Fritjof Tichelman

De Aziatische productiewijze


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, april 1976, nr. 13 (nr. 5), jg. 3
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA


Verwant
Brieven over de materialistische geschiedenisopvatting
Indonesië, het stiefkind
Ter verdediging van Indonesia Merdeka


Indonesië vormt een groot raadsel en daarmee een even grote uitdaging voor de revolutionaire beweging. Het is een land met één der oudste en tot 1965 ook grootste communistische partijen van de hele Derde Wereld. Het ligt tegen de uitstralingssfeer van de Indochinese revolutie aan. De mogelijkheden van enige neokoloniale “economische groei” die soms elders een tijdelijke basis scheppen voor versterking van de positie van de heersende klasse (bv. in de Filippijnen en vooral in Maleisië) zijn niet aanwezig. Niettemin lijken de concrete uitgangspunten voor een perspectief op een snelle opleving van massale revolutionaire klassenstrijd op dit moment niet zo groot. Als men een balans opmaakt in vergelijkend Zuidoost-Aziatisch verband van wat zich na 1945 aan duidelijke klassenconfrontatie heeft voorgedaan, blijft Indonesië niet alleen achter bij Vietnam, maar zelfs bij de Filippijnen.

Driemaal kwam de communistische beweging (de PKI) tot massale ontplooiing (c, 1918-1923, 1945-1948, 1951-1965), eindigend met uitzichtloze opstanden of met een halfslachtige deelname aan een couppoging, nadat zij in een impasse was geraakt. Driemaal werd de PKI daarbij met verrassend gemak uitgeschakeld. Natuurlijk kan er in de afgelopen periode van de dictatuur gewezen worden op guerrillastrijd (Borneo); op de studentenbeweging, en op een aantal verspreide acties van arbeiders, vissers en boeren. Zicht op een herboren Communistische Partij, die (geïnspireerd door de successen van de Indochinese revolutie) leiding geeft aan alle sectoren van strijd en zich duidelijk oriënteert op de verovering van de macht, is er echter nog niet. Triest genoeg kan men voorlopig wel zeggen, integendeel.

Het herhaald en langdurig falen van de communistische beweging roept vragen op en dwingt tot ophelderend onderzoek. De meeste socialistische pogingen om het probleem Indonesië te analyseren, blijven steken op het niveau van: “verkeerde lijn van de PKI”, en/of: de overmachtige contrarevolutie en haar imperialistische helpers. Dit helpt ons niet verder. Zowel om enig inzicht te krijgen in de oorzaken van de Indonesische impasse als in de mogelijkheden van een uitbraak hieruit en tot de ontwikkeling van een nieuw revolutionair perspectief, is het nodig dieper op de maatschappelijke en politieke werkelijkheid in te gaan. Om de specifieke trekken van de belangrijke gebieden van Indonesië, en met name van het strategisch beslissende eiland Java aan te kunnen wijzen, is het nodig een historische analyse te geven in een wat breder Aziatisch verband. Een aantal frappante continuïteiten die te maken hebben met de positie en onderlinge relatie van staat/bureaucratie en dorp, en met de extreme economische en sociale stagnatie, maken het eigenlijk onmogelijk de problemen van Indonesië te verklaren, uitsluitend met behulp van de gegevens van de huidige periode. Voor een werkelijke verklaring moeten we verder teruggaan in de geschiedenis. En zo’n verklaring is nodig om de betekenis van het herhaalde echec van de communistische arbeiders- en boerenbeweging te kunnen doorgronden.

Dit laatste is weer een voorwaarde voor een doeltreffende heroriëntering van de strijd.
Een analyse zal de volgende punten moeten behandelen: de voornaamste trekken van de prekoloniale, prekapitalistische maatschappij; de werking van het Westers kapitalisme en kolonialisme, zijn verschillende fasen; het karakter van de communistische beweging; de relatie tussen Java en overig Indonesië; overeenkomsten en verschillen tussen de historische ontwikkeling van Indonesië en van enkele min of meer verwante, vergelijkbare landen van Azië.


In onderstaand artikel zal worden ingegaan op het concept van de Aziatische productiewijze. Dit concept zal besproken worden in breed Aziatisch verband om zo een indruk te geven van de complexiteit van de hele problematiek. Om niet het algemene overzicht te verwarren met de specifieke Indonesische ontwikkeling is in dit artikel Indonesië zelf er expliciet uit gehouden. Veel meer gaat het hier nu om het totale raam en analyse apparaat te schetsen waarmee de stagnatie van de revolutionaire ontwikkeling in Indonesië te lijf kan worden gegaan. In een volgende publicatie zal Indonesië zelf bij de kop genomen worden, waarbij dan op een logische wijze terugverwezen kan worden naar de algemenere kenmerken en eigenaardigheden van de Aziatische productie, zoals die in onderstaand artikel uiteen worden gezet.

- - -


Het is hier niet de plaats om op de internationale discussie over de Aziatische productiewijze in te gaan, die sinds het verschijnen van Wittfogels anticommunistische werk Oriental despotism (1957) opnieuw is begonnen. We zullen dit elders doen n.a.v. het boek van L. Krader, The Asiatic mode of production, 1975. Gezien de wijze waarop nog steeds door vele marxisten prekapitalistische verschijnselen en erfenissen in Indonesië en elders in Zuid-, Zuidoost en Oost-Azië hardnekkig in termen van feodalisme wordt “behandeld”, is het echter noodzakelijk hierop enige fundamentele correcties aan te brengen.

We zijn zo vrij hier zonder voorafgaande verklaring een voorlopige werkdefinitie aan te houden voor het begrip Aziatische productiewijze; een definitie die niet primair is gebaseerd op marxologische exegese, maar vanuit bepaalde marxe uitgangspunten uitgewerkt is, aan de hand van onderzoek in de Aziatische geschiedenis zelf. We noemen de volgende karakteristieke trekken:
a. De vanuit specifieke plaatsgebonden gemeenschapsstructuren van een voorgaande klassenloze periode doorwerkende overheersing (of althans krachtige werking) van collectieve elementen in het bezit en beheer van de grond. Dit binnen het kader van nogal hechte, grotendeels zich zelfvoorzienende dorpsgemeenschappen, waar de ambachtelijke productie nog nauw verbonden is met de agrarische productie, die beiden voornamelijk gebruikswaarden voortbrengen.
b. Het ontstaan van de (voor de mogelijkheden van die tijd) vrij sterk gecentraliseerde staatsapparaten, die meestal tot ontwikkeling komen in vruchtbare of potentieel vruchtbare stroomgebieden, gebieden, die een hoge agrarische ontwikkeling en sterke bevolkingsgroei mogelijk maken, wat op een vrij hoog niveau van de ontwikkeling der productiekrachten (wel te verstaan binnen de grenzen van een agrarische maatschappij) meer omvattende waterbeheersingssystemen en/of andere bovenlokale diensten vereist, waarin de lokale dorpsgemeenschap niet kan voorzien. Een dergelijke ontwikkeling, van sterke staten werd gestimuleerd door de sterke bevolkingsgroei op intensief bewerkte, bevloeide gronden, waarbij een tendens kan optreden van grondversnippering en overinvestering van arbeidskracht.
c. Een toe-eigening van het overgrote deel van het agrarisch meerproduct (langdurig voornamelijk in natura en in de vorm van arbeidskracht) door de vorst, respectievelijk het centrale staatsapparaat. Dit betekent een vorm van centralisatie van het meerproduct, die de voedingsbodem vormt voor de ontwikkeling van geprivilegieerde sociale bovenlagen. Lagen, die buitengewoon sterk direct van de staat afhankelijk zijn, en die niet in eerste instantie onafhankelijke vormen van bezit ontwikkelen als hun voornaamste bron van inkomsten.
d. Een zekere tendens tot hypertrofiering (overmatige ontwikkeling) van de staat en staatsmacht, die is gebaseerd op de agrarische grondslag van een groot aantal onderling betrekkelijk geïsoleerde dorpsgemeenschappen met een vrij immobiele boerenmassa.
Dit uit zich in de persoon van de “almachtige” vorst, die soms de pretentie heeft in principe de soevereine eigenaar van de grond te zijn. Het buitengewone staatsoverwicht komt ook tot uitdrukking: in 1) de onderwerping van de steden aan de vorst (en zijn agenten), en daarmee als het ware van de stad aan het platteland (centrale basis van de vorstenmacht), ook al is de vorst zelf in de grote stad gevestigd, en 2) in een economische monopoliepositie door staatscontrole op de bovenlokale, nationale, en internationale handel, op de exploitatie van mineralen en op de industriële (i.c. manufactuur) productie. Dit is een situatie waardoor de stad (met name de hoofdstad met hof, bureaucratie, luxewarenproductie, enz.) een voornamelijk consumptief en een enigszins parasitair karakter krijgt die de ontwikkeling van de productie van ruilwaarden en daarmee ook van de accumulatie van productief kapitaal remt.
e. De niet directe confrontatie tussen uitbuitende en uitgebuite sociale lagen en klassen; en daarmee samenhangende een vrij sterke stabiliteit van de productieverhoudingen. Deze laatsten kunnen wel worden verstoord, maar hebben de neiging zich telkens weer te herstellen. Verstoringen vinden plaats door boerenopstanden (protesten tegen een meer dan gebruikelijke afroming van het meerproduct, respectievelijk tegen pogingen van het centrum tot toe-eigening van een deel van het noodzakelijk product) en ook door tegenstellingen tussen delen van de (aristocratische) bovenlagen (centraal en lokaal), en met name tussen de naar, soms feodaal aandoende, zelfstandigheid strevende elementen en het centrale staatsapparaat.


Wil men met dit concept van de Aziatische productiewijze gaan werken en het verder ontwikkelen dan moeten in elk geval twee uitersten worden vermeden. De excessieve verruiming die het APW concept een tijdlang in de kringen rond het blad “La Pensée” onderging, waarbij alle oude beschavingen die in het gebied van de huidige Derde Wereld voorkwamen er in pasten, moet worden verworpen. Evenmin zinvol is echter ook de overmatige benadrukking van het “despotische” en het “waterstaatkundige” element. Essentieel is: a) aan de basis: het taaie karakter van de dorpsgemeenschap, dat op zich een belemmering vormt voor een kapitalistische ontwikkeling, ook nog als de echt collectieve elementen in die gemeenschap al zijn verdwenen of zeer zwak zijn geworden; b) aan de top: het beslissend overwicht van de centrale staatsmacht; die de boerenmassa niet direct individueel exploiteert maar via de dorpsstructuren, en die een groot deel van het agrarisch meerproduct centraliseert, zonder tussenkomst van de markt.

Het historisch belangrijkste kenmerk van deze relatie staat-dorp is, dat zij met een zeer hoog niveau van agrarische ontwikkeling gepaard kan gaan, maar tegelijkertijd een rem vormt op de ontwikkeling van autonome klassen en van kapitalisme. Zo zien we in het meest ontwikkelde “Aziatische” land, China” dat de bureaucratische staat de ontwikkeling zowel van een sterke klasse van grootgrondbezitters (tegenover die staat), als die van de stedelijke kapitaalbezittende bourgeoisie, bestrijdt. De ontwikkeling van de productiekrachten kon een hoge vlucht nemen (in de goed geïrrigeerde gebieden van China lag de agrarische arbeidsproductiviteit beduidend boven die van feodaal West-Europa). Belangrijke tendenties konden zich voordoen in de richting van een klassendifferentiatie: grootgrondbezit in China en India en een zeer omvangrijk particulier kapitaalbezit op koopmans- en handelskapitaalniveau (dit laatste met name in de grote commercieel maritieme centra in India, waar een buiten-Europees hoogtepunt werd bereikt). De vorst en de staatsbureaucratie wisten echter dergelijke ontwikkelingstendenties immer te stuiten of althans krachtig af te remmen. Nooit werd het moment bereikt, dat genoemde grond- en kapitaalbezittende klassen in ontwikkeling een zeer grote directe bedreiging gingen vormen voor het Aziatische staatsapparaat en zijn functionarissen. Oude en nieuwe aristocratische lagen, vorstelijke dienaren en functionarissen binnen en buiten het centrale staatsapparaat konden zich soms op grote schaal grond toe-eigenen, tijdelijk bezit of beschikkinsgrecht in erfelijke eigendom omzetten, en zelfs bepaalde feodale trekken gaan vertonen. Zij konden zich echter niet emanciperen als centrale bezittende en heersende klasse op zichzelf, die de staat aan de belangen van een grootgrondbezittende klasse wist te onderwerpen.

Fundamenteel voor de grote sociaaleconomische formaties die binnen het kader van de APW zijn opgekomen is, dat de beslissende bovenlagen primair van de centrale staatsmacht afhankelijk bleven, of zij nu direct bureaucratisch genoemd konden worden of niet. In de meest uitgesproken en hoogst ontwikkelde Aziatische maatschappij, de Chinese, bleef de bureaucratische elite zijn voornaamste inkomsten (en zijn machtspositie), ondanks soms aanzienlijk grootgrondbezit, uit haar staatsfuncties betrekken. Een autonome heersende/bezittende klasse in de volle betekenis van het woord kon in “Aziatische” formaties niet tot ontwikkeling komen. Alleen door een ontkrachting van het wezen van het marxistisch klassebegrip, kan men de Chinese mandarijnen op zich een klasse noemen.

Het gaat hier om een buitengewone machtsconcentratie en verzelfstandiging van de staat tegenover de klassieke evolutie van het kapitalisme in Noordwest-Europa, waar juist van een emancipatie van klassen ten opzichte van de staat sprake was. Deze hele ontwikkelingsgang bracht met zich mee dat de betrokken maatschappijen gedoemd waren vast te lopen. Naarmate de ontwikkelingsmogelijkheden van deze maatschappijen uitgeput raakten, werd de staat, en werden de bureaucratische en aristocratische elites die met die staat verstrengeld waren, steeds meer parasitair. Haar belangrijkste functie werd het verhinderen, dat er een doorbraak ontstond naar een maatschappijvorm die een nieuwe ontwikkeling in de productiekrachten mogelijk zou maken. Deze problematiek is overigens niet geheel uniek voor de sfeer van de APW. Bepaalde elementen van de ongunstige klassenkrachtsverhoudingen en het buitengewone staatsoverwicht zijn ook te zien bij de andere grote agrarische beschavingen, bv. Rome, Byzantium. Daar bereikte de klassendifferentiatie echter een iets hoger niveau.

Deze problemen hebben beslist niet alleen een historisch-academische betekenis. Delen van de erfenis uit de historische impasse van de prekapitalistische fase, werken door tot op de huidige dag; de huidige neokoloniale maatschappijen in de Derde Wereld, zijn het product van een wisselwerking tussen prekapitalistische erfenis en Westers kapitalistische (resp. handelskapitalistische, industrieel-kapitalistische, en imperialistische) penetratie.


Verwaarlozing van de specifieke betekenis van die erfenis, en met name van de “Aziatische” erfenis (met zijn negatieve elementen vooral), leidt tot oppervlakkigheid. Waar vanuit een revolutionair perspectief alle gunstige en ongunstige elementen (t.a.v. de bevordering en rijping van maatschappelijke contradicties) in de eigen erfenis moeten worden geanalyseerd, geldt dit ook voor de Westers kapitalistische factor. Te weinig nog wordt deze gedifferentieerd in zijn wereldhistorische negatieve (uitbuitend-onderdrukkend, maar vooral bevriezend) stagnerende en positieve elementen (openbrekende, prekapitalistische verhoudingen), desintegrerende, klassendifferentiatie stimulerende, i.h.a. mobiliserende en revolutionerende.

We zullen dan zien dat in de “Aziatische” sfeer 2 uitersten scherp tegenover elkaar staan – het geval China, met een dynamische wisselwerking waar de positieve elementen aan beide kanten domineren, en het geval Indonesië, waar het tegenovergestelde het geval was.

Varianten op de Aziatische productiewijze

China


Binnen de wereld van de sociaaleconomische formaties die min of meer sterke APW-trekken vertonen, doen zich zeer uiteenlopende varianten voor. We beperken ons hier tot enkele landen in en rond Zuidoost-Azië en gaan daarbij uit van het Chinese model. Door bijzondere geografisch-klimatologische, economische en politieke factoren zijn er in China optimale voorwaarden geweest voor de ontwikkeling van een agrarische maatschappij. Waarschijnlijk heeft, binnen de beperkingen van dit historische en maatschappelijke kader, de agrarische arbeidsproductiviteit hier een eenzame hoogte bereikt. Opmerkelijk is de ontplooiing over de hele linie van economie, techniek, wetenschap, cultuur en staat. Uniek is de ontwikkeling van de staatsbureaucratie als professioneel apparaat, en niet meer als aanhangsel van de vorstenmacht. Dit is ook van belang voor de nadere kwalificering van wat “Aziatisch” relevant is of niet. Door deze hoge bureaucratische ontwikkeling is China, het meest uitgesproken “Aziatische” land, in waterstaatkundig opzicht, tevens het land waar de pure vorstendespotie, juist het meest is teruggedrongen.

Minstens even belangrijk is het feit, dat door het geheel van deze hoge agrarische ontwikkelingen ook de desintegratie van de collectieve elementen van de dorpsgemeenschap in China het verst ging in de periode voor het binnendringen van het Westers kapitalisme. De vele en ook voor Azië ongewoon massale boerenopstanden kunnen als een graadmeter dienen, niet alleen voor de ontwikkeling van de contradicties op het platteland, maar ook voor die van de gehele maatschappij. In het midden van de 19e eeuw toonde China het beeld van een agrarische maatschappij die aan de uiterste grenzen van zijn ontwikkelingsmogelijkheden was gekomen; een land waar de maatschappelijke tegenstrijdigheden zich verder ontwikkelden en de parasitaire staatsbureaucratie net voldoende kracht wist te ontplooien om een uitbraak uit de historische impasse te verhinderen.

In dit proces van rijping van maatschappelijke tegenstrijdigheden dat nergens in Azië (of waar ook in Afrika of prekapitalistisch Amerika) zo’n hoog niveau bereikte, kon het binnendringend Westers kapitalisme als bijna pure versneller optreden. Niet als brenger van een stabiliserende moderne koloniale staat maar als balkaniserende factor die het groeiproces van de contradicties meer speling gaf. Bovendien bracht het Westen veel meer industriële investeringen dan elders in Azië in China.

India


India, het Aziatische land waar Marx zich het meest intensief heeft beziggehouden, dat voor Zuidoost-Azië en Indonesië ook van groot belang is gezien de grote invloed die het naast China op die gebieden heeft uitgeoefend, vertoont een heel ander beeld. Tegenover de afzondering van China die gunstig werkte voor het ontstaan van betrekkelijk stabiele eenheidsrijken, stond het Zuid-Aziatisch subcontinent veel meer open voor allerlei invloeden van buiten. Dit bevorderde een buitengewoon grote socioculturele verscheidenheid en verhinderde de vestiging van relatief stabiele eenheidsrijken over lange perioden; d.w.z. een situatie tegenovergesteld aan die van China. De agrarische verhoudingen waren stagnanter [sic – MIA] dan die in China. Er deed zich ook in tegenstelling tot dat laatste land een differentiatie voor tussen de agrarische kernzones (de basis voor de grote “Aziatische” imperia) en een commercieel-maritieme randzone. Dit hield de mogelijkheid in van een unieke handelskapitalistische ontplooiing aan de westkust, m.n. de stad Surat. Het bevestigde echter aan de andere kant de agrarische stagnatie van het binnenland, door het geografisch, sociaaleconomisch en politiek marginaal karakter van die handelskapitalistische ontwikkeling.

De staat bereikte nimmer de hoge bureaucratische ontwikkeling van het mandarijnenapparaat, en dit gaf weer speling voor de ontwikkeling van erfelijke agrarische machtsposities van vorstelijke dienaren; zij het dat dit nooit omsloeg in echt feodale verhoudingen.

Een zeer gunstig uitgangspunt voor een betrekkelijk snelle revolutionering van gespannen binnenlandse verhoudingen door het Westers kapitaal à la China ontbraken dus. De moderne koloniale staat bevestigde de sterke ethno-culturele verscheidenheid en de extreme tegenstelling tussen agrarische kern en handelskapitalistische centra. Zowel de boeren als de arbeidersbeweging en strijd waren zwakker dan in China in het semi-koloniale tijdperk en bleven nog al in de schaduw van de burgerlijke nationalistische beweging. Eerst na enkele decennia van kapitalistische ontwikkeling beginnen in bepaalde zones allerlei verticale sociale bindingen en prekapitalistische structuren dermate te desintegreren, dat de objectieve voorwaarden vervuld beginnen te worden voor grootscheepse klassenconfrontaties, zoals in Bengalen.

Zuidoost-Azië


Zuidoost-Azië wijkt weer sterk af van deze twee grote “Aziatische” landen. Dit spreekt natuurlijk van zelf voor de Filippijnen die bij de eerste Europese entree op een nog heel laag, grotendeels preklassenniveau van ontwikkeling verkeerden, en daarna een aan Latijns Amerika enigszins verwant proces van kolonialisering doormaakten. Het gaat echter om de rest. Van groot belang is hier dat de geschiedenis van dit gebied zich voor een groot deel in de schaduw van de twee grote buurlanden heeft afgespeeld. Hoewel er nog geen volkomen duidelijkheid is over het precieze ontwikkelingsniveau op het moment van de eerste Indiase en Chinese invloeden, kan rustig worden vastgesteld dat de eerste staatsvorming (en dus van klassendifferentiatie) van enige betekenis al heel sterk onder buitenlandse inwerking en stimulansen heeft plaatsgevonden. De ongelijke ontwikkelingstempi en krachtsverhoudingen kwamen niet alleen cultureel en politiek tot uitdrukking (zie bv. de 1000-jarige overheersing van Noord- en Midden-Vietnam door China) maar ook in het economische vlak. Vanaf het vroegste begin van de internationale handel in en rond Zuidoost Azië, is er sprake geweest van een buitengewoon sterk overwicht van “buitenlandse” Aziaten, eerst voornamelijk uit het Westen: Indiërs, Arabieren, enz.; later vooral uit China. De beheersing van de meest strategische posities voor kapitaalaccumulatie (van wat voor karakter dan ook) door vreemdelingen, is voor Zuidoost-Azië een praktisch continu gegeven.

Deze uitgangssituatie, gecombineerd met de onderlinge geografische isolatie van de stroomgebieden van de grote rivieren, die i.h.a. de fysieke basis voor “Aziatische” ontwikkelingen vormen – beperkten de economische en algemeen maatschappelijke ontwikkelingsmogelijkheden in sterke mate. Dit valt o.a. af te lezen uit het feit dat Zuidoost-Azië zelf bij benadering geen handelsbourgeoisie van Chinees, laat staan van Indiaas niveau heeft gekend in het prekapitalistisch (of liever vroegkapitalistisch) stadium. De dorpsgemeenschap bleef stagnanter; de ontwikkeling van aristocratisch grootgrondbezit zeer veel beperkter, en de staat zowel minder professioneel-bureaucratisch ontwikkeld, als despotischer.

Binnen “Aziatisch” Zuidoost-Aziatisch verband vormt Vietnam een uitzondering. Door de Chinese kolonisatie ontstond hier een hoger ontwikkelde maatschappij die als een verzwakte en sterk verkleinde reproductie van de Chinese kan worden beschouwd. De agrarische arbeidsproductiviteit bereikte een veel hoger niveau dan overig Zuidoost-Azië, dankzij een verfijnd systeem van bemesting en waterbeheersing (Vietnam is in Zuidoost-Azië eigenlijk het enige land dat aan de “hydraulische” norm voldoet). Al vroeg kon zo een buitengewone bevolkingsdichtheid worden bereikt. Dit hielp weer de spanningen binnen de dorpsgemeenschap opvoeren. De desintegratie van collectieve resten zette hier het eerst goed in. Vietnam was ook het enige Zuidoost-Aziatische land waar een professionele staatsbureaucratie werd gevormd, net als in China, met een eigen staatsideologie, enigszins los van de volksgodsdienst, het boeddhisme. Er kon een homogener, “nationale” cultuur worden ontwikkeld, van waaruit, tegenover de koloniale uitdaging een zeer sterk nationaal zelfbewustzijn kon worden ontplooid. Op het vlak van de buitenlandse invloeden waren er ook belangrijke verschillen. Er werd meer aan industriële investeringen gedaan, in Noord-Vietnam. De culturele invloeden van buiten waren ook intensiever en vormden een groter uitdaging: enerzijds de Franse koloniale politiek van assimilatie van de elites (en ook massale mobilisatie van Vietnamese arbeid in de Eerste Wereldoorlog); en aan de andere kant voortdurende werkingen vanuit het verwante China, wat in de 20e eeuw, eerst een nationalistische en daarna een communistische impuls betekende. Dit alles bijeen heeft op bescheidener schaal dan in China een dynamische wisselwerking met revolutionerende effecten helpen bewerkstelligen; een proces dat op den duur ook weer verder zou uitstralen in het omringend gebied.

Wat het prekoloniale uitgangspunt betreft, lag het met de rest van Zuidoost-Azië, die samenvalt met de zg. “geïndianiseerde” zone (tegenover gesiniseerd Vietnam en de gehispaniseerde Filippijnen), een beetje anders.

Er deed zich hier, afwijkend van China en Vietnam, en parallel aan India, een differentiatie voor tussen agrarische kerngebieden (de grote rijken van Burma [nu Myanmar – MIA], Thailand, Cambodja en Java) en een commercieel-maritieme rand, die beperkt bleef tot de Malayo-Indonesische zone: Crividjaja, Malacca, en de verdere kuststaatjes aan beide kanten van de straat van Malakka en de Javazee.

Ten aanzien van deze staten is wel eens van burgerlijk-wetenschappelijke zijde gespeculeerd over de mogelijkheden van burgerlijk-kapitalistische ontwikkelingen, in het geval de fnuikende werkingen van het Westers koloniale ingrijpen er niet zouden zijn geweest. Nadere bestudering doet het ongefundeerde van deze overwegingen constateren. De economisch krachtigste elementen in deze handelscentra waren en bleven Aziaten van buiten, in het kader van een uiterst vlietende menigte van kooplieden, die als klasse nimmer een schaduw van burgerlijk-stedelijke autonomie tegenover het vorstengezag bereikten; alle ontwikkelingen in de handelskapitalistische sfeer bleven ver onder het peil van bv. de Indiase Westkust en i.h.b. van de stad Surat (waar het er even op leek dat het onafhankelijk meer burgerlijk handelselement politieke macht kon gaan ontplooien). De klassenontwikkeling en de vorstelijke staat bleven hier vele kenmerken vertonen van alle zwakheden die we al even aangaven voor het hele gebied van grote agrarische beschavingen.

Dit hield o.a. in, dat de vorst (de staat) een aantal economische monopolieposities handhaafde, m.n. op het vlak van de controle in de internationale handel. Interessant is de tendens tot goede samenwerking tussen vorsten en sterkere (buitenlandse) handelaren; een relatie met een sterke continuïteit. De negatieve werking van de (politieke) differentiatie tussen agrarische kern en commerciële rand, die we reeds in India zagen, herhaalde zich in verergerde mate in dit economisch veel zwakkere gebied. De agrarische stagnatie kwam tot uitdrukking in de taaie tendens tot zelfvoorziening van het dorp en tot langdurige toe-eigening van het agrarisch meerproduct in natura en arbeid, door de staat. Zeer stabiel is de centrale as: geïsoleerd en stagnant natte-rijst dorp, en parasitaire staat en bureaucratische elite (die weer nauwere belangenrelaties heeft met het vreemde kapitaal dan met het lokale ondernemerdom).

Deze verhoudingen zijn de meest ongunstige voor de ontwikkeling van kapitalisme en duidelijke klassendifferentiaties die men zich maar voor kan stellen. Het wekt geen verwondering dat hier historisch in de Westers kapitalistische penetratie en (directe of indirecte) overheersing, het negatieve – bevriezend-exploiterende en stagnatie-bevorderende – moment gedoemd was voor een zeer lange periode te overheersen boven het revolutionerende element.

Er was overigens niet overal van bevriezing van de status quo sprake. Het sterkste kapitalisme, het Engelse, had het minst de neiging de bestaande dorpsgemeenschapsstructuren te ontzien. Dit leidde tot een grootscheepse openbreking en onteigening van rijstvelden vooral door Indiase geldkapitaalbezitters (tot aan de 2e Wereldoorlog). Aangezien dit proces echter niets te maken had en kon hebben met een nationale kapitalistische ontwikkeling, werd het stagnant karakter van de totale situatie niet doorbroken; er kwam alleen een sterke instabilisering tot stand.

Er is in Zuidoost-Azië (buiten de Filippijnen) geen autochtone bourgeoisie van enige betekenis op kunnen komen, noch een handelskapitalistische, noch een industriële. De tussenruimte die het Westers kapitaal liet tussen haar eigen strategische topposities en de agrarische maatschappij, werd in het koloniale stadium voornamelijk opgevuld door Chinezen en in mindere mate door Indiërs. Voor zover er van een bourgeoisie ter plaatse gesproken kon of kan worden, is dit praktisch alleen van toepassing op deze niet-inheems Aziatische kapitaalbezitters.

Onder deze tussenlagen komen in het imperialistisch tijdperk zeer bescheiden lagen van handelaren, winkeliers, manufactuurondernemertjes, geldkapitaal-bezitters/woekeraars en middelgrote grondbezitters op. In de grote crisis van de jaren dertig werden hier flinke klappen uitgedeeld, die ten gunste van het Chinese kapitaal werkten. In een later “onafhankelijk” stadium, verschoof de centrale plaats van bezitsvormingsmogelijkheden zich naar de bureaucratische bovenlagen, waar zich een nieuwe sector van het compradorendom ontwikkelde. Belangrijker dan de “ondernemers” van de koloniale periode, was de intelligentsia, voor een deel afkomstig uit aristocratische milieus. Zij nam de leiding van de nationalistische beweging, in Burma en Indonesië en ontwikkelde na de Tweede Wereldoorlog een machtspositie in het staatsapparaat, van waaruit door deze nieuwe bureaucratische compradoren een staatskapitalistische koers werd gecombineerd met een wisselende, doch nimmer verbroken relatie met het buitenlandse kapitaal. Uit de Thaise, en onder iets andere verhoudingen ook uit de Chinese continuïteit op dit punt blijkt, dat deze ontwikkeling (tot en met de militarisering van de regimes) uit verwante verhoudingen voortvloeit.

Het zou onjuist zijn hier te snel van een echte, op zichzelf staande klasse te spreken. Pas in een vrij laat stadium van sociaaleconomische differentiatie binnen de bureaucratie, transformeert een deel van de bureaucratische elite zich tot een deel van de compradorenklasse (zij het in Zuidoost-Azië op veel bescheidener schaal dan dit in Kwomintang China het geval was).


Op het continent was buiten Vietnam de stabiliteit van het natte-rijstdorp het sterkst. We hebben al gezien dat hier tot op zekere hoogte slechts Burma in onstabiele richting een afwijking vertoont, die na 1945 tot uiting kwam in een verwoede jarenlange burgeroorlog; een strijd waarin overigens het element van de ethno-culturele tegenstellingen het sociale overwoekerde. De stabiliteit van het sawahdorp in Thailand en Cambodja werd lang mede mogelijk gemaakt door zeer veel grotere ruimte, de relatief geringe bevolkingsdichtheid. Daardoor konden de traditionele patronen van de dorpsgemeenschap zich lange tijd in de breedte reproduceren. De langdurig geringe graad van kapitalistische penetratie speelde hier uiteraard ook een rol bij.

De moderne, en met name de industriële arbeidersklasse bleef lang zwak en is dat nog, zeker vergeleken met het proletariaat in de productiecentra van India en de Filippijnen.

Gezien de afwezigheid van een inheemse bourgeoisie, hoeft het ook geen verwondering te wekken dat de nationalistische beweging ook niet sterk was, en bv. in de verste verte niet kon worden vergeleken met de All India Congress Party en de Kwomintang. In de geïndianiseerde zone van Zuidoost Azië bleef een Sarekat Islam met in Nederlands Indië een miljoenen aanhang gedurende enkele jaren (c. 1917-1919) een uniek en zeer voorbijgaand verschijnsel (dat eerst jaren na de Tweede Wereldoorlog door de PKI zou worden geëvenaard). Tijdens de jaren van de nationale bevrijdingsstrijd bleef de massa-actie ook relatief beperkt van omvang. Onder de gecombineerde werking van de voortgaande kapitalistische penetratie en van de invloed der Chinese en vooral Vietnamese revoluties, hebben vele stabiliserende factoren een slijtage ondergaan.


Geïndianiseerd Zuidoost Azië is nu kwalitatief in een nieuw stadium van internationale en nationale klassenpolarisatie gekomen. Dit blijkt allereerst uit de revolutie in Cambodja. Hier mag overigens de omslag van maatschappelijke stagnatie naar revolutionaire explosie niet al te simpel in termen van interne klassendifferentiatie worden gesteld; nadere analyse moet nog uitmaken hoe precies de wisselwerking tussen nationale en internationale (Indochinese) revolutionaire processen is verlopen.

Verder zien we de geleidelijke verscherping van de tegenstellingen in Thailand, dat ook zeer lang een toonbeeld van stagnante (relatieve) stabiliteit was. De klassentegenstellingen hebben echter ook nu nog in Burma, Thailand en Indonesië bij lange na nog niet het niveau bereikt van China, in de jaren 1925-27, en 1946-1949. Dit zwakke punt wordt nu evenwel gedeeltelijk gecompenseerd door veranderingen in de internationale krachtsverhoudingen en de Aziatische klassenpolarisatie op bredere schaal.