, doel en product zijn van de algemene arbeid, de arbeid van alle individuen. Arbeid moet direct ruilwaarde produceren, d.w.z. geld. Het moet dus loonarbeid zijn. Het verlangen naar verrijking, als drijfveer van allen, in die zin dat iedereen geld wil produceren, schept de algemene rijkdom. Alleen op die manier kan het algemene verlangen naar verrijking de bron worden van de algemene rijkdom, die zichzelf voortdurend opnieuw produceert. Aangezien arbeid loonarbeid is, is het doel ervan rechtstreeks geld, algemene rijkdom wordt als doel en object gesteld. (In dit verband te spreken over het antieke legersysteem, zodra het een huurlingenleger wordt). Geld als doel wordt hier een middel tot algemene activiteit. De algemene rijkdom wordt geproduceerd om de representanten ervan te bemachtigen. Zo worden de echte bronnen van rijkdom aangeboord. Aangezien het doel van de arbeid niet een bepaald product is dat in een bepaalde verhouding staat tot de bijzondere behoeften van het individu, maar geld, rijkdom in zijn algemene vorm, kent de activiteit van het individu allereerst geen grenzen; zij is onverschillig voor zijn bijzonderheid en neemt elke vorm aan die het doel dient; zij is vindingrijk in het scheppen van nieuwe objecten voor de maatschappelijke behoeften, enz.

Het is dus duidelijk dat met loonarbeid als basis, geld niet ontbindt, maar productief werkt; terwijl de antieke gemeenschap als zodanig in tegenspraak is met de loonarbeid als algemene basis. Een veralgemeende industrie is alleen mogelijk waar elke arbeid algemene rijkdom voortbrengt, en niet een bepaalde vorm daarvan; waar dus het loon van het individu ook geld is. Anders zijn alleen bijzondere ambachtskunsten mogelijk. Ruilwaarde als het onmiddellijke product van de arbeid is geld als het onmiddellijke product ervan. De onmiddellijke arbeid die de ruilwaarde als zodanig voortbrengt, is dus loonarbeid. Waar geld niet zelf de gemeenschap is, moet het de gemeenschap ontbinden. In de oudheid kon men arbeid, een slaaf, rechtstreeks kopen; maar de slaaf kon geen geld kopen met zijn arbeid. De toename van geld kon de slaven duurder maken, maar niet hun arbeid productiever. De negerslavernij – een zuiver industriële slavernij – die bovendien onverenigbaar is met de ontwikkeling van de burgerlijke maatschappij en daarmee verdwijnt, veronderstelt loonarbeid, en als er geen andere, vrije staten met loonarbeid naast zouden bestaan, als in plaats daarvan de negerstaten geïsoleerd zouden zijn, dan zouden alle maatschappelijke toestanden daar onmiddellijk veranderen in voorbeschaafde vormen.

Geld als geïndividualiseerde ruilwaarde en dus geïncarneerde rijkdom werd gezocht in de alchemie; het figureert in deze rol in het monetaire systeem. Het voorstadium van de ontwikkeling van de moderne industriële samenleving begint met de algemene hebzucht naar geld, zowel van individuen als van staten. De werkelijke ontwikkeling van de bronnen van rijkdom verloopt als het ware achter hun rug om, als een middel om de representant van rijkdom in handen te krijgen. Waar het niet uit de circulatie voortkomt, zoals in Spanje, maar in levende lijve moet worden gevonden, verarmt de natie, terwijl de naties, die moeten werken om haar van de Spanjaarden af te nemen, de bronnen van rijkdom ontwikkelen en werkelijk rijk worden. De ontdekking van goud in de nieuwe werelddelen, landen, speelt zo een belangrijke rol in de geschiedenis van de revolutie, want daardoor wordt de kolonisatie geïmproviseerd en tot bloei gebracht als in een broeikas. De jacht op goud in alle landen leidt tot het ontdekken ervan; tot de vorming van nieuwe staten; in de eerste plaats tot expansie van waren die in omloop komen en [leiden] tot nieuwe behoeften en het betrekken van verafgelegen werelddelen bij het proces van ruiling en waren die de stofwisseling aantrekken. Als algemene representant van de rijkdom, als geïndividualiseerde ruilwaarde, was het dus ook een tweevoudig middel om de rijkdom naar een universaliteit uit te breiden en de dimensies van de ruil over de gehele aarde te verspreiden; voor het eerst de creatie van een echte universaliteit van de ruilwaarde in termen van substantie en ruimte. Maar het is in het doel, waarin het hier wordt ontwikkeld, dat de illusie over haar aard, d.w.z. het vasthouden aan een van haar abstracte functies, en met veronachtzaming van de tegenstrijdigheden erin, haar deze werkelijk magische betekenis geeft, achter de rug van de individuen om. Het is in feite door deze zelf-contradictoire en dus illusoire bepaling, door deze eigen abstractie, dat zij zo’n enorm instrument wordt in de werkelijke ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten.

De basisvoorwaarde van de burgerlijke maatschappij is dat arbeid direct ruilwaarde voortbrengt, dat wil zeggen geld; en dat geld koopt vervolgens eveneens direct arbeid, de arbeider dus, alleen voor zover die zelf zijn activiteit in een ruil vervreemdt. Loonarbeid enerzijds, kapitaal anderzijds, zijn dus andere vormen van de ontwikkelde ruilwaarde en van het geld als incarnatie. Geld is dus direct en tegelijkertijd de echte gemeenschap, in zoverre het de algemene bestaansvoorwaarde is voor iedereen en tegelijkertijd het gemeenschappelijke product van allen. In geld echter, zoals we hebben gezien, is de gemeenschap tegelijk een loutere abstractie, een loutere externe, toevallige zaak voor het individu, en tegelijkertijd slechts het middel voor zijn bevrediging als een geïsoleerd individu. De antieke gemeenschap gaat uit van een geheel andere verhouding van het individu tot zichzelf. De ontwikkeling van geld in zijn derde functie sneuvelt dus. Elke productie is een verzakelijking van het individu. Maar in het geld (ruilwaarde) is de verzakelijking van het individu niet die van het individu in zijn natuurlijke functie, maar van het individu zoals het zich bevindt in een maatschappelijke rol (verhouding), die er tegelijkertijd extern aan is.

Geld, gebruikt in de vorm van circulatiemiddel, is munt. Als munt heeft zij haar gebruikswaarde verloren; haar gebruikswaarde valt samen met haar doel als circulatiemiddel. Het moet bijvoorbeeld eerst omgesmolten worden om als zodanig als geld te kunnen dienen. Het moet gedemonetiseerd worden. Daarom is het in de munt slechts een symbool en maakt het materiaal geen verschil. Maar als munt verliest het ook zijn universele karakter en krijgt het een nationaal, lokaal karakter. Het valt uiteen in verschillende soorten munten, afhankelijk van het materiaal waarvan het is gemaakt, goud, koper, zilver, enz. Het krijgt een politieke titel en spreekt als het ware een andere taal in verschillende landen. Tenslotte krijgt het in hetzelfde land verschillende benamingen, enz. Geld in de derde functie, zelfstandig uit de circulatie te voorschijn komend en zich ermee confronterend, negeert dus ook zijn karakter van munt. Het verschijnt weer als goud en zilver, of het daarin wordt omgesmolten of slechts naar zijn gewichtsdeel in goud en zilver wordt geschat. Het verliest ook weer zijn nationale karakter en dient als ruilmiddel tussen naties, als universeel ruilmiddel, maar niet meer als een symbool, maar als een bepaalde hoeveelheid goud en zilver. In het meest ontwikkelde internationale ruilsysteem komen goud en zilver dus weer geheel terug in de vorm waarin zij reeds in de oorspronkelijke ruilhandel een rol speelden. Goud en zilver verschijnen, zoals reeds opgemerkt, oorspronkelijk niet binnen het territorium van de maatschappelijke gemeenschap, maar daar waar die eindigt, aan de grens; op de weinig talrijke contactpunten met de vreemde gemeenschappen. Het verschijnt nu als de waar als zodanig, de universele waar, die zijn karakter als waar overal krijgt. Volgens deze vormfunctie is het overal gelijkelijk van toepassing. Alleen op deze manier is het de materiële vertegenwoordiger van de universele rijkdom. In het mercantilisme worden goud en zilver dus beschouwd als de graadmeter voor de macht van de verschillende gemeenschappen.

“Zodra edele metalen het doel van de handel worden, een universeel equivalent voor alles, worden zij ook de maatstaf van de macht tussen de naties. Vandaar het mercantiele systeem.” (Steuart)

Hoezeer de moderne economen ook denken dat zij buiten het mercantiele systeem staan, het goud en zilver verschijnen in algemene crisisperioden geheel in deze zin, in 1857 net als in 1600. In dit karakter spelen goud en zilver een belangrijke rol bij de totstandkoming van de wereldmarkt. Aldus de circulatie van Amerikaans zilver van het westen naar het oosten; de metalen band tussen Amerika en Europa enerzijds, en Azië anderzijds, sinds het begin van het moderne tijdperk. In de oorspronkelijke gemeenschappen was deze handel in goud en zilver slechts bijkomstig, verbonden met overvloed, zoals alle ruilhandel. Maar in de ontwikkelde handel is het een moment dat wezenlijk verbonden is met het geheel van de productie, enz. Zij verschijnt niet langer voor het ruilen van de overvloed, maar als een saldering van het overschot in het totale proces van internationale warenruil. Het is een munt, maar slechts als wereldmunt. Als zodanig is zij echter in wezen onverschillig voor haar vormfunctie als circulatiemiddel, terwijl haar materiaal alles is. Als vorm blijven goud en zilver in deze functie alom de toegankelijke waar, de waar als zodanig.

(In dit eerste deel, waar wordt gekeken naar ruilwaarden, geld, prijzen, zijn de waren altijd voorhanden. De vormfunctie is eenvoudig. Wij weten dat zij de uitdrukking is van functies van de maatschappelijke productie, maar deze is zelf een voorwaarde. Maar zij worden in deze rol niet verondersteld. En zo verschijnt de eerste ruil in feite alleen als een ruil van overschotten, die niet de hele productie omvat en bepaalt. Het is het beschikbare overschot van een totale productie, naast de wereld van de ruilwaarden. Zelfs in een ontwikkelde maatschappij komt dit oppervlakkig naar voren als een onmiddellijk aanwezige warenwereld. Maar op zich wijst het echter verder, naar de economische verhoudingen, de veronderstelde productieverhoudingen. De interne verdeling van de productie vormt dus het tweede deel, de concentratie in de staat het derde, de internationale verhouding het vierde, de wereldmarkt het slot, met de productie als totaliteit en net zo elk van haar momenten; maar waarin tegelijkertijd alle tegenstellingen in het proces komen. De wereldmarkt vormt dan opnieuw de voorwaarde voor het geheel en de drager ervan. De crisissen wijzen dan algemeen naar de voorwaarden en de aandrang om een nieuwe historische vorm te aanvaarden.)

“De hoeveelheid waren en de hoeveelheid geld kunnen gelijk blijven en de prijzen kunnen desondanks stijgen of dalen” (nl. door grotere uitgaven van bv. geldkapitalisten, grondeigenaars, ambtenaren enz.) Malthus. X, 43).

Zoals we gezien hebben is geld, in de vorm waarin het zelfstandig naast en tegen de circulatie ingaat, de negatie (negatieve eenheid) van zijn karakter als circulatiemedium en graadmeter. We hebben dit al ontwikkeld:

{Voor zover geld een circulatiemiddel is, kan

“dezelfde circulerende hoeveelheid nooit individueel worden aangewend; het moet altijd circuleren”. (Storch)

Het individu kan slechts het geld gebruiken door zich ervan te ontdoen, door het maatschappelijk te laten functioneren als een zijn voor anderen. Dit, zoals Storch terecht opmerkt, is een van de redenen waarom de geldkwestie

“niet onmisbaar moet zijn voor het menselijke bestaan” [p. 113],

zoals huiden, zout, enz., die bij sommige volkeren als geld dienen. Want de hoeveelheid die in circulatie is, gaat verloren aan consumptie. Daarom hebben, ten eerste, metalen in het algemeen de voorkeur boven [het gebruik van] andere waren als geld, en ten tweede, opnieuw, het edelmetaal boven deze die nuttig zijn als productie-instrumenten. Kenmerkend voor de economen is dat Storch dit aldus formuleert: de materie van het geld moet

“directe waarde hebben, maar gebaseerd op een besoin factice [kunstmatige behoefte].” [p. 114]

Besoin factice is wat de econoom noemt, ten eerste, de behoeften die voortvloeien uit het maatschappelijke bestaan van het individu; ten tweede, die welke niet voortvloeien uit het naakte bestaan als een natuurlijk object. Hieruit blijkt de innerlijke wanhopige armoede die de basis vormt van de burgerlijke rijkdom en haar wetenschap.}

Ten eerste. Geld is de negatie van het circulatiemiddel als zodanig, van de munt. Maar het bevat tegelijk een negatieve functie, doordat het voortdurend kan worden getransformeerd in munt; positief, als wereldmunt; maar als zodanig is het onverschillig voor de vormfunctie en is het in wezen een waar als zodanig, een alomtegenwoordige waar, niet bepaald door een locatie. Deze onverschilligheid komt dubbel tot uiting: ten eerste in het feit dat het alleen geld is als goud en zilver, niet als symbool, niet in de vorm van een munt. De waarde die de staat aan de geldmunt geeft, heeft dus geen waarde, maar alleen haar metaalgehalte. Zelfs in de binnenlandse handel heeft het slechts tijdelijke waarde, plaatselijk,

“omdat het niet nuttiger is voor degene die het bezit dan voor degene die de te kopen waren bezit.” [blz. 175]

Hoe meer de interne handel alom wordt bepaald door de externe, des te meer verdwijnt ook de waarde van deze werkwijze [façon]: zij bestaat niet meer in de private ruil, maar verschijnt slechts als belasting. Dan: als een dergelijke algemene waar, als een wereldmunt, is de terugkeer van goud en zilver naar het uitgangspunt, de circulatie als zodanig, niet nodig. Voorbeeld: Azië en Europa. Vandaar de klaagzang van de aanhangers van het monetaire systeem, dat het geld dat bij de heidenen verdwijnt, niet terugvloeit. (Zie Misselden circa 1600.) Hoe meer de buitenlandse circulatie geconditioneerd en ingesloten wordt door de binnenlandse, hoe meer de wereldmunt als zodanig in circulatie komt (rotatie). Dit hogere stadium gaat ons hier niet aan en ligt nog niet in de hier bekeken eenvoudige verhouding.

Ten tweede is geld de negatie van zichzelf als het loutere realiseren van warenprijzen, waarbij de specifieke waar altijd de essentie blijft. Zij wordt veeleer de op zichzelf gerealiseerde prijs en als zodanig de materiële representant van de rijkdom, alsmede de algemene vorm van rijkdom tegenover alle waren, als louter bepaalde substanties ervan; maar

Ten derde: wordt geld ook ontkend in de functie waar het slechts de graadmeter is van ruilwaarden. Als algemene vorm van rijkdom en als materiële vertegenwoordiger ervan, is het niet langer een ideële graadmeter voor andere ruilwaarden. Want het is zelf de adequate werkelijkheid van de ruilwaarden, en het is dit in zijn metalen bestaan. De meting staat hier op zichzelf. Het heeft een eigen eenheid en de graadmeter van haar waarde, de graadmeter ervan als rijkdom, als ruilwaarde, is de kwantiteit die het zelf vertegenwoordigt. Het veelvoud van een hoeveelheid van zichzelf dat als eenheid dient. Als graadmeter maakt het bedrag geen verschil; als circulatiemiddel maakt zijn materialiteit, de materie van de eenheid, geen verschil; als geld in deze derde functie is de hoeveelheid van een bepaald materieel kwantum van essentieel belang. Als de kwaliteit ervan als algemene rijkdom gegeven is, dan is er geen verschil, behalve het kwantitatieve. Het vertegenwoordigt een grotere of kleinere hoeveelheid algemene rijkdom naargelang de gegeven eenheid ervan in een grotere of kleinere hoeveelheid wordt bezeten. Als het universele rijkdom is, dan is men rijker naarmate men er meer van bezit, en het enige belangrijke proces, zowel voor het individu als voor de natie, is het accumuleren ervan. Overeenkomstig zijn doel, verscheen het hier als uit de circulatie komend. Nu verschijnt het uit de circulatie halen zelf en het opslaan als essentiële object van de verrijkingsdrift en het essentiële verrijkingsproces. Met goud en zilver bezit ik betrouwbaar de algemene rijkdom, en hoe meer ik ervan accumuleer, hoe meer ik mij toe-eigen van die universele rijkdom. Als goud en zilver de universele rijkdom vertegenwoordigen, dan vertegenwoordigen zij, als bepaalde hoeveelheden, deze slechts in een bepaalde mate, die kan worden uitgebreid tot het onbepaalde. Deze accumulatie van goud en zilver, die zich voordoet als een herhaaldelijk onttrekken aan de circulatie, is tegelijkertijd het veiligstellen van de algemene rijkdom tegen de circulatie, waarin deze altijd verloren gaat in ruil voor een bijzondere rijkdom die uiteindelijk verdwijnt in de consumptie.

Bij alle oude volkeren komt ophoping van goud en zilver oorspronkelijk voor als een voorrecht van priesters en koningen, daar de god en koning van de waren alleen aan goden en koningen toebehoort. Alleen zij verdienen het om rijkdom als zodanig te bezitten. Deze opeenstapeling dan: als vertoon van overvloed, d.w.z. rijkdom als een buitengewoon ding op zondag; als een geschenk voor tempels en hun goden; als [financiering van] publieke kunstvoorwerpen; tenslotte als verzekering, in geval van een noodtoestand, voor wapens, enz. In de oudheid wordt deze opeenhoping later politiek. De schatkist als reservefonds en de tempel zijn oorspronkelijk de banken waarin dit heilige der heiligen wordt bewaard. Accumuleren en opslaan [bereikt] zijn definitieve ontwikkeling in de moderne banken; nu echter met een meer ontwikkeld doel. Aan de andere kant, bij particulieren, vindt accumulatie plaats met het doel de rijkdom zeker te stellen tegen de grillen van de buitenwereld in een solide vorm, dat het kan worden begraven enz., kortom, het aangaan van een zeer geheime verhouding met het individu. Dit gebeurt nog steeds op een grote historische schaal in Azië. Het herhaalt zich in alle panieksituaties, oorlogen, enz., in de burgerlijke maatschappij, die dan terugvalt in een barbaarse toestand. Net zo bij het ophopen van goud enz. als sieraden en praal bij halfbarbaren. Maar een zeer groot en steeds groter wordend deel ervan wordt aan de circulatie onttrokken als een luxevoorwerp in de meest ontwikkelde bourgeoismaatschappij. (Zie Jakob, enz.) Als representant van de algemene rijkdom is alleen al het behoud ervan, zonder het in omloop te brengen en voor bijzondere behoeften te gebruiken, een bewijs van rijkdom van de individuen, en wel in dezelfde mate als het geld zich ontwikkelt in zijn verschillende functies, d.w.z. de rijkdom als zodanig wordt de algemene maatstaf voor de waarde van het individu, de drang om dit te tonen, d.w.z. om goud en zilver te tonen als representanten van rijkdom, net zoals de heer v. Rothschild zijn wapenschild met, ik meen twee ingelijste bankbiljetten van £100.000 elk, heeft geëtaleerd. Het barbaarse vertoon van goud enz. is slechts een meer naïeve vorm van deze moderne, omdat het plaatsvindt met minder oog voor goud als geld. Hier een eenvoudige glans. Daar een reflectie. Het punt is dat het niet als geld wordt gebruikt; de tegengestelde vorm aan de circulatie is hier het belangrijkste.

De accumulatie van alle andere waren is minder oud dan die van goud en zilver: 1. vanwege hun vergankelijkheid. Metalen zijn op zich het duurzaamst in vergelijking met andere waren; ook [vanwege] hun grote zeldzaamheid en uitzonderlijke karakter als productie-instrumenten bij uitstek, worden zij bij voorkeur opgehoopt. De edele metalen, niet blootgesteld aan oxidatie enz., zijn op hun beurt weer minder vergankelijk dan de onedele metalen. Wat in de andere waren vergaat, is hun vorm; maar deze vorm geeft hun ruilwaarde, terwijl hun gebruikswaarde bestaat in de opheffing van deze vorm, in de consumptie. Bij geld daarentegen is het zijn substantie, zijn materialiteit, de vorm zelf, waarin het rijkdom vertegenwoordigt. Als het geld overal, ruimtelijk bepaald, als een algemene waar verschijnt, dan nu ook volgens de tijdsbepaling. Het wordt in alle tijden als rijkdom bewaard. Zijn specifieke duurzaamheid. Het is de schat die motten noch roest opeten. Alle waren zijn slechts vergankelijk geld; geld is de onvergankelijke waar. Geld is de alomtegenwoordige waar; de waar is slechts plaatselijk geld. Maar accumulatie is in wezen een proces dat zich in de tijd voltrekt. In dit verband, zegt Petty:

“Het grote en uiteindelijke effect van de handel is niet rijkdom in het algemeen, maar bij voorkeur een overvloed aan zilver, goud en juwelen, die niet vergankelijk zijn, noch zo veranderlijk als andere waren, maar rijkdom in alle tijden en alle plaatsen. Overvloed van wijn, graan, vogels, vlees, enz. zijn rijkdommen, maar hic et nunc ... Het voortbrengen van dergelijke waren en de gevolgen van een dergelijke handel, dat een land van goud en zilver voorziet, is dus meer voordelig dan de andere.” (p. 3) “Als geld door een belasting wordt gehaald bij iemand die het opeet of opdrinkt, en wordt gegeven aan iemand die het gebruikt voor landverbetering, voor visserij, voor mijnbouw, voor manufacturen, of zelfs voor kleding, is er altijd voordeel voor de gemeenschap; want zelfs kleding is niet zo vergankelijk als maaltijden; met huismeubilair is het voordeel nog iets groter; met het bouwen van huizen nog meer; in het verbeteren van landerijen, met mijnexploitatie, met visvangst nog meer; het meest van al, als geïnvesteerd wordt in het importeren van goud en zilver in het land, omdat alleen deze dingen onvergankelijk zijn, maar als rijkdom gewaardeerd worden in alle tijden en alle plaatsen.” (p. 5)

Aldus een 17e-eeuwse schrijver. Men kan zien hoe de opeenhoping van goud en zilver de ware stimulans kreeg met zijn opvatting als de materiële representant en algemene vorm van rijkdom. De cultus van het geld heeft zijn ascese, zijn verzaking, zijn zelfopoffering – de zuinigheid en spaarzaamheid, het verachten van wereldse, tijdelijke en vergankelijke genoegens; het najagen van de eeuwige schat. Vandaar de link van het Engelse puritanisme of zelfs het Nederlandse protestantisme met geld verdienen. Een schrijver uit het begin van de 17e eeuw (Misselden) verwoordt de zaak op een onbevooroordeelde wijze:

“Het natuurlijke materiaal van de handel zijn de waren, het kunstmatige is het geld. Hoewel geld van nature en in tijd na de waar komt, is het, zoals het nu in gebruik is, de hoofdzaak geworden.”

Hij vergelijkt dit met de twee zonen van de oude Jakob, die zijn rechterhand op de jongste zoon legde en zijn linker op de oudste zoon. (p. 24)

“Wij consumeren onder ons te veel wijnen uit Spanje, Frankrijk, de Rijn, de Levant, de eilanden: rozijnen uit Spanje, aalbessen van de Levant, de cambricks van Henault en Nederland, zijdegoederen uit Italië, suiker en tabak van West-Indië, de specerijen van Oost-Indië; dit alles is voor ons niet noodzakelijk en toch wordt het met hard geld gekocht ... Als er minder buitenlandse en meer inheemse producten zouden worden verkocht, het overschot zou naar ons moeten komen in de vorm van goud en zilver, als een schat.”

Moderne economen maken zich natuurlijk vrolijk over dergelijke zaken in het algemene onderdeel van de economie. Als men echter de schroom in de geldtheorie in het bijzonder en de koortsachtige angst waarmee in de praktijk de in- en uitstroom van goud en zilver in tijden van crisis wordt bewaakt, in ogenschouw neemt, dan blijkt dat het geld, in de rol waarin de aanhangers van het monetaire en mercantiele stelsel het met naïeve eenzijdigheid hebben opgevat, nog steeds zijn recht heeft, niet alleen in het denkbeeld, maar ook als reële economische categorie.

De tegenstelling tussen de werkelijke behoeften van de productie versus deze suprematie van het geld, is het meest opvallend bij Boisguillebert. (Zie de frappante passages in mijn notitieboek).

2. De accumulatie van andere waren op tweeërlei wijze, afgezien van hun vergankelijkheid, wezenlijk onderscheiden van de accumulatie van goud en zilver, die hier identiek zijn met geld. Ten eerste heeft de accumulatie van andere waren niet het karakter van accumulatie van rijkdom in het algemeen, maar van accumulatie van specifieke rijkdom, en is daarom zelf een specifieke productiedaad; hier is de eenvoudige accumulatie onvoldoende. Het opslaan van graan vereist speciale voorzieningen, enz. Accumulatie van schapen maakt nog geen herder; accumuleren van slaven of land vereist verhoudingen van overheersing en knechtschap, enz. Dit alles vereist dus andere handelingen en verhoudingen dan bij de eenvoudige accumulatie, de vermenigvuldiging van rijkdom als zodanig. Aan de andere kant, om de geaccumuleerde waren als universele rijkdom te verwezenlijken, om mij de rijkdom in al zijn bijzondere vormen toe te eigenen, moet ik handel drijven met de bijzondere waren die ik heb geaccumuleerd, graanhandelaar, veehandelaar, enz. enz. Geld, als de universele representant van rijkdom, plaatst mij daarboven.

De accumulatie van goud en zilver, van geld, is het eerste historische verschijnsel van de accumulatie van kapitaal en het eerste grote middel daartoe; maar als zodanig is het nog niet de accumulatie van kapitaal. Daartoe moet het geaccumuleerde opnieuw in circulatie gebracht worden, als moment en middel van de accumulatie.

Het geld in zijn finale, voltooide functie verschijnt nu langs alle kanten als een tegenstrijdigheid die zichzelf oplost; naar zijn eigen opheffing wordt gedreven. Als een universele vorm van rijkdom, staat de hele wereld van echte rijkdom er tegenover. Het is een pure abstractie – vandaar zo een louter gefixeerde verbeelding. Waar rijkdom als zodanig lijkt te bestaan in heel materiële, concrete vorm, bestaat het slechts in mijn hoofd, is het een hersenspinsel. Midas. Aan de andere kant wordt het, als materiële representant van de universele rijkdom, slechts gerealiseerd door het opnieuw in circulatie te brengen, om te verdwijnen in de aparte bijzondere vormen van rijkdom. In de circulatie blijft het als circulatiemiddel; maar voor het accumulerende individu gaat het verloren, en deze verdwijning is de enig mogelijke manier om het als rijkdom te behouden. De ontbinding van het geaccumuleerde in individuele genoegens is de verwezenlijking ervan. Het kan nu weer door andere personen worden geaccumuleerd, maar dan begint hetzelfde proces opnieuw. Ik kan het bestaan ervan alleen voor mij reëel maken door het op te geven als louter bestaan voor anderen. Als ik het wil vasthouden, verdampt het onder mijn hand tot slechts een schim van echte rijkdom. Verder: dat de toename ervan door accumulatie, dat de eigen kwantiteit de graadmeter is van de waarde, is opnieuw fout. Indien de andere rijkdommen niet accumuleren, verliest het zijn waarde in de mate waarin zij accumuleert. Wat lijkt op een toename is in feite een afname. Zijn zelfstandigheid is slechts schijn; zijn onafhankelijkheid van de circulatie bestaat slechts ten opzichte van haar [de circulatie], als een afhankelijkheid van haar. Het pretendeert de universele waar te zijn, maar door haar natuurlijke eigenschap is het weer een bijzondere waar, waarvan de waarde zowel afhangt van vraag en aanbod, als van veranderingen in de specifieke productiekosten. En omdat het zelf geïncarneerd is in goud en zilver, wordt het in elke werkelijke vorm partijdig; zodat wanneer het ene verschijnt als geld – het andere dan als een aparte waar en omgekeerd, en zo verschijnt elk in de beide functies. Als de absoluut zekere rijkdom, geheel onafhankelijk van mijn individualiteit, is het tegelijkertijd datgene wat geheel buiten mij staat, het absoluut onzekere, dat door elk toeval van mij gescheiden kan worden. Evenzo de volstrekt tegenstrijdige rollen van graadmeter, als circulatiemiddel, en als geld als zodanig. In de laatste functie spreekt het zichzelf nog verder tegen, omdat het de waarde als zodanig vertegenwoordigt; maar in feite vertegenwoordigt het slechts een identieke hoeveelheid variabele waarde. Het heft zichzelf dus op als een voltooide ruilwaarde.

Als graadmeter is het als circulatiemiddel reeds in zichzelf ontkend; als circulatiemiddel en graadmeter als geld. De ontkenning ervan in de laatste functie is dus tegelijk die in de twee vorige. Ontkend als de loutere universele vorm van rijkdom, moet het zich daarom verwezenlijken in de bijzondere substanties van werkelijke rijkdom; maar door zich aldus werkelijk te bewijzen als de materiële representant van de totale rijkdom, moet het tegelijk zichzelf als de algemene vorm in stand houden. Het in circulatie komen moet zelf een moment zijn waarop het bij-zichzelf-blijft en het bij-zichzelf-blijven [Beisichbleiben] moet een entree in de circulatie zijn. Dat wil zeggen, als gerealiseerde ruilwaarde moet het tegelijkertijd worden voorgesteld als het proces waarin de ruilwaarde zichzelf realiseert. Het is tegelijkertijd de negatie van een zuiver zakelijke vorm, dat van individuen tegenover een externe en toevallige vorm van rijkdom. Het moet eerder verschijnen als de productie van rijkdom en dit als het resultaat van de betrekkingen van individuen tot elkaar in de productie. Ruilwaarde wordt nu niet meer eenvoudigweg gekarakteriseerd als een ding waarvoor de circulatie slechts een externe beweging is, of dat individueel verschijnt in een bepaald materiaal: als een verhouding tot zichzelf door het circulatieproces. Aan de andere kant is de circulatie zelf niet langer enkel het simpele proces van warenruil tegen geld en geld tegen waren, niet langer enkel de bemiddelende beweging om de prijzen van de verschillende waren te realiseren, om ze aan elkaar gelijk te stellen als ruilwaarden, waar beide verschijnen als extern aan de circulatie: de veronderstelde ruilwaarde, en de uiteindelijke onttrekking van de waar [aan de circulatie] door consumptie, dus de vernietiging van de ruilwaarde enerzijds, en de onttrekking van het geld, de zelfstandigheid tegenover de substantie, wat weer een andere vorm van zijn vernietiging is. De ruilwaarde zelf, en nu niet meer de ruilwaarde in het algemeen, maar de gemeten ruilwaarde, moet verschijnen als een voorwaarde die door de circulatie zelf wordt bepaald en door haar verondersteld. Het circulatieproces moet ook verschijnen als het productieproces van ruilwaarden. Het gaat dus enerzijds om de terugkeer van ruilwaarde in de arbeid, anderzijds om de terugkeer van geld in de ruilwaarde, maar nu grondiger [vertieften] bepaald. Bij circulatie wordt de vastgestelde prijs verondersteld, terwijl circulatie als geld deze prijs slechts formeel veronderstelt. De bepaling van de ruilwaarde zelf, of de graadmeter van de prijs, moet nu zelf verschijnen als een handeling van de circulatie. Zo gesteld is de ruilwaarde kapitaal, en de circulatie wordt tegelijk gesteld als een productiehandeling.

Nog te doen: In de circulatie, zoals die verscheen als geldcirculatie, wordt altijd de gelijktijdigheid van beide polen van de ruil verondersteld. Maar er kan een tijdsverschil ontstaan tussen het bestaan van de te ruilen waren. Het kan in de aard van wederkerige prestaties liggen dat de dienst vandaag gebeurt, maar de wederdienst pas over een jaar, enz.

“In de meeste contracten,” zegt Senior, “heeft slechts één van de contracterende partijen het ding tot zijn beschikking en leent het uit; en wanneer de ruil plaatsvindt, moet het onmiddellijk worden afgestaan, op voorwaarde dat het equivalent pas op een later tijdstip wordt ontvangen. Aangezien de waarde van alle dingen in de tijd verandert, neemt men als betaalmiddel datgene waarvan de waarde het minst verandert en dat een gegeven gemiddeld vermogen om dingen te kopen het langst in stand houdt. Zo wordt geld de uitdrukking of representant van waarde.”

Volgens dit laatste doel van het geld heeft het in het geheel geen betrekking met het eerdere. Maar dit is fout. Pas wanneer het geld de zelfstandige representant van de waarde wordt, worden de contracten niet langer gewaardeerd in bv. hoeveelheden graan of te verrichten prestaties. (Dit laatste was bv. het geval in het feodalisme.) Het is een bedenksel van de heer Senior dat geld een “lang gemiddeld vermogen” heeft om zijn waarde te behouden. Het wordt namelijk gebruikt als het algemene materiaal voor contracten (de algemene waar voor de contracten, zegt Bailey), omdat het de algemene waar is, de vertegenwoordiger van de algemene rijkdom (zegt Storch), omdat het verzelfstandigde ruilwaarde is. Geld moet al zeer ontwikkeld zijn in zijn twee eerdere functies voordat het in het algemeen in deze rol kan verschijnen. Nu is inderdaad aangetoond dat, hoewel de hoeveelheid geld gelijk blijft, de waarde ervan verandert: dat zij in het algemeen, als een bepaald kwantum, onderhevig is aan de veranderlijkheid van alle waarden. Hier is zijn aard als een speciale waar in strijd met zijn algemene rol. Als graadmeter is [het geld] onverschillig tegenover de ruil, want

“in een veranderlijk medium kunnen altijd twee verschillende verhoudingen tot uitdrukking worden gebracht, evenals in een constant medium.” [Bailey, p. 9-10]

Als circulatiemiddel is het ook irrelevant, omdat de hoeveelheid als zodanig wordt bepaald door de maatstaf. Maar als geld in de vorm waarin het in contracten voorkomt, is dit essentieel, net zoals, in het algemeen, de tegenstrijdigheden ervan in deze rol naar voren komen.

Nu moet in aparte secties onderzocht worden:
1. Het geld als muntstuk. Dit is een zeer summiere samenvatting van het muntwezen. 2. Historisch gezien de bronnen van herkomst van goud en zilver. Hun ontdekkingen, enz. De geschiedenis van hun productie. 3. Oorzaken van de waardeveranderingen van de edele metalen, en dus van het metalen geld; effect van deze verandering op de industrie en de verschillende klassen. 4. Vooral: de hoeveelheid circulatie in verhouding tot stijgen en dalen van de prijzen. (16e eeuw. 19e eeuw.) Maar ook om te zien hoe het als graadmeter wordt beïnvloed door een toenemende hoeveelheid, enz. 5. Over circulatie: snelheid, noodzakelijke hoeveelheid, effect van circulatie; meer, minder ontwikkeld, enz. 6. Ontbindend effect van geld.

(Te doen.) (Hierin de specifieke economische onderzoekingen.)

(De massadichtheid van goud en zilver om veel gewicht te hebben met een betrekkelijk klein volume, vergeleken met de andere metalen, wordt in de wereld van waarden zo herhaald dat het grote waarde (arbeidstijd) bevat in een betrekkelijk klein volume. De daarin gerealiseerde arbeidstijd, de ruilwaarde, is de massadichtheid van de waar. Dit maakt de edele metalen bijzonder geschikt en dienstig voor circulatie (aangezien men een aanzienlijke hoeveelheid waarde met zich kan meedragen) en voor accumulatie, aangezien men een grote waarde kan veiligstellen en accumuleren in een kleine ruimte. Het goud [verandert niet] tijdens het ophopen, zoals ijzer, lood, enz. maar blijft wat het is.

“Had Spanje nooit de mijnen van Mexico en Peru in bezit gehad, dan had het nooit het graan van Polen nodig gehad.” (Ravenstone)

“Ze [d.w.z. de tien toekomstige heersers] zijn eensgezind onder elkaar en stellen hun macht en gezag in dienst van het Beest. [Openbaring 17, 13] [En het zorgt ervoor dat het iedereen ... een merkteken geeft op hun rechterhand of op hun voorhoofd] zodat niemand kan kopen of verkopen, zo hij dat teken niet draagt, de naam van het Beest, of het getal van zijn naam.” [Openbaring 13, 17]

“De correlatieve hoeveelheden waren die tegen elkaar worden gegeven, vormen de prijs van de waar.” (Storch, “Cours d’économie politique...”, t.l.p. 72) “De prijs is de maatstaf van de ruilwaarde.” (l.c., p. 73)

Zoals we hebben gezien, is in de eenvoudige circulatie als zodanig (ruilwaarde in beweging), de actie van de individuen op elkaar, inhoudelijk, slechts een wederkerige, zelfzuchtige bevrediging van hun behoeften; naar de vorm, is het ruil tussen gelijken (equivalenten), zo wordt ook hier de eigendom slechts gesteld als de toe-eigening van het arbeidsproduct door arbeid en van het product van vreemde arbeid door de eigen arbeid, voor zover het product van de eigen arbeid door vreemde arbeid wordt gekocht. De eigendom van de vreemde arbeid wordt bemiddeld door het equivalent van de eigen arbeid. Deze vorm van eigendom is – net als vrijheid en gelijkheid – vastgelegd in deze eenvoudige verhouding. In de verdere ontwikkeling van de ruilwaarde zal dit zichzelf omvormen en uiteindelijk aantonen dat privé-eigendom van het eigen arbeidsproduct identiek is met de scheiding van arbeid en eigendom; zodat arbeid = het scheppen van vreemde eigendom en eigendom vreemde arbeid zal gebieden.


Het hoofdstuk over het kapitaal

Deel 1: Het productieproces van het kapitaal

Het hoofdstuk over geld als kapitaal

[Verandering van geld in kapitaal]

Wat de opvatting van het geld in zijn volledige hoedanigheid van geld bijzonder moeilijk maakt – moeilijkheden waaraan de politieke economie tracht te ontkomen door de ene vaststelling te vergeten boven de andere en, wanneer de ene wordt geponeerd, een beroep te doen op de andere – is dat hier een maatschappelijke verhouding, een bepaalde verhouding van individuen tot elkaar, verschijnt als een metaal, een steen, een zuiver materieel ding los van hen, dat als zodanig in de natuur wordt aangetroffen en dat vormelijk niet te onderscheiden is van zijn natuurlijk bestaan. Goud en zilver zijn geen geld op zich. De natuur produceert geen geld, net zomin als zij een wisselkoers of bankiers produceert. In Peru en Mexico werden goud en zilver niet als geld gebruikt, hoewel zij worden aangetroffen als juwelen en er een goed ontwikkeld productiesysteem bestond. Geld zijn is geen natuurlijke eigenschap van goud en zilver en is daarom voor de natuurkundige, scheikundige, enz. als zodanig volstrekt onbekend. Maar geld is direct goud en zilver. Als maatstaf is geld nog steeds overheersend als vormfunctie; en zeker als munt, waar dit ook uiterlijk tot uiting komt in de beeldenaar; maar in de derde bepaling, d.w.z. in zijn volmaaktheid, waar maatstaf en munt alleen verschijnen als functies van geld, is alle vormfunctie verdwenen, of het valt direct samen met zijn metalen bestaan. Hieruit blijkt helemaal niet dat de regel om geld te zijn, het resultaat is van een maatschappelijk proces; het is geld. Het is des te moeilijker omdat de onmiddellijke gebruikswaarde voor het levende individu in geen enkele verhouding staat tot deze rol, en in het algemeen, als de incarnatie van zuivere ruilwaarde, de herinnering aan gebruikswaarde, verschillend van laatstgenoemde, geheel is uitgewist. Hier duikt dus in al zijn zuiverheid de fundamentele tegenstelling op, die ligt in de ruilwaarde en de daarmee corresponderende productiewijze van de maatschappij. De pogingen om deze tegenstrijdigheid op te heffen door het geld zijn metalen vorm te ontnemen en het naar buiten toe voor te stellen als iets dat door de maatschappij is ingesteld, als de uitdrukking van een maatschappelijke verhouding, waarvan de laatste vorm het arbeidsgeld zou zijn, dat is hierboven reeds bekritiseerd. Het moet nu toch wel duidelijk zijn dat dit een knoeiboel is, zolang de basis van de ruilwaarde wordt gehandhaafd, en dat zelfs de illusie, alsof metaalgeld de ruil vervalst, voortkomt uit een volkomen onbekendheid met de aard ervan. Anderzijds is het ook duidelijk dat naarmate het verzet tegen de heersende productieverhoudingen groeit en zelfs drijft naar een gewelddadig verwerpen, de polemiek zich richt tegen het metaalgeld of geld in het algemeen, als de meest opvallende, tegenstrijdige en hardste manifestatie waarin het systeem tot uiting komt. Door middel van allerlei kunstgrepen worden dan de tegenstellingen, waarvan zij slechts een opvallende verschijning is, opgeheven. Even duidelijk is dat sommige revolutionaire operaties met geld kunnen worden uitgevoerd, in zoverre dat een aanval op het geld al het andere lijkt te laten zoals het was, en het alleen maar rectificeert. Men slaat dan op de zak en bedoelt de ezel. Maar zolang de ezel het slaan op de zak niet voelt, slaat men feitelijk alleen de zak en niet de ezel. Zodra hij het voelt, slaat men de ezel en niet de zak. Zolang de operaties tegen het geld als zodanig gericht zijn, is het slechts een aanval op de gevolgen terwijl de oorzaken blijven bestaan; dus verstoring van het productieproces, waarvan de solide grond dan ook de kracht bezit om het door meer of minder gewelddadige reactie als louter tijdelijke verstoringen te plaatsen en te beheersen.

Aan de andere kant ligt het in de aard van de geldverhouding – voor zover die tot op dit punt in haar puurheid ontwikkeld is, en zonder rekening te houden met meer hoogontwikkelde productieverhoudingen – dat alle inherente tegenstrijdigheden van de burgerlijke maatschappij lijken uit te doven in geldverhoudingen zoals die in de eenvoudige vorm zijn opgevat; en de burgerlijke democratie neemt nog meer dan de burgerlijke economen haar toevlucht tot dit aspect (de laatsten zijn tenminste consequent genoeg om terug te vallen op nog eenvoudiger aspecten van ruilwaarde en ruil) om apologetische argumenten te construeren voor de bestaande economische verhoudingen. Inderdaad, voor zover de waar of de arbeid als ruilwaarde gedefinieerd is, en de verhouding van de verschillende waren tot elkaar als een ruil van deze ruilwaarden tegen elkaar, is hun vergelijking, de individuen, de subjecten, tussen wie dit proces zich afspeelt, slechts eenvoudig bepaald als ruilers. Er is absoluut geen verschil tussen hen, voor zover de vormfunctie in aanmerking komt, en dit is de economische functie, de bepaling waarin zij in verhouding tot elkaar staan; de indicator van hun maatschappelijke functie of maatschappelijke verhouding tot elkaar. Elk van de subjecten is een ruiler; d.w.z. elk heeft dezelfde maatschappelijke verhouding tot de ander die de ander tot hem heeft. Als subjecten van de ruil is hun relatie dus die van gelijkheid. Het is onmogelijk om enig onderscheid of zelfs maar een tegenstelling tussen hen te bespeuren, zelfs geen verschil. Bovendien zijn de waren die zij ruilen, als ruilwaarden gelijkwaardig, of worden althans als zodanig beschouwd. (Er zou alleen subjectieve dwaling in de wederzijdse schatting kunnen zijn, en als het ene individu het andere zou bedriegen, zou dat niet zijn door de aard van de maatschappelijke functie waarin zij tegenover elkaar staan, want dat is hetzelfde; daarin zijn zij gelijk; maar alleen door een natuurlijke sluwheid, overreding, enz., kortom, alleen door de zuiver individuele superioriteit van het ene individu over het andere. Het zou gaan om een natuurlijk verschil, dat geen betrekking heeft op de aard van de verhouding als zodanig en dat, zoals met betrekking tot de verdere ontwikkeling kan worden gezegd, zelfs door concurrentie e.d. wordt verzwakt en van zijn oorspronkelijke potentie wordt beroofd.)

Wat de zuivere vorm betreft, de economische kant van deze verhouding – de inhoud, naast deze vorm, valt hier nog geheel buiten de economie, of wordt gesteld als een natuurlijke inhoud los van de economische, een inhoud waarvan gezegd kan worden dat hij nog geheel los staat van de economische verhouding omdat hij er nog steeds direct mee samenvalt – komen er slechts drie momenten naar voren als formeel verschillend: de subjecten van de verhouding, de ruilers, die in dezelfde hoedanigheid zijn gesteld; de voorwerpen van hun ruil, ruilwaarden, equivalenten, die niet alleen gelijk zijn, maar uitdrukkelijk bedoeld zijn om gelijk te zijn en als gelijk worden gesteld; tenslotte, de handeling van de ruil zelf, de bemiddeling, waardoor de subjecten precies als ruilers, gelijken, en hun voorwerpen als equivalenten, gelijken, worden gesteld. De equivalenten zijn de verdinglijking van een subject voor anderen; d.w.z. dat zij zelf van gelijke waarde zijn en zich in de ruilhandeling laten gelden als gelijkwaardig en tegelijkertijd als wederzijds onverschillig. De ruilobjecten bestaan slechts door deze equivalenten voor elkaar, als gelijkwaardig, en bewijzen dit door de objectiviteit van de ruil waarin het ene bestaat voor het andere. Daar zij slechts op deze wijze gelijken zijn, als bezitters van equivalenten, en als verschaffers van deze equivalenten in ruil tegen elkaar, zijn zij, als gelijken, tegelijkertijd onverschillig tegenover elkaar; hun andere individuele verschil gaat hen niets aan; zij zijn onverschillig tegenover al hun andere individuele eigenaardigheden.

Wat de inhoud buiten de ruilhandeling betreft, een handeling die zowel stellingname als bewijs is van de ruilwaarden en van de subjecten als ruilers, deze inhoud, die buiten de specifiek economische vorm valt, kan alleen maar zijn: 1. de specifieke aard van de waar die wordt geruild. 2. de specifieke aard van de behoeften van de ruilers, of, beide tezamen, de verschillende gebruikswaarden van de te ruilen waren. De inhoud van de ruil, die geheel buiten de economische finaliteit ligt, brengt de sociale gelijkheid van de individuen niet in gevaar, maar maakt hun natuurlijke verschillen juist tot de basis van hun sociale gelijkheid. Als individu A dezelfde behoefte had als individu B, en zijn arbeid in hetzelfde voorwerp had gerealiseerd als individu B, zou er geen enkele onderlinge betrekking zijn tussen hen; zij zouden in het geheel geen verschillende individuen zijn, bekeken vanuit hun productie. Beiden hebben de behoefte te ademen; voor beiden bestaat de lucht als atmosfeer; dit brengt hen niet in een maatschappelijk contact; als ademende individuen staan zij slechts in verhouding tot elkaar als natuurlijke lichamen, niet als personen. Alleen hun verschil in behoefte en hun productie geeft reden tot de ruil en tot hun maatschappelijke gelijkstelling; dit natuurlijke verschil is dus de voorwaarde van hun maatschappelijke gelijkheid in de ruilhandeling en deze verhouding in het algemeen, waarin zij productief met elkaar omgaan. Volgens dit natuurlijk verschil is individu [A] de bezitter van een gebruikswaarde voor B en is B de bezitter van een gebruikswaarde voor A. In dit opzicht plaatst het natuurlijk verschil hen opnieuw wederzijds in de verhouding van gelijkheid. In dit opzicht zijn zij echter niet onverschillig tegenover elkaar, maar integreren zij met elkaar, hebben zij elkaar nodig; zodat individu B, zoals geobjectiveerd in de waar, een behoefte is van individu A, en omgekeerd; zodat zij niet alleen in een gelijke, maar ook in een maatschappelijke verhouding tot elkaar staan. Dit is nog niet alles. Dat de behoefte van de ene bevredigd kan worden door het product van de andere en omgekeerd, en dat de ene in staat is het voorwerp van de behoefte van de ander te produceren, en dat de ene tegenover de andere staat als bezitter van het voorwerp van de behoefte van de andere, toont aan dat ieder als mens zijn eigen bijzondere behoefte enz. overstijgt, en dat zij zich als mensen tot elkaar verhouden; dat hun gemeenschappelijk soortwezen door allen gekend wordt. Het gebeurt niet dat olifanten voor tijgers produceren of dieren voor andere dieren. Bv.: een zwerm bijen vormt in wezen slechts één bij, en ze produceren allemaal hetzelfde. Verder. Voor zover deze natuurlijke verschillen tussen de individuen en tussen hun waren (producten, arbeid, enz. zijn hier nog niet verschillend; maar bestaan in de vorm van waren of, zoals de heer Bastiat verkiest, Say volgend, diensten; Bastiat beeld zich in dat door het economische doel van de ruilwaarde te reduceren tot de natuurlijke inhoud van de waren of de dienst, d.w.z. het onvermogen tot het vaststellen van de economische verhouding van de ruilwaarde, hij een grote vooruitgang heeft geboekt ten opzichte van de klassieke economen van de Engelse school, die wel in staat zijn de productieverhoudingen in hun specificiteit te vatten, als zodanig, in hun zuivere vorm) het motief zijn voor de integratie van deze individuen, voor hun maatschappelijke verhouding als ruilers, waarin zij worden voorondersteld en zich bewijzen als gelijken, komt daar, naast de eigenschap van gelijkheid, die van vrijheid bij. Individu A heeft weliswaar behoefte aan de waar van individu B, maar hij grijpt het niet met geweld, noch omgekeerd, maar zij erkennen elkaar wederzijds als eigenaars, als personen wier wil doordringt in hun waren. Daarna komt eerst het juridisch moment van de persoon aan de orde, en van de vrijheid, voor zover zij daarin besloten ligt. Geen van beiden grijpt met geweld het eigendom van de ander. Ieder doet vrijwillig afstand van zijn eigendom.

Maar dit is nog niet alles: persoon A voorziet in de behoefte van persoon B door middel van waren a, alleen in zoverre en omdat persoon B in de behoefte van persoon A voorziet door middel van waren b, en vice versa. Ieder dient de ander om zichzelf te dienen; ieder dient de ander, wederzijds, als zijn middel. Nu zijn de twee in het bewustzijn van de twee individuen aanwezig: 1. dat elk slechts zijn doel bereikt voor zover het de ander als middel dient; 2. dat elk slechts een middel voor de ander wordt (voor de ander zijn) als een doel op zichzelf (voor zichzelf zijn); 3. dat de wederkerigheid van de twee niet slechts een middel voor de ander is, maar een doel op zich. Dat de wederkerigheid waarin ieder tegelijk middel en doel is, en zijn doel slechts bereikt voor zover hij een middel wordt, en slechts een middel wordt voor zover hij zichzelf als doel stelt, dat aldus ieder zichzelf stelt als zijnde voor een ander, voor zover hij voor zichzelf is, en de ander als zijnde voor hem, voor zover hij voor zichzelf is – dat deze wederkerigheid een noodzakelijk feit is en voorondersteld als een natuurlijke voorwaarde voor de ruil, maar dat zij als zodanig onverschillig is voor elk van de twee subjecten van de ruil, en dat deze wederkerigheid voor hem alleen van belang is in zoverre zij zijn belang bevredigt, met uitsluiting van dat van de ander, zonder verwijzing daarnaar. Dat wil zeggen, het gemeenschappelijk belang, dat als motief van de totale handeling verschijnt, wordt weliswaar door beide partijen als feit erkend, maar als zodanig is het geen motief, maar heeft als het ware slechts voorrang achter de rug van de in zichzelf weerspiegelde bijzondere belangen, het individuele belang in tegenstelling tot dat van de ander. Volgens dit laatste kan het individu hoogstens nog het troostende bewustzijn hebben dat de bevrediging van zijn tegengestelde individuele belang juist de verwezenlijking is van de opgeheven tegenstelling, van het maatschappelijke algemene belang. Vanaf de ruilhandeling zelf, wordt het individu, elk van hen, in zichzelf weerspiegeld als het exclusieve en heersende (bepalende) subject ervan. Zo is de volledige vrijheid van het individu vastgelegd: vrijwillige transactie; geen geweld van niemand; zichzelf als middel stellen, of als dienend, alleen als middel, om zichzelf als doel op zichzelf te stellen, als het heersende en overheersende ding; tenslotte, het egoïstische belang, niemand boven zich realiserend; de ander wordt ook herkend en gekend als eveneens zijn egoïstisch belang realiserend, zodat beiden weten dat het gemeenschappelijke belang juist alleen in de dubbelheid, veelzijdigheid en verzelfstandiging in de verschillende zijden ligt, in de ruil van het egoïstische belang. Het algemeen belang is juist de algemeenheid van de egoïstische belangen.

Wanneer dus de economische vorm, de ruil, de alzijdige gelijkheid van zijn subjecten veronderstelt, dan is de inhoud, de substantie, zowel individueel als zakelijk, die de ruil aandrijft, de vrijheid. Gelijkheid en vrijheid worden dus niet alleen gerespecteerd in de ruil, gebaseerd op ruilwaarden, maar de ruil van ruilwaarden is de productieve, werkelijke basis van alle gelijkheid en vrijheid. Als zuivere ideeën zijn zij slechts de geïdealiseerde uitdrukkingen van deze basis; ontwikkeld in juridische, politieke, sociale verhoudingen, zijn zij slechts deze basis tot een hogere macht. En zo is het in de geschiedenis geweest. Gelijkheid en vrijheid in deze mate ontwikkeld, zijn precies het tegenovergestelde van de vrijheid en gelijkheid in de wereld van de oudheid, waar de ontwikkelde ruilwaarde niet hun basis was, maar waar, integendeel, de ontwikkeling van die basis hen vernietigde. Zij veronderstellen productieverhoudingen die in de oude wereld nog niet gerealiseerd waren, zelfs niet in de middeleeuwen. Directe dwangarbeid is de basis van de eerste; de gemeenschap berust hierop als een bestaand fundament; de arbeid zelf als een privilege, alsnog in zijn bijzonderheid, niet als een algemeen voortbrengen van ruilwaarden, vormt de basis van de tweede. Noch is arbeid dwangarbeid; noch, zoals in het tweede geval, vindt het plaats ten aanzien van een gemeenschappelijkheid als iets hoger (corporaties).

Nu is het waar dat de verhouding tussen degenen die ruilen, voor zover het hun motieven betreft, d.w.z. wat betreft natuurlijke motieven die buiten het economische proces vallen, ook op een zekere dwang berust; maar dit is enerzijds zelf slechts de onverschilligheid van de ander voor mijn behoefte als zodanig, voor mijn natuurlijke individualiteit, vandaar zijn gelijkheid met mij en zijn vrijheid, die tegelijkertijd de voorwaarde van de mijne zijn; anderzijds, als ik door mijn behoeften gedetermineerd, gedwongen word, is het slechts mijn eigen natuur, deze totaliteit van behoeften en aandriften, die een kracht op mij uitoefent; het is niets vreemds (of, mijn belang geponeerd in een algemene, weerspiegelde vorm). Maar het is juist op die manier dat ik dwang uitoefen op de ander en hem in het ruilsysteem drijf.

In het Romeinse recht wordt de slaaf dan ook correct gedefinieerd als iemand die zich niets door ruil kan verwerven (zie Instituut [Marx verwijst hier waarschijnlijk naar het “Corpus iuris civilis” van de Romeinen]). Het is dus even duidelijk dat deze wet, ook al komt zij overeen met een toestand van de maatschappij waarin de ruil nog geenszins ontwikkeld was, niettemin, voor zover zij in een bepaalde omgeving werd ontwikkeld, de regels van de rechtspersoon, van het individu betrokken bij de ruil, kon ontwikkelen en aldus vooruitliep op de wet (volgens het grondbeginsel) op de industriële maatschappij, maar vooral t.o.v. de middeleeuwen moest gelden als het recht van de opkomende bourgeoismaatschappij. Maar de ontwikkeling van dit recht zelf valt volledig samen met de ontbinding van de Romeinse gemeenschap.

Aangezien geld slechts de verwezenlijking is van ruilwaarde en het systeem van ruilwaarden pas is gerealiseerd wanneer het monetaire systeem is ontwikkeld, of omgekeerd, kan het geldsysteem metterdaad slechts de verwezenlijking zijn van dit systeem van vrijheid en gelijkheid. Als graadmeter geeft geld het equivalent slechts zijn definitieve uitdrukking, maakt het alleen qua vorm equivalent. In de circulatie verschijnt weliswaar nog een vormverschil: de twee ruilers verschijnen in verschillende rollen, als koper en verkoper; de ruilwaarde verschijnt nu eens meer algemeen in de geldvorm, dan weer specifiek in de natuurlijke warenvorm, die een prijs heeft; maar eerst wisselen deze rollen; de circulatie zelf geeft geen ongelijkheid, maar een gelijkstelling, een opheffing van een vermeend verschil. De ongelijkheid is slechts een zuiver formele ongelijkheid. Tenslotte, in het geld zoals het op zich circuleert, zodat het nu eens in de ene hand, dan weer in de andere verschijnt, en onverschillig is voor dit verschijnen, is de gelijkheid nu zakelijk. De ene verschijnt als bezitter van het geld aan de andere als het geld, voor zover het het ruilproces betreft. Daarom zijn onverschilligheid en gelijkwaardigheid uitdrukkelijk aanwezig in de vorm van het voorwerp. Het specifieke natuurlijke verschil in de waar, is verdwenen en wordt voortdurend tenietgedaan door de circulatie. Een arbeider die waren koopt tegen 3 sh., verschijnt aan de verkoper in dezelfde functie, in dezelfde gelijkheid, in de vorm van 3 sh., net als de koning die dat doet. Alle verschillen tussen hen zijn verdwenen. De verkoper als zodanig verschijnt slechts als bezitter van een waar tegen de prijs van 3 sh., zodat beiden volkomen gelijk zijn; alleen bestaan de 3 sh. de ene keer in zilver, de andere keer in suiker, enz. In de derde vorm van geld lijkt een andere bepaling tussen de subjecten van het proces in te treden. Maar voor zover geld hier verschijnt als de materiële, algemene waar van contracten, wordt alle verschil tussen tegenpartij en tegenpartij uitgewist. Voor zover het een voorwerp van accumulatie wordt, lijkt het subject hier slechts geld te zijn, de algemene vorm van rijkdom, en aan de circulatie onttrokken, voor zover het geen waren tegen dezelfde prijs onttrekt. Als dus de een accumuleert en de ander niet, gaat dat niet ten koste van de ander. De een geniet echte rijkdom, de ander neemt bezit van de algemene vorm van rijkdom. Als de een verarmt en de ander zich verrijkt, is dit hun vrije wil en vloeit dit geenszins voort uit de economische verhouding, uit de economische relatie zelf, waarin zij ten opzichte van elkaar geplaatst zijn. Zelfs erfenissen en dergelijke juridische verhoudingen, die de ongelijkheden die zo ontstaan in stand houden, voegen niets toe aan deze natuurlijke vrijheid en gelijkheid. Indien de oorspronkelijke verhouding van individu A niet in tegenspraak is met dit systeem, kan deze tegenspraak zeker niet tot stand worden gebracht door individu B die de plaats inneemt van individu A, en het systeem bestendigt. Dit is veeleer een bevestiging van het maatschappelijke lot op de natuurlijke levensduur: een versterking ervan tegen de toevallige invloeden van de natuur, waarvan de invloed als zodanig veeleer een opschorting van de individuele vrijheid zou zijn. Aangezien het individu in deze verhouding slechts de individuatie van het geld is, is het als zodanig even onsterfelijk als het geld, en zijn vertegenwoordiging door erfgenamen is veeleer de uitvoering van deze rol.

Als deze opvatting niet in haar historische context wordt geplaatst, maar wordt aangevoerd als weerlegging van de meer ontwikkelde economische verhoudingen, waarin de individuen zich niet meer alleen tot elkaar verhouden als ruilers of als kopers en verkopers, maar in specifieke verhoudingen, die niet meer allemaal hetzelfde zijn, dan is dat hetzelfde als wanneer men zou beweren dat er geen verschil, om niet te zeggen tegenstelling en tegenstrijdigheid, bestaat tussen natuurlijke lichamen, omdat ze allemaal, wanneer men ze bekijkt vanuit bv. hun gewicht, gewicht hebben en dus gelijk zijn; of gelijk zijn omdat ze allemaal drie dimensies hebben, bv. naar hun gewicht kijken, gewicht hebben en daarom gelijk zijn; of gelijk zijn omdat zij alle de drie ruimtelijke dimensies innemen. Ook de ruilwaarde zelf wordt hier in haar eenvoudige functie afgezet tegen haar ontwikkelde tegengestelde vormen. In de loop der wetenschap verschijnen deze abstracte bepalingen juist als de eerste en de meest povere; zoals zij ook ten dele historisch voorkomen; de meer ontwikkelde als de meer recente. In de gehele bestaande burgerlijke maatschappij verschijnt deze prijsbepaling en circulatie enz. als een oppervlakkig proces, waaronder zich echter in de diepte geheel andere processen afspelen, waarin deze schijnbare gelijkheid en vrijheid van individuen verdwijnt.

Enerzijds vergeet men dat de voorwaarden van de ruilwaarde, als objectieve basis van het hele productiesysteem, reeds van meet af aan voor het individu de dwang impliceert dat zijn onvervreemdbaar product geen product voor hem is, maar dat pas wordt in het maatschappelijke proces en [dat het] deze algemene en toch uiterlijke vorm moet aannemen; dat het individu slechts een bestaan heeft als producent van ruilwaarde, dus zo reeds de volledige negatie van zijn natuurlijk bestaan bevat; het wordt dus volledig bepaald door de maatschappij; dat dit verder de arbeidsverdeling enz. veronderstelt, waarin het individu in andere verhoudingen wordt geplaatst dan die van louter ruiler enz. Dat is niet alleen een voorwaarde die geenszins voortkomt uit de wil noch uit de onmiddellijke natuur van het individu, maar dat het een historische voorwaarde is en dat het individu reeds door de maatschappij bepaald is.

Anderzijds vergeet men dat de hogere vormen waarin de ruil nu [verschijnt], of de productieverhoudingen die daarin tot stand komen, geenszins stoppen bij deze eenvoudige vaststelling, waarbij het hoogste verschil formeel is en dus onverschillig. Men ziet niet dat zelfs in de eenvoudige vormen van ruilwaarde en geld de tegenstelling tussen arbeidsloon en kapitaal enz., latent aanwezig is. Al deze wijsheid komt er dus op neer dat men stopt bij de eenvoudigste economische verhoudingen, die, op zich beschouwd, zuivere abstracties zijn; maar die in werkelijkheid veeleer bemiddeld worden door diepe tegenstellingen en slechts één kant weergeven, waarin de tegenstelling is uitgewist.

Aan de andere kant is er de dwaasheid van de socialisten (namelijk de Fransen, die willen bewijzen dat het socialisme de verwezenlijking is van de ideeën van de burgerlijke maatschappij, uitgedrukt door de Franse Revolutie), die beweren dat de ruilhandel, ruilwaarde, enz. oorspronkelijk (in de tijd) of volgens hun zienswijze (in hun adequate vorm) een systeem van vrijheid en gelijkheid is voor allen, maar vervalst is door geld, kapitaal, enz. Of ook, dat de geschiedenis tot nu toe gefaald heeft in elke poging om ze op hun ware manier uit te voeren, maar dat zij nu, zoals Proudhon, bv. de echte Jacob ontdekt hebben, en nu van plan zijn de echte geschiedenis van deze verhoudingen te leveren in plaats van de valse. Het antwoord aan hen is: dat de ruilwaarde, of beter gezegd het geldsysteem, in feite het systeem van gelijkheid en vrijheid is, en dat wat zij bij de verdere ontwikkeling van het systeem tegenkomen, immanente storingen zijn, en [dat] juist de verwezenlijking van gelijkheid en vrijheid die ongelijkheid en onvrijheid blijken te zijn. Het is een even vrome als domme wens dat ruilwaarde zich niet ontwikkelt tot kapitaal of dat de arbeid die ruilwaarde produceert zich niet ontwikkelt tot loonarbeid. Wat de heren onderscheidt van de burgerlijke apologeten, is enerzijds het besef van de tegenstellingen die het systeem met zich meebrengt; anderzijds het utopisme om het noodzakelijke verschil tussen de werkelijke en de ideale vorm van de burgerlijke maatschappij niet te begrijpen en daarom de overbodigheid ondernemen van het verwezenlijken van de ideale uitdrukking, omdat die in feite slechts de weergave is van deze werkelijkheid.

Het flauwe bewijs, zoals dat tegenover deze socialisten van de gedegenereerde nieuwste economie wordt geleverd (de klassieke vertegenwoordiger hier, voor zover men kan spreken van smakeloosheid, aanstellerige dialectiek, gezwollen arrogantie, verwaande zelfvoldane vulgariteit en volslagen onvermogen om historische processen te doorgronden, is Frederick Bastiat, want de Amerikaan Carey stelt tenminste de specifieke Amerikaanse verhoudingen tegenover de Europese), [bewijs] dat de economische verhoudingen overal dezelfde eenvoudige determinaties en dus overal de gelijkheid en vrijheid van de eenvoudig bepaalde ruil van ruilwaarden uitdrukken, verlaagt zich louter tot een kinderlijke abstractie. Bv. de verhouding tussen kapitaal en rente wordt gereduceerd tot de ruil van ruilwaarden. Zo wordt, nadat eerst vanuit de empirie is aangenomen dat ruilwaarde niet in deze eenvoudige vorm bestaat, maar ook in de wezenlijk andere vorm van kapitaal, het kapitaal weer teruggebracht tot het eenvoudige begrip ruilwaarde, en wordt de rente, die nu een bepaalde verhouding van het kapitaal uitdrukt, eveneens uit zijn specificiteit losgemaakt, gelijkgesteld aan de ruilwaarde; de hele verhouding in haar specifieke karakter wordt gereduceerd tot een abstractie en alles wordt gereduceerd tot de onontwikkelde verhouding van de ruil van een waar tegen een waar. Voor zover ik abstraheer van datgene wat een concretum onderscheidt van het abstractum, is het natuurlijk een abstractie en er niet van te onderscheiden. Volgens deze opvatting zijn alle economische categorieën niet meer dan verschillende namen voor steeds dezelfde verhouding, en dit grove onvermogen om de werkelijke verschillen te vatten wordt dan verondersteld het zuivere gezonde verstand weer te geven. De “economische harmonieën” van de heer Bastiat komen dan neer op het feit dat er één enkele economische verhouding bestaat die verschillende namen aanneemt, of dat er alleen een verschil in naam is. De reductie is zelfs niet formeel wetenschappelijk in de minimale zin dat alles wordt teruggebracht tot een reële economische verhouding door het verschil in en door de ontwikkeling, te laten vallen; veeleer laat men nu eens de ene, dan weer de andere zijde vallen om nu eens de ene, dan weer de andere zijde van de identiteit naar voren te brengen.

Een arbeidsloon bv. is de betaling voor een dienst die door een individu aan een ander wordt verleend. (De economische vorm als zodanig valt hier weg, zoals hierboven reeds is opgemerkt.) Winst is ook een betaling voor een dienst die door een individu aan een ander wordt verleend. Loon en winst zijn dus identiek, en het is eigenlijk een blunder om de ene betaling, arbeidsloon te noemen, en de andere winst. Maar nu winst en rente. Bij winst is de betaling van de dienst aan toeval onderhevig; bij rente ligt zij vast. Aangezien bij het arbeidsloon de betaling relatief gezien vast is, terwijl zij bij de winst, in tegenstelling tot de arbeid, aan toeval is blootgesteld, is de verhouding tussen rente en winst dezelfde als die tussen arbeidsloon en winst, die, zoals wij hebben gezien, bestaat in de ruil van equivalenten tegen elkaar. De tegenstanders nemen deze onzin (door van de economische omstandigheden waar het verzet tot uiting komt, terug te gaan naar die waar het nog slechts latent en verborgen is) dan letterlijk en tonen aan dat er bv. bij kapitaal en rente geen sprake is van een eenvoudige ruil, omdat het kapitaal niet wordt vervangen door een equivalent, maar dat de eigenaar van het kapitaal, nadat hij het equivalent 20 keer in de vorm van rente heeft verbruikt, het nog steeds in de vorm van kapitaal heeft en het kan ruilen tegen nog eens 20 equivalenten. Vandaar het weinig verheffende debat waarin de ene partij beweert dat er geen verschil is tussen ontwikkelde en onontwikkelde ruilwaarde, en de andere beweert dat er helaas wel een verschil is, maar dat dit rechtens niet het geval zou mogen zijn.


Geld als kapitaal is een functie die verder gaat dan de eenvoudige bepaling ervan als geld. Het kan worden beschouwd als een hogere realisatie; zoals kan worden gezegd dat de mens een ontwikkelde aap is. Op deze manier wordt echter de lagere vorm als het primaire subject gesteld, boven het hogere. In ieder geval is geld als kapitaal te onderscheiden van geld als geld. De nieuwe functie moet worden ontwikkeld. Anderzijds lijkt kapitaal als geld een teruggang van het kapitaal in een lagere vorm te zijn. Maar het is slechts een bijzonderheid van het kapitaal die reeds voor het kapitaal als niet-kapitaal bestond en een van zijn voorwaarden vormt. In alle latere verhoudingen duikt het geld weer op; maar functioneert dan niet meer als louter geld. Als, zoals hier, de eerste taak is het te volgen tot in zijn totaliteit als geldmarkt, dan is de rest van de ontwikkeling verondersteld en moet die af en toe worden meegenomen. Dit is dus de algemene definitie van kapitaal voordat we overgaan tot de bijzonderheid ervan als geld.

Wanneer ik, zoals Say, zeg dat kapitaal een som van waarden is, zeg ik niets anders dan dat kapitaal = ruilwaarde. Elke som van waarden is een ruilwaarde, en elke ruilwaarde is een som van waarden. Door simpele optelling kom ik niet van ruilwaarde tot kapitaal. In de loutere accumulatie van geld, zoals we hebben gezien, is de verhouding van kapitalisatie nog niet vastgelegd.

In de zogenaamde detailhandel, in het dagelijkse verkeer van het burgerlijke leven zoals dat zich direct afspeelt tussen producenten en consumenten, in de kleinhandel, waar het doel aan de ene kant is waren te ruilen tegen geld en aan de andere kant geld te ruilen tegen waren, voor de bevrediging van individuele behoeften – in deze beweging, die zich afspeelt aan de oppervlakte van de burgerlijke wereld, daar en daar alleen vindt de beweging van ruilwaarden, hun circulatie, plaats in zijn zuivere vorm. Een arbeider die een brood koopt en een miljonair die een brood koopt, verschijnen in deze handeling slechts als eenvoudige kopers, net zoals de kruidenier hen slechts als verkoper verschijnt. Alle andere aspecten zijn hierdoor uitgewist. De inhoud van hun aankopen, evenals de omvang, lijken volkomen irrelevant ten opzichte van het formele aspect.

Indien in theorie het begrip waarde voorafgaat aan het begrip kapitaal, maar anderzijds voor zijn zuivere ontwikkeling een op kapitaal gebaseerde productiewijze veronderstelt, dan gebeurt in de praktijk hetzelfde. De economen beschouwen het kapitaal dus noodzakelijkerwijs ook als de schepper van waarden, de bron ervan, zoals zij anderzijds waarden veronderstellen voor de vorming van het kapitaal en het zelf slechts voorstellen als een som van waarden in een bepaalde functie. Het bestaan van waarde in haar zuiverheid en algemeenheid veronderstelt een productiewijze, waarin het individuele product heeft opgehouden te bestaan voor de producent en nog meer voor de individuele arbeider, en waarin niets bestaat tenzij het wordt gerealiseerd door circulatie. Voor de persoon die een infinitesimaal deel van een el katoen produceert, is het feit dat dit waarde is, ruilwaarde, geen formele zaak. Als hij geen ruilwaarde, geld, had geschapen, zou hij helemaal niets hebben geproduceerd. Deze waardebepaling heeft dus als voorwaarde een gegeven historische fase van de maatschappelijke productiewijze en is zelf daarmee een gegeven historische verhouding.

Daarentegen ontwikkelen zich in eerdere stadia van het historische proces van maatschappelijke productie, individuele momenten van waardebepaling die als het resultaat daarvan verschijnen.

Binnen de systemen van de burgerlijke maatschappij wordt waarde dus onmiddellijk gevolgd door kapitaal. In de geschiedenis gaan andere systemen vooraf, en zij vormen de materiële basis van een minder volledige ontwikkeling van de waarde. Zoals hier de ruilwaarde een rol speelt naast de gebruikswaarde, is het niet het kapitaal maar de verhouding van het grondbezit die als de werkelijke basis verschijnt. Het moderne grondbezit daarentegen kan helemaal niet worden begrepen, omdat het niet kan bestaan, zonder kapitaal als zijn voorwaarde, en het verschijnt inderdaad historisch als een door het kapitaal bewerkstelligde, zich adequaat aangepaste vorm van de voorafgaande historische vorm van grondbezit. Het is net in de ontwikkeling van het grondbezit, waarin dus de geleidelijke overwinning en ontstaan van het kapitaal kan worden bestudeerd, dat Ricardo, de econoom van de moderne tijd, met groot historisch besef de betrekkingen van kapitaal, loonarbeid en grondrente binnen de grenzen van het grondbezit heeft bekeken, om ze in hun specifieke vorm vast te leggen. De verhouding van de industriële kapitalist tot de grondeigenaar verschijnt als een verhouding die buiten het landeigendom ligt. Maar als de verhouding van de moderne boer tot de grondeigenaar, verschijnt zij als een immanente verhouding van het grondeigendom zelf, en de ander alleen in zijn relatie tot het kapitaal. De geschiedenis van het landeigendom, die de geleidelijke transformatie zou laten zien van de feodale landheer in een landeigenaar, van de erfelijke, half-tribuutplichtige en vaak onvrije pachter voor het leven, in een moderne boer, en van de inwonende lijfeigenen, horigen en villeins die tot het land behoorden, in landarbeiders, in dagloners, dat zou inderdaad de geschiedenis van de vorming van het moderne kapitaal zijn. Met inbegrip van de relatie met het stedelijke kapitaal, de handel, enz. Maar we hebben hier te maken met een ontwikkelde burgerlijke maatschappij, die zich reeds beweegt op haar eigen fundament.

Kapitaal komt voort uit circulatie, met geld als beginpunt. Wij hebben gezien dat geld, dat in circulatie komt en tegelijkertijd naar zichzelf terugkeert, de laatste vorm is waarin het geld zich opheft. Het is tegelijkertijd het eerste besef van kapitaal en de eerste manifestatie ervan. Het geld negeerde zichzelf door in de circulatie te gaan; maar het heeft zichzelf evenzeer ontkend als onafhankelijk ten opzichte van de circulatie. Deze negatie, in haar geheel, in haar positieve rol, bevat de eerste elementen van het kapitaal. Geld is de eerste vorm waarin kapitaal als zodanig verschijnt. G-W-W-G; dat geld wordt geruild tegen waren en waren tegen geld; deze beweging van kopen om te verkopen, die de vormfunctie van de handel creëert, het kapitaal als handelskapitaal, wordt gevonden in de vroegste fasen van economische ontwikkeling; is de eerste beweging waarin ruilwaarde als zodanig de inhoud vormt, niet alleen een vorm is, maar zijn eigen inhoud. De beweging kan plaatsvinden binnen volkeren en tussen volkeren, waarvoor productie absoluut noch de ruilwaarde noch de voorwaarde geworden is. De beweging neemt alleen het overschot op de voor onmiddellijk gebruik berekende productie, en dit alleen in de marge. Zoals de Joden binnen de oude Poolse maatschappij of binnen de middeleeuwse maatschappij in het algemeen, kunnen hele handelsvolkeren, zoals in de oudheid (en later de Longobarden), deze positie innemen tussen volkeren waarvan de productiewijze nog niet wordt bepaald door de ruilwaarde als fundamentele basisvoorwaarde. Commercieel kapitaal is slechts circulerend kapitaal, en circulerend kapitaal is de eerste vorm ervan; waarin het nog geenszins de basis van de productie is geworden. Een meer ontwikkelde vorm is het geldkapitaal en de geldrente, de woeker, waarvan de zelfstandige verschijning eveneens tot een vroeg stadium behoort. Tenslotte is de vorm W-G-G-W, waarin geld en circulatie in het algemeen als louter middelen verschijnen voor de circulerende waar, dat van zijn kant weer uit de circulatie te voorschijn komt en rechtstreeks in de behoefte voorziet, zelf de voorwaarde van die oorspronkelijke verschijning van het handelskapitaal. De voorwaarden lijken verdeeld over de verschillende volkeren of binnen de maatschappij, het handelskapitaal als zodanig wordt geconditioneerd door deze puur op consumptie gerichte circulatie. Anderzijds is de circulerende waar, de waar die zichzelf slechts verwezenlijkt door de vorm aan te nemen van een andere waar uit de circulatie en in de onmiddellijke behoeften voorziet, ook de eerste vorm van kapitaal, dat in wezen warenkapitaal is.

Aan de andere kant is het even duidelijk dat de eenvoudige beweging van ruilwaarden, zoals die bestaat in de zuivere circulatie, nooit kapitaal kan realiseren. Het kan leiden tot het onttrekken en accumuleren van geld, maar zodra het geld weer in omloop komt, lost het op in een reeks ruilprocessen met waren die worden verbruikt, en gaat het dus verloren zodra de koopkracht ervan is uitgeput. Op dezelfde manier komt de waar, die zich door middel van geld tegen een waar heeft geruild, uit de circulatie om te worden geconsumeerd, om te worden vernietigd. Maar als het als geld onafhankelijk wordt gemaakt van de circulatie, dan vertegenwoordigt het slechts de niet-substantiële algemene vorm van rijkdom. Aangezien equivalenten tegen elkaar worden geruild, verdwijnt de in geld vastgelegde vorm van rijkdom zodra deze wordt geruild tegen de waar, en de in de waar aanwezige gebruikswaarde zodra deze wordt geruild tegen geld. Door de eenvoudige ruilhandeling kan het teloorgaan in het andere zodra het daarin wordt gerealiseerd. Niet één kan zich handhaven door in het andere over te gaan. Tegenover de sofisterij van de burgerlijke economen, die het kapitaal verdoezelen door het tot ruilmiddel te herleiden, heeft men dus omgekeerd de even sofistische maar gerechtvaardigde eis, dat het kapitaal werkelijk wordt gereduceerd tot pure ruil, waardoor het als macht zou verdwijnen en vernietigd, zij het in de warenvorm of als geld. [Net zoals de ruilwaarde, d.w.z. alle warenverhoudingen als ruilwaarden, in het geld een ding lijken te zijn, zo verschijnen alle aspecten van de activiteit die ruilwaarden creëert, de arbeid, in het kapitaal.]

De herhaling van het proces vanuit beide punten, geld of waren, zit niet in de voorwaarden van de ruil. De handeling kan slechts worden herhaald totdat zij is voltooid, dat wil zeggen totdat het bedrag van de ruilwaarde is geruild. Het kan zich niet vanzelf herhalen. Circulatie op zich bevat dus geen zelfregulatie. De momenten ervan worden door haar bedongen, niet door haar gesteld. De waren moeten er altijd opnieuw en van buitenaf in gegooid worden, zoals brandstof in het vuur. Anders dooft het uit in onverschilligheid. Het zou met het geld uitdoven, als het onverschillige resultaat dat, voor zover het niet meer in betrekking stond met waren, prijzen of circulatie, zou ophouden geld te zijn en een manifestatie van een productieverhouding; alleen zijn metalen bestaan zou overblijven, terwijl zijn economisch bestaan zou worden vernietigd. De circulatie, die verschijnt als onmiddellijk aanwezig aan de oppervlakte in de burgerlijke maatschappij, is dat alleen maar voor zover zij voortdurend bemiddeld wordt. Op zichzelf beschouwd is het de bemiddeling van veronderstelde uitersten. Maar het maakt deze uitersten niet. Het moet dus niet alleen bemiddeld worden in elk van zijn momenten, maar als een geheel van bemiddeling, als een totaalproces. Zijn onmiddellijke bestaan is dus zuiver schijn. Het is het fenomeen van een proces in de achtergrond. Het wordt nu ontkend in elk van zijn momenten – als waar – als geld – en als wederzijdse betrekking, als eenvoudige ruil en circulatie van beide. Terwijl de handeling van maatschappelijke productie oorspronkelijk verscheen als het poneren van ruilwaarden en dit, in zijn latere ontwikkeling, als circulatie – als volledig ontwikkelde wederzijdse beweging van ruilwaarden – keert nu de circulatie zelf terug in de activiteit die ruilwaarden poneert of produceert. Het gaat terug naar zijn fundament. Het zijn de waren (hetzij in hun bijzondere vorm, hetzij in de algemene vorm van geld) die de voorwaarde vormen van de circulatie; zij zijn de verwezenlijking van een bepaalde arbeidstijd en, als zodanig, waarden; noodzakelijk is derhalve zowel de productie van waren door arbeid als hun productie als ruilwaarde. Dit is het uitgangspunt en door de eigen beweging keert het terug naar de ruilwaarde scheppende productie als resultaat. Wij zijn dus weer aangekomen bij het uitgangspunt, bij de vaststelling van de ruilwaarde, bij het produceren, maar ditmaal op een zodanige wijze dat de circulatie als een ontwikkeld moment verondersteld is en verschijnt als een voortdurend circulatieproces dat er voortdurend uit terugkeert en opnieuw vertrekt. De beweging die de ruilwaarde bepaalt, verschijnt hier dus in een veel gecompliceerdere vorm, in die zin dat zij niet langer alleen de beweging is van de veronderstelde ruilwaarden of het formeel vaststellen van de prijzen, maar dat zij deze tegelijkertijd creëert als voorwaarden, deze produceert. De productie zelf is hier niet meer aanwezig voor een resultaat, d.w.z. voorondersteld; maar zij verschijnt veeleer als tegelijkertijd zelf deze resultaten voortbrengend; maar zij brengt ze niet voort, zoals in het eerste stadium, als louter leidend tot circulatie, maar als gelijktijdige circulatie, het ontwikkelde circulatieproces. (Circulatie bestaat au fond alleen in het formele proces van het vaststellen van de ruilwaarde, de ene keer in de bepaling van de waar, de andere keer in de bepaling van het geld.)

Deze beweging komt in verschillende vormen voor, niet alleen historisch, als leidend naar waarde producerende arbeid, maar ook binnen het systeem van de burgerlijke productie zelf, d.w.z. productie voor ruilwaarde. Bij halfbarbaarse of geheel barbaarse volkeren komen eerst de handelsvolkeren tussenbeide, of de stammen, wier productie natuurlijk verschillend is, zij komen met elkaar in contact en ruilen hun overschot. Het eerste geval is de meer klassieke vorm. Dus laten we daar bij blijven. De ruil van het overschot is een proces van ruil en ruilwaarde. Maar het strekt zich alleen uit tot de ruil [van overschot] en vindt plaats naast de productie. Herhaalt zich echter het ruilen met de handelaars (de Longobarden, Noormannen enz. spelen deze rol ten opzichte van bijna alle Europese volkeren), dan ontstaat er continu een handel waarbij het producerende volk zich alleen bezighoudt met de zogenaamde passieve handel, in die zin dat degene die het overschot heeft geproduceerd, degene is die het moet ruilen, aangezien de impuls tot het vaststellen van de ruilwaarde van buiten komt, en niet van de interne productie, moet het productieoverschot niet slechts een toevallig, af en toe aanwezig overschot zijn, maar een voortdurend herhaald overschot, en zo krijgt de binnenlandse productie zelf een tendens die gericht is op circulatie, het vaststellen van de ruilwaarden. In het begin is het effect materieel. Het behoefteniveau neemt toe; het doel is de bevrediging van de nieuwe behoeften en dus een grotere regelmaat en meer productie. De organisatie van de huishoudelijke productie zelf is reeds gewijzigd door de circulatie en de ruilwaarde; maar zij is er nog niet door in beslag genomen, noch qua oppervlakte, noch in de diepte. Dit is wat men noemt het beschavende effect van buitenlandse handel. Het hangt dan deels af van de intensiteit van dit externe effect, deels van de mate waarin de elementen van de binnenlandse productie – de arbeidsdeling, enz. – reeds zijn ontwikkeld, in welke mate de dynamiek van de ruilwaarde de hele productie aantast. In Engeland bv. was de invoer van Nederlandse waren in de 16e en begin 17e eeuw belangrijk t.o.v. het woloverschot dat Engeland in ruil moest leveren. Om meer wol te produceren werd akkerland omgezet in schapenweides, werd het systeem van kleine pachters gebroken, enz., ontruiming van boerenerven, enz. De landbouw verloor aldus het karakter van arbeid voor gebruikswaarde, en de ruil van het overschot verloor het karakter van relatieve onverschilligheid ten opzichte van de interne structuur van de productie. Op bepaalde punten werd de landbouw zelf geheel bepaald door de circulatie, omgevormd tot productie voor ruilwaarde. Niet alleen de productiewijze werd daardoor veranderd, maar ook alle oude verhoudingen van bevolking en productie, de economische verhoudingen die daarmee overeenkwamen, werden opgeheven. Hier was dus een circulatie die een productie veronderstelde waarin alleen het overschot als ruilwaarde werd gecreëerd; maar zij veranderde in een productie die alleen plaatsvond in verband met de circulatie, een productie die ruilwaarden als haar exclusieve inhoud stelde.

In de moderne productie daarentegen, waarin ruilwaarde en ontwikkelde circulatie verondersteld worden, bepalen de prijzen enerzijds de productie en anderzijds bepaalt de productie de prijzen.

Wanneer men zegt dat kapitaal “geaccumuleerde (gerealiseerde) arbeid is (eigenlijk geobjectiveerde arbeid) die dient als middel tot nieuwe arbeid (productie)”, beschouwt men de gangbare opvatting van kapitaal, afgezien van de bepaling van de vorm, zonder welke het geen kapitaal is. Het betekent niets anders dan een kapitalistisch productiemiddel, want in de ruimste zin van het woord moet elk voorwerp, zelfs dat wat zuiver door de natuur wordt geleverd, zoals stenen, zich eerst door een of andere activiteit laten toe-eigenen voordat het kan dienen als instrument, als productiemiddel. Dat kapitaal in alle samenlevingsvormen zou hebben bestaan, is iets totaal onhistorisch. Volgens dit principe is iedere ledemaat van het lichaam kapitaal, omdat elk niet alleen ontwikkeld moet worden door activiteit, werk, maar ook gevoed, gereproduceerd moet worden om als orgaan actief te kunnen zijn. De arm, de hand in het bijzonder, is dus kapitaal. Kapitaal zou slechts een nieuwe naam zijn voor iets dat zo oud is als de mensheid, want elke vorm van arbeid, zelfs de meest onontwikkelde, de jacht, de visvangst, enz. veronderstelt dat het product van vroegere arbeid wordt gebruikt als middel voor onmiddellijke, levende arbeid. De verdere bepaling in de bovenstaande definitie, zodat van de materiële substantie van de producten geheel wordt geabstraheerd en de vroegere arbeid zelf als haar enige inhoud (substantie) wordt beschouwd; hoe eveneens wordt geabstraheerd van het bepaalde, speciale doel waarvoor dit product nu weer als middel moet dienen, en veeleer alleen een productie in het algemeen als doel wordt gesteld – dit alles schijnt slechts het werk van de abstractie te zijn, die in alle maatschappelijke toestanden even waar is, en alleen de analyse verder voert en haar abstracter (algemener) formuleert dan anders waarschijnlijk zou worden gedaan. Als men aldus de definitieve vorm van het kapitaal abstraheert en alleen de inhoud benadrukt, namelijk dat het een noodzakelijk moment is van alle arbeid, dan is natuurlijk niets gemakkelijker te bewijzen dan dat kapitaal een noodzakelijke voorwaarde is van alle menselijke productie. Het bewijs hiervoor wordt geleverd door de abstractie van de specifieke aspecten die het moment van een specifiek ontwikkelde historische fase van de menselijke productie uitmaken. Het addertje onder het gras is dat als alle kapitaal geobjectiveerde arbeid is, die dient als middel voor nieuwe productie, het niet zo is dat alle geobjectiveerde arbeid die dient als middel voor nieuwe productie, kapitaal is. Kapitaal wordt opgevat als een ding, niet als een verhouding.

Als daarentegen wordt gezegd dat kapitaal een som van waarden is die wordt aangewend voor de productie van waarden, betekent dit: kapitaal is de zichzelf reproducerende ruilwaarde. Maar formeel reproduceert de ruilwaarde zich ook in de circulatie. In deze uitleg wordt de vorm vastgelegd, waarbij de ruilwaarde het uitgangspunt is, maar de verhouding tot de inhoud (die bij het kapitaal niet onverschillig is zoals bij de eenvoudige ruilwaarde) wordt losgelaten. Als men zegt dat kapitaal ruilwaarde is die winst oplevert of althans wordt aangewend met de bedoeling winst te maken, dan is kapitaal reeds verondersteld in zijn eigen verklaring, want winst is een specifieke verhouding van het kapitaal tot zichzelf. Kapitaal is geen eenvoudige verhouding, maar een proces, waarin de verschillende momenten altijd kapitaal zijn. Dat moet dus ontwikkelen. In de geaccumuleerde arbeid gaat ook al iets schuil, want in de definitie van het begrip wordt het verondersteld geobjectiveerde arbeid te zijn, waarin een bepaalde hoeveelheid arbeid wordt geaccumuleerd. Die geaccumuleerde arbeid omvat echter reeds een kwantum van zulke objecten waarin arbeid gerealiseerd is.

“In het begin was iedereen tevreden, want voor elke ruiler was de ruil alleen gericht op dingen zonder waarde: er werd geen belang aan gehecht, en iedereen was tevreden als hij in ruil een nuttig voorwerp kreeg voor een voorwerp zonder nut. Maar toen door de arbeidsdeling iedereen koopman was geworden en de maatschappij een handelsonderneming, wilde iedereen zijn producten alleen afstaan in ruil tegen een equivalent; om dit equivalent te bepalen, moest men dus de waarde kennen van wat men ontving”. (Ganilh. 12, b.)

Met andere woorden, het bleef niet bij de ruil en de formele vaststelling van de ruilwaarden, maar ging noodzakelijkerwijs over tot het onderwerpen van de productie aan de ruilwaarde.

1. Circulatie en de uit circulatie voortkomende ruilwaarde zijn de voorwaarden van het kapitaal

Om het begrip kapitaal te ontwikkelen, moet men niet uitgaan van de arbeid, maar van de waarde, en meer bepaald van de ruilwaarde die reeds in de circulatiebeweging is ontwikkeld. Het is net zo onmogelijk rechtstreeks van arbeid op kapitaal over te gaan als rechtstreeks van de verschillende etnische groepen op de bankier, of van de natuur op de stoommachine. Wij hebben gezien dat in het geld als zodanig de ruilwaarde reeds een van de circulatie onafhankelijke vorm heeft gekregen, maar slechts een negatieve, voorbijgaande of, wanneer zij gefixeerd is, een illusoire vorm. Het bestaat alleen met betrekking tot de circulatie en als een mogelijkheid om die circulatie binnen te gaan; maar het verliest deze functie zodra het gerealiseerd wordt, en valt terug in de twee eerdere functies als graadmeter voor ruilwaarden en als ruilmiddel. Zodra het geld gesteld is als ruilwaarde, en zich niet alleen verzelfstandigt tegenover de circulatie, maar zich daarin handhaaft, is het geen geld meer, want als zodanig komt het niet verder dan de negatieve bepaling, maar is het kapitaal. Dat het geld de eerste vorm is waarin de ruilwaarde overgaat tot de rol van kapitaal, en dat dus de eerste verschijningsvorm van het kapitaal wordt verward met het kapitaal zelf of wordt beschouwd als de enige adequate vorm ervan, is een historisch feit dat onze uiteenzetting niet tegenspreekt, maar veeleer bevestigt. De eerste vaststelling van het kapitaal is dus deze: dat de ruilwaarde, die haar oorsprong vindt in de circulatie en haar dus veronderstelt, zich daarin en daardoor handhaaft; zich niet verliest door erin op te gaan; niet de beweging is van haar verdwijnen, maar veeleer de beweging van haar werkelijke voltooiing [Sichsetzens] als ruilwaarde, de realisatie van de ruilwaarde.

Men kan niet zeggen dat in de eenvoudige circulatie ruilwaarde als zodanig wordt gerealiseerd. Het wordt altijd pas gerealiseerd op het moment dat het verdwijnt. Als de waar door middel van geld tegen een waar wordt geruild, verdwijnt de waardebepaling op het moment dat die tot stand komt en treedt het uit de samenhang, wordt het onverschillig en een direct object van de behoefte. Wordt geld geruild tegen waren, dan verdwijnt zelfs de ruilvorm als louter formele bemiddeling om het natuurlijke materiaal van de waar in handen te krijgen. Worden waren tegen geld geruild dan wordt de vorm van de ruilwaarde de als ruilwaarde vastgestelde ruilwaarde, het geld, voor zover het buiten de ruil blijft, zich eraan onttrekt, zuiver illusoire verwerkelijking, zuiver ideëel in deze vorm, waarin de zelfstandigheid van de ruilwaarde concreet bestaat. Als ten slotte geld tegen geld wordt geruild – de vierde vorm waarin de circulatie kan worden geanalyseerd, maar au fond slechts de derde vorm is die in de ruilvorm wordt uitgedrukt – verschijnt er ook geen formeel verschil meer tussen de verschillen; onderscheid zonder verschil; niet alleen de ruilwaarde verdwijnt, maar ook de formele beweging van haar verdwijning verdwijnt. Au fond zijn deze vier vormen van de eenvoudige circulatie te reduceren tot twee, die in zichzelf samenvallen; het verschil bestaat erin welke van de twee de toon zet, het accent krijgt; welk van de twee momenten – geld en de waar – het uitgangspunt is. Namelijk geld tegen waren: d.w.z. de ruilwaarde van de waar verdwijnt ten gunste van zijn materiële inhoud [substantie in het handschrift]; of waren tegen geld, d.w.z. de inhoud [substantie in het handschrift] verdwijnt ten gunste van zijn vorm als ruilwaarde. In het eerste geval is de vorm van de ruilwaarde verdwenen [ausgelöscht], in het tweede zijn substantie; in beide gevallen is de realisatie ervan een verdwijnende. Alleen in het kapitaal wordt de ruilwaarde als ruilwaarde gesteld, in die zin dat zij zichzelf in de circulatie in stand houdt, d.w.z. zij wordt niet substantieloos, maar verwezenlijkt zichzelf in steeds andere substanties, een totaliteit daarvan; evenmin verliest zij haar vormfunctie, maar behoudt haar identiteit met zichzelf in elk van de verschillende substanties. Het blijft dus altijd geld en altijd een waar. Op elk moment verdwijnen de beide momenten in de circulatie in elkaar. Maar dit slechts in zoverre dat het zelf een steeds vernieuwende kringloop van ruilingen is. Ook in dit opzicht verschilt deze circulatie van die van de eenvoudige ruilwaarden als zodanig. Eenvoudige circulatie is inderdaad slechts circulatie vanuit het standpunt van de waarnemer of op zich, niet als zodanig gesteld. Het is niet dezelfde ruilwaarde – juist omdat haar substantie een bepaalde waar is – die eerst geld wordt en dan weer waar; maar het zijn altijd andere ruilwaarden, andere waren, tegenover het geld. De circulatie, de kringloop, bestaat slechts in de eenvoudige herhaling of afwisseling van de functie van de waar en het geld, niet in het feit dat het werkelijke vertrekpunt ook het punt van terugkeer is. Daarom, voor zover de eenvoudige circulatie als zodanig wordt beschouwd, en alleen geld het blijvende moment is, wordt zij loutere geldcirculatie, loutere geldomloop genoemd.

“Kapitaalwaarden vereeuwigen zich.” (Say, 14)
“Kapitaal – permanente (“zichzelf vermenigvuldigend” hoort hier nog niet) waarde, die niet meer vergaat; deze waarde trekt zich los van de waar, die haar creëerde; als een metafysische, onsubstantiële kwaliteit bleef zij steeds in het bezit van dezelfde producent (hier om het even: zeg maar bezitter), voor wie zij verschillende vormen vervulde.” (Sismondi. VI)

De onvergankelijkheid die het geld nastreefde door zich negatief op te stellen tegenover de circulatie, door zich eraan te onttrekken, bereikt het kapitaal door zich te handhaven, juist door zich prijs te geven aan de circulatie. Het kapitaal, als de ruilwaarde die door de circulatie wordt verondersteld of die de circulatie veronderstelt en zich daarin handhaaft, is niet slechts op elk moment, idealiter, elk van de twee momenten in de eenvoudige circulatie, maar het neemt afwisselend de vorm van het ene en het andere aan, maar niet meer op zo’n manier dat het, zoals in de eenvoudige circulatie, alleen van het ene in het andere overgaat, maar in elk van de functies tegelijkertijd relationeel is tot het tegenovergestelde, d.w.z., ze ideëel in zich bevat. Kapitaal wordt afwisselend [koop]waar en geld; maar 1. het is zelf afwisselend een van deze twee functies; 2. het wordt [koop]waar; maar niet deze of gene [koop]waar, maar een totaliteit van waren. Zij is niet onverschillig t.o.v. de substantie, maar wel voor de bijzondere vorm; verschijnt aan deze zijde als een voortdurende metamorfose van deze substantie; voor zover zij dan wordt voorgesteld als de bijzondere inhoud van de ruilwaarde, is deze bijzonderheid zelf een totaliteit van bijzonderheden; vandaar onverschillig niet voor de bijzonderheid als zodanig, maar voor de afzonderlijke of geïsoleerde bijzonderheid. De identiteit, de algemene vorm, die het krijgt, is die van ruilwaarde en, als zodanig, geld. Het wordt dus nog steeds als geld gesteld, het ruilt zichzelf in feite als waren tegen geld. Maar ingesteld als geld, d.w.z. als een contrasterende vorm van de algemeenheid van de ruilwaarde, is daarin tegelijk vastgelegd dat het niet zijn algemeenheid verliest, zoals in de eenvoudige circulatie, maar juist zijn tegengestelde functie, of dat het alleen maar verdwijnt, waardoor het zichzelf weer ruilt tegen een waar, maar als waar, die zelf in zijn bijzonderheid de algemeenheid van de ruilwaarde tot uitdrukking brengt, daarom voortdurend zijn vorm verandert.

Als we hier over kapitaal spreken, is het slechts een naam. Het enige bepalende verschil tussen kapitaal en onmiddellijke ruilwaarde en geld is dat de ruilwaarde zichzelf in stand houdt en vereeuwigt in de circulatie en door circulatie. We hebben tot nu toe slechts één kant bekeken, die van zelfbehoud in en door circulatie. De andere, net zo belangrijke kant, is dat de ruilwaarde wordt voorondersteld, maar niet langer als eenvoudige ruilwaarde, zoals die bestaat als louter ideale eigenschap van de waar voordat het in circulatie komt, of als louter bedoelde eigenschap, omdat het eerst in de circulatie als een verdwijnend moment, ruilwaarde wordt; noch als ruilwaarde zoals die bestaat als moment in de circulatie, als geld; zij bestaat hier veeleer als geld, als geobjectiveerde ruilwaarde, maar met de toevoeging van de zojuist beschreven relatie. Wat de tweede bepaling [geld] onderscheidt van de eerste is dat 1. zij bestaat in de vorm van een object; 2. uit de circulatie voorkomt, zich zo veruitwendigt, maar tegelijk als veruitwendiging daar tegenover staat.

Er zijn twee manieren om het resultaat van de eenvoudige circulatie uit te drukken:

Het eenvoudige negatieve: de circulerende waren hebben hun doel bereikt; zij worden tegen elkaar geruild; elk wordt het voorwerp van behoefte en geconsumeerd. Daarmee stopt de circulatie. Er blijft niets anders over dan geld als een eenvoudig residu. Als residu heeft het echter opgehouden geld te zijn, verliest het zijn vormfunctie. Het zinkt weg in zijn materie, die overblijft als de anorganische as van het hele proces.

Het positieve negatieve: geld wordt ontkend, niet als geobjectiveerde ruilwaarde [zijnde] voor zichzelf – niet louter verdwijnend in de circulatie; maar de tegengestelde zelfstandigheid, de louter abstracte algemeenheid waarin het zich heeft genesteld, wordt ontkend; maar

Ten derde: De ruilwaarde, die de voorwaarde en tegelijkertijd het resultaat van de circulatie is, zoals zij verondersteld wordt daaruit te zijn voortgekomen, moet er ook opnieuw uit voortkomen. Als dit alleen formeel gebeurt, zou het weer gewoon geld worden; als het als een echte waar te voorschijn komt, zoals in de eenvoudige circulatie, zou het een eenvoudig voorwerp van de behoefte worden, als zodanig verbruikt en eveneens zijn vormfunctie verliezen. Opdat het ontstaan realiteit zou worden, moet het ook het voorwerp van de behoefte worden en als zodanig worden geconsumeerd, maar het moet worden geconsumeerd door arbeid en zich aldus opnieuw reproduceren.

Met andere woorden, de ruilwaarde was oorspronkelijk, naar haar inhoud, een geobjectiveerd kwantum van arbeid of arbeidstijd; als zodanig bleef zij door de circulatie heen in haar objectivering voortbestaan tot haar bestaan als geld, tastbaar geld. Zij moet nu opnieuw het uitgangspunt van de circulatie bepalen, dat buiten de circulatie lag, dat voor haar verondersteld was, en waarvoor de circulatie verscheen als een externe, doordringende en intern transformerende beweging; dit punt was de arbeid; maar nu niet meer als een eenvoudig equivalent of als een eenvoudige objectivering van de arbeid, maar veeleer als geobjectiveerde ruilwaarde, nu zelfstandig geworden, die zich aan de arbeid overgeeft, haar materiaal wordt, alleen om zichzelf te herhalen en uit zichzelf weer te gaan circuleren. En daarmee is het niet langer een eenvoudig gelijkstellen, een behoud van zijn identiteit, zoals in de circulatie, maar veeleer een vermenigvuldiging van zichzelf. Ruilwaarde wordt slechts ruilwaarde door zichzelf te valoriseren, d.w.z. door haar waarde te vermeerderen. Geld (zoals het uit de circulatie is teruggekeerd) heeft zijn starheid als kapitaal verloren en is van een tastbaar ding veranderd in een proces. Maar tegelijkertijd heeft de arbeid haar verhouding tot haar objectiviteit veranderd; ook zij is tot zichzelf teruggekeerd. Maar de aard van de terugkeer is deze, dat de in de ruilwaarde geobjectiveerde arbeid de levende arbeid poneert als een middel om haar te reproduceren, terwijl de ruilwaarde oorspronkelijk louter als een product van arbeid verscheen.

2. De ruilwaarde die uit de circulatie komt, zichzelf veronderstelt, zichzelf erin handhaaft en zichzelf vermenigvuldigt door middel van arbeid

{I. 1. Algemeen begrip van het kapitaal. – 2. Eigenschappen van het kapitaal: circulair kapitaal, vast kapitaal. (Kapitaal als bestaansvoorwaarde [Lebensmittel], als grondstof, als arbeidsinstrument.) 3. Kapitaal als geld. II. 1. Hoeveelheid kapitaal. Accumulatie. – 2. Het kapitaal op zich genomen. Winst. Rente. Waarde van het kapitaal: d.w.z. kapitaal dat zich onderscheidt van zichzelf als rente en winst. 3. De circulatie van de kapitalen. α) Ruil van kapitaal met kapitaal. Ruil van kapitaal met revenuen. Kapitaal en prijzen. β) Concurrentie van kapitalen. γ) Concentratie van kapitalen. III. Kapitaal als krediet. IV. Kapitaal als aandelenkapitaal. V. Kapitaal als een geldmarkt. VI. Kapitaal als bron van rijkdom. De kapitalist. Na het kapitaal zou dan het grondeigendom moeten worden behandeld. Dan de loonarbeid. Alle drie veronderstellen prijsbewegingen, zoals de circulatie nu gedefinieerd is in haar interne totaliteit. Aan de andere kant de drie klassen, als productie in haar drie basisvormen en voorwaarde van de circulatie. Dan de staat. (Staat en burgerlijke maatschappij. – De belasting of het bestaan van onproductieve klassen. – De staatsschuld. – De bevolking. – De staat extern: kolonies. Buitenlandse handel. Wisselkoers. Geld als internationale munt. – Ten slotte de wereldmarkt. Invloed [übergreifen] van de burgerlijke maatschappij op de staat. De crises. Ontbinding van de productiewijze en de maatschappijvorm, gebaseerd op ruilwaarde. De echte invoering van de individuele arbeid als maatschappelijk en vice versa.)}

(Niets is zo fout als de wijze waarop de maatschappij door zowel economen als socialisten wordt bekeken in relatie tot de economische omstandigheden. Proudhon bv. zegt tegen Bastiat (XVI, 29):

Voor de maatschappij bestaat het verschil tussen kapitaal en product niet. Dit verschil is geheel subjectief, en gerelateerd aan de individuen.”

Het noemt dus juist subjectief wat maatschappelijk is; en de subjectieve abstractie noemt hij de maatschappij. Het verschil tussen product en kapitaal is nu juist dat het product, als kapitaal, uitdrukking geeft aan een bepaalde verhouding die behoort tot een historische vorm van de maatschappij. Deze zogenaamde beschouwing vanuit het standpunt van de maatschappij betekent niets anders dan het over het hoofd zien van de verschillen die de maatschappelijke verhouding uitdrukken (verhouding van de burgerlijke maatschappij). De maatschappij bestaat niet uit individuen, maar drukt de som uit van de relaties, de verhoudingen, waarin deze individuen tot elkaar staan. Alsof iemand wil zeggen: vanuit het standpunt van de maatschappij bestaan slaven en burgers niet, beiden zijn mensen. Zij zijn dat veeleer buiten de maatschappij. Slaaf zijn en burger zijn, zijn maatschappelijke bepalingen, verhoudingen tussen de mensen A en B. De mens A is geen slaaf als zodanig. Hij is een slaaf in en door de maatschappij. Wat Proudhon hier zegt over kapitaal en product betekent dat er vanuit het standpunt van de maatschappij geen verschil is tussen kapitalisten en arbeiders, een verschil dat net bestaat vanuit het standpunt van de maatschappij).

(Proudhon in zijn polemiek tegen Bastiat: “Gratuité du Crédit” komt er op neer dat hij de ruil tussen kapitaal en arbeid wil reduceren tot de eenvoudige ruil van waren als ruilwaarden, tot de momenten van de eenvoudige circulatie, d.w.z. juist abstraheert van het specifieke verschil waar alles van afhangt. Hij zegt:

“Elk product wordt op een gegeven moment kapitaal, want alles wat geconsumeerd wordt, wordt op een gegeven moment reproductief geconsumeerd.” [p. 177] Dit is erg fout, maar doet niets. Waardoor verandert het begrip product, plotseling in dat van kapitaal? Het is het waardebegrip. D.w.z. dat het product, om kapitaal te worden, een reële waardebepaling moet ondergaan, moet zijn gekocht of verkocht, de prijs ervan moet zijn besproken en vastgesteld door een soort juridische overeenkomst. Zo is bv. het leer dat het slachthuis verlaat het product van de slachter. Is dit leer gekocht door de leerlooier? Onmiddellijk draagt deze het, of brengt deze waarde naar zijn magazijn. Door de arbeid van de leerlooier wordt dit kapitaal opnieuw een product, enz. [pp. 179-180]

Elk kapitaal is hier “une valeur faite” [“een voltooide waarde”]. Geld is de “valeur la plus parfaite” [“de meest volmaakte waarde”], de valeur faite met de hoogste potentie. D.w.z.: 1. Het product wordt kapitaal door waarde te worden. Of kapitaal is niets anders dan simpele waarde. Er is geen verschil tussen hen. Vandaar dat hij afwisselend spreekt over waren (het natuurlijke ervan uitgedrukt als product), en waarde, of liever, omdat hij uitgaat van de handeling van kopen en verkopen, prijs. 2. Aangezien geld verschijnt als de voltooide vorm van waarde zoals het is in de eenvoudige circulatie, is dus ook geld de ware valeur faite).

De overgang van eenvoudige ruilwaarde en de circulatie in kapitaal kan ook op deze manier worden uitgedrukt: in de circulatie verschijnt de ruilwaarde tweemaal: eenmaal als waar, de andere keer als geld. Als het in de ene bepaling bestaat, bestaat het niet in de andere. Dit geldt voor elke aparte waar. Maar de hele circulatie, op zich, ligt in het feit dat dezelfde ruilwaarde, de ruilwaarde als subject, de ene keer bestaat als waar, de andere keer als geld, en juist de beweging bestaat erin zich in deze dubbele bepaling te plaatsen en zich in elk van hen te handhaven als zijn tegendeel, in de waar als geld en in het geld als waar. Dit echter, dat op zich aanwezig is in de eenvoudige circulatie, wordt er niet in geponeerd. De ruilwaarde die als eenheid van waren en geld wordt vastgesteld, is kapitaal, en deze vaststelling zelf verschijnt als de circulatie van kapitaal. (Die echter een spiraal is, een zich verwijdende curve, niet een eenvoudige cirkel).

Laten we eerst de eenvoudige functies binnen de verhouding tussen kapitaal en arbeid analyseren, om de interne samenhang – zowel van deze functies als van hun verdere ontwikkelingen – met het eerdere te vinden.

De eerste voorwaarde is dat kapitaal aan de ene kant staat en arbeid aan de andere, beide als zelfstandige figuren tegenover elkaar; beide dus ook vreemd ten opzichte van elkaar. De arbeid die tegenover het kapitaal staat, is vreemde arbeid, en het kapitaal dat tegenover de arbeid staat, is vreemd kapitaal. De uitersten die tegenover elkaar staan zijn specifiek verschillend. In het eerste, de eenvoudige ruilwaarde, werd arbeid zodanig bepaald dat het product geen onmiddellijke gebruikswaarde voor de arbeider was, geen direct middel van bestaan. Dit was de algemene voorwaarde voor het ontstaan van ruilwaarde en van ruil in het algemeen. Anders zou de arbeider slechts een product hebben voortgebracht – een onmiddellijke gebruikswaarde voor hemzelf – maar geen ruilwaarde. Deze ruilwaarde werd echter gematerialiseerd in een product dat als zodanig gebruikswaarde had voor anderen en als zodanig het voorwerp was van hun behoeften. De gebruikswaarde die de arbeider aan het kapitaal te bieden heeft, die hij ook aan anderen te bieden heeft, is niet gematerialiseerd in een product, bestaat helemaal niet buiten hem om, dus niet werkelijk, maar alleen naar mogelijkheid, als zijn vermogen. Zij wordt pas reëel zodra zij door het kapitaal wordt gevraagd, in beweging wordt gezet, want activiteit zonder een voorwerp is niets, of hoogstens gedachte-activiteit, waarover wij het hier niet hebben. Zodra zij door het kapitaal in beweging is gebracht, bestaat deze gebruikswaarde als de specifieke, productieve activiteit van de arbeider; zij is zijn levenskracht zelf, gericht op een specifiek doel en zich dus uitend in een specifieke vorm.

In de verhouding kapitaal en arbeid worden ruilwaarde en gebruikswaarde tegenover elkaar gesteld; de ene zijde (kapitaal) staat allereerst als ruilwaarde tegenover* de andere zijde, en de andere zijde (arbeid) staat tegenover kapitaal als gebruikswaarde. In de eenvoudige circulatie kan elk van de waren afwisselend in de ene of in de andere functie worden beschouwd.

* {Is waarde niet op te vatten als de eenheid van gebruikswaarde en ruilwaarde? Is waarde als zodanig, en voor zichzelf, de algemene vorm, tegenover gebruikswaarde, en ruilwaarde als de bijzondere vormen ervan? Is dit belangrijk in de economie? Gebruikswaarde wordt ook verondersteld in eenvoudige ruil of zuivere ruil. Maar hier, waar de ruil alleen plaatsvindt omwille van onderling gebruik van de waar, heeft de gebruikswaarde, d.w.z. de inhoud, de natuurlijke bijzonderheid van de waar als zodanig, geen bestaan als een economische vorm. De vormfunctie is veeleer de ruilwaarde. De inhoud buiten deze vorm is irrelevant; zij is niet de inhoud van de verhouding als een maatschappelijke verhouding. Maar ontwikkelt deze inhoud zich als zodanig niet in een systeem van behoeften en productie? Treedt de gebruikswaarde als zodanig niet in de vorm zelf, als bepalend voor de economische vorm zelf, bv. in de verhouding tussen kapitaal en arbeid? De verschillende vormen van arbeid? – Landbouw, industrie, enz. – grondrente? – invloed van de seizoenen op de grondstofprijzen? enz. Als alleen de ruilwaarde als zodanig een rol speelt in de economie, hoe kunnen dan later elementen hun intrede doen die puur betrekking hebben op de gebruikswaarde, zoals bv. in het geval van kapitaal als grondstof enz. Hoe geraakt de fysieke kwaliteit van de grond bij Ricardo plotseling ondergesneeuwd, enz? Het woord waar (Duits Güter misschien als denrée [gebruikswaarde] in onderscheid van marchandise? [ruilwaarde]) bevat de relatie. De prijs verschijnt als een loutere formele bepaling ervan. Dat de ruilwaarde de overheersende factor is, is daarmee geenszins in tegenspraak. Maar het gebruik houdt natuurlijk niet op door alleen bepaald te worden door de ruil; hoewel het natuurlijk zijn richting daardoor krijgt. In elk geval moet dit nauwkeurig worden onderzocht bij het onderzoek van de waarde, en niet, zoals Ricardo doet, er louter van abstraheren, noch, zoals de saaie Say, belangrijk maken met de loutere vooronderstelling van het woord “nut”. Bovenal zal en moet in de ontwikkeling van de afzonderlijke delen blijken in hoeverre de gebruikswaarde niet slechts als een veronderstelde substantie buiten de economie en haar vormfuncties blijft, en in hoeverre zij er deel van uitmaakt. Proudhons wartaal zie de “Misère”. Zoveel is al zeker: in de ruil hebben we (in de circulatie) de waar – gebruikswaarde – als prijs; het spreekt vanzelf dat het, afgezien van zijn prijs, een waar is, een voorwerp van behoefte. De twee bepalingen staan in het geheel niet met elkaar in betrekking, behalve in zoverre de bijzondere gebruiks[waarde] verschijnt als de natuurlijke begrenzing van de waar en dus het geld, d.w.z. zijn ruilwaarde, tegelijkertijd als een bestaan naast zichzelf in geld, maar alleen formeel. Geld zelf is een waar, het heeft een gebruikswaarde als substantie.}

In beide gevallen, beschouwd als een waar, stapt het uit de circulatie als een voorwerp van de behoefte en valt het geheel buiten de economische verhouding. Als de waar wordt gefixeerd als ruilwaarde-geld, komt het tot dezelfde vormloosheid, maar vallend binnen de economische verhouding. In elk geval hebben de waren slechts een belang in de ruilverhouding (eenvoudige circulatie), voor zover zij ruilwaarde hebben; daarentegen heeft hun ruilwaarde slechts een tijdelijk belang, in die zin dat zij de eenzijdigheid opheft met betrekking tot het individu en dus rechtstreeks voor hem bestaat, nuttig, de gebruikswaarde opheft, maar niet deze gebruikswaarde zelf; veeleer bemiddelt zij haar als gebruikswaarde voor anderen, enz. Maar voor zover de ruilwaarde als zodanig gefixeerd is in het geld, staat de gebruikswaarde er slechts als abstracte chaos tegenover; en juist door de scheiding van zijn substantie stort het in en drijft het weg uit de sfeer van de eenvoudige ruilwaarde, waarvan de hoogste beweging de eenvoudige circulatie is en waarvan de hoogste volmaaktheid het geld is. Binnen de sfeer zelf bestaat het verschil echter in feite alleen als een oppervlakkig verschil, een louter formeel onderscheid. Het geld zelf is in zijn hoogste fixatie weer een waar en als zodanig verschilt het alleen van de andere waren doordat het de ruilwaarde perfect uitdrukt, maar juist daarom verliest het als munt zijn ruilwaarde als een immanentie en wordt het louter gebruikswaarde, zij het gebruikswaarde voor de prijsbepaling enz. van de waren. De functies vallen nog steeds rechtstreeks samen en lopen even rechtstreeks uiteen. Waar zij zich onafhankelijk van elkaar gedragen, positief, zoals in de waar, dat het voorwerp van consumptie wordt, houdt het op een moment van het economisch proces te zijn; waar negatief, zoals in het geld, wordt het gekte; gekte echter als een moment van de economie en bepalend voor het praktische leven van de volkeren.

We hebben eerder gezien dat men niet kan zeggen dat de ruilwaarde wordt gerealiseerd in de eenvoudige circulatie. Maar dit is zo, omdat de gebruikswaarde als zodanig niet tegenover haar staat, als een op zichzelf bepaalde gebruikswaarde; terwijl omgekeerd de gebruikswaarde als zodanig niet tegenover de ruilwaarde staat, maar slechts een bepaalde ruilwaarde wordt door het gemeenschappelijke van de gebruikswaarden – zijnde arbeidstijd – dat er als een externe norm op wordt toegepast. Hun eenheid valt nog steeds onmiddellijk uiteen, en hun verschil valt nog steeds onmiddellijk samen. Dat de gebruikswaarde als zodanig gebeurt door de ruilwaarde en dat ruilwaarde zichzelf bemiddelt door de gebruikswaarde is nu duidelijk gesteld. In de geldcirculatie hadden we slechts twee verschillende vormen van ruilwaarde (de warenprijs – geld) of verschillende gebruikswaarden (waar – W), waarvoor het geld, ruilwaarde, slechts een verdwijnende bemiddeling is. Een reële verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde heeft niet plaatsgevonden. De waar als zodanig – zijn bijzonderheid – is dus ook een onverschillige, slechts toevallige en algemeen ingebeelde inhoud, die buiten de economische vormverhouding valt; of de economische vormverhouding is een louter oppervlakkige vorm, een formele bepaling, buiten het domein van de werkelijke inhoud en die er als zodanig in het geheel geen betrekking op heeft; als men dus deze vormfunctie in het geld wil vasthouden, wordt het onderhuids omgevormd tot een onverschillig natuurlijk product, een metaal, waar ook de laatste band, hetzij met het individu, hetzij met de gemeenschap van individuen, is verbroken. Metaal als zodanig drukt natuurlijk geen sociale betrekkingen uit; zelfs de beeldenaar heeft geen belang; het laatste levensteken van een sociale betekenis.

De ruilwaarde, de andere zijde tegenover de gebruikswaarde, staat er als geld, maar het geld dat haar op die manier confronteert is niet langer geld als zodanig, maar geld als kapitaal. De gebruikswaarde of de waar die tegenover het kapitaal of de vastgestelde ruilwaarde staat, is niet meer de waar zoals het aan het geld verscheen, waarvan de vormfunctie even onverschillig was als zijn inhoud, en slechts als een of andere substantie verscheen.

1. Als gebruikswaarde voor het kapitaal, d.w.z. als ruilobject, waarmee het kapitaal zijn waarde niet verliest, zoals bv. geld, door tegen een bepaalde waar te worden geruild. Het enige nut dat een voorwerp sowieso voor het kapitaal kan hebben, is het in stand houden of vermeerderen ervan. Wij hebben bij het geld reeds gezien hoe de als zodanig verzelfstandigde waarde – of de algemene vorm van rijkdom – niet in staat is tot een andere beweging dan een kwantitatieve, namelijk om zichzelf te vermeerderen. Volgens de opvatting is het de belichaming van alle gebruikswaarden; maar omdat er altijd slechts een bepaalde hoeveelheid geld (hier kapitaal) is, is de kwantitatieve limiet ervan in tegenspraak met de kwaliteit ervan. Het ligt dus in zijn aard om voortdurend de eigen grens te doorbreken. (Als consumptiegerichte rijkdom, bv. in het keizerlijke Rome, verschijnt zij dus als grenzeloze verspilling, die logischerwijze de consumptie tot een denkbeeldige grenzeloosheid tracht te verheffen, door het schrokken van parelsalades enz.) Want voor waarde, die zichzelf als waarde behoudt, valt de vermeerdering dus samen met zelfbehoud, en handhaaft het zich juist door het voortdurend doorbreken van haar kwantitatieve grens, die in tegenspraak is met haar vormfunctie, haar innerlijke algemeenheid. Verrijking is dus een doel op zich. De doelbewuste activiteit van het kapitaal kan slechts verrijking zijn, d.w.z. de expansie, de vermeerdering van zichzelf. Een bepaalde som geld (en geld bestaat voor zijn bezitter altijd in een bepaalde hoeveelheid, is er altijd als een bepaalde geldsom) (dit is in het hoofdstuk over geld uiteen te zetten) kan volledig toereikend zijn voor een bepaalde consumptie, waarbij het ophoudt geld te zijn. Maar als exponent van de algemene rijkdom, kan het dat niet. Als kwantitatief bepaalde som, een beperkte som, is zij ook slechts een beperkte vertegenwoordiger van de algemene rijkdom of representant van een beperkte rijkdom die even ver gaat als haar ruilwaarde; zij wordt daar precies tegen afgemeten. Zij heeft dus geenszins het vermogen, dat zij volgens het algemene idee moet hebben, om alle genoegens, alle waren, de totaliteit van de materiële substanties van de rijkdom te kopen; zij is geen “précis de toutes les choses” [belichaming van alle dingen], enz. Als rijkdom, als een algemene vorm van rijkdom, als waarde die meetelt, is het dus de voortdurende drang om zijn kwantitatieve grens te overschrijden: een eindeloos proces. De eigen vitaliteit bestaat uitsluitend hierin; zij handhaaft zich alleen als ruilwaarde, verschillend van gebruikswaarde, geldend voor zichzelf als ruilwaarde, doordat zij zichzelf voortdurend vermenigvuldigt. (Het zal verdomd moeilijk zijn voor de heren economen om theoretisch af te stappen van het zelfbehoud van de waarde in het kapitaal, naar de vermenigvuldiging ervan; namelijk als een basisbeginsel, niet slechts als toeval of resultaat. Zie bv. Storch, hoe hij deze basisbepaling inbrengt door een bijwoord “eigenlijk”. Weliswaar trachten de economen dit in de kapitaalverhouding in te brengen als essentieel, maar als dit niet gebeurt in de brutale vorm van het bepalen van kapitaal als dat wat winst oplevert, waar de kapitaalvermeerdering zelf reeds in de winst als een bijzondere economische vorm is gesteld, dan gebeurt het slechts stiekem en zeer zwak, zoals wij later zullen aantonen door alles wat de economen over de definitie van kapitaal hebben geleerd kort de revue te laten passeren. Het geleuter dat niemand zijn kapitaal zou aanwenden zonder er winst uit te halen, komt neer op ofwel de dwaasheid dat de goede kapitalisten ook kapitalisten zouden blijven zonder hun kapitaal aan te wenden; ofwel op het feit dat men in een zeer banale vorm zegt dat de winstgevende aanwending inherent is aan het begrip kapitaal. Goed. – Dan moet dat bewezen worden.) Geld als geldsom wordt gemeten naar de hoeveelheid. Deze meetbaarheid is in tegenspraak met het karakter, dat op het mateloze gericht moet zijn. Alles wat hier over het geld is gezegd, geldt nog sterker voor het kapitaal, waarin het geld zich voor het eerst daadwerkelijk in een voltooid karakter ontwikkelt. Tegenover het kapitaal als zodanig kan alleen de gebruikswaarde staan, d.w.z. als nuttig, dat het als kapitaal vermeerdert, vermenigvuldigt en dus in stand houdt.

2. Kapitaal is qua opvatting geld, maar geld dat niet meer bestaat in de eenvoudige vorm van goud en zilver, noch als geld tegengesteld aan de circulatie, maar in de vorm van alle substanties – handelswaar. In dit opzicht is het dus niet, als kapitaal, tegengesteld aan de gebruikswaarde, maar bestaat het juist naast het geld in de gebruikswaarde. Deze substanties zijn nu dus vergankelijke substanties, die geen ruilwaarde zouden hebben als ze geen gebruikswaarde hadden; maar die hun waarde als gebruikswaarde verliezen en door het eenvoudige metabolisme van de natuur worden opgelost, als ze niet werkelijk worden gebruikt, en die heel zeker verdwijnen als ze wel werkelijk worden gebruikt. In dit opzicht kan het tegenovergestelde van het kapitaal zelf geen bijzondere waar zijn; want als zodanig vormt het geen tegenstelling tot het kapitaal, omdat de substantie van het kapitaal zelf gebruikswaarde is; het is niet deze of gene waar, maar elke waar. De gemeenschappelijke substantie van alle waren, d.w.z. hun substantie weer niet als hun materiële substantie, d.w.z. hun fysieke zijn, maar hun gemeenschappelijke substantie als waren en daarom ruilwaarden, is dat zij geobjectiveerde arbeid zijn. {Maar het is alleen deze economische (maatschappelijke) substantie van gebruikswaarden, d.w.z. hun economisch doel als inhoud, verschillend van hun vorm ([en] als deze vorm waarde, wegens een bepaald kwantum van deze arbeid), waarvan gesproken kan worden wanneer men een tegenstelling zoekt. Wat hun natuurlijke verschillen betreft, sluit geen van hen uit dat het kapitaal zich in de plaats stelt, het tot zijn eigen lichaam maakt, in zoverre geen van hen de ruilwaarde en de waar uitsluit.}

Het enige verschil met geobjectiveerde arbeid is die welke niet geobjectiveerd is, maar toch zichzelf objectiveert, arbeid als subjectiviteit. Of de geobjectiveerde, d.w.z. als ruimtelijk aanwezige arbeid, kan ook als arbeid uit het verleden, tegenover de tijdelijke aanwezige arbeid staan. Voor zover het huidig is, levend aanwezig moet zijn, kan het alleen aanwezig zijn als levend subject, waarin het bestaat als vermogen, als mogelijkheid; als arbeider dus. De enige gebruikswaarde tegenover het kapitaal, is dus arbeid {en wel waarde scheppende, d.w.z. productieve arbeid. Deze zijdelingse opmerking is een anticipatie; zij moet eerst worden ontwikkeld; uiteindelijk heeft arbeid als loutere dienst ter bevrediging van onmiddellijke behoeften helemaal niets met kapitaal te maken, dat is niet de behoefte. Als een kapitalist hout laat hakken om zijn schapenvlees te braden, staat niet alleen de houthakker in relatie tot hem, maar hij ook tot de houthakker in een relatie van eenvoudige ruil. De houthakker geeft hem zijn dienst, een gebruikswaarde die het kapitaal niet vermeerdert, maar waarin het zelf verbruikt, en de kapitalist geeft hem er een andere waar voor terug in de vorm van geld. Hetzelfde geldt voor alle diensten die arbeiders rechtstreeks ruilen tegen het geld van andere personen en die door deze personen worden geconsumeerd. Het is een consumptie van inkomsten, die als zodanig altijd aanwezig is in de eenvoudige circulatie, niet van het kapitaal. Aangezien de ene tegenstander de andere niet als kapitalist tegemoet treedt, kan deze dienst niet onder de categorie van de productieve arbeid vallen. Van hoer tot paus, er is een massa van zulk gespuis. Maar ook het eerlijke en “werkende” lompenproletariaat valt daar onder; bv. grote groepen ongeschoolde krachten, enz. in de havensteden, enz. Degene die in deze relatie het geld vertegenwoordigt, eist de dienst alleen voor zijn gebruikswaarde, die voor hem onmiddellijk verdwijnt; maar de werkkracht eist geld, en aangezien de partij met het geld zich bezighoudt met de waar, en de partij met de waar met het geld, volgt daaruit dat zij elkaar niet meer vertegenwoordigen dan de twee kanten van de eenvoudige circulatie; het spreekt vanzelf dat de werkkracht, als degene die met geld te maken heeft, dus rechtstreeks met de algemene vorm van rijkdom, zich probeert te verrijken ten koste van zijn geïmproviseerde vriend, en daarmee diens gevoel van eigenwaarde schaadt, temeer daar hij, een duchtige rekenaar, de dienst niet als kapitalist nodig heeft, maar als gevolg van zijn gewone menselijke zwakte. A. Smith had in wezen gelijk over productieve en niet-productieve arbeid, vanuit het standpunt van de burgerlijke economie. Wat de andere economen hiertegen inbrengen, hetzij gezeik en gezever [seichbeutelei] (bv. Storch, Senior nog knuddiger (dialect) enz.), namelijk dat elke handeling iets doet, d.w.z. het product in zijn natuurlijke en economische zin verwart; zo is ook een boef een productieve arbeider, omdat hij indirect boeken over strafrecht voortbrengt; (deze redenering is minstens even juist als wanneer een rechter een productieve arbeider zou worden genoemd omdat hij beschermt tegen diefstal). Of de moderne economen hebben zich tot zulke pluimstrijkers van de bourgeoisie gemaakt, dat zij deze laatsten willen doen geloven dat het productieve arbeid is als iemand de luizen op zijn hoofd zoekt of zijn staart aait, omdat deze laatste beweging bijvoorbeeld zijn dikke kop – domkop – de volgende dag netter zal maken voor op het kantoor. Het is dus volkomen juist – maar tegelijkertijd ook kenmerkend – dat voor de consequente economen de arbeiders van bv. ateliers productieve arbeiders zijn, terwijl de kerels die dergelijke voorwerpen consumeren uitdrukkelijk als onproductieve verkwisters worden bestempeld. In werkelijkheid zijn deze arbeiders productief voor zover zij het kapitaal van hun bazen vermeerderen; onproductief, voor zover het het materiële resultaat van hun arbeid betreft, is deze “productieve” arbeider net zo geïnteresseerd in de rotzooi die hij moet maken als de kapitalist zelf die hem gebruikt en die er ook geen moer om geeft. Beter bekeken blijkt dan inderdaad dat de ware definitie van een productieve arbeider is: een man die niet meer vraagt en eist dan nodig is, om zijn kapitalist het grootst mogelijke voordeel te kunnen brengen. Dit is allemaal onzin. Dwaling. Meer precies terugkomen op het productieve en niet-productieve.}

[Ruil tussen kapitaal en arbeid]

Tegenover het kapitaal als een ruilwaarde staat de gebruikswaarde, dat is de arbeid. Het kapitaal ruilt zichzelf of is in deze in betrekking tot het niet-kapitaal, de negatie van het kapitaal, ten opzichte waarvan het alleen kapitaal is; het werkelijke niet-kapitaal is de arbeid.

Als we de ruil tussen kapitaal en arbeid bekijken, zien we dat deze uiteenvalt in twee processen die niet alleen formeel, maar ook kwalitatief verschillen en zelfs tegengesteld zijn:
1. De arbeider ruilt zijn waar, de arbeid, de gebruikswaarde, die als waar ook een prijs heeft, zoals alle andere waren, tegen een bepaalde som ruilwaarde, een bepaalde som geld, dat het kapitaal hem geeft.
2. De kapitalist ruilt de arbeid, de arbeid als waardescheppende activiteit, als productieve arbeid; d.w.z. hij ruilt de productieve kracht die het kapitaal in stand houdt en vermeerdert en die aldus de productieve kracht en de reproducerende kracht van het kapitaal wordt, een kracht die tot het kapitaal zelf behoort.

De scheiding van deze twee processen is zo duidelijk dat zij op verschillende tijdstippen kunnen plaatsvinden, en geenszins hoeven samen te vallen. Het eerste proces kan worden voltooid en is gewoonlijk tot op zekere hoogte voltooid, voordat het tweede zelfs maar begint. De voltooiing van de tweede handeling impliceert de voltooiing van het product. De betaling van de lonen kan daar niet op wachten. Wij zullen het zelfs essentieel vinden dat deze verhouding daar niet op wacht.

Bij de eenvoudige ruil, circulatie, vindt dit dubbele proces niet plaats. Als de waar a wordt geruild tegen geld b, en dit vervolgens wordt geruild tegen waar c – het oorspronkelijke ruilobject voor a, valt het gebruik van waar c, de consumptie ervan, geheel buiten de circulatie; de vorm van de verhouding is van geen belang; deze ligt buiten de circulatie en is van puur materieel belang, dat slechts een verhouding uitdrukt van individu A in zijn eenvoud tot een object van zijn geïsoleerde behoefte. Wat het met de waar c doet, is een vraag die buiten de economische verhouding ligt. Hier verschijnt omgekeerd de gebruikswaarde van wat tegen geld wordt geruild als een speciale economische relatie, en het definitieve gebruik van wat tegen geld wordt geruild vormt het uiteindelijke doel van beide processen. Dit maakt dus reeds een formeel onderscheid tussen de ruil tussen kapitaal en arbeid enerzijds en de gewone ruil anderzijds – twee verschillende processen.

Als wij nu tevens begrijpen hoe de ruil tussen kapitaal en arbeid inhoudelijk verschilt van de eenvoudige ruil (circulatie), dan zien wij dat dit verschil niet ontstaat door een externe relatie of vergelijking, maar dat in de totaliteit van dit laatste proces de tweede vorm verschilt van de eerste, dat de vergelijking inclusief is. Het verschil tussen de tweede en de eerste handeling – namelijk dat het specifieke proces van toe-eigening van arbeid door het kapitaal de tweede handeling is – is precies het verschil tussen de ruil tussen kapitaal en arbeid en de ruil van waren zoals die door het geld wordt bemiddeld. Bij de ruil tussen kapitaal en arbeid is de eerste handeling een ruil die geheel binnen de gewone circulatie valt; de tweede is een kwalitatief verschillend ruilproces, en het is slechts door misbruik dat het ruil genoemd kan worden. Het staat lijnrecht tegenover ruil; in wezen een andere categorie.

{Kapitaal. I. Algemeenheid: 1. a) Kapitaal uit geld. b) Kapitaal en arbeid (bemiddeld door vreemde arbeid). c) De bestanddelen van het kapitaal, uitgesplitst naar hun verhouding tot de arbeid (product, materiaal, arbeidsinstrument). 2) Bijzonderheden van het kapitaal: a) circulerend kapitaal, vast kapitaal. Omzet [Umlauf] van kapitaal. 3. Het kapitaal individueel. Kapitaal en winst. Kapitaal en rente. Kapitaal als waarde, verschillend van zichzelf als rente en winst.

II. Bijzonderheid: 1. accumulatie van kapitalen. 2. concurrentie van kapitalen. 3. concentratie van kapitalen (kwantitatief verschil van kapitaal als tegelijkertijd kwalitatief, als maatstaf voor omvang en effect ervan).

III. Individueel: 1. kapitaal als krediet. 2. kapitaal als aandelenkapitaal. 3. kapitaal als geldmarkt. Op de geldmarkt wordt kapitaal in zijn totaliteit gesteld; daarin is het prijsbepalend, werkgevend, reguleert het de productie, in één woord een bron van productie; maar kapitaal niet alleen als producent van zichzelf (materieel door industrie enz., prijsbepalend, productiekrachten ontwikkelend), maar tegelijk als schepper van waarden moet het een waarde of vorm van rijkdom stellen die specifiek verschilt van kapitaal. Dit is de grondrente. Het is de enige waardecreatie van het kapitaal, als een waarde, die verschilt van zichzelf, de eigen productie. Zowel door zijn aard als door zijn geschiedenis is het kapitaal de schepper van het moderne grondbezit, de grondrente; en die actie blijkt ook de ontbinding van het oude grondbezit te zijn. Het nieuwe ontstaat door de actie van het kapitaal op het oude. Kapitaal is – zo bekeken – de maker van de moderne landbouw. De economische verhoudingen van het moderne grondbezit, dat als een proces verschijnt: grondrente – kapitaal – loonarbeid (de conclusie kan ook anders worden geformuleerd: als loonarbeid – kapitaal – grondrente; maar kapitaal moet altijd het actieve midden zijn) is de interne constructie van de moderne maatschappij, of het kapitaal het geheel van haar betrekkingen.

De vraag is nu hoe de overgang van grondbezit naar loonarbeid tot stand komt. (De transitie van loonarbeid naar kapitaal is vanzelfsprekend, aangezien het kapitaal hier teruggaat naar zijn actieve basis). Historisch gezien is de transitie onbetwistbaar. Het ligt al in het feit dat grondbezit het product van kapitaal is. Wij stellen dus overal vast dat waar, door de reactie van het kapitaal op de oudere vormen van grondbezit, dit laatste wordt omgezet in geldrente (hetzelfde gebeurt op een andere manier waar de moderne boer ontstaat), en dus tegelijk de landbouw, zoals die door het kapitaal wordt geëxploiteerd, wordt omgezet in industriële agronomie, het noodzakelijk is dat de keuters, horigen, leenboeren, erfpachters, dagloners, enz., loonarbeiders worden. De loonarbeid in zijn totaliteit komt tot stand door het effect van het kapitaal op het grondbezit en vervolgens, zodra dit als vorm is gekristalliseerd, door de grondeigenaar zelf. Deze laatste “ontdoet” dan, zoals Steuart zegt, het land van zijn overtollige monden, rukt de kinderen der aarde los van de borst waarop zij zijn grootgebracht, en verandert zo het landwerk zelf, dat door zijn aard de directe bron van het levensonderhoud lijkt, in een bemiddelde bron van levensonderhoud, een bron die louter afhankelijk is van maatschappelijke verhoudingen. (De wederzijdse afhankelijkheid moet eerst zuiver worden uitgewerkt voordat aan echte sociale gemeenschappelijkheid kan worden gedacht. Alle verhoudingen zoals bepaald door de maatschappij, niet zoals bepaald door de natuur). Dit alleen maakt de toepassing van wetenschap mogelijk en ontwikkelt haar volledige productieve kracht.

Er kan dus geen twijfel over bestaan dat de loonarbeid in zijn klassieke vorm, die de gehele maatschappij breed doordringt en de aarde zelf heeft vervangen als fundament van de maatschappij, in eerste instantie alleen tot stand is gekomen door modern grondbezit, d.w.z. door grondbezit als een door het kapitaal gecreëerde waarde. Daarom leidt de grondeigendom terug naar loonarbeid. Enerzijds is het niets anders dan de overheveling van loonarbeid van de steden naar het platteland, d.w.z. loonarbeid die over de gehele oppervlakte van de samenleving is verspreid. De oude landeigenaar, die rijk is, heeft geen kapitalist nodig om een moderne landeigenaar te worden. Hij heeft enkel zijn arbeiders om te vormen tot loonarbeiders en te produceren voor winst in plaats van voor een inkomen. Dan zijn in zijn persoon de moderne pachter en de moderne grondeigenaar verondersteld. Dit is echter geen formeel verschil, dat de vorm waarin hij zijn revenu verwerft, of de vorm waarin de arbeider betaald wordt, verandert; het veronderstelt een totale verandering van de productiewijze (van de landbouw); het veronderstelt dus voorwaarden die gebaseerd zijn op een zekere ontwikkeling van industrie, handel en wetenschap, kortom, van de productiekrachten. Zoals in het algemeen de productie op basis van kapitaal en loonarbeid niet alleen formeel verschilt van andere productiewijzen, maar ook een totale omwenteling en ontwikkeling van de materiële productie veronderstelt. Hoewel het kapitaal als handelskapitaal zich volledig (zij het nog niet kwantitatief) kan ontwikkelen zonder deze transformatie van het grondbezit, kan het zich niet ontwikkelen als industrieel kapitaal. Zelfs de ontwikkeling van de industrie veronderstelt een beginnende ontbinding van de oude economische verhoudingen van de grondeigendom. Anderzijds wordt deze specifieke ontbinding pas de nieuwe vorm in zijn totaliteit en breedte, zodra de moderne industrie hoogontwikkeld is, die zelf echter steeds sneller vooroploopt naarmate de moderne landbouw, de overeenkomstige vorm van eigendom, de overeenkomstige economische verhouding, zich verder hebben ontwikkeld. Vandaar dat Engeland in dit opzicht een modelland is voor de andere continentale landen. Op dezelfde wijze: indien de eerste vorm van industrie, de grote manufactuur, de ontbinding van het grondbezit veronderstelt, dan wordt deze weer geconditioneerd door de mindere ontwikkeling van het kapitaal in de steden, in zijn nog onontwikkelde vormen (middenstand), en tegelijk door de invloed van de manufactuur, die in andere landen tegelijk met de handel tot bloei kwam (zo had Holland in de 16e en de eerste helft van de 17e eeuw invloed op Engeland). In deze landen had dit proces reeds plaatsgevonden en was de landbouw opgeofferd aan de veeteelt en werd graan door middel van import (Holland weer) geïmporteerd uit achtergebleven landen, zoals Polen, enz.

Men mag niet vergeten dat de nieuwe productiekrachten en productieverhoudingen zich niet uit het niets, noch uit de hemel, noch uit een idee ontwikkelen, maar binnen en tegen de bestaande ontwikkeling van de productie en de overgeleverde traditionele eigendomsverhoudingen in. Als in het voltooide burgerlijke systeem elke economische verhouding de andere in de burgerlijke economische vorm veronderstelt, en dus elke wet tegelijkertijd een voorwaarde is, dan is dit het geval met elk organisch systeem. Dit organisch systeem zelf als totaliteit heeft zijn voorwaarden, en zijn ontwikkeling tot totaliteit bestaat juist daarin [in] het ondergeschikt maken van alle elementen van de maatschappij aan zichzelf of het scheppen van de organen die zij nog ontbeert. Zo wordt het historisch gezien een totaliteit. Het worden van deze totaliteit is een moment van zijn proces, van zijn ontwikkeling. Aan de andere kant, wanneer binnen een maatschappij de moderne productieverhoudingen, d.w.z. het kapitaal, zich tot een totaliteit heeft ontwikkeld, en deze maatschappij nu een nieuw terrein inneemt, zoals bv. in de koloniën, dan ontdekt het, met name haar vertegenwoordiger, de kapitalist, dat zonder loonarbeid zijn kapitaal ophoudt kapitaal te zijn en dat een van de voorwaarden daarvoor niet alleen grondeigendom in het algemeen is, maar modern grondeigendom; grondeigendom dat duur is als gekapitaliseerde rente en als zodanig het directe gebruik van de aarde door individuen uitsluit. Vandaar Wakefields koloniale theorie, in de praktijk gevolgd door de Engelse regering in Australië. Het grondbezit wordt hier kunstmatig duurder gemaakt om de arbeiders in loonarbeiders te veranderen, om het kapitaal als kapitaal te laten werken, en aldus de nieuwe kolonie productief te maken; om er rijkdom te ontwikkelen, in plaats van ze, zoals in Amerika, te gebruiken voor het leveren [Lieferung] van loonarbeiders. Wakefields theorie is oneindig belangrijk voor de juiste opvatting van modern grondbezit.

– Het kapitaal, dat als grondrente ontstaat, keert dus terug naar de productie van loonarbeid als zijn algemene scheppende basis. Het kapitaal ontstaat uit de circulatie en stelt arbeid als loonarbeid; vormt zich op deze wijze, en geheel ontwikkeld stelt het de grondeigendom, zowel als voorwaarde en als tegenstelling. Maar het blijkt dat zij daarmee slechts de loonarbeid als algemene voorwaarde heeft geschapen. Dit moet nu op zich worden beschouwd. Daarentegen blijkt het moderne grondbezit zelf het machtigst in het proces van verjagen en omvorming van landarbeiders tot loonarbeiders. Dus een dubbele overgang naar loonarbeid. Dit is de positieve kant. Negatief, nadat het kapitaal de grondeigendom tot stand bracht en aldus zijn dubbel doel heeft bereikt: 1. de industriële landbouw en daarmee de ontwikkeling van de productieve kracht van de aarde; 2. de loonarbeid, d.w.z. de algemene dominantie van het kapitaal over het land, het beschouwt het bestaan van de grondeigendom zelf als een louter tijdelijke ontwikkeling, noodzakelijk als een actie van het kapitaal op de oude grondeigendomsverhoudingen en een product van hun ontbinding; maar dat als zodanig – wanneer dit doel eenmaal is bereikt – een beperking van de winst is, en geen noodzaak voor de productie. Het is er dus op gericht de grondeigendom als particulier bezit op te heffen en aan de staat over te dragen. Dit is de negatieve kant. Om zo de hele maatschappij om te vormen tot kapitalisten en loonarbeiders. Wanneer het kapitaal zo ver gevorderd is, is ook de loonarbeid zo ver gevorderd, dat het enerzijds de grondeigenaar als superfoetatie wil afschaffen om de verhoudingen te vereenvoudigen, de belastingen te verlichten, enz. in dezelfde vorm als de bourgeois; anderzijds eist het, om aan de loonarbeid te ontkomen en een zelfstandig producent te worden – voor onmiddellijk gebruik – de ontmanteling van het grootgrondbezit.

Grondeigendom wordt dus van twee kanten ontkend; de negatie van de kant van het kapitaal is slechts een vormverandering in zijn alleenheerschappij. (Grondrente als de algemene belasting [staatsrente], zodat de burgerlijke maatschappij het middeleeuwse systeem op een andere wijze reproduceert, maar als een complete negatie ervan). De negatie van de loonarbeid is slechts een verborgen negatie van het kapitaal, dus van zichzelf. Het moet worden beschouwd als zelfstandig tegenover het kapitaal. De overgang is dus dubbel: 1. positieve overgang van modern grondbezit of kapitaal door middel van moderne grondeigendom [naar] algemene loonarbeid; 2. negatieve overgang: ontkenning van de grondeigendom door het kapitaal, dus ontkenning van zelfstandige waarde door het kapitaal, dus juist ontkenning van het kapitaal door zichzelf. Maar de ontkenning ervan is loonarbeid. Dan de ontkenning van het grondbezit en, daardoor, van het kapitaal aan de kant van de loonarbeid. D.w.z. loonarbeid die zich wil opwerpen als zelfstandig}.

{De markt, die in het begin in de economie verschijnt als een abstract doel, neemt totale vormen aan. Ten eerste, de geldmarkt. Dit omvat de wisselmarkt; in het algemeen de obligatiemarkt; d.w.z. de geldhandel, goud- en zilvermarkt. Als een kredietmarkt [Geldleihmarkt] verschijnt het bij de banken, bv. het disconto, waarvoor zij disconteren: obligatiemarkt, wisselmakelaars, enz.; maar dan ook als de markt van alle rentegevende waardepapieren: staatsfondsen en aandelenmarkt. De laatste zijn verdeeld in grotere groepen: allereerst de aandelen van de financiële instellingen zelf; bankaandelen; aandelen van naamloze vennootschappen; aandelen in communicatiemiddelen (spoorwegaandelen zijn het belangrijkst; aandelen in kanalen; aandelen in de stoomvaart, telegrafie-aandelen, omnibusaandelen); aandelen van algemene industriële ondernemingen (mijnaandelen zijn het belangrijkst). Vervolgens voor de levering van algemene elementen (gasaandelen, waterleidingaandelen). Veelzijdigheid tot in het duizendvoudige. Voor de opslag van waren (havenaandelen, enz.). Diversen, tot in het oneindige, zoals ondernemingen op aandelen, industriële of handelsvennootschappen. Tenslotte, om het geheel veilig te stellen, verzekeringsaandelen van allerlei aard. Welnu, zoals de markt in zijn geheel uiteenvalt in binnenlandse en buitenlandse markten, zo valt de binnenlandse markt zelf weer uiteen in de markt voor binnenlandse aandelen, staatsobligaties enz., en buitenlandse fondsen, buitenlandse aandelen enz. In feite behoort deze ontwikkeling echter tot de wereldmarkt, die niet alleen de interne markt is ten opzichte van alle daarbuiten bestaande buitenlandse markten, maar tegelijkertijd de interne [markt] van alle buitenlandse markten als weer een bestanddeel van de thuismarkt. De concentratie van de geldmarkt in een centrum binnen een land, terwijl de andere markten meer verdeeld zijn volgens de arbeidsverdeling; hoewel ook hier een grote concentratie [in] de hoofdstad, als dit tegelijk een uitvoerhaven is. – De verschillende markten buiten de geldmarkt zijn in de eerste plaats even verschillend als de producten en de bedrijfstakken zelf. De voornaamste markten van deze verschillende producten worden gevormd in centra, die dat zijn hetzij wegens invoer of uitvoer, hetzij omdat zij zelf centra van een bepaalde productie zijn, hetzij de onmiddellijke aanvoerplaatsen van die centra. Maar deze markten gaan van dit eenvoudige verschil over tot een min of meer organische splitsing in grote groepen, die zich noodzakelijkerwijs opdelen volgens de basiselementen van het kapitaal: productmarkt en grondstoffenmarkt. Het productie-instrument als zodanig vormt geen bijzondere markt; het bestaat als zodanig voornamelijk allereerst als materiaal zelf, dat als productiemiddel wordt verkocht; vervolgens vooral in de metalen, omdat deze elke gedachte aan onmiddellijke consumptie uitsluiten, en vervolgens in producten zoals steenkool, olie, chemische stoffen, die bestemd zijn om als bijkomstig productiemiddel te verdwijnen. Hetzelfde voor verf, hout, drogerij, enz. Daarna:

I. Producten. 1. Graanmarkt met zijn verschillende onderverdelingen. Bv. zaaigoedmarkt: rijst, sago, aardappel enz. Dit is economisch zeer belangrijk; tegelijk is het een markt voor productie en voor directe consumptie. 2. Markt voor koloniale waren: koffie, thee, cacao, suiker; tabak, specerijen (peper, piment, kaneel, kaneelboom, kruidnagel, gember, foelie, nootmuskaat, enz.); 3. Vruchten. Amandelen, krenten, vijgen, pruimen, rozijnen, sultana’s, sinaasappelen, citroenen, enz. Melasse (voor productie enz.); 4. Voedingsmiddelen. Boter; kaas; spek; ham; reuzel; varkensvlees; rundvlees (gerookt), vis, enz. 5. Alcohol. Wijn, rum, bier, enz. II. Ruwe producten. 1. Grondstoffen voor de mechanische industrie. 1. Vlas; hennep; katoen; zijde; wol; huiden; leer; guttapercha enz. 2. Grondstoffen voor de chemische industrie. Kaliumcarbonaat, salpeter, terpentijn, nitraat van soda, enz. III. Grondstoffen, en tegelijk productie-instrumenten. Metalen (koper, ijzer, tin, zink, lood, staal, enz.), hout, timmerhout. Houtverf. Hout voor scheepsbouw, enz. Accessorische productiemiddelen en grondstoffen. Drogerijen en kleurstoffen. (Cochenille, indigo enz.). Teer. Talg. Olie. Kolen enz. Elk product moet natuurlijk op de markt komen; maar werkelijk grote markten, te onderscheiden van de detailhandel, worden alleen gevormd door de grote consumptieproducten (economisch belangrijk zijn alleen de graanmarkt, de thee-, suiker- en koffiemarkt; tot op zekere hoogte de wijnmarkt en de markt voor sterkedranken in het algemeen) of die welke grondstoffen voor de industrie zijn: (wol-, zijde-, hout-, metaalmarkten enz.) Te bezien valt op welk punt de abstracte categorie van de markt moet worden ingeschakeld.}

De ruil tussen arbeider en kapitalist is een eenvoudige ruil; ieder ontvangt een equivalent; de een geld, de ander een waar waarvan de prijs precies gelijk is aan het geld dat ervoor is betaald; wat de kapitalist bij deze eenvoudige ruil ontvangt is een gebruikswaarde: de beschikking over andermans arbeid. Voor de arbeider – en dit is de ruil waarin hij als verkoper verschijnt – is het duidelijk dat bij hem, evenals bij de verkoper van elke andere waar met een gebruikswaarde, het gebruik dat de koper maakt van de aan hem verkochte waar, geen rol speelt bij de vormfunctie van de verhouding. Wat de arbeider verkoopt is de beschikking over zijn arbeid, die specifiek is, een specifieke vaardigheid, enz.

Het maakt niet uit wat de kapitalist met zijn arbeid doet, ofschoon hij deze natuurlijk alleen kan gebruiken volgens haar bestemming en de beschikking zelf beperkt is tot een bepaalde arbeid en een in de tijd bepaalde beschikking daarover (zoveel en zoveel arbeidstijd). Door het systeem van stukloon lijkt het echter alsof hij een bepaald deel van het product krijgt. Maar dit is slechts een andere vorm van tijdmeting (in plaats van te zeggen dat u 12 uur werkt, zeggen wij dat u zoveel per stuk ontvangt; d.w.z. wij meten de tijd die u gewerkt hebt aan de hand van het aantal producten); hier gaat het ons niet om de algemene verhouding. Als de kapitalist zich tevreden stelt met de loutere mogelijkheid om te beschikken, zonder de arbeider werkelijk te laten werken, bijvoorbeeld om zijn arbeid als reserve te hebben, enz., of om zijn concurrent de mogelijkheid te ontnemen om te beschikken (zoals bijvoorbeeld schouwburgdirecteuren zangers kopen voor een seizoen, niet om ze te laten zingen, maar opdat ze niet zingen in een rivaliserend theater), dan heeft er een volledige ruil plaatsgevonden. In geld ontvangt de arbeider weliswaar de ruilwaarde, de algemene vorm van rijkdom in een bepaalde hoeveelheid, en het meer of minder dat hij ontvangt verschaft hem een groter of kleiner deel van de algemene rijkdom. Hoe dit min of meer wordt bepaald, hoe de hoeveelheid ontvangen geld wordt gemeten, heeft zo weinig van doen met de algemene verhouding, dat zij er als zodanig niet uit kan worden ontwikkeld. In het algemeen kan de ruilwaarde van zijn waar alleen worden bepaald, niet door de manier waarop de koper zijn waar gebruikt, maar alleen door de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid die erin aanwezig is; dat wil zeggen hier door de hoeveelheid arbeid die het kost om de arbeider zelf te produceren. Want de gebruikswaarde die hij aanbiedt, bestaat slechts als een vermogen, zijn lichamelijke capaciteit; zij heeft geen bestaan daarbuiten. De geobjectiveerde arbeid, die noodzakelijk is zowel om de algemene substantie waarin zijn arbeidsvermogen bestaat, namelijk zichzelf, lichamelijk in stand te houden als om deze algemene substantie te wijzigen voor de ontwikkeling van het bijzondere vermogen, is de daarin geobjectiveerde arbeid. Deze meet in het algemeen de hoeveelheid waarde, de som geld, die hij in ruil ontvangt. De verdere ontwikkeling van de wijze waarop het loon, evenals alle andere waren, wordt gemeten aan de arbeidstijd die nodig is om de arbeider als zodanig te produceren, hoort hier nog niet thuis.

Wanneer ik in de circulatie een waar ruil tegen geld, er waren mee koop en mijn behoefte bevredig, is de handeling ten einde. Zo ook met de arbeider. Maar hij heeft de mogelijkheid om opnieuw te beginnen, omdat zijn vitaliteit de bron is waarin zijn eigen gebruikswaarde, tot een bepaalde tijd, totdat zij versleten is, altijd opnieuw ontvlamt en altijd tegenover het kapitaal blijft staan om dezelfde ruil opnieuw te beginnen. Zoals ieder individueel subject in de circulatie is de arbeider eigenaar van een gebruikswaarde; hij ruilt deze tegen geld, tegen de algemene vorm van rijkdom, maar alleen om deze weer te ruilen tegen waren, de voorwerpen van zijn onmiddellijke consumptie, als middelen om zijn behoeften te bevredigen. Aangezien hij zijn gebruikswaarde ruilt tegen de algemene vorm van rijkdom, wordt hij deelgenoot van de algemene rijkdom tot aan de grens van zijn equivalent – een kwantitatieve grens, die echter, zoals bij elke ruil, in een kwalitatieve grens verandert. Maar hij is niet gebonden aan bepaalde artikelen, noch aan een bepaalde wijze van bevrediging. Zijn consumptie is niet kwalitatief beperkt, alleen kwantitatief. Dit onderscheidt hem van de slaaf, de horige, enz. De consumptie heeft ongetwijfeld een weerslag op de productie zelf; maar deze weerslag betreft de arbeider evenmin in zijn ruil als elke andere verkoper van waren; vanuit het standpunt van de loutere circulatie – en wij hebben nog geen andere ontwikkelde verhouding voor ons – valt zij veeleer buiten de economische verhouding. Maar terloops kan worden opgemerkt dat de betrekkelijke, slechts kwantitatief en niet kwalitatief bepaalde beperking van de consumptie van de arbeiders hun ook als consument (bij de verdere ontwikkeling van het kapitaal moet de verhouding van consumptie en productie in het algemeen nader worden beschouwd) een geheel ander belang als agent van de productie geeft dan zij bv. in de oudheid of in de middeleeuwen of in Azië bezitten en bezaten. Maar dit, zoals ik al zei, hoort hier nog niet thuis.

Ook omdat de arbeider het equivalent ontvangt in de vorm van geld, de vorm van algemene rijkdom, is hij in deze ruil een gelijke ten opzichte van de kapitalist, zoals elke andere partij in de ruil; althans, zo lijkt het. In feite wordt deze gelijkheid reeds verstoord door het feit dat zijn verhouding als arbeider tot de kapitalist, als gebruikswaarde in een specifiek van de ruilwaarde afwijkende vorm, in tegenstelling tot de als waarde vastgestelde waarde, voor deze schijnbaar eenvoudige ruil wordt verondersteld; dat hij dus reeds in een andere economisch bepaalde verhouding staat – afgezien van die van de ruil, waarin de aard van de gebruikswaarde, de bijzondere gebruikswaarde van de waar als zodanig, er niet toe doet.

Deze schijn is echter een illusie van hem en tot op zekere hoogte ook van de andere kant, en wijzigt daarom ook wezenlijk zijn verhouding in tegenstelling tot deze van de arbeiders in andere maatschappelijke productiewijzen. Maar essentieel voor hem, is het doel van de ruil voor de bevrediging van zijn behoeften. Het object van zijn ruil is het onmiddellijke object van behoefte, niet de ruilwaarde als zodanig. Hij krijgt wel geld, dat is waar, maar alleen in zijn rol als munt, d.w.z. alleen als een zichzelf opheffende en verdwijnende bemiddeling. Wat hij ruilt is dus geen ruilwaarde, geen rijkdom, maar bestaansmiddelen, waren voor het behoud van zijn activiteit, bevrediging van zijn behoeften in het algemeen, lichamelijk, sociaal, enz. Het is een zeker equivalent van geld, maar alleen in zijn bepaling als munt; d.w.z. alleen als een zichzelf opheffende bemiddeling. Het is een bepaald equivalent van bestaansmiddelen, geobjectiveerde arbeid, gemeten naar de productiekosten van zijn arbeid. Wat hij afstaat, dat is de beschikking erover. Aan de andere kant is het waar dat zelfs binnen de eenvoudige circulatie de munt tot geld kan uitgroeien, dat hij dus, voor zover hij muntstukken in ruil ontvangt, deze tot geld kan omvormen door een voorraad aan te leggen, enz., en ze aan de circulatie te onttrekken; hij kan ze vastleggen als algemene vorm van rijkdom, in plaats van een verdwijnend ruilmiddel. Men zou dus kunnen zeggen dat in de ruil van de arbeider met het kapitaal zijn object – en dus ook het product van de ruil – niet voedsel is, maar rijkdom, niet een speciale gebruikswaarde, maar ruilwaarde als zodanig. Volgens deze opvatting kan de arbeider de ruilwaarde alleen tot een eigen product maken, zoals de rijkdom in het algemeen alleen kan verschijnen als het product van de eenvoudige circulatie, waarin equivalenten worden geruild, namelijk door een substantiële bevrediging op te offeren aan de vorm van rijkdom, d.w.z. door ontzegging, sparen, beknibbelen op consumptie, en hij minder aan de circulatie onttrekt dan hij er waren in stopt. Dit is de enige mogelijke vorm van zelfverrijking, door de circulatie zelf bepaald.

De verzaking kan dan ook verschijnen in een meer actieve vorm, die er niet is in de eenvoudige circulatie, door zichzelf steeds meer rust te ontzeggen en in het algemeen zichzelf een ander bestaan dan dat van arbeider te ontzeggen, zoveel mogelijk alleen maar arbeider te zijn; vandaar dat de ruilhandeling vaker wordt vernieuwd, of kwantitatief uitgebreid, vandaar arbeidsijver. In de huidige maatschappij wordt de eis tot ijver en vooral tot sparen, en ontzegging, niet gesteld aan de kapitalisten, maar aan de arbeiders, en vooral door de kapitalisten. De huidige maatschappij stelt juist de paradoxale eis dat het ontzeggen geldt voor wie het object van de ruil het bestaansmiddel is, niet voor wie het verrijking is. De illusie dat de kapitalisten in feite “afstand doen” – en daardoor kapitalisten werden – is een eis en opvatting die alleen zin had in een tijd waarin het kapitaal zich ontwikkelt uit feodale verhoudingen enz., en is door alle verstandige moderne economen verlaten. De arbeider wordt verondersteld te sparen en er is veel drukte over spaarbanken, enz.

(Wat deze laatsten betreft, geven zelfs de economen toe, dat ook hun eigenlijke doel niet de rijkdom is, maar slechts een doelmatiger verdeling van de uitgaven, opdat zij op hun oude dag of in geval van ziekte, crisissen enz. niet ten laste komen van de armenhuizen, van de staat of van bedelen (kortom, opdat zij ten laste komen van de arbeidersklasse zelf en niet van de kapitalisten, vegeterend uit de zakken van laatstgenoemden), d.w.z. opdat zij sparen voor de kapitalisten; en de productiekosten voor hen verminderen.) Maar geen econoom zal ontkennen dat als de arbeider in het algemeen, dat wil zeggen als arbeider (wat de individuele arbeider doet of kan doen los van zijn genus kan slechts bestaan als uitzondering, niet als regel, want het ligt niet in het doel van de verhouding), dat wil zeggen als regel, aan deze eisen zou voldoen (afgezien van het verlies dat het zou toebrengen aan de algemene consumptie – het verlies zou enorm zijn – dat wil zeggen, ook aan de productie, dus ook aan het aantal en de massa van de ruilingen die zij met het kapitaal kunnen doen, dus aan zichzelf als arbeiders), zou hij absoluut middelen aanwenden die hun eigen doel teniet zouden doen en zou hij hem juist moeten degraderen tot de Ier, tot het stadium van de loonarbeider, waar het meest dierlijke minimum aan behoeften, aan levensmiddelen, hem als het enige voorwerp en doel van zijn ruil met het kapitaal verschijnt. Met het doel rijkdom te verwerven, in plaats van gebruikswaarde, zou hij niet alleen geen rijkdom verwerven, maar bovendien de gebruikswaarde verliezen bij de transactie. Want in de regel zou maximale arbeidsijver, en minimale consumptie – en dit is het maximum van zijn verzaking en geldmakerij – tot niets anders leiden dan dat hij een minimumloon zou ontvangen voor een maximum aan arbeid. Door die inspanning zou hij alleen het algemene niveau van de productiekosten van de eigen arbeid, dus de algemene prijs ervan, verlagen. Het is slechts bij uitzondering dat de arbeider door wilskracht, fysieke kracht en doorzettingsvermogen, gierigheid, enz. zijn muntstuk in geld kan veranderen, als een uitzondering in zijn klasse en de algemene bestaansvoorwaarden. Indien allen of de meerderheid te ijverig zijn (voor zover de ijver in de moderne industrie aan hen wordt overgelaten, hetgeen niet het geval is in de belangrijkste en meest ontwikkelde bedrijfstakken), verhogen zij niet de waarde van hun waar, maar slechts de hoeveelheid ervan, dat wil zeggen, de eisen die er als gebruikswaarde aan zouden worden gesteld. Indien zij allen sparen, zal een algemene loonsverlaging hen weer bij de les brengen; want het veralgemeende sparen toont de kapitalist dat de lonen in het algemeen te hoog zijn, dat zij meer bezitten dan het equivalent van hun koopwaar, de beschikkingsmacht over hun arbeid; want het is juist de essentie van de eenvoudige ruil – en in deze verhouding staan zij – dat niemand méér in de circulatie brengt dan er aan wordt onttrokken, maar er ook alleen aan kan onttrekken wat er in is gebracht. Een enkele arbeider kan alleen boven het niveau ijverig zijn, meer dan hij moet zijn om als arbeider te leven, omdat een ander onder het niveau zit, luier is; hij kan alleen sparen omdat en wanneer een ander verspilt.

Het enige wat hij gemiddeld met zijn spaarzaamheid kan bereiken, is het gelijkmaken van de prijzen – de hoge en de lage – om hun verloop beter te kunnen dragen; dus alleen om zijn genoegens doelmatiger te verdelen, niet om rijkdom te verwerven. En dit is ook de eigenlijke eis van de kapitalisten. De arbeiders moeten in goede tijden zoveel sparen dat zij in de slechte tijden min of meer kunnen leven, arbeidstijdverkorting of loonsverlaging kunnen verdragen, enz. (Hij zou dan nog dieper zakken.) Dus eisen dat zij zich altijd beperken tot een minimum aan levensgenoegens en de crisissen van de kapitalisten verlichten, enz. Zij moeten puur werkende machines zijn en zoveel mogelijk hun eigen slijtage betalen. Afgezien van de pure verdierlijking waarin dit zou uitlopen – en een dergelijke verdierlijking maakt het onmogelijk om zelfs maar te streven naar rijkdom in de algemene vorm, als geld, als geaccumuleerd geld, (en het aandeel dat de arbeider heeft in de hogere, ook geestelijke genoegens; het behartigen van zijn eigen interesses, het lezen van kranten, het luisteren naar lezingen, het opvoeden van kinderen, het ontwikkelen van smaak, enzovoort, zijn enige aandeel in de beschaving dat hem scheidt van de slaaf, is economisch gezien alleen mogelijk door de uitbreiding van zijn genoegens in goede tijden, d.w.z. in tijden waarin sparen tot op zekere hoogte mogelijk is) zou hij, als hij zijn geld op een behoorlijke ascetische manier spaarde en zo premies opstapelde voor het lompenproletariaat, boeven, enz., die evenredig met de vraag zouden toenemen, zou hij zijn spaargeld – als het het spaarbedrag bij de officiële spaarbanken overtreft, die hem een minimum aan rente betalen, zodat de kapitalisten hoge rentes uit zijn spaargeld kunnen slaan, of de staat het opeet, waardoor hij alleen maar de macht van zijn tegenstander en zijn eigen afhankelijkheid vergroot – kunnen conserveren en productief maken door het alleen maar in banken e.d. te stoppen zodat hij in tijden van crisis zijn spaargeld verliest, nadat hij in tijden van voorspoed van alle geneugten des levens heeft afgezien, om de macht van het kapitaal te vergroten; hij heeft dus in alle opzichten gespaard voor het kapitaal en niet voor zichzelf.

Overigens – voor zover het geen hypocriete frase is van burgerlijke “filantropie”, die erin bestaat de arbeider af te schepen met “vrome wensen” – eist elke kapitalist inderdaad dat zijn arbeiders sparen, maar alleen zijn arbeiders, want zij staan tegenover hem als arbeiders; geenszins de overige arbeiderswereld, want zij zijn tegenover hem consumenten. Ondanks alle “vrome” woorden zoekt hij dus alle middelen om hen tot consumptie aan te zetten, om zijn waren een nieuwe attractie te geven, om nieuwe behoeften aan te praten, enz. Het is juist deze kant van de verhouding tussen kapitaal en arbeid, dat een essentieel beschavingsmoment is en waarop de historische rechtvaardiging, maar ook de huidige macht van het kapitaal is gebaseerd. (Deze verhouding tussen productie en consumptie te ontwikkelen onder: kapitaal en winst, enz.) (of ook onder accumulatie en concurrentie van kapitalen.)

Dit zijn echter allemaal exoterische overwegingen, in zoverre zij bewijzen dat de eisen van de hypocriete burgerlijke filantropie zichzelf oplossen en zo precies bevestigen wat zij verondersteld worden te weerleggen, namelijk dat in de ruil van de arbeider met het kapitaal hij in de verhouding van de eenvoudige circulatie staat, dat wil zeggen dat hij geen rijkdom ontvangt, maar alleen levensonderhoud, gebruikswaarden voor onmiddellijke consumptie. Dat de claim in strijd is met de verhouding zelf, blijkt uit eenvoudige overdenking (de onlangs zelfgenoegzaam naar voren gebrachte eis om de arbeiders een bepaald aandeel in de winst te geven, moet worden behandeld in de afdeling loonarbeid; anders dan een speciale bonus die zijn doel alleen kan bereiken als een uitzondering op de regel en in feite ook in de praktijk van betekenis beperkt blijft tot het inkopen door individuele opzichters enz. in het belang van de patroon tegen de belangen van hun klasse; of bedienden enz., kortom, niet langer de eenvoudige arbeider, dus ook niet de algemene verhouding; of anders is het een speciale manier om de arbeider te bedriegen en een deel van het arbeidsloon in te houden in de meer precaire vorm van een winst die afhangt van de toestand van het bedrijf), dat, wil het spaargeld van de arbeider niet louter een circulatieproduct blijven – gespaard geld, dat alleen te gelde kan worden gemaakt door vroeg of laat te worden omgezet in de wezenlijke inhoud van de rijkdom, in genoegens – het opgebouwde geld zelf kapitaal moet worden, d.w.z. arbeid moet kopen, zich moet verhouden tot de arbeid als gebruikswaarde. Het gaat dus weer uit van arbeid, dat geen kapitaal is, en veronderstelt dat arbeid zijn tegendeel is geworden – niet-arbeid. Om kapitaal te worden, gaat het zelf uit van arbeid als niet-kapitaal ten opzichte van kapitaal. Dus het ontstaan van tegenstellingen die op één punt moeten worden overstegen op een ander punt. Als dus in de oorspronkelijke verhouding de waar zelf het voorwerp en het product van de ruil van de arbeider zou zijn – als het product van louter ruil kan het geen ander product zijn – geen gebruikswaarde, geen levensmiddel, geen bevrediging van onmiddellijke behoeften, geen onttrekking aan de circulatie van het equivalent, dat wat erin gestopt is om het door consumptie te vernietigen – dan zou de arbeid tegenover het kapitaal staan, niet als arbeid, niet als niet-kapitaal, maar als kapitaal. Maar zelfs het kapitaal kan niet tegenover het kapitaal staan, als het kapitaal niet tegenover de arbeid staat, want het kapitaal is slechts kapitalist als niet-arbeider; in deze tegengestelde verhouding. Zo zou het begrip en de verhoudingen van het kapitaal zelf vernietigd worden.

Dat er omstandigheden zijn waarin zelfstandig werkende eigenaars met elkaar ruilen, dat wordt zeker niet ontkend. Maar dergelijke voorwaarden zijn niet de maatschappelijke condities waarin het kapitaal als zodanig ontwikkeld is; zij worden dus ook op alle punten door die ontwikkeling vernietigd. Het kan zich alleen als kapitaal opwerpen door arbeid als niet-kapitaal, als zuivere gebruikswaarde te beschouwen. (Als slaaf heeft de arbeider ruilwaarde, een waarde; als vrije loonarbeider heeft hij geen waarde; het is veeleer zijn beschikking over zijn arbeid, die tot stand komt door met hem te ruilen, die waarde heeft. Niet hij staat tegenover de kapitalist als ruilwaarde, maar de kapitalist tegenover hem. Zijn waardeloosheid en waardevermindering is de conditie van het kapitaal en de voorwaarde van de vrije arbeid in het algemeen. Linguet beschouwt het als een stap terug; hij vergeet dat de arbeider daarmee formeel wordt gesteld als een persoon die voor zichzelf nog iets is naast zijn arbeid en die zijn levensuiting slechts verkoopt als middel voor zijn eigen leven. Zolang de arbeider als zodanig ruilwaarde heeft, kan industrieel kapitaal als zodanig niet bestaan, en dus kan ontwikkeld kapitaal in het geheel niet bestaan. Daartegenover moet de arbeid staan als pure gebruikswaarde, die door de eigenaar als een waar wordt aangeboden tegen zijn ruilwaarde [de munt], die echter in de hand van de arbeider pas reëel wordt door haar rol als algemeen ruilmiddel; anders verdwijnt ze). Goed. De arbeider bevindt zich dus in de verhouding van een eenvoudige circulatie, van een eenvoudige ruil, en ontvangt alleen muntstukken voor zijn gebruikswaarde; levensmiddelen, maar bemiddeld. Deze vorm van bemiddeling is, zoals wij hebben gezien, essentieel en kenmerkend voor de verhouding. Dat hij muntstukken kan omzetten in geld – kan sparen – bewijst alleen dat zijn verhouding die van een eenvoudige circulatie is; hij kan meer of minder sparen, maar verder dan dat komt hij niet; hij kan wat hij heeft gespaard alleen realiseren door zijn genoegens tijdelijk uit te breiden. Dit is belangrijk – en ingrijpend op de verhouding zelf – dat, doordat geld het product is van zijn ruil, de algemene rijkdom als illusie haar voortstuwt; haar industrieel maakt. Tegelijkertijd schept dit niet alleen formeel een ruimte van willekeur voor de verwezenlijking van ...

[Het manuscript stopt hier. Wat ontbreekt is gereconstrueerd aan de hand van een tekstpassage uit bladzijde A van notitieboek II van het manuscript uit 1861-1863. Marx had deze passage blijkbaar overgenomen van pagina 29 van notitieboek II van de Grundrisse, zoals blijkt uit de voortzetting van de laatste zin van de verloren gegane pagina op pagina 8 van notitieboek III. Vanaf bladzijde 8 van notitieboek III van het manuscript volgt een tekst die de voortzetting is van notitieboek II. De eerste zeven bladzijden van III bevatten het onvoltooide ontwerp over Bastiat en Carey, dat een paar maanden eerder was geschreven.]

{In deze ruil ontvangt de arbeider het geld in feite alleen als munt, d.w.z. als de verdwijnende vorm van het levensmiddel waartegen hij het ruilt. Bestaansmiddelen, niet rijkdom, [zijn] voor hem het doel van de ruil.
Arbeidsvermogen wordt het kapitaal van de arbeider genoemd, omdat het het fonds is dat hij niet verbruikt middels een geïsoleerde ruil, maar dat hij tijdens zijn leven als arbeider steeds weer kan herhalen. Volgens deze opvatting zou alles kapitaal zijn dat een fonds is van herhaalde}

[Hieronder het vervolg van de ontbrekende pagina.]
processen van hetzelfde onderwerp; zo zou bv. de substantie van het oog het kapitaal van de begeerte zijn, enz. Zulke belletristische zinnen, waarbij alles naar analogie onder alles wordt gerangschikt, kunnen geestig lijken wanneer zij voor het eerst worden uitgesproken, en des te meer naarmate zij het meest ongelijksoortige identificeren. Maar als ze herhaald worden, en dan ook nog eens met een regelrechte zelfgenoegzaamheid herhaald worden als verklaringen met wetenschappelijke waarde, zijn ze puur en simpelweg belachelijk. Alleen goed voor belletristische nieuwelingen en praatjesmakers die alle wetenschap besmeuren met hun zoetsappige smurrie. Dat de arbeid voor de arbeider steeds een nieuwe bron van ruil is, zolang hij tot arbeid in staat is – namelijk niet tot een ruil op zich, maar een ruil met het kapitaal – ligt in de begripsbepaling zelf, dat hij slechts een tijdelijke beschikking over zijn arbeidsvermogen verkoopt, d.w.z. dat hij de ruil steeds opnieuw kan beginnen, zodra hij de juiste hoeveelheid materie heeft opgenomen om zijn leven [Lebensäusserung] opnieuw te reproduceren. In plaats van hun verbazing hierop te richten – en de arbeider te beschouwen als schuldplichtig aan het kapitaal voor het feit dat hij al leeft en elke dag bepaalde levensprocessen kan herhalen zodra hij geslapen en gegeten heeft – hadden de glunderende pluimstrijkers van de burgerlijke economie veeleer hun aandacht moeten richten op het feit dat hij, na voortdurend herhaalde arbeid, alleen zijn levende, directe arbeid heeft om te ruilen. De herhaling zelf is in feite slechts schijn. Wat hij ruilt tegen het kapitaal is zijn volledige arbeidscapaciteit, die hij, laten we zeggen, in 20 jaar besteedt. In plaats van het hem in één keer uit te betalen, betaalt het kapitaal hem in kleine hoeveelheden, naarmate het hem ter beschikking komt, bv. wekelijks. Dit verandert dus absoluut niets aan de aard van de zaak en rechtvaardigt niets minder dan de conclusie dat, aangezien de arbeider 10-12 uur moet slapen voordat hij in staat is zijn arbeid en de ruil daarvan met het kapitaal te herhalen – die arbeid zijn kapitaal vormt. Wat als kapitaal wordt opgevat, is in feite de limiet, de onderbreking van zijn arbeid, hij is geen perpetuum mobile. De strijd om de tienurendag enz., bewijst dat de kapitalist niets liever wil dan zijn dosissen levenskracht zo veel mogelijk zonder onderbreking te versjacheren.

Wij komen nu tot het tweede proces dat, na deze ruil, de verhouding vormt tussen arbeid en kapitaal. Wij willen hier alleen nog aan toevoegen dat de economen de bovenstaande zin zo verwoorden: dat het loon niet productief is. Voor hen betekent productief zijn, natuurlijk, rijkdom produceren. Aangezien het loon het product is van de ruil tussen arbeider en kapitaal – en het enige product dat in deze handeling zelf wordt gesteld – geven zij toe dat in deze ruil de arbeider geen rijkdom produceert, noch voor de kapitalist – want deze betaalt geld voor een gebruikswaarde – en deze betaling is de enige functie van het kapitaal in deze verhouding – het afstand doen van rijkdom, niet het scheppen ervan, en daarom probeert hij zo weinig mogelijk te betalen; noch voor de arbeider, omdat het hem alleen levensmiddelen oplevert, bevrediging van individuele behoeften, meer of minder – nooit de algemene vorm van rijkdom, nooit rijkdom. Dat kan ook niet, want de inhoud van de waar die hij verkoopt, plaatst haar geenszins boven de algemene circulatiewetten: door de waarde die hij in circulatie brengt, ontvangt hij een equivalent, door middel van muntstukken, in een andere gebruikswaarde die hij consumeert. Zo’n operatie kan natuurlijk nooit verrijkend zijn, maar moet de uitvoerder aan het eind van het proces precies terugbrengen naar het beginpunt. Dit sluit, zoals wij hebben gezien, niet uit, maar wel veeleer in, dat de cirkel van zijn onmiddellijke bevrediging, nauwer of breder kan zijn. Anderzijds, als de kapitalist – die in deze ruil nog helemaal niet als kapitalist wordt gezien, maar alleen als geld – deze handeling keer op keer zou herhalen, zou zijn geld spoedig door de arbeider zijn geconsumeerd die het zou uitgeven aan een reeks andere genoegens, herstelde broeken, gepoetste laarzen – kortom, ontvangen diensten. In ieder geval zou de herhaling van deze operatie precies worden afgemeten aan de limiet van zijn beurs. Het zou hem niet meer verrijken dan het uitgeven van geld aan andere gebruikswaarden voor zijn dierbare personen, die, zoals we weten, hem geen geld – opleveren, maar hem geld kosten.

Het kan vreemd lijken dat, aangezien in de verhouding tussen arbeid en kapitaal, en ook in deze eerste ruilverhouding tussen beide, de arbeider de ruilwaarde koopt en de kapitalist de gebruikswaarde, waarbij arbeid niet als een gebruikswaarde maar als de gebruikswaarde tegenover kapitaal staat, de kapitalist rijkdom ontvangt en de arbeider slechts een gebruikswaarde die vergaat in de consumptie. {Voor zover dit de kapitalisten betreft, dit pas te ontwikkelen in het tweede proces}. Dit lijkt een dialectiek te zijn die omslaat in het tegendeel van wat men zou verwachten. Maar als we beter kijken, zien we dat de arbeider die zijn waar ruilt, in het ruilproces de vorm W-G-G-W doorloopt. Als men in de circulatie de waar, de gebruikswaarde, als beginsel van de ruil neemt, komt men noodzakelijkerwijs weer bij de waar uit, in die zin dat het geld slechts als munt verschijnt en als ruilmiddel slechts een verdwijnende bemiddeling is; maar de waar als zodanig wordt, na het doorlopen van zijn cyclus, geconsumeerd als een direct object van de behoefte. Anderzijds vertegenwoordigt kapitaal G-W-W-G; het tegenovergestelde moment.

De scheiding van eigendom en arbeid lijkt de noodzakelijke wet van deze ruil tussen kapitaal en arbeid. Arbeid, als niet-kapitaal als zodanig, is: 1. niet-geobjectiveerde arbeid, negatief opgevat (zelf nog objectief; het niet-geobjectiveerde zelf in objectieve vorm). Als zodanig is het niet-basismateriaal, niet-arbeidsinstrument, niet-ruw product: arbeid gescheiden van alle arbeidsmiddelen en -objecten, van al zijn objectiviteit. De levende arbeid die bestaat als een abstractie van deze momenten van zijn werkelijke werkelijkheid (eveneens niet-waarde); deze volledige ontbloting, ontdaan van alle objectiviteit, zuiver subjectief bestaan van de arbeid. Arbeid als absolute armoede: armoede, niet als gebrek, maar als de volledige uitsluiting van objectieve rijkdom. Of ook als de bestaande niet-waarde en dus zuiver objectieve gebruikswaarde, die zonder bemiddeling bestaat, kan deze objectiviteit er slechts een zijn die niet van de persoon gescheiden is: slechts een die samenvalt met zijn onmiddellijk lichamelijke zijn. In die mate dat de objectiviteit puur onmiddellijk is, is het evenzeer onmiddellijk niet-objectiviteit. Met andere woorden, geen objectiviteit die buiten het onmiddellijke bestaan van het individu zelf valt. 2. Niet-geobjectiveerde arbeid, niet-waarde, positief opgevat, of als negativiteit ten opzichte van zichzelf, is het niet-geobjectiveerde, dus niet-objectieve, d.w.z. subjectieve bestaan van de arbeid zelf. Arbeid niet als een object, maar als een activiteit; niet als zelf een waarde, maar als de levende bron van waarde. De algemene rijkdom, tegenover het kapitaal, waarin het objectief als werkelijkheid bestaat, als een algemene mogelijkheid van hetzelfde, die zich als zodanig in actie bewijst. Het is dus geenszins tegenstrijdig, of liever gezegd de in alle opzichten tegenstrijdige stelling dat arbeid enerzijds absolute armoede is als object, en anderzijds de algemene mogelijkheid van rijkdom als subject en als activiteit, onderling afhankelijk zijn en volgen uit het wezen van de arbeid, zoals het door het kapitaal wordt voorondersteld als zijn tegenstrijdigheid en als zijn tegenstrijdig wezen, en zoals het op zijn beurt het kapitaal veronderstelt.

Het laatste punt waarop moet worden gewezen bij arbeid als tegengesteld aan kapitaal, is dat het, als gebruikswaarde tegenover het als kapitaal gestelde geld, niet deze of gene arbeid is, maar arbeid als zodanig, abstracte arbeid; absoluut onverschillig voor zijn bijzondere bepaaldheid, maar in staat tot elke bepaaldheid. Natuurlijk moet met de bijzondere substantie waaruit een bepaald kapitaal bestaat, ook de arbeid als zodanig overeenstemmen; maar omdat het kapitaal als zodanig onverschillig staat tegenover elke bijzonderheid van zijn substantie, en zowel de totaliteit ervan als de abstractie van al zijn bijzonderheden, heeft de arbeid waarmee het wordt geconfronteerd, subjectief dezelfde totaliteit en abstractie in zich. Bijvoorbeeld in de gilde- en ambachtelijke arbeid, waar het kapitaal zelf geborneerd is, geheel verzonken in een bepaalde substantie, en daarom nog geen kapitaal als zodanig is, verschijnt de arbeid ook als verzonken in een bijzondere bepaaldheid: niet in de totaliteit en abstractie als de arbeid zoals die tegenover het kapitaal staat. Dat wil zeggen, de arbeid is inderdaad in elk afzonderlijk geval een bijzondere arbeid; maar het kapitaal kan tegenover elke bijzondere arbeid komen te staan; de totaliteit van alle arbeid staat er potentieel tegenover, en het is toevallig welke arbeid er tegenover komt te staan.

Anderzijds is de arbeider zelf volstrekt onverschillig voor de specificiteit [Bestimmtheit] van zijn arbeid; deze heeft voor hem als zodanig geen belang, maar slechts in zoverre zij arbeid is en als zodanig gebruikswaarde heeft voor het kapitaal. Drager zijn van de arbeid als zodanig, d.w.z. van arbeid als gebruikswaarde voor het kapitaal, dat is zijn economisch karakter; hij is een arbeider in tegenstelling tot de kapitalist. Dit is niet het karakter van ambachtslieden, gildebroeders, enz., wier economisch karakter juist ligt in het specifieke van hun arbeid en een verhouding tot een bepaalde meester, enz. Deze economische verhouding – het karakter van de kapitalist en de arbeider als de uitersten van een productieverhouding – wordt dus des te zuiverder en adequater ontwikkeld naarmate de arbeid elke kundigheid [Kunstcharakter] verliest; haar bijzondere vaardigheid wordt steeds meer iets abstracts, onverschilligs, en zij wordt steeds meer pure abstracte activiteit, puur mechanische, dus onverschillige activiteit, onverschillig voor haar bijzondere vorm; zuiver formele activiteit of, wat hetzelfde is, zuiver materieel, activiteit in het algemeen, onverschillig voor de vorm. Ook hier zien we hoe de bijzondere productieverhouding van de categorie – hier kapitaal en arbeid – pas waar wordt bij de ontwikkeling van een bepaalde materiële productiewijze en een bepaalde fase in de ontwikkeling van de industriële productiekrachten. (Dit punt zal later in verband met deze verhouding bijzonder worden uitgewerkt; omdat het hier reeds in de verhouding zelf wordt gesteld, terwijl het in het geval van de abstracte begrippen, ruilwaarde, circulatie, geld, nog meer binnen onze subjectieve beschouwing ligt.)

2. We komen nu aan de tweede kant van het proces. De ruil tussen kapitaal of de kapitalist en de arbeider is nu voltooid, voor zover het het ruilproces betreft. Het gaat nu over tot de verhouding van het kapitaal tot de arbeid als gebruikswaarde. Arbeid is niet alleen de gebruikswaarde tegenover het kapitaal, maar het is de gebruikswaarde van het kapitaal zelf. Als het niet-zijn van geobjectiveerde waarden, is arbeid hun niet-geobjectiveerd zijn, hun ideale zijn; de mogelijkheid van waarde en, als activiteit, het bepalen van waarde. Tegenover het kapitaal is het slechts de abstracte vorm, de loutere mogelijkheid van waardescheppende activiteit, die slechts bestaat als capaciteit, vermogen, in het fysieke van de arbeider. Maar in de reële activiteit door contact met het kapitaal – het kan er niet uit zichzelf in komen, want het is objectloos – wordt het een reële waardebepalende, productieve activiteit. Relationeel tot het kapitaal, kan de activiteit alleen bestaan in de reproductie van zichzelf – de manier om dit te bereiken is de reële en effectieve waarde ervan te handhaven en te verhogen, en niet de louter beoogde waarde, zoals in geld als zodanig. Door de ruil met de arbeider heeft het kapitaal zich de arbeid toegeëigend; het is één van zijn momenten geworden, die nu als een bevruchtende vitaliteit werkt op zijn enige bestaande en dus dode objectiviteit.

Kapitaal is geld (ruilwaarde op zichzelf), maar het is niet langer geld als bestaand in een bepaalde substantie en dus uitgesloten van andere substanties van ruilwaarde en naast hen bestaand, maar veeleer geld als geld dat zijn ideale karakter verkrijgt uit alle substanties, uit de ruilwaarden van elke vorm en wijze van geobjectiveerde arbeid. Voor zover kapitaal, als geld dat bestaat in alle bijzondere vormen van geobjectiveerde arbeid, nu in proces treedt met arbeid die niet geobjectiveerd is maar levend, bestaand als proces en handeling, is het allereerst dit kwalitatieve verschil van de substantie waarin het bestaat met de vorm waarin het nu ook bestaat als arbeid. Het is het proces van dit onderscheid en van de opheffing ervan, waarin het kapitaal zelf een proces wordt.

De arbeid is het gist dat erin gegooid wordt en doet gisten. Enerzijds moet de objectiviteit waaruit het bestaat worden verwerkt, d.w.z. door de arbeid verbruikt; anderzijds moet de subjectiviteit van de arbeid als loutere vorm worden overstegen en moet zij worden geobjectiveerd in het materiaal van het kapitaal. De verhouding van het kapitaal, wat zijn inhoud betreft, tot de arbeid, van de geobjectiveerde arbeid tot de levende arbeid – in deze verhouding, waarin het kapitaal passief lijkt ten opzichte van de arbeid, is het zijn passieve bestaan, als bijzondere substantie, dat zich voordoet ten opzichte van de arbeid als vormende activiteit – kan slechts de verhouding zijn van de arbeid tot zijn objectiviteit, (dat al moet uiteengezet worden in het eerste hoofdstuk, dat vooraf moet gaan aan [dat van] de ruilwaarde en betrekking heeft op de productie in het algemeen) – en in relatie tot de arbeid als activiteit heeft de substantie, de geobjectiveerde arbeid, slechts twee verhoudingen, die van ruw materiaal, d.w.z. van de vormloze substantie, van louter materiaal voor de vormgevende, doelgerichte activiteit van de arbeid, en die van het instrument van de arbeid, van het geobjectiveerde middel waarmee de subjectieve activiteit een object als geleider invoegt, tussen zichzelf en het object.

Het begrip product, dat de economen hier introduceren, hoort hier helemaal niet thuis als een aspect dat zich onderscheidt van het materiaal en het arbeidsinstrument. Het verschijnt als resultaat, niet als voorwaarde van het proces tussen de passieve inhoud van het kapitaal en de arbeid als activiteit. Voorwaarde is dat het product geen verschillende verhouding heeft van het object tot de arbeid, het materiaal en het arbeidsinstrument, aangezien het materiaal en het arbeidsinstrument, omdat zij de waardesubstantie zijn, zelf reeds geobjectiveerde arbeid, producten, zijn. De waardesubstantie is helemaal niet de bijzondere natuurlijke substantie, maar de geobjectiveerde arbeid. Die verschijnt zelf weer met betrekking tot de levende arbeid als materiaal en arbeidsinstrument. Als men alleen de productie als zodanig beschouwt, kan het arbeidsinstrument en het materiaal in de natuur voorkomen, zodat men zich deze slechts hoeft toe te eigenen, d.w.z. ze tot voorwerp en middel van de arbeid te maken, wat zelf geen arbeidsproces is. Voor hen verschijnt het product dus als kwalitatief anders en is het product niet slechts het resultaat van de arbeid via het instrument op het materiaal, maar als de eerste objectivering van de arbeid. Als bestanddelen van het kapitaal zijn het materiaal en het arbeidsinstrument echter zelf reeds geobjectiveerde arbeid, d.w.z. product. Daarmee is de verhouding nog niet uitgeput. Bijvoorbeeld, bij een productie zonder ruilwaarden, zonder kapitaal, kan het arbeidsproduct het middel en voorwerp worden van nieuwe arbeid. Bijvoorbeeld in de landbouw die puur gebruikswaarde produceert. De boog van de jager, het visnet van de visser, kortom, de eenvoudigste voorwaarden veronderstellen reeds een product, dat ophoudt een product te zijn en materiaal wordt of, met name, productie-instrument, want dit is eigenlijk de eerste specifieke vorm waarin het product verschijnt als reproductiemiddel. Deze verhouding is dus geenszins een uitputting van de verhouding waarin materiaal en arbeidsinstrument verschijnen als momenten van het kapitaal.

De economen brengen het product overigens in een heel ander opzicht in als een derde element van de substantie van het kapitaal. Het is het product, voor zover het voorbestemd is om zowel uit het productieproces als uit de circulatie te gaan, en het rechtstreekse voorwerp te zijn van individuele consumptie, het levensmiddelenfonds, zoals Cherbuliez het noemt. Namelijk de vooropgestelde producten, zodat de arbeider als arbeider leeft en tijdens de productie kan leven, voordat een nieuw product wordt geproduceerd. Dat de kapitalist dit vermogen bezit, is te danken aan het feit dat elk bestanddeel van het kapitaal geld is en als zodanig kan worden omgezet, als de algemene vorm van rijkdom, in een substantie van diezelfde rijkdom, een consumptieartikel. Het levensmiddelenfonds van de economen heeft dus alleen betrekking op de arbeiders, d.w.z. op het geld in de vorm van gebruiksvoorwerpen, gebruikswaarde, die zij van de kapitalist ontvangen bij de onderlinge ruil. Maar dit hoort bij de eerste handeling. Voor zover dit eerste verband houdt met het tweede, is dat hier nog niet aan de orde. De enige scheiding die door het productieproces wordt aangebracht, is de oorspronkelijke scheiding, aangebracht door het verschil tussen de geobjectiveerde arbeid en de levende arbeid, d.w.z. die tussen het materiaal en het arbeidsinstrument. Dat de economen deze vaststellingen door elkaar halen, is niet meer dan normaal, omdat zij de twee momenten van de verhouding tussen kapitaal en arbeid door elkaar moeten halen en niet mogen vasthouden aan hun specifiek verschil.

Dus: het materiaal wordt geconsumeerd doordat het wordt veranderd, door de arbeid, en het arbeidsinstrument wordt geconsumeerd doordat het in dit proces wordt verbruikt. Anderzijds wordt de arbeid ook geconsumeerd doordat zij wordt aangewend, in beweging gebracht, en zo een hoeveelheid spierkracht enz. van de arbeider wordt verbruikt, waardoor hij zichzelf uitput. Maar arbeid wordt niet alleen geconsumeerd, maar tegelijkertijd ook gefixeerd, omgezet van de vorm van activiteit in de vorm van het object; gematerialiseerd; als een wijziging van het object wijzigt het zijn eigen vorm en verandert van activiteit in Zijn [cursief van de vertaler]. Het einde van het proces is het product, waarin het materiaal verschijnt als verbonden met de arbeid en het arbeidsinstrument zich eveneens van een loutere mogelijkheid in een werkelijkheid heeft omgezet, in die zin dat het de werkelijke leider van de arbeid is geworden, maar daardoor, door zijn mechanische of chemische verhouding tot het arbeidsmateriaal, zelf in zijn statische vorm is verbruikt. Alle drie de momenten van het proces, het materiaal, het instrument, de arbeid, komen samen in een neutraal resultaat, het product. De momenten van het productieproces die zijn verbruikt om het product te maken, worden er tegelijkertijd in gereproduceerd. Het hele proces verschijnt dus als productieve consumptie, d.w.z. als consumptie die noch in het niets eindigt, noch in de loutere subjectivering van het objectieve, maar die zelf weer tot object wordt gemaakt. Consumptie is niet louter consumptie van het materiaal, maar consumptie van de consumptie zelf; in de opheffing van het materiaal, de opheffing van deze opheffing en dus de realisering ervan. De vormgevende activiteit consumeert het object en consumeert zichzelf, maar zij consumeert alleen de gegeven vorm van het object om het in een nieuwe objectieve vorm te realiseren, en zij consumeert zichzelf alleen in haar subjectieve vorm als activiteit. Zij consumeert het objectieve van het object – de onverschilligheid voor de vorm – en het subjectieve van de activiteit; zij vormt het ene, materialiseert het andere. Als product is het resultaat van het productieproces echter gebruikswaarde.
Kijken we nu naar het tot nu toe verkregen resultaat, dan:

Ten eerste: door de toe-eigening, de inlijving van de arbeid in het kapitaal – geld, d.w.z. de handeling van het kopen van het vermogen om over de arbeider te beschikken, verschijnt hier alleen als middel om dit proces tot stand te brengen, niet als moment op zich – komt dit in gisting en wordt het een proces, een productieproces, waarin het naar zichzelf verwijst als totaliteit, als levende arbeid, niet alleen als geobjectiveerd, maar, omdat het geobjectiveerd is, [als] het loutere object van arbeid.

Ten tweede: in de eenvoudige circulatie was de substantie van de waar en van het geld zelf onverschillig voor de vormfunctie, d.w.z. voor zover de waar en het geld momenten van de circulatie bleven. Wat de substantie van de waar betreft, deze viel buiten de economische verhouding als een object van consumptie (van behoefte); het geld, voor zover zijn vorm verzelfstandigde, was nog steeds gerelateerd aan de circulatie, maar alleen negatief, en wel alleen dit negatieve verband. Gefixeerd verviel het eveneens in dode materialiteit, hield op geld te zijn. Waren en geld waren beide uitdrukkingen van ruilwaarde en alleen verschillend als algemene en bijzondere ruilwaarde. Dit verschil zelf was weer slechts een bedoeld verschil, in die zin dat beide functies in de werkelijke circulatie werden verwisseld, omdat elk, afzonderlijk beschouwd, het geld zelf een speciale waar was, en de waar als prijs zelf algemeen geld was. Het verschil was slechts formeel. Elk was slechts op het ene doel gericht omdat en in zoverre het niet op het andere was gericht. Nu echter, in het productieproces, verschilt het kapitaal zelf als vorm van zichzelf als substantie. Beide zijn tegelijk en tegelijkertijd de relatie van beide tot elkaar. Maar:

Ten derde: deze verhouding verscheen alleen nog maar op zich. Het is nog niet gesteld, of het is zelf slechts gesteld onder de bepaling van een van de twee momenten, het materiële, dat zelf wordt onderscheiden als materie (materiaal en instrument) en vorm (arbeid), en als een verhouding van de twee, als een werkelijk proces dat zelf weer een materiële verhouding is van de twee materiële elementen die de inhoud van het kapitaal vormen, en te onderscheiden zijn van de formele verhouding als kapitaal. Wanneer men het kapitaal bekijkt vanuit het gezichtspunt waarin het oorspronkelijk verschijnt onderscheiden van de arbeid, dan is er in het proces slechts sprake van een passief bestaan, van een objectief bestaan, waarin de vorm, volgens welke het kapitaal is – dat wil zeggen een voor zichzelf bestaande maatschappelijke verhouding – volledig teniet wordt gedaan. Het komt alleen binnen in het proces aan de kant van zijn inhoud als geobjectiveerde arbeid; maar dat het geobjectiveerde arbeid is, is volkomen onverschillig voor de arbeid, en zijn verhouding tot de arbeid vormt het proces; het is veeleer alleen als object, niet als geobjectiveerde arbeid, dat het in het proces komt en wordt verwerkt. Katoen dat katoengaren wordt, of katoengaren dat weefsel wordt, of het weefsel dat materiaal wordt voor het bedrukken en verven, bestaat voor de arbeid alleen als bestaand katoen, katoengaren, geweven stof. Voor zover zij zelf arbeidsproducten zijn, geobjectiveerde arbeid, komen zij in het geheel niet in een proces terecht, maar slechts als materiële existenties met bepaalde natuurlijke eigenschappen. Hoe deze zich stellen, is van geen belang voor de verhouding van de levende arbeid tot hen; voor hen bestaan zij slechts in zoverre zij onderscheidend bestaan, d.w.z. als arbeidsmateriaal. Dit, voor zover het uitgangspunt het kapitaal is in de veronderstelde geobjectiveerde arbeidsvorm. Aan de andere kant, voor zover de arbeid zelf een objectief element is geworden door de ruil met de arbeider, is het verschil met de objectieve elementen van het kapitaal zelf een objectief verschil; het ene in de vorm van rust, het andere in de vorm van activiteit. Het verband is de materiële verhouding tussen een van de elementen van het kapitaal met het andere; maar niet zijn eigen verhouding tot beide.

Zo verschijnt het enerzijds slechts als een passief object, waarin elke relatie met de vorm is opgeheven; anderzijds verschijnt het slechts als een eenvoudig productieproces, waarin het kapitaal als zodanig, verschillend van zijn substantie, niet toetreedt. Zij verschijnt zelfs niet in haar substantie, die haar toebehoort – als geobjectiveerde arbeid, want dit is de substantie van de ruilwaarde – maar alleen in de natuurlijke bestaansvorm van deze substantie, waarin alle verhouding tot de ruilwaarde, tot de geobjectiveerde arbeid, tot de arbeid zelf als de gebruikswaarde van het kapitaal – en dus alle verhouding tot het kapitaal zelf – is opgeheven. Van deze kant bekeken valt het proces van het kapitaal samen met het eenvoudige productieproces als zodanig, waarin de functie als kapitaal tenietgaat in de vorm van het proces, net zoals geld als geld tenietging in de vorm van waarde. Voor zover wij het proces tot dusver hebben bekeken, komt het kapitaal-voor-zichzelf – d.w.z. de kapitalist – er in het geheel niet aan te pas. Het is niet de kapitalist die door de arbeid als materiaal en arbeidsinstrument wordt verbruikt. Het is ook niet de kapitalist die wordt verbruikt, maar de arbeid. Het productieproces van het kapitaal verschijnt dus niet als het productieproces van het kapitaal, maar als het productieproces bij uitstek, en verschillend van de arbeid verschijnt het kapitaal in de materialiteit van materiaal en arbeidsinstrument. Het is dit – dat niet alleen een willekeurige abstractie is, maar een abstractie die in het proces zelf verdwijnt – dat de economen fixeren om het kapitaal voor te stellen als een noodzakelijk element van alle productieprocessen. Zij doen dit uiteraard alleen door te vergeten, tijdens dit proces, aandacht te besteden aan het gedrag van het kapitaal.

Het is van belang hier de aandacht te vestigen op een moment dat niet alleen uit het oogpunt van de waarneming naar voren komt, maar zich in de economische verhouding zelf afspeelt. In de eerste handeling, in de ruil tussen kapitaal en arbeid, verscheen de arbeid, als bestaande voor zichzelf, noodzakelijkerwijs als arbeider. Zo ook hier in het tweede proces: kapitaal als zodanig wordt voorgesteld als een waarde die voor zichzelf bestaat, als een egoïstische waarde, zogezegd (wat alleen in geld geambieerd werd). Maar het voor zichzelf bestaande kapitaal, dat is de kapitalist. Socialisten kunnen zeggen dat we kapitaal nodig hebben, maar niet de kapitalist. Dan verschijnt het kapitaal als een zuiver ding, niet als een productieverhouding, die, weerspiegeld in zichzelf, de kapitalist is. Ik kan het kapitaal zeker scheiden van deze individuele kapitalist, en het kan overgaan op een ander. Maar door het kapitaal te verliezen, verliest hij de kwaliteit van een kapitalist te zijn. Het kapitaal kan dus worden gescheiden van de individuele kapitalist, maar niet van de kapitalist die als zodanig tegenover de arbeider staat. Zo kan ook de individuele arbeider ophouden het arbeidend wezen-voor-zichzelf te zijn; hij kan geld erven, stelen, enz. Maar dan houdt hij op een arbeider te zijn. Als arbeider is hij slechts de arbeid die voor zichzelf bestaat. (Dit is later verder uit te werken.)


[Arbeidsproces en valorisering]

Toelichting “Verwertung”
Het begrip Verwertung is bij Marx niet dat wat in de dictionaires staat. Daar staat bv. “verwerking; gebruik; aanwending; behandeling; hantering; benutting; utilisatie”.
Marx maakt een analyse van het kapitalisme en daarom is zijn begrip van Verwertung belangrijk. Ernest Mandel zegt het zo: “[Het kapitalisme] is een gigantisch proces van waardeproductie, van meerwaarde-extractie, uit de levende arbeid; een gigantische beweging die onophoudelijk de productiemiddelen revolutioneert, de organisatie van de productie, het arbeidsproces en de producenten zelf. De formule ‘kapitaal-waarde op zoek naar additionele waarde’ wordt nu begrepen als kapitaal dat een proces van zelf-valorisering (Verwertung) organiseert, een proces van onophoudelijk zoeken naar groei van zijn eigen waarde, door de eenheid van het arbeidsproces en het proces van de productie van toenemende waarde (Einheit von Arbeitsprozess und Verwertungsprozess).”

Verwertung is geen realisatie van het kapitaal, het bestaat al. Mandel: “De Pelican Marx Library uitgave van de Grundrisse bevat een ernstige en jammerlijke vertaalfout. Marx’ concept van Verwertung (valorisering, toe-eigeningsproces van waarde) werd overal vertaald als ‘realization of capital’. Marx gebruikt het concept ‘realization’ algemeen enkel met betrekking tot de realisatie van de waarde van de waren (die natuurlijk deze meerwaarde bevatten). Maar het probleem vindt haar oorsprong in de circulatiesfeer van waren en kapitaal (...)”.

Het is zeer de vraag of voor Verwertung in deze zin, er een goed Nederlands woord bestaat. Besluitend kunnen we stellen dat het een “te gelde maken” is. Valorisatie komt van het Franse valorisation, dat op zijn beurt wellicht komt van het Franse valoir. En valorisation dat kan onder meer vertaald worden als: waardestijging. In deze zin is het gebruik, door Mandel, van valorisatie/valorisering, best te begrijpen. Hier wordt dan ook valorisatie of valorisering gebruikt.
[Met dank aan Wim Seegers voor het verwijzen naar Ernest Mandel]


Aan het eind van het proces kan niets te voorschijn komen dat niet aan het begin verscheen als veronderstelling en voorwaarde. Aan de andere kant, alles moet er ook uitkomen. Wanneer dus aan het einde van het productieproces, begonnen met de veronderstelling van het kapitaal, het kapitaal als vormfunctie verdwenen blijkt te zijn, kan dit maar het geval zijn omdat men de onzichtbare en er doorheen lopende draden over het hoofd ziet. Laten we dit eens bekijken.

De eerste conclusie is dan:
α) Door inlijving van de arbeid in het kapitaal wordt het kapitaal een productieproces; maar allereerst een materieel productieproces; een productieproces in het algemeen, zodat het productieproces van het kapitaal niet wordt onderscheiden van het proces van de materiële productie in het algemeen. De vormfunctie is volledig vervallen. Omdat het kapitaal een deel van zijn objectieve wezen heeft geruild tegen arbeid, is zijn objectieve bestaan zelf in zichzelf gescheiden als object en arbeid; de verhouding tussen beide vormt het productieproces of, preciezer, het arbeidsproces. Hiermee verschijnt het arbeidsproces, als uitgangspunt vóór de waarde – die door haar abstractheid, zuiver materialiteit, evenzeer eigen is aan alle productievormen – opnieuw binnen het kapitaal, als een proces dat binnen zijn materie voortgaat, zijn inhoud vormt.

(Dat zelfs binnen het productieproces dit verdwijnen van de vormfunctie slechts schijn is, zal duidelijk worden.)

Voor zover kapitaal waarde is, maar als proces allereerst verschijnt onder de vorm van het eenvoudige productieproces, van het productieproces dat geen bijzondere economische specificiteit heeft, maar van het productieproces in het algemeen, dan kan – al naar gelang een of andere gefixeerde bijzonderheid van het eenvoudige productieproces (dat als zodanig, zoals we hebben gezien, geenszins kapitaal veronderstelt, maar eigen is aan alle productiewijzen) – worden gezegd dat kapitaal een product wordt, of dat het een arbeidsinstrument is, of ook arbeidsmateriaal. Als men het verder opvat als een van de zijden die tegenover de arbeid staan als materiaal of louter middel, dan zegt men terecht dat kapitaal niet productief is, omdat het dan louter wordt beschouwd als object, materie, tegenover de arbeid; als louter passief. Juist is echter dat het niet verschijnt als een van de zijden of als het verschil van een zijde op zich, noch als een louter resultaat (product), maar als het eenvoudige proces van de productie zelf; dat dit nu verschijnt als de zelfbewegende inhoud van het kapitaal.

β) Nu het aspect van de vormfunctie zoals het zich in het productieproces handhaaft en wijzigt.

{Wat productieve arbeid is of niet, een veel bediscussieerd discussiepunt sinds Adam Smith dit onderscheid maakte, moet het resultaat zijn van een analyse van de verschillende kanten van het kapitaal zelf. Productieve arbeid is alleen dat wat kapitaal produceert. Is het niet te gek, vraagt bv. (althans gelijkaardig) mijnheer Senior, dat de pianomaker geacht wordt een productieve arbeider te zijn, maar de pianospeler niet, hoewel zonder de pianospeler de piano nonsens zou zijn? Maar zo is het. De pianomaker reproduceert kapitaal; de pianospeler ruilt zijn arbeid tegen een revenu. Maar de pianospeler produceert muziek en bevredigt onze muzikaliteit, en produceert hij het zelfs niet tot op zekere hoogte? In feite doet hij dat: zijn arbeid brengt iets voort; daarom is het geen productieve arbeid in de economische zin van het woord; evenmin als de arbeid van de gek, die een waanidee produceert, dat die productief is. Arbeid is alleen productief door zijn eigen tegendeel te produceren. Andere economen staan dus toe dat de zogenaamde improductieve arbeider indirect productief is. Zo geeft de pianist een stimulans aan de productie; deels door onze individualiteit energieker, ons leven te verrijken, of ook in de gewone zin dat hij een nieuwe behoefte wekt, en voor de bevrediging ervan extra energie wordt besteed aan een directe materiële productie. Daarbij wordt reeds toegegeven, dat alleen arbeid, dat kapitaal voortbrengt, productief is; dat arbeid, die dit niet doet, hoe nuttig zij ook mag zijn – zij kan evengoed schadelijk zijn – niet productief is voor de kapitalisatie, en bijgevolg onproductieve arbeid is. Andere economen zeggen dat het verschil tussen productief en niet-productief geen verband moet houden met de productie maar met de consumptie. Integendeel. De tabaksproducent is productief, hoewel het tabaksverbruik improductief is. De productie voor improductieve consumptie is even productief als die voor productieve consumptie; altijd verondersteld dat het kapitaal voortbrengt of reproduceert.

“Een productieve arbeider [is] degene die direct de rijkdom van zijn meester vermeerdert”,

Malthus zegt het dus zeer juist (X, 40); althans in één opzicht. De uitdrukking is te abstract, want in deze versie geldt zij evenzeer voor de slaaf. De rijkdom van de meester, in verhouding tot de arbeider, is de vorm van de rijkdom zelf in zijn verhouding tot de arbeid, het kapitaal. Productieve arbeider [is] hij die het kapitaal direct vermeerdert.}

Als gebruikswaarde is arbeid er slechts voor het kapitaal en is zij de gebruikswaarde van het kapitaal zelf, d.w.z. de bemiddelende activiteit waardoor het zichzelf valoriseert. Kapitaal, als datgene wat zijn waarde reproduceert en vermeerdert, is zelfstandige ruilwaarde (geld), als een proces, als het proces van valorisatie. Arbeid bestaat voor de arbeider dus niet als gebruikswaarde; zij bestaat voor hem dus niet als een productieve kracht van rijkdom, als middel of als activiteit ter verrijking. Hij brengt het als gebruikswaarde in de ruil met het kapitaal, dat dus niet als kapitaal maar als geld tegenover hem staat. Het kapitaal als kapitaal staat in een verhouding tot de arbeider door de consumptie van de arbeid, die aanvankelijk buiten deze ruil valt en er onafhankelijk van is. Als gebruikswaarde voor het kapitaal is arbeid slechts ruilwaarde voor de arbeider; beschikbare ruilwaarde. Het wordt als zodanig bepaald in de ruil met het kapitaal, door de verkoop ervan tegen geld. De gebruikswaarde van een ding is niet van belang voor de verkoper als zodanig, maar alleen voor de koper. De eigenschap van salpeter dat het tot poeder kan worden verwerkt, is niet bepalend voor de prijs van salpeter, maar deze prijs wordt bepaald door de productiekosten van het salpeter zelf, de hoeveelheid van de daarin geobjectiveerde arbeid. De waarde van gebruikswaarden die als prijzen in omloop komen, is niet het product van de circulatie, hoewel zij zich slechts in de circulatie verwezenlijkt; zij is veeleer een voorwaarde en wordt slechts verwezenlijkt door ruil tegen geld. Zo is de arbeid, die door de arbeider als gebruikswaarde aan het kapitaal wordt verkocht, voor de arbeider zijn ruilwaarde, die hij wil realiseren, maar die reeds vóór de ruilhandeling is bepaald, als voorwaarde wordt verondersteld, die evenals de waarde van elke andere waar wordt bepaald door vraag en aanbod, of in het algemeen, waar het hier om gaat, de productiekosten, de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid waarmee het arbeidsvermogen van de arbeider is geproduceerd en die hij dus als equivalent ontvangt.

De ruilwaarde van de arbeid, waarvan de verwezenlijking plaatsvindt in het ruilproces met de kapitalist, is dus voorondersteld, vooraf bepaald, en ondergaat slechts de formele wijziging die elke slechts ideëel gestelde prijs ondergaat wanneer die wordt verwezenlijkt. Het wordt niet bepaald door de gebruikswaarde van de arbeid. Voor de arbeider zelf heeft zij gebruikswaarde, in zoverre zij ruilwaarde is, en geen ruilwaarde voortbrengt. Voor het kapitaal heeft het alleen ruilwaarde, voor zover het gebruikswaarde is. Het is een gebruikswaarde, te onderscheiden van ruilwaarde, niet voor de arbeider zelf, maar alleen voor het kapitaal. De arbeider ruilt dus de arbeid als een eenvoudige, vooraf bepaalde ruilwaarde, bepaald door een proces uit het verleden – hij ruilt de arbeid zelf als geobjectiveerde arbeid [arbeid vastgelegd in de geproduceerde voorwerpen – vert.]; alleen voor zover zij reeds een bepaalde hoeveelheid arbeid objectiveert, d.w.z. dat het equivalent ervan reeds gemeten, gegeven is – het kapitaal ruilt haar als levende arbeid, als de algemene productiekracht van de rijkdom; activiteit die de rijkdom doet toenemen. Het is dus duidelijk dat de arbeider zich niet kan verrijken in deze ruil, omdat hij in ruil voor zijn arbeidsvermogen als een vaste, beschikbare grootheid, de scheppende kracht ervan opgeeft, zoals Esau zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzen. Hij moet veeleer verarmen, zoals wij later zullen zien, omdat de scheppende kracht van zijn arbeid zich installeert als een kapitaalsvermogen [Kraft des Kapitals], als een vreemde macht ten opzichte van hem. Zijn arbeid als een productiekracht van de rijkdom geeft hij weg [entäussert]; het kapitaal eigent zich deze toe. De scheiding van arbeid en eigendom van het arbeidsproduct, van arbeid en rijkdom, gebeurt dus in deze ruilhandeling. Wat als resultaat paradoxaal lijkt, zit al in de voorwaarde zelf. Economen hebben dit min of meer empirisch tot uitdrukking gebracht.

Zo komt de productiviteit van zijn arbeid, zijn arbeid in het algemeen, voor zover het geen vermogen is maar een beweging, echte arbeid, tegenover de arbeider te staan als een vreemde macht; het kapitaal, omgekeerd, verwezenlijkt zichzelf door de toe-eigening van vreemde arbeid. (Althans de mogelijkheid van valorisatie wordt daardoor gesteld; als resultaat van de ruil tussen arbeid en kapitaal. Die verhouding wordt alleen gerealiseerd in de productie zelf, waar het kapitaal werkelijk de vreemde arbeid consumeert.) Aangezien arbeid als een vooraf vastgestelde ruilwaarde wordt geruild tegen een equivalent in geld, wordt dit weer geruild tegen een equivalent in waren, die worden geconsumeerd. In dit ruilproces is arbeid niet productief; het wordt dat slechts voor het kapitaal; uit de circulatie kan het slechts halen wat het erin heeft gegooid, een vooraf bepaalde hoeveelheid waren, die even weinig zijn eigen product als zijn eigen waarde is.

De arbeiders, zegt Sismondi, ruilen hun arbeid tegen graan en verbruiken het, terwijl hun arbeid “kapitaal is geworden voor hun bazen”. (Sismondi VI.) “Door hun arbeid te ruilen, veranderen de arbeiders het in kapitaal.” (id. VIII.)

Door zijn arbeid aan de kapitalist te verkopen, krijgt de arbeider alleen recht op de prijs van de arbeid, niet op het product van deze arbeid, noch op de waarde die hij heeft toegevoegd. (Cherbuliez XXVIII.)

“Arbeid verkopen = afstand doen van alle vruchten van de arbeid.” (l.c.)

Alle vooruitgang van de beschaving, of anders gezegd, alle toename van de maatschappelijke productiekrachten, zo men wil van de productiekrachten van de arbeid zelf – zoals die voortvloeien uit wetenschap, uitvindingen, arbeidsdeling en -combinatie, betere communicatiemiddelen, het ontstaan van de wereldmarkt, de machines, enz. – verrijken niet de arbeider, maar het kapitaal; vergroten dus alleen de macht die de arbeid beheerst; vergroten alleen de productiekracht van het kapitaal. Aangezien kapitaal het tegengestelde is van de arbeider, vergroot het de objectieve macht over de arbeid. De verandering van de arbeid (als levende doelgerichte activiteit) in kapitaal is op zich het resultaat van de ruil tussen kapitaal en arbeid, voor zover zij de kapitalist het eigendomsrecht op het product van de arbeid (en het bevel erover) verleent. Deze verandering gebeurt in het productieproces zelf. De vraag of kapitaal al dan niet productief is, is dus absurd. De arbeid zelf is alleen productief als zij is geabsorbeerd in het kapitaal, waarbij het kapitaal de basis van de productie vormt, en de kapitalist de productie beveelt. De productiviteit van de arbeid wordt de productiekracht van het kapitaal, net zoals de algemene ruilwaarde van de waren zich fixeert in geld. Arbeid zoals die voor zichzelf bestaat in de arbeider, als tegengesteld aan het kapitaal, is arbeid in zijn onmiddellijke bestaan, gescheiden van het kapitaal, is niet productief. Evenmin wordt het ooit productief als een activiteit van de arbeider zolang het slechts het eenvoudige, slechts formeel transformerende proces van circulatie binnengaat. Degenen die bewijzen dat de aan het kapitaal toegeschreven productieve kracht een verplaatsing, een omzetting van de productieve kracht van de arbeid is, vergeten dat het kapitaal zelf in wezen deze verplaatsing, deze omzetting is, en dat de loonarbeid als zodanig het kapitaal veronderstelt en dus van zijn kant beschouwd wordt als deze transsubstantiatie; het noodzakelijke proces van het stellen van zijn eigen krachten als vreemd aan de arbeider. Loonarbeid laten bestaan en tegelijkertijd het kapitaal opheffen is dus een met zichzelf in tegenspraak zijnde en zichzelf vernietigende eis. Anderen, zelfs economen, bv. Ricardo, Sismondi, enz., zeggen dat alleen arbeid, en niet kapitaal, productief is. Maar dan begrijpen zij het kapitaal niet in zijn specifieke vormfunctie als een in zichzelf gereflecteerde productieverhouding, maar denken zij alleen aan zijn materiële substantie, grondstof, enz. Maar deze materiële elementen maken kapitaal nog niet tot kapitaal. Anderzijds komt het dan weer bij hen op dat kapitaal enerzijds waarde is, d.w.z. iets immaterieel, onverschillig ten opzichte van zijn materiële bestaan. Zo zegt Say:

Het kapitaal is uit de aard der zaak altijd immaterieel, want het is niet de materie die het kapitaal uitmaakt, maar de waarde van deze materie, een waarde die niets fysieks in zich heeft. (Say, 21)

Of Sismondi:

“Kapitaal is een commercieel begrip.” (Sismondi, LX)

Maar dan dringt het tot hen door dat kapitaal ook een andere economische bepaling is dan waarde, want anders zou men helemaal niet hoeven te spreken van kapitaal als verschillend van waarde en, als alle kapitalen waarden zijn, zijn de waarden als zodanig nog geen kapitaal. Vervolgens vluchten zij terug naar de materiële vorm ervan binnen het productieproces, bv. wanneer Ricardo kapitaal uitlegt als geaccumuleerde arbeid die wordt gebruikt bij de productie van nieuwe arbeid, d.w.z. als louter arbeidsinstrument of arbeidsmateriaal. In die zin spreekt Say zelfs over de productieve dienst van het kapitaal, waarop zijn vergoeding moet worden gebaseerd, alsof het arbeidsinstrument als zodanig aanspraak zou maken op de dankbaarheid van de arbeider en het niet juist door hem alleen als een arbeidsinstrument, als productief wordt ingezet. Dit veronderstelt de autonomie van het arbeidsinstrument, d.w.z. van zijn maatschappelijk karakter, d.w.z. zijn hoedanigheid van kapitaal, om er de voorrechten van het kapitaal aan te ontlenen. Proudhons: “Het kapitaal heeft waarde, die de arbeid produceert” betekent absoluut niets anders dan: Kapitaal is waarde, “en aangezien hier van kapitaal niets meer wordt gezegd dan dat het waarde is, is waarde waarde (het onderwerp van het oordeel is hier slechts een andere naam voor het predicaat), en arbeid die produceert, is productieve activiteit, d.w.z. arbeid is arbeid, aangezien zij juist niets anders is dan “produceren”, moet het duidelijk zijn dat deze identieke oordelen geen bijzondere schat aan wijsheid bevatten, en aangezien zij in het bijzonder geen verhouding kunnen uitdrukken waarin waarde en arbeid in een betrekking treden waarin zij naar elkaar verwijzen en zich van elkaar onderscheiden, en niet als irrelevante indifferenties naast elkaar liggen. Alleen al het feit dat de arbeid aan het kapitaal verschijnt als een subject, d.w.z. de arbeider alleen als doel van de arbeid, en dit niet zelf is, zou de ogen moeten openen. Daarin bestaat, los van het kapitaal, reeds een verhouding, een relatie van de arbeider tot zijn eigen activiteit, die geenszins “natuurlijk” is, maar zelf reeds een specifieke economische doel bevat.

Het kapitaal, voor zover wij het hier beschouwen als de te onderscheiden verhouding tussen waarde en geld, is kapitaal in het algemeen, d.w.z. de belichaming van de bepalingen die waarde als kapitaal onderscheiden van zichzelf als loutere waarde of geld. Waarde, geld, circulatie, enz., prijzen, enz. worden verondersteld, evenals arbeid, enz. Maar wij hebben niet te maken met een speciale vorm van kapitaal, noch met individueel kapitaal, onderscheiden van andere individuele kapitalen, enz. We zijn getuige van het proces van creatie. Dit dialectische ontstaansproces is de ideale uitdrukking van de werkelijke beweging waarin het kapitaal ontstaat. De latere verhoudingen moeten worden beschouwd als voortkomend uit deze kiem. Maar het is noodzakelijk de specifieke vorm waarin het op een bepaald punt wordt gesteld, vast te stellen. Anders ontstaat er verwarring.

Tot nu toe werd kapitaal vanuit zijn materiële kant beschouwd als een eenvoudig productieproces. Maar vanuit het oogpunt van zijn formele specificiteit is dit een proces van zelf-valorisatie [Selbstverwertungsprozess]. Zelf-valorisatie omvat zowel het behoud van de vermeende waarde, als de vermeerdering ervan.

De waarde verschijnt als subject. Arbeid is een doelgerichte activiteit en dus wordt aan de materiële kant verondersteld dat in het productieproces het arbeidsinstrument werkelijk als middel tot een doel is gebruikt, en dat het materiaal als product een hogere gebruikswaarde heeft gekregen dan het voordien bezat, hetzij door chemisch metabolisme, hetzij door mechanische verandering. Maar dit op zichzelf heeft slechts betrekking op de gebruikswaarde en behoort nog steeds tot het eenvoudige productieproces. Het gaat er hier niet om – en dit is veeleer zo begrepen, verondersteld – dat er een hogere gebruikswaarde wordt geproduceerd (dit is zelf zeer relatief; wanneer graan wordt omgezet in brandewijn, is er zelf al een hogere gebruikswaarde, met betrekking tot de circulatie); ook wordt er geen hogere gebruikswaarde geproduceerd voor het individu, de producent. Dit is op zijn minst toevallig en heeft geen betrekking op de verhouding als zodanig, maar op een hogere gebruikswaarde voor anderen. Waar het om gaat is dat een hogere ruilwaarde wordt geproduceerd. In de eenvoudige circulatie eindigt het proces voor de individuele waar wanneer het als gebruikswaarde aan de man komt, wordt verbruikt. Het is dus uit de circulatie verdwenen; het heeft zijn ruilwaarde verloren, zijn economische vormfunctie in het algemeen. Het kapitaal heeft zijn materiaal door arbeid en zijn arbeid door materiaal geconsumeerd; het heeft zichzelf als gebruikswaarde geconsumeerd, maar alleen als gebruikswaarde voor zichzelf, als kapitaal. De consumptie ervan als gebruikswaarde komt hier dus zelf in circulatie, of beter gezegd, zij bepaalt zelf het begin van de circulatie of het einde, al naargelang. De consumptie van de gebruikswaarde valt hier zelf onder het economisch proces, omdat de gebruikswaarde hier zelf bepaald wordt door de ruilwaarde. Op geen enkel moment van het productieproces houdt kapitaal op kapitaal te zijn, of waarde houdt op waarde te zijn en als zodanig ruilwaarde. Niets is dwazer dan te beweren, zoals de heer Proudhon doet, dat kapitaal verandert van een product in een ruilwaarde door middel van de ruilhandeling, d.w.z. door het opnieuw in de eenvoudige circulatie te brengen. Wij zouden dan teruggeworpen worden naar het begin, zelfs naar de onmiddellijke ruil, waar het ontstaan van ruilwaarde uit het product wordt bekeken. Dat het kapitaal na beëindiging van het productieproces, na het consumeren van de gebruikswaarde, weer als waar in circulatie komt en kan komen, is te wijten aan het feit dat het als een blijvende ruilwaarde werd verondersteld. Maar voor zover zij als product pas weer een waar wordt en als ruilwaarde een prijs krijgt en als zodanig in geld wordt gerealiseerd, is zij eenvoudig waar, ruilwaarde in het algemeen, en als zodanig evenzeer aan het lot in de circulatie blootgesteld, omdat zij in geld wordt gerealiseerd, als dat zij daarin niet wordt gerealiseerd; d.w.z. dat haar ruilwaarde al dan niet in geld wordt gerealiseerd. De ruilwaarde ervan is dus veel problematischer geworden – die ideëel eerder was bepaald – dan dat zij tot stand ware gekomen. Bovendien kan het feit dat zij werkelijk als een hogere ruilwaarde in circulatie wordt gebracht, niet voortkomen uit de circulatie zelf, waarin, in haar eenvoudige karakter, alleen equivalenten worden geruild. Als uit de circulatie een hogere ruilwaarde komt, moet die er als zodanig zijn ingebracht.

Kapitaal als vorm bestaat niet uit arbeidsobjecten en arbeid, maar veeleer uit waarden, en, nog nauwkeuriger, uit prijzen. Het feit dat de waarde-elementen tijdens het productieproces andere substanties hebben aangenomen, heeft geen invloed op hun waarde; zij worden hierdoor niet gewijzigd. Als zij zich aan het einde van het proces uit de vorm van beweging – van het proces – weer verdichten tot een rustende, objectieve vorm, in het product, dan is ook dit slechts een verandering van het materiële [Stoffwechsel] ten opzichte van de waarde, en verandert dit laatste niet. Zeker, de substanties als zodanig zijn vernietigd, maar niet in het niets, maar in een anders gevormde substantie. Vroeger kwamen zij voor als elementaire, onverschillige voorwaarden van het product. Nu zijn het producten. De waarde van het product kan dus slechts zijn = de som van de waarden die gematerialiseerd werden in de bepaalde materiële elementen van het proces, als materiaal, arbeidsinstrument (dit omvat ook de louter instrumentele waren) en als arbeid zelf. Het materiaal is volledig verbruikt, de arbeid is volledig verbruikt, het instrument is slechts gedeeltelijk verbruikt, en blijft dus een deel van de kapitaalwaarde bezitten in de bijbehorende bestaanswijze die het vóór het proces bezat. Dit deel komt hier dus in het geheel niet aan de orde, omdat het geen verandering heeft ondergaan. De verschillende bestaanswijzen van waarden waren pure schijn; waarde zelf vormde de onveranderlijke essentie in hun verdwijning. Het product, beschouwd als waarde, is geen product in deze zin, maar is identiek gebleven, onveranderd waarde, die alleen in een andere bestaanswijze verkeert, maar die er ook onverschillig tegenover staat en tegen geld kan worden geruild.

De waarde van het product is = de waarde van het materiaal + de waarde van het vernietigde deel, d.w.z. van het arbeidsinstrument dat in het product is overgegaan en in zijn oorspronkelijke vorm is opgenomen + de waarde van de arbeid. Of de prijs van het product is gelijk aan de productiekosten, d.w.z. = de som van de prijzen van het materiaal in het productieproces verbruikt. M.a.w., niets anders dan dat het productieproces in zijn materiële aspect onverschillig stond tegenover de waarde; dat het dus identiek bleef met zichzelf en slechts een andere materiële bestaanswijze aannam, gematerialiseerd in een andere substantie en vorm. (De vorm van de substantie heeft niets te maken met de economische vorm, met de waarde als zodanig). Als het kapitaal oorspronkelijk = 100 talers, is het gelijk gebleven aan 100 talers, hoewel de 100 talers in het productieproces bestonden als 50 talers katoen, 40 talers arbeidsloon + 10 talers spinmachine en nu bestaat het als katoengaren tegen de prijs van 100 talers. Deze reproductie van de 100 talers is een eenvoudige gelijkblijvende zelfhandhaving [Sichselbstgleichbleiben], behalve dat zij bemiddeld wordt door het materiële productieproces. Dit moet dus overgaan in het product, want anders verliest katoen zijn waarde, [is] het arbeidsinstrument kosteloos gebruikt, [en] het arbeidsloon niet betaald. De enige voorwaarde voor het behoud [Sichselbsterhaltung] van waarde is dat het productieproces een echt totaalproces is, dus doorgaan tot het product er is. De totaliteit van het productieproces, d.w.z. dat het doorgaat tot aan het product, is hier in feite de voorwaarde voor het behoud, de zich gelijkblijvende waarde, maar dit ligt reeds in de eerste voorwaarde, dat het kapitaal werkelijk gebruikswaarde wordt, een werkelijk productieproces; het wordt dus op dit punt voorondersteld.

Anderzijds is het productieproces alleen een productieproces voor het kapitaal, voor zover het in dit proces, d.w.z. in het product, waarde verkrijgt. De stelling dat de noodzakelijke prijs = de som van de prijzen van de productiekosten is dus zuiver analytisch. Het is voorwaarde voor de productie van het kapitaal zelf. Is eenmaal het kapitaal op 100 talers gezet, als eenvoudige waarde; dan wordt het in dit proces bepaald als de som van de prijzen van bepaalde waarde-elementen van zichzelf, door het productieproces zelf gesteld. De prijs van het kapitaal, zijn waarde uitgedrukt in geld, = de prijs van zijn product. Dat wil zeggen dat de waarde van het kapitaal als resultaat van het productieproces dezelfde is als die welke het als voorwaarde daarvoor had. Alleen blijft zij tijdens het proces niet bestaan, noch in de eenvoud die zij aan het begin had, noch in die van het eindresultaat, maar wordt zij verdeeld in aanvankelijk vrij onverschillige kwantitatieve componenten, als de waarde van de arbeid (arbeidsloon), de waarde van het arbeidsinstrument en de waarde van het basismateriaal. Er wordt geen verder verband gelegd dan dat in het productieproces de eenvoudige waarde zich numeriek afscheidt, als een aantal waarden, die in het product weer samenkomen in hun eenvoud, maar nu bestaan als een som. De som echter, is = de oorspronkelijke eenheid. Anders is er, afgezien van de kwantitatieve verdeling, nog steeds geen verschil in de verhouding tussen de verschillende hoeveelheden waarde. 100 talers was het oorspronkelijke kapitaal; 100 talers is het product, maar de 100 talers nu als de som van 50 + 40 + 10 talers. Ik had de 100 talers oorspronkelijk kunnen beschouwen als een som van 50 + 40 + 10 talers, maar evengoed als een som van 60 + 30 + 10 talers, enz. Dat zij nu verschijnen als de som van bepaalde aantallen eenheden, is te wijten aan het feit dat de verschillende materiële elementen waarin het kapitaal tijdens het productieproces zich verdeelde, elk een deel van zijn waarde vertegenwoordigden, maar dan wel een bepaald deel.

Later zal worden aangetoond dat deze aantallen, waarin de oorspronkelijke eenheid is opgesplitst, zelf bepaalde verhoudingen tot elkaar hebben, maar dat is hier nog niet aan de orde. Voor zover tijdens het productieproces beweging komt in de waarde zelf, is deze zuiver formeel en bestaat zij uit de volgende eenvoudige handeling: de waarde bestaat eerst als een eenheid: een bepaald aantal eenheden, dat zelf als een eenheid, een geheel wordt beschouwd: een kapitaal van 100 talers; ten tweede, dat deze eenheid tijdens het productieproces verdeeld wordt in 50 talers, 40 talers en 10 talers, een verdeling die essentieel is voor zover materiaal, werktuig en arbeid in specifieke hoeveelheden nodig zijn, maar die hier, wat de 100 talers betreft, slechts verschijnt als een irrelevante opsplitsing van dezelfde eenheid in verschillende hoeveelheden; ten slotte, dat de 100 talers weer als een som in het product verschijnen. Het enige proces met betrekking tot de waarde is dat zij eenmaal verschijnt als een geheel, eenheid; vervolgens als een deling van deze eenheid in bepaalde aantallen; tenslotte als een som. De 100 talers die aan het eind als som verschijnen, zijn net zo goed en precies dezelfde som die aan het begin als eenheid verscheen. De hoedanigheid van som, van optelsom, is alleen ontstaan door de onderverdeling die plaatsvond bij de productie, maar bestaat niet in het product als zodanig. Verder zegt de stelling niet dat de prijs van het product = de prijs van de productiekosten, of dat de waarde van het kapitaal = de waarde van het product, behalve dat de waarde van het kapitaal bij de productie behouden is en nu als een som verschijnt. Met deze loutere identiteit van het kapitaal of de reproductie van zijn waarde door middel van het productieproces, zouden wij nog niet verder zijn dan in het begin. Wat er in het begin was als voorwaarde, is er nu als resultaat, en in ongewijzigde vorm. Het is duidelijk dat de economen dit niet bedoelen wanneer zij zeggen dat de prijs wordt bepaald door de productiekosten. Anders zou er nooit een grotere waarde kunnen ontstaan dan er oorspronkelijk bestond; geen grotere ruilwaarde, wel een grotere gebruikswaarde, waarover hier in het geheel niet wordt gesproken. Het gaat om de gebruikswaarde van kapitaal als zodanig, niet om de gebruikswaarde van een waar.

Als men zegt dat de productiekosten of de noodzakelijke prijs van een waar = 110 is, rekent men als volgt: oorspronkelijk kapitaal = 100 (dus bv. materiaal = 50; arbeid = 40; instrument= 10) + 5 % rente + 5 % winst. Dus de productiekosten = 110, niet = 100. De productiekosten zijn dus hoger dan de kost van de productie. Het helpt helemaal niet, zoals sommige economen graag doen, om te vluchten van de ruilwaarde naar de gebruikswaarde van de waar. Of deze als gebruikswaarde hoger of lager is, is als zodanig niet bepalend voor de ruilwaarde. De waren dalen vaak onder hun productieprijzen, hoewel zij ontegenzeggelijk een hogere gebruikswaarde hebben gekregen dan in de tijd vóór de productie. Net zo nutteloos is het om je toevlucht te zoeken in de circulatie. Ik produceer tegen 100, maar verkoop tegen 110.

“Winst wordt niet gemaakt door te ruilen. Als het voordien niet bestond, kan het na deze transactie ook niet bestaan.” (Ramsay. IX, 88)

Dat wil zeggen dat zij de waardevermeerdering willen verklaren uit de eenvoudige circulatie, terwijl zij deze veeleer uitdrukkelijk slechts als equivalent stellen. Ook empirisch is het duidelijk dat indien allen tegen een 10 % te hoge prijs verkopen, dit hetzelfde is als wanneer zij allen tegen de productiekosten zouden verkopen. Meerwaarde zou dus zuiver nominaal zijn, kunstmatig, conventioneel, niet meer dan een frase. En aangezien geld zelf een waar is, een product, zou het ook worden verkocht tegen een 10 % te hoge prijs, d.w.z. de verkoper die 110 talers zou ontvangen, zou in feite slechts 100 ontvangen. (Zie ook Ricardo over de buitenlandse handel, die hij opvat als eenvoudig verkeer en daarom zegt:

“De buitenlandse handel kan nooit de ruilwaarde van een land verhogen.” (Ricardo, 39, 40)

De redenen die hij daarvoor aanvoert zijn absoluut dezelfde als die welke “bewijzen” dat de ruil als zodanig, de eenvoudige circulatie, d.w.z. handel in het algemeen, voor zover die als zodanig wordt opgevat, nooit de ruilwaarde kan verhogen, nooit ruilwaarde kan genereren). De stelling dat de prijs = de productiekosten zou anders ook moeten betekenen: de prijs van een waar is altijd hoger dan de productiekosten. Naast de eenvoudige numerieke deling en optelling wordt aan de waarde in het productieproces het formele element toegevoegd, dat de elementen ervan nu verschijnen als productiekosten, d.w.z. dat de elementen van het productieproces zelf niet worden vastgelegd [in] hun materiële bepaling, maar als waarden die worden verbruikt in de bestaanswijze waarin zij zich vóór het productieproces bevinden.

Daarentegen is het duidelijk dat, indien de productiehandeling slechts de reproductie van de waarde van het kapitaal is, daarmee slechts een materiële en geen economische verandering zou hebben plaatsgevonden, en dat zo’n eenvoudige instandhouding van zijn waarde in tegenspraak is met zijn concept. Het zou niet als zelfstandig geld buiten de circulatie blijven, maar de vorm aannemen van de verschillende waren, maar voor niets; dit zou een doelloos proces zijn, omdat het uiteindelijk slechts de identieke som geld zou vertegenwoordigen en slechts het risico zou hebben gelopen om beschadigd tevoorschijn te komen uit de productiehandeling – die kan mislukken; waarin het geld zijn onvergankelijke vorm opgeeft. Goed.

Het productieproces is nu voorbij. Het product wordt ook weer in geld gerealiseerd en heeft weer de oorspronkelijke vorm van 100 talers aangenomen. Maar de kapitalist moet ook eten en drinken; hij kan niet leven van deze vormverandering van het geld. Een deel van de 100 talers zou dus niet als kapitaal maar als munt moeten worden geruild tegen waren als gebruikswaarde en in deze vorm worden geconsumeerd. De 100 talers zouden er 90 geworden zijn, en aangezien hij het kapitaal uiteindelijk altijd reproduceert in de vorm van geld, namelijk de hoeveelheid geld waarmee hij de productie begon, zouden dus uiteindelijk de 100 talers verbruikt zijn en zou het kapitaal verdwenen zijn. Maar de kapitalist wordt betaald voor de arbeid om de 100 talers als kapitaal in het productieproces te brengen, in plaats van te consumeren. Maar waarvan moet hij betaald worden? En lijkt zijn arbeid niet zuiver nutteloos, aangezien het kapitaal het loon van de arbeid omvat; de arbeiders zouden dus kunnen leven door eenvoudig de productiekosten te reproduceren, wat de kapitalist niet kan doen? Hij zou dus onder de bijkomende productiekosten [faux frais de production] vallen. Maar wat zijn verdiensten ook mogen zijn, – reproductie zou mogelijk zijn zonder hem, omdat de arbeiders in het productieproces alleen de waarde vragen die zij inbrengen en dus niet de hele verhouding kapitaal nodig hebben om steeds opnieuw te beginnen; en in de tweede plaats zou er geen kapitaal zijn waaruit zijn verdiensten betaald zouden kunnen worden, omdat de prijs van de waar = de productiekosten. Indien echter zijn werk als bijzonder zou worden beschouwd, naast en anders van dat van de arbeiders, bijvoorbeeld het toezicht op de arbeid, enz. dan zou hij, evenals zij, een loon ontvangen, dus tot hun categorie behoren en zich geenszins als kapitalist tegenover de arbeid gedragen; ook zou hij zich nooit verrijken, maar een ruilwaarde bezitten die hij door circulatie zou moet consumeren.

Het bestaan van het kapitaal tegenover de arbeid vereist dat kapitaal, dat voor zichzelf bestaat, de kapitalist, kan bestaan, kan leven, als niet-arbeider. Maar het is ook duidelijk dat het kapitaal, dat alleen zijn waarde zou ontvangen, deze niet zou ontvangen, zelfs niet op grond van de gewone economische bepalingen. De risico’s van de productie moeten worden gecompenseerd. Het kapitaal moet zichzelf in stand houden bij prijsschommelingen. De ontwaarding van het kapitaal, die voortdurend plaatsvindt door een verhoging van de productiekracht, moet worden gecompenseerd, enz. Daarom zeggen economen dat als er geen gewin, geen winst zou zijn, iedereen zijn geld zou consumeren in plaats van het in de productie te steken en het als kapitaal te gebruiken. Kortom, als dit niet-te-gelde-maken, d.w.z. het niet-vermenigvuldigen van de kapitaalwaarde, wordt verondersteld, dan wordt verondersteld dat het kapitaal geen werkelijk bestanddeel van de productie is, dat het geen specifieke productieverhouding is; dan wordt een toestand voorondersteld waarin de productiekost niet de kapitaalvorm heeft en waarin het kapitaal niet als voorwaarde voor de productie wordt gesteld.

Het is gemakkelijk te begrijpen hoe arbeid de gebruikswaarde kan verhogen; de moeilijkheid ligt in de vraag hoe arbeid hogere ruilwaarden kan scheppen dan die welke worden verondersteld.

Laten we aannemen dat de ruilwaarde die het kapitaal aan de arbeider betaalt, een exact equivalent is van de waarde die de arbeid in het productieproces creëert. In dit geval zou een stijging van de ruilwaarde van het product onmogelijk zijn. Wat de arbeid als zodanig in het productieproces zou hebben opgebracht boven de veronderstelde waarde van grondstof en arbeidsinstrument, zou aan de arbeider worden betaald. De waarde van het product, voor zover het een surplus is ten opzichte van de waarde van de grondstof en het instrument, zou ten goede komen aan de arbeider; alleen betaalt de kapitalist hem deze waarde in [de vorm van] een arbeidsloon en dat geeft hij terug aan de kapitalist in het product.

{Het feit dat de productiekosten niet worden begrepen als de som van de waarden in de productie – zelfs niet door de economen die dit beweren – is duidelijk te zien in de rente op geleend kapitaal. Voor de industriële kapitalist behoort dit rechtstreeks tot zijn uitgaven, tot zijn werkelijke productiekosten. Maar de rente zelf gaat er al van uit dat het kapitaal als meerwaarde uit de productie te voorschijn komt, omdat het zelf een vorm van deze meerwaarde is. Aangezien de rente dus, vanuit het standpunt van de lener, reeds deel uitmaakt van zijn onmiddellijke productiekosten, wordt aangetoond dat kapitaal als zodanig deel uitmaakt van de productiekosten, maar dat kapitaal als zodanig niet louter een optelsom is van zijn waardebestanddelen. In de rente duikt het kapitaal zelf weer op in de bestemming van de waar, maar als een waar die specifiek verschilt van alle andere waren; het kapitaal als zodanig – niet louter als een som van ruilwaarden – komt in de circulatie en wordt een waar. Hier is het karakter van de waar zelf aanwezig als een economische, specifieke bepaling, niet onverschillig zoals in de eenvoudige circulatie, noch direct gerelateerd aan de arbeid als de tegenpool, als zijn gebruikswaarde, zoals in het industrieel kapitaal; kapitaal zoals het is in zijn volgende bepalingen die voortkomen uit productie en circulatie. De waar als kapitaal, of het kapitaal als waar, wordt dus in de circulatie niet geruild tegen een equivalent; het behoudt zijn voor-zich-zijn door het in circulatie te brengen; het behoudt dus zijn oorspronkelijke band tot zijn eigenaar, zelfs wanneer het in handen komt van een vreemde eigenaar. Het is dus alleen uitgeleend. De gebruikswaarde als zodanig voor de eigenaar is de valorisatie ervan, geld als geld, niet als circulatiemiddel; zijn gebruikswaarde als kapitaal. De eis van Proudhon dat kapitaal niet mag worden uitgeleend en niet rentegevend mag zijn, maar als een waar moet worden verkocht tegen een equivalent, zoals elk ander goed, is in feite slechts de eis dat ruilwaarde nooit kapitaal mag worden, maar gewoon ruilwaarde moet blijven; dat kapitaal niet mag bestaan als kapitaal. Deze eis, samen met de andere dat de loonarbeid de algemene basis van de productie moet blijven, geeft blijk van een grappige verwarring over de eenvoudigste economische termen. Vandaar de miserabele rol die hij speelt in de polemiek met Bastiat, waarover later. Het geklets over billijkheid en recht, komt erop neer dat men de eigendoms- of rechtsverhouding, zoals die correspondeert met de eenvoudige ruil, als standaard wil hanteren voor de eigendoms- en rechtsverhouding van een hoger stadium van ruilwaarde. Vandaar dat Bastiat, onbewust, zelf weer de nadruk legt op de momenten van eenvoudige circulatie die in de richting gaan van kapitaal – kapitaal zelf als een waar, is geld als kapitaal of kapitaal als geld}.

{Het derde te ontwikkelen moment in de vorming van het begrip kapitaal, is de oorspronkelijke accumulatie tegenover de arbeid, dus de nog objectloze arbeid tegenover de accumulatie. Het eerste moment ging uit van de waarde, als komende uit de circulatie en haar vooronderstellend. Het was het eenvoudige begrip van kapitaal; geld zoals het rechtstreeks voorbestemd is in kapitaal; het tweede moment ging uit van kapitaal als de productievoorwaarde en het resultaat ervan; het derde moment stelt het kapitaal als een specifieke eenheid van circulatie en productie. Er moet onderscheid worden gemaakt tussen de accumulatie van de kapitalen; deze veronderstelt kapitalen; de verhouding van het kapitaal als bestaand, en veronderstelt dus ook zijn verhouding tot de arbeid, de prijzen (vast kapitaal en circulerend), rente en winst. Maar om kapitaal te worden, veronderstelt het een accumulatie; die reeds ligt in de zelfstandige tegenstelling van de geobjectiveerde arbeid jegens de levende arbeid; in het zelfstandige bestaan van deze tegenstelling. Deze accumulatie, die noodzakelijk is om kapitaal te worden, die dus reeds als voorwaarde – als moment – in haar concept is opgenomen, is wezenlijk te onderscheiden van de accumulatie van het als kapitaal geordend kapitaal, waar reeds kapitalen aanwezig moeten zijn}.

{Wij hebben reeds gezien dat kapitaal veronderstelt: 1. het productieproces in het algemeen, zoals het eigen is aan alle maatschappelijke toestanden, dus zonder historisch karakter, menselijk, zo u wilt; 2. de circulatie, dat zelf reeds een historisch product is in elk van zijn momenten en nog meer in zijn totaliteit; 3. het kapitaal als een specifieke eenheid van beide. In hoeverre nu het algemene productieproces zelf historisch wordt gewijzigd, zodra het slechts als een element van het kapitaal verschijnt, moet uit de ontwikkeling ervan voortvloeien; net zoals uit de eenvoudige opvatting van de specifieke verschillen van het kapitaal zijn historische voorwaarden in het algemeen moeten voortvloeien.}

{Al het andere is gezwam. Welke bepalingen moeten worden opgenomen in het eerste deel, van de productie in het algemeen, en in het eerste deel van het tweede deel, van de ruilwaarde in het algemeen, kan alleen naar voren komen in het resultaat en als het resultaat van de hele ontwikkeling. Zo hebben wij bijvoorbeeld reeds gezien dat het onderscheid tussen gebruikswaarde en ruilwaarde thuishoort in de economie en niet, zoals Ricardo doet, dat de gebruikswaarde als simpele veronderstelling ongebruikt blijft. Het hoofdstuk over de productie eindigt objectief met het product als resultaat; dat over de circulatie begint met de waar, die zelf weer gebruikswaarde en ruilwaarde is (dus ook een waarde die verschillend is van beide), circulatie als de eenheid van beide; – maar die slechts formeel is en daarom samenkomt in de waar als louter consumptie-object; niet-economisch; en de ruilwaarde als verzelfstandigt geld.}

De meerwaarde waarover het kapitaal aan het einde van het productieproces beschikt – een meerwaarde die als hogere prijs van het product alleen in de circulatie wordt gerealiseerd, maar zoals alle prijzen gerealiseerd worden in haar, door het feit dat ze al ideëel verondersteld, vastgesteld zijn, voordat ze erin binnentreden – dat wil zeggen, uitgedrukt volgens het algemene concept van de ruilwaarde, dat de arbeidstijd – of het kwantum van arbeid (uitgedrukt in rust verschijnt de omvang van de arbeid als een kwantum van ruimte, maar uitgedrukt in beweging is ze alleen meetbaar door de tijd) – geobjectiveerd in het product groter is dan die aanwezig in de oorspronkelijke bestanddelen van het kapitaal. Dit is alleen mogelijk indien de in de prijs van de arbeid geobjectiveerde arbeid kleiner is dan de daarmee gekochte levende arbeidstijd. De in het kapitaal gematerialiseerde arbeidstijd blijkt, zoals wij hebben gezien, een som te zijn die uit drie delen bestaat: a) de in de materialen geobjectiveerde arbeidstijd; b) de in het instrument geobjectiveerde arbeidstijd; c) de in de prijs van de arbeid geobjectiveerde arbeidstijd. Welnu, de delen a) en b) blijven onveranderd als bestanddelen van het kapitaal; ook al veranderen zij in het proces van vorm, van materiële bestaanswijze, zij blijven onveranderd als waarden. Alleen c) ruilt het kapitaal tegen een kwalitatief andere: een gegeven hoeveelheid geobjectiveerde arbeid tegen een hoeveelheid levende arbeid. Voor zover de levende arbeidstijd alleen de in de prijs van de arbeid geobjectiveerde arbeidstijd zou hebben gereproduceerd, zou ook dit slechts formeel zijn, en in het algemeen zou, wat de waarde betreft, alleen een verandering hebben plaatsgevonden ten opzichte van de levende arbeid als een andere bestaanswijze van dezelfde waarde, net zoals ten opzichte van de waarde van het arbeidsmateriaal en het instrument alleen een verandering in hun materiële bestaanswijze heeft plaatsgehad. Indien de kapitalist de arbeider een prijs = één arbeidsdag had betaald en de arbeidsdag van de arbeider slechts één arbeidsdag aan materiaal en instrument had toegevoegd, dan zou de kapitalist eenvoudig een ruilwaarde in de ene vorm hebben geruild tegen ruilwaarde in een andere vorm. Hij zou niet als kapitaal hebben gehandeld. Aan de andere kant zou de arbeider niet in het eenvoudige ruilproces zijn gebleven. Hij zou inderdaad het product van zijn arbeid als betaling hebben ontvangen, met dit verschil dat de kapitalist hem de gunst zou hebben bewezen hem vooraf de prijs van het product te betalen voordat het werd gerealiseerd. De kapitalist zou hem krediet gegeven hebben, gratis, voor le roi de Prusse [voor een ander zonder compensatie]. Dat is alles. De ruil tussen kapitaal en arbeid, waarvan het resultaat de prijs van de arbeid is, moet, hoe eenvoudig zij ook is van de kant van de arbeider, van de kant van de kapitalist een niet-ruil zijn. Hij moet méér waarde ontvangen dan hij heeft gegeven. De ruil, van de zijde van het kapitaal, moet slechts schijn zijn, d.w.z. zij moet behoren tot een andere economische vormfunctie dan de ruil, of het kapitaal als kapitaal en de arbeid als arbeid zouden als tegenstelling onmogelijk zijn. Zij zouden elkaar slechts ruilen als gelijke ruilwaarden, die materieel bestaan in de verschillende bestaanswijzen. – Om het kapitaal te rechtvaardigen, te verdedigen, nemen de economen dus hun toevlucht tot dit eenvoudige proces, verklaren het juist door een proces dat het bestaan ervan onmogelijk maakt. Om het te demonstreren, demonstreren ze het weg. U betaalt mij voor mijn arbeid, ruilt het tegen uw eigen product en trekt daarvan de waarde af van de grondstoffen en materialen die u mij leverde. Dat wil zeggen dat wij associés zijn die verschillende elementen in het productieproces inbrengen en deze ruilen naargelang hun waarde. Het product wordt dus omgezet in geld en het geld wordt zo verdeeld dat u, de kapitalist, de prijs ontvangt van uw materialen en instrumenten, ik, de arbeider, ontvang de prijs die de arbeid eraan heeft toegevoegd. Het voordeel voor u is dat u nu beschikt over materiaal en een instrument in een consumeerbare vorm, voor mij dat mijn arbeid te gelde is gemaakt [verwertet]. U zou echter spoedig uw kapitaal in de vorm van geld hebben verbruikt, terwijl ik, als arbeider, in het bezit zou komen van beide. –

Wat de arbeider ruilt tegen kapitaal is zijn arbeid zelf (in ruil de mogelijkheid om er over te beschikken); hij verkoopt ze. Wat hij als prijs ontvangt, is de waarde van deze verkoop. Hij ruilt de waardescheppende activiteit tegen een vooraf bepaalde waarde, los van het resultaat van zijn activiteit.

{Een van de enorme diepzinnigheden van de heer Bastiat is dat het salariaat een onbelangrijke, slechts formele vorm is, een vorm van vereniging, die als zodanig niets te maken heeft met de economische verhouding tussen arbeid en kapitaal. Indien, zegt hij, de arbeiders zo rijk waren dat zij konden wachten tot het product klaar en verkocht was, zou het salariaat hen niet beletten, geen loonarbeiders te zijn, om een even voordelig contract te sluiten met de kapitalist als de ene kapitalist met de andere sluit. Het kwaad ligt dus niet in de vorm van het salariaat, maar in omstandigheden die er los van staan. Dat deze voorwaarden zelf de voorwaarden van het salariaat zijn, komt natuurlijk niet bij hem op. Indien de arbeiders tegelijkertijd kapitalisten zouden zijn, zouden zij zich inderdaad niet als werkende arbeiders maar als arbeidende kapitalisten – d.w.z. niet in de vorm van loonarbeiders – tot het niet-arbeidend kapitaal verhouden. Daarom zijn voor hem loon en winst in wezen hetzelfde als winst en rente. Dit is wat hij de harmonie van de economische verhoudingen noemt, namelijk dat er slechts schijnbaar economische verhoudingen bestaan, maar in feite, in wezen, slechts één verhouding – die van de eenvoudige ruil. De essentiële vormen lijken hem daarom op zichzelf zonder inhoud, d.w.z. geen werkelijke vormen}.

Hoe wordt nu de waarde ervan bepaald? Door de geobjectiveerde arbeid die vervat zit in de waar. Deze waar bestaat in zijn vitaliteit [Lebendigkeit]. Om het van de ene dag op de andere te verwerven – van de arbeidersklasse dus, het ersatz van de slijtage, zodat zij zich als klasse kan handhaven, daar hebben we het nog niet over, want de arbeider staat hier tegenover het kapitaal als arbeider, dus als verondersteld perennerend subject, nog niet als vergankelijk individu van de categorie arbeiders – moet hij bepaalde hoeveelheden voedsel consumeren, vervangen van verbruikte energie [Blut], enz. Hij krijgt alleen een equivalent. Dus morgen, na de ruil – en pas nadat hij de ruil formeel heeft voltooid, voert hij deze uit in het productieproces – bestaat zijn arbeidsvermogen opnieuw als voorheen: hij heeft een exacte tegenwaarde ontvangen, want de prijs die hij krijgt laat hem in het bezit van dezelfde ruilwaarde als voorheen. De hoeveelheid geobjectiveerde arbeid, vervat in zijn vitaliteit, is hem betaald door het kapitaal. Hij heeft het verbruikt, en aangezien het niet bestond als een ding, maar als een hoedanigheid in een levend ding, kan hij opnieuw tot de ruil toetreden wegens de specifieke aard van zijn waar – de specifieke aard van het levensproces. Daar het hier niet gaat om een bijzonder gekwalificeerde arbeid, maar om arbeid in het algemeen, eenvoudige arbeid, houden wij ons hier nog niet bezig met het feit, dat er in zijn onmiddellijk bestaan meer arbeid geobjectiveerd is dan in zijn loutere vitaliteit vervat is – d.w.z. de arbeidstijd die nodig is om de producten te betalen die nodig zijn om zijn vitaliteit in stand te houden – namelijk de waarden die hij verbruikt heeft om een bepaalde arbeidscapaciteit, een bijzondere vaardigheid, voort te brengen – en de waarde daarvan toont zich in de kosten die nodig zijn om een soortgelijke arbeidsvaardigheid voort te brengen.

Indien een arbeidsdag nodig zou zijn om een arbeider een arbeidsdag in leven te houden, zou kapitaal niet bestaan, omdat de werkdag zichzelf zou ruilen tegen zijn eigen product, d.w.z. kapitaal als kapitaal kan zichzelf niet valoriseren en dus niet in stand houden. Het zelfbehoud van het kapitaal is zich zelf te-gelde-maken [Selbstverwertung]. Indien het kapitaal, om te kunnen bestaan, ook zou moeten arbeiden, zou het zich niet als kapitaal, maar als arbeid in stand houden. De eigendom van materialen en arbeidsinstrumenten zou slechts nominaal zijn; economisch gezien zouden zij evenzeer aan de arbeider als aan de kapitalist toebehoren, aangezien zij voor de kapitalist slechts waarde zouden scheppen voor zover hij zelf arbeider was. Hij zou ze dus niet als kapitaal beschouwen, maar als eenvoudig materiaal en arbeidsmiddel, zoals de arbeider in het productieproces doet. Als daarentegen slechts een halve dag arbeid nodig is, bv. om een arbeider een hele dag vitaal te houden, dan is de meerwaarde van de producten vanzelfsprekend, omdat de kapitalist de prijs van slechts een halve arbeidsdag heeft betaald, maar een hele dag geobjectiveerd in producten heeft verkregen; hij heeft dus niets geruild tegen de tweede helft van de arbeidsdag. Het is niet de ruil, maar een proces waarin hij geobjectiveerde arbeidstijd, d.w.z. waarde, verkrijgt zonder ruil, dat hem tot kapitalist kan maken. De halve dag arbeid kost het kapitaal niets; het krijgt dus een waarde waarvoor het geen tegenwaarde heeft gegeven. En de toename van waarden kan alleen plaatsvinden doordat een waarde boven het equivalent wordt ontvangen, d.w.z. gecreëerd.

Meerwaarde is waarde boven het equivalent. Per definitie is een equivalent de identiteit van de waarde met zichzelf. Meerwaarde kan dus nooit voortkomen uit het equivalent; zij kan dus ook niet oorspronkelijk voortkomen uit de circulatie; zij moet voortkomen uit het productieproces van het kapitaal zelf. De kwestie kan ook op deze manier worden uitgedrukt: als de arbeider maar een halve dag werk nodig heeft om een hele dag te leven, heeft hij maar een halve dag werk nodig om in zijn bestaan als arbeider rond te komen. De tweede helft van de arbeidsdag is dwangarbeid; meerarbeid. Wat aan de kant van het kapitaal verschijnt als meerwaarde, verschijnt precies aan de arbeider als meerarbeid boven zijn behoeften als arbeider, d.w.z. boven zijn onmiddellijke behoeften om in zijn vitaliteit te voorzien. De grote historiciteit van het kapitaal is het scheppen van deze meerarbeid, overtollige arbeid vanuit het standpunt van louter gebruikswaarde, van louter bestaansmiddelen, en zijn historische bestemming is vervuld zodra, enerzijds, de behoeften zo ver ontwikkeld zijn dat de meerarbeid boven het noodzakelijke, zelf een algemene behoefte is, die zelf voortkomt uit de individuele behoeften – anderzijds, de algemene arbeidzaamheid ontwikkeld door de strenge discipline van het kapitaal, die de opeenvolgende generaties doortrekken, tenslotte, door de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit, voortgestuwd door het kapitaal in zijn onbeperkte zucht naar verrijking en de voorwaarden tot verwezenlijking daarvan, zo ver is gevorderd dat het bezit en het behoud van de algemene rijkdom enerzijds voor de gehele maatschappij nog slechts een geringe arbeidstijd vereist, en de arbeidende maatschappij zich op wetenschappelijke wijze verhoudt tot haar voortschrijdende reproductieproces, haar reproductie in steeds grotere overvloed; en de arbeid stopt, dus waar arbeid ophoudt te doen, dat wat een ding zou kunnen doen. Kapitaal en arbeid gedragen zich dus als geld en waren; de een is de algemene vorm van rijkdom, de ander slechts de substantie die op onmiddellijke consumptie is gericht. Als het rusteloze streven naar de algemene vorm van rijkdom drijft het kapitaal echter de arbeid over de grenzen van haar natuurlijke noodzaak heen en schept zo de materiële elementen voor de ontwikkeling van een rijke individualiteit, die in haar productie even alomvattend is als de consumptie en waarvan de arbeid dus ook niet meer als arbeid verschijnt, maar als de volledige ontwikkeling van de activiteit zelf, waarin de natuurlijke noodzaak in haar onmiddellijke vorm is verdwenen; omdat een historisch geproduceerde behoefte de plaats van de natuurlijke behoefte heeft ingenomen. Daardoor is het kapitaal productief, d.w.z. een essentiële schakel voor de ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten. Het houdt pas op als zodanig dat te zijn, wanneer de ontwikkeling van deze productiekrachten stuit op het kapitaal zelf; als een hindernis.

In The Times van november 1857 staat een snoezige woedende verontwaardiging van een West-Indische plantage-eigenaar. Met grote morele verontwaardiging wijst deze voorstander – als pleidooi voor de herinvoering van de negerslavernij – erop hoe de Quashees (de vrije zwarten van Jamaica) tevreden zijn met het produceren van wat strikt noodzakelijk is voor hun eigen consumptie, en naast deze “gebruikswaarde” het luieren (verwennerij [Nachsicht] en traagheid) als het echte luxeartikel beschouwen; hoe zij geen zier geven om de suiker en het vast kapitaal, geïnvesteerd in de plantages, maar met ironisch leedvermaak grijnzen om het bankroet van de planter, en zelfs het christendom dat zij omarmen alleen maar uitbuiten als een vergoelijking van dit leedvermaak en indolentie. Zij hebben opgehouden slaven te zijn, maar niet om loonarbeiders te worden, maar zelfbedruipende boeren, die voor hun eigen levensbehoeften werken. Kapitaal als kapitaal bestaat niet tegenover hen, omdat de autonome rijkdom sowieso alleen bestaat door directe dwangarbeid, slavernij, of bemiddelde dwangarbeid, loonarbeid. De directe dwangarbeid staat tegenover de rijkdom niet als een kapitaal, maar als een machtsverhouding; op die basis wordt dus alleen de machtsverhouding gereproduceerd, waar de rijkdom slechts waarde heeft als genot, niet als rijkdom zelf, en die dus nooit een algemene industrie kan scheppen. (Wij komen nog terug op deze verhouding van slavernij en loonarbeid.)

De moeilijkheid om de oorsprong van de waarde te begrijpen blijkt uit: 1. de moderne Engelse economen, die Ricardo verwijten dat hij het surplus en de meerwaarde niet begrepen heeft (zie Malthus Over de waarde, die tenminste probeert wetenschappelijk te werk te gaan), hoewel alleen Ricardo van alle economen het begrepen heeft, zoals zijn polemiek tegen A. Smiths verwarring van de waardebepaling door het loon [Salair] en door de arbeidstijd, geobjectiveerd in de waar, dit bewijst. De nieuwkomers zijn gewoon onnozelaars. Maar Ricardo zelf is ook vaak in verwarring, want hij begrijpt het ontstaan van meerwaarde als een voorwaarde voor kapitaal, maar begrijpt de waardevermeerdering op deze basis vaak niet, behalve dat er meer geobjectiveerde arbeidstijd wordt geïnvesteerd in hetzelfde product, met andere woorden dat de productie moeilijker wordt. Vandaar bij hem die absolute tegenstelling tussen waarde en rijkdom. Vandaar de eenzijdigheid van zijn theorie over de grondrente; zijn foute theorie over internationale handel die alleen gebruikswaarde produceert (wat hij rijkdom noemt), geen ruilwaarde. De enige uitweg voor de stijging van de waarden als zodanig, afgezien van de toenemende moeilijkheidsgraad van de productie (rentetheorie), blijft alleen de toename van de bevolking (de natuurlijke toename van arbeiders door de toename van het kapitaal), hoewel hij zelf dit verband nergens helder heeft samengevat. De fundamentele fout is dat hij nergens onderzoekt waar het verschil tussen de waardebepaling door het loon en die door de geobjectiveerde arbeid eigenlijk vandaan komt. Geld en de ruil zelf (de circulatie) verschijnen dus slechts als een zuiver formeel element in zijn economie, en hoewel er volgens hem in de economie alleen sprake is van ruilwaarde, verschijnen winst enz. alleen als een percentage van het aandeel in het product, dat eveneens plaatsvindt op basis van slavernij. Hij heeft nergens de interferentie onderzocht. 2) De fysiocraten. Hier komt de moeilijkheid van het begrijpen van het kapitaal, de valorisering van de waarde, dus de meerwaarde die kapitaal creëert in de productie, concreet naar voor, en het moest naar voren komen bij de vaders van de moderne economie, zoals in de laatste klassieke conclusie van Ricardo, de creatie van de meerwaarde, die hij [opvat] in de vorm van rente. Het is in wezen de vraag naar het begrip kapitaal en loonarbeid, en dus de fundamentele vraag die oprijst op de drempel van het systeem van de moderne maatschappij. Het monetaire systeem had de zelfstandigheid van de waarde alleen begrepen zoals deze voortvloeit uit de eenvoudige circulatie – het geld; daarom maakten zij deze abstracte vorm van rijkdom tot het exclusieve doel van de naties, die juist de periode ingingen waarin verrijking als zodanig het doel van de maatschappij zelf bleek te zijn.

Daarna kwam het mercantiele systeem, dat in het tijdperk valt waarin het industrieel kapitaal, en dus loonarbeid, opduikt in de manufactuur en zich ontwikkelt tegenover en ten koste van de niet-industriële rijkdom, het feodale landbezit. Zij zien geld al als kapitaal, maar eigenlijk alleen in de vorm van geld zelf, de circulatie van mercantiel kapitaal, van kapitaal dat in geld is veranderd. Industrieel kapitaal heeft voor hen waarde, en wel de hoogste waarde – als middel – niet als de rijkdom zelf in zijn productieproces – omdat het het mercantiel kapitaal creëert en dat in de circulatie geld wordt. Manufactuur arbeid – d.w.z. industriële arbeid, maar de agrarische arbeid was en leek voor hen integendeel als het produceren van voornamelijk gebruikswaarden; ruwe producten, verwerkt, waardevoller, want duidelijker van vorm, d.w.z. meer geschikt voor circulatie, handel, in de mercantiele vorm creëert het meer geld (bovendien de historische kijk op de rijkdom van de landbouwende volkeren, zoals Holland in het bijzonder, in contrast met de landbouwende feodale volkeren; de landbouw verscheen helemaal niet in een industriële, maar in een feodale vorm, d.w.z. als bron van feodale rijkdom, niet van een burgerlijke rijkdom). Een vorm van loonarbeid, de industriële, en een vorm van kapitaal, de industriële, werden aldus erkend als bronnen van rijkdom, maar alleen voor zover zij geld creëerden. De ruilwaarde werd nog niet begrepen in de vorm van kapitaal.

Nu de fysiocraten. Zij onderscheiden kapitaal van geld en vatten het in zijn algemene vorm op als een verzelfstandigde ruilwaarde, die zichzelf in de productie handhaaft en daardoor vermeerdert. Zij beschouwen dus de verhouding voor zichzelf, daar zij niet zelf een moment van de eenvoudige circulatie is, maar veeleer haar voorwaarde, en daaruit zichzelf voortdurend weer voortbrengt als haar voorwaarde. Zij zijn dus de vaders van de moderne economie. Zij begrijpen dat de schepping van meerwaarde door loonarbeid een valorisering is, d.w.z. de verwezenlijking van het kapitaal. Maar hoe wordt meerwaarde gecreëerd door middel van kapitaal, d.w.z. bestaande waarden, door middel van arbeid? Hier laten ze de vorm helemaal vallen en beschouwen ze alleen het eenvoudige productieproces. Daarom kan alleen die arbeid productief zijn, die zich voltrekt in zo’n omgeving waar de natuurlijke kracht van het arbeidsinstrument de arbeider in staat stelt meer waarden te produceren dan hij verbruikt. De meerwaarde komt dus niet voort uit de arbeid als zodanig, maar uit de natuurlijke kracht die door de arbeid wordt gebruikt en gestuurd – de landbouw. Dit is dus de enige productieve arbeid, want zo ver zijn zij dat alleen de arbeid die meerwaarde schept productief is (Dat de meerwaarde zich moet uiten in een materieel product, is een ruwe opvatting die men nog vindt bij A. Smith. Acteurs zijn productieve arbeiders, niet in zoverre zij een toneelstuk produceren, maar de rijkdom van hun opdrachtgever vergroten. Maar wat voor soort arbeid er plaatsvindt, dat wil zeggen in welke vorm de arbeid zich materialiseert, is absoluut onverschillig voor deze verhouding. Het is weer niet onverschillig vanuit een later standpunt); maar deze meerwaarde wordt heimelijk omgezet in een grotere hoeveelheid gebruikswaarde, komende uit de productie, dan die welke daar is verbruikt. Deze vermenigvuldiging van gebruikswaarden, het overschot van het product boven dat wat moet dienen als middel voor nieuwe productie – waarvan dus een deel onproductief kan worden verbruikt – verschijnt alleen tastbaar in de relatie tussen het natuurlijke zaad en zijn product. Slechts een deel van de oogst moet als zaad direct aan de bodem worden teruggegeven; de in de natuur gevonden producten, de elementen lucht, water, aarde, licht, en toegevoegde stoffen zoals kunstmest, leveren het zaad vervolgens in vermeerderde hoeveelheid weer op als graan enz. Kortom, de menselijke arbeid heeft slechts tot taak de chemische stofwisseling (in de landbouw) te sturen, ten dele ook mechanisch te bevorderen, of de reproductie van het leven zelf (veeteelt), om het surplus in stand te houden, d.w.z. dezelfde natuurlijke stoffen van een voor gebruik waardeloze vorm om te zetten in een waardevolle. De ware vorm van algemene rijkdom is dus het overschot van de producten van de aarde (graan, vee, grondstoffen).

Economisch gezien is dus alleen de rente een vorm van rijkdom. Zo is het dat de eerste profeten van het kapitaal alleen de niet-kapitalist, de feodale landeigenaar, zien als de vertegenwoordiger van de burgerlijke rijkdom. Het gevolg, heffing van alle belastingen op renten, is echter geheel in het voordeel van het burgerlijk kapitaal. Het feodalisme wordt slechts in beginsel door de bourgeoisie verheerlijkt – menig feodale figuur, zoals de oude Mirabeau is hierdoor gedupeerd – om het in de praktijk te vernielen. Alle andere waarden vertegenwoordigen slechts materiaal + arbeid; de arbeid zelf vertegenwoordigt het graan of andere landbouwproducten die de arbeider verbruikt; de fabrieksarbeider enz. voegt dus niet meer aan het materiaal toe dan hij aan materialen consumeert. Zijn arbeid, evenals zijn baas, voegt dus niets toe aan de rijkdom – rijkdom is het surplus op de waren, in de productie verbruikt – maar geeft er voor de consumptie een aangename en nuttige vorm aan.

In die tijd was de toepassing van natuurkrachten in de industrie nog niet ontwikkeld, evenmin als de arbeidsdeling, enz., die de natuurlijke kracht van de arbeid vergroot. Maar dit was het geval in de tijd van A. Smith. Bij hem is de arbeid de bron van waarden in het algemeen, en evenzeer van rijkdom, maar ook hij stelt in feite slechts meerwaarde vast in zoverre bij de verdeling van de arbeid het surplus verschijnt als een natuurlijk gegeven, een natuurkracht van de maatschappij, zoals de grond bij de fysiocraten. Vandaar het gewicht dat A. Smith toekent aan de arbeidsdeling. Kapitaal daarentegen – (omdat hij arbeid als waardescheppend opvat, maar de arbeid zelf als gebruikswaarde, productiviteit op zich, menselijke natuurkracht in het algemeen (dit onderscheidt hem van de fysiocraten), maar niet als loonarbeid, niet in zijn specifieke vormfunctie tegenover het kapitaal) – verschijnt bij hem niet als van oorsprong het omvatten van het moment van loonarbeid, als een tegenstelling, maar zoals het uit en door de circulatie komt, als geld, uit de circulatie ontstaat het door sparen. Het kapitaal valoriseert zichzelf dus oorspronkelijk niet – omdat de toe-eigening van andermans arbeid geen deel uitmaakt van het concept zelf. Het verschijnt pas achteraf, nadat het reeds is voorondersteld als kapitaal – foute kringloop – als een gezag over vreemde arbeid. Daarom moet, volgens A. Smith, de arbeid zijn eigen product hebben als loon, het loon moet = het product zijn, dus arbeid moet geen loonarbeid zijn en kapitaal moet geen kapitaal zijn. Om winst en rente als oorspronkelijke bestanddelen van de productiekosten in te voeren, d.w.z. om de meerwaarde uit het productieproces van het kapitaal te laten voortkomen, veronderstelt hij ze dus in een zeer grove vorm. De kapitalist wil het gebruik van zijn kapitaal niet voor niets afstaan; evenzo wil de landeigenaar het land niet voor niets aan de productie afstaan. Ze eisen er iets voor terug. Zo worden de historische feiten en hun aanspraken niet verklaard. In feite is het loon het enige economisch gerechtvaardigde, want noodzakelijke, bestanddeel van de productiekosten. Winst en rente zijn verminderingen van het loon, willekeurig afgedwongen in het historische proces van kapitaal- en grondbezit en legaal, niet economisch, gerechtvaardigd. Maar aangezien hij anderzijds de arbeid in de vorm van grondbezit, en kapitaal tegenover de productiemiddelen en -materialen als zelfstandige vormen stelt, heeft hij ze in wezen als loonarbeid voorgesteld. Dus tegenstrijdigheden. Vandaar zijn wankelheid bij de waardebepaling; het op één lijn stellen van winst en grondrente; onjuiste opvattingen over de invloed van de lonen op de prijzen, enz.

Nu Ricardo. Bij hem worden loonarbeid en kapitaal opnieuw opgevat als een natuurlijke, en niet als een historisch specifieke maatschappelijke vorm voor de creatie van rijkdom als gebruikswaarde; d.w.z. hun vorm als zodanig is, juist omdat hij natuurlijk is, irrelevant, en wordt niet opgevat in zijn specifieke relatie tot de vorm van rijkdom, net zoals rijkdom zelf, in zijn ruilwaardevorm, verschijnt als een louter formele bemiddeling van zijn materiële samenstelling; zo wordt het specifieke karakter van de burgerlijke rijkdom niet begrepen – juist omdat hij verschijnt als de adequate vorm van rijkdom als zodanig, en dus, hoewel ruilwaarde het uitgangspunt is, spelen de specifieke economische ruilvormen zelf in zijn economie geen enkele rol, in plaats daarvan spreekt hij steeds over de verdeling van het algemeen arbeidsproduct en van de grond over de drie klassen, alsof de op de ruilwaarde gebaseerde vorm van rijkdom alleen betrekking zou hebben op de gebruikswaarde, en alsof de ruilwaarde slechts een ceremoniële vorm zou zijn, die bij Ricardo verdwijnt zoals het geld als circulatiemiddel verdwijnt bij de ruil. Om de ware wetten van de economie te doen gelden, noemt hij deze geldverhouding dan ook graag louter formeel. Vandaar zijn zwakke geldtheorie.

De precieze ontwikkeling van het begrip kapitaal is noodzakelijk, omdat het het grondbegrip is van de moderne economie, net zoals het kapitaal zelf, waarvan het abstracte spiegelbeeld het begrip is, het fundament is van de burgerlijke maatschappij. De scherpe formulering van de fundamentele vereisten van de verhouding moet alle tegenstrijdigheden van de burgerlijke productie aan het licht brengen, ook de grens waar zij buiten zichzelf treedt.

{Het is belangrijk op te merken dat rijkdom als zodanig, d.w.z. burgerlijke rijkdom, altijd in de hoogste potentie tot uitdrukking komt in de ruilwaarde, waar zij wordt gesteld als de bemiddelaar, als de bemiddeling van de uitersten van de ruilwaarde en de gebruikswaarde zelf. Dit midden verschijnt altijd als de volmaakte economische verhouding, omdat het de tegengestelden samenvoegt, en uiteindelijk altijd verschijnt als een eenzijdig hogere potentie ten opzichte van de uitersten; omdat de beweging of de verhouding die oorspronkelijk verschijnt als bemiddelend tussen de uitersten, noodzakelijkerwijs dialectisch blijft verschijnen als bemiddelend met zichzelf, als het subject waarvan de momenten slechts de uitersten zijn waarvan het de onafhankelijke veronderstelling opheft om, door hun opheffing, zichzelf als het enige onafhankelijke ding te stellen. Zo wordt in de religieuze sfeer Christus, de bemiddelaar tussen God en de mensheid – louter een circulatiemiddel tussen de twee – hun eenheid, de Godmens, en wordt als zodanig belangrijker dan God; de heiligen belangrijker dan Christus; de papen belangrijker dan de heiligen. De totale economische expressie, zelfs eenzijdig tegen de uitersten in, is altijd de ruilwaarde, de middelste schakel; bv. geld in de eenvoudige circulatie; het kapitaal zelf als bemiddelaar tussen productie en circulatie. Binnen het kapitaal zelf neemt de ene vorm weer de positie in van gebruikswaarde tegenover de andere als ruilwaarde. Zo verschijnt bv. het industrieel kapitaal als producent ten opzichte van de koopman, die verschijnt als circulatie. Zo vertegenwoordigt de eerste de materiële, de andere de vormelijke kant [Formseite], dus de rijkdom als rijkdom. Tegelijkertijd is het mercantiele kapitaal zelf weer de bemiddelaar tussen productie (industrieel kapitaal) en circulatie (het consumerende publiek) of tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, waar afwisselend beide kanten, productie als geld, circulatie als gebruikswaarde (consumerend publiek) of de eerste als gebruikswaarde (product), de tweede als ruilwaarde (geld) worden gesteld. Hetzelfde geldt voor de handel zelf: de groothandelaar als tussenpersoon tussen fabrikant en kleinhandelaar, of tussen fabrikant en boer of verschillende fabrikanten, is hetzelfde hogere midden. Dus weer de koopman tegenover de groothandelaar. Dan de bankier tegenover de industriëlen en de kooplieden; de naamloze vennootschap tegenover de eenvoudige productie; de financier als bemiddelaar tussen de Staat en [de] burgerlijke maatschappij op het hoogste niveau. Rijkdom als zodanig presenteert zich duidelijker en breder, naarmate zij verder verwijderd is van de directe productie, en zelf bemiddeld wordt tussen partijen die elk op zich reeds gesteld zijn in de economische vormverhoudingen [Formbeziehungen]. Dat geld het doel wordt in plaats van het middel, en dat de hogere vorm van bemiddeling overal het kapitaal is, de lagere weer de arbeid, enkel als bron van meerwaarde. Bv. de wisselmakelaar, bankier, enz., tegenover fabrikanten en pachters, die tegenover hem staan in de rol van arbeid (van gebruikswaarde), terwijl hij zich tegenover hen opstelt als kapitaal, creatie van meerwaarde; het grootst als financier}.

Kapitaal is de onmiddellijke eenheid van product en geld, of liever van productie en circulatie. Het is dus zelf weer onmiddellijk, en de ontwikkeling bestaat erin zichzelf te stellen en op te heffen als die eenheid – die als een specifieke en dus eenvoudige verhouding gesteld is. De eenheid verschijnt in het kapitaal aanvankelijk als iets eenvoudigs.

{Ricardo’s gedachtegang is gewoon: de producten ruilen zichzelf – d.w.z. kapitaal tegen kapitaal – naargelang van de kwanta geobjectiveerde arbeid die ze bevatten. De arbeidsdag ruilt zich altijd tegen een arbeidsdag. Dit is een voorwaarde. De ruil zelf kan dus volledig buiten beschouwing worden gelaten. Het product – kapitaal als product – is op zich een ruilwaarde, waaraan de ruil alleen een vorm toevoegt, in dit geval een formele vorm. De vraag is nu in welke mate dit product wordt gedistribueerd. Of deze verhoudingen nu worden beschouwd als specifieke quota’s van de veronderstelde ruilwaarde, of van de inhoud ervan, de materiële rijkdom, is eender. Ja, aangezien de ruil als zodanig circulatie is – geld als circulatie – is het beter er geheel van af te zien en alleen de quota van materiële rijkdom te beschouwen die worden verdeeld onder de verschillende agenten binnen het productieproces of als gevolg daarvan. In de ruilvorm is alle waarde enz., nominaal; zij is slechts reëel in de vorm van een verhouding. Alle ruil, voor zover zij niet een grotere materiële verscheidenheid schept, is nominaal. Aangezien een hele arbeidsdag altijd tegen een hele arbeidsdag wordt geruild, blijft de som van de waarden dezelfde – de groei van de productiekrachten heeft alleen invloed op de inhoud van de rijkdom, niet op de vorm ervan. De toename van waarden kan dus alleen tot stand komen mits een toenemende moeilijkheid bij de productie – en dit kan alleen plaatsvinden waar de natuurkrachten niet langer gelijke diensten bewijzen aan gelijke hoeveelheden menselijke arbeid, d.w.z. waar de vruchtbaarheid van de natuurlijke elementen vermindert – in de landbouw. De winstdaling wordt dus veroorzaakt door de rente. Ten eerste de onjuiste veronderstelling dat in alle maatschappelijke omstandigheden altijd een volle dag gewerkt wordt; enz. enz. (zie boven)}

We hebben gezien: de arbeider hoeft bv. maar een halve arbeidsdag te werken om een hele dag te leven; en kan dus de volgende dag weer met hetzelfde proces beginnen. In zijn werkkracht – voor zover het in hem bestaat als levend, of in hem als levend arbeidsinstrument – is een halve dag werk geobjectiveerd. De hele levende dag (leefdag) van de arbeider is het bewegingloze resultaat, de objectivering van een halve dag arbeid. De kapitalist die in ruil voor de in de arbeider geobjectiveerde arbeid – dus tegen een halve dag arbeid – de hele arbeidsdag toe-eigent en in het productieproces het materiaal verbruikt waaruit zijn kapitaal bestaat, creëert zo de meerwaarde van zijn kapitaal – in het veronderstelde geval de geobjectiveerde arbeid van een halve arbeidsdag. Veronderstel nu dat de productiviteit van de arbeidskracht verdubbeld is, d.w.z. dat dezelfde arbeid in dezelfde tijd twee keer de gebruikswaarde oplevert. (In de huidige verhouding wordt alleen datgene wat de arbeider verbruikt om zijn leven als arbeider in stand te houden, voorlopig als gebruikswaarde bepaald; de hoeveelheid levensmiddelen waartegen hij, door bemiddeling van geld, de in zijn arbeidscapaciteit geobjectiveerde arbeid ruilt.) De arbeider zou dan slechts 1/4 dag moeten arbeiden om te leven; de kapitalist zou dan 1/4 dag geobjectiveerde arbeid aan de arbeider in ruil moeten geven, om zijn meerwaarde door middel van het productieproces te verhogen van 1/2 naar 3/4; door 3/4 dag geobjectiveerde arbeid in plaats van 1/2 dag geobjectiveerde arbeid te verkrijgen. De waarde van het kapitaal, zoals die uit het productieproces naar voren komt, zou met 3/4 zijn toegenomen in plaats van 2/4. De kapitalist zou de arbeid dus slechts 3/4 dagen langer hoeven te laten werken om dezelfde meerwaarde – die van 1/2 of 2/4 geobjectiveerde arbeid – aan het kapitaal toe te voegen. Kapitaal echter, als de algemene vorm van rijkdom – het geld – vertegenwoordigend, heeft de grenzeloze en mateloze impuls om zijn grens te overschrijden. Elke grens is en moet er een barrière voor zijn. Anders houdt het op kapitaal te zijn – geld dat zichzelf produceert. Zodra zij een bepaalde grens niet meer als een barrière aanvoelt, maar zich daarin op haar gemak voelt als een grens, zou zij zelf van ruilwaarde naar gebruikswaarde afdalen, van de algemene vorm van rijkdom naar een bijzondere specifieke substantieel bestaan zelf afzinken. Het kapitaal als zodanig creëert een bepaalde meerwaarde, daar een oneindige meerwaarde niet kan; maar het is voortdurend in beweging om er meer van te realiseren. De kwantitatieve grens van de meerwaarde verschijnt het slechts als een natuurlijke barrière, als een noodzaak die het steeds tracht te overwinnen en steeds overschrijden wil.

{De barrière verschijnt als een toeval dat moet worden overwonnen. Dit blijkt zelfs uit de meest oppervlakkige observatie. Als het kapitaal groeit van 100 tot 1.000, is 1.000 nu het uitgangspunt van waaruit de toename moet voortgaan; de vertienvoudiging met 1.000 % voldoet niet meer; winst en rente worden weer kapitaal. Wat verscheen als meerwaarde verschijnt nu als een eenvoudige voorwaarde, enz., opgenomen in het eenvoudige bestaan.}

De kapitalist zal dus (geheel afgezien van later toegevoegde regelingen, concurrentie, prijzen enz.) de arbeider niet alleen 3/4 van een dag laten werken, omdat die 3/4 van een dag hem dezelfde meerwaarde oplevert als de hele dag voorheen deed, maar hij zal hem de hele dag laten werken; en de toename van de productiviteit, die de arbeider in staat stelt een hele dag te leven van 1/4 arbeidsdag, uit zich nu eenvoudig in het feit dat hij 3/4 dag voor het kapitaal moet werken, terwijl hij er voordien slechts 2/4 dag voor werkte. De toegenomen productiviteit van zijn werkvermogen, voor zover het de tijd verkort voor de vervanging van de in hem geobjectiveerde arbeid (voor de gebruikswaarde, het levensonderhoud), verschijnt als een verlenging van zijn arbeidstijd voor de valorisatie van het kapitaal (voor de ruilwaarde). Vanuit het oogpunt van de arbeider moet hij nu een surplusarbeid verrichten van 3/4 dag om een dag te kunnen leven, terwijl hij vroeger slechts een surplusarbeid van 2/4 dag moest doen. Door de toename van de productiviteit, de verdubbeling ervan, is zijn surplusarbeid met 1/4 [dag] toegenomen. Hier is op te merken: de productiekracht is verdubbeld, de surplusarbeid voor de arbeider is niet verdubbeld, maar met 1/4 [dag] toegenomen; evenmin is de surpluswaarde van het kapitaal verdubbeld, maar ook met 1/4 [dag] toegenomen. Aldus is aangetoond dat de surplusarbeid (vanuit het standpunt van de arbeider) of de surpluswaarde (vanuit het standpunt van het kapitaal) niet in dezelfde numerieke verhouding toeneemt als de productiekracht. Waar komt dit vandaan? De verdubbeling van de productiekracht is de vermindering van de noodzakelijke arbeid (voor de arbeider) met 1/4 [dag], dus ook de productie van surpluswaarde met 1/4 [dag groter], omdat de oorspronkelijke verhouding was vastgesteld als 1/2. Indien de arbeider oorspronkelijk 2/3 dag had moeten werken om 1 dag te leven, was de surpluswaarde 1/3 evenals de surplusarbeid. De verdubbeling van de arbeidsproductiviteit zou de arbeider aldus in staat hebben gesteld zijn arbeid voor het noodzakelijke te beperken tot de helft van 2/3, of 2/(3x2), 2/6 of 1/3 dag, en de kapitalist zou 1/3 [dag] waarde hebben gewonnen. De totale surplusarbeid zou echter 2/3 [dag] zijn geworden. De verdubbeling van de productiekracht, die in het eerste voorbeeld resulteerde in 1/4 [dag] surpluswaarde en surplusarbeid, resulteert nu in 1/3 [dag] surpluswaarde of surplusarbeid.

De multiplicator van de productiekracht – het getal waarmee deze vermenigvuldigd wordt – is dus niet de multiplicator van de surplusarbeid of van de surpluswaarde, maar was de oorspronkelijke verhouding van de in de arbeidsprijs geobjectiveerde arbeid, 1/2 van 1 arbeidsdag, die altijd als een grens verschijnt (de heren fabrikanten hebben deze echter ook uitgebreid tot de nacht, de tienurendag [Zehnstundenbill]. Zie het verslag van Leonhard Horner). (De arbeidsdag zelf heeft geen grens t.o.v. de natuurlijke dag; hij kan tot diep in de nacht worden verlengd; dit behoort tot het hoofdstuk over de lonen), als geobjectiveerde arbeid, zo is de verdubbeling gelijk aan de deling van 1/2 (de oorspronkelijke verhouding) door 2 of 1/4. Als de oorspronkelijke verhouding 2/3 was, is de verdubbeling gelijk aan de deling van 2/3 door 2 = 2/6 of 1/3. De multiplicator van de productiekracht is dus niet altijd de multiplicator, maar de deler van de oorspronkelijke verhouding, niet de multiplicator van zijn teller maar van zijn noemer. In het eerste geval zou de vermenigvuldiging van de productiekracht overeenkomen met de vermenigvuldiging van de surpluswaarde. Maar de surpluswaarde [moet eigenlijk zijn: de groei van de surpluswaarde] is altijd gelijk aan een deling van de oorspronkelijke verhouding door de multiplicator van de productiekracht. Als de oorspronkelijke verhouding 8/9 was, d.w.z. de arbeider heeft 8/9 van een arbeidsdag nodig om te leven, zodat het kapitaal slechts 1/9 wint in zijn ruil met de levende arbeid, als de surplusarbeid gelijk is aan 1/9, dan kan de arbeider nu leven van de helft van 8/9 van een arbeidsdag, d.w.z. met 8/18 = 4/9 (of we nu de teller delen of de noemer vermenigvuldigen is hetzelfde), en de kapitalist, die een volledige arbeidsdag gelast, zou een totale surpluswaarde hebben van 5/9 arbeidsdag; als we hiervan de oorspronkelijke surpluswaarde van 1/9 aftrekken, blijft er 4/9. De verdubbeling van de productiviteit hier = groei van de surpluswaarde of [van] de surplustijd. Dit komt eenvoudigweg doordat de surpluswaarde altijd gelijk is aan de verhouding tussen de gehele arbeidsdag en het deel van de arbeidsdag dat nodig is om de arbeider in leven te houden. De eenheid waarnaar de surpluswaarde wordt berekend is altijd een breuk, d.w.z. het deel van een dag dat precies de arbeidsprijs vertegenwoordigt. Als dit = 1/2, dan is de toename [moet eigenlijk zijn: verdubbeling] van de productiekracht = de vermindering van de noodzakelijke arbeid tot 1/4; als het = 1/3, dan vermindering van de noodzakelijke arbeid tot 1/6; dus in het eerste [geval] de totale surpluswaarde = 3/4; in het tweede = 5/6; de relatieve surpluswaarde, d.w.z. die ten opzichte van wat er eerder was, in het eerste geval = 1/4, in het tweede gelijk aan 1/6.

De waarde van het kapitaal neemt dus niet toe in dezelfde verhouding waarin de productiekracht vermeerdert, maar in de verhouding waarin de toename van de productiekracht, de multiplicator van de productiekracht, de breuk van de arbeidsdag verdeelt, dat het deel van de dag uitdrukt dat aan arbeider toebehoort. Met hoeveel de arbeidsproductiviteit de waarde van het kapitaal verhoogt, hangt dus af van de oorspronkelijke verhouding waarin het in de arbeider geobjectiveerde aandeel van de arbeid, zich verhoudt tot de levende arbeid. Deze verhouding wordt altijd uitgedrukt als een breukgetal van de hele arbeidsdag, 1/3, 2/3, enz. De toename van de productiekracht, d.w.z. de vermenigvuldiging ervan met een getal, is gelijk aan een deling van de teller of de vermenigvuldiging van de noemer van deze breuk met hetzelfde getal. Hoe groot of klein dus de waardevermeerdering is, hangt niet alleen af van het getal dat de vermenigvuldiging van de productiekracht uitdrukt, maar evenzeer van de vooraf gegeven verhouding, dat het deel van de arbeidsdag uitmaakt, behorende tot de prijs van de arbeid. Als deze verhouding 1/3 is, dan is de verdubbeling van de productiekracht van de arbeidsdag = een vermindering ervan tot 1/6; als zij 2/3 is, dan een vermindering ervan tot 2/6. De geobjectiveerde arbeid, vervat in de arbeidsprijs, is altijd gelijk aan een breukgetal van de gehele dag; altijd, rekenkundig uitgedrukt, een breuk; altijd een getalsverhouding, nooit een gewoon getal. Wordt het productief vermogen verdubbeld, vermenigvuldigd met 2, dan behoeft de arbeider nog slechts 1/2 van de vroegere tijd te werken om er de prijs van de arbeid uit te halen; maar hoeveel arbeidstijd hij daarvoor nodig heeft, hangt af van de eerste, gegeven verhouding, namelijk van de tijd die vóór de toename van de productiekracht nodig was. De multiplicator van de productiekracht is de deler van deze oorspronkelijke breuk. De [surplus]waarde of de surplusarbeid groeit dus niet in dezelfde numerieke verhouding als de productiekracht. Als de oorspronkelijke verhouding 1/2 is en de productiekracht wordt verdubbeld, wordt de (voor de arbeider) noodzakelijke arbeidstijd gereduceerd tot 1/4, en groeit de surpluswaarde slechts met 1/4. Als de productiekracht wordt verviervoudigd, wordt de oorspronkelijke verhouding 1/8, en groeit de [surplus]waarde slechts met 3/8. De [surplus]waarde kan nooit gelijk zijn aan de gehele werkdag; d.w.z. er moet altijd een deel van de arbeidsdag worden geruild voor de in de arbeider geobjectiveerde arbeid. De meerwaarde is in het algemeen slechts de verhouding van de levende arbeid tot de in de arbeider geobjectiveerde arbeid; een deel van de verhouding moet er dus altijd blijven. Alleen al door het feit dat de verhouding als verhouding constant is, hoewel haar factoren veranderen, is er een zekere verhouding gegeven tussen de toename van de productiekracht en toename van de waarde. Enerzijds zien we dus dat de relatieve surpluswaarde precies gelijk is aan de relatieve surplusarbeid: als de [noodzakelijke] arbeidsdag 1/2 was en de productiekracht verdubbelt, dan wordt het deel van de arbeider, de noodzakelijke arbeid, gereduceerd naar 1/4, en de nieuwe toegevoegde waarde is ook precies 1/4; maar de totale [surplus]waarde is nu 3/4. Terwijl de surpluswaarde met 1/4 is gestegen, dus in de verhouding 1:4, is de totale surpluswaarde = 3/4 = 3:4.

Stel nu dat 1/4 de oorspronkelijke noodzakelijke arbeidsdag was, en dat verdubbeling van de productiekracht heeft plaatsgevonden, dan is de noodzakelijke arbeid teruggebracht tot 1/8, en de [toegenomen] surplusarbeid of [de toegenomen surplus]waarde, precies = 1/8 = 1:8. Anderzijds is de totale surpluswaarde = 7:8. In het eerste voorbeeld was de oorspronkelijke totale surpluswaarde = 1:2 (1/2) en is nu gestegen tot 3:4; in het tweede geval was de oorspronkelijke totale surpluswaarde 3/4 en is nu gestegen tot 7:8 (7/8). In het eerste geval is zij gestegen van 1/2 of 2/4, tot 3/4; in het tweede van 3/4 of 6/8 tot 7/8; in het eerste geval met 1/4, in het tweede met 1/8; d.w.z. in het eerste geval is zij tweemaal zoveel gestegen als in het tweede; maar in het eerste geval bedraagt de totale surpluswaarde 3/4 of 6/8, terwijl zij in het tweede geval 7/8 bedraagt, d.w.z. 1/8 meer.

Als de noodzakelijke arbeid 1/16 is, dan is de totale surpluswaarde = 15/16; wat in de vroegere verhouding 6/8 = 12/16 was; de totale surpluswaarde, die verondersteld wordt, is dus hoger met 3/16 dan in het vroegere geval. Veronderstel nu dat de productiekracht verdubbelt, zodat de noodzakelijke arbeid = 1/32; wat vroeger = 2/32 (1/16) was; derhalve is de surplustijd met 1/32 gestegen, dus ook de surpluswaarde. Als we kijken naar de totale surpluswaarde, die 15/16 of 30/32 was, is het nu 31/32. In vergelijking met de vroegere verhouding (waar de noodzakelijke arbeid 1/4 of 8/32 was, bedraagt de totale surpluswaarde nu 31/32,terwijl zij vroeger 28/32 was, dus is zij met 3/32 toegenomen. Maar relatief gezien is zij in het eerste geval door de verdubbeling van de productie met 1/8 of 4/32 toegenomen, terwijl zij nu slechts met 1/32 is toegenomen, dat wil zeggen met 3/32 minder.

Indien de noodzakelijke arbeid reeds tot 1/1.000 zou zijn teruggebracht, zou de totale surpluswaarde = 999/1.000 zijn. Indien de productiekracht duizendvoudig zou toenemen, zou de noodzakelijke arbeid dalen tot 1/1.000.000 arbeidsdag en de totale surpluswaarde 999.999/1.000.000 van een arbeidsdag zijn; terwijl het vóór deze toename van de productiekracht 999/1.000 of 999.000 /1.000.000 was; het zou dus met 999/1.000.000 = 1/1001 (plus daarbij nog 1/1001 + 1/999) zijn toegenomen, d.w.z. het totale surplus zou met de duizendvoudige toename van de productiekracht nog niet met 1/1001 zijn gestegen, d.w.z. nog niet met 3/3003, terwijl het in het vorige geval door de loutere verdubbeling van de productiekracht met 1/32 was toegenomen. Als de noodzakelijke arbeid daalt van 1/1.000 naar 1/1.000.000, dan daalt het precies met 999/1.000.000 (want 1/1.000 = 1.000/1.000.000), d.w.z. met de surpluswaarde [moet eigenlijk zijn: met de toename van de surpluswaarde].

Als we dit samenvatten, dan:
Ten eerste: De toename van het productiekracht van de levende arbeid verhoogt de waarde van het kapitaal (of verlaagt de waarde van de arbeider) niet doordat de hoeveelheid producten of gebruikswaarden die met dezelfde arbeid worden voortgebracht, toeneemt – de productiekracht van de arbeid is haar natuurkracht – maar doordat zij de noodzakelijke arbeid vermindert en aldus een surplusarbeid of, wat hetzelfde is, een surpluswaarde schept in dezelfde verhouding waarin zij deze vermindert; omdat de meerwaarde van het kapitaal, die het door het productieproces verkrijgt, slechts bestaat in het overschot van de surplusarbeid boven de noodzakelijke arbeid. De verhoging van de productiviteit kan de surplusarbeid alleen doen toenemen – d.w.z. het in het kapitaal als product geobjectiveerde overschot aan arbeid boven de in de ruilwaarde van de arbeidsdag geobjectiveerde arbeid – voor zover daardoor de verhouding tussen de noodzakelijke arbeid en de surplusarbeid vermindert, en alleen in de verhouding waarin deze verhouding vermindert. De surpluswaarde is exact gelijk aan de surplusarbeid; de toename van het ene wordt exact gemeten met het verminderen van de noodzakelijke arbeid.

Ten tweede. De meerwaarde van het kapitaal neemt niet toe met de multiplicator van de productiekracht, d.w.z. met het getal waarin de productiekracht (gesteld als eenheid, als vermenigvuldigtal) toeneemt, maar met het surplus van het deel van de levende arbeidsdag, die oorspronkelijk de noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt, boven dit zelfde deel, gedeeld door de multiplicator van de productiekracht. Indien dus de noodzakelijke arbeid = 1/4 van de levende arbeidsdag, en het productiekracht verdubbelt, stijgt de waarde van het kapitaal niet met het dubbele, maar met 1/8; wat gelijk is aan 1/4 of 2/8 (het oorspronkelijke deel van de arbeidsdag dat de noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt) – 1/4 gedeeld door 2, of = 2/8 – 1/8 = 1/8. (De waardeverdubbeling kan ook worden uitgedrukt als 4/2 of 16/8. Indien dus in bovenstaand voorbeeld de productiekracht met 10/8 was toegenomen, zou de winst slechts met 1/8 toenemen. De groei zou dus evenredig zijn met die van de productiekracht = 1:16. (Zo is het!) Is de breuk 1/1.000 en de productiekracht groeit met een duizendvoud, dan groeit de waarde van het kapitaal niet duizendvoudig, maar veel minder dan 1/1001; zij groeit met 1/1.000 – 1/1.000.000, d.w.z. met 1.000/1.000.000 – 1/1.000.000 = 999/1.000.000).

De absolute som waarin het kapitaal zijn waarde verhoogt door een verhoging van de productiekracht hangt dus af van de gegeven breuk van de arbeidsdag, van het aliquote deel van de werkdag dat de noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt en dat dus de oorspronkelijke verhouding van de noodzakelijke arbeid tot de levende arbeidsdag uitdrukt. De toename van de productiekracht in een bepaalde verhouding kan bv. de waarde van het kapitaal in verschillende landen verschillend doen toenemen. Een algemene verhoging van de productiekracht in een zelfde verhouding kan de waarde van het kapitaal in verschillende industrietakken op verschillende wijze doen toenemen, en wel naargelang van de verschillende verhouding in deze takken van de noodzakelijke arbeid tot het aantal levende arbeidsdagen. Deze verhouding zou in een stelsel van vrije mededinging uiteraard in alle bedrijfstakken dezelfde zijn, indien de arbeid overal eenvoudige arbeid zou zijn, dus de noodzakelijke arbeid gelijk zou zijn. (Dezelfde kwanta van geobjectiveerde arbeid).

Ten derde, hoe groter de surpluswaarde van het kapitaal vóór de toename van de productiekracht, hoe groter de omvang van de veronderstelde surplusarbeid of surpluswaarde van het kapitaal, of hoe kleiner het deel van de arbeidsdag, het equivalent van de arbeider, dat de noodzakelijke arbeid uitdrukt, des te geringer is de groei van de surpluswaarde dat het kapitaal ontvangt uit de toename van de productiekracht. De surpluswaarde neemt toe, maar in steeds kleinere verhouding tot de ontwikkeling van de productiekracht. Hoe meer het kapitaal dus ontwikkeld is, hoe meer surplusarbeid het heeft geschapen, des te geduchter moet het de productiekracht ontwikkelen om zichzelf slechts in geringe mate te valoriseren, d.w.z. om meerwaarde toe te voegen – want de barrière blijft altijd de verhouding tussen het deel van de dag dat de noodzakelijke arbeid uitdrukt en de gehele arbeidsdag. Binnen deze grenzen kan het alleen bewegen. Hoe kleiner het deel dat tot de noodzakelijke arbeid behoort, hoe groter de surplusarbeid, hoe minder elke toename van de productiekracht de noodzakelijke arbeid merkbaar kan verminderen, aangezien de noemer enorm is gegroeid. De zelf-valorisatie van kapitaal wordt moeilijker naarmate het reeds is gevaloriseerd. De toename van de productiekrachten zou irrelevant worden voor het kapitaal; de valorisatie zelf, omdat de delen ervan kleiner zijn geworden; en opgehouden heeft van kapitaal te zijn. Als de noodzakelijke arbeid 1/1.000 zou zijn en de productiekracht verdrievoudigd, zou het dalen [tot] 1/3000, of de surplusarbeid zou met 2/3000 zijn toegenomen. Maar dit gebeurt niet omdat het arbeidsloon is gestegen of het aandeel van de arbeid in het product, maar omdat het reeds zo diep is gedaald, beschouwd in verhouding tot het arbeidsproduct of tot de levende arbeidsdag.

{De in de arbeider geobjectiveerde arbeid toont zich hier als een deel van zijn eigen levende arbeidsdag; want dit is hetzelfde als wat staat voor de geobjectiveerde arbeid, dat hij van het kapitaal als loon ontvangt voor een hele werkdag.}

(Al deze zinnen zijn alleen correct in deze abstractie voor de huidige verhouding. Er zullen nog andere verhoudingen bijkomen die het aanzienlijk zullen wijzigen. Het geheel, voor zover het niet geheel algemeen is, behoort reeds tot de winsttheorie.)

Tot zover het algemene: de ontwikkeling van de arbeidsproductiviteit – eerst het ontstaan van surplusarbeid – is een noodzakelijke voorwaarde voor de groei van de waarde of de valorisatie van het kapitaal. Als een oneindige drang tot verrijking streeft zij dus naar een oneindige vermeerdering van de productiekrachten van de arbeid en roept zij deze in het leven. Maar aan de andere kant is iedere toename van de arbeidsproductiviteit – afgezien van het feit dat daardoor de gebruikswaarde voor de kapitalist toeneemt – een toename van de productiekracht van het kapitaal, en vanuit het huidige standpunt, slechts de productiekracht van de arbeid in zoverre zij de productiekracht van het kapitaal is.

[Absolute en relatieve meerwaarde]

Zoveel is nu duidelijk en nu al kan gezegd worden: de toename van de productiekracht doet op zich de prijzen niet stijgen. Bijvoorbeeld een bushel tarwe. Indien een halve dag arbeid zou staan voor een bushel tarwe, en indien dit de prijs van de arbeider zou zijn, kan surplusarbeid slechts 1 bushel tarwe produceren. 2 bushels tarwe is dus de waarde van een dag arbeid, en als dat = 26 sh., in geld = 26 sh. De bushel = 13 sh. Als nu de productiekracht verdubbelt, is de bushel tarwe slechts = 1/4 dag arbeid; = 6 1/2 sh. De prijs van dit fractionele deel van de waar is door de productiekracht gedaald. Maar de totale prijs bleef; maar nu het surplus van 3/4 arbeidsdag. Elk kwart = 1 bushel tarwe = 6 1/2 sh. Dus het totale product = 26 sh. = 4 bushels. Evenveel als vroeger. De waarde van het kapitaal nam toe van 13 tot 18 3/2 sh. De waarde van de arbeid verminderde van 13 tot 6 1/2; de materiële productie nam toe van 2 bushels tot 4. Nu 18 3/2. Als nu de productiekracht ook in de goudproductie zou verdubbelen, zodat, als 13 sh. het product was van een halve werkdag en deze halve dag was vroeger de noodzakelijke arbeid; dan produceert 1/4 [werkdag] 52 sh. of 52 – 13 = 39 sh. meer. 1 bushel tarwe is nu = 13 sh.; nog steeds dezelfde fractionele prijs; maar het totale product = 52 sh.; vroeger slechts = 26 sh. Maar aan de andere kant, tegen 52 sh. koopt men nu 4 bushels, terwijl vroeger tegen 26, men er 2 kocht.

Goed. Allereerst is het duidelijk dat als het kapitaal de surplusarbeid al zodanig heeft vermeerderd dat de hele levende arbeidsdag in het productieproces wordt verbruikt (en hier nemen we de arbeidsdag als de natuurlijke hoeveelheid arbeidstijd die de arbeider ter beschikking kan stellen; hij stelt zijn arbeidsvermogen altijd maar voor een bepaalde tijd, dus bepaalde arbeidstijd, ter beschikking), dan kan de toename van de productiekracht de arbeidstijd niet vermeerderen, dus ook niet de geobjectiveerde arbeidstijd. Een arbeidsdag wordt in het product geobjectiveerd, ongeacht of de noodzakelijke arbeidstijd zes of drie uur, 1/2 of 1/4 van de arbeidsdag bedraagt. De meerwaarde van het kapitaal is gegroeid, d.w.z. zijn waarde in verhouding tot de arbeider – want als het vroeger = 2/4 was, is het nu = 3/4 geobjectiveerde arbeidstijd; maar zijn waarde is gegroeid, niet omdat de absolute, maar de relatieve hoeveelheid arbeid is gegroeid; d.w.z. niet de totale hoeveelheid arbeid is gegroeid; er wordt nog steeds een dag gewerkt; vandaar geen absolute toename van de surplus-tijd (surplusarbeidstijd); maar de hoeveelheid noodzakelijke arbeid is afgenomen, en daardoor is de relatieve surplusarbeid toegenomen. In feite werkte de arbeider vroeger de hele dag, maar met een 1/2 dag surplustijd; hij werkt nu nog steeds de hele dag, maar met 3/4 dag surplustijd. In dit opzicht is de prijs (ervan uitgaande dat de waarde van goud en zilver gelijk is gebleven) of de ruilwaarde van het kapitaal niet gestegen door de verdubbeling van de productiekracht. Het gaat hier dus om de winstvoet, niet om de prijs van het product of de waarde van het kapitaal, dat in het product opnieuw een waar is geworden. In feite echter stijgen ook de absolute waarden op deze wijze, omdat dat deel van de rijkdom toeneemt dat als kapitaal – als zelf-valoriserende waarde – zo functioneert. (Accumulatie van kapitalen.) Neem ons eerdere voorbeeld. Het kapitaal = 100 taler [een taler is een oude Duitse en Oostenrijkse zilveren munt], en in het productieproces valt het uiteen in de volgende delen: 50 taler katoen, 40 taler arbeidsloon, 10 taler instrument. Veronderstel tegelijkertijd, om de berekening te vereenvoudigen, dat het gehele arbeidsinstrument in één productiehandeling wordt verbruikt (dit maakt hier geen verschil), dat de waarde ervan aldus volledig terugkomt in de vorm van het product. In dit geval veronderstellen wij dat de arbeid, in ruil voor de 40 taler, staan voor een arbeidstijd, uitgedrukt in het levende arbeidsvermogen, van zeg 4 uur, wat aan het kapitaal 8 uur geeft. Uitgaande van het instrument en het materiaal zou het totale product 100 taler bedragen als de arbeider slechts 4 uur zou werken, d.w.z. als het materiaal en het instrument hem toebehoorden en hij slechts 4 uur zou werken. Hij zou de 60 taler vermeerderen met 40, die hij kan consumeren, omdat hij eerst de 60 taler – materiaal en instrument benodigd voor de productie – vervangt en er een meerwaarde van 40 taler aan toevoegt voor reproductie van zijn eigen levende arbeid, of de in hem geobjectiveerde tijd. Hij kon het werk steeds opnieuw beginnen, omdat hij in het productieproces zowel de waarde van het materiaal en het instrument als het arbeidsvermogen had gereproduceerd, en dit laatste door de waarde van het eerste voortdurend te verhogen met 4 uur geobjectiveerde arbeid. Nu echter zou hij de 40 taler arbeidsloon alleen ontvangen door 8 uur te werken en dus aan het arbeidsmateriaal en het instrument, die nu tegenover hem als kapitaal staan, een meerwaarde van 80 taler geven; terwijl de eerste meerwaarde van 40 taler, die hij hun gaf, precies de waarde is van zijn arbeid. Hij zou dus een meerwaarde toevoegen die exact = aan de surplusarbeid of surplustijd.

{Het is niet in het minst nodig om op dit punt aan te nemen dat het materiaal en het instrument ook moeten toenemen samen met de surplusarbeid of surplustijd. Hoe surplusarbeid uit zichzelf de grondstof doet toenemen, zie Babbage, bv. de bewerking van gouddraad enz.}

De waarde van het kapitaal zou aldus worden verhoogd van 100 tot 140 taler.

{Veronderstel verder dat de grondstof verdubbelt en het arbeidsinstrument toeneemt (om eenvoudig te rekenen) [in dezelfde verhouding]. Dan zouden de kapitaaluitgaven nu 100 taler bedragen voor katoen, 20 voor het instrument, dus 120 taler, en voor arbeid nog eens 40 taler; alles bij elkaar 160 taler. Als de surplusarbeid van 4 uur 100 taler met 40 % doet toenemen, neemt 160 taler toe met 64 taler. Dus het totale product = 224 taler. Hier wordt verondersteld dat de winstvoet gelijk blijft met de omvang van het kapitaal en dat het arbeidsmateriaal en instrument niet zelf reeds worden beschouwd als realisaties van de surplusarbeid, kapitalisatie van surplusarbeid; zoals we hebben gezien, hoe groter de reeds vastgestelde surplustijd, d.w.z. de omvang van het kapitaal als zodanig, des te meer wordt verondersteld dat absolute toename van de arbeidstijd onmogelijk is en relatief door toename van de productiekracht die in geometrische verhouding afneemt.

Nu zou het kapitaal, beschouwd als eenvoudige ruilwaarde, absoluut groter zijn, 140 taler in plaats van 100; maar in feite zou er slechts een nieuwe waarde zijn gecreëerd, d.w.z. een waarde die niet alleen nodig is ter vervanging van de 60 taler aan voorschotten voor het materiaal en het arbeidsinstrument en de 40 taler voor de arbeid, een nieuwe waarde van 40 taler. De in circulatie zijnde waarden zouden zijn verhoogd met 40 taler, en de geobjectiveerde arbeidstijd met 40 taler.

Nemen we nu dezelfde voorwaarden. 100 taler kapitaal, te weten 50 voor katoen, 40 taler voor arbeid, 10 voor productie-instrumenten; en de surplusarbeidstijd blijft dezelfde zoals in het vorige geval, namelijk 4 uur en de totale arbeidstijd 8 uur. Het product is dus in alle gevallen = 8 uur arbeidstijd = 140 taler. Stel nu dat de productiekracht van de arbeid verdubbelt, d.w.z. dat de arbeider aan 2 uur genoeg heeft om het materiaal en instrument te gebruiken in de mate die nodig is om zijn arbeidscapaciteit in stand te houden. Als 40 taler de geobjectiveerde arbeidstijd in zilver van 4 uur was, dan zal 20 taler de geobjectiveerde arbeidstijd van 2 uur zijn. Deze 20 taler drukken nu dezelfde gebruikswaarde uit als vroeger de 40 taler. De ruilwaarde van de arbeidscapaciteit is met de helft verminderd, omdat de helft van de oorspronkelijke arbeidstijd dezelfde gebruikswaarde creëert, maar de ruilwaarde van de gebruikswaarde wordt louter afgemeten aan de erin geobjectiveerde arbeidstijd. De kapitalist laat de arbeider echter nog steeds 8 uur werken en zijn product vertegenwoordigt dus nog steeds een arbeidstijd van 8 uur = 80 taler arbeidstijd, terwijl de waarde van materiaal en instrument hetzelfde is gebleven, namelijk 60 taler; samen, zoals voorheen, 140 taler. (De arbeider zelf zou slechts een waarde van 20 taler hebben moeten toevoegen aan de 60 taler materiaal en instrument om te kunnen leven; hij zou dus slechts een waarde van 80 taler hebben gecreëerd. De totale waarde van zijn product zou door verdubbeling van de productie van 100 tot 80, met 20 taler, d.w.z. met 1/5 van 100 = 20 % verminderd zijn.) Maar de surplustijd of surpluswaarde van het kapitaal is nu 6 uur in plaats van 4, of 60 taler in plaats van 40. De toename is 2 uur, 20 taler. Zijn rekening zou nu zijn: voor materiaal 50, voor arbeid 20, voor instrument 10; onkosten = 80 taler. Winst = 60 taler. Hij zou het product nog steeds tegen 140 taler verkopen, maar 60 taler winst maken in plaats van 40 taler. Enerzijds brengt hij dus dezelfde ruilwaarde in circulatie als voorheen, 140 taler. De meerwaarde van zijn kapitaal is echter met 20 taler gestegen. Daarna komt alleen nog het aandeel dat hij heeft in de 140 taler, zijn winstvoet. De arbeider heeft in feite 2 uur langer gratis voor hem gewerkt, namelijk 6 uur in plaats van 4, en dat is voor hem hetzelfde alsof hij 10 uur in plaats van 8 had gewerkt volgens de vroegere verhouding, en zijn absolute arbeidstijd had verhoogd.

Maar in feite is er ook een nieuwe waarde ontstaan, namelijk 20 taler meer, als een zelfstandige waarde, als geobjectiveerde arbeid, vrij geworden, bevrijd van het dienen als ruilmiddel voor de vroegere arbeidskracht. Dit kan op twee manieren worden voorgesteld. Ofwel zetten de 20 taler evenveel meer arbeid in beweging als het kapitaal wordt en er een grotere ruilwaarde wordt gecreëerd: meer geobjectiveerde arbeid wordt het uitgangspunt van het nieuwe productieproces; ofwel ruilt de kapitalist de 20 taler als geld tegen andere waren dan nodig voor zijn productie als industrieel kapitaal; alle andere waren dan arbeid en geld worden dus geruild tegen 20 taler meer; tegen 2 uur meer geobjectiveerde arbeidstijd. Hun ruilwaarde is dus gelijk met dit vrijgekomen bedrag gestegen. In feite zijn 140 taler, 140 taler, zoals de zeer “scherpzinnige” Franse redacteur van de fysiocraten opmerkt tegen Boisguillebert. Maar het is onjuist dat deze 140 taler alleen maar meer gebruikswaarde vertegenwoordigen; zij vertegenwoordigen een groter deel van de zelfstandige ruilwaarde, van het geld, van het latente kapitaal; dat wil zeggen, de als rijkdom gestelde rijkdom. De economen geven dit later zelf toe wanneer zij erkennen dat de accumulatie van kapitalen niet alleen de hoeveelheid gebruikswaarden, maar ook die van de ruilwaarden laat accumuleren; omdat, volgens Ricardo, het element van de accumulatie van kapitalen evengoed wordt bepaald door de relatieve surplusarbeid – wat niet anders kan – als door de absolute.

Anderzijds zit het reeds in Ricardo’s, best ontwikkelde, eigen stelling, dat deze overtollige 20 taler, ontstaan door de toename van de productiekracht, weer kapitaal kunnen worden. Van de 140 taler konden er eerder weer 40 nieuw kapitaal worden (het verbruik van het kapitaal voorlopig buiten beschouwing gelaten); 100 werden geen kapitaal, maar bleven kapitaal; nu [is] 60 [mogelijk], dus is er een groter kapitaal met een ruilwaarde van 20 taler. De ruilwaarde, de rijkdom als zodanig, is dus toegenomen, hoewel de totale som ervan nog niet direct is toegenomen. Waarom is het toegenomen? Omdat dat deel van de totale som is toegenomen dat niet louter een circulatiemiddel was, maar geld; of dat niet louter een equivalent was, maar een ruilwaarde voor zichzelf [für sich seiender Tauschwert]. Ofwel de 20 vrijgekomen taler worden als geld geaccumuleerd, d.w.z. in de abstracte vorm van ruilwaarde toegevoegd aan de bestaande ruilwaarden; of ze circuleren allemaal, en dan stijgen de prijzen van de waren die ermee gekocht worden; zij vertegenwoordigen allemaal meer goud, meer geobjectiveerde arbeid, en aangezien de productiekosten van het goud niet zijn gedaald (maar veeleer zijn gestegen in verhouding tot het goed dat wordt geproduceerd met het kapitaal dat productiever is geworden) (dit leidt ertoe dat het overschot dat eerst aan de kant van het ene producerende kapitaal verscheen, nu aan de kant van de anderen verschijnt die de duurder geworden waren produceren); of de 20 taler worden rechtstreeks als kapitaal gebruikt door het oorspronkelijk circulerende kapitaal. Aldus stelt zich een nieuw kapitaal van 20 taler – een som van een zichzelf in stand houdende en valoriserende rijkdom. Het kapitaal is verhoogd met de ruilwaarde van 20 taler.

(De circulatie houdt ons hier nog niet bezig, daar wij hier te doen hebben met kapitaal in het algemeen en de circulatie slechts kan bemiddelen tussen de kapitaalvorm in geld en zijn vorm als kapitaal; het eerste kapitaal kan het geld als zodanig realiseren, d.w.z. het ruilen tegen waren, die het nu meer verbruikt dan vroeger; in handen van de producent van deze waren wordt dit geld echter kapitaal. Het wordt dus direct kapitaal in de handen van het eerste kapitaal of, met een omweg, van een ander kapitaal. Maar het andere kapitaal is altijd kapitaal als zodanig; en we hebben hier te maken met kapitaal als zodanig, laten we zeggen het kapitaal van de hele maatschappij. De verscheidenheid enz. van de kapitalen houdt ons nog niet bezig.)

Deze 20 taler kunnen alleen in een dubbele vorm verschijnen. Als geld, zodat het kapitaal weer bestaat in de definitie van geld dat nog geen kapitaal is – zijn uitgangspunt; de abstract-zelfstandige vorm van ruilwaarde of algemene rijkdom; of zelf weer als kapitaal, als de nieuwe dominantie van geobjectiveerde arbeid over levende arbeid. {In het gegeven voorbeeld is de productiekracht verdubbeld, met 100 % gestegen, de waarde van het kapitaal is met 20 % gestegen.} (Iedere toename van de hoeveelheid aangewend kapitaal kan de productiekracht niet alleen rekenkundig, maar ook meetkundig doen toenemen; terwijl de winst – als vermeerdering van de productiekracht – slechts in een veel kleinere verhouding kan toenemen. Het effect van de toename van het kapitaal op de toename van de productiekracht is dus oneindig veel groter dan dat van de toename van de productiekracht op de groei van het kapitaal). Als algemene rijkdom, gematerialiseerd in de vorm van geld (de abstractie van het ding) of nieuwe levende arbeid.

Van de 140 taler verbruikt de kapitalist er 20 als gebruikswaarde voor zichzelf door middel van geld als circulatiemiddel. In de eerste veronderstelling kon hij het proces van zelf-valorisatie dus alleen beginnen met een groter kapitaal, met een grotere ruilwaarde van 120 taler (tegen 100). Na de verdubbeling van de productiekrachten kan hij het doen met 140 taler, zonder zijn consumptie te beperken. Een groot deel van de ruilwaarde blijft ruilwaarde in plaats van te verdwijnen in gebruikswaarde (kan zich op deze wijze rechtstreeks hechten of door bemiddeling van de productie). Meer kapitaal creëren betekent meer ruilwaarde creëren, hoewel de ruilwaarde in haar onmiddellijke vorm als eenvoudige ruilwaarde niet is toegenomen door de groei van de productiviteit, is zij dat wel in haar potentiële vorm als kapitaal. Dit grotere kapitaal van 140 taler vertegenwoordigt in absolute termen meer geobjectiveerde arbeid dan het vroegere kapitaal van 120 taler.

Het brengt dus ook, op zijn minst proportioneel, meer levende arbeid in beweging en reproduceert dus uiteindelijk ook een grotere eenvoudige ruilwaarde. Het kapitaal van 120 taler tegen 40 % leverde een product of eenvoudige ruilwaarde op van 60 taler tegen 40 %; het kapitaal van 140 taler een eenvoudige ruilwaarde [van] 64 taler. Hier wordt dus de toename van de ruilwaarde in de vorm van kapitaal ook rechtstreeks gesteld als een toename van de ruilwaarde in de eenvoudige vorm.

Dit is heel belangrijk. Het is onvoldoende te zeggen, zoals Ricardo doet, dat de ruilwaarde niet toeneemt: d.w.z. de abstracte vorm van rijkdom; maar alleen de ruilwaarde als kapitaal. Hij heeft alleen het oorspronkelijke productieproces voor ogen. Maar als de relatieve surplusarbeid toeneemt – en het kapitaal dus absoluut toeneemt – dan is er noodzakelijkerwijs ook een toename binnen de circulatie van de relatieve ruilwaarde die bestaat als ruilwaarde, het geld als zodanig, en dus, door bemiddeling van het productieproces, de absolute ruilwaarde. Met andere woorden, van dezelfde hoeveelheid ruilwaarde – of geld – en in deze eenvoudige vorm verschijnt het product van het valorisatieproces – ([als] meerwaarde is dat product alleen met betrekking tot het kapitaal, de waarde zoals die bestond vóór het productieproces; voor zichzelf, beschouwd als een zelfstandig bestaan, is het slechts een kwantitatief bepaalde ruilwaarde) – is een deel vrijgekomen dat niet bestaat als equivalent voor de bestaande ruilwaarden of zelfs voor bestaande arbeidstijd. Ruilt het zich tegen het aanwezige, geeft het geen equivalent, maar méér dan een equivalent, en maakt dus een deel van de ruilwaarde vrij aan hun kant. Zonder woeling [Ruhe] kan deze vrijgekomen ruilwaarde, waarmee de maatschappij zich verrijkt, alleen geld zijn; dan wordt alleen de abstracte vorm van rijkdom vergroot; in beroering [bewegt] – kan het alleen gerealiseerd worden in nieuwe levende arbeid (zij het dat tot dan toe slapende arbeid in beweging wordt gebracht, of dat er nieuwe arbeiders komen (door snelle bevolkingstoename), of dat een nieuwe sfeer [Kreis] van ruilwaarden, van circulerende ruilwaarden, wordt uitgebreid, wat aan de kant van de productie kan gebeuren doordat de vrijgekomen ruilwaarde een nieuwe bedrijfstak opent, d.w.z. nieuwe ruilobjecten, geobjectiveerde arbeid in de vorm van nieuwe gebruikswaarden; of dat hetzelfde wordt bereikt door geobjectiveerde arbeid in circulatie te brengen in een nieuw land door uitbreiding van de handel). Dit moet dus gerealiseerd [geschaffen] worden.

De vorm waarin Ricardo de zaak voor zichzelf probeert te verduidelijken (en hij is hier zeer onduidelijk) zegt in wezen niet meer dan dat hij slechts een bepaalde verhouding introduceert, in plaats van eenvoudigweg te zeggen dat uit dezelfde som van eenvoudige ruilwaarden een kleiner deel zich voordoet in de vorm van eenvoudige ruilwaarden (equivalenten) en een groter deel in de vorm van geld (geld als de oorspronkelijke, antediluviaanse vorm waaruit kapitaal altijd weer opnieuw ontstaat; geld in zijn karakter als geld, niet als munt, enz.); dat daarom het deel dat als ruilwaarde voor zichzelf, d.w.z. als waarde wordt gesteld, toeneemt, d.w.z. rijkdom in de vorm van rijkdom (terwijl hij juist tot de onjuiste conclusie komt dat zij alleen toeneemt in de vorm van materiële, fysieke rijkdom als gebruikswaarde). De totstandkoming van de rijkdom als zodanig, voor zover zij niet uit de rente voortvloeit, d.w.z. volgens hem niet uit de toename van de productiekracht, maar omgekeerd uit de afname daarvan, is voor hem dan ook volstrekt onbegrijpelijk, en hij verstrikt zich in de meest verbijsterende tegenstrijdigheden. Laten we de zaak naar zijn vorm bekijken. Een kapitaal van 1000 zet 50 arbeiders in beweging; of 50 levende arbeidsdagen; door de productiekracht te verdubbelen kan het 100 arbeidsdagen in beweging zetten. Maar deze bestaan niet in de vooronderstelling en worden willekeurig ingebracht, omdat hij anders – als er niet meer echte arbeidsdagen bijkomen – de toename van de ruilwaarde door de verhoogde productiviteit niet begrijpt. Anderzijds wordt de groei van de bevolking als element van de toename van de ruilwaarde bij hem nergens ontwikkeld; zelfs nergens duidelijk en definitief tot uitdrukking gebracht. De juiste consequentie, die hij ook trekt (zie het notitieboek): 500 kapitaal met 25 arbeiders kan dezelfde gebruikswaarde produceren als voorheen; de andere 500 met de andere 25 arbeiders richten een nieuwe onderneming op en produceren ook een ruilwaarde van 500. De winst blijft hetzelfde, want zij komt niet tot stand door de ruil van 500 tegen 500, maar door het percentage waarin winst en arbeidsloon zich oorspronkelijk in de 500 verdelen, en de ruil is veeleer die van equivalenten, die even weinig als in de buitenlandse handel, waar Ricardo dit uitdrukkelijk ontwikkelt, de waarde kunnen verhogen. Aangezien de ruil van equivalenten niets anders betekent dan dat de waarde in de hand van A vóór de ruil met B, nog steeds bestaat na de ruil met B. De totale waarde of rijkdom is dezelfde gebleven. Maar de gebruikswaarde of substantie van rijkdom is verdubbeld. Nu is er absoluut geen reden waarom de rijkdom als rijkdom, de ruilwaarde als zodanig, zou groeien – mits de toename van de productiekracht in aanmerking wordt genomen. Als de productiekrachten in beide takken weer verdubbelen, dan kan kapitaal a weer splitsen in 250 met 12 1/2 arbeidsdagen en ook kapitaal b 250 met 12 1/2 arbeidsdagen. Er bestaan nu vier kapitalen met dezelfde ruilwaarde van £1000, en zij consumeren samen 50 levende arbeidsdagen {het is principieel onjuist te zeggen dat levende arbeid kapitaal consumeert, het kapitaal (de geobjectiveerde arbeid) verbruikt de levende in het productieproces} en produceren een viervoudige gebruikswaarde als vóór de verdubbeling van de consumptie-waarden. Ricardo is te klassiek om absurditeiten te begaan, zoals degenen die beweren hem te verbeteren, die de grotere waarde na de toename van de productiekracht afleiden uit de verkoop door één partij tegen een hogere prijs in de circulatie. In plaats van het kapitaal van 500, zodra het een waar, een eenvoudige ruilwaarde is geworden, te ruilen tegen 500, er geruild wordt tegen 550 (tegen 10 %), maar dan ontvangt de ander in ruilwaarde blijkbaar slechts 450 in plaats van 500, en de totale som blijft nog steeds 1000. Dit gebeurt vaak genoeg in de handel, maar verklaart alleen de winst van het ene kapitaal door het verlies van het andere kapitaal, d.w.z. niet de winst van het kapitaal, en zonder deze voorwaarde bestaat er noch aan de ene, noch aan de andere kant winst.

Het proces van Ricardo kan dus doorgaan zonder dat er een andere limiet is dan de toename van de productiekracht (en dit is weer materieel, aanvankelijk buiten de economische verhoudingen), dat kan gebeuren met een kapitaal van 1000 en 50 arbeiders. Zie het volgende:

“Kapitaal is dat deel van de rijkdom van een land dat wordt aangewend met het oog op toekomstige productie, en dat op dezelfde wijze kan worden vermeerderd als rijkdom.”

(Rijkdom is bij hem namelijk de overvloed aan gebruikswaarden, en vanuit het standpunt van de eenvoudige ruil kan dezelfde geobjectiveerde arbeid zich in onbeperkte gebruikswaarden uitdrukken en blijft altijd dezelfde ruilwaarde zolang zij dezelfde hoeveelheid geobjectiveerde arbeid blijft, want haar equivalent wordt niet afgemeten aan de hoeveelheid gebruikswaarden waarin zij bestaat, maar aan haar eigen hoeveelheid).

“Een bijkomend kapitaal zal even doeltreffend zijn voor de vorming van toekomstige rijkdom, of deze nu wordt verkregen door de perfectionering van vaardigheden of machines, of door een productiever gebruik van meer inkomsten; want rijkdom” (gebruikswaarde) “hangt altijd af van de hoeveelheid geproduceerde waren” (ook enigszins van hun verscheidenheid, schijnt het) “zonder acht te slaan op het gemak waarmee de bij de productie gebruikte werktuigen gemaakt zijn” (d.w.z. de arbeidstijd die erin is geobejectiveerd). “Een bepaalde hoeveelheid kleding en proviand zal hetzelfde aantal mannen onderhouden en in dienst houden; maar zij zullen een dubbele waarde hebben” (ruilwaarde) “als er 200 zijn gebruikt voor de productie ervan.”

Als door toename van de productiekracht, 100 evenveel gebruikswaarde produceren als 200 vroeger, dan:

“Indien de helft van de 200 wordt ontslagen, produceren de resterende 100 evenveel als vroeger de 200. De helft van het kapitaal kan dus aan de bedrijfstak worden onttrokken; evenveel kapitaal komt vrij voor arbeid. En aangezien de ene helft van het kapitaal dezelfde dienst bewijst als vroeger het gehele, zijn er nu twee kapitalen gevormd, enz.” (cf. 39, 40 ibid. over de internationale handel, waarop wij moeten terugkomen).

Ricardo heeft het hier niet over de arbeidsdag; [het feit] dat, als de kapitalist eerder de helft van een geobjectiveerde arbeidsdag tegen de hele levende arbeidsdag van de arbeider heeft geruild, [hij] dus in feite slechts een halve levende arbeidsdag wint, omdat hij de andere helft in geobjectiveerde vorm aan de arbeider geeft, en deze van hem in levende vorm verkrijgt, d.w.z. hij betaalt de arbeider de helft van de arbeidsdag, in plaats van in de vorm van gelijktijdige arbeidsdagen, d.w.z. van verschillende arbeiders; dit verandert niets aan de zaak, alleen de uitdrukking ervan. Elk van deze arbeidsdagen levert zoveel meer surplustijd op. Had de kapitalist vroeger de arbeidsdag als limiet, nu heeft hij 50 arbeidsdagen, enz. Zoals gezegd, in deze vorm impliceert de toename van de kapitalen door productiviteit geen toename van de ruilwaarden, en volgens Ricardo zou de bevolking, vastgesteld op 10.000.000, dus ook kunnen dalen tot 10.000 zonder dat de ruilwaarde of de hoeveelheid gebruikswaarden vermindert (zie het einde van zijn boek).

Wij zijn de laatsten om te ontkennen dat het kapitaal tegenstellingen bevat. Ons doel is eerder om ze volledig te verhelderen [entwickeln]. Ricardo echter, verheldert ze niet, maar ontdoet zich ervan door de ruilwaarde te beschouwen als onverschillig voor de vorming van rijkdom. D.w.z., hij stelt dat in een maatschappij die gebaseerd is op ruilwaarde, en de rijkdom die uit deze waarde voortkomt, de tegenstellingen waartoe deze vorm van rijkdom wordt gedreven met de ontwikkeling van de productiekrachten enz. niet bestaan, en dat een toename van de waarde in een dergelijke maatschappij niet noodzakelijk is om de vooruitgang van de rijkdom veilig te stellen, bijgevolg dat de waarde als vorm van rijkdom in het geheel geen invloed heeft op die rijkdom zelf en haar ontwikkeling, d.w.z., hij beschouwt de ruilwaarde als louter formeel. Maar nu valt het hem weer te binnen 1. dat het de kapitalisten om de waarde gaat, 2. dat historisch gezien met de vooruitgang van de productiekrachten (en ook van de internationale handel, zou hij moeten denken) de rijkdom als zodanig, d.w.z. de waardesom toeneemt. Hoe is dit te verklaren? De kapitalen accumuleren sneller dan de bevolking; daardoor stijgen de lonen; daardoor de bevolking; daardoor de graanprijzen; daardoor productiemoeilijkheden en dus de ruilwaarden. Uiteindelijk komen we hier terecht via een omweg. We laten hier de stap [moment] van de rente geheel buiten beschouwing, daar het niet gaat om een grotere productiemoeilijkheid, maar omgekeerd, om de groei van de productiekrachten. Met de accumulatie van kapitalen stijgt het loon, als niet tegelijkertijd de bevolking groeit; de arbeider trouwt, de productie [van kinderen] wordt gestimuleerd, of zijn kinderen leven beter, sterven niet vroegtijdig, enz. Kortom, de bevolking groeit. De groei ervan brengt echter concurrentie onder de arbeiders teweeg en dwingt de arbeider aldus zijn arbeidskracht [Arbeitsvermögen] weer aan de kapitalist te verkopen tegen de waarde ervan of, voorlopig, zelfs daaronder. Nu heeft het geaccumuleerde kapitaal, dat intussen langzamer is gegroeid, de beschikking over het surplus, dat het vroeger in de vorm van lonen, dus als muntgeld, uitgaf om de gebruikswaarde van de arbeid te kopen, weer als geld, om het als kapitaal in de levende arbeid te valoriseren, en omdat het nu ook de beschikking heeft over een grotere hoeveelheid arbeidsdagen, groeit zijn ruilwaarde weer.

(Zelfs dit is bij Ricardo niet goed uitgewerkt, maar wordt verward met de rentetheorie; aangezien het surplus dat het kapitaal eerder verloor in de vorm van lonen, het nu verliest in de vorm van rente, als gevolg van de groei van de bevolking.) Maar zelfs de groei van de bevolking is niet helemaal begrijpelijk in zijn theorie. Nergens heeft hij uitgewerkt dat er een immanente verhouding bestaat tussen het geheel van de in het kapitaal geobjectiveerde arbeid en de levende arbeidsdag (of men nu deze voorstelt als een arbeidsdag van 50 x 12 uur of als de twaalf-urige arbeid van 50 arbeiders is voor de verhouding hetzelfde) en dat deze immanente verhouding de verhouding is tussen het breukdeel van de levende arbeidsdag, of die tussen het equivalent van de geobjectiveerde arbeid waarmee de arbeider wordt betaald, en de levende arbeidsdag; waarbij het geheel de dag zelf is, en de immanente verhouding de variabele verhouding is (de dag zelf is een constante grootte) tussen het breukdeel van de noodzakelijke arbeidsuren en de uren van de surplusarbeid. En juist omdat hij deze verhouding niet heeft ontwikkeld, heeft hij ook niet ontwikkeld (dat ons tot nu toe niet aanging, omdat wij ons met het kapitaal als zodanig bezighielden en de ontwikkeling van de productiekrachten als een externe verhouding invoerden): dat de ontwikkeling van de productiekrachten zelf zowel de toename van het kapitaal als de toename van het aantal gelijktijdige werkdagen veronderstelt, die echter binnen de gegeven barrière van een kapitaal dat één werkdag in beweging brengt (ook al is het een dag van 50 × 12 uur, 600 uur), zelf de barrière is voor de ontwikkeling van zijn productiekracht.

Het loon omvat niet alleen de arbeider, maar ook zijn reproductie; zodat wanneer dit exemplaar van de arbeidersklasse sterft, een ander hem vervangt; wanneer de 50 arbeiders dood zijn, zijn er 50 nieuwe om hen te vervangen. Die 50 arbeiders – als levende arbeidskrachten – vertegenwoordigen niet alleen de kosten van hun eigen productie, maar ook de kosten die aan hun ouders moesten worden betaald via hun lonen als individuen, om zich opnieuw te vormen tot 50 nieuwe individuen. De bevolking gaat er dus op vooruit, zelfs zonder loonsverhoging. Waarom gaat het nu niet snel genoeg? En moet het speciale stimulansen krijgen? Omdat het kapitaal niet gediend is met het louter verkrijgen van meer “rijkdom” in de Ricardiaanse zin, maar omdat het meer waarde wil afdwingen, meer geobjectiveerde arbeid. Maar volgens hem kan hij dit laatste alleen afdwingen als de lonen dalen, d.w.z. als voor hetzelfde kapitaal met geobjectiveerde arbeid meer levende arbeidsdagen worden geruild, en dus een grotere waarde wordt gecreëerd. Om het loon te doen dalen, veronderstelt hij een toename van de bevolking. En om de toename van de bevolking te bewijzen, veronderstelt hij dat de vraag naar arbeidsdagen toeneemt, met andere woorden dat het kapitaal meer geobjectiveerde arbeid kan kopen (geobjectiveerd in arbeidskracht [arbeitsvermögen]), dat dus de waarde ervan is toegenomen. Maar hij ging oorspronkelijk uit van de tegenovergestelde premisse en maakte een omweg alleen omdat hij daarvan uitging. Als met £1.000, 500 arbeidsdagen kunnen worden gekocht, en de productiekracht groeit, kan het ofwel de 500 blijven inzetten in dezelfde bedrijfstak, ofwel ze splitsen en 250 aanwenden in de ene, en 250 in de andere, zodat het kapitaal ook splitst in 2 kapitalen van 500. Maar het kan nooit meer dan 500 arbeidsdagen commanderen, omdat anders, volgens Ricardo, niet alleen de gebruikswaarde die zij produceert, maar ook haar ruilwaarde moet vermenigvuldigen, de geobjectiveerde arbeidstijd waarover het commandeert. Uitgaande van deze veronderstelling kan er dus geen grotere vraag naar arbeid zijn. Maar als dat wel gebeurt, is de ruilwaarde van het kapitaal gestegen. Vgl. Malthus over waarde, die de tegenstellingen aanvoelt, maar er niet in slaagt ze uit te werken.

Wij hebben steeds alleen gesproken over de twee elementen van het kapitaal, de twee delen van de levende arbeidsdag, waarvan het ene het loon vertegenwoordigt en het andere de winst, het ene de noodzakelijke arbeid en het andere de surplusarbeid. Waar zijn dan de andere twee delen van het kapitaal, gerealiseerd in het materiaal en het arbeidsinstrument? Wat het eenvoudige productieproces betreft, veronderstelt arbeid het bestaan van een instrument, dat de arbeid verlicht, en van het materiaal, dat er vorm aan geeft. Deze vorm geeft het gebruikswaarde. In de ruil wordt deze gebruikswaarde een ruilwaarde, voor zover zij geobjectiveerde arbeid bevat. Maar als bestanddelen van kapitaal zijn het waarden die arbeid moet vervangen? Dus in bovenstaand voorbeeld (en dergelijke bezwaren worden massaal tegen Ricardo ingebracht; hij beschouwt alleen winst en lonen als componenten van de productiekosten, niet de machine en het materiaal) lijkt het erop dat als het kapitaal 100 is, verdeeld [in] 50 voor katoen, 40 voor arbeidsloon, 10 voor instrument; en het loon van 40 taler = 4 uur geobjectiveerde arbeid, het kapitaal nu 8 uur laat werken, de arbeider, die 40 taler zou moeten reproduceren voor loon, 40 taler surplustijd (winst), 10 taler instrument, 50 taler katoen = 140 taler, reproduceert slechts 80 taler. Want 40 taler zijn het product van een halve dag arbeid, 40 de andere surplus-helft. Maar 60 taler is de waarde van de andere twee componenten van het kapitaal. Aangezien het werkelijke product van de arbeider 80 taler is, kan hij er slechts 80 reproduceren, geen 140. Hij zou eerder de waarde van de 60 hebben verminderd; aangezien van de 80 er 40 een substituut zijn voor zijn arbeidsloon en de andere 40 surplusarbeid [met] 20 minder dan 60. In plaats van een winst van 40, zou de kapitalist een verlies van 20 hebben op zijn oorspronkelijke deel van het kapitaal, dat bestaat uit instrument en materiaal.

Hoe moet de arbeider 60 taler aan waarde produceren naast de 80, aangezien de ene helft van zijn arbeidsdag, zoals uit zijn loon blijkt, slechts 40 taler oplevert met instrument en materiaal; de andere helft hetzelfde; en hij slechts één arbeidsdag heeft, en in één arbeidsdag geen twee arbeidsdagen kan werken. Stel de 50 taler materiaal = x pond katoengaren; 10 taler instrument = spindel. [Hier en in de volgende tekst moet weefgetouw gelezen worden in plaats van spindel, aangezien het gaat om de productie van weefsel.] Wat de gebruikswaarde betreft, is het duidelijk dat, indien het katoen niet reeds de vorm van garen had, en het hout en ijzer dat van de spil, de arbeider geen weefsel, geen hogere gebruikswaarde zou kunnen voortbrengen. Voor hem zijn zelfs in het productieproces de 50 taler en de 10 taler niets anders dan garen en spindel, geen ruilwaarden. Zijn arbeid heeft ze een hogere gebruikswaarde gegeven en er een hoeveelheid geobjectiveerde arbeid van 80 taler aan toegevoegd, namelijk 40 taler, waarin hij zijn arbeidsloon, 40 surplustijd, reproduceert. De gebruikswaarde – het weefsel – bevat een dag arbeid meer, waarvan echter slechts de ene helft het deel van het kapitaal vervangt, terwijl de beschikking over de arbeid wordt geruild. De geobjectiveerde arbeidstijd, die in garen en spindel besloten ligt en deel uitmaakt van de waarde van het product, is niet door de arbeider gecreëerd; voor hem waren en bleven zij materiaal waaraan hij een andere vorm gaf en nieuwe arbeid besteedde. De enige voorwaarde is dat hij ze niet verspilde, en dat deed hij niet voor zover zijn product een gebruikswaarde had en een hogere gebruikswaarde als voorheen. Het bevat nu twee delen geobjectiveerde arbeid – zijn arbeidsdag en dat wat reeds vervat zit in zijn materiaal, garen en spindel, onafhankelijk van hem en vóór zijn arbeid. De tevoren geobjectiveerde arbeid was de voorwaarde van zijn arbeid; zij maakte de arbeid mogelijk, het kostte hem niets. Veronderstel dat zij niet reeds waren verondersteld als bestanddelen van het kapitaal, als waarden, en hem niets hadden gekost. De waarde van het product zou dus, als hij een hele dag had gewerkt, 80 zijn, als hij een halve dag had gewerkt 40 taler. Het zou slechts = één geobjectiveerde werkdag. Inderdaad, zij kosten hem niets aan productie; dit vernietigt echter niet de daarin geobjectiveerde arbeidstijd, die blijft en krijgt slechts een andere vorm. Als de arbeider niet alleen het weefsel, maar ook het garen en de spindel op dezelfde arbeidsdag had moeten maken, zou het proces in feite onmogelijk zijn geweest. Het feit dus, dat zij noch als gebruikswaarde in hun oorspronkelijke vorm, noch als ruilwaarde zijn arbeid vereisen, maar voorhanden zijn, maakt het mogelijk dat de toevoeging van een arbeidsdag door hem een product voortbrengt met een waarde die hoger is dan één arbeidsdag. Hij creëert dit echter in zoverre hij niet die extra arbeidsdag moet realiseren, maar het materiaal aantreft. Men kan dus maar zeggen dat hij deze waarden reproduceert in zoverre zij zonder de arbeid zouden vergaan, nutteloos zouden zijn; maar evenzeer zou de arbeid nutteloos zijn zonder deze waarden. Voor zover de arbeider deze waarden reproduceert, is dat niet door er een hogere ruilwaarde aan te geven of door enig proces aan te gaan met hun ruilwaarde, maar door ze in de eerste plaats te onderwerpen aan het eenvoudige proces van productie, door te arbeiden. Maar het kost hem geen extra arbeidstijd naast die welke hij nodig heeft voor de verwerking en de hogere valorisatie. Het is een toestand waarin het kapitaal hem aan het werk heeft gezet. Hij reproduceert ze alleen door ze een hogere waarde te geven, en dit geven van een hogere waarde is = zijn arbeidsdag. Anders laat hij ze zoals ze zijn. Dat hun oude waarde behouden blijft, gebeurt door er een nieuwe aan toe te voegen, niet door de oude zelf te reproduceren, door ze te creëren. Voor zover zij producten zijn van vroegere arbeid, blijft een som van vroeger geobjectiveerde arbeid een element van zijn product, zodat het product naast zijn nieuwe waarde ook de oude bevat. In feite produceert hij in dit product dus alleen de arbeidsdag die hij eraan toevoegt, en het behoud van de oude waarde kost hem absoluut niets, behalve wat het hem kost om de nieuwe toe te voegen. Voor hem is het slechts materiaal en blijft het dat, hoe het ook van vorm verandert; dat wil zeggen dat het onafhankelijk van zijn arbeid bestaat [Vorhandenes]. Het feit dat dit materiaal, dat aanwezig blijft, omdat het slechts een andere vorm aanneemt, zelf reeds arbeidstijd bevat, is de zaak van het kapitaal, niet de zijne; zij is eveneens onafhankelijk van zijn arbeid en blijft ook na zijn arbeid bestaan, zoals zij reeds voor zijn arbeid bestond.

Deze zogenaamde reproductie kost hem geen arbeidstijd, maar is de voorwaarde van zijn arbeidstijd, daar zij niets anders is dan het voorhanden materiaal, als materiaal van zijn arbeid te nemen, voor hem materiaal te zijn. Hij vervangt dus de oude arbeidstijd door de handeling van het werken zelf, niet door de toevoeging van speciale arbeidstijd voor dit doel. Hij vervangt het eenvoudig door nieuwe toe te voegen, waarbij het oude in het product blijft en een element wordt van een nieuw product. De arbeider vervangt dus niet het materiaal en het instrument door zijn arbeidsdag, voor zover het om waarden gaat. De kapitalist krijgt dus deze instandhouding van de oude waarde even gratis als de surplusarbeid. Maar hij krijgt het gratis, [niet] omdat het de arbeider niets kost, maar omdat het het resultaat is van het feit dat het materiaal en het werktuig in zijn hand door de condities en de arbeider niet kan werken zonder de arbeid in de geobjectiveerde vorm, reeds in handen van het kapitaal, tot materiaal van zijn arbeid te maken, en dus ook de arbeid te behouden die in dit materiaal geobjectiveerd is. De kapitalist betaalt de arbeider dus niets voor het feit dat het garen en de spindel – hun waarde – in het weefsel terug te vinden zijn, dat wil zeggen, geconserveerd. Deze instandhouding gebeurt eenvoudigweg door het toevoegen van nieuwe arbeid, die een hogere waarde toevoegen.

Uit de oorspronkelijke verhouding tussen kapitaal en arbeid volgt dus dat dezelfde dienst, die de levende arbeid door zijn band als levende arbeid met de geobjectiveerde arbeid verricht – het kapitaal niets kost, zoals het de arbeider niets kost, maar slechts de verhouding tot uitdrukking brengt dat het materiaal en het arbeidsinstrument tegenover hem kapitaal zijn, voor hem onafhankelijke condities. De instandhouding van de oude waarde is geen handeling die losstaat van de toevoeging van de nieuwe waarde, maar doet zich voor als het natuurlijke gevolg ervan. Maar het feit dat deze instandhouding het kapitaal niets kost en de arbeider ook niets, ligt reeds vast in de verhouding kapitaal en arbeid, die op zichzelf reeds de winst van de een en het loon van de ander is.

De individuele kapitalist kan zich voor de geest halen (en voor zijn boekhouding dient het ook) dat als hij een kapitaal heeft van 100 taler, 50 taler katoen, 40 taler om arbeid te kopen, 10 taler instrument, en een winst van 10 % gerekend als deel van zijn productiekosten, dat de arbeid hem die 50 taler katoen, 40 taler levensonderhoud, 10 taler instrument moet vervangen en 10 % op 50, op 40 en op 10; zodat in zijn voorstelling de arbeid voor hem 55 taler grondstof, 44 taler levensonderhoud, 10 taler instrument creëert, samen = 110. Maar voor economen is dit een vreemde gedachte, hoewel met veel pretentie beweerd is, dat dit een vernieuwing is ten opzichte van Ricardo. Als de arbeidsdag van de arbeider = 10 uur, en hij kan in 8 uur 40 taler creëren, d.w.z. zijn loon creëren, of, wat hetzelfde is, zijn arbeidsvermogen realiseren en vervangen, dan heeft hij 4/5 dag nodig om zijn loon te vervangen door kapitaal en geeft hij het kapitaal 1/5 surplusarbeid, of 10 taler. Het kapitaal ontvangt dus, in ruil voor de 40 taler loon, voor 8 geobjectiveerde arbeidsuren, 10 levende, en dit overschot vormt zijn gehele winst. De gehele geobjectiveerde arbeid, die de arbeider aldus heeft gecreëerd, bedraagt 50 taler, en wat ook de kost van het instrument en het materiaal mag zijn, hij kan er niet meer aan toevoegen, want zijn dag kan niet in meer arbeid worden geobjectiveerd; dat hij nu door het optellen van de 50 taler bij de 60 taler aan materiaal en instrument – 10 uren arbeid (waarvan 8 slechts het loon vervangen) – tegelijkertijd het materiaal en instrument in stand houdt – zij worden juist gehandhaafd door weer in contact te komen met de levende arbeid en als instrument en materiaal te worden gebruikt – dit kost hem geen arbeid (hij zou er geen overtollige tijd voor hebben), noch wordt het hem door de kapitalist betaald. Deze actieve natuurlijke kracht van de arbeid – dat hij met behulp van materiaal en instrument zijn ruilwaarde ontvangt, in deze of gene vorm, dus ook dezelfde daarin geobjectiveerde arbeid – wordt, zoals elke natuurlijke of maatschappelijke arbeidskracht die niet het product is van vroegere arbeid of niet het product van zulke vroegere arbeid die niet herhaald moet worden (bv. de historische ontwikkeling van de arbeiders, enz.), een kracht van het kapitaal, niet van de arbeid. Dus ook niet betaald door kapitaal. Net zo min dat de arbeider betaald wordt door het kapitaal, om te kunnen denken, enz.

Wij hebben gezien dat de oorspronkelijke veronderstelling van het ontstaan van het kapitaal, het bestaan is van geld als geld, d.w.z. geld dat zich aan de circulatie heeft onttrokken en zich er tegen afzet, d.w.z. een waarde die zelfstandig is geworden en tegen de circulatie in – d.w.z. de waar waarvoor de bepaling van de ruilwaarde niet louter een formele, verdwijnende bepaling is om tegen een andere gebruikswaarde te ruilen en tenslotte als consumptieobject te verdwijnen – geld als geld, geld dat aan de circulatie wordt onttrokken en zich ten opzichte daarvan negatief doet gelden, is de voorwaarde van het tot kapitaal worden. Aan de andere kant heeft het product van het kapitaal, voor zover het niet zijn eigen reproductie is (maar deze reproductie is slechts formeel; want van de drie delen van zijn waarden wordt er slechts één werkelijk geconsumeerd, d.w.z. gereproduceerd, namelijk het deel dat het loon van de arbeid vervangt; winst is echter geen reproductie, maar een toevoeging van waarde, surpluswaarde), als resultaat weer de waarde die niet meer als equivalent in circulatie komt en potentieel nog geen kapitaal is, d.w.z. waarde die zelfstandig is van en in een negatieve verhouding tot de circulatie – geld (in zijn derde, adequate vorm). Zoals geld eerst verscheen als de voorwaarde voor kapitaal, als de oorzaak ervan, zo verschijnt het nu als het gevolg. In de eerste beweging kwam geld voort uit de eenvoudige circulatie; in de tweede [komt het] voort uit het productieproces van kapitaal. In het eerste geval gaat het over in kapitaal; in het tweede verschijnt het als een door het kapitaal zelf gestelde voorwaarde voor het kapitaal; en is dus reeds op zich kapitaal; heeft reeds de ideële verhouding tot het kapitaal in zich. Het gaat niet meer gewoon over in kapitaal, maar als geld is het al zodanig geplaatst, dat het in kapitaal kan veranderen.

De toename van de waarden is dus het resultaat van de zelf-valorisatie van het kapitaal; of deze zelf-valorisatie nu het resultaat is van absolute surplustijd of van relatieve, d.w.z. van een reële stijging van de absolute arbeidstijd, of van een stijging van de relatieve surplusarbeid, d.w.z. van een vermindering van het aliquote gedeelte van de arbeidsdag, vastgesteld als de noodzakelijke arbeidstijd voor het behoud van het arbeidsvermogen; als noodzakelijke arbeid in het algemeen.

De levende arbeidstijd reproduceert niets anders dan dat deel van de geobjectiveerde arbeidstijd (van het kapitaal), dat als equivalent verschijnt voor het beschikken over het vermogen van de levende arbeid, en dat dus als equivalent de in dit arbeidsvermogen geobjectiveerde arbeidstijd moet vervangen, d.w.z. de productiekosten van de levende arbeidsvermogens moet vervangen, met andere woorden de arbeiders als arbeiders in leven moet houden. Wat het meer produceert is geen reproductie, maar nieuwe schepping, en zelfs nieuwe waardeschepping, omdat nieuwe arbeidstijd wordt geobjectiveerd in een gebruikswaarde. Dat de arbeidstijd die in het materiaal en het instrument zit, tegelijkertijd behouden blijft, is niet het gevolg van de hoeveelheid arbeid, maar van haar kwaliteit als arbeid; en voor haar algemene kwaliteit, die geen bijzondere kwalificatie is – geen specifiek bepaalde arbeid – maar arbeid, als arbeid, arbeid is, daarvoor wordt niet speciaal betaald, omdat het kapitaal deze kwaliteit heeft gekocht in de ruil met de arbeider.

Het equivalent voor deze kwaliteit (de specifieke gebruikswaarde van arbeid) wordt echter eenvoudig gemeten aan de hand van de hoeveelheid arbeidstijd die zij heeft voortgebracht. De arbeider voegt eerst aan de waarde van het materiaal en de instrumenten, door het gebruik van het instrument als instrument en het vormgeven van het materiaal, zoveel nieuwe vorm [moet waarschijnlijk zijn: arbeid] toe als = de arbeidstijd vervat in zijn eigen loon; wat hij meer toevoegt is surplusarbeidstijd, surpluswaarde. Maar door de eenvoudige verhouding, dat het instrument als instrument wordt gebruikt en het materiaal als arbeidsmateriaal, door het eenvoudige proces dat zij met de arbeid in aanraking komen, als middel en voorwerp, en aldus de objectificatie van de levende arbeid, momenten van de arbeid, worden zij niet in hun vorm maar in hun substantie behouden, en, economisch beschouwd, is de geobjectiveerde arbeidstijd hun substantie. De geobjectiveerde arbeidstijd houdt op te bestaan in een eenzijdige objectieve vorm – en daarom als louter ding staat het bloot aan verval door chemische enz. processen, het feit is dat de materiële bestaanswijze – middel en object – door de levende arbeid wordt bepaald. Uit de louter geobjectiveerde arbeidstijd, in wiens materieel bestaan de arbeid slechts bestaat als zijnde verdwenen, als uitwendige vorm van de natuurlijke substantie, die zelf uitwendig is aan deze substantie (bv. voor het hout de vorm van de tafel, of voor ijzer de vorm van een wals), als bestaande louter in de uitwendige vorm van het materiaal, ontwikkelt zich de onverschilligheid van het materiaal ten opzichte van de vorm; het krijgt dat niet door een levende, immanente wet van de voortplanting, zoals bv. een boom zijn vorm krijgt als boom (het hout blijft in de specifieke vorm van de boom, omdat deze vorm een vorm van het hout is; terwijl de vorm van de tafel voor het hout toevallig is, en niet de immanente vorm van zijn substantie), bestaat het alleen als een vorm buiten het materiële om, of bestaat het zelf alleen materieel. De ontbinding waaraan haar substantie ten prooi is, ontbindt dus ook de vorm. Wanneer zij echter als voorwaarden voor levende arbeid worden gesteld, worden zij zelf gereanimeerd. De geobjectiveerde arbeid houdt op te bestaan in een dode toestand als een uiterlijke, onverschillige vorm, omdat het zelf weer wordt tot een moment van de levende arbeid; als de relatie van de levende arbeid tot zichzelf in een objectief materiaal, als de objectiviteit van de levende arbeid (als middel en object) (de objectieve voorwaarden van de levende arbeid).

De transformatie van de materie door de levende arbeid, door de verwezenlijking van de levende arbeid in de materie – een transformatie die, als doel, de arbeid bepaalt en haar doelgerichte activering is (een transformatie die niet alleen de vorm poneert als extern aan het levenloze voorwerp, als een louter verdwijnend beeld van zijn materiële samenhang) – behoudt dus de materie in een bepaalde vorm, en onderwerpt de transformatie van de materie aan het doel van de arbeid. Arbeid is het levende, vormende vuur; de vergankelijkheid van de dingen, hun tijdelijkheid, als vormgeving door de levende tijd. In het eenvoudige productieproces – afgezien van het valorisatiesproces – wordt de vergankelijkheid van de vorm der dingen benuttigd om hun bruikbaarheid te bepalen. Door katoen te verwerken tot garen, garen tot stof, tot stofdruk, enz. Als het katoen geweven of geverfd is, enz. en er een jurk van wordt gemaakt, is 1. de substantie van het katoen in al deze vormen bewaard gebleven. (In het chemische proces, in de door arbeid geregelde stofwisseling, hebben de equivalenten (natuurlijke) zich overal geruild, enz.); 2. in elk van deze opeenvolgende processen heeft het materiaal een bruikbaardere vorm gekregen, een vorm die het meer geschikt maakt voor consumptie; totdat het aan het eind de vorm heeft gekregen waarin het direct een voorwerp van consumptie kan worden, wanneer dus de consumptie van het materiaal en de opschorting van zijn vorm een menselijke behoefte bevredigt, en zijn transformatie hetzelfde is als zijn gebruik. Het katoen houdt stand in al deze processen; van de ene vorm van gebruikswaarde verdwijnt het om plaats te maken voor een hogere, totdat het voorwerp er is als het object van onmiddellijke consumptie. Maar doordat het katoen als een garen wordt beschouwd, wordt het in een specifiek verband geplaatst met een verderop gelegen soort arbeid. Indien deze arbeid niet gebeurt, zou niet alleen die vorm nutteloos zijn, d.w.z. de vroegere arbeid zou niet door de nieuwe worden bevestigd, maar de stof zou ook vergaan, omdat zij in de vorm van garen slechts gebruikswaarde zou hebben voor zover zij opnieuw wordt verwerkt: zij zou slechts gebruikswaarde hebben in verhouding tot het gebruik dat de verder verwijderde arbeid ervan maakt; zij zou slechts gebruikswaarde hebben voor zover haar vorm als garen wordt bewaard in de stof; in het bestaan als katoen is het capabel tot oneindig veel nuttige toepassingen. Zonder de latere [fernere] arbeid zou de gebruikswaarde van katoen en garen, materiaal en vorm, dus verspild zijn; het zou zijn vernietigd in plaats van geproduceerd. Zowel het materiaal als de vorm, zowel de substantie als de vorm, wordt door latere arbeid in stand gehouden – in stand gehouden als gebruikswaarde totdat zij de vorm krijgen van de gebruikswaarde als zodanig, waarvan het gebruik consumptie is. Het is dus in het eenvoudige productieproces dat het vroegere productiestadium door het latere in stand wordt gehouden, en door de hoge gebruikswaarde de oude in stand wordt gehouden of slechts verandert in zoverre het als gebruikswaarde wordt verhoogd. Het is de levende arbeid die de gebruikswaarde van het onvoltooide arbeidsproduct in stand houdt door het tot materiaal van een volgende arbeid te maken. Maar zij bewaart het slechts, d.w.z. behoedt het voor nutteloosheid en verval, door het te bewerken overeenkomstig zijn bestemming, door het in de eerste plaats tot voorwerp van nieuwe levende arbeid te maken.

Dit behoud van de oude gebruikswaarde is geen proces naast de toename of de voltooiing ervan door nieuwe arbeid, maar gebeurt door deze nieuwe arbeid in het verhogen van de gebruikswaarde. Doordat de weefarbeid het garen in weefsel verandert, dat wil zeggen het garen als materiaal voor het weven (een specifieke vorm van levende arbeid) behandelt (en het garen alleen gebruikswaarde heeft doordat het geweven wordt), krijgt het garen de gebruikswaarde die katoen als zodanig had en specifiek had gekregen in het garen. Het behoudt het arbeidsproduct door het tot materiaal voor nieuwe arbeid te maken; maar wat er gebeurt is niet dat het 1. nieuwe arbeid toevoegt en 2. daarnaast, door middel van een andere arbeid, de gebruikswaarde van het materiaal in stand houdt. Het behoudt de bruikbaarheid van het katoen als garen door het garen te weven. (Dit alles behoort reeds tot hoofdstuk 1 van de productie in het algemeen.) Het houdt stand door het weven. Dit behoud van de arbeid als product, of van de gebruikswaarde van het product van de arbeid, doordat het een grondstof wordt van nieuwe arbeid, wordt weer gesteld als de materiële objectiviteit van doelgerichte levende arbeid, is gegeven in het eenvoudige productieproces. Ten opzichte van de gebruikswaarde bezit arbeid deze eigenschap, dat zij de bestaande gebruikswaarde in stand houdt door haar te verhogen en dat zij haar verhoogt door haar tot voorwerp te maken van het uiteindelijke doel; door haar op haar beurt te veranderen van de vorm van haar onverschillige consistentie in die van objectieve materie, het materiaal [Leibes] van de arbeid.

(Hetzelfde geldt voor het instrument. Een spindel blijft alleen als gebruikswaarde bestaan door te worden gebruikt voor het spinnen. Zo niet, zou de specifieke vorm hier van ijzer en hout, verspild zijn, samen met de verrichte arbeid en het materiaal. Alleen doordat zij als middel van de levende arbeid, als objectief moment van bestaan, hun activiteit stellen, blijft de gebruikswaarde van hout en ijzer evenzeer behouden als hun vorm. Opgebruikt worden is hun doel als arbeidsinstrument, maar opgebruikt worden in het spinproces. De grotere productiviteit die zij aan de arbeid geeft, creëert meer gebruikswaarden en vervangt aldus de gebruikswaarde die bij het verbruik van het instrument wordt verbruikt. Dit komt het duidelijkst naar voren in de landbouw, omdat [zijn product] onmiddellijk verschijnt als voedsel en de gebruikswaarde het eenvoudigst, want het meest oorspronkelijk, in zijn verschil met de ruilwaarde – als gebruikswaarde. Als de schoffel de boer twee keer zoveel graan oplevert dan hij anders zou krijgen, moet hij minder tijd besteden aan de productie van de schoffel zelf; hij heeft proviand genoeg om een nieuwe schoffel te maken.)

Welnu, in het valorisatieproces verschijnen de waardebestanddelen van het kapitaal – waarvan het ene bestaat in de vorm van materiaal, het andere in de vorm van instrument – tegenover de arbeider, d.w.z. voor de levende arbeid (want als zodanig bestaat de arbeider alleen in dit proces), niet als waarden, maar als eenvoudige momenten van het productieproces; als gebruikswaarden voor de arbeid, als de objectieve voorwaarden van hun arbeid of als hun objectieve momenten. Het ligt in de aard van de arbeid om ze te behouden door het instrument als instrument te gebruiken en door het materiaal een hogere vorm van gebruikswaarde te geven. Maar als bestanddelen van het kapitaal zijn de aldus uit de arbeid verkregen gebruikswaarden ruilwaarden; als zodanig bepaald door de productiekosten die erin vervat zijn, de hoeveelheid arbeid die erin geobjectiveerd is. (Voor de gebruikswaarde gaat het slechts om de kwaliteit van de reeds geobjectiveerde arbeid). De kwantiteit van de geobjectiveerde arbeid blijft behouden doordat de kwaliteit ervan als gebruikswaarde voor verdere arbeid behouden blijft door het contact met de levende arbeid. De gebruikswaarde van katoen wordt, net als zijn gebruikswaarde als garen, in stand gehouden door het feit dat het als garen wordt geweven; door het feit dat het bestaat als een van de geobjectiveerde momenten (naast het spinnewiel [moet zijn: weefgetouw]) van het weven. Hierdoor blijft dus ook de hoeveelheid arbeidstijd die in het katoen en het katoengaren zit, behouden. Wat in het eenvoudige productieproces lijkt op het behoud van de kwaliteit van de eerdere arbeid – en dus ook van het materiaal waarin het aanwezig is – verschijnt in het valorisatieproces als het behoud van de kwantiteit van de reeds geobjectiveerde arbeid. Voor het kapitaal is deze instandhouding de instandhouding van de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid door het productieproces; voor de levende arbeid is zij slechts de instandhouding van de reeds aanwezige gebruikswaarde.

Levende arbeid voegt een nieuw kwantum arbeid toe; maar het is niet door deze kwantitatieve toevoeging dat zij het reeds geobjectiveerde kwantum van arbeid in stand houdt, maar door haar kwaliteit als levende arbeid, of door het feit dat het zich als arbeid verhoudt tot de gebruikswaarden waarin de eerdere arbeid bestaat. Levende arbeid wordt echter niet betaald voor deze kwaliteit, die zij als levende arbeid bezit – zij zou in het geheel niet worden gekocht indien zij geen levende arbeid was – maar voor de hoeveelheid arbeid die zij zelf bevat. Alleen de prijs van zijn gebruikswaarde wordt betaald, zoals die van alle andere waren. De specifieke kwaliteit die zij bezit, in die zin dat zij een nieuw kwantum van arbeid toevoegt aan de reeds geobjectiveerde hoeveelheid arbeid, en tegelijkertijd de geobjectiveerde arbeid in zijn kwaliteit als geobjectiveerde arbeid handhaaft, wordt niet betaald en kost de arbeider ook niets, omdat zij het natuurlijke eigendom is van zijn arbeidsvermogen. In het productieproces wordt de scheiding tussen arbeid en zijn geobjectiveerde bestaansmomenten – instrument en materiaal – opgeheven. Het bestaan van kapitaal en loonarbeid is gebaseerd op deze scheiding. De opheffing van de scheiding, die in het productieproces plaatsvindt – want anders zou er helemaal geen werk worden verricht – wordt niet door het kapitaal betaald. (De opheffing vindt ook niet plaats door de ruil met de arbeider – maar door de arbeid zelf in het productieproces. Als zodanig is de huidige arbeid zelf al opgenomen in het kapitaal, een moment ervan. Deze behoudende kracht van de arbeid verschijnt dus als de zichzelf in stand houdende kracht van het kapitaal. De arbeider heeft slechts nieuwe arbeid toegevoegd; wat de vroegere arbeid betreft, deze heeft – dankzij het bestaan van het kapitaal – een levenslange [ewige] waarde, geheel onafhankelijk van zijn materieel bestaan. Zo ziet de kwestie eruit voor het kapitaal en voor de arbeider.) Als het ook dit zou moeten betalen, zou het ophouden kapitaal te zijn. Dit maakt deel uit van de materiële rol die arbeid van nature speelt in het productieproces; van zijn gebruikswaarde. Maar als gebruikswaarde behoort de arbeid toe aan de kapitalist; als ruilwaarde aan de arbeider. Haar levende kwaliteit van het behoud van geobjectiveerde arbeidstijd door deze te gebruiken als de objectieve voorwaarde van levende arbeid in het productieproces gaat de arbeider niets aan. Deze toe-eigening, waarbij in het productieproces de levende arbeid het instrument en materiaal tot lichaam van zijn ziel maakt en daardoor uit de dood doet herrijzen, staat in feite in contrast met het feit dat de arbeid zonder voorwerp is of slechts in de onmiddellijke activiteit werkelijkheid wordt in de arbeider – en dat het arbeidsmateriaal en -instrument als voor zichzelf bestaan in het kapitaal. (Hierop terug te komen.) Het valorisatieproces van het kapitaal verloopt via en in het eenvoudige productieproces, waarbij de levende arbeid in zijn natuurlijke verhouding tot zijn materiële bestaansmomenten wordt geplaatst. Maar voor zover zij deze band aangaat, bestaat deze band niet voor zichzelf, maar voor het kapitaal; zij is zelf reeds een moment van het kapitaal.

Zo toont zich dat de kapitalist door middel van het ruilproces met de arbeider – door de arbeider in feite een equivalent te betalen voor de productiekosten, vervat in zijn arbeidsvermogen, dat wil zeggen door hem de middelen te verschaffen om zijn arbeidsvermogen in stand te houden – de levende arbeid toe-eigent en twee dingen gratis ontvangt: ten eerste, de surplusarbeid, die de waarde van zijn kapitaal verhoogt, maar twee, tegelijkertijd, de kwaliteit van de levende arbeid, die de in het verleden in de bestanddelen van het kapitaal gematerialiseerde arbeid in stand houdt en dus de reeds bestaande waarde van het kapitaal in stand houdt. Dit behoud vindt echter niet plaats doordat de levende arbeid de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid doet toenemen, waarde schept, maar eenvoudig doordat zij bestaat in de toevoeging van een nieuwe hoeveelheid arbeid als levende arbeid, in de immanente verhouding tot het materiaal en het arbeidsinstrument, gesteld door het productieproces; dus door haar kwaliteit als levende arbeid. Als zodanig is zij echter zelf een moment van het eenvoudige productieproces en kost zij de kapitalist even weinig als het garen en de spil [moet zijn: weefgetouw] hem naast hun prijs iets kosten, omdat zij ook momenten van het productieproces zijn.

Als bv. in tijden van een handelscrisis enz., de fabrieken worden stilgelegd, is het inderdaad duidelijk dat de machine roest en het garen nutteloze ballast is; bovendien vergaat het, zodra de band met de levende arbeid ophoudt. Indien de kapitalist slechts arbeid verricht om meerwaarde te creëren – om waarde te creëren die nog niet bestaat – is het duidelijk dat zodra hij ophoudt arbeid te verrichten, ook zijn reeds bestaande kapitaal wordt gedevalueerd; dat de levende arbeid dus niet alleen nieuwe waarde toevoegt, maar door de handeling zelf van het toevoegen van een nieuwe waarde aan de oude, deze in stand houdt en bestendigt. (Hieruit blijkt duidelijk de absurditeit van de beschuldiging aan het adres van Ricardo, dat hij alleen winsten en lonen als noodzakelijke bestanddelen van de productiekosten beschouwt, en niet ook het deel van het kapitaal dat in materiaal en instrumenten zit. Voor zover de bestaande waarde daarin alleen behouden blijft, brengt dit geen nieuwe productiekosten mee. Maar wat die bestaande waarden betreft, die lossen allemaal weer op in geobjectiveerde arbeid – noodzakelijke arbeid en surplusarbeid – loon en winst. Het zuiver natuurlijke materiaal waarin geen menselijke arbeid is geobjectiveerd, voor zover het een materiaal is dat onafhankelijk van de arbeid bestaat, heeft geen waarde, want alleen geobjectiveerde arbeid is waarde; even weinig waarde als de gemeenschappelijke elementen als zodanig bezitten.) Het behoud van het bestaande kapitaal door de arbeid die het valoriseert, kost het kapitaal dus niets en behoort dus niet tot de productiekosten; hoewel de bestaande waarden in het product behouden blijven en er dus equivalenten voor moeten gegeven worden in de ruil. Maar het behoud van deze waarden in het product kost het kapitaal niets en kan dus door het kapitaal niet worden ondergebracht bij de productiekosten. Zij worden evenmin door de arbeid vervangen, want zij worden niet verbruikt, tenzij zij verbruikt worden op een manier die los staat van hun eigenlijke zijnswijze als arbeid, d.w.z. voor zover de arbeid hun vergankelijkheid verbruikt (wordt opgeheven). Alleen het loon wordt werkelijk verbruikt.

[Meerwaarde en winst]

Laten we terugkeren naar ons voorbeeld. 100 taler kapitaal, namelijk 50 taler materiaal, 40 taler arbeid, 10 taler productie-instrument. De arbeider heeft 4 uur nodig voor 40 taler, het deel van de productie dat hij nodig heeft voor zijn levensonderhoud, waarbij de 40 taler de levensmiddelen van de arbeider zijn, of het deel van de productie dat hij nodig heeft voor zijn levensonderhoud; zijn werkdag is 8 uur. De kapitalist ontvangt dus gratis een surplus van 4 uur; zijn surpluswaarde is gelijk aan 4 geobjectiveerde uren, 40 taler; dus zijn product = 50 + 10 (behouden, niet gereproduceerde waarde; constant gebleven, onveranderd als waarde) + 40 taler (loon, gereproduceerd, want geconsumeerd in de vorm van loon) + 40 taler meerwaarde. Som: 140 taler. Van deze 140 taler zijn er nu 40 overtollig. De kapitalist moest leven tijdens de productie en voordat hij begon te produceren; zeg 20 taler. Deze moest hij bezitten naast zijn kapitaal van 100 taler; er moesten dus equivalenten voor in omloop zijn. (Hoe deze zijn ontstaan is hier niet aan de orde.) Kapitaal veronderstelt de circulatie als een constante grootheid. Deze equivalenten zijn nu weer aanwezig. Dus consumeren zij 20 taler van zijn winst. Deze gaan in de eenvoudige circulatie. De 100 taler gaan ook in de eenvoudige circulatie, maar worden weer omgezet in de voorwaarden voor nieuwe productie, 50 taler materiaal, 40 levenmiddelen voor de arbeiders, 10 instrumenten. Er blijft een nieuwe gecreëerde meerwaarde van 20 taler over. Dit is geld, gesteld als een negatief zelfstandige waarde versus circulatie. Het kan niet in circulatie komen als louter equivalent, om consumptievoorwerpen te ruilen, aangezien de circulatie verondersteld wordt constant te zijn. Maar het zelfstandige, illusoire bestaan van geld is opgeheven; het bestaat alleen om zichzelf te valoriseren, d.w.z. om kapitaal te worden. Maar om dat te worden moet het opnieuw worden geruild tegen momenten van het productieproces, levensmiddelen voor de arbeiders, materiaal en instrument; deze lossen allemaal op in geobjectiveerde arbeid, kunnen alleen worden vervangen door levende arbeid. Geld, voor zover het nu op zichzelf als kapitaal bestaat, is dus niet meer dan een claim op toekomstige (nieuwe) arbeid. Concreet bestaat het alleen als geld. De surpluswaarde, de toename van de concrete arbeid, voor zover die voor zichzelf bestaat, is geld; maar geld is nu op zich al kapitaal; als zodanig is het een claim op nieuwe arbeid. Hier verschijnt het kapitaal niet langer alleen in een verhouding tot de bestaande arbeid, maar ook tot de toekomstige arbeid. Het verschijnt ook niet langer opgelost in zijn eenvoudige elementen in het productieproces, maar daarin als geld; maar niet langer als geld dat slechts de abstracte vorm van algemene rijkdom is, maar een claim op de reële mogelijkheid van algemene rijkdom – het arbeidsvermogen, en inderdaad het wordende arbeidsvermogen. Als claim is het materiële bestaan ervan als geld onverschillig en kan het door elke titel worden vervangen. Net als de schuldeiser van de staat heeft iedere kapitalist met zijn nieuw verworven waarde een vordering op toekomstige arbeid, en heeft hij zich door de toe-eigening van de actuele arbeid reeds tegelijkertijd toekomstige arbeid toegeëigend. (Dit aspect van het kapitaal zal later worden ontwikkeld. De eigenschap van het bestaan als waarde, gescheiden van zijn substantie, is hier reeds duidelijk. De basis van krediet is hier al gelegd.) De opeenhoping ervan in de geldvorm is dus geenszins de materiële opeenhoping van de materiële voorwaarden van de arbeid. Maar opeenhoping van eigendomstitels op arbeid. Het stelt de toekomstige arbeid als loonarbeid, als de gebruikswaarde van het kapitaal. Voor de nieuw gecreëerde waarde bestaat geen equivalent; zijn mogelijkheid bestaat alleen in nieuwe arbeid.

In dit voorbeeld heeft dus een absolute surplusarbeidstijd – 8 uur werken in plaats van 4 – een nieuwe waarde van 20 taler toegevoegd aan de oude waarden van de wereld van de beschikbare rijkdom, geld, en geld dat reeds met betrekking tot zijn vorm als kapitaal (reeds gesteld als een mogelijkheid tot kapitaal, niet meer zoals vroeger door op te houden geld als zodanig te zijn).

Als de productiviteit nu verdubbeld, zodat de arbeider slechts 2 uur noodzakelijke arbeid moet leveren in plaats van 4, en als de kapitalist hem bijgevolg nog 8 uur laat werken, is de berekening als volgt: 50 taler materiaal, 20 arbeidsloon, 10 arbeidsinstrument, 60 surpluswaarde. (6 uur, voorheen 4.) Verhoging van de absolute surpluswaarde: 2 uur of 20 taler. Som: 140 taler (in het product).

Som 140 taler als voorheen; maar hiervan 60 meerwaarde; waarvan 40 als voorheen voor absolute toename van de surplustijd, 20 voor de relatieve. Evenals voorheen zijn echter slechts 140 taler in de eenvoudige ruilwaarde vervat. Worden nu alleen de gebruikswaarden vermeerderd, of is er nieuwe waarde gecreëerd? Eerder moest het kapitaal opnieuw beginnen met 100 om weer te vermeerderen met 40 %. Wat gebeurt er met de 20 meerwaarde? Voordien at de kapitalist er 20 op; hij hield een waarde van 20 over. Nu eet hij er 20 op en houdt hij er 40 over. Daarentegen is het in productie gebrachte kapitaal 100 gebleven; nu is het 80 geworden. Wat aan de ene kant aan waarde is gewonnen, gaat aan de andere als waarde verloren. Het eerste kapitaal komt opnieuw in het productieproces; het produceert opnieuw 20 meerwaarde (na aftrek van de consumptie). Aan het einde van de tweede operatie bestaat er geen equivalent voor de nieuw gecreëerde waarde. 20 taler samen met de eerste 40. Laten we nu het tweede kapitaal nemen.

50 materiaal, 20 loon (= 2 uur), 10 arbeidsinstrument. Met de 2 uur levert het echter een waarde van 8 op, namelijk 80 taler (waarvan 20 productiekosten). Dan blijven er 60 over, aangezien 20 alleen het loon reproduceren (d.w.z. als loon zijn verdwenen). 60 + 60 = 120. Aan het eind van deze tweede bewerking, 20 taler voor consumptie; blijft surpluswaarde 20; samen met de eerste bewerking, 60. [In plaats van 20 surpluswaarde moet er 40 surpluswaarde staan. Volgens Marx levert het tweede kapitaal 60 taler surpluswaarde, waarvan 20 taler geconsumeerd door de kapitalist en de overige 40 taler worden geaccumuleerd. Hier begint een reeks rekenfouten, die echter niets afdoen aan de essentie van de theoretische uiteenzettingen, aangezien al deze cijfers slechts als benaderende illustraties dienen. Elders zegt Marx over sommige van deze rekenfouten: “Laat de duivel deze vervloekte foutieve berekeningen maar halen.”] Bij de derde bewerking levert het eerste [kapitaal] 60 op, het tweede 80; bij de vierde [bewerking] levert het eerste [kapitaal] 80, het tweede 100. Naarmate de ruilwaarde van het eerste kapitaal als productief kapitaal is verminderd, neemt het toe als waarde.

Laten we aannemen dat beide kapitalen, met hun surplus, als kapitaal kunnen worden gebruikt, d.w.z. dat het surplus wordt geruild tegen nieuwe levende arbeid. Zo komt men tot de volgende berekening (consumptie buiten beschouwing gelaten): het eerste kapitaal produceert 40 %; het tweede 60 %. 40 % van de 140 is 56; 60 % van de 140 (namelijk 80 kapitaal, 60 surpluswaarde) is 84. Het totale product in het eerste geval 140 + 56 = 196; in het tweede 140 + 84 = 224. In het tweede geval is de absolute ruilwaarde dus hoger met 28. Het eerste kapitaal heeft 40 taler om nieuwe arbeidstijd te kopen; de waarde van het arbeidsuur werd verondersteld 10 taler te zijn; met 40 taler koopt hij dus 4 nieuwe arbeidsuren, die hem 80 opleveren (waarvan 40 als vervanging van het loon) (namelijk 8 arbeidsuren). Uiteindelijk was het 140 + 80 (namelijk reproductie van het kapitaal van 100: meerwaarde 40 of reproductie van 140; de eerste 100 taler reproduceren zich als 140; de tweede 40 (aangezien ze alleen worden besteed voor de aankoop van nieuwe arbeid, dus niet simpelweg enige waarde vervangen, – een onmogelijke veronderstelling, overigens) die 80 produceren. 140 + 80 = 220. Het tweede kapitaal van 140; de 80 brengen 40 op; of de 80 taler reproduceren zichzelf als 120; de overblijvende 60 echter reproduceren zichzelf (daar zij louter voor de aankoop van arbeid worden besteed, en dus niet eenvoudig enige waarde vervangen, maar uit zichzelf reproduceren en het surplus maken) als 180; dan 120 + 120 = 240. (40 taler meer geproduceerd dan het eerste kapitaal, precies de surplustijd van 2 uur, voor het eerste is een surplustijd van 2 uur ook verondersteld in het eerste kapitaal). Dus een grotere ruilwaarde als resultaat, omdat meer arbeid wordt geobjectiveerd; 2 uur meer surplusarbeid.

Hier is nog iets op te merken: 140 taler tegen 40 % geeft 56; kapitaal en rente samen = 140 + 56 = 196; maar wij hebben 220 bekomen; volgens welke de rente van de 140 niet 56 zou zijn, maar 84; hetgeen 60 % zou zijn voor 140 (140 : 84 = 100 : x; x = 8400/140 = 60). Net zo in het tweede geval: 140 tegen 60 % = 84; kapitaal en rente = 140 + 84 = 224; maar we krijgen 240; volgens welke de rente van de 140 niet 84 zou zijn, maar 100; (140 + 100 = 240); d.w.z. procent (140 : 100 = 100 : x; x = 10.000/140) 71 3/7 %. Waar komt dit nu vandaan? (In het eerste geval 60 in plaats van 40; in het tweede 71 3/7 % in plaats van 60 %.) In het eerste geval waar 60 in plaats van 40, d.w.z. 20 % te veel; in het tweede geval 71 3/7 % in plaats van 60, d.w.z. 11 3/7 % te veel. Waarom dan, ten eerste, het verschil in beide gevallen en, ten tweede, het verschil in elk van beide gevallen?

In het eerste geval is het oorspronkelijke kapitaal 100 = 60 (materiaal en arbeidsinstrument) en 40 arbeid; 2/5 arbeid, 3/5 (materiaal). De eerste 3/5 geven helemaal geen rente; de laatste 2/5 brengen 100 % op. Maar berekend over het gehele kapitaal is het slechts met 40 % toegenomen; 2/5 van 100 = 40. De 100 % op hetzelfde geeft echter slechts 40 % op de gehele 100; d.w.z. een toename van het geheel met 2/5. Indien nu van het nieuw toegevoegde kapitaal van 40 ook slechts 2/5 was toegenomen met 100 %, zou dit een toename van het geheel geven met 16. 40 + 16 = 56. Dit tezamen met de 140 = 196; hetgeen werkelijk 40 % is op 156, kapitaal en rente tezamen genomen. 40 vermeerderd met 100 %, verdubbeld, is 80; 2/5 van 40 vermeerderd met 100 % is 16. Van de 80 komen er 40 in de plaats van het kapitaal. 40 winst.

Berekening dus: 100c + 40 rente + 40c + 40r = 220; of kapitaal van 140 met rente van 80; maar hadden we gerekend: 100c + 40r + 40c + 16r = 196; of het kapitaal van 140 met rente van 56.

Een rente van 24 op een kapitaal van 40 is te veel; 24 echter = 3/5 van 40 (3 x 8 = 24); d.w.z. naast het kapitaal is slechts 2/5 van het kapitaal met 100 % gegroeid; het gehele kapitaal dus slechts met 2/5, d.w.z. 16 taler. De berekening van de rente door 24 taler is te groot op 40 (met 100 % op 3/5 van het kapitaal); 24 op 24 is 100 % op 3 x 8 (3/5 van 40). Op de gehele som van 140 staat echter 60 % in plaats van 40; d.w.z. op 40 staat 24 (3/5), 24 op 40 is 60 %. Dus op kapitaal 40 is 60 % te veel (60 = 3/5 van 100). Maar 24 te veel op 140 (en dit is het verschil van 220 tot 196), slechts 1/5 van 100 en 1/12 van 100 zijn te veel berekend; 1/5 van 100 = 20 %; 1/12 van 100 8 4/12 % of 8 1/3 %; dus samen 28 1/3 % te veel. Dus over het geheel genomen niet 60 %, zoals op 40, maar slechts 28 1/3 % te veel; wat een verschil maakt van 31 2/3, al naargelang men 24 te veel telt op de 40 [of op] het kapitaal van 140. Zo ook in het andere voorbeeld.

In de eerste 80 die 120 produceren, werd 50 + 10 eenvoudig vervangen; maar 20 reproduceerde driemaal zichzelf: 60; (20 reproductie, 40 surplus).

Arbeidsuren
Als 20 ... 60 is, drie keer de waarde, dan 60 ... 180.

Het is niet langer nodig om stil te staan bij deze zeer vervelende rekening. De grap is gewoon: indien, zoals in ons eerste voorbeeld, 3/5 (60 van 100) materiaal en instrument zijn, 2/5 arbeidsloon (40), en indien het kapitaal 40 % winst opleverde, is het uiteindelijk gelijk aan 140 (deze 40 % winst is gelijk aan het feit dat de kapitalist 12 uur arbeid heeft laten verrichten waar er 6 nodig waren, dus 100 % winst heeft gemaakt op de noodzakelijke arbeidstijd). Als de 40 gewonnen taler nu onder dezelfde voorwaarden – en op het punt waar wij staan zijn de voorwaarden nog niet veranderd – opnieuw als kapitaal zouden functioneren, dan moet van de 40 taler 3/5, dus 24 taler, opnieuw worden besteed aan materiaal en instrument, en 2/5 aan arbeid; zodat dan alleen het arbeidsloon van 16 wordt verdubbeld, 32 wordt, 16 dus voor reproductie, 16 surplusarbeid; dus alles bij elkaar aan het eind van de productie 40 + 16 = 56 of 40 %. Het totale kapitaal van 140 zou dus onder dezelfde omstandigheden 196 hebben opgeleverd. Men mag niet aannemen, zoals in de meeste economie [boeken] gebeurt, dat de 40 taler louter worden besteed aan arbeidsloon, aan de aankoop van levende arbeid, en dus aan het eind van de productie 80 taler opleveren.

Als men zegt: een kapitaal van 100 brengt in een bepaalde periode 10 % op, in een andere periode 5 %, dan is niets onjuister om te concluderen, zoals Carey en consorten doen, dat in het eerste geval het aandeel van het kapitaal in de productie 1/10 was en dat van de arbeid slechts 9/10; dat in het tweede geval het aandeel van het kapitaal slechts 1/20 was en dat van de arbeid 19/20; dus als de winst daalt, stijgt die van de arbeid. De winst van 10 % op een kapitaal van 100 wordt natuurlijk vanuit het standpunt van het kapitaal, dat geen enkel bewustzijn heeft over de aard van zijn valorisatieproces, en er alleen in crisissen belang bij heeft om er een bewustzijn van te hebben, zo beschouwd dat de waardebestanddelen van zijn kapitaal – materiaal, instrument, arbeidsloon – zonder onderscheid met 10 % zijn toegenomen, dus het kapitaal als de som van 100 talers waarde, als aantal van een bepaalde eenheid van waarden, is met 10 % toegenomen. In feite gaat het echter om de vraag: 1. hoe verhielden de bestanddelen van het kapitaal zich tot elkaar, en 2. hoeveel surplusarbeid kocht het met het loon – de concrete arbeidsuren vertegenwoordigd in het loon. Als ik de totale som van het kapitaal ken, de verhouding van zijn waardebestanddelen tot elkaar (praktisch zou ik ook moeten weten hoeveel onderdelen van het productie-instrument in het proces verslijten, d.w.z. er werkelijk in opgaan), en als ik de winst ken, weet ik hoeveel surplusarbeid er is gepresteerd. Als 3/5 van het kapitaal uit materiaal bestond (waarvan hier gemakshalve wordt aangenomen dat het volledig productiemateriaal wordt, volledig productief wordt verbruikt), dus 60 taler en het arbeidsloon 40, en als de winst van de 100 taler 10 is, dan heeft de met 40 taler geobjectiveerde arbeidstijd gekochte arbeid in het productieproces 50 taler geobjectiveerde arbeid gecreëerd, dus een surplustijd of surpluswaarde gecreëerd van 25 % = 1/4 van de noodzakelijke arbeidstijd. Als de arbeider een dag van 12 uur werkt, heeft hij dus 3 uur surplustijd gewerkt, en zijn noodzakelijke arbeidstijd om hem een dag in leven te houden is 9 uur arbeid. De nieuwe waarde die bij de productie wordt gecreëerd, bedraagt slechts 10 taler, maar volgens het werkelijke aandeel moeten deze 10 taler worden berekend op de 40 en niet op de 100. De 60 taler waarde creëerde geen nieuwe waarde, maar de arbeidsdag wel. De arbeider heeft dus het tegen het arbeidsvermogen geruilde kapitaal met 25 % en niet met 10 % vermeerderd. Het totale kapitaal is met 10 % gegroeid. 10 is 25 % op 40; het is slechts 10 % op 100. De winstvoet van het kapitaal drukt dus geenszins het deel [Rate] uit waarmee de levende arbeid de objectieve arbeid vermeerdert; want deze vermeerdering is slechts = het surplus waarmee de arbeider zijn loon reproduceert, d.w.z. = de tijd dat hij meer werkt dan hij zou moeten werken om zijn loon te produceren.

Als de arbeider in het bovenstaande voorbeeld geen arbeider voor een kapitalist was, en als hij de gebruikswaarden in die 100 taler, niet als kapitaal beschouwde, maar eenvoudig als de objectieve voorwaarden van zijn arbeid, dan zou hij, alvorens het productieproces opnieuw te beginnen, 40 taler aan levensonderhoud bezitten, dat hij tijdens de werkdag zou verbruiken, en 60 taler aan instrumenten en materiaal. Hij zou slechts 3/4 dag werken, 9 uur, en zijn product aan het eind van de dag zou niet 110 taler zijn, maar 100, die hij weer zou ruilen in bovenstaande proporties en het proces begint opnieuw en opnieuw. Maar hij zou ook drie uur minder werken; d.w.z. 25 % surplusarbeid = 25 % minder surpluswaarde in de ruil die hij zou maken tussen 40 taler levensonderhoud en zijn arbeidstijd, en als hij eens drie uur meer zou werken, omdat er materiaal en instrumenten klaarliggen, zou het niet in hem opkomen om te zeggen dat hij een nieuwe winst van 10 % had gemaakt, maar een van 25 %; omdat hij levensonderhoud kon kopen voor een kwart meer; ter waarde van 50 taler in plaats van 40; en, aangezien het hem om gebruikswaarden gaat, zouden deze levensbehoeften op zichzelf voor hem van waarde zijn.

Op deze illusie dat de nieuwe winst niet ontstaat door de ruil van de 9 arbeidsuren die in de 40 taler zijn geobjectiveerd tegen 12 levende, d.w.z. dat op dit deel een surpluswaarde van 25 % ontstaat, maar dat het totale kapitaal in gelijke mate is toegenomen met 10 % – 10 % op 60 is 6 en op 40 is 4 – berust de samengestelde renteberekening [samengestelde interest, of ook: rente op rente] van de beruchte Dr. Price, die de schitterende Pitt tot de onzin van zijn sinking fund heeft aangezet. [Bedoeld wordt het amortisatiefonds voor de nationale schuld, opgericht door de Britse premier William Pitt in 1786.] Door de identiteit van het meergewin [Mehrgewinns] met de surplusarbeidstijd – absoluut en relatief – wordt een kwalitatieve grens gesteld aan de accumulatie van kapitaal, de arbeidsdag, de tijd waarin het arbeidsvermogen van de arbeider binnen 24 uur actief kan zijn – de graad van ontwikkeling van de productiviteit – en de bevolking, die het aantal gelijktijdige arbeidsdagen uitdrukt, enz. Indien daarentegen het meergewin alleen als rente wordt opgevat, d.w.z. als een verhouding volgens welke het kapitaal door middel van een denkbeeldige goocheltruc toeneemt, dan is de grens alleen kwantitatief, en dan is het volstrekt onmogelijk in te zien waarom het kapitaal niet om de andere dag de rente naar zichzelf toetrekt als kapitaal en zo rente schept uit zijn rente in oneindige geometrische progressie. De praktijk heeft de economen geleerd dat de rente-vermenigvuldiging van Price onmogelijk is, maar zij hebben nooit daarin de grove fout ontdekt.

Van de 110 taler aan het eind van de productie, zijn er 60 taler (materiaal en instrument), voor zover het waarden betreft, absoluut onveranderd gebleven. De arbeider heeft niets van hen afgenomen en niets toegevoegd. Dat hij de geobjectiveerde arbeid gratis ontvangt, door het feit dat zijn arbeid levende arbeid is – lijkt, vanuit het standpunt van de kapitalist, te betekenen alsof de arbeider de kapitalist nog moet betalen om toestemming te krijgen om de gepaste arbeidsverhouding aan te gaan met de geobjectiveerde momenten – de objectieve voorwaarden. Wat de overige 50 taler betreft, 40 taler daarvan vertegenwoordigen nu niet alleen het onderhoud, maar de werkelijke reproductie, aangezien het kapitaal ze van zichzelf heeft vervreemd in de vorm van loon en de arbeider ze heeft verbruikt; 10 taler vertegenwoordigen een productie bovenop de reproductie, namelijk 1/4 surplusarbeid (van 3 uur). Alleen deze 50 taler zijn het product van het productieproces. Indien dus, zoals ten onrechte wordt beweerd, de arbeider het product met de kapitalist deelde op een zodanige wijze dat hij 9/10 ontving, zou hij niet 40 taler moeten ontvangen (en hij heeft ze vooraf ontvangen en als tegenprestatie gereproduceerd; in feite heeft hij dus het kapitaal volledig terugbetaald, alsmede de reeds bestaande waarden voor de kapitalist gratis in stand gehouden), waardoor slechts 8/10 over zou blijven; maar hij zou 45 moeten ontvangen, waardoor aan het kapitaal slechts 5 over zou blijven. De kapitalist zou dus uiteindelijk slechts 65 taler overhouden als product van het productieproces dat hij met 100 taler is begonnen. Maar van de 40 gereproduceerde taler ontvangt de arbeider niets, net zo weinig als van de 10 taler aan meerwaarde.

Zou men de 40 gereproduceerde taler zo opvatten, dat zij bestemd zijn om opnieuw als loon te dienen, dus ook opnieuw als kapitaal voor de aankoop van levende arbeid, dan kan, wat de verhouding betreft, alleen gezegd worden dat de geobjectiveerde arbeid van 9 uur (40 taler) een levende arbeid van 12 uur (50 taler) koopt en zo een meerwaarde oplevert van 25 % van het werkelijke product (deels gereproduceerd als fonds voor de lonen van de arbeid, deels nieuw geproduceerd als meerwaarde) in het valorisatieproces.

Zojuist was het oorspronkelijke kapitaal van 100:

Arbeidsvoorwaarden
Instrument
Loonarbeid
50
10

40. — Het produceerde een meergewin van 10 taler
(25 % surplustijd). Samen 110 taler.

Stel dat het was geweest:

60 – 20 – 20. Het resultaat is 110 taler; dus de gewone econoom en de nog gewonere kapitalist zeggen dat de 10 % gelijk geproduceerd zijn uit alle delen van het kapitaal. Nogmaals, 80 taler aan kapitaal zouden alleen behouden zijn; er zou geen waardeverandering zijn opgetreden. Alleen de 20 taler zijn geruild tegen 30 taler; de surplusarbeid zou dus met 50 % zijn toegenomen en niet met 25 % zoals eerder.

Neem het derde geval:


    [Arbeidsvoorwaarden:] [Instrument:] [Loonarbeid:]
100:     70 20 10 Resultaat 110.

Dus de onveranderde waarde 90. Het nieuwe product 20; dus meerwaarde of surplustijd 100 %. Wij hebben hier drie gevallen waarin de winst van het gehele kapitaal steeds 10 bedraagt, maar in het eerste geval bedraagt de nieuw gecreëerde waarde 25 % van de geobjectiveerde arbeid die voor de aankoop van levende arbeid wordt besteed, in het tweede geval 50 %, in het derde: 100 %.

Laat de duivel deze vervloekte rekenfouten halen. Het geeft niet. Laten we opnieuw beginnen.

In het eerste geval hadden we:

Onveranderlijke waarde Loonarbeid Meerwaarde Som
60 40 10 110

Wij gaan steeds uit van een arbeidsdag = 12 uur. (Men zou ook kunnen veronderstellen dat de arbeidsdag toeneemt, bv. dat hij vroeger slechts x uren bedroeg, maar nu x + b uren, en dat de productiviteit constant is; of dat beide factoren veranderen).

Produceert de arbeider in 12 uur, 50 taler
dan in 1 uur, 4 1/6 taler
dan in 9 3/5 uur, 40 taler
dan in 2 2/5 uur, 10 taler

De noodzakelijke arbeid van de arbeider is dus 9 3/5 uur (40 taler); de surplusarbeid is dus 2 2/5 uur (waarde van 10 taler). 2 2/5 uur is het 5e deel van de arbeidsdag. De surplusarbeid van de arbeiders is 1/5 dag, dus = de waarde van 10 taler. Als we nu deze 2 2/5 uur beschouwen als het percentage dat het kapitaal heeft gewonnen op de arbeidstijd die is geobjectiveerd in 9 3/5 uur in ruil tegen levende arbeid, dan is 2 2/5 : 9 3/5 = 12/5 : 48/5, d.w.z. ... = 12:48 = 1:4. Dus 1/4 van het kapitaal = 25 % ervan. Net zo 10 taler : 40 taler = 1 : 4 = 25 %.

Laten we nu het hele resultaat samenvatten:

Nr. I

Oorspronkelijk
kapitaal                
Onveranderde
waarde                

Gereproduceerde
waarde voor
lonen                
Meerwaarde
productie                
Totaal
som                
Surplustijd
en -waarde                
% van de geruilde
geobjectiveerde arbeid                
100
taler
60
taler
40
taler
10
taler
110
taler

2 2/5 uren
of 10
taler
25 %

(Men zou kunnen zeggen dat het arbeidsinstrument, de waarde ervan, moet worden gereproduceerd en niet slechts vervangen; aangezien het in feite versleten is, wordt het verbruikt tijdens de productie. Dit is te bekijken bij het vast kapitaal. In feite wordt de waarde van het instrument overgezet in het materiaal; het verandert, in de mate dat het geobjectiveerde arbeid is, het verandert alleen van vorm. Was in het bovenstaande voorbeeld de waarde van het materiaal 50 en van het arbeidsinstrument 10, nu het instrument met 5 is versleten, is het materiaal 55 en het instrument 5; als het helemaal verdwijnt, heeft het materiaal de 60 bereikt. Dit is een onderdeel van het eenvoudige productieproces. In tegenstelling tot het loon is het instrument niet verbruikt buiten het productieproces.)

Nu het tweede:

Oorspronkelijk
kapitaal                
Onveranderde
waarde                

Gereproduceerde
waarde voor
lonen                
Meerwaarde
productie                
Totaal
som                
100
 
80
 
20
 
10
taler
110
taler

Als de arbeider in 12 uur 30 taler produceert, dan is dat in 1 uur 2 2/4 taler, in 8 uur 20 taler, in 4 uur 10 taler. 10 taler is 50 % van 20 taler; evenals 4 uur van de 8 uur; de surpluswaarde = 4 uur, 1/3 van een dag, of 10 taler surpluswaarde.
Dus:

Nr. II

Oorspronkelijk
kapitaal                
Onveranderde
waarde                

Gereproduceerde
waarde voor
lonen                
Meerwaarde
productie                
Totaal
som                
Surplustijd
en -waarde                
% op het
kapitaal                
100
taler
80
taler
20
taler
10
taler
110
taler

4 uren
10
taler
50 %

In het eerste geval, evenals in het tweede, is de winst op het totale kapitaal van 100 = 10 %, maar in het eerste geval bedraagt de reële meerwaarde dat het kapitaal in het productieproces verwerft 25, in het tweede 50 %.

De veronderstelde voorwaarden in nr. II zijn op zich net zo mogelijk als die in nr. I. Maar met elkaar in verband gebracht zijn die van nr. II nietszeggend. Het materiaal en het instrument zijn gestegen van 60 tot 80 taler, de arbeidsproductiviteit is gedaald van 4 1/6 taler per uur tot 2 2/4 taler, en de meerwaarde is met 100 % toegenomen. (Maar als men ervan uitgaat dat de extra uitgaven voor lonen in het eerste geval meer en in het tweede geval minder werkdagen tot gevolg hebben, is de veronderstelling juist.) Het feit dat het noodzakelijke loon, d.w.z. de waarde van de arbeid uitgedrukt in taler, is gedaald, maakt op zich niets uit. Of de waarde van een arbeidsuur wordt uitgedrukt in 2 of in 4 taler, in het eerste geval, evenals in het tweede, ruilt het product van 12 arbeidsuren (in de circulatie) zichzelf tegen 12 arbeidsuren, en in beide gevallen verschijnt de surplusarbeid als meerwaarde. Het zinloze vloeit voort uit het feit dat 1. wij het maximum van de arbeidstijd hebben vastgesteld op 12 uur; wij dus niet meer of minder arbeidsdagen kunnen invoeren; 2. hoe meer wij aan de ene kant het kapitaal laten groeien, hoe meer wij niet alleen de noodzakelijke arbeidstijd laten afnemen, maar ook de waarde ervan moeten verminderen; terwijl de waarde gelijk blijft. In het tweede geval daarentegen zou de prijs moeten stijgen. Dat de arbeider met minder arbeid kan leven, d.w.z. meer kan produceren in dezelfde uren, moet niet blijken uit de daling van de taler voor het noodzakelijke arbeidsuur, maar uit het aantal noodzakelijke arbeidsuren. Indien hij bv., zoals in het eerste voorbeeld, 4 1/6 taler verwerft, maar de gebruikswaarde van deze waarde, die constant moet zijn om de waarde (niet de prijs) uit te drukken, zich zodanig had vermenigvuldigd dat hij niet langer 9 3/5 nodig had, zoals in het eerste geval, maar slechts 4 uur om zijn levende arbeidsvermogen te produceren, dan zou dit in het surplus van waarde moeten worden uitgedrukt. Maar hier hebben wij, zoals wij de voorwaarden hebben gesteld, de variabele “onveranderde waarde”, onveranderd de 10 %, die hier constant zijn als een toevoeging aan de reproductieve arbeid, hoewel zij er verschillende percentages van uitdrukken.

In het eerste geval is de onveranderde waarde kleiner dan in het tweede geval, het totale product van de arbeid is groter; aangezien het ene bestanddeel van 100 kleiner is, moet het andere groter zijn; en aangezien tegelijk dezelfde absolute arbeidstijd vastgelegd is; aangezien voorts het totale product van de arbeid afneemt naarmate de “onveranderde waarde” toeneemt, en toeneemt naarmate deze afneemt, verkrijgen wij voor dezelfde arbeidstijd een minder (absoluut) arbeidsproduct in dezelfde verhouding als er meer kapitaal wordt aangewend. Dit zou volkomen juist zijn, want als van een gegeven som als 100 meer in “onveranderde waarde” wordt gespendeerd, kan minder aan arbeidstijd worden gespendeerd en kan dus relatief tot het gespendeerde kapitaal minder nieuwe waarde worden gecreëerd; maar dan moet de arbeidstijd niet gefixeerd zijn zoals hier, of als hij gefixeerd is, moet de waarde van het arbeidsuur niet dalen zoals hier, wat onmogelijk is als de “onveranderde waarde” groter wordt en de meerwaarde groter; het aantal arbeidsuren zou kleiner moeten worden. Maar dit wordt verondersteld in ons voorbeeld. In het eerste geval gaan wij ervan uit dat in 12 uur arbeid 50 taler worden geproduceerd; in het tweede geval slechts 30 taler. In het eerste geval laten we de arbeider 9 3/5 uur werken; in het tweede 6, hoewel hij per uur minder produceert. Dit is onzin.

Maar zit er niet iets juist in deze cijfers, maar anders begrepen? Neemt de absolute nieuwe waarde niet af, hoewel de relatieve toeneemt, zodra in de bestanddelen van het kapitaal verhoudingsgewijs meer materiaal en instrument wordt opgenomen? In verhouding tot een gegeven kapitaal wordt minder levende arbeid aangewend; dus ook al is het surplus van deze levende arbeid ten opzichte van zijn kosten groter, en stijgt het percentage dus juist ten opzichte van de arbeidslonen, d.w.z. het percentage in verhouding tot het werkelijk verbruikte kapitaal, wordt de absolute nieuwe waarde dan niet noodzakelijkerwijs relatief kleiner dan in het geval van het kapitaal dat minder arbeidsmateriaal en instrument gebruikt (dit is met name het voornaamste punt in de verandering van het onveranderde, d.w.z. door het productieproces als waarde onveranderde waarden) en meer aangewende levende arbeid; juist omdat er relatief meer levende arbeid wordt gebruikt? De toename van het arbeidsinstrument komt dan overeen met de groei van de productiviteit, aangezien de meerwaarde, zoals in de vroegere productiewijze, in geen verhouding staat tot de gebruikswaarde, de productiviteit, en de loutere toename van de productiviteit een meerwaarde schept, zij het geenszins in dezelfde numerieke verhouding. De toename van de productiviteit, die zich moet uiten in een toename van de waarde van het arbeidsinstrument – de omvang die het inneemt in de uitgaven van het kapitaal – leidt noodzakelijkerwijs tot een toename van het materiaal, omdat meer materiaal moet worden bewerkt om meer product te kunnen produceren. (De toename van de productiviteit heeft echter ook betrekking op de kwaliteit; maar alleen op de kwantiteit voor een bepaald product van een bepaalde kwaliteit; de kwaliteit voor een bepaalde kwantiteit; kan op beide betrekking hebben). Welnu, hoewel er minder (noodzakelijke) arbeid is in verhouding tot de surplusarbeid, en absoluut minder levende arbeid in verhouding tot het kapitaal, is het dan niet mogelijk dat de meerwaarde ervan stijgt, hoewel zij in verhouding tot het kapitaal in zijn geheel daalt, d.w.z. de zogenaamde winstvoet daalt? Neem bijvoorbeeld een kapitaal van 100. Het materiaal is oorspronkelijk 30. Instrument 30. (Samen 60 onveranderlijke waarde.) Loon 40 (4 werkdagen). Winst 10. Hier is de winst 25 % nieuwe waarde op de arbeid geobjectiveerd in het loon en 10 % in verhouding tot het kapitaal. Nu wordt het materiaal 40, instrument 40. De productiviteit verdubbelt, zodat nog slechts 2 werkdagen nodig zijn = 20. Stel nu dat de absolute winst minder is dan 10; d.w.z. de winst op het totale kapitaal. Kan de winst op de ingezette arbeid niet meer dan 25 % bedragen, d.w.z. in het aangegeven geval meer dan het vierde deel van 20? In feite is het derde deel van 20 6 2/3; d.w.z. minder dan tien, maar toch 33 1/3 % op de ingezette arbeid, terwijl dit in het vorige geval slechts 25 % was. Hier zouden wij uiteindelijk slechts 106 2/3 hebben, terwijl wij er voorheen 110 hadden, en toch zou met dezelfde som (100) de surplusarbeid, het meergewin groter zijn in verhouding tot de aangewende arbeid dan in het eerste geval; maar aangezien in absolute cijfers 50 % minder arbeid werd gebruikt dan in het eerste geval, terwijl de winst op de gebruikte arbeid slechts 8 1/3 meer bedroeg dan in het eerste geval, volgt hieruit dat de absolute hoeveelheid die hieruit voortvloeit kleiner moet zijn, en hetzelfde geldt voor de winst op het totale kapitaal. Want 20 × 33 1/3 is kleiner dan 40 × 25.

Dit hele geval is onwaarschijnlijk en kan niet worden beschouwd als een algemeen voorbeeld in de economie; voor de toename van de arbeidsinstrumenten wordt hier een toename van het bewerkte materiaal verondersteld, hoewel niet alleen het relatieve maar ook het absolute aantal arbeiders is gedaald. (Natuurlijk, als twee factoren = een derde, moet de ene afnemen naarmate de andere toeneemt). Maar de toename van het arbeidsinstrument naargelang de waarde die het in het kapitaal inneemt, en de vermeerdering van het arbeidsmateriaal naargelang van de waarde ervan bij een relatieve daling van de arbeid, veronderstelt over het geheel genomen een arbeidsdeling, dus een toename van het aantal arbeiders, althans in absolute zin, ook al staat dit niet in verhouding tot de omvang van het aangewende kapitaal.

Maar neem het geval van de lithografische machine, waarmee iedereen zonder speciale vaardigheid litho’s kan maken: stel dat de waarde van het instrument onmiddellijk na de uitvinding ervan groter is dan die welke 4 arbeiders gebruikten voordat dit handige ding werd uitgevonden; er zijn nu nog maar 2 arbeiders nodig (hier vindt, zoals bij veel instrument-achtige machines, geen verdere arbeidsdeling plaats; maar verdwijnt de kwalitatieve verdeling); de instrumenten waren oorspronkelijk slechts 30 waard, maar de benodigde arbeid (d.w.z. nodig voor de kapitalist om winst te maken) is 4 arbeidsdagen. (Er zijn machines, bv. luchtverwarmingsbuizen, waar de arbeid als zodanig geheel verdwijnt, behalve op één punt; de buis wordt op één punt geopend en voert de warmte naar de andere punten; er zijn verder helemaal geen arbeiders nodig. Dit is helemaal het geval (zie Babbage) met energiegeleiders, waar vroeger de energie in materiële vorm van de ene plaats naar de andere werd [overgebracht] door evenzovele arbeiders, voorheen stokers – de geleiding van de ene ruimte naar de andere, is nu een fysisch proces geworden, dat verschijnt als het werk van een aantal arbeiders.) Als hij deze lithografische machine gebruikt als bron van inkomsten, als kapitaal, en niet als gebruikswaarde, neemt het materiaal noodzakelijkerwijs toe, omdat hij meer litho’s kan drukken in dezelfde tijd, en dit is nu juist waar zijn winst vandaan komt. Als deze lithograaf dus een instrument gebruikt van 40, materiaal van 40, arbeidsdagen 2 (20), die hem 33 1/3 % [opleveren], d.w.z. 6 2/3 op 20 geobjectiveerde arbeidstijd, dan bestaat zijn kapitaal, evenals dat van de ander, uit 100, en levert hem slechts 62/3 % op, maar hij wint 33 1/3 op de gebruikte arbeid; de ander wint op het kapitaal 10, op de gebruikte arbeid slechts 25 %. De verkregen waarde op de aangewende arbeid kan kleiner zijn, maar de winst van het gehele kapitaal is groter als de andere bestanddelen van het kapitaal verhoudingsgewijs kleiner zijn. Niettemin zou de transactie met 6 2/3 % op het totale kapitaal en 33 1/3 % op de aangewende arbeid winstgevender kunnen worden dan de transactie die oorspronkelijk gebaseerd was op 25 % winst uit arbeid en 10 % winst uit het totale kapitaal. Veronderstel dat bv. graan enz. zo is gestegen dat het levensonderhoud van de arbeider met 25 % in waarde is gestegen. De 4 dagen werk zouden de eerste lithograaf nu 50 kosten in plaats van 40. Zijn instrumenten en materiaal zouden hetzelfde blijven: 60 taler. Hij zou dus een kapitaal moeten hebben van 110. Zijn winst met een kapitaal van 110 zou 12 zijn (25 %) op de 50 taler voor 4 dagen werk [Marx veronderstelt hier dat de meerwaardevoet na het duurder worden van het arbeidsvermogen dezelfde is gebleven als vóór het duurder worden, d.w.z. voor kapitaal I gelijk aan 25 % en voor kapitaal II gelijk aan 33 1/3 %. Dit is alleen mogelijk als de arbeidsdag navenant langer is geworden. Deze en de volgende berekeningen van Marx zijn onnauwkeurig. Ze zijn in de bewerkte tekst gelaten zoals ze in het manuscript staan, zonder ze telkens te bewijzen.] Dus 12 taler op 110; (d.w.z. 9 1/6 % op het totale kapitaal van 110). De andere lithograaf: machine 40; materiaal 40; maar de 2 dagen arbeid in plaats van 20 zullen hem 25 % meer kosten, dus 25. Hij zou dus 105 moeten hebben; zijn meerwaarde op de arbeid 33 1/3 %, dus 1/3, dus 8 1/3. Hij zou dus op 105 8 1/3 winnen; 13 1/8 %. Veronderstel dus in een cyclus van 10 jaren 5 slechte en 5 goede oogsten tot de bovenstaande gemiddelde verhoudingen; zo zou de eerste lithograaf tegenover de tweede in de eerste 5 jaren 50 taler rente maken; in de tweede 45 5/6; samen: 95 5/6 taler; gemiddelde rente over de 10 jaren 9 7/12 taler. De andere kapitalist zou 31 1/3 hebben gewonnen in de eerste 5 jaar; 65 5/8 in de tweede 5 jaar; samen: 96 23/24 taler; gemiddelde van de 10 jaar: 87/120. Aangezien nr. II meer materiaal verwerkt tegen dezelfde prijs, levert hij het goedkoper af. Daarop zou men kunnen antwoorden dat hij duurder verkoopt omdat hij meer instrument verbruikt; vooral omdat hij meer van de waarde van de machine verbruikt naarmate hij meer materiaal verbruikt; het is echter in de praktijk niet zo dat machines verslijten en sneller moeten worden vervangen naarmate zij meer materiaal verwerken. Maar dit alles doet hier niet ter zake. De verhouding tussen de waarde van de machine en het materiaal wordt in beide gevallen constant verondersteld.

Het voorbeeld wint aan belang als we uitgaan van een kleiner kapitaal, dat meer arbeid en minder materiaal en machines gebruikt, maar een hoog percentage op het hele kapitaal wint; en een groter kapitaal, dat meer machines en meer materiaal gebruikt, verhoudingsgewijs minder, maar absoluut evenveel werkdagen en een kleiner percentage op het geheel, omdat er minder arbeid wordt verricht, die productiever is, arbeidsdeling, enz. Hierbij moet worden aangenomen dat de gebruikswaarde van de machine (die hierboven niet werd verondersteld) aanzienlijk groter is dan haar waarde, d.w.z. dat hun ontwaarding ten dienste van de productie niet in dezelfde verhouding staat tot hun toename van de productie.

Dus, zoals hierboven, een pers (de eerste, een met de hand bediende drukpers; de tweede een automatische drukpers).

Kapitaal I van 100 besteed aan materiaal 30; aan handpers 30; aan arbeid 4 werkdagen = 40 taler; winst 10 %; dus 25 % aan levende arbeid (1/4 surplustijd).

Kapitaal II van 200 besteden aan materiaal 100, pers 60, 4 werkdagen (40 taler); winst op de 4 werkdagen 13 1/3 taler: 1 werkdag en 1/3, terwijl in het eerste geval slechts 1 werkdag; totaal: 413 1/3. D.w.z. 3 1/3 % [Hier begint weer een reeks rekenfouten. In plaats van 413 1/3 moet er 213 1/3 staan, in plaats van 373 % moet er 673 % staan. Naast deze rekenfouten staan er in de tekst onnauwkeurige berekeningen over de prijs van het afzonderlijke gedrukte vel.], terwijl dat in het eerste geval 10 % was. Niettemin is in dit tweede geval de meerwaarde op de aangewende arbeid 13 1/3, in het eerste slechts 10; in de eerste 4 dagen ontstaat in 4 dagen 1 surplusdag; in de tweede 4 [dagen] 1 1/3 surplusdag. Maar de winstvoet op het totale kapitaal is 1/3 of 33 1/3 % kleiner dan in het eerste; het totale bedrag van de winst is 1/3 groter. Stel nu dat het materiaal van 30 en 100 gedrukte vellen zijn; het instrument slijt in dezelfde tijd, in 10 jaar of 1/10 in een jaar. Zo moet nr. I 1/10 van 30 in het instrument vervangen, d.w.z. 3; nr. II 1/10 van 60, d.w.z. 6. Het materiaal komt in geen van beide verder voor in de jaarproductie (die kan worden beschouwd als 4 werkdagen van elk 3 maanden), zie hierboven.

Kapitaal I verkoopt 30 gedrukte vellen tegen 30 materiaal + 3 instrument + 50 (geobjectiveerde arbeidstijd) = 83.

Kapitaal II verkoopt 100 gedrukte vellen tegen 100 materiaal + 6 instrument + 53 1/3 = 159 1/3.

Kapitaal I verkoopt 30 gedrukte vellen tegen 83 taler; 1 gedrukt vel tegen 83/30 taler = 2 taler 23 Silbergroschen.

Kapitaal II verkoopt 100 gedrukte vellen tegen 159 taler 10 Silbergroschen; 1 gedrukt vel tegen 159 taler 10 Silbergroschen/100; d.w.z. 1 taler 9 Silbergroschen 10 Pfennig.

Het is dus duidelijk dat kapitaal I de pineut is, omdat het onzettend veel te duur verkoopt. Welnu, ofschoon in het eerste geval de winst op het totale kapitaal 10 % bedroeg, en in het tweede slechts 3 1/3, nam het eerste kapitaal slechts 25 % van de arbeidstijd in beslag, terwijl het tweede – 33 1/3 in beslag nam. In Kapitaal I is de verhouding tussen de noodzakelijke arbeid en het toegepaste totale kapitaal groter, en daarom verschijnt de surplusarbeid, hoewel in absolute cijfers kleiner dan in Kapitaal II, in de vorm van een grotere winstvoet op het kleinere totale kapitaal. 4 arbeidsdagen op 60 is groter dan 4 op 160; in het eerste geval 1 arbeidsdag op het bestaande kapitaal van 15; in het tweede geval 1 arbeidsdag op 40. Maar in het tweede kapitaal is de arbeid productiever (hetgeen zowel wordt bepaald door het grotere aantal machines, vandaar het grotere aandeel in de kapitaalwaarden, als meer materiaal, waarin de gewerkte surplustijd en dus meer verbruikt materiaal in dezelfde tijd tot uitdrukking komt.) Het creëert meer surplustijd (relatieve surplustijd, d.w.z. tijd bepaald door de ontwikkeling van de productiviteit). In het eerste geval is de surplustijd 1/4, in het tweede 1/3. Het creëert dus tezelfdertijd meer gebruikswaarden en een grotere ruilwaarde; maar deze laatste niet in dezelfde verhouding als de eerste, aangezien, zoals wij hebben gezien, de ruilwaarde niet in dezelfde numerieke verhouding groeit als de arbeidsproductiviteit. De fractionele prijs is dus kleiner dan de totale productieprijs – d.w.z. de fractionele prijs vermenigvuldigd met de hoeveelheid geproduceerde fractionele prijzen [moet waarschijnlijk zijn: producten] is groter. Hadden we nu aangenomen dat de totale som van de werkdagen weliswaar relatief kleiner was dan in nr. I, maar in absolute cijfers groter, dan zou de zaak nog opvallender zijn. De winst van het grotere kapitaal dat met meer machines werkt, zou dus kleiner lijken dan die van het kleinere kapitaal dat met relatief of absoluut meer levende arbeid werkt, juist omdat de grotere winst op levende arbeid kleiner lijkt verdeeld over een totaal kapitaal, waarin de aangewende levende arbeid in een kleinere verhouding staat tot het totale kapitaal dan de kleinere winst op levende arbeid, die in een grotere verhouding staat tot het kleinere totale kapitaal. Maar het feit dat de verhouding in nr. II zodanig is dat meer materiaal kan worden verwerkt, en een groter deel van de waarde wordt geïnvesteerd in het arbeidsinstrumenten, is slechts de uitdrukking van de arbeidsproductiviteit.

Dit is dus de beroemde grap van de ongelukkige Bastiat, die zich er vast van overtuigd had – waarop de heer Proudhon hem niet wist te antwoorden – dat, omdat het winstpercentage op het grotere en productievere totale kapitaal kleiner lijkt, het aandeel van de arbeider groter is geworden, terwijl net omgekeerd zijn surplusarbeid groter is geworden.

Ricardo schijnt het ook niet begrepen te hebben, want anders zou hij de periodieke daling van de winst niet hebben verklaard uit de stijging van de lonen ten gevolge van de stijging van de graanprijzen (en dus van de rente). Maar in wezen is de meerwaarde – voor zover zij de basis is van de winst, maar ook te onderscheiden van de gewone zogenaamde winst – nooit ontwikkeld. De ongelukkige Bastiat zou in het gegeven geval gezegd hebben dat, aangezien in het eerste voorbeeld de winst 10 % is (d.w.z. 1/10), in het tweede slechts 3 1/3 %, d.w.z. 1/33 (laat het procentuele deel weg) [al deze berekeningen zijn onnauwkeurig], de arbeider krijgt 9/10 in het eerste geval, 32/33 in het tweede. In geen van beide gevallen is de verhouding juist, noch hun verhouding tot elkaar.

Wat nu de verdere verhouding van de nieuwe waarde van het kapitaal tot het kapitaal als indifferente totale waarde betreft (en zo kwam het kapitaal als zodanig ons in het begin voor, voordat wij ons in het productieproces begaven, en zo moet het ons aan het einde van het proces ook weer voorkomen), deze moet deels onder de noemer winst worden ontwikkeld, waarbij de nieuwe waarde een nieuw karakter krijgt, en deels onder de noemer accumulatie. Hier is het alleen nodig dat wij eerst de aard van de meerwaarde ontwikkelen als het equivalent van de absolute of relatieve arbeidstijd die door het kapitaal boven de noodzakelijke arbeidstijd aan het werk wordt gezet.

Dat het verbruik tijdens de productie van het deel van de waarde dat in het instrument bestaat, het productie-instrument helemaal niet te onderscheiden is van het materiaal – hier, waar alleen nog de vaststelling van de meerwaarde verklaard moet worden, de zelf-valorisatie – volgt uit het feit dat dit verbruik tot het eenvoudige productieproces behoort, dat daarom reeds hierin – opdat het de tijd [Fälligkeit] heeft om opnieuw te beginnen – de waarde van het verbruikte instrument (hetzij van de eenvoudige gebruikswaarde zelf, hetzij van de ruilwaarde, als de productie reeds tot de arbeidsdeling is overgegaan en althans het surplus wordt geruild) opnieuw moet worden gevonden in de waarde (ruilwaarde of gebruikswaarde) van het product. Het instrument verliest zijn gebruikswaarde in dezelfde mate waarin het bijdraagt tot de verhoging van de ruilwaarde van het materiaal en dient als arbeidsmiddel. Dit punt moet worden onderzocht, hoe dan ook, want het onderscheid tussen de onveranderde waarde als deel van het kapitaal dat behouden blijft, het andere dat gereproduceerd wordt (gereproduceerd voor het kapitaal; vanuit het standpunt van de reële arbeidsproductie: geproduceerd) en dat wat opnieuw wordt geproduceerd, dat is essentieel.

Het is nu tijd een eind te maken aan het probleem van de waarde die voortvloeit uit de vermeerdering van de productiviteit. We hebben gezien: dit creëert meerwaarde (niet alleen een grotere gebruikswaarde), net als met de absolute toename van de surplusarbeid. Als een bepaalde limiet gegeven is, bv. dat de arbeider maar een halve dag nodig heeft om voedsel voor een hele dag te produceren – de natuurlijke grens is bereikt die de arbeider [moet waarschijnlijk zijn: waarbinnen de arbeider] met een gegeven hoeveelheid arbeid een surplusarbeid levert, dan is een verlenging van de absolute arbeidstijd alleen mogelijk door de gelijktijdige inzet van meer arbeiders, de werkelijke arbeidsdag wordt tegelijkertijd vermenigvuldigd, in plaats van verlengd – (de enkele arbeider kan volgens de veronderstelling slechts 12 uur werken; wil men de surplustijd van 24 uur winnen, dan moeten er 2 arbeiders zijn). In dit geval moet het kapitaal, alvorens aan het proces van zelf-valorisatie te beginnen, in ruil met de arbeider 6 arbeidsuren meer kopen, d.w.z. het moet een groter deel van zichzelf afstaan; anderzijds moet het gemiddeld meer aan materiaal ter beschikking stellen om te werken (afgezien van het feit dat de overtollige arbeider aanwezig moet zijn, d.w.z. dat de beroepsbevolking moet zijn gegroeid). De mogelijkheid van het verdere valorisatieproces hangt hier dus af van een eerdere accumulatie van kapitaal (wat zijn materiële bestaan betreft). Groeit daarentegen de productiviteit en daardoor de relatieve surplustijd, dan – vanuit het huidige standpunt kan het kapitaal nog steeds worden beschouwd als een directe productie van voedsel, materiaal, enz. – zijn er minder uitgaven nodig voor de lonen, en wordt de uitbreiding van het materiaal door het valorisatieproces zelf tot stand gebracht. Maar deze kwestie heeft meer te maken met de accumulatie van kapitalen.

We komen nu op het punt waar we het laatst waren. Een toenemende productiviteit verhoogt de surpluswaarde, maar niet de absolute som van de ruilwaarden. Zij verhoogt de waarde omdat zij een nieuwe waarde als waarde schept, d.w.z. een waarde die niet louter een equivalent is, bestemd voor ruil, maar die zich als zodanig doet gelden; in één woord, meer geld. De vraag is: verhoogt het uiteindelijk het bedrag van de ruilwaarden? Au fond wordt dit toegegeven, want Ricardo geeft ook toe dat met de accumulatie van kapitalen de activa toenemen, en dus ook de geproduceerde ruilwaarden. De toename van activa betekent niets anders dan de groei van zelfstandige waarden – geld. Maar Ricardo’s betoog is in tegenspraak met zijn eigen bewering.

Ons oude voorbeeld. 100 taler kapitaal; 60 taler onveranderde waarde; 40 loon; productie 80; dus product = 140.

{Hieruit blijkt weer dat de surpluswaarde op het gehele kapitaal = de helft van de nieuw geproduceerde waarde, omdat de helft ervan = de noodzakelijke arbeid. De verhouding van deze meerwaarde, die altijd gelijk is aan de surplustijd, dus = het totale product van de arbeider min het deel dat zijn loon uitmaakt, hangt af van 1. de verhouding die het onveranderde deel van het kapitaal aanneemt tot het productieve; 2. die de noodzakelijke arbeidstijd aanneemt tot de surplustijd. In het bovenstaande geval is 100 % de verhouding van de surplustijd tot de noodzakelijke; en maakt 40 % op het kapitaal van 100; dus 3. dat het verder afhangt, niet alleen van het verband dat hierboven in 2 is gegeven, maar ook van de absolute omvang van de noodzakelijke arbeidstijd. Indien het onveranderde deel van het kapitaal van 100 80 zou zijn, dan zou dat wat geruild wordt tegen de noodzakelijke arbeid = 20 zijn, en indien dit 100 % surplustijd oplevert, zou de winst van het kapitaal 20 % zijn. Maar als het kapitaal = 200 met dezelfde verhouding van het constante en het variabele deel [Marx gebruikt hier voor het eerst in dit manuscript de termen “constant” en “variabel” kapitaal voor de twee wezenlijk verschillende delen van het kapitaal] (namelijk 3/5 tegen 2/5), zou de som 280 zijn, dus 40 tegen 100. In dit geval zou het absolute winstcijfer stijgen van 40 tot 80, maar de verhouding zou 40 % blijven. Indien echter van de 200 het constante element 120 zou bedragen en de hoeveelheid noodzakelijke arbeid 80, maar deze laatste slechts met 10 %, d.w.z. 8, zou toenemen, dan zou de totale som = 208 zijn, d.w.z. een winst van 4 %; indien deze slechts met 5 zou toenemen, dan zou de totale som 205 zijn, d.w.z. 2 1/2 %.}

Deze 40 surpluswaarde is absolute arbeidstijd.

Stel nu dat de productiviteit verdubbelt: de arbeider zou dus, als een loon van 40 8 uur noodzakelijke arbeid geeft [Marx ging er eerst van uit dat de werkdag = 8 uur, nu stelt hij hem = 12 uur], kan hij nu in 4 uur een hele dag levende arbeid geven. De surplustijd zou dan toenemen (vroeger 2/3 dag om een hele te produceren, nu 1/3 dag). 2/3 van het product van de werkdag zou meerwaarde zijn, en als het uur noodzakelijke arbeid = 5 taler (5 × 8 = 40), dan zou hij nu slechts 5 × 4 = 20 taler nodig hebben. Voor het kapitaal dus een surplusgewin van 20, d.w.z. 60 in plaats van 40. Aan het eind 140, waarvan 60 = de constante waarde, 20 = het loon en 60 = het meergewin; samen 140. De kapitalist kan dan opnieuw beginnen te produceren met 80 taler kapitaal:
Laat kapitalist A in hetzelfde stadium van de oude productie zijn kapitaal van 140 in de nieuwe productie investeren. Volgens de oorspronkelijke verhoudingen heeft hij 3/5 nodig voor het onveranderlijke deel van het kapitaal, d.w.z. 3 × 140/5 = 3 × 28 = 84, zodat er 56 overblijft voor de noodzakelijke arbeid. Voordien besteedde hij 40 aan arbeid, nu 56; 2/5 van 40 bovendien. Dan is zijn kapitaal aan het eind = 84 + 56 + 56 = 196.

Kapitalist B in het hogere productiestadium zou op dezelfde wijze zijn 140 taler voor nieuwe productie gebruiken. Als hij van een kapitaal van 80 er 60 nodig heeft voor onveranderlijke waarde en slechts 20 voor arbeid, dan heeft hij van een kapitaal van 60 er 45 nodig voor onveranderlijke waarde en 15 voor arbeid; het totaal zou dus zijn = 60 + 20 + 20 = 100 in de eerste en in de tweede, 45 + 15 + 15 = 75. Zijn totale opbrengst is dus 175, terwijl die van de eerste = 196. [Marx laat hier de veronderstelling vallen dat kapitalist B produceert bij verdubbelde arbeidsproductiviteit. Volgens de oorspronkelijke premisse zou de berekening moeten luiden: “dus de som zou zijn = 1: 60 + 20 + 60= 140 en 2: 45 + 15 + 45 = 105”.] De toename van de arbeidsproductiviteit betekent niets anders dan dat hetzelfde kapitaal dezelfde waarde creëert met minder arbeid, of dat minder arbeid hetzelfde product creëert met meer kapitaal. Minder noodzakelijke arbeid levert meer surplusarbeid. Die noodzakelijke arbeid is kleiner in verhouding tot het kapitaal, want zijn valorisatieproces is klaarblijkelijk hetzelfde als: het kapitaal is naar verhouding groter dan de noodzakelijke arbeid die het in beweging zet; want hetzelfde kapitaal brengt meer surplusarbeid in beweging, dus minder noodzakelijke arbeid. Indien men, zoals in ons geval, aanneemt dat het kapitaal gelijk blijft, d.w.z. dat beiden opnieuw beginnen met 140 taler, dan moet in het geval van het meer productieve het grootste deel ten laste komen van het kapitaal (namelijk het onveranderlijke deel ervan), en in het geval van het minder productieve het grootste deel ten laste komen van de arbeid. Het eerste kapitaal van 140 zet dus noodzakelijke arbeid in beweging van 56, en deze noodzakelijke arbeid neemt voor zijn proces een onveranderlijk deel van het kapitaal aan van 84. Het tweede zet arbeid in beweging van 20 + 15 = 35, en onveranderlijk kapitaal 60 + 45 = 105 (en uit wat eerder werd ontwikkeld volgt ook dat de toename van de productiviteit de waarde niet in dezelfde mate doet toenemen als zij zelf toeneemt).}

{In het eerste geval is, zoals reeds aangetoond, de absolute nieuwe waarde groter dan in het tweede, omdat de massa aangewende arbeid groter is in verhouding tot de onveranderlijke; terwijl zij in het tweede geval kleiner is, juist omdat de arbeid productiever is. 1. Alleen al het verschil dat de nieuwe waarde in het eerste geval slechts 40 en in het tweede 60 bedroeg, sluit uit dat het eerste met hetzelfde kapitaal als het tweede opnieuw met de productie kan beginnen; want aan beide zijden moet een deel van de nieuwe waarde als equivalent in circulatie worden gebracht, opdat de kapitalist kan leven, en wel van het kapitaal. Indien beiden 20 taler verbruiken, begint de eerste de nieuwe arbeid met 120 kapitaal, de andere eveneens met 120, enz. Zie boven. Op dit geheel nog eens terugkomen; maar de vraag, hoe de nieuwe waarde, die door de grotere productiviteit wordt geschapen, zich verhoudt tot de nieuwe waarde, die door de absoluut toegenomen arbeid wordt geschapen, behoort tot het hoofdstuk over accumulatie en winst.}

Daarom wordt ook van machines gezegd dat zij arbeid besparen; de besparing van arbeid alleen is echter, zoals Lauderdale terecht heeft opgemerkt, niet het kenmerkende; want met behulp van machines doet en schept de menselijke arbeid dingen die zij zonder die machine absoluut niet zou kunnen scheppen. Het laatste heeft betrekking op de gebruikswaarde van machines. De besparing van noodzakelijke arbeid en het scheppen van surplusarbeid is het kenmerk. De grotere productiviteit van de arbeid komt tot uiting in het feit dat het kapitaal minder noodzakelijke arbeid moet kopen om dezelfde waarde en een grotere hoeveelheid gebruikswaarden te creëren, of dat minder noodzakelijke arbeid dezelfde ruilwaarde creëert, meer materiaal valoriseert en een grotere massa gebruikswaarden creëert. De groei van de productiviteit veronderstelt dus, bij een gelijkblijvende totale waarde van het kapitaal, dat het constante deel ervan (bestaande uit materiaal en machines) evenredig toeneemt met het variabele, d.w.z. met dat deel ervan dat zich ruilt met de levende arbeid en dat het fonds vormt voor het arbeidsloon. Tegelijk blijkt dat een kleinere hoeveelheid arbeid een grotere hoeveelheid kapitaal in beweging brengt. Indien de totale waarde van het kapitaal, ingebracht in het productieproces, toeneemt, moet het arbeidsfonds (dit variabele deel van het kapitaal) relatief in verhouding afnemen, als de arbeidsproductiviteit, d.w.z. de verhouding tussen de noodzakelijke arbeid en de surplusarbeid, gelijk is gebleven.

Laten we in het bovenstaande geval aannemen dat het kapitaal 100, een landbouwkapitaal is. 40 taler zaaigoed, mest enz., 20 taler arbeidsinstrument en 40 taler loonarbeid op de oude wijze van produceren (stel dat deze 40 taler = 4 noodzakelijke arbeidsdagen). Deze vormen een som van 140 op de oude wijze van produceren. Verhoog de vruchtbaarheid dubbel, hetzij door verbetering van het instrument, hetzij door betere mest, enz. In dit geval moet het product = 140 taler zijn (in de veronderstelling dat het instrument volledig wordt verbruikt). De vruchtbaarheid verdubbelt, zodat de prijs van de noodzakelijke werkdag met de helft daalt, of dat slechts 4 halve noodzakelijke werkdagen (d.w.z. 2 hele) nodig zijn om 8 te produceren, 2 werkdagen om 8 te produceren is hetzelfde als wanneer 1/4 van elke werkdag (3 uur) nodig is voor de noodzakelijke arbeid. In plaats van 40 taler heeft de pachter nu nog maar 20 te besteden aan arbeid. Aan het einde van het proces zijn de bestanddelen van het kapitaal dus veranderd; van de oorspronkelijke 40 in zaden enz., die nu een dubbele gebruikswaarde hebben; 20 arbeidsinstrumenten en 20 arbeid (2 hele dagen arbeid). Vroeger was de verhouding tussen het constante en het variabele deel van het kapitaal = 60 : 40 = 3 : 2; nu = 80 : 20 of = 4 : 1. Of, als wij het gehele kapitaal beschouwen, de noodzakelijke arbeid = 2/5; nu 1/5. Als de pachter de arbeid in de vroegere verhouding wil blijven gebruiken, met hoeveel moet zijn kapitaal dan groeien? Of, om de kwalijke veronderstelling te vermijden dat hij blijft werken met 60 constant kapitaal en 40 arbeidsfonds – na de verdubbeling van de productiviteit, waardoor verkeerde verhoudingen ontstaan {ook al is dit volkomen juist, bv. voor de pachter, wanneer de seizoenen de productiviteit verdubbelen, en juist voor iedere industrieel, als de productiviteit verdubbelt, niet in zijn tak, maar in de tak waarvan hij de output gebruikt; d.w.z. als bv. ruwe katoen 50 % minder kost en graan (d.w.z. de lonen) en het instrument net zo; hij zou dan net als voorheen 40 taler voor ruwe katoen uitgeven, maar tweemaal de hoeveelheid, 20 voor machines, 40 voor arbeid}; want men neemt aan dat het kapitaal, ondanks de verdubbelde productiviteit, het kapitaal met dezelfde samenstellende delen is blijven werken, dezelfde hoeveelheid noodzakelijke arbeid bleef aanwenden zonder meer uit te geven aan materiaal en arbeidsinstrument; {Stel dat de productiviteit van het katoen alleen verdubbeld is, de machine blijft hetzelfde, dan – dit moet verder onderzocht worden.} de productiviteit is dus verdubbeld, zodat, indien hij vroeger 40 taler aan arbeid had moeten besteden, hij thans nog slechts 20 taler nodig heeft.

(Als men aanneemt dat 4 hele werkdagen nodig waren – elk = 10 taler om voor hem een surplus van 4 hele werkdagen te creëren, en dit surplus wordt hem verschaft door de verandering van 40 taler katoen in garen, dan heeft hij nu slechts 2 hele werkdagen nodig om dezelfde waarde te creëren – namelijk 8 arbeidsdagen; de waarde van het garen drukte vroeger een surplustijd uit van 4 werkdagen, nu van 6.) Of elk van de arbeiders had vroeger 6 uur noodzakelijke arbeidstijd nodig voor 12; nu 3. De noodzakelijke arbeidstijd was 12 x 4 = 48 [uren] of 4 dagen. In elk van deze dagen is de surplustijd = 1/2 dag (6 uur). Het [de noodzakelijke arbeidstijd] is nu 12 x 2 = 24 [uren] of 2 dagen; 3 uren [in dagen]. Om surpluswaarde op te brengen, moest elk van de 4 arbeiders 6 x 2 uur werken, d.w.z. 1 dag; nu hoeft hij nog maar 3 x 2 te werken, d.w.z. 1/2 dag. Of 4 een halve dag of 2 een hele dag werken, is hetzelfde. De kapitalist zou 2 arbeiders kunnen ontslaan. Hij zou hen zelfs moeten ontslaan, omdat hij van een bepaalde hoeveelheid katoen maar een bepaalde hoeveelheid garen kan maken; dat wil zeggen, hij kan hen niet langer 4 hele dagen laten werken, maar slechts 4 halve dagen. Maar als de arbeider 12 uur moet werken voor 3 uur, d.w.z. zijn noodzakelijke loon, dan zal hij, als hij 6 uur werkt, slechts 1 1/2 uur ruilwaarde ontvangen. Maar als hij 12 uur kan leven van 3 uur noodzakelijke arbeid, dan kan hij daarmee maar 6 uur leven. Elk van de 4 arbeiders zou dus, wanneer ze alle 4 ingezet worden, maar een halve dag kunnen leven, d.w.z. ze kunnen niet alle 4 als arbeiders in leven worden gehouden door hetzelfde kapitaal, maar slechts 2. De kapitalist kon met het oude fonds er 4 betalen voor 4 halve dagen arbeid; dan betaalde hij er 2 te veel en geeft hij de arbeiders een cadeau dankzij de productiekracht; hij kan immers slechts 4 halve dagen levende arbeid gebruiken; dergelijke “mogelijkheden” komen in de praktijk niet voor, en nog minder kan er hier sprake van zijn, waar het om de kapitaalverhouding als zodanig gaat).

20 taler van het kapitaal van 100 worden niet direct in de productie gebruikt. De kapitalist besteedt nog steeds 40 taler aan materiaal, 20 aan instrumenten, dus 60, maar slechts 20 taler aan arbeid (2 arbeidsdagen). Van het gehele kapitaal van 80 besteedt hij 3/4 (60) aan het constante deel en slechts 1/4 aan arbeid. Als hij dan de resterende 20 op dezelfde wijze gebruikt, is 3/4 voor constant kapitaal, 1/4 voor arbeid; d.w.z. 15 voor het eerste, 5 voor het tweede. Aangezien wordt verondersteld dat een werkdag = 10 taler, zou 5 slechts = 6 uur = 1/2 werkdag. Het kapitaal zou slechts 1/2 werkdag meer kunnen kopen met de nieuwe waarde van 20, verkregen door productiviteit, om zichzelf in dezelfde verhouding te valoriseren. Het zou moeten verdrievoudigen (namelijk 60) (samen met de 20, 80) om de 2 ontslagen arbeiders of de 2 vroeger volledig aangewende arbeidsdagen te gebruiken. Volgens de nieuwe verhouding gebruikt het kapitaal 3/4 van het constante kapitaal om 1/4 van het arbeidsfonds te gebruiken.

Dus als 20 het gehele kapitaal is, dan is 3/4 d.w.z. 15 constant en 1/4 arbeid (d.w.z. 5) = 1/2 werkdag.

Met een heel kapitaal van 4 × 20, dus 4 × 15 = 60 constant, dus 4 × 5 = 20 loon = 4/2 werkdagen = 2 werkdagen.

Indien dus de productiviteit van de arbeid verdubbelt, zodat een kapitaal van 60 taler, aan materiaal en instrument, nog slechts 20 taler arbeid (2 werkdagen) nodig heeft voor de valorisatie ervan, waar het vroeger 100 nodig had [totaal kapitaal], dan zou het totaal kapitaal moeten toenemen van 100 tot 160, of het kapitaal van 80 dat nu moet worden verhandeld, zou moeten verdubbelen om alle arbeidskrachten die uit het arbeidsproces zijn gegaan, te behouden. Maar door de verdubbeling van de productiviteit wordt slechts een nieuw kapitaal gevormd van 20 taler = 1/2 van de vroeger aangewende arbeidstijd; en dit is maar voldoende om 1/2 werkdag meer te gebruiken. Het kapitaal, dat vóór de verdubbeling van de productiviteit 100 was en 4 werkdagen gebruikte (in de veronderstelling dat 2/5 = 40 arbeidsfonds), zou nu, omdat het arbeidsfonds tot 1/5 van 100 is gedaald, moeten stijgen tot 20 = 2 werkdagen (tot 1/4 van 80, het kapitaal dat nieuw in het valorisatieproces komt), tot 160, met 60 %, om nog 4 werkdagen te kunnen gebruiken zoals voorheen. Met de 20 taler, aan het arbeidsfonds onttrokken ten gevolge van de toename van de productiviteit, kan hij nu slechts 1/2 werkdag opnieuw gebruiken, als men met het gehele oude kapitaal als voorheen wil blijven werken. Met 100 had het vroeger 16/4 (4 dagen) werkdagen; nu kan het nog slechts 10/4 gebruiken. Als dus de productiviteit verdubbelt, moet het kapitaal zich niet verdubbelen om dezelfde noodzakelijke arbeid, 4 werkdagen, in beweging te brengen, d.w.z. niet tot 200 toenemen, maar moet het maar groeien met het geheel minus het aan het arbeidsfonds onttrokken deel. (100 – 20 = 80) x 2 = 160.

(Daarentegen had het eerste kapitaal, vóór de toename van de productiviteit, dat 100 uitgaf, 60 constant, 40 arbeidsloon (4 arbeidsdagen), om 2 dagen meer aan te wenden, het slechts nodig om van 100 tot 150 te groeien; namelijk 3/5 constant kapitaal (30) en 2/5 arbeidsfonds (20). Overwegende dat, indien in beide gevallen de [totale] arbeidsdag met 2 dagen zou toenemen, het tweede uiteindelijk 160 zou bedragen; het eerste slechts 150). Van het deel van het kapitaal dat aan het arbeidsfonds wordt onttrokken ten gevolge van de groei van de productiviteit, moet een deel weer worden omgezet in materiaal en instrument, een ander deel wordt geruild tegen levende arbeid; dit kan alleen gebeuren in de verhoudingen tussen de verschillende delen gesteld door de nieuwe productiviteit. Het kan niet meer in de oude verhouding gebeuren, want de verhouding van het arbeidsfonds tot het constante fonds is gedaald. Indien het kapitaal van 100 voor 2/5 als arbeidsfonds werd aangewend (40), en ten gevolge van de verdubbeling van de productiviteit nog maar voor 1/5 (20), dan is 1/5 van het kapitaal vrij geworden (20 taler); het gebruikte deel 80 wordt slechts voor 1/4 als arbeidsfonds aangewend. Dus ook de 20 geven maar 5 taler uit (1/2 werkdag). Het hele kapitaal van 100 gebruikt nu dus 2 1/2 werkdag; of het zou moeten groeien tot 160 om er weer 4 te gebruiken.

Als het oorspronkelijke kapitaal 1.000 was geweest, en op dezelfde wijze verdeeld: 3/5 constant kapitaal, 2/5 arbeidsfonds, dan 600 + 400 (laat 400 gelijk zijn aan 40 werkdagen; elke werkdag = 10 taler). Verdubbelt men nu de arbeidsproductiviteit, d.w.z. dat slechts 20 werkdagen nodig zijn voor hetzelfde product (= 200 taler), dan zou het kapitaal, dat nodig is om de productie opnieuw te beginnen, = 800 zijn; dat is 600 + 200; 200 taler zou vrijgekomen zijn. Als deze in dezelfde verhouding worden gebruikt, dan is 3/4 constant kapitaal = 150 en 1/4 arbeidsfonds = 50. Als dus de 1.000 taler volledig worden aangewend, dan is 750 constant + 250 arbeidsfonds = 1.000 taler. Maar 250 arbeidsfonds zou = 25 werkdagen zijn (d.w.z. het nieuwe fonds kan de arbeidstijd slechts toepassen in de nieuwe verhouding, d.w.z. 1/4; om de gehele vroegere arbeidstijd toe te passen, zou het moeten verviervoudigen). Het vrijgemaakte kapitaal van 200 werd omgezet in een arbeidsfonds van 50 = 5 werkdagen (1/4 van de vrijgemaakte arbeidstijd). (Het deel van het arbeidsfonds dat van het kapitaal is losgemaakt, wordt zelf alleen als kapitaal toegepast op 1/4 arbeidsfonds; d.w.z. alleen in de verhouding waarin het deel van het nieuwe kapitaal dat het arbeidsfonds is, staat tot de totale som van het kapitaal). Om 20 werkdagen (4 x 5 werkdagen) aan te wenden, zou dit fonds dus moeten groeien van 50 naar 4 x 50 = 200; het vrijgekomen deel van 200 zou dus moeten toenemen tot 600, d.w.z. verdrievoudigen; zodat het totale nieuwe kapitaal 800 zou bedragen. Dus het totale kapitaal is 1.600; hiervan 1200 als constant, en 400 arbeidsfonds. Indien dus een kapitaal van 1.000 oorspronkelijk een arbeidsfonds bevatte van 400 (40 werkdagen), en het nu, ten gevolge van een verdubbeling van de productiviteit, een arbeidsfonds van slechts 200 moet aanwenden om de nodige arbeidskrachten te kopen, d.w.z. slechts de helft van de vroegere arbeid; dan zou het kapitaal met 600 moeten toenemen om alle vroegere arbeid in haar geheel aan te wenden (om een zelfde hoeveelheid surplustijd te hebben). Het zou het dubbele van het arbeidsfonds moeten kunnen aanwenden, namelijk 2 x 200 = 400; maar aangezien de verhouding van het arbeidsfonds tot het totale kapitaal nu = 1/4, zou hiervoor een totaal kapitaal van 4 x 400 = 1.600 nodig zijn.

{Het totale kapitaal dat nodig zou zijn om de oude arbeidstijd aan te wenden is dus = het oude arbeidsfonds vermenigvuldigd met de noemer van de breuk die nu de verhouding uitdrukt van het arbeidsfonds tot het nieuwe totale kapitaal. Als de verdubbeling van de productiviteit dit tot 1/4 heeft verminderd, vermenigvuldigt men met 4; indien tot 1/3, vermenigvuldigt men met 3. Is de productiviteit verdubbeld, dan is de noodzakelijke arbeid, en dus het arbeidsfonds, verminderd tot 1/2 van zijn vroegere waarde; dit is 1/4 ten opzichte van het nieuwe totale kapitaal van 800, of 1/5 ten opzichte van het oude totale kapitaal van 1.000. Of het nieuwe totale kapitaal is = 2 x het oude kapitaal minus het vrijgekomen deel van het arbeidsfonds (1.000 – 200) x 2 = (800) x 2 = 1.600. Het nieuwe totale kapitaal drukt precies de totale som uit van het constante en variabele kapitaal dat nodig is om de helft van de oude arbeidstijd aan te wenden (1/3, 1/4, enz. 1/x afhankelijk van hoe de productiviteit is toegenomen 3 x, 4 x, X x); 2 x dus het kapitaal om het volledig aan te wenden (of 3 x, 4 x, X x, enz.), afhankelijk van de verhouding waarin de productiviteit is toegenomen). Wat hier altijd (technologisch) gegeven is, is de oorspronkelijke verhouding van de delen van het kapitaal tot elkaar; hiervan hangt bijvoorbeeld af in welke fracties de vermenigvuldiging van de productiviteit wordt uitgedrukt als een verdeling van de noodzakelijke arbeid.}

Of het is, wat hetzelfde is, = 2 x het nieuwe kapitaal, dat als gevolg van de nieuwe productiviteit de plaats van het oude in de productie inneemt (800 x 2) (de productiviteit zou dus verviervoudigd zijn, vervijfvoudigd, enz. = 4 x, 5 x het nieuwe kapitaal, enz.) Als de productiviteit is verdubbeld, is de noodzakelijke arbeid tot 1/2 verminderd, evenals het arbeidsfonds. Als het dan, zoals in het bovenstaande geval, 1.000 bedroeg ... 400, d.w.z. 2/5 van het totale kapitaal, is het nu 1/5 of 200. Het deel waarmee het is verminderd, is het vrijgekomen deel van het arbeidsfonds = 1/5 van het oude kapitaal = 200. 1/5 van het oude = 1/4 van het nieuwe. Het nieuwe kapitaal = het oude + 3/5 van hetzelfde. Later meer over deze gevoeligheden [Pimpeleien], enz.).

Uitgaande van dezelfde oorspronkelijke verhoudingen tussen de delen van het kapitaal en eenzelfde toename van de productiviteit, maakt de grootte of kleinheid van het kapitaal niets uit, wat de algemene stellingen betreft. Een heel andere vraag is of, wanneer het kapitaal vergroot, de verhoudingen dezelfde blijven (maar dit behoort tot de accumulatie). Maar dit verondersteld, zien we hoe de toename van de productiviteit de verhoudingen in de bestanddelen van het kapitaal verandert. Indien in beide gevallen 3/5 oorspronkelijk constant was en 2/5 arbeidsfonds, dan werkt de verdubbeling van de productiviteit op dezelfde wijze op een kapitaal van 100 als op dat van 1.000. (Het woord arbeidsfonds wordt hier slechts gemakshalve gebruikt; wij hebben het kapitaal nog niet in deze definitie ontwikkeld. Tot nu toe twee delen; het ene geruild tegen waren (materiaal en instrument), het andere tegen arbeidsvermogen). (Het nieuwe kapitaal – d.w.z. dat deel van het oude kapitaal dat zijn functie vertegenwoordigt, is = het oude minus het vrijgemaakte deel van het arbeidsfonds; maar dit vrijgemaakte deel = de fractie die de noodzakelijke arbeid uitdrukt (of wat hetzelfde is, het arbeidsfonds), gedeeld door de multiplicator van de productiviteit. Als dus het oude kapitaal = 1.000 en de fractie die de noodzakelijke arbeid of het arbeidsfonds uitdrukt = 2/5, en als de productiviteit verdubbelt, dan is het nieuwe kapitaal dat de functie van het oude vertegenwoordigt = 800, d.w.z. 2/5 van het oude kapitaal = 400; dit gedeeld door 2, de multiplicator van de productiviteit = 2/10 = 1/5 = 200. Dan is het nieuwe kapitaal = 800 en het vrijgemaakte deel van het arbeidsfonds = 200).

We hebben gezien dat onder deze verhoudingen een kapitaal van 100 taler moet groeien tot 160, en een van 1.000 tot 1.600, voor dezelfde arbeidstijd (van 4 of 40 werkdagen), enz.; beide moeten groeien met 60 %, d.w.z. 3/5 van zichzelf (van het oude kapitaal), om het vrijgekomen 1/5 (in het eerste geval 20 taler, in het tweede 200) – het vrijgekomen arbeidsfonds – als zodanig weer te kunnen gebruiken.

{Nota bene. Eerder zagen wij hoe hetzelfde percentage op het totale kapitaal zeer verschillende verhoudingen kan uitdrukken waarin het kapitaal zijn meerwaarde realiseert, d.w.z. surplusarbeid, relatief of absoluut. Indien de verhouding tussen het onveranderlijke deel van de waarde van het kapitaal en het veranderlijke deel (geruild tegen arbeid) zodanig zou zijn dat dit laatste = 1/2 van het totale kapitaal (d.w.z. kapitaal 100 = 50 (constant) + 50 (veranderlijk)), zou het tegen arbeid geruilde deel slechts met 50 % moeten toenemen om 25 % aan kapitaal te geven; namelijk 50 + 50 (+ 25) = 125; terwijl in het bovenstaande voorbeeld 75 + 25 (+ 25) = 125; dat wil zeggen dat het deel dat wordt geruild tegen levende arbeid met 100 % wordt verhoogd om 25 aan kapitaal te geven. Hier zien we dat, als de verhoudingen gelijk blijven, hetzelfde percentage op het totale kapitaal van toepassing is, hoe groot of klein het ook is; d.w.z. als de verhouding van het arbeidsfonds tot het totale kapitaal gelijk blijft; dus, hierboven, 1/4. Namelijk: 100 geeft 125, 80 geeft 100, 1.000 geeft 1250, 800 geeft 1.000, 1.600 geeft 2.000 enz., altijd = 25 %. Indien kapitalen, waarin de bestanddelen in verschillende verhoudingen staan, dus ook de productiviteit, dezelfde percentages geven op het gehele kapitaal, moet de werkelijke meerwaarde in de verschillende takken zeer verschillend zijn.}

(Het voorbeeld is correct, de productiviteit vergeleken onder dezelfde omstandigheden met hetzelfde kapitaal vóór het stijgen van de productiviteit. Laat een kapitaal van 100 een constante waarde van 50 aanwenden, het arbeidsfonds = 50. Het fonds neemt toe met 50 %, dus 1/2; dus het totale product = 125. Het arbeidsfonds van 50 taler is 10 werkdagen, 5 taler voor een dag. Daar de nieuwe waarde 1/2 is, moet de surplustijd = 5 arbeidsdagen zijn; d.w.z. de arbeider, die slechts 10 arbeidsdagen moest werken om 15 te leven, moet voor de kapitalist er 15 werken om 15 te leven; en zijn surplusarbeid van 5 dagen vormt de meerwaarde van het kapitaal. Uitgedrukt in uren, als de werkdag = 12 uur, dan is de surplusarbeid = 6 uur per dag. In 10 dagen of 120 uur werkt de arbeider dus 60 uur = 5 dagen te veel. Nu echter, met de verdubbeling van de productiviteit, zou de verhouding van de 100 taler 75 en 25 zijn, d.w.z. hetzelfde kapitaal moet maar 5 arbeiders in dienst te hebben om dezelfde waarde van 125 te hebben; dus de 5 werkdagen = 10; verdubbeld; d.w.z. 5 werkdagen betaald, 10 geproduceerd. De arbeider hoefde slechts 5 dagen te werken om 10 te leven (vóór de verhoging van de productiviteit moest hij 10 werken om 15 te leven; dus als hij 5 werkte, kon hij slechts 7 1/2 leven); maar hij moet 10 werken voor de kapitalist om 10 te leven; deze laatste profiteert dus 5 dagen; 1 dag per dag; of, uitgedrukt per dag, vroeger moest hij 1/2 werken om 1 te leven (d.w.z. 6 uur om 12 te leven); nu hoefde hij slechts 1/4 te werken om 1 te leven (d.w.z. 3 uur). Als hij een hele dag werkte, kon hij 2 leven; als hij 12 uur werkte, 24; als hij 6 uur werkte, 12 uur. Maar hij moet nu 12 uur werken om 12 uur te leven. Hij hoefde maar 1/2 te werken om 1 te leven; maar hij moet 2 x 1/2 = 1 werken om 1 te leven. In de oude toestand van productiviteit moest hij 10 dagen werken om 15 te leven, of 12 uren om 18 te leven; of 1 uur om 1 1/2 te leven, of 8 uren om 12 te leven, d.w.z. 2/3 dag om 3/3 te leven. Maar hij moet 3/3 werken om 3/3 te leven, d.w.z. 1/3 te veel. De verdubbeling van de productiviteit verhoogt de verhouding van de surplustijd van 1 : 1 1/2 (d.w.z. 50 %) tot 1 : 2 (d.w.z. 100 %). [Met verdubbeling van de productiviteit bedoelt Marx hier de verdubbeling van het percentage van de meerwaardevoet van 50 % tot 100 %, niet, zoals elders, de verdubbeling van de in dezelfde tijd geproduceerde gebruikswaarden.] In de vroegere arbeidstijdverhouding: had hij 8 nodig om 12 te leven, d.w.z. 2/3 van de hele dag was noodzakelijke arbeid; nu heeft hij nog maar 1/2 nodig, d.w.z. 6, om 12 te leven. Daarom heeft het kapitaal nu 5 arbeiders in plaats van 10 in dienst. Als de 10 (die 50 kosten) voorheen 75 produceerde, dan nu 25, 50; d.w.z. de eerste 50 %, de tweede 100. De arbeiders werken nog steeds 12 uur; maar in het eerste geval kocht het kapitaal 10 arbeidsdagen, nu nog maar 5; omdat de productiviteit verdubbeld is, leveren de 5 – 5 surplusarbeidsdagen; omdat in het eerste geval 10 arbeidsdagen slechts 5 surplusarbeidsdagen geven; nu is de productiviteit verdubbeld, d.w.z. gestegen van 50 % tot 100 % – 5 [arbeidsdagen] 5; in het eerste geval leveren 120 arbeidsdagen (= 10 arbeidsdagen) 180, in het tweede 60 [arbeidsdagen] 60; d.w.z. in het eerste geval is de surplustijd op de hele dag 1/3 (op de noodzakelijke arbeidstijd 50 %); (d.w.z. op 12 uur 4; de noodzakelijke tijd 8); in het tweede geval is de surplustijd op de hele dag 1/2 (op de noodzakelijke arbeidstijd 100 %) (d.w.z. op 12 uur 6; de noodzakelijke tijd 6); derhalve gaven de 10 dagen in het eerste geval 5 dagen surplustijd (-arbeid), en in het tweede geven de 5, 5. (De relatieve surplustijd is dus verdubbeld; ten opzichte van de eerste verhouding is deze slechts met 1/2 tegen 1/3 gegroeid; d.w.z. met 1/6, d.w.z. met 16 4/6 %.)}


Constant
        Variabel
100     60     +         40 (oorspronkelijke verhouding)
100 75 +         25 (+ 25) = 125 (25 %)
160 120 +         40 (+ 40) = 200 (25 %)

Aangezien de surplusarbeid of surplustijd de voorwaarde is voor het kapitaal, is het dus gebaseerd op het uitgangspunt dat er een surplus is aan arbeidstijd, nodig voor het behoud en de reproductie van het individu; dat het individu bv. maar 6 uur moet werken om één dag te leven, of 1 dag om 2 dagen te leven, enz. Met de ontwikkeling van de productiviteit neemt de noodzakelijke arbeidstijd af en dus de surplustijd toe. Of ook, dat één persoon voor twee kan werken, enz.

(“Rijkdom is beschikbare tijd en niets meer, [p. 6] ... Indien al de arbeid van een land toereikend zou zijn om in het onderhoud van de gehele bevolking te voorzien, zou er geen meerarbeid zijn, bijgevolg niets dat als kapitaal kan geaccumuleerd worden, [p. 4] ... Een natie is echt rijk als er geen rente is of als mensen 6 uur werken in plaats van 12. [p. 6.] ... Wat de kapitalist ook toekomt, hij kan alleen de meerarbeid van de arbeider ontvangen; want de arbeider moet leven.” (The source and remedy of the national difficulties) (pp. 27, 28.)

Eigendom. Oorsprong van de arbeidsproductiviteit.

“Als men slechts genoeg kan produceren voor één, is iedereen arbeider; er kan geen eigendom zijn. Als de arbeid van één man er vijf kan onderhouden, zullen er vier werklozen zijn voor één die in de productie werkt. Eigendom groeit uit de verbetering van de wijze van productie ... De toename van eigendom, die grotere capaciteit om werklozen en onproductieve industrie in stand te houden = kapitaal ... De machine zelf kan zelden met succes worden gebruikt om de inspanningen van een individu te beperken; er zou meer tijd verloren gaan aan de constructie ervan dan door het gebruik ervan zou kunnen worden bespaard. Het is pas echt nuttig wanneer het op grote schaal werkt, wanneer een enkele machine de arbeid van duizenden kan ondersteunen. Het is dan ook altijd het talrijkst in de dichtstbevolkte landen, waar de meeste inactieven wonen. Het wordt niet in bedrijf genomen wegens gebrek aan mensen, maar als een mogelijkheid tot concentratie ... Niet 1/4 van de Engelse bevolking levert alles wat door iedereen wordt geconsumeerd. Onder Willem de Veroveraar, bv., was het aantal direct betrokkenen bij de productie veel groter dan bij de inactieven.” (Ravenstone. IX, 32.)

Enerzijds creëert kapitaal de surplusarbeid, anderzijds is de surplusarbeid evenzeer een voorwaarde voor het bestaan van kapitaal. De hele ontwikkeling van rijkdom is gebaseerd op de creatie van beschikbare tijd. De verhouding tussen noodzakelijke arbeidstijd en overbodige arbeidstijd (zo is het in de eerste plaats vanuit het standpunt van noodzakelijke arbeid) verandert in de verschillende ontwikkelingsstadia van de productiviteit. In de minder productieve stadia van het ruilverkeer ruilen de mensen niets meer dan hun overbodige arbeidstijd; dit is de maatstaf van hun ruil, die zich dus alleen uitstrekt tot de overbodige producten. In een productie die op kapitaal berust, is het bestaan van noodzakelijke arbeidstijd afhankelijk van het ontstaan van overbodige arbeidstijd. In de laagste productiestadia worden er in de eerste plaats nog maar weinig menselijke behoeften geproduceerd, en dus ook maar weinig bevredigd. De noodzakelijke arbeidstijd is dus beperkt, niet omdat arbeid productief is, maar omdat weinig nodig is; en ten tweede bestaat er in alle stadia van de productie een zekere gemeenschappelijkheid van arbeid, een maatschappelijk karakter van de arbeid, enz. Later ontwikkelt zich de maatschappelijke productiviteit, enz. (Hierop terugkomen.)

Surplustijd is het teveel van de werkdag ten opzichte van het deel dat wij de noodzakelijke arbeidstijd noemen; ten tweede als een toename van het aantal simultane werkdagen, d.w.z. van de beroepsbevolking. (Het kan ook worden gecreëerd – maar dit wordt hier slechts terloops vermeld, het hoort thuis in het hoofdstuk over loonarbeid – door middel van gedwongen verlenging van de werkdag buiten zijn natuurlijke grenzen; door vrouwen en kinderen toe te voegen aan de beroepsbevolking.) De eerste verhouding, die tussen de surplustijd en de noodzakelijke tijd per dag, kan worden gewijzigd en wordt gewijzigd door de ontwikkeling van de productiviteit, zodat de noodzakelijke arbeid wordt ingeperkt tot een steeds kleiner aliquot deel. Hetzelfde geldt dan naar verhouding voor de bevolking. Een beroepsbevolking van, zeg, 6 miljoen kan worden beschouwd als een werkdag van 6 × 12, d.w.z. 72 miljoen uren: zodat hier dezelfde wetten gelden.

Het is, zoals wij hebben gezien, de wet van het kapitaal om surplusarbeid, beschikbare tijd, te scheppen; het kan dit alleen doen door noodzakelijke arbeid in beweging te brengen – d.w.z. door een ruil met de arbeider aan te gaan. Er is dus een tendens om zoveel mogelijk arbeid te scheppen; evenzeer als het een tendens is om de noodzakelijke arbeid tot een minimum te brengen. Het is dus evenzeer de tendens van het kapitaal om de beroepsbevolking te doen toenemen, als om een deel ervan voortdurend als overtallig te beschouwen – een deel van de bevolking dat nutteloos is zolang het kapitaal het niet kan gebruiken. (Vandaar de juistheid van de theorie van het bevolkingsoverschot en het kapitaalsurplus). Het is evenzeer de tendens van het kapitaal om menselijke arbeid (relatief) overbodig te maken als om menselijke arbeid tot een overmaat te drijven. Waarde is slechts geobjectiveerde arbeid, en surpluswaarde (valorisatie van kapitaal) is slechts overschot op dat deel van de geobjectiveerde arbeid dat nodig is voor de reproductie van het arbeidsvermogen. Maar arbeid in het algemeen is en blijft de voorwaarde, en surplusarbeid bestaat alleen in verhouding tot noodzakelijke arbeid, dat wil zeggen alleen voor zover die bestaat. Het kapitaal moet dus voortdurend noodzakelijke arbeid aanwenden om surplusarbeid te hebben; het moet die arbeid vermenigvuldigen (namelijk de gelijktijdige werkdagen) om het surplus te vermeerderen; maar tegelijkertijd moet het die als noodzakelijk overstijgen, om ze als surplusarbeid te kunnen construeren.

Als een individuele werkdag opgevat, is het proces natuurlijk eenvoudig: 1. deze te verlengen tot aan de grenzen van de natuurlijke mogelijkheden; 2. het noodzakelijke deel ervan steeds meer in te korten (d.w.z. de productiviteit overmatig te verhogen). Maar de werkdag, ruimtelijk beschouwd – de tijd zelf beschouwd als ruimte – bestaat uit vele werkdagen naast elkaar. Hoe meer werkdagen het kapitaal in één keer kan ruilen, waarin het geobjectiveerde arbeid tegen de levende ruilt, hoe groter tevens de valorisatie. In een bepaald stadium van de ontwikkeling van de productiviteit (en het doet niets af aan het feit dat dit stadium aan verandering onderhevig is), kan zij de natuurlijke grens van de levende werkdag van een individu, slechts overschrijden met een andere gelijktijdige werkdag naast die dag – door de ruimtelijke toevoeging van meer gelijktijdige werkdagen. Ik kan bijvoorbeeld de surplusarbeid van A op 3 uur brengen; maar als ik de dagen van B, C, D, enz. erbij optel, wordt het 12 uur. In plaats van een surplustijd van 3, heb ik er een van 12 gemaakt. Daarom stimuleert het kapitaal de toename van de bevolking en juist het proces waardoor de noodzakelijke arbeid vermindert, maakt het mogelijk om nieuwe noodzakelijke arbeid (en dus surplusarbeid) aan het werk te zetten. (D.w.z. de productie van de arbeider wordt goedkoper, er kunnen meer arbeiders in dezelfde tijd worden geproduceerd, in dezelfde mate als de noodzakelijke arbeidstijd kleiner wordt of de tijd die nodig is voor de productie van het levende arbeidsvermogen relatief kleiner wordt. Dit zijn identieke uitspraken.) (Dit nog afgezien van het feit dat de toename van de bevolking, het mogelijk maakt dat de productiviteit van de arbeid toeneemt door een grotere verdeling en een grotere combinatie van arbeid enz. De toename van de bevolking is een natuurlijke kracht van de arbeid die niet wordt betaald. Vanuit dit gezichtspunt noemen we de natuurlijke kracht de maatschappelijke kracht. Alle natuurlijke krachten van de maatschappelijke arbeid zijn zelf historische producten.) Anderzijds is het de tendens van het kapitaal – evenzeer als voorheen in het geval van de enkele werkdag – nu met betrekking tot de vele gelijktijdige noodzakelijke werkdagen (die, voor zover alleen de waarde in aanmerking wordt genomen, als werkdag kunnen worden beschouwd) deze tot een minimum te reduceren, d.w.z. zoveel mogelijk ervan als niet noodzakelijk te bestempelen, en zoals voorheen met de individuele werkdag de noodzakelijke arbeidsuren te verminderen, ook de noodzakelijke arbeidsdagen te verminderen in verhouding tot het totaal van de geobjectiveerde arbeidstijd. (Als er 6 nodig zijn om 12 overtollige arbeidsuren te produceren, werkt het kapitaal ernaartoe [dat er] daarvoor slechts 4 nodig zijn. Of de 6 werkdagen kunnen worden beschouwd als één werkdag van 72 uur; slaagt men erin de noodzakelijke arbeidstijd met 24 uur te verminderen, dan vallen 2 noodzakelijke werkdagen weg – d.w.z. 2 arbeiders.)

Anderzijds kan het nieuwe surpluskapitaal dat ontstaat, alleen als zodanig worden gevaloriseerd door de ruil tegen levende arbeid. Vandaar de neiging van het kapitaal om de arbeidsbevolking evenzeer te doen toenemen als om het noodzakelijke deel ervan voortdurend te verminderen (om voortdurend een deel ervan weer in reserve te hebben). En de toename van de bevolking zelf is het belangrijkste middel om het te verminderen. Au fond is dit slechts de toepassing van de verhouding [van noodzakelijke en de surplusarbeid] op de individuele werkdag. Hier liggen dus reeds alle tegenstrijdigheden die in de moderne bevolkingstheorie als zodanig zijn uitgedrukt, hoewel zij niet zijn begrepen. Kapitaal als schepping van de surplusarbeid is evenzeer en op hetzelfde moment de schepper en niet-schepper van de noodzakelijke arbeid; het is dat, in zoverre het is en op hetzelfde moment, het niet is.

{Het hoort hier nog niet, maar kan al wel in herinnering worden gebracht, hoe de schepping van surplusarbeid enerzijds overeenkomt met een schepping van min-arbeid, relatieve inactiviteit (of niet-productieve arbeid in het beste geval) anderzijds. Dit geldt vanzelfsprekend voor het kapitaal zelf, maar ook voor de klassen waarmee het samenleeft; dus voor de armen, lakeien, Jenkinsen [hielenlikkers], enz. die leven van het meerproduct, kortom, de hele trein van bedienden; het deel van de bedienende klasse dat niet van een kapitaal, maar van een inkomen leeft. Een essentieel verschil tussen deze dienende klasse en de arbeidende klasse. Met betrekking tot de maatschappij als geheel is de schepping van beschikbare tijd dan ook de schepping van tijd voor de productie van wetenschap, kunst enz. Het verloop van de maatschappelijke ontwikkeling is geenszins dat, omdat een individu zijn behoefte heeft bevredigd, hij vervolgens overvloed voor zichzelf creëert; maar veeleer dat één individu of klasse van individuen gedwongen wordt meer te werken dan nodig is voor de bevrediging van zijn behoefte – omdat er aan de ene kant een surplusarbeid is – ontstaan er aan de andere kant niet-arbeid en een surplusrijkdom. In werkelijkheid bestaat de ontwikkeling van de rijkdom alleen in deze tegenstellingen: in potentie is haar ontwikkeling de mogelijkheid van de opheffing van deze tegenstellingen. Of omdat een individu alleen zijn eigen behoefte kan bevredigen door tegelijkertijd de behoefte en een zelfde surplus voor een ander individu te bevredigen. In slavernij is dit wreed. Alleen onder de voorwaarde van loonarbeid leidt het tot industrie, industriële arbeid. – Malthus is dan ook consequent wanneer hij naast de surplusarbeid en het surpluskapitaal de vraag opwerpt naar overtollige nietsnutten, die consumeren zonder te produceren, of de noodzaak van verspilling van uitgaven, luxe, enz.}

Als de verhouding van de noodzakelijke arbeidsdagen tot het totaal van geobjectiveerde arbeidsdagen = 9 : 12 (d.w.z. overbodige arbeid = 1/4), is het streven van het kapitaal deze verhouding terug te brengen tot 6 : 9 (d.w.z. 2/3, d.w.z. overbodige arbeid = 1/3). (Later nader uit te werken; hier echter de hoofdlijnen, waar het gaat om het algemene begrip van het kapitaal.)


Tweede deel: Het circulatieproces van de kapitalen

Reproductie en accumulatie van kapitaal

We hebben gezien hoe, door het valorisatieproces, het kapitaal: 1. zijn waarde heeft behouden door de ruil (namelijk met de levende arbeid); 2. toenemende surpluswaarde creëerde. Als gevolg van deze eenheid van productie- en valorisatieproces verschijnt nu het product van het proces, d.w.z. het kapitaal zelf, zoals het te voorschijn komt als een product van het proces waarvan het de voorwaarde was – als een product dat een waarde is, of de waarde zelf verschijnt als het product van dit proces, en wel een hogere waarde, omdat het meer geobjectiveerde arbeid bevat dan oorspronkelijk. Deze waarde als zodanig is geld. Dit is enkel op zich het geval; het wordt niet als zodanig gesteld; wat aanvankelijk gesteld was, beschikbaar, is een waar tegen een bepaalde (ideële) prijs, d.w.z. die slechts ideëel bestaat als een bepaalde geldsom en als zodanig alleen in de ruil moet worden gerealiseerd, d.w.z. dat het eerst weer in het proces van de eenvoudige circulatie moet komen om als geld te worden gesteld. Wij komen nu dus aan het derde aspect van het proces, waarin het kapitaal als zodanig wordt gesteld. 3. Het proces van valorisatie van het kapitaal – en geld wordt pas kapitaal door het proces van valorisatie – verschijnt op hetzelfde moment als het ontwaardingproces, de demonetisatie [Außerkurssetzung]. En dit in twee opzichten. Ten eerste, voor zover het kapitaal niet de absolute arbeidstijd verhoogt, maar de relatieve noodzakelijke arbeidstijd verlaagt door de productiekracht te verhogen, verlaagt het zijn productiekosten – voor zover het als een bepaalde som waren werd verondersteld, zijn ruilwaarde: een deel van het bestaande kapitaal wordt voortdurend gedevalueerd door de productiekosten te verlagen waartegen het kan worden gereproduceerd; niet door de arbeid te verlagen die erin wordt geobjectiveerd, maar de levende arbeid die nodig is om zich in dit bepaalde product te objectiveren. Deze voortdurende ontwaarding van het bestaande kapitaal, dat hoort hier niet, omdat dit reeds de voltooiing van het kapitaal veronderstelt. Het dient hier alleen te worden opgemerkt om aan te geven hoe het latere reeds vervat is in het algemene begrip van het kapitaal. Het behoort bij de concentratie en concurrentie van kapitalen. –

De ontwaarding waar het hier om gaat, is kapitaal dat van de geldvorm is overgegaan in die van een waar, een product met een bepaalde te realiseren prijs. Als geld bestond het als waarde. Nu bestaat het als een product en en slechts ideëel als prijs; maar niet als waarde als zodanig. Om zich te valoriseren, d.w.z. om de waarde te behouden en te vermenigvuldigen, moet eerst de geldvorm overgaan in die van de gebruikswaarde (grondstof – instrument – arbeidsloon); maar daardoor zou het zijn vorm als waarde verliezen en zou het opnieuw in circulatie moeten treden, om terug te verschijnen in die vorm van de algemene rijkdom. Het is nu niet meer alleen als een ruiler dat de kapitalist in het circulatieproces komt, maar als een producent tegenover de andere ruilers als consumenten. Zij ruilen geld om zijn waar te ontvangen voor hun consumptie, terwijl hij zijn waar ruilt om hun geld te ontvangen. In de veronderstelling dat dit proces mislukt – en alleen al door de scheiding is de mogelijkheid van dit mislukken in het individuele geval gegeven – is het geld van de kapitalist veranderd in een waardeloos product en heeft het niet alleen geen nieuwe waarde gekregen, maar heeft het ook zijn oorspronkelijke waarde verloren. Of dit nu zo is of niet, in elk geval is de ontwaarding een moment van het valorisatieproces; en dat is eenvoudig te wijten aan het feit dat het product van het proces in zijn onmiddellijke vorm geen waarde is, maar eerst opnieuw in omloop moet komen om als zodanig te worden gerealiseerd. Dus, als kapitaal als waarde en als nieuwe waarde wordt gereproduceerd door het productieproces, wordt het tegelijkertijd als niet-waarde beschouwd, omdat het alleen door ruil kan worden gevaloriseerd. De drie processen, waarvan de eenheid het kapitaal vormt, zijn van buitenaf, in tijd en ruimte gescheiden. Als zodanig is de overgang van het ene naar het andere, d.w.z. hun eenheid ten opzichte van de afzonderlijke kapitalisten, toevallig. Zij bestaan onafhankelijk van elkaar, ondanks hun innerlijke eenheid en elk als een voorwaarde voor de ander. In het algemeen en in zijn geheel beschouwd, moet deze innerlijke eenheid zich noodzakelijkerwijs handhaven in de mate dat de gehele productie op kapitaal berust, en zij moet dus alle noodzakelijke momenten van haar zelfontvouwing [Selbstgestaltung] realiseren en de determinanten bevatten die nodig zijn om deze momenten te verwezenlijken. Op het punt waar wij nu zijn aanbeland, verschijnt het kapitaal nog niet als een conditionerende circulatie (ruil), maar slechts als een moment ervan, en houdt het op kapitaal te zijn op het moment dat het eraan deelneemt. Als waar in het algemeen deelt het kapitaal nu het lot van de waar; het wordt een toeval of het al dan niet tegen geld wordt geruild; of zijn prijs al dan niet wordt gerealiseerd.

In het productieproces – waar kapitaal voortdurend als waarde werd verondersteld – bleek het valoriseren ervan uitsluitend afhankelijk van de verhouding van de geobjectiveerde arbeid tot de levende arbeid; d.w.z. van de verhouding van kapitaal tot loonarbeid. Maar nu als product, als een waar, lijkt het afhankelijk van de circulatie, extern aan het proces. (In feite, zoals we hebben gezien, gaat het er terug in als zijn fundament, maar net zo komt het er weer uit tevoorschijn). Als een waar moet het 1. gebruikswaarde hebben en als zodanig het voorwerp van een behoefte, het voorwerp van consumptie zijn; 2. worden geruild tegen een equivalent – in geld. Alleen bij de verkoop kan de nieuwe waarde worden gerealiseerd.

Als het voorheen geobjectiveerde arbeid bevatte tegen een prijs van 100 taler en nu tegen een prijs van 110 taler (de prijs is hier slechts een uitdrukking, in geld, van de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid), dan moet dit blijken door de ruil van de geproduceerde waren tegen 110 taler. Het product is in eerste instantie ontwaard voor zover het tegen geld moet worden geruild, om zijn vorm als waarde terug te krijgen.

Binnen het productieproces leek de valorisatie volkomen identiek met de productie van de surplusarbeid (de objectivering van de surplustijd), en leek dus geen andere grenzen te hebben dan die welke gedeeltelijk verondersteld en gedeeltelijk gesteld worden binnen dit proces, maar die daarin altijd gesteld worden als te overwinnen barrières. Nu verschijnen er externe barrières. In de eerste plaats is de waar, oppervlakkig beschouwd, maar ruilwaarde voor zover het tegelijkertijd gebruikswaarde is, d.w.z. voorwerp van consumptie (waarbij het nog vrij onverschillig is welk soort consumptie); het houdt op ruilwaarde te zijn wanneer het ophoudt gebruikswaarde te zijn (aangezien het nog niet opnieuw als geld bestaat, maar in een bepaalde bestaanswijze die samenvalt met zijn natuurlijke kwaliteit). De eerste barrière is dus de consumptie zelf – de behoefte eraan. (Volgens het voorgaande kan er geen sprake zijn van een insolvabele behoefte, d.w.z. een behoefte aan een waar dat zelf geen waar of geld zou hebben om in ruil te geven.) In de tweede plaats moet er echter een equivalent voor bestaan, en aangezien de circulatie oorspronkelijk werd verondersteld als een onveranderlijke grootheid – als van een zekere omvang – maar het kapitaal daarentegen in het productieproces een nieuwe waarde heeft gecreëerd, lijkt er in feite geen equivalent voor te bestaan.

Wanneer het kapitaal dus uit het productieproces te voorschijn komt en opnieuw in circulatie komt, lijkt het
a) als productie een belemmering te ondervinden in de beschikbare omvang van de consumptie – de consumptiecapaciteit. Als specifieke gebruikswaarde is de hoeveelheid ervan tot op zekere hoogte irrelevant; dan echter – aangezien zij slechts een specifieke behoefte bevredigt – is zij op een bepaald niveau niet langer nodig voor consumptie. Als specifieke, eenzijdige, kwalitatieve gebruikswaarde, bv. graan, is de hoeveelheid zelf maar tot op zekere hoogte irrelevant; zij is slechts vereist in een bepaalde hoeveelheid, d.w.z. een bepaalde maat. Deze maat wordt echter deels bepaald door zijn kwaliteit als gebruikswaarde – het specifieke nut, de bruikbaarheid – en deels door het aantal ruilers dat behoefte heeft aan deze specifieke consumptie. Het aantal consumenten vermenigvuldigd met de omvang van hun behoefte aan dit specifieke product. Gebruikswaarde op zich heeft geen buitensporige waarde als zodanig. Slechts tot op zekere hoogte kunnen bepaalde voorwerpen worden geconsumeerd en zijn zij voorwerp van behoefte. Bv.: niet meer dan een bepaalde hoeveelheid graan wordt geconsumeerd, enz. Als gebruikswaarde bevat het product dus een grens – juist de grens die bestaat uit de behoefte eraan – die echter niet wordt afgemeten aan de behoefte van de producenten, maar aan de totale behoefte van allen die bij de ruil betrokken zijn. Wanneer de behoefte aan een bepaalde gebruikswaarde ophoudt, houdt zij op een gebruikswaarde te zijn. Als gebruikswaarde wordt zij afgemeten aan de behoefte eraan. Zodra zij echter ophoudt gebruikswaarde te zijn, houdt zij op voorwerp van circulatie te zijn (voor zover zij geen geld is),
b) als nieuwe waarde en waarde in het algemeen schijnt zij echter een grens te hebben bij de omvang van beschikbare equivalenten, in de eerste plaats geld, niet als circulatiemiddel, maar als geld. De surpluswaarde (natuurlijk de oorspronkelijke) vereist een surplus equivalent. Dit is de tweede grens.
c) Oorspronkelijk leek het geld – d.w.z. de rijkdom als zodanig, d.w.z. de rijkdom die bestaat in en door de ruil tegen vreemde geobjectiveerde arbeid – niet te functioneren [zusammenzufallen], voor zover het niet overging in een ruil tegen vreemde levende arbeid, d.w.z. het productieproces. De circulatie was niet in staat zich uit zichzelf te herhalen. Anderzijds lijkt het productieproces nu in een patstelling [a fix] te verkeren, in die zin dat het niet in staat is de overgang te maken naar het circulatieproces. Kapitaal, als productie gebaseerd op loonarbeid, veronderstelt circulatie als de noodzakelijke voorwaarde en het moment van de hele beweging. Deze bijzondere vorm van productie veronderstelt deze bijzondere vorm van ruil, die tot uitdrukking komt in de geldomloop. Om zich te herhalen moet het gehele product in geld worden omgezet; niet zoals in vroegere productiestadia, waar de ruil geenszins betrekking heeft op de totale productie maar alleen op de overbodige productie en de overbodige producten.

Dit zijn de tegenstellingen zoals zij zich voordoen voor een eenvoudige objectieve, onpartijdige zienswijze. Hoe zij in het op het kapitaal rustende productiesysteem voortdurend worden opgeschort, maar ook voortdurend weer tot stand komen – en alleen met geweld worden opgeschort (hoewel deze opschorting tot op zekere hoogte slechts een stille vereffening lijkt) – dat is een andere vraag. Het belangrijkste is eerst het bestaan van deze tegenstellingen vast te stellen. Alle tegenstellingen van de circulatie herleven in een nieuwe vorm. Het product als gebruikswaarde is in tegenspraak met zichzelf als waarde; d.w.z. voor zover het bestaat in een bepaalde kwaliteit, als een specifiek ding, een product van bepaalde natuurlijke eigenschappen, als substantie van behoefte in tegenspraak met zijn substantie, die het als waarde uitsluitend bezit in geobjectiveerde arbeid. Ditmaal echter wordt deze tegenstelling niet meer, zoals in de circulatie, zo gesteld dat zij slechts een formeel verschil is, maar wordt het gemeten-zijn [Gemessensein] aan de hand van de gebruikswaarde hier duidelijk bepaald als het gemeten-zijn door de totale behoefte van de ruilers aan dit product – d.w.z. aan het kwantum van de totale consumptie. Dit verschijnt hier als maatstaf voor haar als gebruikswaarde en dus ook als ruilwaarde. In de eenvoudige circulatie was het gemakkelijk om van de vorm van een bijzondere gebruikswaarde over te stappen op die van de ruilwaarde. Haar belemmering bestond er dan alleen in dat zij, [komende] uit de circulatie, bestond in een bijzondere vorm als gevolg van haar natuurlijke samenstelling, en niet in de waardevorm waarin zij rechtstreeks kon worden geruild tegen alle andere waren. Wat nu wordt gesteld is, dat de maatstaf van haar beschikbaarheid gegeven is in haar natuurlijke hoedanigheid [Beschaffenheit]. Om in de algemene vorm te kunnen worden omgezet, moet de gebruikswaarde in een bepaalde hoeveelheid aanwezig zijn; een hoeveelheid waarvan de maat niet ligt in de erin geobjectiveerde arbeid, maar voortvloeit uit haar aard als gebruikswaarde, en specifiek als gebruikswaarde voor anderen. Aan de andere kant blijkt de vroegere tegenstelling, dat het geld-voor-zichzelf, moest overgaan tot het ruilen van zichzelf tegen levende arbeid, nu nog groter, in die zin dat surplusgeld, om als zodanig te bestaan, of de surpluswaarde, zich moet ruilen tegen een surpluswaarde. Als waarde wordt zij dus evenzeer beperkt door een vreemde productie, net als de gebruikswaarde door de vreemde consumptie; hier wordt zij afgemeten aan de hoeveelheid vraag naar het specifieke product, daar aan de hoeveelheid geobjectiveerde arbeid die in omloop is. De onverschilligheid van de waarde als zodanig ten opzichte van de gebruikswaarde wordt aldus verkeerd gesteld, evenals de inhoud en de maatstaf van de waarde als geobjectiveerde arbeid in het algemeen.

{Wij kunnen nog niet overgaan tot de verhouding tussen vraag, aanbod en prijzen, die in hun concrete ontwikkeling kapitaal veronderstellen. Voor zover vraag en aanbod abstracte categorieën zijn, nog geen uitdrukking van bepaalde economische verhoudingen, zijn ze dan misschien te beschouwen als eenvoudige circulatie of productie?}

Wat hier van belang is – wanneer men het algemene begrip kapitaal beschouwt, dat is dat deze eenheid van productie en valoriseren niet onmiddellijk is, maar een proces is, verbonden aan voorwaarden, en zoals bleek, externe voorwaarden.

{We zagen eerder dat het proces van valorisatie van het kapitaal de voorafgaande ontwikkeling van het eenvoudige productieproces veronderstelt. Dit zal ook het geval zijn met vraag en aanbod, in zoverre dat de eenvoudige ruil een behoefte aan het product veronderstelt. De eigen behoefte van de (directe) producent, als de behoefte van de andere vraag. In de loop van deze ontwikkeling zal blijken wat daarvoor verondersteld moet worden, en dit alles wordt dan in de eerste hoofdstukken ondergebracht [werfen].}

De creatie door het kapitaal van absolute meerwaarde – meer geobjectiveerde arbeid – is afhankelijk van uitbreiding, meer bepaald een voortdurende uitbreiding van de circulatiesfeer. De op een bepaald punt gecreëerde meerwaarde maakt de creatie van meerwaarde op een ander punt noodzakelijk, waartegen zij wordt geruild; al was het maar aanvankelijk de productie van meer goud en zilver, meer geld, zodat, indien de meerwaarde niet onmiddellijk weer kapitaal kan worden, zij in de vorm van geld bestaat als een mogelijkheid tot nieuw kapitaal. Een voorwaarde voor een op kapitaal gebaseerde productie is derhalve de productie van een steeds grotere circulatiesfeer, ongeacht of de sfeer zelf rechtstreeks wordt uitgebreid dan wel of meer plaatsen daarbinnen worden gecreëerd als productieplaatsen [Produktionspunkte]. Terwijl de circulatie eerst een gegeven grootte leek, verschijnt zij hier, door de productie, als een bewegende en uitbreidende hoeveelheid. Daarna verschijnt het zelf als een moment van de productie. Zoals het kapitaal dus enerzijds de tendens heeft om altijd meer surplusarbeid te creëren, zo heeft het de tendens om meer ruillocaties [Austauschpunkte] te creëren, d.w.z. om, vanuit het standpunt van de absolute meerwaarde of de surplusarbeid, meer surplusarbeid – causaal [hervorzurufen] – te produceren; in feite om de productie op basis van het kapitaal of de daarmee overeenstemmende productiewijze te verspreiden. De tendens om de wereldmarkt te creëren is rechtstreeks gegeven in het begrip kapitaal zelf. Elke grens verschijnt als een hindernis die overwonnen moet worden. Allereerst om elk moment van de productie aan de ruil te onderwerpen en de productie van onmiddellijke gebruikswaarden, die niet aan de ruil deelnemen, op te heffen, d.w.z. om de op kapitaal gebaseerde productie in de plaats te stellen van vroegere, vanuit haar standpunt gezien, de natuurvorm [naturwüchsig] van de productiewijze. Hier verschijnt de handel niet langer als een functie tussen de zelfstandige producties voor het ruilen van hun overschotten, maar als een wezenlijk alomvattende vereiste en moment van de productie zelf.

Natuurlijk vermindert elke productie die gericht is op directe gebruikswaarde het aantal ruilers, evenals de som van de in circulatie gebrachte ruilwaarden, en vooral de productie van surpluswaarden. Vandaar de tendens van het kapitaal om 1. de omvang van de circulatie voortdurend uit te breiden; 2. deze op alle punten om te vormen tot een door het kapitaal aangedreven productie.

Aan de andere kant vereist de productie van relatieve surpluswaarde, d.w.z. de productie van surpluswaarde op basis van groei en ontwikkeling van de productiekrachten, de productie van nieuwe consumptie; dat de consumptie binnen de circulatie zich uitbreidt zoals de productie dat voorheen deed. Ten eerste: kwantitatieve uitbreiding van de bestaande consumptie; ten tweede: creatie van nieuwe behoeften door de verspreiding van bestaande behoeften in een ruimere kring; ten derde: productie van nieuwe behoeften en ontdekking en creatie van nieuwe gebruikswaarden. Dit betekent met andere woorden dat de verkregen surplusarbeid niet louter een kwantitatief surplus blijft, maar dat tegelijkertijd de kring van kwalitatieve verschillen binnen de arbeid (dus van surplusarbeid) voortdurend groter wordt, meer divers, gedifferentieerder wordt. Bv. door de verdubbeling van de productiviteit moet nog slechts een kapitaal van 50 worden aangewend, waar dit vroeger 100 was, zodat een kapitaal van 50 en de daarbij behorende noodzakelijke arbeid vrijkomen; voor het vrij geworden kapitaal en de vrij geworden arbeid moet dus een nieuwe, kwalitatief andere bedrijfstak worden gecreëerd, die in een nieuwe behoefte voorziet en schept. De waarde van de oude industrie wordt behouden [door] het creëren van een fonds voor een nieuwe, waar de verhouding van kapitaal en arbeid in een nieuwe vorm wordt gegoten. Dus exploratie van de gehele natuur om nieuwe nuttige eigenschappen van dingen te ontdekken; universele ruil van producten van alle vreemde klimaten en landen; nieuwe (kunstmatige) aanmaak van natuurproducten, waardoor zij nieuwe gebruikswaarden krijgen. {Over de rol van luxe in de oudheid in tegenstelling tot die bij de modernen, zal later worden gesproken.} De exploratie van de aarde in alle richtingen, zowel om nieuwe nuttige voorwerpen en nieuwe eigenschappen voor het gebruik van de oude te ontdekken; alsook nieuwe eigenschappen van grondstoffen enz., de ontwikkeling van de natuurwetenschap dus tot haar hoogste punt; net zo de ontdekking, schepping en bevrediging van nieuwe behoeften die uit de maatschappij zelf voortkomen. Het cultiveren van alle kwaliteiten van de maatschappelijke mens, het produceren van diezelfde mens in een vorm die zo rijk mogelijk is aan behoeften, want rijk aan kwaliteiten en relaties – het produceren van die mens als het meest totale en universeel mogelijke maatschappelijke product – (want om op een veelzijdige manier bevredigd te kunnen worden, moet hij in staat zijn tot vele genoegens, dus in hoge mate gecultiveerd) – is eveneens een op kapitaal gebaseerde productievoorwaarde. Dit ontstaan van nieuwe bedrijfstakken, d.w.z. van kwalitatief nieuwe surplustijd, is niet alleen arbeidsdeling, maar is veeleer het ontstaan, los van een bepaalde productie, van arbeid met een nieuwe gebruikswaarde; de ontwikkeling van een zich voortdurend uitbreidend en meer omvattend systeem van verschillende soorten arbeid, verschillende soorten productie, waarmee een voortdurend uitbreidend en voortdurend verrijkend stelsel van behoeften correspondeert.

Zoals dus de op kapitaal gebaseerde productie de universele industrie – d.w.z. de surplusarbeid, de waardescheppende arbeid – creëert, zo ontstaat er aan de andere kant een systeem van algemene exploitatie van de natuurlijke en de menselijke kwaliteiten, een systeem van algemene utiliteit, inclusief de wetenschap zelf, en evengoed alle fysieke en mentale kwaliteiten, terwijl niets buiten deze maatschappelijke productie en ruil verschijnt als iets hogers-voor-zichzelf, rechtmatig-op-zichzelf. Zo creëert het kapitaal eerst de burgerlijke maatschappij en de universele toe-eigening van de natuur, zoals de maatschappelijke context door de leden van de maatschappij. Door de grote beschavende invloed van het kapitaal; de productie van een maatschappelijk stadium waartegenover alle vorige verschijnen als lokale ontwikkelingen van de mensheid en als afgoderij van de natuur. De natuur wordt uitsluitend [erst] een object voor de mens, een zaak van nut; houdt op erkend te worden als een macht op zich; en de theoretische kennis van haar onafhankelijke wetten blijkt zelf een list om haar te onderwerpen aan menselijke behoeften, hetzij als een voorwerp van consumptie of als productiemiddel. Overeenkomstig zijn tendens gaat het kapitaal daarbij voorbij de nationale grenzen en vooroordelen, evenals de verafgoding van de natuur en de traditionele, zelfvoorzienende bevrediging van bestaande behoeften binnen bepaalde grenzen, en de reproductie van de oude levenswijze. Het is destructief voor dit alles en voortdurend revolutionair, het breekt alle barrières die de ontwikkeling van de productiekrachten, de uitbreiding van de behoeften, de diversiteit van de productie, de exploitatie en ruil van de natuurkrachten en geest belemmeren.

Maar uit het feit dat voor het kapitaal elke grens een hindernis is en er ideëel overheen gaat, volgt helemaal niet dat het die in werkelijkheid heeft overwonnen, en aangezien elke hindernis in tegenspraak is met zijn doel, beweegt zijn productie zich in tegenstellingen die voortdurend worden overwonnen maar evenzeer er voortdurend blijven. Meer zelfs. De universaliteit waarnaar zij onverbiddelijk streeft, vindt in haar eigen aard hinderpalen die haar, in een bepaald stadium van ontwikkeling, zich zullen doen kennen als de grootste hinderpaal voor deze tendens en dus zelf zullen aansturen op de afschaffing ervan.

Economen, zoals Ricardo, die de productie opvatten als onmiddellijk identiek met de zelf-valorisatie van het kapitaal – dus onbezorgd, zij het over de belemmering van de consumptie, zij het de bestaande belemmering van de circulatie zelf, in zoverre dat zij op alle punten tegenwaarden moet vertegenwoordigen, die alleen de ontwikkeling van de productiekrachten en de groei van de industriële bevolking voor ogen hebben – aanbod zonder rekening te houden met de vraag – hebben dus de positieve essentie van het kapitaal correcter en dieper begrepen dan degenen die, zoals Sismondi, de nadruk leggen op de grenzen van de consumptie en de bestaande omvang [kreise] van tegenwaarden, hoewel deze laatste de kortzichtigheid van de op kapitaal gebaseerde productie, haar negatieve eenzijdigheid, beter heeft begrepen. De eerste meer zijn universele tendens, de tweede zijn bijzondere beperktheid. De hele discussie over de vraag of overproductie vanuit het standpunt van het kapitaal mogelijk en noodzakelijk is, draait om de vraag of het valorisatieproces van kapitaal in de productie onmiddellijk zijn valorisatie in de circulatie stelt; of het valoriseren in het productieproces, zijn werkelijke valorisatie is. Ricardo zelf vermoedt natuurlijk dat de ruilwaarde van een waar geen waarde is naast de ruil, en dat zij zich slechts in de ruil als waarde manifesteert; maar hij beschouwt de barrières waarop de productie daarbij stuit als toevallig, als barrières die overwonnen worden. Hij vat het overwinnen van dergelijke barrières dan ook op als behorend tot het wezen van het kapitaal, hoewel hij in de uiteenzetting van die opvatting vaak absurd wordt; terwijl Sismondi daarentegen niet alleen de nadruk legt op het tegenkomen van die hindernissen, maar op het ontstaan ervan door het kapitaal zelf, en een vage intuïtie heeft dat zij tot de ondergang ervan moeten leiden. Hij wil dus van buitenaf, door middel van gewoonte, wet enz. barrières opwerpen voor de productie, die natuurlijk, als louter uitwendige en kunstmatige barrières, noodzakelijkerwijs door het kapitaal zouden worden afgebroken. Aan de andere kant hebben Ricardo en zijn school nooit de werkelijk moderne crisissen begrepen, waarin deze tegenstrijdigheid van het kapitaal uitbarst in grote onweersbuien, die het steeds meer bedreigen als het fundament van de maatschappij en van de productie zelf.

De pogingen ondernomen vanuit het orthodoxe economische standpunt om de algemene overproductie op een gegeven moment te ontkennen, zijn inderdaad kinderachtig. Ofwel, zie bv. MacCulloch, om de op kapitaal gebaseerde productie te redden, wordt het losgemaakt van al zijn specifieke kenmerken, zijn definities, en wordt omgekeerd opgevat als een eenvoudige productie voor onmiddellijke gebruikswaarde. Geheel geabstraheerd van de essentiële verhoudingen. Om het te zuiveren van tegenstrijdigheden, wordt het in feite vrijwel geschrapt en ontkend. – Of zoals Mill bv., scherpzinniger (geïmiteerd door de saaie Say): vraag en aanbod zijn identiek, moeten dus met elkaar overeenstemmen. [John Ramsay MacCulloch, The principles of political economy..., Edinburgh, Londen 1825, p. 190. James Mill schrijft over het constante en noodzakelijke evenwicht tussen de som van aan- en verkopen in zijn boek Elements d’économie politique, Parijs 1823, pp. 250-260. In Zur Kritik der Politischen ökonomie wijst Marx erop dat Jean-Baptiste Say dit idee ontleende aan James Mill in zijn Lettres à M. Malthus, sur différents sujets d’économie politique..., Parijs 1820. Marx gaat uitvoeriger in op de opvattingen van James Mill en Jean-Baptiste Say in Theorien über den Mehrwert] Het aanbod is namelijk een vraag, gemeten naar zijn eigen hoeveelheid. Hier een grote verwarring: 1. Deze identiteit van het aanbod, dus een vraag gemeten naar zijn eigen hoeveelheid, is slechts waar voor zover het ruilwaarde heeft = een bepaalde hoeveelheid geobjectiveerde arbeid. In dit opzicht is het de maatstaf van zijn eigen vraag – wat de waarde betreft. Maar als dergelijke waarde wordt zij slechts gerealiseerd door ruil tegen geld, en als ruilobject tegen geld hangt zij 2. af van haar gebruikswaarde; maar als gebruikswaarde van de hoeveelheid behoeften, de vraag. Als gebruikswaarde wordt zij echter niet in absolute termen gemeten aan de hand van de erin geobjectiveerde arbeidstijd, maar wordt er een norm op toegepast die buiten haar aard als ruilwaarde ligt.

Of ruimer: het aanbod zelf is de vraag naar een bepaald product van een bepaalde waarde (uitgedrukt in de hoeveelheid van het gevraagde product). Als het geleverde product dus onverkoopbaar is, is dit een bewijs dat er te veel van het geleverde product en te weinig van het gevraagde product wordt geproduceerd. Er is dus geen overproductie in het algemeen, maar overproductie in één of enkele artikelen, en onderproductie in andere. Men vergeet dan weer dat wat het producerende kapitaal wil niet een bepaalde gebruikswaarde is, maar waarde voor zichzelf, dus geld – geld niet als circulatiemiddel, maar als algemene vorm van rijkdom of vorm van verwezenlijking van kapitaal volgens de ene kant, teruggang naar zijn oorspronkelijke sluimertoestand volgens de andere kant. De bewering dat er te weinig geld wordt geproduceerd, betekent echter in feite niets anders dan dat de productie niet samenvalt met de valorisatie, dus overproductie, of, wat hetzelfde is, productie die niet om te zetten is in geld, niet te veranderen in waarde; zichzelf niet in stand houdend in de circulatie. Vandaar de illusie van de geld-artiesten (ook Proudhon e.a.) dat er een tekort is aan circulatiemiddelen – vanwege de kostbaarheid van het geld – en dat er kunstmatig meer geld moet worden gecreëerd. (Zie ook de Birminghammers, de Gemini, bv.) [The Currency Question. The Gemini Letters, Londen, 1844, geschreven door twee aanhangers van de Currency School van de Birminghamse bankier Thomas Attwood, T.B. Wright en J. Harlow.]

Of er wordt gezegd dat, vanuit maatschappelijk oogpunt, productie en consumptie hetzelfde zijn, zodat er nooit een overschot of onevenredigheid tussen beide kan zijn. Het maatschappelijke gezichtspunt wordt hier opgevat als een abstractie die geen rekening houdt met de specifieke maatschappelijke structuur en verhoudingen en dus ook niet met de tegenstellingen daaruit. Storch [Henri Storch, Considerations sur la nature du revenu national, Paris 1824, pp. 126-159] heeft bijvoorbeeld zeer terecht tegen Say opgemerkt dat een groot deel van de consumptie geen consumptie voor onmiddellijk gebruik is, maar consumptie in het productieproces, bv. consumptie van machines, kolen, olie, gebouwen, enz. Deze consumptie is geenszins identiek met de consumptie waarmee wij hier te maken hebben. Ook Malthus en Sismondi hebben eveneens terecht opgemerkt dat bv. de consumptie van de arbeiders op zich geenszins een voldoende consumptie is voor de kapitalisten.

Hier wordt het moment van valorisatie volledig overboord gegooid en worden productie en consumptie gewoon naast elkaar gezet, d.w.z. er wordt uitgegaan van een productie rechtstreeks gebaseerd op gebruikswaarde, dus niet op kapitaal. Of socialistisch uitgedrukt: arbeid en ruil van de arbeid, d.w.z. productie en ruil (circulatie) is het hele proces; hoe kan er dan een onevenredigheid ontstaan, behalve door onoplettendheid, misrekening? Arbeid wordt hier niet als loonarbeid beschouwd, kapitaal evenmin als kapitaal. Aan de ene kant worden de gevolgen van de op kapitaal gebaseerde productie aanvaard, aan de andere kant worden de veronderstellingen en voorwaarden van deze gevolgen ontkend – de noodzakelijke arbeid zoals die door en voor de surplusarbeid wordt gesteld. Of – bv. Ricardo – aangezien de productie zelf gereguleerd wordt door de productiekosten, regelt ze zogenaamd zichzelf, en als een bedrijfstak zichzelf niet te gelde maakt, dan trekt het kapitaal zich daar in zekere mate uit terug en richt zich op een ander punt waar het wel nodig is. Maar afgezien van het feit dat deze noodzaak tot nivellering zelf ongelijkheid, disharmonie en dus tegenstrijdigheid veronderstelt – in een algemene crisis van overproductie ligt de tegenstrijdigheid niet tussen de verschillende soorten productief kapitaal, maar tussen industrieel en leenkapitaal – tussen kapitaal zoals het verschijnt als direct betrokken bij het productieproces en zoals het verschijnt als geld dat er zelfstandig (naar verhouding) los van staat. Tenslotte: evenredige productie (dit ook al bij Ricardo, enz.); alleen dan, wanneer het de neiging van het kapitaal is om zich in juiste verhoudingen te verdelen, maar evenzeer zijn noodzakelijke neiging – daar het grenzeloos streeft naar surplusarbeid, surplusproductiviteit, surplusconsumptie, enz. – om buiten de verhoudingen te treden.

(In de concurrentie verschijnt deze inherente tendens van het kapitaal als een dwang vanuit het vreemd kapitaal, dat het voortstuwt buiten de juiste proporties met constant mars, mars! Vrije concurrentie is, zoals de heer Wakefield in zijn commentaar op Smith terecht opmerkt, nooit door economen ontwikkeld, hoezeer er ook over wordt gepocht, en hoezeer het de basis is van alle op kapitaal gebaseerde burgerlijke productie. Het is alleen negatief opgevat: d.w.z. als een ontkenning van monopolies, corporaties, wettelijke regelingen, enz. Als een ontkenning van feodale productie. Maar het moet toch ook iets voor zichzelf zijn, want een loutere 0 is een lege ontkenning, een abstractie, van een belemmering die onmiddellijk weer opduikt bv. in de vorm van monopolies, natuurlijke monopolies enz. Theoretisch is concurrentie niets anders dan de inherente aard van het kapitaal, zijn wezenlijke bepaling, die verschijnt en wordt gerealiseerd als de wisselwerking van de vele kapitalen met elkaar, de inherente tendens als externe noodzaak.) (Het kapitaal bestaat en kan alleen bestaan als vele kapitalen, zijn zelfbeschikking verschijnt dus als hun interactie met elkaar.) Het kapitaal is evenzeer de constante ordening als de opheffing van de evenredige productie. De bestaande verhouding moet altijd worden opgeheven door de schepping van meerwaarde en de toename van de productiekrachten. Deze claim echter, dat de productie gelijktijdig en in dezelfde verhouding wordt uitgebreid, stelt aan het kapitaal externe eisen, die geenszins uit het kapitaal voortkomen; tegelijkertijd duwt het afwijken van de gegeven verhouding in één bedrijfstak, allen uit die tak, en in ongelijke verhoudingen. Tot dusver (want wij zijn nog niet toegekomen aan het kapitaal als circulerend kapitaal en hebben nog steeds aan de ene kant de circulatie, aan de andere kant het kapitaal, of productie als de voorwaarde ervoor of de grond waaruit het voortkomt) heeft de circulatie, vanuit het standpunt van de productie, reeds een verhouding tot de consumptie en de productie – met andere woorden de surplusarbeid als tegenwaarde en specificatie van de arbeid in een steeds rijkere vorm.

Het eenvoudige concept van kapitaal moet, op zich, zijn beschavende tendens enz., al bevatten en niet, zoals in de vorige economieën, louter als een uiterlijk gevolg verschijnen. Op dezelfde manier moeten de tegenstrijdigheden, die later actief worden, reeds latent aanwezig zijn.

Tot nu toe hebben wij in het valorisatieproces alleen de onverschilligheid van de afzonderlijke momenten ten opzichte van elkaar; dat zij elkaar intern bepalen en elkaar extern zoeken; maar dat zij elkaar al of niet vinden, in evenwicht houden, met elkaar overeenstemmen. De interne noodzakelijkheid van momenten die bij elkaar horen, en hun onverschillig, onafhankelijk bestaan ten opzichte van elkaar, zijn reeds fundamentele tegenstellingen.

Wij zijn echter nog lang niet klaar. De tegenstelling tussen productie en valorisatie [het “te gelde maken” – vert.] – waarvan het kapitaal volgens zijn concept de eenheid is – moet zelfs meer immanent begrepen worden dan alleen maar de onverschillige, schijnbaar onafhankelijke verschijning van de afzonderlijke momenten van het proces, of liever van de totaliteit van processen ten opzichte van elkaar.

Om dichter bij het onderwerp te komen: in de eerste plaats is er een beperking die niet inherent is aan de productie in het algemeen, maar aan de productie op basis van kapitaal, en deze beperking is dubbel, of liever hetzelfde, beschouwd in twee richtingen. Het volstaat hier aan te tonen dat het kapitaal een bijzondere beperking van de productie bevat – die in tegenspraak is met zijn algemene neiging om elke belemmering van de productie te overschrijden – om de grondslag van de overproductie, de fundamentele tegenstrijdigheid van het ontwikkelde kapitaal, blootgelegd te hebben; om meer in het algemeen het feit blootgelegd te hebben dat het kapitaal niet, zoals de economen menen, de absolute vorm is voor de ontwikkeling van de productiekrachten – niet de absolute vorm daarvoor, noch de vorm van rijkdom die absoluut samenvalt met de ontwikkeling van de productiekrachten. De productiestadia die aan het kapitaal voorafgaan, lijken, vanuit het standpunt van het kapitaal, eveneens boeien voor de productiekrachten. Maar het kapitaal zelf, correct begrepen, verschijnt als de voorwaarde voor de ontwikkeling van de productiekrachten, zolang deze een externe aansporing nodig hebben, die tegelijk hun beteugeling blijkt te zijn. Het is een discipline over hen, die op een bepaald niveau van hun ontwikkeling overbodig en belastend wordt, net als de gilden enz. Deze inherente grenzen moeten samenvallen met de aard van het kapitaal, met het wezenlijke karakter van zijn concept zelf. Deze noodzakelijke grenzen zijn:

1. De noodzakelijke arbeid als de grens van de ruilwaarde van het levende arbeidsvermogen of het loon van de industriële bevolking;

2. De surpluswaarde als de grens van de surplusarbeidstijd; en, in verhouding tot de relatieve surplusarbeidstijd, als beperking van de ontwikkeling van de productiekrachten;

3. Wat hetzelfde is, de omzetting in geld, de ruilwaarde in het algemeen als de grens van de productie; of de ruil gebaseerd op waarde, of de waarde gebaseerd op ruil, als beperking van de productie. Dat is:

4. weer hetzelfde als de beperking van de productie van gebruikswaarden door ruilwaarde; of dat de reële rijkdom een specifieke, van zichzelf onderscheiden vorm moet aannemen, een vorm die er niet absoluut identiek mee is, om ook maar enig voorwerp van productie te kunnen worden.

Aan de andere kant komt het voort uit de algemene tendens van het kapitaal (wat zich toonde in de eenvoudige circulatie, waar het geld als circulatiemiddel leek te verdwijnen, zonder onafhankelijke [selbständige] noodzaak, en dus niet als grens en barrière) voort dat het vergeet en abstraheert van de:

1. noodzakelijke arbeid als grens van de ruilwaarde van het levende arbeidsvermogen; 2. de surpluswaarde als grens van de surplusarbeid en ontwikkeling van de productiekrachten; 3. geld als grens van de productie; 4. de beperking van de productie van gebruikswaarden door de ruilwaarde.

Vandaar de overproductie: d.w.z. de plotselinge herinnering aan al deze noodzakelijke productiemomenten op basis van het kapitaal; vandaar de algemene ontwaarding als gevolg van dit vergeten. Tegelijk moet het kapitaal, vanuit een meer ontwikkeld niveau van productiekrachten, enz., opnieuw beginnen als kapitaal, met steeds een grotere collaps. Het is dus duidelijk dat hoe hoger de ontwikkeling van het kapitaal is, hoe meer het verschijnt als een rem voor de productie – dus ook voor de consumptie, nog afgezien van de andere tegenstrijdigheden waardoor het verschijnt als een hinderlijke belemmering voor productie en handel.

{Het hele kredietsysteem, en de daarmee samenhangende overproductie, overspeculatie, enz., is gebaseerd op de noodzaak om de circulatieruimte en het ruilverkeer te verbeteren en te overschrijden. Dit verschijnt kolossaler, klassieker, in de verhouding tussen de volkeren dan in de individuele verhoudingen. Zo zijn de Engelsen bijvoorbeeld gedwongen leningen te verstrekken aan naties om hen als hun kopers te hebben. In principe ruilt de Engelse kapitalist twee keer met het productieve Engelse kapitaal, 1. als zichzelf, 2. als een yankee, enz., of onder welke vorm ook, dat hij zijn geld heeft geplaatst.}

Kapitaal als een barrière voor de productie wordt genoemd door bv. Hodgskin:

“In de huidige situatie verhoogt elke kapitaalsaccumulatie de winstmassa die van de arbeider wordt geëist, en elimineert alle arbeid die de arbeider een comfortabel bestaan zou verschaffen ... Winst als een barrière voor de productie.” (IX, p. 46.)

Door de buitenlandse handel wordt de ruimte voor ruilen wijder en zijn de kapitalisten in staat om meer surplusarbeid te consumeren:

“Over een aantal jaren kan de wereld niet meer van ons afnemen dan wij van de wereld kunnen afnemen. Zelfs de winsten die onze kooplieden in de buitenlandse handel maken, worden betaald door de consumenten van de inkomende goederen. De buitenlandse handel [is] louter ruilhandel en als zodanig ruil voor het gemak en plezier van de kapitalist. Maar hij kan slechts tot op zekere hoogte gebruiksvoorwerpen consumeren. Hij ruilt katoenwaren tegen wijn en zijde uit het buitenland. Maar deze vertegenwoordigen, evenals de laken- en katoenwaren, slechts de meerarbeid van onze eigen bevolking, en op deze wijze wordt de destructieve kracht van de kapitalist onmetelijk vergroot. Zo is de natuur bedrogen.” (Source and Remedy etc. pp. 27, 28.) [The source and remedy of the national difficulties ..., Londen 1821, p. 17/18. Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek XII van 1851.]

Hoe het exces verband houdt met de beperking van de noodzakelijke arbeid:

“Een grotere vraag van de kant van de arbeiders betekent slechts een tendens om zelf minder te nemen en een groter deel aan hun patroons [Anwendern] over te laten; en wanneer men zegt dat daardoor de overvloed toeneemt door de consumptie te verminderen, kan ik alleen maar zeggen dat overvloed dan synoniem is met hoge winsten. (Enquiry etc., Londen 1821, p. 12.) [An inquiry into those principles, respecting the nature of demand and the necessity of consumption ..., Londen 1821, p. 59. Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek XII van 1851.]

Hier komt één kant van de tegenstelling volledig tot uitdrukking.

“De praktijk om de arbeid te stoppen op het punt waar deze voor de kapitalist een winst kan opleveren die hoger is dan het levensonderhoud van de arbeider, is in strijd met de natuurwet die de productie regelt.” (Hodgskin, 45, IX.) [Thomas Hodgskin, Popular political economy, Londen 1827, p. 238. Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek IX van 1851.]
“Hoe meer kapitaal wordt geaccumuleerd, hoe meer de totale som van de verlangde winst toeneemt; zo ontstaat een kunstmatige beperking van de productie en de bevolking.” (Hodgskin, 46.)

De tegenstellingen tussen kapitaal als productie-instrument in het algemeen en een productie-instrument voor waarde, is ontwikkeld door Malthus (X, 40 sqq.):

“Winst wordt altijd gemeten naar waarde en nooit naar kwantiteit ... De rijkdom van een land hangt gedeeltelijk af van de hoeveelheid producten verkregen door arbeid, en gedeeltelijk door een zodanige aanpassing van deze hoeveelheid aan de behoeften en koopkracht van de bevolking, dat zij waarde krijgt. Niets is zekerder dan dat het niet bepaald wordt door één van beide factoren alleen. Maar misschien zijn rijkdom en waarde het nauwst met elkaar verbonden in die zin dat de laatste noodzakelijk is voor de productie van de eerste. De voor de waren vastgestelde waarde, d.w.z. het offer van de arbeid, dat de mensen bereid zijn te brengen om de waren te verwerven, kan, zoals de zaken er nu voor staan, worden beschouwd als bijna de enige reden voor het bestaan van rijkdom ... De consumptieve vraag van de arbeiders die productieve arbeid verrichten, kan op zichzelf nooit een drijfveer zijn voor de accumulatie en de aanwending van kapitaal ... de productiekrachten alleen zorgen niet voor de creatie van een evenredige mate van rijkdom, evenmin als de toename van de bevolking. Wat nodig is, is een zodanige verdeling van de producten en een zodanige aanpassing van deze producten aan de behoeften van degenen die ze moeten consumeren, dat de ruilwaarde van de gehele massa voortdurend wordt verhoogd, d.w.z. dat de productiekrachten volledig in beweging worden gebracht door de ongebreidelde vraag naar alles wat wordt geproduceerd ... Enerzijds komt dit tot stand door voortdurend nieuwe industrietakken (en de wederkerige uitbreiding van de oude), waardoor de oude nieuwe markten verwerven, enz. maar anderzijds neemt ook de vraag naar alles wat geproduceerd wordt voortdurend toe. De productie schept namelijk zelf de vraag, doordat zij meer arbeiders in dezelfde bedrijfstak aan het werk zet en nieuwe bedrijfstakken doet ontstaan, waarin nieuwe kapitalisten weer nieuwe arbeiders aan het werk zetten en tegelijkertijd wederzijds afzetmarkten worden voor de oude; maar de vraag die door de productieve arbeider zelf wordt geschapen, kan nooit een voldoende vraag zijn, omdat het niet de volle omvang bestrijkt van het geproduceerde. Als dat zo was, zou er geen winst zijn en dus geen motief om hem [de arbeider] in dienst te nemen. Het bestaan zelf van winst op om het even welke waar veronderstelt een vraag extern aan de vraag van de arbeider die het produceerde.” “Zowel arbeiders als kapitaal kunnen overbodig zijn in vergelijking met de middelen om ze op rendabele wijze in te zetten.” [Thomas Robert Malthus, Principles of political economy ... 2e ed., Londen 1836, p. 266, 301, 302, 315, 361, 311, 405 en 414. Marx verwijst naar zijn Londens notitieboek X van 1851.]}

{Op te merken voor 3, waarmee wij dadelijk verder gaan, is dat de voorlopige accumulatie, zoals het kapitaal aan de arbeid verschijnt en waardoor bevel over haar wordt uitgeoefend, in de eerste plaats niets anders is dan de meearbeid zelf in de vorm van een meerproduct, anderzijds een aanspraak op vreemde co-existerende arbeid.}

Het gaat hier natuurlijk nog niet om de ontwikkeling van overproductie in het bijzonder, maar alleen om de tendens, zoals die in een primitieve vorm in de kapitaalverhouding aanwezig is. Wij moeten hier dus ook de overige bezittende en consumerende klassen enz. buiten beschouwing laten. De klassen die niet produceren, maar van hun inkomsten leven, ruilen dus met het kapitaal; zij zijn essentieel voor de ruil. Wij kunnen er slechts gedeeltelijk rekening mee houden (maar beter in de accumulatie) voor zover zij van groot belang zijn voor de historische vorming van het kapitaal.

In de op slavernij gebaseerde productie, evenals in de patriarchale agrarisch-industriële productie, waar het grootste deel van de bevolking rechtstreeks door zijn arbeid in het grootste deel van zijn behoeften voorziet, is de circulatie- en ruilsfeer nog zeer smal; en meer in het bijzonder in de eerstgenoemde, komt de slaaf in het geheel niet in aanmerking als betrokken bij de ruil. Maar in de op kapitaal gebaseerde productie wordt de consumptie op alle punten door de ruil bemiddeld, en de arbeid heeft nooit een directe gebruikswaarde voor hen die werken. De hele basis is arbeid als ruilwaarde en creatie van ruilwaarde.

Goed. In de eerste plaats is de loonarbeider, in tegenstelling tot de slaaf, zelf een onafhankelijk punt van circulatie, een ruilmiddel, een schepper van ruilwaarde die de ruilwaarde in stand houdt door ruil. Ten eerste wordt door de ruil tussen het als loon bepaalde deel van het kapitaal en het levende arbeidsvermogen de ruilwaarde van dit deel van het kapitaal onmiddellijk vastgesteld voordat het kapitaal uit het productieproces weer in circulatie komt, of dit kan zelf nog worden opgevat als een circulatiehandeling. Ten tweede verschijnt, met uitzondering van de eigen arbeiders, de totaliteit van alle andere arbeiders voor elke kapitalist niet als arbeiders maar als consumenten; bezitters van ruilwaarden (loon), geld dat zij ruilen tegen zijn waar. Zij zijn evenzeer circulatiepunten van waaruit de ruilhandeling plaatsvindt en de ruilwaarde van het kapitaal wordt behouden. Zij vormen verhoudingsgewijs een zeer groot deel – hoewel niet zo groot als algemeen wordt verondersteld, als men de feitelijke industriële arbeiders in gedachten houdt – van de consumenten. Hoe groter hun aantal – het aantal van de industriële bevolking – en de hoeveelheid geld waarover zij beschikken, des te groter is de ruilsfeer voor het kapitaal. Wij hebben gezien dat het kapitaal de tendens heeft om de massa van de industriële bevolking zo veel mogelijk te vergroten.

Januari (1858)
De verhouding van de ene kapitalist tot de arbeiders van een andere kapitalist gaat ons hier niets [aan]. Het toont slechts de illusie van elke kapitalist, maar verandert niets aan de verhouding van het kapitaal in het algemeen tot de arbeid. Iedere kapitalist weet dit van zijn arbeider, dat hij zich niet tot hem verhoudt als producent tot consument, en daarom wenst hij zijn consumptie, d.w.z. zijn vermogen tot ruil, zijn loon, zo veel mogelijk te beperken. Hij wil natuurlijk dat de arbeiders van de andere kapitalisten de grootst mogelijke consumenten zijn van zijn waren. Maar de verhouding van elke kapitalist tot zijn arbeiders is de algemene verhouding van kapitaal en arbeid, de wezenlijke verhouding. Maar juist daardoor ontstaat de illusie – die geldt voor de individuele kapitalist als verschillend van alle anderen – dat behalve zijn arbeiders de hele overige arbeidersklasse tegenover hem staat als consumenten en ruilers, niet als arbeiders – die geld uitgeven. Men vergeet dat, zoals Malthus zegt,

“het bestaan van winst op om het even welk gebruiksvoorwerp veronderstelt een vraag naast de vraag van de arbeider die het heeft geproduceerd, daarom kan de vraag van de arbeider zelf nooit volstaan.”

Aangezien de ene productie de andere in beweging zet en dus consumenten creëert bij de arbeiders van het vreemde kapitaal, verschijnt de vraag van de arbeidersklasse, bepaald door de productie zelf, als “voldoende vraag” voor elk afzonderlijk kapitaal. Enerzijds drijft deze vraag, door de productie zelf gesteld, haar voort, en moet zij haar voortstuwen voorbij de verhouding waarin de arbeiders moeten produceren; anderzijds, als de vraag naast de vraag van de arbeiders verdwijnt of verschrompelt, dan treedt de ineenstorting op. Het kapitaal zelf beschouwt dan de vraag van de arbeiders – d.w.z. de betaling van het loon waarop deze vraag berust – niet als winst, maar als verlies. Dat wil zeggen dat de immanente verhouding tussen kapitaal en arbeid zich doet gelden. Ook hier is het de concurrentie van de kapitalen, hun desinteresse tegenover elkaar en hun zelfstandigheid, die ertoe leidt dat het individuele kapitaal zich niet verhoudt tot de arbeiders van het totale overige kapitaal als arbeiders: er dus buiten staat. Het is net dat wat het kapitaal onderscheidt van een machtsverhouding, dat de arbeider ermee geconfronteerd wordt als consument en ruiler, in de vorm van een geldbezitter, van geld dat eenvoudigweg een punt van de circulatie wordt – een van de oneindig vele punten, waarin zijn specificiteit als arbeider teniet gedaan is.

{Hetzelfde geldt voor de vraag die door de productie zelf wordt gegenereerd naar grondstoffen, halffabricaten, machines, communicatiemiddelen en de bij de productie verbruikte hulpstoffen: kleurstoffen, kolen, talg, zeep enz. Deze vraag als betaling, waarbij de ruilwaarde wordt vastgesteld, is toereikend en voldoende zolang de producenten onderling ruilen. Hun ontoereikendheid wordt duidelijk zodra het uiteindelijke product zijn limiet vindt bij de onmiddellijke en uiteindelijke consumptie. Ook deze schijn, die de juiste verhouding doorbreekt, berust op het wezen van het kapitaal, dat, wat met de concurrentie nader zal worden uitgewerkt, iets is dat zichzelf afstoot, dat vele kapitalen onderling volstrekt onverschillig tegenover elkaar laat staan. Voor zover de ene kapitalist koopt van de andere, waren koopt of verkoopt, staan zij in een eenvoudige ruilverhouding tot elkaar; zij verhouden zich niet tot elkaar als kapitaal. De juiste (denkbeeldige) verhouding waarin zij tegen elkaar moeten ruilen, om zichzelf uiteindelijk als kapitaal te kunnen gebruiken, ligt buiten hun verhouding tot elkaar.}

Ten eerste: het kapitaal dwingt de arbeiders bovenop de noodzakelijke arbeid tot surplusarbeid. Alleen op die manier valoriseert het zich en creëert het surpluswaarde. Maar aan de andere kant mobiliseert het die noodzakelijke arbeid voor zover en in de mate dat het gaat om surplusarbeid en deze als surpluswaarde kan worden gerealiseerd. Het stelt dus de surplusarbeid als voorwaarde voor de noodzakelijke arbeid en de surpluswaarde als grens voor de geobjectiveerde arbeid, waarde. Zodra het eerste niet kan, kan het tweede niet, en, gezien zijn fundament, kan het niet anders. Het beperkt dus – zoals de Engelsen het uitdrukken, door een kunstmatige belemmering – de arbeid en de waardeschepping, en wel om dezelfde reden waarom en in zoverre het de surplusarbeid en de surpluswaarde bepaalt. Vanuit zijn natuur geeft het dus een barrière voor de arbeid en de waardeschepping, tegengesteld aan zijn tendens deze mateloos uit te breiden. En omdat het evenzeer een eigen specifieke barrière opwerpt als dat het over elke barrière heen gaat, is het een actieve tegenstrijdigheid.

{Aangezien de waarde de basis vormt van het kapitaal en het daarom noodzakelijkerwijs alleen bestaat door ruil tegen tegenwaarde, stoot het zich noodzakelijkerwijs van zichzelf af. Een universeel kapitaal zonder andere kapitalen waarmee het ruilt – en vanuit het huidige standpunt heeft het niets tegenover zich dan loonarbeid of zichzelf – is dus een onding. De wederkerige afstoting tussen de kapitalen is reeds vervat in het kapitaal als gerealiseerde ruilwaarde.}

Wanneer dus enerzijds het kapitaal de surplusarbeid en zijn ruil tegen surplusarbeid tot voorwaarde maakt voor de noodzakelijke arbeid en dus voor het mobiliseren van het arbeidsvermogen als middelpunt van de ruil – dus reeds de ruilsfeer hier vernauwt en conditioneert – dan is het anderzijds evenzeer essentieel de consumptie van de arbeider te beperken tot het noodzakelijke voor de reproductie van zijn arbeidsvermogen – de waarde van de noodzakelijke arbeid tot de grens van het gebruik van het arbeidsvermogen en dus van de ruilbaarheid van de arbeider te maken, en te trachten de verhouding van deze noodzakelijke arbeid tot de surplusarbeid tot een minimum te reduceren. [Dit is een] nieuwe barrière in de ruilsfeer, die echter net zo identiek is als de eerste, met de neiging van het kapitaal om zich tegenover elke beperking voor zijn zelfvalorisatie zelf als hindernis te gedragen. De mateloze vermeerdering van haar waarde – de mateloze waardeschepping – is hier dus absoluut identiek met de vaststelling van de barrière in de ruilsfeer, d.w.z. de mogelijkheid tot valorisatie – de realisatie van de waarde, bepaald in het productieproces.

Hetzelfde met de productiekracht. Enerzijds is er de tendens van het kapitaal om het noodzakelijkerwijs tot het uiterste op te voeren om de relatieve surplustijd te vergroten. Anderzijds wordt de noodzakelijke arbeidstijd, dus de ruilbaarheid van de arbeiders, verminderd. Bovendien neemt, zoals wij hebben gezien, de relatieve surpluswaarde in veel geringere mate toe dan de productiekracht, en deze verhouding wordt zelfs kleiner naarmate de productiekracht groter is. Maar de hoeveelheid producten neemt in dezelfde verhouding toe – zo niet, zou er nieuw kapitaal vrijkomen – evenals arbeid – die niet in circulatie zou komen. Maar naarmate de hoeveelheid producten toeneemt, neemt ook de moeilijkheid toe om de arbeidstijd die erin zit te valoriseren – omdat de vraag naar consumptie toeneemt. (Hier gaat het er alleen om hoe het proces van valorisatie van kapitaal tegelijkertijd het proces van ontwaarding is. In zoverre het ook, terwijl zij de neiging heeft de productiekrachten verregaand te ontwikkelen, eveneens de voornaamste productiekracht, de mens zelf, oppervlakkig maakt [vereinseitigt], beperkt enz.; hoort hier niet [thuis], in het algemeen heeft het de tendens de productiekrachten te beperken).

Het kapitaal stelt dus de noodzakelijke arbeidstijd als een beperking voor de ruilwaarde van het levende arbeidsvermogen; de surplusarbeidstijd als barrière voor de noodzakelijke arbeidstijd, en de surpluswaarde als barrière voor de surplusarbeidstijd; terwijl het tegelijkertijd al deze barrières doorbreekt, voor zover het het arbeidsvermogen tegenover zichzelf stelt als iets dat eenvoudigweg in ruil wordt gegeven, als geld, en surplusarbeidstijd als de enige barrière, want schepper van surpluswaarde. (Of, vanuit het eerste gezichtspunt, het stelt de ruil van surpluswaarden als de barrière voor de ruil van de noodzakelijke waarden.)

Op hetzelfde moment stelt het de waarden die in circulatie zijn – of, wat hetzelfde is, de verhouding van de door zijn veronderstelde waarden tot de waarden die het bevat en die in circulatie zijn – als de barrière, de noodzakelijke belemmering voor zijn waardeschepping; aan de andere kant zijn productiviteit als de enige barrière en schepper van waarden. Het beweegt zich dus voortdurend, enerzijds in de richting van haar eigen ontwaarding, anderzijds in de richting van de belemmering van de productiekrachten en van de arbeid, die zich in waarden objectiveert.

(De stompzinnigheid van de onmogelijkheid van overproductie (met andere woorden, het beweren van een onmiddellijke identiteit van het productieproces en het valorisatieproces van het kapitaal) is op zijn minst sofistisch, d.w.z. grappig, zoals door James Mill hierboven gezegd, dat het aanbod = de eigen vraag, dus vraag en aanbod vallen samen, wat met andere woorden hetzelfde betekent als dat de waarde wordt bepaald door arbeidstijd, dus dat ruil er niets aan toevoegt, waarbij alleen vergeten wordt dat ruil moet plaatsvinden en dat deze afhankelijk is van de gebruikswaarde (in laatste instantie). Dus, zoals Mill zegt, als vraag en aanbod niet samenvallen, komt dat omdat er te veel van een bepaald product (het geleverde) wordt geproduceerd en te weinig van het andere (het gevraagde). Dit te veel en te weinig heeft geen betrekking op de ruilwaarde, maar op de gebruikswaarde. Er wordt meer van het product geleverd dan er van “nodig” is; dat is de grap. Zodat de overproductie voortkomt uit de gebruikswaarde en dus uit de ruil zelf. Bij Say – een dwaasheid – ruilen producten zich alleen tegen producten; er wordt dus hooguit te veel geproduceerd door de één, te weinig door de ander. Vergetend dat, 1. dat waarden zich ruilen tegen waarden, en het ene product zichzelf alleen ruilt tegen het andere voor zover het waarde is; d.w.z., voor zover het geld is of wordt; 2. zichzelf ruilt tegen arbeid. De goede man komt op het standpunt van de eenvoudige ruil, waarbij overproductie in feite niet mogelijk is, omdat het in feite niet gaat om de ruilwaarde, maar om de gebruikswaarde. Overproductie vindt plaats met betrekking tot de valorisatie, niets anders).

Proudhon, die de klokken hoort luiden maar nooit weet waar, leidt de overproductie af uit het feit dat “de arbeider zijn product niet kan terugkopen”. Hij verstaat daaronder dat rente en winst worden aangerekend; of dat de prijs van het product te hoog wordt aangerekend op zijn werkelijke waarde. Dit bewijst vooral dat hij niets begrijpt van de bepaling van de waarde, die, algemeen gesproken, niet een overprijzing kan inhouden. In de praktische handel kan kapitalist A kapitalist B bedriegen. Wat de een te veel in zijn zak steekt, is te weinig bij de andere. Als we de twee bij elkaar optellen, dan is de som van hun ruil = de som van de daarin geobjectiveerde arbeidstijd, waarvan alleen kapitalist A meer in zijn zak steekt dan waar hij recht op had in verhouding tot B. Van alle winsten die het kapitaal maakt, d.w.z. de totale massa kapitalisten, gaat er af, 1. het constante deel van het kapitaal; 2. de arbeidslonen of de geobjectiveerde arbeidstijd, nodig om het levende arbeidsvermogen te reproduceren. Zij kunnen dus niets onder elkaar verdelen dan de surpluswaarde. De verhoudingen – rechtvaardig of onrechtvaardig – waarin zij deze surpluswaarde onder elkaar verdelen, veranderen niets aan de ruil en de ruilverhouding tussen kapitaal en arbeid.

Men zou kunnen zeggen dat de noodzakelijke arbeidstijd (d.w.z. het loon), die dus de winst uitsluit en er veeleer van moet worden afgetrokken, zelf weer wordt bepaald door de prijzen van producten waarin de winst reeds is inbegrepen. Waar zou anders de winst vandaan kunnen komen die de kapitalist, die deze arbeider niet rechtstreeks in dienst heeft, maakt in de ruil met hem? Bv., de spinner ruilt zijn loon tegen zoveel bushels graan. In de prijs van elke bushel is echter de winst van de pachter, d.w.z. van het kapitaal, reeds begrepen. Zodat de prijs van het levensmiddel, gekocht door de noodzakelijke arbeidstijd zelf, reeds de surplusarbeidstijd omvat. Het is duidelijk dat het loon dat de spinner aan zijn arbeiders betaalt, hoog genoeg moet zijn om de noodzakelijke bushel graan te kopen, ongeacht de winst voor de boer die in de prijs van de bushel graan inbegrepen is; maar dat ook evenzeer het loon dat de pachter aan zijn arbeiders betaalt, hoog genoeg moet zijn om hun de noodzakelijke hoeveelheid kledingstukken te verschaffen, waar de winst van de spinner en de wever in de prijs van deze kledingstukken is inbegrepen. De kneep zit eenvoudig in het feit, 1. dat prijs en waarde worden verward; 2. dat er verhoudingen in het spel zijn die geen betrekking hebben op de waardebepaling als zodanig. Veronderstel allereerst – en dit is een theoretische verhouding – dat kapitalist A zelf alle levensmiddelen produceert waar de arbeider behoefte aan heeft of die de som zijn van de gebruikswaarden waarin zijn noodzakelijke arbeid is geobjectiveerd. De arbeider zou dus met het geld dat hij van de kapitalist ontvangt – geld verschijnt hier slechts als circulatiemiddel – een aliquot deel van het product – dat zijn noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt – moeten terugkopen van de kapitalist. De prijs van een aliquot deel van het product van kapitalist A is voor de arbeider natuurlijk hetzelfde als voor iedere andere ruiler. Vanaf het moment dat hij van de kapitalist koopt, is zijn specifieke hoedanigheid van arbeider opgeheven; in zijn geld is elk spoor verdwenen van de verhouding en de operatie waardoor het werd verkregen; hij staat tegenover de kapitalist in de circulatie eenvoudigweg als G, die tegenover hem staat als W; als de realisator van de prijs van W, die dus voor hem net zo verondersteld is als voor elke andere vertegenwoordiger van G, d.w.z.: koper. Goed. In de prijs van het aliquote deel van de gekochte waar, is echter de winst inbegrepen, waarin de surpluswaarde van het kapitaal tot uiting komt. Als dus zijn noodzakelijke arbeidstijd 20 taler = een bepaald aliquot deel van het product, verkoopt de kapitalist hem, als de winst 10 % bedraagt, de waar tegen 22 taler.

Proudhon denkt en concludeert dus dat de arbeider zijn product niet kan terugkopen, d.w.z. het aliquote deel van het totale product dat zijn noodzakelijke arbeid objectiveert. (Op zijn andere conclusie, dat het kapitaal daardoor niet adequaat kan ruilen en daardoor sprake is van overproductie, komen wij dadelijk terug). Stel, om de zaak concreet te maken, dat de 20 taler van de arbeider = 4 bushels graan. De arbeider kon daarna – als 20 taler de waarde van de 4 bushels in geld is – en de kapitalist ze tegen 22 verkocht, zijn 4 bushels niet terugkopen, of hij kon slechts 3 7/11 bushels kopen. Met andere woorden, men beeld zich in dat de geldtransactie de verhouding verstoort. 20 taler is de prijs van de noodzakelijke arbeid = 4 bushels; en deze geeft de kapitalist aan de arbeider; maar zodra deze de 4 bushels tegen zijn 20 taler wil hebben, krijgt hij slechts 3 7/11. – Aangezien hij daarmee niet het nodige loon zou ontvangen, zou hij helemaal niet kunnen leven, en zo bewijst de heer Proudhon te veel.

{Het feit dat het kapitaal in de praktijk, zowel als algemene tendens als rechtstreeks door de prijs, bv. het trucksysteem [verplichting van aankopen in een winkel van de fabrikant – vert.], de noodzakelijke arbeid tracht te bedriegen en te verlagen beneden de norm, die zowel natuurlijk als gegeven is in een bepaalde maatschappelijke toestand, dat hoort hier niet [thuis]. Wij moeten hier overal ervan uitgaan dat het economisch rechtvaardige loon, d.w.z. het loon dat door de algemene wetten van de economie wordt bepaald, wordt betaald. De tegenstellingen hier moeten voortvloeien uit de algemene verhoudingen; niet uit het bedrog van de individuele kapitalisten. Hoe dit zich in werkelijkheid ontwikkelt, dat behoort tot de loontheorie.}

Maar de veronderstelling is verleidelijk vals. Als 5 taler staat voor de waarde van een bushel, d.w.z. de daarin geobjectiveerde arbeidstijd , en 4 bushels het noodzakelijke arbeidsloon, dan verkoopt kapitalist A deze 4 bushels niet tegen 22, zoals Proudhon denkt, maar tegen 20 taler. De zaak is: stel dat het totale product (inclusief de noodzakelijke en de surplusarbeidstijd) 110 taler = 22 bushels is; waarvan 16 bushels = 80 taler, het kapitaal is dat in zaaigoed, machines, enz., is gestoken; 4 bushels = 20 taler de noodzakelijke arbeidstijd; 2 bushels = 10 taler surplusarbeidstijd. De kapitalist verkoopt elke bushel tegen 5 taler, de noodzakelijke waarde van de bushel, en toch wint hij op elke bushel 10 % of 5/10 taler, 1/2 taler = 15 Silbergroschen. Waarom? Omdat hij 22 x 5 verkoopt in plaats van 20 x 5. Het extra kapitaal dat hij zou moeten uittrekken om 2 extra bushels te produceren, kan hier worden gelijkgesteld met 0, aangezien dit kan opgaan in zuivere surplusarbeid, grondiger ploegen, wieden van onkruid, transport van dierlijke mest, die hem, laten we zeggen, niets kosten, enz. De waarde van de 2 surplus bushels heeft hem niets gekost en is dus een surplus op zijn kosten. Dat hij 20 van de 22 bushels verkoopt voor wat zij hem kosten, 100 taler en 2 die hem niets kosten – maar waarvan de waarde = de arbeid die zij bevatten – tegen 10 taler, is voor hem hetzelfde als dat hij elke bushel verkoopt tegen 15 Silbergroschen meer dan zij hem kosten. (Aan 1/2 taler of 10 % op 5 taler = 5/10.) Hoewel hij dus 2 taler verdient op de 4 bushels die hij aan de arbeider verkoopt, ontvangt de arbeider de bushel tegen zijn noodzakelijke waarde. Hij verdient er slechts 2 taler aan, want naast deze 4 bushels verkoopt hij er nog 18 tegen dezelfde prijs. Als hij er slechts 16 verkoopt, verdient hij niets; want hij verkoopt dan in totaal: 5 x 20 = 100, zijn geïnvesteerd kapitaal.

Ook in de industrie is het mogelijk dat de kapitaaluitgaven niet toenemen, terwijl er toch een surpluswaarde [door de kapitalist] wordt verkocht; d.w.z. het is niet noodzakelijk dat de uitgaven voor grondstoffen en machines toenemen. Veronderstel dat hetzelfde product, door louter handenarbeid – de hoeveelheid noodzakelijke grondstoffen en werktuigen blijft constant – een hogere afwerking, een hogere gebruikswaarde krijgt, en dat aldus de gebruikswaarde van het product stijgt, niet door zijn kwantiteit, maar doordat de kwaliteit ervan toeneemt door meer aangewende handenarbeid. De ruilwaarde ervan – de erin geobjectiveerde arbeid – groeit eenvoudig evenredig met deze arbeid. Als de kapitalist dan 10 % duurder verkoopt, wordt het in geld uitgedrukte aliquote deel van het product, dat de noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt, aan de arbeider betaald, en als het product verdeeld zou kunnen worden, zou de arbeider dit aliquote deel kunnen kopen. De winst van de kapitalist zou niet voortvloeien uit het feit dat hij hem voor dit aliquote deel te veel in rekening heeft gebracht, maar uit het feit dat hij in het geheel een aliquot deel heeft verkocht waarvoor hij niet heeft betaald en dat een surplusarbeidstijd vertegenwoordigt. Het product als waarde is altijd deelbaar; in zijn natuurlijke vorm hoeft dat niet zo te zijn. De winst komt hier altijd voort uit het feit dat de gehele waarde een aliquot deel bevat waarvoor niet wordt betaald en dat daarom in elk aliquot deel van het geheel een aliquot deel van surplusarbeid wordt betaald. Dus in het bovenstaande voorbeeld, door 22 bushels te verkopen, d.w.z. 2 die de surpluswaarde van de arbeid vertegenwoordigen, is dat hetzelfde als wanneer hij 1/10 bushel te veel zou verkopen voor elke bushel, d.w.z. 1/10 surpluswaarde. Indien bv. slechts één klok is geproduceerd, waarbij de verhouding arbeid, kapitaal en surpluswaarde dezelfde is, dan is de kwaliteit van de klok 1/10 in waarde gestegen door 1/10 arbeidstijd, hetgeen de kapitalist niets kost.

Derde geval, dat de kapitalist, zoals meestal het geval is in de industrie (maar niet in de winningsindustrie), meer grondstoffen nodig heeft (laat het werktuig constant blijven; er verandert echter niets als het ook variabel zou zijn), waarbij de surplusarbeidstijd wordt geobjectiveerd. (Dit hoort hier eigenlijk nog niet, want men kan of moet hier evengoed veronderstellen dat het kapitaal de grondstof, bv. katoen, produceert, en dat de meerproductie op een gegeven moment zich moet oplossen in louter surplusarbeid, of, wat veeleer werkelijk het geval is, aanneemt dat er op alle momenten van de circulatie gelijktijdig surplusarbeid is). Hij spint 25 pond katoen, dat hem 50 taler kost, en waarvoor hij machines nodig heeft (waarvan we aannemen dat ze volledig verbruikt worden bij de productie) 30 taler en 20 taler loon, voor 25 pond twist, die hij verkoopt tegen 110. Hij verkoopt dan het pond twist tegen 4 2/5 taler of 4 taler 12 Silbergroschen. De arbeider krijgt dus 4 6/11 pond twist als hij het weer wil kopen. Als de arbeider voor zichzelf werkte, zou hij het pond ook verkopen tegen 4 taler 12 Silbergroschen en geen winst maken – in de veronderstelling dat hij alleen de noodzakelijke arbeid verricht, maar hij zou minder katoen spinnen.

Zoals bekend bestaat de waarde van een pond twist uitsluitend in de hoeveelheid arbeidstijd die erin zit. Stel nu dat de waarde van het pond twist = 5 taler. Aangenomen dat 4/5, dus 4 taler, staan voor katoen, instrument, enz., dan staat 1 taler voor de arbeid die met behulp van het instrument in het katoen is gerealiseerd. Als de arbeider, om van het spinnen te kunnen leven, 20 taler nodig heeft voor een maand, zou hij 20 pond twist moeten spinnen, daar hij voor het spinnen van één pond twist 1 taler verdient, maar er 20 moet verdienen. Indien hij katoen, instrument, enz. bezat en voor zichzelf werkte, d.w.z. indien hij zijn eigen meester was, zou hij 20 pond twist moeten verkopen; daar hij van elk slechts 1/5 verdiende, een taler, en 1 x 20 = 20. Werkt hij voor de kapitalist, dan vertegenwoordigt de arbeid, die 20 pond katoen spint, alleen de noodzakelijke arbeid; want, bij veronderstelling, van de 20 pond twist of 20 × 5 = 100 taler, vertegenwoordigen 80 taler alleen het reeds gekochte katoen en instrument, en de nieuw gereproduceerde waarde vertegenwoordigt niets dan de noodzakelijke arbeid. Van de 20 pond twist zouden 4 pond = 20 taler de noodzakelijke arbeid vertegenwoordigen en 16 niets dan het constante deel van het kapitaal. 16 x 5 = 80 taler. Elk extra pond dat de kapitalist boven de 20 laat produceren, bevat voor hem 1/5 surplusarbeid, voor hem surpluswaarde. (Geobjectiveerde arbeid die hij heeft verkocht zonder ervoor te hebben betaald.) Als hij 1 pond meer spint, wint hij 1 taler, 10 pond meer 10. Van 10 pond of 50 taler zou de kapitalist 40 taler overhouden ter vervanging van zijn investering en 10 taler surplusarbeid; of 8 pond twist waarmee hij het materiaal tegen 10 kan kopen (machines en katoen), en 2 pond twist, of hun waarde, die hem niets hebben gekost. Nemen we nu de rekening van de kapitalist, dan zien we dat hij heeft geïnvesteerd:

Taler Taler loon      Taler meerwaarde      Taler
80 + 40 = 120 (materiaal, instrumenten, enz.) 20 10
120 20 10 = 150

In totaal heeft hij 30 pond twist geproduceerd (30 × 5 = 150); het pond tegen 5 taler, de exacte waarde van het pond, d.w.z. zuiver bepaald door de arbeid die erin geobjectiveerd is, en alleen waarde ontlenend aan deze laatste. Van deze 30 pond vertegenwoordigen 24 pond constant kapitaal, 4 pond gaat naar de arbeidslonen en 2 pond vormt de meerwaarde. Deze meerwaarde, zoals de kapitalist die berekent op zijn totale investering, die 140 taler (of 28 pond) bedraagt, vormt 1/14 = 7 1/7 % (hoewel in het gegeven voorbeeld de meerwaarde 50 % bedraagt op de arbeid).

Stel dat de arbeidsproductiviteit zo toeneemt dat hij in staat is 40 pond te spinnen met dezelfde hoeveelheid arbeid. Volgens onze veronderstelling zou hij deze 40 pond verkopen tegen hun werkelijke waarde, namelijk het pond tegen 5 taler, waarvan 4 taler staat voor arbeid geobjectiveerd in katoen, enz. en 1 taler voor de nieuw toegevoegde arbeid. Hij zou dus verkopen:
20 pond voor noodzakelijke arbeid, enz. = 100

40 pond – à 5 = 40 x 5 = 200; van deze 40 pond ging af
20 pond voor noodzakelijke arbeid enz., =
100

___
100 Op de eerste 20 pond zou hij geen cent verdiend hebben; van de overige honderd, ging af 4/5 = 4 × 20 = 80.
80 voor materiaal enz., blijft:
___
20 Taler

Op een investering van 200 taler zou de kapitalist 20 verdiend hebben, of 10 %. 10 % op de totale investering; maar in feite 20 op de tweede honderd taler of tweede 20 pond, waarin hij de geobjectiveerde arbeid niet heeft betaald. Stel nu dat hij in staat is het dubbele te verdienen, zeg

Pond Taler
80 400 Neem hiervan 20 pond af
20 voor noodzakelijke arbeid enz. = 100 blijft
___

300 Van deze gaat 4/5 af voor materiaal
240 blijft
___

60 Een winst van 60 op 400 is = 6 op 40 = 15 %.
400

In feite bedraagt de investering van de kapitalist in het bovenstaande voorbeeld slechts 180; hierop verdient hij 20, of 11 1/9 %.

Hoe kleiner het deel van de uitgaven dat staat voor de noodzakelijke arbeid, hoe groter de winst, hoewel er geen duidelijk verband bestaat met de werkelijke meerwaarde, d.w.z. de surplusarbeid. Bv., wil de kapitalist 10 % winst maken, dan moet hij 40 pond twist spinnen; de arbeider hoeft er maar 20 te spinnen = noodzakelijke arbeid. De surplusarbeid = de noodzakelijke, 100 % meerwaarde. Dit is onze oude wet. Maar dat is niet waar het hier om gaat.

In het bovenstaande voorbeeld van de 40 pond is de werkelijke waarde van het pond 5 taler, en de arbeider zou, net als de kapitalist, als hij zijn eigen bedrijf leidde als arbeider, die zichzelf voorschotten kan voorschieten om grondstoffen enz. te kunnen gebruiken zodat hij als arbeider kan leven, het pond verkopen tegen 5 taler. Maar hij zou slechts 20 pond produceren en van de verkoop zou hij 4/5 gebruiken voor nieuwe grondstof en 1/5 om te leven. Van de 100 taler zou hij alleen zijn loon krijgen. De winst van de kapitalist komt niet voort uit het te duur verkopen van het pond – hij verkoopt het tegen zijn exacte waarde – maar uit het verkopen van het pond boven de productiekosten die het hem kost (niet die welke het kost; want de 1/5 kost de arbeider [zijn] surplusarbeid). Als hij onder de 5 taler zou verkopen, zou hij onder de waarde verkopen en de koper zou de 1/5 arbeid die in elk pond twist gaat, boven de onkosten, enz. voor niets hebben. Maar de kapitalist rekent zo:

Waarde van 1 pond = 5 taler
Van 40 pond = 200 taler; daar gaan kosten af:

180

___

20 blijft 20

Wat hij berekent is niet dat hij 20 taler wint op de tweede 100 taler, maar dat hij er 20 wint op zijn hele investering van ... 180 taler. Dit geeft hem een winst van 11 1/9 % in plaats van 20. Bovendien berekent hij dat hij, om deze winst te maken, 40 pond moet verkopen. 40 pond aan 5 taler geeft hem niet 1/5 of 20 %, maar 20 taler verdeeld over 40 pond, of 1/2 taler per pond. Op de prijs waartegen hij het pond verkoopt, krijgt hij 1/2 taler voor 5 taler of 1 voor 10 taler; 10 % op de verkoopprijs. De prijs wordt bepaald door de prijs van de aliquote eenheid (1 pond) vermenigvuldigd met het aantal waarvoor het verkocht wordt; hier 1 pond tegen 5 taler x 40. Hoe juist deze prijsbepaling ook is voor de portemonnee van de kapitalist, zo zeer is het geneigd theoretisch te misleiden, omdat het nu lijkt alsof de werkelijke waarde in elk afzonderlijk pond te hoog wordt aangerekend en de oorsprong van de meerwaarde van het afzonderlijke pond onzichtbaar is geworden. Deze bepaling van de prijs door de vermenigvuldiging van de waarde van de eenheid (maatstaf) van de gebruikswaarde (pond, el, centenaar enz.) met het aantal van deze geproduceerde eenheden is later in de prijstheorie van belang. Hieruit volgt onder meer dat de prijsdaling van de eenheid en de groei van het aantal van hetzelfde – die intreedt met de toename van de productiekrachten – aantoont dat de winst toeneemt in verhouding tot de arbeid of dat het aandeel van de noodzakelijke arbeid afneemt in verhouding tot de surplusarbeid – en niet omgekeerd, zoals de heer Bastiat, enz. denkt. Indien bijvoorbeeld de arbeid door de productiviteit zodanig zou toenemen dat de arbeider in dezelfde tijd twee keer zoveel pond zou produceren – in de veronderstelling dat 1 pond twist hem volledig dezelfde dienst bewijst, ongeacht de kosten, en dat twist, kleding, alles is wat hij nodig heeft om te leven – dan zou de door de arbeid toegevoegde waarde aan 20 pond twist niet langer 1/5 bedragen, maar nu nog slechts 1/10, omdat hij de 20 pond katoen in 1/2 van de tijd in twist zou omzetten. Aan de 80 taler die de grondstof kost, zou dus niet langer 20 taler worden toegevoegd, maar slechts 10. De 20 pond zou 90 taler kosten en het pond 90/20 of 4 9/20 taler. [Er zou moeten staan 4 10/20 of 4 1/2. In de volgende berekening werkt Marx met 4 9/20, het is dus onnauwkeurig. Uitgaande van het juiste cijfer van 4 1/2 taler, zou men uitkomen op een totale opbrengst van 360 taler. Hiervan zou 90 taler gaan naar het loon en het constant kapitaal dat gedurende de benodigde arbeidstijd wordt verbruikt. Van de resterende 270 taler zou 240 taler gaan naar het constant kapitaal dat wordt verbruikt gedurende de tijd dat er sprake is van surplusarbeid. Er blijft 30 taler over als winst voor de kapitalist op 330 taler van zijn totale uitgaven, dat is 9 1/11 %. Op één pond twist zit nu 30/80, d.w.z. 3/8 taler (vroeger = 1/2 taler).] Maar als de totale arbeidstijd gelijk zou blijven, zou de arbeid nu 80 pond katoen tot twist verwerken in plaats van 40 pond. 80 pond twist, het pond op 4 9/20 taler = 356 taler. De rekening van de kapitalist zou zijn –
Totale inkomsten

356 Taler; aftrek voor arbeid enz.
90
___
266 waarvan, aftrek voor investeringen enz.
239 17/89
________
26 72/89

De winst van de kapitalist is dus 26 72/89 in plaats van 20. Zeg 27 (wat iets te hoog is (17/89 te hoog)). Zijn totale uitgaven enz. 330; meer dan 12 %, hoewel hij minder zou verdienen op een afzonderlijk pond.

De winst van de kapitalist op de waarde van de hoeveelheid (eenheid) van gebruikswaarde – pond, el, quarter, enz. – neemt af naarmate de verhouding tussen de levende arbeid en de grondstof, enz. – de nieuw toegevoegde arbeid – afneemt; d.w.z. naarmate er minder arbeidstijd nodig is om de grondstof de vorm te geven die de eenheid uitdrukt. Ellen doek enz. Maar anderzijds – aangezien dit identiek is met de verhoogde arbeidsproductiviteit – of de groei van de surplusarbeidstijd – groeit het aantal van deze eenheden waarin de surplusarbeidstijd is vervat, d.w.z. de arbeidstijd waarvoor hij niet betaalt.

Uit het voorgaande volgt dat de prijs onder de waarde kan dalen en het kapitaal toch winst kan maken; alleen moet hij een aantal vermenigvuldigd met de eenheid verkopen dat groot genoeg is om een surplus te vormen ten opzichte van het aantal vermenigvuldigd [met] de eenheid die de noodzakelijke prijs van de arbeid vormt. Indien de verhouding arbeid en grondstof enz. 1/5 is, kan hij bijvoorbeeld slechts verkopen tegen 1/10 boven de constante waarde, aangezien de surplusarbeid hem niets kost. Hij geeft dan 1/10 van de surplusarbeid aan de consument en valoriseert 1/10 voor zichzelf. Dit is zeer belangrijk in de concurrentie; en over het hoofd gezien door Ricardo. De prijsbepaling is gebaseerd op de vaststelling van de waarde; maar er worden nieuwe elementen toegevoegd. De prijs, die oorspronkelijk alleen als de in geld uitgedrukte waarde verschijnt, wordt verder bepaald als een specifieke hoeveelheid. Indien 5 taler de waarde is van een pond twist, d.w.z. dat dezelfde arbeidstijd die in 5 taler zit, in een pond twist zit, verandert er niets aan deze waardebepaling, of men nu 4 of 4 miljoen pond twist schat. Het moment van het aantal ponden, omdat het in een andere vorm de verhouding van de surplusarbeid tot de noodzakelijke arbeid uitdrukt, wordt doorslaggevend voor de vaststelling van de prijs. In de tienurenwet – enz. – is dit populair gedemonstreerd.

Uit het bovenstaande volgt:
De arbeider zou slechts 20 pond twist spinnen en alleen grondstoffen, machines, enz. gebruiken, ter waarde van 80 taler per maand – als hij zich beperkt tot de noodzakelijke arbeid. Naast de grondstoffen, machines, enz. die noodzakelijk zijn voor de reproductie, het zelfbehoud van de arbeider, moet de kapitalist noodzakelijkerwijs kapitaal investeren in grondstoffen (en machines, zij het niet in dezelfde verhouding) voor de objectivering van de surplusarbeid. (In de landbouw, de visserij, kortom, de winningindustrieën, is dit niet absoluut noodzakelijk; maar altijd, zodra zij op grote schaal, d.w.z. industrieel, worden uitgeoefend; verschijnt het als een extra uitgave, niet van de grondstof zelf, maar van de instrumenten om deze te winnen). Deze extra investering – d.w.z. het aanbieden van materiaal voor de surplusarbeid – van de geobjectiveerde elementen tot verwezenlijking – vormt in feite de specifieke zgn. voorlopige accumulatie van het kapitaal; de accumulatie van de voorraad (laten we zeggen voorlopig) die specifiek is aan het kapitaal. Want het is dom, zoals we nog zullen zien, om het te zien als een eigenschap die eigen is aan het kapitaal – dat de objectieve voorwaarden voor levende arbeid als zodanig aanwezig moeten zijn – of het nu door de natuur wordt geleverd of historisch tot stand is gekomen. Deze specifieke voorschotten van het kapitaal betekenen niets anders dan dat het de geobjectiveerde surplusarbeid – het surplusproduct – te gelde wil maken in nieuwe levende surplusarbeid, in plaats van deze te investeren (uit te geven) in piramiden, enz., zoals Egyptische koningen of Etruskische adellijke hogepriesters.

Bij de vaststelling van de prijzen (zoals wij ook met de winst zullen zien) komt dan – het bedrog, de wederzijdse oplichterij. De ene kan in de ruil winnen wat de ander verliest; zij kunnen de surpluswaarde alleen onder elkaar verdelen – het kapitaal als klasse. Maar die verhoudingen openen echter een gebied van individuele slimmigheden enz. (afgezien van vraag en aanbod), dat niets te maken heeft met de waardebepaling als zodanig.

Dus noppes met de ontdekking van de heer Proudhon dat de arbeider zijn product niet kan terugkopen. Dit is te wijten aan het feit dat hij (Proudhon) niets begrijpt, van de waardebepaling, noch van de prijsbepaling. Maar nogmaals, zijn conclusie is dat daarom overproductie, in deze abstractie, verkeerd is. In de slavernij [Sklavenverhältnis] worden de meesters niet in verlegenheid gebracht, door het feit dat de arbeiders niet met hen als consumenten concurreren. (De luxeproductie, zoals die bij de ouden voorkomt, is echter een noodzakelijk gevolg van een slavenverhouding. Geen overproductie, maar overconsumptie en krankzinnige consumptie, die, door haar wending naar het monsterlijke en het bizarre, de ondergang van het oude staatsbestel betekent.)

* * *

Kapitaal moet, nadat het als product uit het productieproces is gekomen, weer in geld worden omgezet. Geld, dat vroeger slechts verscheen als een gerealiseerde waar enz., verschijnt nu als gerealiseerd kapitaal of gerealiseerd kapitaal als geld. Dit is een determinatie van geld (zoals kapitaal). Dat de geldhoeveelheid, als circulatiemiddel, niets te maken heeft met de moeilijkheid om het kapitaal te verwezenlijken, d.w.z. te valoriseren, blijkt reeds uit de vorige uiteenzetting [Entwicklung].

Stel dat in het bovenstaande voorbeeld de kapitalist, die het pond twist verkoopt tegen 5 taler – namelijk 40 pond tegen [elk] 5 taler – dus het pond twist verkoopt tegen zijn werkelijke waarde en daarmee 1/2 taler wint op 5 (de verkoopprijs), 10 % op de verkoopprijs of 1/2 op 4 1/2, d.w.z. 11 % op zijn investering, hij verkoopt slechts tegen 10 % – neemt op 4 1/2 taler slechts 9/20 taler winst (dit is 1/20 verschil van 1/2 op 4 1/2 taler; een verschil van slechts 1 1/9 %). Hij verkoopt het pond dus tegen 4 1/2 taler + 9/20 taler, d.w.z. tegen 4 19/20 taler of de 40 pond tegen 198 taler. Verschillende gevallen zijn nu mogelijk. De kapitalist met wie hij ruilt – aan wie hij zijn 40 pond verkoopt – stel dat deze kapitalist een zilvermijn bezit, dus een zilverproducent – betaalt hem slechts 198 taler – geeft hem dus 2 taler te weinig van de in zilver geobjectiveerde arbeid voor de in 40 pond twist geobjectiveerde arbeid. Laten we aannemen dat voor deze kapitalist B de verhouding qua uitgaven dezelfde zijn, enz. Als kapitalist B ook slechts 10 in plaats van 11 1/9 neemt, moet hij geen 40 pond twist vragen voor 200 taler, maar 39 3/5. Het is dus onmogelijk dat beide kapitalisten tegelijk voor 1 1/9 % te weinig verkopen, of dat de een 40 pond biedt voor 198 taler en de ander 200 taler voor 39 3/5 pond, een geval dat zich niet kan voordoen. In het eerder veronderstelde geval zou kapitalist B bij de aankoop van 40 pond twist 1 1/9 % te weinig hebben betaald, d.w.z. afgezien van de winst die hij niet door ruilen verkrijgt, maar die door ruiling slechts wordt bevestigd, d.w.z. een winst van 11 1/9 %, zou hij ook de door de andere kapitalist verloren 1 1/9 % hebben behaald, d.w.z. in totaal 12 2/9 %. Bij zijn eigen arbeiders – de met zijn eigen kapitaal in beweging gezette arbeid – zou hij 11 1/9 % gewonnen hebben; de 1 1/9 % meer is de surplusarbeid van de arbeiders van kapitalist A, die hij zich toe-eigent. De algemene winstvoet kan dus in de ene of de andere bedrijfstak dalen omdat de kapitalist door concurrentie enz. gedwongen is onder de waarde te verkopen, d.w.z. een deel van de surplusarbeid niet voor zichzelf maar voor zijn kopers te valoriseren [tot-geld-te-maken [verwerten]]. Maar de algemene voet kan niet op deze manier dalen; die kan alleen dalen in die zin dat de verhouding tussen surplusarbeid en noodzakelijke arbeid relatief daalt, en dit, zoals we eerder zagen, gebeurt wanneer de verhouding al zeer groot is of, met andere woorden, de verhouding van de door het kapitaal in beweging gezette levende arbeid is zeer klein – het deel van het kapitaal dat zichzelf ruilt tegen levende arbeid – is zeer klein tegenover het deel dat zichzelf ruilt tegen machines en materiaal. De algemene winstvoet kan dan dalen, hoewel de absolute surplusarbeid toeneemt.

Dit brengt ons bij een ander punt. Een algemene winstvoet is slechts mogelijk omdat de winstvoet in de ene bedrijfstak te groot is en in de andere te klein, d.w.z. omdat een deel van de surpluswaarde – die overeenkomt met de surplusarbeid – van de ene kapitalist op de andere wordt overgedragen. Als bijvoorbeeld in 5 bedrijfstakken de winstvoet respectievelijk

A B C D E
15 12 10 8 5 %

is, dan is de gemiddelde voet 10 %; maar om dit realiteit te laten zijn, moeten de kapitalisten A en B 7 % geven aan D en E, namelijk 2 aan D en 5 aan E, terwijl in het geval van C alles bij het oude blijft. Een gelijke winstvoet op eenzelfde kapitaal van 100 is onmogelijk, omdat de verhoudingen van de surplusarbeid zeer verschillend zijn, naargelang de arbeidsproductiviteit en de verhouding tussen de materialen, machines en arbeidslonen, en de omvang van de productie. Maar stel dat een bedrijfstak noodzakelijk is, bijvoorbeeld een bakkerij, dan moet daarvoor de gemiddelde 10 % worden betaald. Dit kan echter alleen gebeuren als A en B een deel van hun surplusarbeid ten goede laten komen aan E. De kapitalistische klasse verdeelt aldus de surplusarbeid tot op zekere hoogte. De kapitalistische klasse verdeelt dus tot op zekere hoogte de totale surpluswaarde, zodat zij in gelijke mate [participeert] naar rato van de omvang van haar kapitaal en niet naar rato van de werkelijk door de kapitalen in de afzonderlijke bedrijfstakken gecreëerde surpluswaarde. De grotere winst – die voortvloeit uit de reële surplusarbeid in een bedrijfstak, de werkelijk gecreëerde surpluswaarde – wordt door de concurrentie teruggedrongen tot het gemiddelde niveau, en het surpluswaarde-tekort in de andere bedrijfstak wordt tot het gemiddelde niveau opgetrokken door de terugtrekking van kapitaal uit dezelfde tak, d.w.z. door een gunstige verhouding van vraag en aanbod. De concurrentie zelf kan het niveau niet beperken, het heeft alleen de neiging dergelijke niveaus te creëren. De rest hoort thuis in het deel over de concurrentie. Hierdoor lijkt het alsof een gelijke hoeveelheid kapitaal in ongelijke bedrijfstakken een gelijke surplusarbeid of een gelijke surpluswaarde creëert. –

Stel, in bovenstaand voorbeeld, dat kapitalist A, gedwongen door concurrentie, verkoopt met 10 % winst in plaats van 11 1/9 en dus het pond twist tegen 1/20 taler te goedkoop verkoopt, dan zou, volgens de veronderstelling, de arbeider nog steeds 20 taler ontvangen, in geld, zijn noodzakelijk loon; in twist echter zou hij 4 4/99 pond ontvangen in plaats van 4 pond. Hij zou, vergeleken met de twist, meer dan zijn noodzakelijke loon ontvangen, 4/20 taler = 1/5 taler of 6 Silbergroschen, d.w.z. 1 % meer loon. Als de arbeider werkt in een bedrijfstak waarvan het product geheel buiten zijn consumptie ligt, dan wint hij geen cent bij deze operatie; voor hem is het veeleer een kwestie van indirect een deel van zijn surplusarbeid te verrichten voor kapitalist B, in plaats van rechtstreeks voor kapitalist A; d.w.z. door bemiddeling van kapitalist A. Hij kan alleen profijt trekken uit het feit dat kapitalist A een deel van de in zijn product geobjectiveerde arbeid gratis ter beschikking stelt door zelf consument van dit product te zijn en alleen naarmate hij een dergelijke consument is. Als zijn verbruik van twist dus 1/10 van zijn uitgaven bedraagt, wint hij door de operatie precies 1/50 taler (2/100 taler op 2 taler, 1/100 op 1 precies 1 % op de 2 taler), d.w.z. 1/10 % op zijn totale arbeidsloon van 20 taler of 7 1/5 penningen. Dit zou de verhouding zijn – 7 1/5 penningen – waarin hij zou delen in zijn eigen surplusarbeid van 20 taler. En tot zulke proporties wordt het surplusloon teruggebracht dat de arbeider in het beste geval verdient door de daling van de prijzen in de bedrijfstak waarin hij zelf werkzaam is tot onder de noodzakelijke waarde. In het beste geval – en dat is onmogelijk – is de grens (in het aangegeven geval) 6 Silbergroschen of 1 %, d.w.z. als hij uitsluitend van twist zou kunnen leven; d.w.z. in het beste geval wordt zijn surplusloon bepaald door de verhouding van de noodzakelijke arbeidstijd tot de surplusarbeidstijd. In de echte luxe-industrieën, waarvan hij zelf geen gebruik maakt, is het altijd = 0.

Veronderstel nu dat de kapitalisten A, B, C onderling ruilen; voor hen allen is het totale product = 200 taler. A produceert twist, B graan en C zilver; de verhoudingen van surplusarbeid en de noodzakelijke en van uitgaven en winst zijn volkomen gelijk. A verkoopt 40 pond twist tegen 198 in plaats van 200 en verliest 1 1/9 % winst; dito B zijn, zeg 40, bushels graan tegen 198, in plaats van 200; maar C ruilt zijn geobjectiveerde arbeid, in de 200 taler, geheel. Tussen A en B bestaat een zodanige verhouding dat, indien de een volledig met de ander zou ruilen, geen van beiden zou verliezen. A zou 40 bushels graan ontvangen, B 40 bushels twist; maar elk slechts een waarde van 198. C ontvangt 40 bushels twist of 40 bushels graan tegen 198 taler, en betaalt in beide gevallen 2 taler te weinig of ontvangt 2/5 bushels twist of 2/5 bushels graan te veel. Veronderstel echter dat de verhouding zodanig is dat A zijn 40 pond tegen 200 taler verkoopt aan zilverman C, maar deze moet 202 betalen aan graanman B, of B ontvangt 2 taler boven zijn waarde. Tussen de twist A en het zilver C is alles in orde; beide ruilen waarde tegen elkaar; maar omdat de prijs van B boven zijn waarde is gestegen, zijn de 40 pond twist en de 200 taler zilver, uitgedrukt in graan, met 1 1/9 % gedaald, of inderdaad konden beide met de 200 taler niet langer 40 bushels graan kopen, maar slechts 39 61/101. 39 61/101 bushels tarwe kost 200 taler, oftewel de bushel tarwe kost in plaats van 5 taler 5 1/20 taler; 5 taler 1 1/2 Silbergroschen. Stel nu dat in deze laatste verhouding de consumptie van de arbeider 1/2 tarwe was; zijn twist consumptie was 1/10 van zijn inkomen; zijn tarweverbruik 5/10. Op de 1/10 heeft hij 1/10 % van zijn totale loon gewonnen; op de tarwe verliest hij 5/10; hij verliest dus 5/10 % op het geheel in plaats van er beter van te worden. Hoewel de kapitalist hem zijn noodzakelijke arbeid zou hebben betaald, zou zijn loon dalen tot onder het noodzakelijke loon ten gevolge van de te hoge prijs van graanman B. Gaat dit zo verder, zou zijn noodzakelijke arbeidsloon moeten stijgen. Indien dus de verkoop van twist door kapitalist A tot gevolg heeft dat de prijs van het graan of van andere gebruikswaarden, die het meest wezenlijke deel van de consumptie van de arbeider vormen, boven hun waarde stijgt, verliest de arbeider van kapitalist A in dezelfde verhouding als zijn consumptie van het duurder geworden product groter is dan die van het door hemzelf vervaardigde goedkope product. Maar als twist A 1 1/9 % boven zijn waarde had verkocht, en graan B 1 1/9 % eronder, dan zou in het beste geval de arbeider, als hij alleen graan consumeert, niet meer dan 6 Silbergroschen kunnen winnen, of, aangezien we aannemen dat hij de helft graan [consumeert], slechts 3 Silbergroschen, of 1/2 % op zijn loon van 20 taler. Voor de arbeider kunnen zich dus alle drie de gevallen voordoen: zijn winst of verlies bij de operatie = 0; het kan zijn noodzakelijke arbeidsloon drukken, zodat het niet meer toereikend is, d.w.z. hem onder het noodzakelijke minimum doet zakken; ten derde kan het hem een surplusarbeidsloon opleveren, dat wordt omgezet in een zeer klein deel van zijn eigen surplusarbeid.

Wij hebben hierboven gezien dat indien de verhouding van de noodzakelijke arbeid tot de andere productievoorwaarden = 1/4 (20 op 100 totaalkosten) of = 20 % van de totale waarde (in 20 ponden twist = 4 ponden twist) (of op 100 taler 80 materiaal en instrument, 20 arbeid) en de verhouding van de surplusarbeid tot de noodzakelijke als 100 % (namelijk dezelfde hoeveelheid), de kapitalist 11 1/9 % op zijn investering verdient.

Als hij slechts 10 % nam en de consumenten 1 1/9 of 2 taler gaf (overdracht surpluswaarde), zou de arbeider, voor zover hij consument is, ook winnen en in het beste (onmogelijke) geval dat hij alleen van de producten van zijn fabrieksbaas leefde, zou het, zoals we hebben gezien [het volgende gebeuren]:

Stel dat de kapitalist het pond twist verkocht tegen 4 15/20 (4 3/4)
in plaats van 5 taler, dan zou de arbeider pond 5/20 winnen op
het pond en bij 4 pond 20/20 = 1; 1 op 20 maar = 1/20 = 5 %;
(1 taler op 20); de kapitalist zou het 40 pond verkopen tegen 4 15/20 taler
= 95/20 taler x 40 = 190 taler; zijn uitgaven 180, zijn winst
= 10 = 5 5/9 [%], zijn verlies [of] min winst = 5 5/9; als hij,
de kapitalist, verkocht tegen 4 12/20, zou de arbeider 8/20
talers op het pond winnen, 32/20 op de 4 pond, 1 taler 22/20
of 1 3/5 talers op zijn totale loon, i.e. 8 %, maar de
kapitalist zou 16 talers verliezen op de surpluswinst of slechts
184 talers houden op het geheel of 4 talers winst op 180
= 1/45 van 180 = 2 2/9 %; zou 8 8/9 verliezen; stel ten slotte dat de
kapitalist het pond twist verkoopt tegen 4 1/2 taler; 40 pond
tegen 180; zijn winst = 0; hij geeft een cadeau aan de
consument uit de surpluswaarde of arbeidstijd, dus de winst van
de arbeider = 1/2 taler per pond = 4/2 taler = 2 taler
of 2 taler op 20 = 10 %.
1 1/9 % (= 2 taler)
verlies aan de kant
van de kapitalist: =



1 % = 6
Silbergroschen op
20 taler (1/2 taler
op 20) winst
op het loon van
de arbeider: = 1 Taler

5 5/9;
(=10 taler)
=5 % (1 taler
op 20).
= 8 8/9 %
(= 16)
= 8 %
(1 taler 18 silbergroschen)

Winst = 0
(Verlies = 11 1/9 %)
= 10 % (2 talers)
(nog geen 1/2 pond)

Als de kapitalist daarentegen het loon met 10 % had verhoogd, van 20 tot 22 taler, omdat in zijn bedrijfstak de arbeidsvraag groter was dan het aanbod – terwijl hij het pond twist nog steeds tegen zijn waarde verkocht, d.w.z. tegen 5 taler, zou zijn winst slechts met 2 taler zijn gedaald; van 20 tot 18; d.w.z. met 1 1/9 % en zou nog steeds 10 % zijn gebleven.

Hieruit volgt dat als de kapitalist, bijvoorbeeld uit consideratie met de heer Proudhon, zijn waren verkocht tegen de productiekosten die ze hem kosten, en zijn totale winst = 0, dit slechts een overdracht zou zijn van surpluswaarde of surplusarbeidstijd van kapitalist A naar B, C, D, enz., en ten opzichte van zijn arbeider, in het gunstigste geval, de winst – d.w.z. zijn aandeel in zijn eigen surplusarbeid – zou beperkt blijven tot dat deel van het loon dat hij consumeert in de afgeschreven waar; en als hij er zijn gehele loon aan besteedt, kan de winst niet groter zijn dan het aandeel van de noodzakelijke arbeid in het totale product (in het bovenstaande voorbeeld 20 : 200 = 1/10, 1/10 van 20 = 2 taler). Met betrekking tot de andere arbeiders is het geval geheel hetzelfde; zij winnen met de depreciërende waar in verhouding, 1. waarin zij het consumeren; 2. in verhouding tot de grootte van hun loon, dat bepaald is door de noodzakelijke arbeid. Als de depreciërende waar bv. graan is – een van de levensbehoeften – dan zou eerst de producent ervan, de pachter, en daarna alle andere kapitalisten, tot de ontdekking komen dat het noodzakelijke loon van de arbeider niet langer het noodzakelijke loon is, maar boven zijn niveau ligt; daarom wordt het naar beneden gebracht; daarom wordt uiteindelijk alleen de surpluswaarde van de kapitalen A, B, C enz. verhoogd, en de surplusarbeid van degenen die erin werken.

Stel, er zijn 5 kapitalisten, A, B, C, D en E. E produceert een waar dat alleen door arbeiders wordt geconsumeerd. E zou dan zijn winst realiseren door de ruil van zijn waar tegen het loon van de arbeiders; maar, zoals anders, zou die winst niet voortkomen uit de ruil van zijn waar tegen het geld van de arbeiders, maar uit de ruil van zijn kapitaal tegen levende arbeid. Stel dat de noodzakelijke arbeid in alle vijf de bedrijfstakken zich gedraagt als 1/5; 1/5 is surplusarbeid bij allen; het constante kapitaal bij allen = 3/5. Kapitalist E ruilt zijn product tegen 1/5 van het kapitaal A, 1/5 van het kapitaal B, 1/5 van het kapitaal C, 1/5 van het kapitaal D, en 1/5 is zijn eigen arbeidsloon. Op deze laatste 1/5 zou hij geen winst maken, zoals we hebben gezien, of beter gezegd, zijn winst zou niet komen uit het feit dat hij 1/5 van zijn kapitaal in geld aan de arbeiders geeft en zij dezelfde 1/5 weer van hem kopen als product – [het] zou niet voortkomen uit de ruil met hen als consumenten of punten van circulatie. Wat zijn transactie met de consumenten van zijn product betreft, dit is gebaseerd op het feit dat hij zijn product in de vorm van geld geeft en dat zij hem hetzelfde geld teruggeven voor precies hetzelfde aliquote deel van het product. Met de arbeiders van A, B, C, D staat hij niet in een verhouding van kapitalist tot arbeider, maar van W tot G, van verkoper tot koper. We hebben verondersteld dat de arbeiders van A, B, C en D niets van hun eigen producten verbruiken; E ruilt echter 1/5 van het product van A, B, C en D , d.w.z. 4/5 van hun product; maar deze ruil is een omweg om bij het loon te komen, betaald door A, B, C en D aan hun eigen arbeiders. Zij geven elk aan de arbeiders geld ter waarde van 1/5 van hun product, of 1/5 van hun product als betaling voor noodzakelijke arbeid, en daarmee, met 4/5 van de waarde van hun product of kapitaal, kopen zij dan de waar van E. Maar deze ruil met E is dan slechts een indirecte vorm van het voorschieten van het deel van het kapitaal dat de noodzakelijke arbeid vertegenwoordigt – d.w.z. aftrek van hun kapitaal. Zij halen er dus geen gewin uit. De winst komt voort uit het te gelden maken van de overige 4/5 van het kapitaal A, B, C, D, en deze valorisatie bestaat juist hierin, dat ieder de in zijn product geobjectiveerde arbeid in een andere vorm door de ruil terugkrijgt. Voor elk van hen, aangezien er een arbeidsdeling is, vervangt 3/5 zijn constant kapitaal, materiaal en arbeidsinstrument. Hun winst bestaat in het wederzijds gebruik van de laatste 1/5 – de valorisatie van de surplusarbeidstijd; het stellen als surpluswaarde. Het is niet nodig dat de kapitalen A, B, C, D de 4/5 volledig ruilen met elkaar. Daar zij als kapitalisten tegelijkertijd grootverbruikers zijn en geenszins van lucht kunnen leven, maar daar zij als kapitalisten evenmin van hun arbeid leven, hebben zij niets te ruilen of te consumeren buiten de producten van anderen. Dat wil zeggen, voor hun eigen consumptie ruilen zij juist die 1/5 die de surplusarbeidstijd vertegenwoordigt, de arbeid die met behulp van het kapitaal is gecreëerd. Stel dat ieder 1/5 van deze 1/5, d.w.z. 1/25, verbruikt in de vorm van zijn eigen product. Wat dan overblijft is 4/25 om te valoriseren door ruil, of om te worden omgezet in een gebruikswaarde voor eigen consumptie. A ruilt 2/25 tegen B, 1/25 tegen C, 1/25 tegen E, en ook zo voor B, C, E.

Het door ons gestelde geval, waarin kapitaal E zijn gehele winst realiseert in de ruil tegen het loon, is het gunstigste – of drukt veeleer de enige juiste verhouding uit, waarin het voor het kapitaal mogelijk is de bij de productie ontstane meerwaarde te realiseren door ruil met en door de consumptie van de arbeiders. Maar in dit geval kunnen de kapitalen A, B, C, D hun waarde slechts verwezenlijken door onderlinge ruil, door de ruil van de kapitalisten onderling. Kapitalist E consumeert niet zijn eigen waar, want hij heeft er 1/5 van betaald aan zijn eigen arbeiders, 1/5 geruild voor 1/5 van het kapitaal A, 1/5 tegen 1/5 van het kapitaal B, 1/5 tegen 1/5 van het kapitaal C, 1/5 tegen 1/5 van het kapitaal D. Met deze ruil maken A, B, C, D geen winst, want het is het respectievelijke 1/5 waarmee zij hun eigen arbeiders hebben betaald.

Volgens de verhouding die wij hebben aangenomen van 2/5 materiaal, 1/5 machine, 1/5 levensbehoeften [van de arbeiders], 1/5 meerproduct, waarvan tegelijkertijd de heren kapitalisten leven en hun surpluswaarde realiseren, als het totale product van elk van A, B, C, D, E = 100, hebben wij 1 producent E nodig voor de levensbehoeften van de arbeiders, 2 kapitalisten A en B, die het materiaal produceren voor alle anderen, 1 C die de machines produceert, 1 D, voor de surplusproductie. De berekening zou er als volgt uitzien (de machinefabrikant enz., moet elk onderdeel van zijn waar voor zichzelf produceren):


Arbeid Materiaal Machines Surplusproduct

A) Materiaal fabrikant 20 40 20 20 = 100 2 1/2

B) Ditto 20 40 20 20 = 100 2 1/2

C) Machinefabrikant 20 40 20 20 = 100 2 1/2

E) Bestaansmiddelen arbeiders 20 40 20 20 = 100 2 1/2

D) Surplus producent 20 40 20 20 = 100


10 20 10 10 = 50

Zo ruilt E zijn gehele product van 100 tegen het loon van 20 voor zijn eigen arbeiders, 20 voor de arbeiders van het materiaal A, 20 voor de arbeiders van het materiaal B, 20 voor de arbeiders van de machinefabrikant C, 20 voor de arbeiders van de surplusproducent D; hiervoor ruilt hij 40 voor materiaal, 20 voor machines, 20 ontvangt hij weer voor de levensbehoeften van de arbeiders, en 20 blijft over voor de aankoop van surplusproducten, waarvan hij zelf leeft. Net zo voor de anderen in verhouding. Wat hun meerwaarde vormt, is de 1/5 of 20 die zij allen kunnen ruilen tegen een surplusproduct. Indien zij het gehele surplus zouden consumeren, zouden zij aan het einde even ver staan als aan het begin, en de meerwaarde van hun kapitaal zou niet groeien. Stel dat zij slechts 10 verbruiken; of 1/10, de helft van de surpluswaarde; dan zou de surplusproducent D zelf 10 minder verbruiken; en elk van de anderen 10 minder: over het geheel genomen zou hij dus slechts zijn halve waar = 50 verkopen, en zijn handel niet opnieuw kunnen beginnen. Laten we dus aannemen dat hij slechts 50 levensmiddelen produceert. Van de 400 taler in het materiaal, machines, levensbehoeften van de arbeiders, komen er slechts 50 voor levensmiddelen voor de kapitalisten. Maar elk van de kapitalisten bezit nu een surplus van 10, waarvan 4 in materiaal, 2 in machines, 2 in de levensbehoeften van de arbeiders, waarop hij 2 moet winnen (zoals voorheen met 80 ... 100); D heeft 10 gewonnen op zijn 40, en kan dus zijn productie in dezelfde verhouding verhogen, namelijk met 5. Hij produceert het volgende jaar 7 1/2 meer = 57 1/2.

Dit voorbeeld kan later al dan niet worden gebruikt. Het hoort hier niet. Zoveel is duidelijk, dat de valorisatie gebeurt in de ruil van de kapitalisten onderling, want hoewel E slechts produceert voor de consumptie van de arbeiders, ruilt men in de vorm van arbeidsloon 1/5 van A, 1/5 van B, 1/5 van C, 1/5 van D, enz. Evenzo ruilen A, B, C, D met E: niet rechtstreeks, maar onrechtstreeks, doordat ieder 1/5 van hem nodig heeft als levensbehoeften voor zijn arbeiders. De valorisering bestaat hierin, dat ieder zijn eigen product ruilt tegen aliquote delen van de producten van de vier anderen, zodat van het surplusproduct een deel bestemd is voor de consumptie van de kapitalist, een deel wordt omgezet in surpluskapitaal, waarmee nieuwe arbeid in beweging wordt gebracht. De valorisatie bestaat in de reële mogelijkheid van een grotere valorisatie – productie van nieuwe en grotere waarden. Het is duidelijk dat indien D en E, waarvan E alle waren voorstelt die door de arbeider worden verbruikt en D alle waren die door de kapitalist worden verbruikt, te veel hadden geproduceerd – namelijk te veel in verhouding tot het deel van het kapitaal dat voor de arbeiders is bestemd, of te veel in verhouding tot het deel van het kapitaal dat door de kapitalisten wordt verbruikt {te veel in verhouding waarin zij het kapitaal moeten vermeerderen; en deze verhouding krijgt later een minimumgrens in de rente}, zou er een algemene overproductie zijn, niet omdat er relatief te weinig waren [geconsumeerd] worden door de arbeiders of te weinig waren geconsumeerd door de kapitalisten, maar omdat er te veel van beide geproduceerd zou worden – niet te veel voor consumptie, maar te veel om de juiste verhouding tussen consumptie en valorisatie vast te stellen; te veel voor het valoriseren.

Met andere woorden, vanuit een gegeven punt van ontwikkeling van de productiekrachten – (want deze zal de verhouding van de noodzakelijke arbeid tot de surplusarbeid bepalen) – is er een vaste verhouding waarin het product wordt verdeeld in een deel dat overeenkomt met materialen, machines, noodzakelijke arbeid, surplusarbeid, en tenslotte de surplusarbeid zelf in een deel dat tot consumptie behoort en een ander deel dat weer kapitaal wordt. Deze interne verdeling van het kapitaal verschijnt in de ruil op zulke wijze dat bepaalde en beperkte verhoudingen – ook al veranderen zij steeds in de loop van de productie – plaatsvinden voor de onderlinge ruil van kapitalen. Of de verhoudingen bv. zijn: 2/5 materiaal, 1/5 machines, 1/5 loon, 1/5 surplusproduct, waarvan 1/10 weer bestemd is voor consumptie, 1/10 voor nieuwe productie – deze verdeling binnen het kapitaal – verschijnt in de ruil als een verdeling, laten we zeggen, tussen 5 kapitalen. In ieder geval geeft dit zowel de som van de ruil die kan plaatsvinden, als de verhoudingen waarin elk van deze kapitalen zowel moet ruilen als produceren. Als de verhouding van de noodzakelijke arbeid tot het constante deel van het kapitaal bijvoorbeeld is, zoals in het bovenstaande voorbeeld = 1/5 : 3/5, hebben we gezien dat het kapitaal dat werkt voor de consumptie van de kapitalisten en de arbeiders, niet groter mag zijn dan 1/5 + 1/10 van de 5 kapitalen, die elk 1, = 11/2 kapitalen vertegenwoordigen. Op dezelfde wijze is de verhouding gegeven waarin elk kapitaal moet ruilen met het andere, dat een bepaald moment van zichzelf vertegenwoordigt. Tenslotte, waar elk van hen moet ruilen. Indien bijvoorbeeld de verhouding van het materiaal = 2/5, dan kunnen de kapitalen die het materiaal produceren op een bepaald eindpunt altijd slechts 3/5 ruilen, terwijl 2/5 als vast moet worden beschouwd. (bv. zaden enz. in de landbouw.) De ruil op zich geeft aan deze momenten, die abstract tegengesteld zijn, een onverschillig bestaan; zij bestaan onafhankelijk van elkaar; hun innerlijke noodzakelijkheid verschijnt in de crisis die met geweld een einde maakt aan hun onverschillige verschijning tegenover elkaar.

Een revolutie in de productiekrachten wijzigt bovendien deze verhoudingen, wijzigt deze verhoudingen zelf, waarvan de basis – vanuit het standpunt van het kapitaal en dus ook het valoriseren door ruil – altijd de verhouding blijft van noodzakelijke tot surplusarbeid, of, zo men wil, van de verschillende momenten van de geobjectiveerde tot de levende arbeid. Het is mogelijk, zoals wij reeds hebben aangegeven, dat zowel het door de toename van de productiekrachten vrijgemaakte kapitaal als het vrijgekomen levende arbeidsvermogen onbenut moeten blijven, omdat zij niet aanwezig zijn in de verhoudingen waaronder de productie op basis van de nieuw ontwikkelde productiekrachten moet plaatsvinden. Als het toch doorgaat, dan komt er uiteindelijk een min, een negatieve grootte, bij de ruil aan de ene of de andere kant.

De beperking is altijd dat de ruil – dus ook de productie – zodanig plaatsvindt dat de verhouding van de surplusarbeid tot de noodzakelijke gelijk blijft – want dit is = het gelijk blijven van de valorisatie van het kapitaal. De tweede verhouding – de proportie tussen het deel van het surplusproduct dat door het kapitaal wordt geconsumeerd en het deel dat opnieuw in kapitaal wordt omgezet – wordt bepaald door de eerste verhouding. In de eerste plaats hangt de omvang van de som die in deze twee delen moet worden verdeeld, af van deze oorspronkelijke verhouding; in de tweede plaats, als de creatie van de meerwaarde van het kapitaal berust op het creëren van surplusarbeid, dan hangt de vermeerdering van het kapitaal als kapitaal (de accumulatie, en zonder dit kapitaal kan het niet de basis zijn van de productie, aangezien het zou stagneren en er geen element van vooruitgang zou worden gecreëerd, dat reeds noodzakelijk is door de loutere groei van de bevolking, enz.) af van de transformatie van een deel van dit surplusproduct in nieuw kapitaal. Indien de meerwaarde eenvoudigweg zou worden geconsumeerd, zou het kapitaal zichzelf niet hebben gevaloriseerd en zou het zichzelf niet hebben geproduceerd als kapitaal, d.w.z. als waarde die waarde produceert.

Wij hebben gezien dat wanneer 40 pond twist met een waarde van 200 taler – omdat er arbeidstijd in zit, uitgedrukt in 200 taler – wordt geruild tegen 198 taler, niet alleen de fabrikant van twist 1 1/9 % winst verliest, maar ook zijn product wordt gedevalueerd, het wordt onder zijn werkelijke waarde verkocht, hoewel het wordt verkocht tegen een prijs die hem nog een winst van 10 % oplevert. Aan de andere kant wint de zilverproducent 2 taler. Behoudt 2 taler als vrij [freigewordenes] kapitaal. Niettemin is er een devaluatie wanneer het totale bedrag in aanmerking wordt genomen. Want de som is 398 taler in plaats van 400. Want in de handen van de zilverproducent zijn de 200 taler twist nu ook maar 198 waard; het is voor hem hetzelfde als wanneer de productiekracht van zijn arbeid zodanig zou zijn toegenomen, dat dezelfde geobjectiveerde arbeid nog steeds in 200 taler vervat zou zijn, maar 2 taler daarvan zou zijn overgegaan van de rekening van de noodzakelijke uitgaven naar die van de surpluswaarde, hij zou 2 taler minder hebben betaald voor de noodzakelijke arbeid. Het omgekeerde kan alleen het geval zijn, als de zilverproducent de 40 pond twist, die hij voor 198 taler heeft gekocht, voor 200 taler kan doorverkopen. Dan zou hij 202 taler hebben, en zeggen dat hij ze verkocht heeft aan een zijdefabrikant, die hem voor 200 taler zijde gaf in ruil voor de 40 pond twist. De 40 pond twist zouden dan tegen hun werkelijke waarde worden verkocht, zo niet in eerste instantie door de producent, dan toch door de koper, en de totale rekening zou aldus zijn: 3 producten geruild, die elk geobjectiveerde arbeid bevatten ter waarde van 200; dus som van de waarden van de kapitalen: 600. A de fabrikant van de twist, B de zilverfabrikant, C de zijdefabrikant: A 198, B 202 (namelijk 2 overschot van de eerste ruil en 200 zijde), C 200. Summa 600. In dit geval bleef de totale waarde van de kapitalen gelijk en vond er slechts een verschuiving plaats, in die zin dat B de waarde die A verloor, als extra in eigen zak stak.

Indien A, de twistfabrikant, slechts 180 zou kunnen verkopen (wat het hem kost) en 20 twist absoluut niet zou verkopen, dan zou de geobjectiveerde arbeid van 20 taler waardeloos zijn geworden. Hetzelfde zou het geval zijn indien hij voor 180 taler een waarde van 200 gaf; voor B, de fabrikant van zilver – voor zover deze noodzaak voor A was ontstaan door overproductie van twist, zodat ook B de waarde, in de twist van 40 pond, niet voor meer dan 180 kwijt kon – zou 20 taler van zijn kapitaal zijn vrijgekomen. Hij zou een relatieve surpluswaarde van 20 taler in handen hebben, maar in de som van de absolute waarde – geobjectiveerde arbeidstijd, voor zover die ruilbaar is – nog slechts 200 – namelijk 40 pond twist voor 180 en 20 taler vrijgemaakt kapitaal. Voor hem zou het hetzelfde zijn als wanneer de productiekosten van twist zouden zijn verlaagd, d.w.z. dat door een verhoging van de arbeidsproductiviteit, 40 pond twist minder arbeidstijd zou bevatten voor 20 taler, of als de arbeidsdag = 4 taler, 5 arbeidsdagen minder nodig zouden zijn om x pond katoen om te zetten in 40 pond twist; hij zou dus minder in zilver geobjectiveerde arbeidstijd moeten ruilen tegen de in twist geobjectiveerde arbeidstijd. De totale som van de bestaande waarden zou echter 380 zijn in plaats van 400. Er zou een algemene ontwaarding van 20 taler hebben plaatsgevonden, of een kapitaalvernietiging ten belopen van 20 taler. Er vindt dus een algemene devaluatie plaats, hoewel de depreciatie, dat de twistfabrikant 40 pond verkoopt tegen 180 in plaats van 200, noodzakelijkerwijs lijkt op een waarderend effect aan de kant van het zilver, een depreciërend effect van de twist ten opzichte van het zilver, en een algemeen depreciërend effect van prijzen in het algemeen, omvat het altijd een opwaardering van het geld, namelijk van de waren, waarin alle andere worden getaxeerd. In een crisis – een algemene depreciatie van de prijzen – vindt dus tegelijkertijd, tot op een bepaald moment, een algemene devaluatie of vernietiging van kapitaal plaats. De devaluatie kan algemeen en absoluut zijn, en niet slechts relatief zoals de depreciatie, omdat waarde niet slechts, zoals de prijs, een verhouding van een waar tot een ander uitdrukt, maar de verhouding van de prijs van de waar tot de daarin geobjectiveerde arbeid, of van een hoeveelheid geobjectiveerde arbeid van dezelfde kwaliteit tot een andere. Indien deze kwantiteiten niet gelijk zijn, is er een ontwaarding, die niet wordt gecompenseerd door een waardering aan de andere kant, aangezien de andere kant een vaste kwantiteit van geobjectiveerde arbeid uitdrukt, die niet verandert door de ruil. Deze ontwaarding strekt zich in een algemene crisis uit tot het levende arbeidsvermogen zelf.

De vernietiging van waarde en kapitaal in een crisis, valt dus samen met – of betekent hetzelfde als – een algemene groei van de productiekrachten, die echter niet plaatsvindt door middel van een reële toename van de arbeidsproductiviteit (in hoeverre dit ten gevolge van een crisis gebeurt, doet hier niet ter zake), maar door middel van een afname van de bestaande waarde van het materiaal, de machines, het arbeidsvermogen. Bijvoorbeeld. De katoenfabrikant verliest kapitaal op zijn producten (twist bv.), maar hij koopt tegen een lagere prijs dezelfde waarde aan katoen, arbeid, enz. Het is voor hem hetzelfde als wanneer de reële waarde van arbeid, katoen enz. zou zijn gedaald, d.w.z. alsof zij goedkoper zouden zijn geproduceerd met een hogere arbeidsproductiviteit. Daarentegen zou een plotselinge algemene groei van de productiekrachten alle bestaande waarden, die de arbeid in een lager stadium van de productiekrachten objectiveren, relatief ontwaarden en dus zowel het beschikbare kapitaal als het beschikbare arbeidsvermogen vernietigen. De keerzijde van de crisis is een werkelijke vermindering van de productie, van de levende arbeid – om de juiste verhouding te herstellen tussen noodzakelijke en surplusarbeid, waarop uiteindelijk alles is gebaseerd. (Dus helemaal niet, zoals Lord Overstone denkt – als een echte geldwoekeraar – dat crisissen eenvoudig oplossen in enorme winsten voor sommigen en immense verliezen voor anderen).

De ruil verandert de inwendige condities voor valorisatie niet, maar brengt ze naar buiten, geeft ze een zelfstandige vorm ten opzichte van elkaar en laat zo de interne eenheid alleen als een inwendige noodzaak bestaan, die zich daarom naar buiten uitdrukt in een krachtige crisis. Beide zijn dus inherent aan het wezen van het kapitaal: zowel de ontwaarding van het kapitaal door het productieproces als de opheffing ervan en het scheppen van de voorwaarden voor het valoriseren van het kapitaal. De beweging waarin dit werkelijk plaatsvindt – kan pas worden beschouwd zodra het reële kapitaal, d.w.z. de concurrentie enz. – de werkelijke reële omstandigheden in aanmerking zijn genomen. Maar dat hoort hier nog niet. Daarentegen, zonder ruil zou de productie van kapitaal als zodanig niet bestaan, omdat zonder ruil de valorisatie als zodanig niet bestaat. Zonder ruil zou het alleen maar gaan om het meten enz. van de geproduceerde gebruikswaarde, alleen gebruikswaarde als zodanig.

Nadat het kapitaal 1. zichzelf heeft gevaloriseerd door het productieproces, dus creatie van nieuwe waarde; 2. zichzelf heeft ontwaard, d.w.z. van de geldvorm is overgegaan in een bepaalde waar, 3. valoriseert het zichzelf samen met zijn nieuwe waarde door het product opnieuw in omloop te brengen en het als W te ruilen tegen G. Dit is het derde proces. De werkelijke moeilijkheden van dit derde proces bevinden zich op het punt waar wij nu staan, waar het kapitaal slechts in het algemeen wordt beschouwd – slechts aanwezig als mogelijkheid en daarom net zo opgeschort als mogelijkheid. Product dus nu gesteld als weer omgezet in geld.

Kapitaal wordt nu dus weer als geld gesteld, en geld dus in de nieuwe bepaling van gerealiseerd kapitaal, niet slechts als de gerealiseerde prijs van de waar. Of de in een prijs gerealiseerde waar is nu gerealiseerd kapitaal. Op deze nieuwe bepaling van geld, of liever van kapitaal als geld, zullen wij later ingaan. Allereerst verschijnt, volgens de aard van het geld, aan het kapitaal – omdat het in geld is omgezet – alleen de nieuwe waarde die het creëerde; d.w.z. de eerste bepaling van geld als de algemene maatstaf van waren wordt herhaald; nu als de maatstaf van de meerwaarde – de valorisatie van het kapitaal. In de geldvorm verschijnt deze valorisatie als door zichzelf gemeten; als zijnde haar eigen maatstaf. Het kapitaal was oorspronkelijk 100 taler; omdat het nu 110 taler is, wordt de maatstaf van zijn valorisatie in zijn eigen vorm gesteld – als een deel van het kapitaal dat uit het productieproces en uit de ruil terugvloeit (terugkeert in zijn geldvorm), in verhouding tot het oorspronkelijke kapitaal; niet langer als een verhouding tussen twee ongelijke kwaliteiten – geobjectiveerde en levende arbeid – of noodzakelijke arbeid en surplusarbeid. Wanneer kapitaal als geld wordt gesteld, wordt het dus gesteld in het eerste aspect van geld, als maatstaf van waarde. Hier is deze waarde echter zijn eigen waarde, of de maatstaf van zijn zelf-valorisatie. We komen hier op terug (bij de winst).

De tweede geldvorm was die van circulatiemiddel; in dit opzicht verschijnt de geldvorm van het kapitaal slechts als een verdwijnmoment, om opnieuw te ruilen, maar niet, zoals in het geval van geld als een algemeen circulatiemiddel, tegen waren – gebruikswaarden – voor consumptie, maar om het te ruilen tegen speciale gebruikswaarden, enerzijds materiaal en instrument, anderzijds levend arbeidsvermogen, waarin het zijn kringloop als kapitaal opnieuw kan aanvangen. In deze bepaling is het circulerend kapitaal, waarover later meer. Maar het gevolg van het geld als circulatiemiddel, is het begin van de productiehandeling van het gestelde kapitaal, en dit gaan we eerst behandelen alvorens verder te gaan. (In de eerste bepaling, de maat, verschijnt de nieuwe waarde wel gemeten; maar het verschil is slechts formeel; in plaats van surplusarbeid, [het] geld – surplusarbeid geobjectiveerd in een waar. De kwalitatieve aard van deze nieuwe waarde ondergaat ook een verandering – namelijk de maat zelf, die pas later aan de orde komt. Ten tweede is de verdwijning van de geldvorm als circulatiemiddel ook slechts formeel. Het wordt pas essentieel nadat niet alleen de eerste kringloop is voltooid, maar ook de tweede. Het resultaat is dat we terug zijn bij het begin van het valorisatieproces. Op dit punt gaan we dus eerst verder in.)

De derde geldvorm als zelfstandige waarde die zich negatief verhoudt tot de circulatie, is kapitaal, dat niet als waar uit het productieproces komt om in de ruil geld te worden. Maar het is kapitaal dat, en in zijn waardevorm naar zichzelf verwijst, waar wordt, dat in circulatie komt. (Kapitaal en rente.) Deze derde vorm maakt het kapitaal ondergeschikt aan de eerste en vormt tegelijkertijd de overgang van het kapitaal naar de bijzondere kapitalen, de echte kapitalen; want in deze laatste vorm scheidt het kapitaal zich, naar zijn concept, in twee zelfstandig bestaande kapitalen. Met de twee-eenheid, is het overwicht dan algemeen gegeven. Dat is de gang van zaken.

{Voordat we verder gaan, wil ik graag deze opmerking maken. Kapitaal in het algemeen, in tegenstelling tot specifieke kapitalen, verschijnt inderdaad, 1. slechts als een abstractie: geen willekeurige abstractie, maar een abstractie die de differentia specifica [het onderscheidende kenmerk] van het kapitaal begrijpt, in tegenstelling tot alle andere vormen van rijkdom – of manieren waarop de (maatschappelijke) productie zich ontwikkelt. Dit zijn bepalingen die elk kapitaal als zodanig gemeen hebben, of die elke bepaalde som van waarden tot kapitaal maken. En de verschillen binnen deze abstractie zijn eveneens abstracte bijzonderheden die elk type kapitaal kenmerkt doordat zij de positie of de negatie ervan zijn (bv. vast kapitaal of circulerend kapitaal); 2. Maar kapitaal in het algemeen, te onderscheiden van de bijzondere reële kapitalen, is zelf een reëel bestaan. Dit wordt erkend, hoewel niet begrepen, door de gangbare economie en vormt een zeer belangrijk moment voor haar evenwichtsleer, enz. Zo vormt het kapitaal in deze algemene vorm, ook al behoort het toe aan individuele kapitalisten, in zijn elementaire vorm als kapitaal, het kapitaal dat zich in de banken ophoopt of via hen wordt verdeeld, en dat zich, zoals Ricardo zegt, zo bewonderenswaardig verdeelt naargelang van de behoeften van de productie. Het creëert ook een evenwicht tussen de verschillende landen door middel van leningen enz. Als het dus bv. een algemene wet van het kapitaal is dat het, om zichzelf te valoriseren, zich dubbel moet voordoen, en zich in deze dubbele vorm moet valoriseren, dan zal bv. het kapitaal van een bepaalde natie dat het kapitaal bij uitstek vertegenwoordigt in tegenstelling tot een andere natie, zich moeten uitlenen aan een derde natie om zich te kunnen valoriseren. Het dubbel voordoen, het zichzelf vreemd noemen, wordt verdomd reëel in deze zaak. Terwijl het algemene dus enerzijds slechts een denkbeeldige differentia specifica is, is het tegelijkertijd een bijzondere reële vorm naast de vorm van het bijzondere en het individuele. (Wij komen later terug op dit punt, dat, hoewel het meer logisch dan economisch is, toch van groot belang zal zijn voor ons onderzoek. Hetzelfde geldt ook voor de algebra. Bv., a, b, c zijn getallen als zodanig; in het algemeen; maar dan weer zijn het gehele getallen in tegenstelling tot a/b, b/c, c/b, c/a, b/a enz., welke laatste echter de eerste veronderstellen als hun algemene elementen.)}

De nieuwe waarde wordt dus opnieuw kapitaal, als geobjectiveerde arbeid die het ruilproces met de levende aangaat en zich dus opdeelt in een constant deel – de objectieve voorwaarden van de arbeid, materiaal en instrument – en de voorwaarden voor de subjectieve voorwaarde van de arbeid, het bestaan van het levende arbeidsvermogen, de levensbehoeften, levensmiddelen voor de arbeider. Bij deze tweede entree van het kapitaal in deze vorm lijken er punten opgehelderd die bij de eerste keer nogal onduidelijk waren – geld dat van zijn bestemming als waarde overgaat in die van kapitaal. Nu worden ze verklaard door het valorisatieproces en de productie zelf. In het eerste geval leken de voorwaarden zelf extern, komende uit de circulatie; als externe voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal; dus niet voortkomend uit zijn innerlijke essentie en niet verklaard vanuit diezelfde essentie. Deze externe voorwaarden zullen nu verschijnen als momenten van de beweging van het kapitaal zelf, zodat het deze zelf – hoe zij historisch ook ontstaan – als zijn eigen momenten heeft verondersteld.

In het productieproces verschijnt de surpluswaarde, de surpluswaarde die door dwang van het kapitaal wordt verkregen, als surplusarbeid, in de vorm van levende arbeid, die echter, omdat zij niet uit niets iets kan scheppen, haar objectieve voorwaarden aantreft. Nu verschijnt deze surplusarbeid geobjectiveerd als surplusproduct, en dit surplusproduct deelt zich, om als kapitaal te valoriseren, in twee vormen: als objectieve arbeidsvoorwaarde – materiaal en instrument; als subjectief – levensmiddelen voor de levende arbeid die aan het werk moet worden gezet. De algemene vorm als waarde – geobjectiveerde arbeid – en geobjectiveerde arbeid die voortkomt uit circulatie – is natuurlijk de algemene vanzelfsprekende voorwaarde. Verder: het surplusproduct in zijn totaliteit – dat de surplusarbeid in zijn totaliteit objectiveert – verschijnt nu als surpluskapitaal (in vergelijking met het oorspronkelijke kapitaal voordat het deze circulatie had gemaakt), d.w.z. als een zelfstandige ruilwaarde, die het levende arbeidsvermogen als zijn specifieke gebruikswaarde confronteert. Alle momenten die het levende arbeidsvermogen confronteerden als vreemde, externe machten die het onder bepaalde, van zichzelf onafhankelijke voorwaarden consumeerden en gebruikten, worden nu als een eigen product en resultaat ervaren.

Ten eerste: de surpluswaarde of het surplusproduct is niets anders dan een bepaalde som van geobjectiveerde levende arbeid – de som van de surplusarbeid. Deze nieuwe waarde, die de levende arbeid confronteert als een zelfstandig kapitaal waarmee [de levende arbeid] zich ruilt, is het product van de arbeid. Het is zelf niets anders dan het arbeidsoverschot in het algemeen boven de noodzakelijke arbeid – in een objectieve vorm en daarom een waarde.

Ten tweede: de bijzondere vormen die deze waarde moet aannemen om zichzelf opnieuw te kunnen valoriseren, d.w.z. om kapitaal te zijn – enerzijds als materiaal en instrument, anderzijds als bestaansmiddelen voor de arbeid tijdens de productie, zijn dan ook slechts bijzondere vormen van de surplusarbeid. Materiaal en instrument worden door haar zelf in die verhouding geproduceerd – of zij wordt zelf objectief als materiaal en instrument in die verhouding geplaatst, die niet alleen een bepaalde hoeveelheid noodzakelijke levende arbeid – d.w.z. die welke voedsel voortbrengt (zijn waarde) – toestaat zich daarin te objectiveren, en zich voortdurend te objectiveren, dat wil zeggen steeds opnieuw de scheiding kan aanbrengen tussen de objectieve en subjectieve voorwaarden van zijn zelfbehoud en zelfreproductie, maar dat de levende arbeid bij de uitvoering van dit proces van reproductie van zijn objectieve voorwaarden tegelijkertijd materiaal en instrument in zodanige verhoudingen stelt, dat het zich in hen kan verwezenlijken als surplusarbeid, als arbeid boven de noodzakelijke, en hen daardoor tot het materiaal van nieuwe waardeschepping kan maken. De objectieve voorwaarden van de surplusarbeid – die beperkt zijn tot het aandeel van het materiaal en het instrument dat de behoeften van de noodzakelijke arbeid te boven gaat, terwijl de objectieve voorwaarden van de noodzakelijke arbeid zich binnen hun objectiviteit verdelen in objectief en subjectief, in objectieve momenten van arbeid zowel als subjectief (consumptiegoederen voor de levende arbeid) – verschijnen daarom nu, worden daarom nu gesteld, als het product, het resultaat, de objectieve vorm, het uiterlijke bestaan van de surplusarbeid zelf. Oorspronkelijk leek het daarentegen, vreemd aan de levende arbeid, – als een actie van het kapitaal – dat instrumenten en bestaansmiddelen in een zodanige mate beschikbaar waren dat de levende arbeid zich niet alleen als noodzakelijke, maar ook als surplusarbeid kon verwezenlijken.

Ten derde: Het zelfstandige voor-zich-zijn van de waarde tegenover het levende arbeidsvermogen – vandaar zijn bestaan als kapitaal – de objectieve, zichzelf in stand houdende onverschilligheid, de vreemdheid van de objectieve arbeidsvoorwaarden tegenover het levende arbeidsvermogen, die zo ver gaat totdat deze voorwaarden de persoon van de arbeider confronteren met de persoon van de kapitalist – als personificaties met hun eigen wil en belang – deze absolute scheiding, afscheiding van het eigendom, d.w.z. de zakelijke arbeidsvoorwaarden van het levende arbeidsvermogen – dat hem als vreemd eigendom confronteert, als de werkelijkheid van een andere rechtspersoon, het absolute domein van zijn wil – en dat daarom anderzijds de arbeid als vreemde arbeid verschijnt tegenover de waarde of de voorwaarden van de arbeid, gepersonifieerd in de kapitalist – deze absolute scheiding tussen eigendom en arbeid, tussen het levende arbeidsvermogen en de voorwaarden van zijn verwezenlijking, tussen geobjectiveerde en levende arbeid, tussen waarde en waardescheppende activiteit – vandaar ook de vreemdheid van de inhoud van de arbeid tegenover de arbeider zelf – verschijnt deze scheiding nu als het product van de arbeid zelf, als verdinglijking, objectivering van zijn eigen momenten. Want door de nieuwe productiehandeling zelf – die de daaraan voorafgaande ruil tussen kapitaal en levende arbeid alleen maar bevestigde – werd de surplusarbeid, dus surpluswaarde, het surplusproduct, het totale resultaat van de arbeid (van de surplusarbeid, zowel als de noodzakelijke arbeid) als kapitaal gesteld, als ruilwaarde zelfstandig van en onverschillig tegenover het levende arbeidsvermogen, of als ruilwaarde die tegenover zijn gebruikswaarde staat. Het arbeidsvermogen heeft zich alleen de subjectieve voorwaarden van de noodzakelijke arbeid toegeëigend – de bestaansmiddelen voor het producerende arbeidsvermogen, d.w.z. zijn reproductie als louter arbeidsvermogen gescheiden van de voorwaarden van zijn verwezenlijking, en het heeft deze voorwaarden zelf als dingen, waarden, gesteld, die het in een vreemde, gebiedende personificatie confronteert. Niet alleen komt het niet rijker uit het proces, maar het komt er armer uit dan toen het begon. Want niet alleen heeft hij de voorwaarden van de noodzakelijke arbeid geproduceerd als voorwaarden die bij het kapitaal horen; maar ook de mogelijkheid tot waardeschepping, de valorisatie die als mogelijkheid erin ligt, bestaat nu als surpluswaarde, surplusproduct, in één woord als kapitaal, als meester over het levende arbeidsvermogen, als waarde begiftigd met een eigen macht en wil, die hem confronteert in zijn abstracte, objectloze, zuiver subjectieve armoede. Het heeft niet alleen de vreemde rijkdom en de eigen armoede voortgebracht, maar ook de verhouding van deze rijkdom tot de armoede, geconsumeerd door deze rijkdom, waaruit de rijkdom nieuwe vitaliteit opneemt en zich opnieuw valoriseert. Dit alles komt voort uit de ruil, waarbij het levende arbeidsvermogen ruilt tegen een hoeveelheid geobjectiveerde arbeid, behalve dat deze geobjectiveerde arbeid – deze externe bestaansvoorwaarden, en het zelfstandige bestaan buiten hem [Ausserihmsein] van deze zakelijke voorwaarden – nu verschijnen als door hemzelf gemaakt, als zijn eigen product, als zijn eigen objectivering evenals de objectivering van hemzelf als een macht onafhankelijk van hem, die bovendien over hem heerst, heerst over hem door zijn eigen handelen.

In het surpluskapitaal zijn alle momenten het product van vreemde arbeidvreemde surplusarbeid veranderd in kapitaal; bestaansmiddelen voor de noodzakelijke arbeid; de objectieve voorwaarden – materiaal en instrument – opdat de noodzakelijke arbeid de voor de bestaansmiddelen geruilde waarde kan reproduceren; tenslotte de noodzakelijke hoeveelheid materiaal en instrument, zodat daarmee nieuwe surplusarbeid kan worden gerealiseerd of nieuwe meerwaarde kan worden geschapen.

Hier lijkt het niet meer, zoals bij het eerste onderzoek van het productieproces, alsof het kapitaal een zekere waarde meebracht, van zijn kant, uit de circulatie. De objectieve arbeidsvoorwaarden verschijnen nu veeleer als een product – zowel voor zover zij waarde zijn als voor zover zij gebruikswaarden zijn voor de productie. Maar als het kapitaal verschijnt als het product van de arbeid, verschijnt het product van de arbeid ook als kapitaal – niet langer als een eenvoudig product of als een ruilbaar goed, maar als kapitaal, geobjectiveerde arbeid als overheersing, commando over de levende arbeid. Ook blijkt, als product van de arbeid, dat zijn product als vreemd bezit verschijnt, als een bestaanswijze, zelfstandig tegenover de levende arbeid, eveneens als een waarde voor zichzelf; dat het product van de arbeid, de geobjectiveerde arbeid, door de levende arbeid van een eigen ziel wordt voorzien en zich ten opzichte daarvan als een vreemde macht vestigt. Vanuit het standpunt van de arbeid lijkt zij dus actief in het productieproces, en wel op zo’n manier dat zij tegelijkertijd haar verwerkelijking in objectieve voorwaarden als een vreemde realiteit van zich afstoot en zich daarom als een inhoudsloze, louter hulpbehoevend arbeidsvermogen afzet tegen deze werkelijkheid die haar vervreemd is en niet haar, maar anderen toebehoort; dat zij haar eigen werkelijkheid niet als zijn-voor-zich maar als zijn voor anderen en daarom ook als louter anders-zijn of zijn van de ander tegenover zichzelf stelt. Dit realisatieproces is ook het niet-verwezenlijkingsproces van de arbeid. Het stelt zichzelf objectief, maar het stelt deze objectiviteit van zichzelf als zijn eigen niet-zijn of als het zijn van niet-zijn – van het kapitaal. Zij keert in zichzelf terug als een mogelijkheid van de verwezenlijking van waarde of valorisatie; omdat alle reële rijkdom, de wereld van reële waarde en de werkelijke voorwaarden van haar eigen verwezenlijking, tegenover haar staan als onafhankelijke bestaansvormen. Het zijn de mogelijkheden in de eigen schoot van de levende arbeid en die, als gevolg van het productieproces, bestaan als een realiteit naast haar – maar als een realiteit die haar vreemd is, die de er tegenover staande rijkdom vormt.

Voor zover het surplusproduct opnieuw als surpluskapitaal wordt gevaloriseerd, opnieuw in het productieproces en het zelf-valorisatieproces komt, deelt het zich 1. in bestaansmiddelen voor de arbeiders in ruil voor het levende arbeidsvermogen; laat ons dit deel van het kapitaal het arbeidsfonds noemen; dit arbeidsfonds, het deel dat bestemd is voor het behoud van het arbeidsvermogen – en voor de progressieve instandhouding ervan, omdat het surpluskapitaal voortdurend toeneemt – verschijnt nu evenzeer als het product van vreemde arbeid, aan het kapitaal vreemde arbeid, als 2. de andere bestanddelen ervan – de zakelijke voorwaarden voor de reproductie van een waarde = deze bestaansmiddelen + een surpluswaarde.

Verder; wanneer men dit surpluskapitaal beschouwt, de verdeling van het kapitaal in een constant deel – het materiaal en instrumenten met een antediluviaans [antiek] bestaan vóór de arbeid – en een variabel deel, namelijk de tegen levend arbeidsvermogen te ruilen bestaansmiddelen, zuiver formeel, voor zover beide gelijkelijk door de arbeid worden gesteld en gelijkelijk door haar als haar eigen voorwaarden worden gesteld. Deze verdeling van het kapitaal in zichzelf blijkt nu veeleer zo te zijn dat het eigen arbeidsproduct – geobjectiveerde surplusarbeid – zich in twee componenten verdeelt – de objectieve voorwaarden voor een nieuwe valorisatie van de arbeid (1) en een arbeidsfonds voor het behoud van de mogelijkheid van deze levende arbeid, d.w.z. van het levende arbeidsvermogen als levend (2), maar wel zodanig dat het arbeidsvermogen het als arbeidsfonds bepaalde deel van zijn eigen resultaat – zijn eigen bestaan in objectieve vorm – alleen opnieuw kan toe-eigenen, het alleen uit de vorm van de vreemde rijkdom tegenover zich kan halen door niet alleen zijn waarde te reproduceren, maar ook door dat deel van het nieuwe kapitaal te valoriseren dat de objectieve voorwaarden vormt voor de verwezenlijking van nieuwe surplusarbeid en surplusproductie of productie van surpluswaarden. De arbeid zelf heeft een nieuw fonds geschapen voor de toepassing van nieuwe noodzakelijke arbeid, of, wat hetzelfde is, een fonds voor het behoud van nieuw levend arbeidsvermogen, de arbeiders, maar tegelijkertijd met de voorwaarde dat dit fonds alleen kan worden aangewend als nieuwe surplusarbeid wordt ingezet op het extra deel van het surpluskapitaal. In het door de arbeid geproduceerde surpluskapitaal – surpluswaarde – wordt dus tegelijkertijd de reële noodzaak van nieuwe surplusarbeid geschapen, en dus is het surpluskapitaal zelf de reële mogelijkheid van zowel nieuwe surplusarbeid als nieuw surpluskapitaal. Hier wordt duidelijk dat de arbeid zelf de objectieve wereld van de rijkdom als een aan de arbeid vreemde macht progressief uitbreidt en een steeds ruimer en vollediger bestaan geeft, zodat, in verhouding tot de gecreëerde waarden of de reële voorwaarden van waardecreatie, de armzalige subjectiviteit van het levende arbeidsvermogen een steeds schrijnender contrast vormt. Hoe groter de mate waarin de arbeid zichzelf objectiveert, des te groter wordt de objectieve wereld van waarden, die er als vreemd tegenover staat – als vreemde eigendom. Door de creatie van surpluskapitaal legt de arbeid zichzelf de dwang op om nog meer nieuw surpluskapitaal te scheppen, enz. enz.

Met betrekking tot het oorspronkelijke niet-surpluskapitaal is de verhouding, wat het arbeidsvermogen betreft, in zoverre gewijzigd, dat 1. het deel ervan dat tegen noodzakelijke arbeid wordt geruild, door deze arbeid zelf is gereproduceerd, d.w.z. dat het niet meer uit de circulatie komt, maar haar eigen product is; en 2. dat deel van de waarde, dat in materiaal en werktuig de reële voorwaarden voor de valorisatie van de levende arbeid vormt, door haar zelf in het productieproces is behouden; en aangezien elke gebruikswaarde van nature uit, uit vergankelijk materiaal bestaat, maar de ruilwaarde alleen in de gebruikswaarde bestaat, betekent dit behouden = bescherming tegen verval of negatie van de vergankelijke natuur van de waarden in bezit van de kapitalisten; daarom worden ze gesteld als een waarde op zich, als onvergankelijke rijkdom. Als kapitaal is deze oorspronkelijke som van waarden dus ook pas in het productieproces tot stand gekomen door levende arbeid.

Nu vanuit het standpunt van het kapitaal: voor zover men het surpluskapitaal beschouwt, vertegenwoordigt de kapitalist voor zichzelf de bestaande waarde, het geld in het derde moment, de rijkdom, door de eenvoudige toe-eigening van vreemde arbeid, doordat elk moment van het surpluskapitaal, materiaal, instrument, levensmiddelen, zich oplost in vreemde arbeid, die de kapitalist zich niet heeft toegeëigend door ruil tegen bestaande waarden, maar die hij zich zonder ruil heeft toegeëigend. De oorspronkelijke voorwaarde voor dit surpluskapitaal blijkt echter de ruil te zijn van een deel van de aan hem toebehorende waarden of van de door hem bezeten geobjectiveerde arbeid tegen het vreemde levende arbeidsvermogen. Voor het ontstaan van het surpluskapitaal I, als we dit surpluskapitaal noemen zoals het ontstaat uit het oorspronkelijke productieproces, dus voor de toe-eigening van de vreemde arbeid, geobjectiveerde vreemde arbeid, lijkt de voorwaarde het bezit van waarden van de kant van de kapitalist te zijn, waarvan hij een deel formeel ruilt tegen levend arbeidsvermogen. We zeggen formeel, want de levende arbeid moet hem ook de geruilde waarden teruggeven, moet ze weer vervangen. Maar hoe het ook zij. Hoe dan ook, de voorwaarde voor het formeren van surpluskapitaal I, d.w.z. voor de toe-eigening van de vreemde arbeid of van de waarden waarin deze wordt geobjectiveerd, blijkt de ruil te zijn van waarden die aan de kapitalist toebehoren, door hem in circulatie gebracht en door hem aan het levend arbeidsvermogen verstrekt – van waarden die niet voortvloeien uit zijn ruil met de levende arbeid of uit zijn opstelling als kapitaal tegenover de arbeid.

Maar laten we ons nu eens voorstellen dat het surpluskapitaal opnieuw in het productieproces komt, dat het opnieuw zijn surpluswaarde realiseert in de ruil en dat het opnieuw verschijnt als nieuw surpluskapitaal aan het begin van een derde productieproces. Dit surpluskapitaal II heeft andere condities dan surpluskapitaal I. De voorwaarden van surpluskapitaal I waren waarden die aan de kapitalist toebehoorden en door hem in circulatie werden gebracht, meer bepaald in de ruil met het levende arbeidsvermogen. De voorwaarde voor surpluskapitaal II is niets anders dan het bestaan van surpluskapitaal I, d.w.z. de voorwaarde dat de kapitalist zich de vreemde arbeid reeds heeft toegeëigend zonder ruil. Dit plaatst hem in een positie om het proces steeds opnieuw te beginnen. Voor het scheppen van surpluskapitaal II moest hij echter een deel van de waarde van surpluskapitaal I in de vorm van bestaansmiddelen ruilen tegen levend arbeidsvermogen, maar wat hij aldus ruilde waren oorspronkelijk waarden, die hij niet uit zijn eigen fonds in circulatie bracht, maar vreemde geobjectiveerde arbeid, die hij zich zonder equivalent toe-eigende en die hij nu weer ruilt tegen vreemde levende arbeid, alsmede het materiaal enz., waarin deze nieuwe arbeid wordt gerealiseerd en surpluswaarde creëert, zonder ruil, en in zijn handen komen door toe-eigening. De toe-eigening van vreemde arbeid in het verleden verschijnt nu als de eenvoudige voorwaarde voor nieuwe toe-eigening van vreemde arbeid; of, dat vreemde arbeid in objectieve vorm in zijn bezit is, in de vorm van bestaande waarden, verschijnt als de voorwaarde voor zijn vermogen om zich opnieuw vreemde levende arbeidsvermogens toe te eigenen – dus surplusarbeid – arbeid zonder equivalent. Het feit dat hij als kapitaal reeds tegenover de levende arbeid stond, blijkt de enige voorwaarde om zich niet alleen als kapitaal te handhaven, maar zich als groeiend kapitaal in toenemende mate vreemde arbeid zonder tegenprestatie toe te eigenen, of zijn macht, zijn bestaan als kapitaal tegenover het eigendom van de levende arbeid uit te breiden en anderzijds wordt het levende arbeidsvermogen in zijn subjectieve, inhoudsloze armoe als levend arbeidsvermogen steeds opnieuw gesteld. Het bezit van vroegere of geobjectiveerde vreemde arbeid lijkt de enige voorwaarde voor verdere toe-eigening van huidige of levende vreemde arbeid. Voor zover surpluskapitaal I is ontstaan door een eenvoudige ruil tussen de geobjectiveerde arbeid en het levende arbeidsvermogen – een ruil die geheel berust op de wetten van de ruil van equivalenten naar de hoeveelheid arbeid of arbeidstijd die zij bevatten – en voor zover deze ruil, juridisch uitgedrukt, niets anders veronderstelde dan het eigendomsrecht van ieder op zijn eigen producten en de vrije beschikking daarover – voor zover echter de verhouding van surpluskapitaal II tot I het gevolg is van deze eerste verhouding – zien we dat dialectisch, door een vreemd gevolg, het eigendomsrecht van het kapitaal verandert in het recht op andermans product of in het eigendomsrecht op vreemde arbeid, het recht om zich vreemde arbeid zonder equivalent toe te eigenen, en van de kant van het arbeidsvermogen in de plicht om zijn eigen arbeid of zijn eigen product als vreemde eigendom te beschouwen. Het eigendomsrecht verandert enerzijds in het recht om zich vreemde arbeid toe te eigenen, en anderzijds in de plicht om het product van de eigen arbeid en de eigen arbeid zelf te respecteren als waarden die aan anderen toebehoren. De ruil van equivalenten echter, die zich voordeed als de oorspronkelijke operatie die het eigendomsrecht juridisch uitdrukte, heeft zich zo gekeerd dat enerzijds de ruil slechts schijn is, in die zin dat het deel van het kapitaal dat tegen levend arbeidsvermogen wordt geruild, ten eerste zelf vreemde arbeid is, die zonder equivalent wordt toegeëigend, ten tweede moet worden vervangen door een surplus aan arbeidsvermogen, d.w.z. dat het in feite niet wordt weggegeven, maar verandert van de ene vorm in de andere. De ruilverhouding bestaat dus niet meer, of is slechts schijn. Bovendien leek het eigendomsrecht oorspronkelijk te berusten op de eigen arbeid. Eigendom verschijnt nu als een recht op vreemde [andermans – vert.] arbeid en als de onmogelijkheid dat de arbeid zich zijn eigen product toe-eigent. De volledige scheiding tussen eigendom en nog meer rijkdom en arbeid blijkt nu een gevolg van de wet die uitging van hun identiteit.

Tenslotte blijkt nu, uit het proces van productie en valorisatie, vooral de reproductie en een nieuwe productie van de verhouding tussen kapitaal en arbeid zelf, tussen kapitalist en arbeider. Deze sociale verhouding, productieverhouding, verschijnt in feite als een nog belangrijker resultaat van het proces dan zijn materiële resultaten. En het is binnen dit proces dat de arbeider zichzelf produceert als arbeidsvermogen en het tegenover hem staande kapitaal, net zoals, aan de andere kant, de kapitalist zichzelf produceert als kapitaal en het levende arbeidsvermogen dat tegenover hem staat. Elk reproduceert zichzelf door zijn ander, zijn negatie, te reproduceren. De kapitalist produceert de arbeid als vreemde; de arbeid produceert het product als vreemd. De kapitalist produceert de arbeider en de arbeider produceert de kapitalist, enz.

[De oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal]

Eens de op kapitaal gebaseerde productie voorondersteld is – is het geld eigenlijk pas in kapitaal veranderd aan het einde van het eerste productieproces, dat resulteerde in zijn reproductie en de nieuwe productie van surpluskapitaal I; surpluskapitaal I wordt echter zelf pas surpluskapitaal, [en] gerealiseerd, zodra het surpluskapitaal II heeft geproduceerd, dus zodra de voorwaarden voor het overgaan van geld in kapitaal, dat nog buiten de werkelijke kapitaalbeweging ligt, zijn verdwenen en het kapitaal dus feitelijk zelf de voorwaarden stelde, en deze gesteld heeft in overeenstemming met zijn immanente essentie, het uitgangspunt in de productie – [nl.] de voorwaarde dat de kapitalist waarden in omloop moet brengen die al dan niet door zijn eigen arbeid gecreëerd zijn – alleen niet door de reeds bestaande, in het verleden verrichte loonarbeid – [en de] tot stand gebrachte waarden in circulatie moet brengen om zich als kapitaal te stellen – [dat] behoort tot de antediluviaanse condities van het kapitaal; zijn historische condities, dat behoort tot zijn historische voorwaarden, die als historische voorwaarden verleden tijd en verdwenen zijn, dus behoren tot zijn ontstaansgeschiedenis, maar geenszins tot de hedendaagse geschiedenis, d.w.z. niet tot het reële systeem van de productiewijze die het domineert.

Als bv. het wegvluchten van de horigen naar de steden een van de historische voorwaarden en vereisten van stedelijkheid is, dan is dit geen voorwaarde, geen seconde realiteit van het huidige ontwikkelde stadsleven, maar behoort het tot vergane voorwaarden, voorwaarden van zijn wording, die in het bestaan zijn opgeheven. De voorwaarden en vereisten van het worden, van het ontstaan van het kapitaal, veronderstellen juist dat het nog niet is, maar wordend is, ze verdwijnen met het reële kapitaal, met het kapitaal, dat zelf, uitgaande van zijn werkelijkheid, de voorwaarden van zijn verwezenlijking stelt. Zo veronderstelt het proces waarin geld of waarde als zodanig oorspronkelijk kapitaal wordt, van de kant van de kapitalist weliswaar een accumulatie – wellicht door middel van besparingen uit producten en waarden die door zijn eigen arbeid zijn voortgebracht enz., die hij als niet-kapitalist op zich heeft genomen, d.w.z. terwijl de vereiste waaronder geld kapitaal wordt verschijnen als gegeven en externe voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal – schept het kapitaal, zodra het als zodanig kapitaal is geworden, door middel van zijn eigen productieproces zijn eigen voorwaarden, d.w.z. het bezit van de werkelijke voorwaarden voor het scheppen van nieuwe waarden zonder ruil. Deze condities, die oorspronkelijk voorwaarden van zijn wording waren – dus nog niet konden voortvloeien uit het functioneren als kapitaal – verschijnen nu als resultaten van zijn eigen verwezenlijking, werkelijkheid, door hem bepaald – niet als de voorwaarden van zijn ontstaan, maar als het resultaat van zijn bestaan. Het gaat niet meer uit van voorwaarden om te worden, maar het wordt zelf voorondersteld en schept, uit zichzelf voortkomend, zelf de voorwaarden voor zijn behoud en groei. De voorwaarden, die aan het ontstaan van het surpluskapitaal I zijn voorafgegaan of die de wording van het kapitaal tot uitdrukking brengen, behoren dus niet tot het gebied van de productiewijze, waarvoor het kapitaal als voorwaarde dient; zij liggen daarachter als historische voorstadia van zijn wording, net zoals de processen, waardoor de aarde van een vloeibare zee van vuur en damp transformeerde in haar huidige gedaante, aan gene zijde ligt dan haar leven als voltooide aarde. Dat wil zeggen dat de afzonderlijke kapitalen nog steeds kunnen ontstaan, bv. door hamsteren. Maar wat wordt opgepot, wordt alleen in kapitaal omgezet door uitbuiting van de arbeid. De burgerlijke economen, die het kapitaal als een eeuwige en natuurlijke (niet-historische) productievorm beschouwen, proberen het vervolgens te rechtvaardigen door de voorwaarden van zijn wording te formuleren als de voorwaarden van zijn huidige totstandkoming, d.w.z. de momenten waarop de kapitalist als niet-kapitalist zich [zaken] toe-eigent – omdat hij wordt – tegen [für] dezelfde voorwaarden waarin hij zich als kapitalist [zaken] toe-eigent. Deze pogingen tot apologetiek getuigen van een slecht geweten en van onmacht om de wijze van toe-eigening van het kapitaal als kapitaal in overeenstemming te brengen met de algemene eigendomswetten, geproclameerd door de kapitalistische maatschappij.

Aan de andere kant is het voor ons veel belangrijker dat onze methode aangeeft waar het historisch onderzoek moet beginnen, of waar de burgerlijke economie als louter historische vorm van het productieproces verwijst naar vroegere historische productiewijzen. Het is dus niet nodig om de wetten van de burgerlijke economie te ontwikkelen, de werkelijke geschiedenis van de productieverhoudingen te beschrijven. Maar de juiste opvatting en deductie ervan als verhoudingen die zelf historisch zijn geworden, leidt altijd tot eerste vergelijkingen – zoals bv. de empirische getallen in de natuurwetenschap – die wijzen op een verleden dat achter dit systeem ligt. Deze duiding, tegelijk met de juiste opvatting van het heden, bieden dan tevens de sleutel tot het begrijpen van het verleden – een werk op zich, waartoe wij hopelijk ook toe zullen komen. Aan de andere kant leidt deze juiste beschouwing ook tot punten waarop de afschaffing van de huidige vorm van de productieverhoudingen – en dus voorafschaduwing van de toekomstige, wordende beweging – wordt gegeven. Als aan de ene kant de voorburgerlijke fase