G. Barendregt

Santo Domingo


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, juni 1965, jg. 8. Dank aan Rob Gerretsen
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


De jongste Amerikaanse agressie in het Caraïbisch gebied bracht de oude Monroe-leer in onze gedachten: het Amerikaanse halfrond exclusief jachtterrein voor de Verenigde Staten.

Sinds de verkondiging van deze leer van het jonge opkomende Noord-Amerikaanse imperialisme en de afkondiging van deze politiek is er wel het een en ander veranderd, maar ook is er veel bij het oude gebleven.

Oud zijn de achterlijkheid en de armoede; de gezamenlijke uitbuiting door binnen en buitenlands kapitaal en parasitaire lagen; de eeuwig wisselend militaire dictatoriale klieken. Oud is ook de ontevredenheid en opstandigheid van de massa’s.

Betrekkelijk oud is – op een ander vlak – de arbeidersbeweging en zijn mislukkingen.

Nieuw is de bescheiden industriële ontwikkeling in Mexico, Argentinië, Brazilië, Chili en de schepping van een industrieel proletariaat. En nog nieuwer is het socialistisch perspectief dat sinds Cuba voor de strijd van de massa’s is geopend.

De eerste aanzet tot sociale revolutie vond in Mexico plaats rond de eeuwwisseling. Maar deze revolutie strandde door gebrek aan program en goede politieke organisatie. Eerst na de tweede wereldoorlog – met de ontplooiing van de socialistische wereld en de koloniale revolutie – ging de strijd der Latijns-Amerikaanse massa’s een nieuwe fase in. Met vallen en opstaan overigens.

In Argentinië dat direct na 1945 politiek het meest interessant was, bleef bijvoorbeeld de zeer strijdbare arbeidersbeweging op politiek niveau gevangen in de kluisters van het burgerlijk peronisme. In Bolivia bereikte de strijd van de mijnwerkers in 1952 een hoog niveau. Sindsdien is er een permanente situatie van dubbele macht. Tot nu toe was de arbeidersklasse nog niet in staat de boerenmassa als bondgenoot te mobiliseren. Op dit moment tracht de militaire junta met steun van de boeren een einde te maken aan de dubbele heerschappij die door de bewapening van de arbeiders uit de tinmijnen, was ontstaan. In Guatemala slaagde het imperialisme de revolutionaire beweging van Arbenz in 1954 neer te slaan. Met de Cubaanse revolutie lukt de complete doorbraak voor het eerst. Ook daarna gaat de ontwikkeling niet rechtlijnig omhoog. De stadsguerrilla in Venezuela is wel dynamisch maar te beperkt gebleven, doordat men zich te uitsluitend baseerde op de studerende jeugd en de werkloze arbeiders. Voor zover men de bergen introk is er nog geen breed contact geweest met de boeren. Een belangrijk resultaat is in elk geval dat de Venezolaanse invloed mede de guerrilla in Columbia deed ontwaken.

Zeer gunstig zijn de perspectieven van de strijd in Peru, met een revolutionaire boerenbeweging die gesteund wordt door delen van de georganiseerde arbeidersklasse.

Aan het manifest van de Latijns-Amerikaanse Bevrijdingsbeweging dat wij in ons vorig nummer afdrukten, kunnen we zien hoever, op grond van al deze ervaringen, de uiterste voorhoede van de Latijns-Amerikaanse revolutie, reeds gerijpt is, terwijl enkele jaren geleden nog een kloof gaapte tussen de objectieve mogelijkheden en het politieke vermogen van zelfs de beste voorhoede groeperingen. Tegen deze achtergrond vindt nu de burgeroorlog in de Dominicaanse Republiek plaats.

Het Caraïbische gebied is in Latijns Amerika een hoofdstuk op zichzelf: een grote verzameling dun bevolkte landjes en eilandjes waar het imperialisme nog meer vrij spel had dan in Zuid-Amerika; een paradijs voor de politiek van “de grote stok” (de president van de VS Th. Roosevelt deed de gedenkwaardige uitspraak: “Loop zachtjes doch draag een grote stok bij je en je zult het ver brengen.”)

Santo Domingo was een van de vele objecten van de gecombineerde uitbuiting van imperialisten en eigen parasieten; in dit concrete geval de zogenaamde “honderd families”.

Het land – een half eiland – is ongeveer anderhalf maal zo groot als Nederland met een bevolking van ongeveer 3 miljoen inwoners. De basis van de economie is zuiver agrarisch. Het belangrijkste product is suiker, 950.000 ton, waarvan de bewerking in Amerikaanse handen evenals die van de bauxiet (706.000 ton – beide cijfers zijn uit 1962) Daarnaast cacao 38.000 ton. Deze producten evenals de tabak, rum, rijst en melasse worden voornamelijk uitgevoerd naar de Verenigde Staten. Op klassieke wijze liet het Amerikaanse imperialisme in 1916 mariniers landen, om te waken over terugbetaling van de schulden. In 1925 werden deze troepen teruggetrokken, doch eerst in 1940 werd de douanecontrole opgeheven.

In het door de Amerikanen georganiseerde leger klom een zekere Trujillo omhoog. Deze eerzuchtige officier greep in 1930 de macht onder het welwillend toeziend oog van de Amerikanen. Waardige collega van de wrede en geldhongerige tirannen als Stroessner van Paraguay, Somoza van Nicaragua, Batista vroeger op Cuba en Duvalier op Haïti, zag hij kans 31 jaar lang “de orde en rust” te handhaven. De “orde en rust” van het graf wel te verstaan. Een bloedige terreur werd uitgeoefend over de bevolking. Elke opposant werd zonder meer opgeruimd. In 1937 werden 15 à 20 duizend Haïtiaanse landarbeiders aan de grens doodgeschoten. Het leger en de politie (plus 3 geheime diensten) slokten in 1952 (38,5 en 7,5 % =) 46 % van het totale budget op.

Een zeer profijtelijke “orde” ook. Via monopolies – in de handel in zout, bier, suiker, cacao, tabak en in het bank- en verzekeringswezen – stal de familie Trujillo zich snel rijk. Het vermogen werd geschat op $800 miljoen (2.8 miljard gulden) volgens de NR.Ct. van 29-4-65.

Dit bewind bracht enige economische ontwikkeling tot stand. Ten behoeve van eigen bezitters oligarchie en de Amerikaanse bedrijven werd o.a. een goed wegennet aangelegd. Zeer weinig van de baten vielen aan de bevolking toe. Er kwam geen industrialisatie. Slechts 82.000 man van de beroepsbevolking van de 1 miljoen waren in de industrie werkzaam.

25 %-40 % van die beroepsbevolking bleef werkloos (in de hoofdstad drie kwart) Tweederde van de boeren bezat en bezit geen land. Zeer veel grond wordt onvoldoende of helemaal niet bewerkt. Niets wezenlijks veranderde dus in de neokoloniale achterlijkheid en afhankelijkheid, onder de “weldoener” Trujillo en zijn opvolgers, de Reid’s en de Cabral’s.

Het regiem Trujillo nam zulke afstotelijke vormen aan dat zelfs burgerlijke kringen in het Caraïbisch gebied er over begonnen na te denken, hoe het kon worden verwijderd. Dat gaf Trujillo aanleiding om tegen de vriend van Juan Bosch, Betancourt – toen deze nog president van Venezuela was – een moordaanslag te organiseren. Door te ver te gaan en zich niet aan zekere neokoloniale spelregels te houden joeg Trujillo steeds meer groepen tegen zich in het harnas. Toen Kennedy in januari 1962 president van de Verenigde Staten werd en zijn ideeën ontwikkelde over de noodzaak in Latijns-Amerika van een zekere bescheiden economische ontwikkeling, ter versterking van de bourgeoisie aldaar ten einde de dreigende sociale revolutie zo lang mogelijk uit te stellen – begreep hij goed dat figuren als Trujillo niet pasten in de lijn van de (inmiddels praktisch failliet geraakte) Alliantie voor de Vooruitgang. Zij zouden immers de sociale revolutie eerder uitlokken dan tegenhouden. Onder die omstandigheden vatten een aantal officieren de moed om Trujillo te liquideren (31-5-61).

Deze ingreep leidde een chaotische periode in met: een poging van de oude militaire kliek om het oude regiem te herstellen; algemene verkiezingen en overwinning van Juan Bosch in 1963 met 62 % der stemmen; spoedige afzetting van Bosch in hetzelfde jaar; halfslachtige poging de oude verhoudingen in stand te houden onder leiding van een burgerlijk driemanschap met Reid en Cabral en ten slotte de revolutionaire poging van Bosch om de burgerlijke democratie te herstellen, waartegen de oude orde met de generaals Wessin en Imbert, gesteund door het Amerikaanse imperialisme, zich te weer is gaan stellen. De Amerikaanse agressie toont dat de flirt met enige burgerlijke hervormingen wel grondig afgezworen is voor zover dat nog niet duidelijk was bij de ondersteuning van de contrarevolutie van de “gorilla’s” in Brazilië vorig jaar. Zelfs een regiem van Bosch dat ideologisch beslist niet buiten het kader van de “Alliantie voor de Vooruitgang” gaat, moet met alle middelen worden vernietigd. Zo bevreesd is men dat elke kleine verschuiving in de neokoloniale stagnatie noodzakelijker wijs het begin van een verder anti-imperialistische politieke ontwikkeling is.

Niettemin bewijzen de Dominicaanse massa’s dat het heldhaftige volhouden van de strijd tegen de enorme contrarevolutionaire overmacht van Imbert Barrera en Washington de publieke opinie in de hele wereld kon mobiliseren, zozeer dat een belangrijk aantal Latijns-Amerikaanse regeringen geweigerd hebben met het Amerikaanse imperialisme mee te doen, en dat de regering in Washington zelfs haar politieke lijn geheel heeft moeten wijzigen, wat de CIA-agenten ter plaatse moeilijk kunnen verwerken.

Dit resultaat is natuurlijk hoogst onvoldoende. Evenmin als een compromisregering Guzmin en een VN interventie dat zijn. Alle bemiddelingspogingen van de wereldbourgeoisie hebben immers alleen tot doel de maatschappelijke status quo op een iets intelligenter wijze te handhaven dan waartoe de Wessin’s in staat zijn.

Voor een scherper richten van de strijd op het wezenlijke doel de totale bevrijding van de Dominicaanse massa’s is niets minder nodig dan een duidelijk program. Op zijn minst zal dit moeten inhouden:
- terugtrekking van alle buitenlandse troepen;
- ontwapening van alle politie en militaire eenheden van de contrarevolutie;
- vorming van arbeiders- en boerenmilities;
- grondige zuivering van het staatsapparaat van alle elementen van het Trujillo-regiem en zijn politieke erfgenamen;
- algemene verkiezingen;
- nationalisatie van alle Amerikaanse ondernemingen en alle grootgrondbezit;
- het ontwerpen van een groots economisch ontwikkelingsplan.

Elk land in Latijns-Amerika zal natuurlijk zijn eigen weg naar het socialisme moeten vinden; pure nabootsing van het Cubaans voorbeeld moet zeker niet worden voorgeschreven. Maar even zeker is nu in ieder geval dat er in Latijns-Amerika geen wegen meer lopen tussen dollar-imperialisme en drastische sociale bevrijding tot in Cubaanse consequenties.

G. Barendregt