D.D.

Studentenvakbeweging en mythe


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, juni 1965, jg. 8. Dank aan Rob Gerretsen
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Waartoe zou de wetenschap dienen, als ze niet zocht, de dingen te begrijpen, te verklaren en in hun verband te brengen? Waartoe zou de wetenschap niet vervallen, als zij de resultaten van haar onderzoek voor zich hield? Daaraan ontleent de wetenschapsman een speciale opdracht tot getuigen. Als hij onder het mom van de “neutraliteit” van de wetenschap zich onthoudt van stellingname geeft hij daarmee te kennen, het met de bestaande orde eens te zijn. Echter zonder dat te willen toegeven, wat zeer onwetenschappelijk is.

De PvdA-farizeeërs trachten al jarenlang de studenten tot onthouding te bewegen, nu eens met vleierij en beloften van baantjes, dan weer onder bedreiging met alle machtsmiddelen waarover ze de beschikking hebben. De natuur is echter sterker dan de leer, of, liever gezegd: soepeler. Want het onder de jonge intellectuele broeiende protest, wat daarvan ook de motieven zijn, vindt zich wel een uitweg, buiten hun officiële politiekerij om. Dat de studenten in West-Europa voor langere perioden een passieve – soms zelfs reactionaire, rol kunnen spelen in tegenstelling tot hun collega’s in de Derde Wereld, vindt zijn oorzaak in het milieu van herkomst van de studenten. Dit milieu is in overgrote meerderheid dat van de best betaalden, de directeuren, de vrije beroepen, hogere ambtenaren, renteniers. Zij zijn afkomstig uit de heersende klassen en weten dat zij bestemd zijn, daarin na hun studie terug te keren. Het milieu van herkomst is in de Derde Wereld niet anders. Ook hier is het de (kleine) bourgeoisie die de studenten levert. Daar echter behoort deze klasse tot de onderdrukte.

In West-Europa en Noord-Amerika vereist intussen het zetten van de stap, die wetenschapsman en student openlijk tegenover de heersende orde plaatst, een welbewuste keuze. Hierop dient de nadruk te vallen, want één van de tekenende kanten van het studentenradicalisme in deze kontreien is, dat het vaak niets meer dan een gerationaliseerde protesthouding tegen de ouders en het ouderlijk milieu inhoudt.

Dit blijkt uit onderstaand schema:

I

II

III

IV

boeren

37,5

55,9

19,7 (52,5)

11,8 (21,1)

ondernemers

29,0

45,2

11,2 (38,6)

19,6 (57,1)

vrije beroepen

19,1

30,9

4,6 (24,1)

5,2 (10,7)

middenstand

19,9

42,2

8,4 (42,3)

15,3 (36,2)

ambtenaren (lagere)

33,4

59,9

18,3 (54,8)

15,8 (26,3)

arbeiders

22,6

57,2

16,9 (74,8)

19,0 (33,2)

renteniers enz.

28,6

20,0

22,5 (78,7)

11,4 (57,0)

Kol. I = percentage zelfstandig wonende studenten die werken
Kol. II = percentage thuis wonende studenten die werken
Kol. III = percentage zelfstandig wonende studenten die meer dan 10 uur per dag werken
Kol. IV = percentage thuis wonende studenten die meer dan 10 uur per dag werken
Het percentage tussen haakjes in kol. III en IV geeft aan hoe groot deel van degenen die wel werken (kol. I en II) 10 uur of meer per dag werkt.

Dit staatje leert ons bij nadere beschouwing hoe weinig de Franse studenten die bij dit onderzoek betrokken waren, zich nog losgemaakt hadden van hun ouderlijk milieu. Allen uiten hun protest door minder (althans ongeregelder) te werken, als ze zelfstandig wonen, dan ze zouden hebben gedaan, wanneer ze thuis of hij familieleden waren geweest, behalve de kinderen van renteniers en andere niet-actieven, bij wie het (natuurlijk!) juist omgekeerd is. Van de zelfstandig wonenden tonen overigens de boeren en de lagere ambtenaren het meeste verantwoordelijkheidsgevoel, terwijl dat lage cijfer voor de arbeiderskinderen in deze categorie veroorzaakt wordt door het feit, dat velen moeten (of willen ...) werken om hun brood te verdienen buiten de universiteit. Dat de arbeiderskinderen het er niet bij laten zitten, blijkt uit het hoge percentage meer-dan-10-uur werkers onder de zelfstandig wonende studerende arbeiderskinderen (kol. 1 tegen kol. III tussen haakjes). Alleen bij de renteniers- enz. kinderen is dit percentage hoger, maar die hebben dan ook wat in te halen...

Blijkt hieruit de milieugebondenheid en de primitiviteit van de vaak schijn-radicale reactie – met deze primitiviteit hangt de sterke mythevorming samen die in de studentenmaatschappij optreedt: men voelt, in de samenleving een zending, een roeping te hebben als wetenschapsman, doch de concretisering neemt vaak wanstaltige vormen aan. Vroeger heerste er de mythe van het studentenkorps, de sentimentele “eeuwige” gelijkheid en broederschap. D.w.z. een revolutionair principe (Franse Revolutie) overgebracht op de kleine knapensamenleving, waar het op zijn allerbest op een utopie, met alle kwade kanten en teleurstellingen van dien, uitliep (zie het sentimentele terugverlangen van een Luns, een Geertsema, naar hun studentenkorpstijd). Nu kan er de mythe gaan heersen van het studentensyndicalisme, het klakkeloos projecteren van de loonstrijd der arbeiders op de studentenmaatschappij. Zeker: wat de collectieve voorzieningen betreft, zijn de studenten beslist een achtergebleven gebied. Goede ziektekostenverzekeringen, financiële zekerheid een behoorlijke woning, ontbreken hun; zij kunnen zich terecht gefrustreerd voelen door de geringe medezeggenschap die zij kunnen uitoefenen in het beheer van hun werkterrein, de universiteit of andere instellingen van hoger onderwijs. Zij gaan de goede kant op, als zij syndicale methoden, de methoden van de vakbeweging van de arbeidersbeweging gaan toepassen. Maar indien op de ondergrond van de niet-bewustgemaakte en niet-verwerkte klasse-toebehorenheid de syndicale methoden als mythe worden geënt, kan het studentensyndicalisme worden tot een van de ergste particularistische strominkjes. Terecht signaleren Griset en Kravetz, twee groten uit de Franse studentenvakbeweging, dit gevaar in een artikel in Temps Modernes van april 1965.

Het klinkt mooi, als men betoogt van studentenzijde, dat de student een “jonge intellectuele arbeider” is. De bedoeling is ook goed, maar een veel betere formulering zou zijn, dat de student en jonge intellectuele arbeider moet worden. Niet de mythe van het syndicaat, niet het “studentikoze” syndicaat is bepalend voor de beoordeling van de rijpheid der studenten. Een beter criterium in dit verband is de mate waarin de studenten hun strijd weten te verbinden met die van de arbeiders in hun vakbonden. Dit vereist scherpe zelfanalyse van de studenten zowel als tegemoetkomende houding van de arbeidersbeweging.

Een communistische partij zou zeker geen misbruik moeten maken van het schijnradicalisme van de studenten, door hen in hun protesthouding voor eigen karretje te spannen, maar zou hen moeten helpen, zich te ontmythologiseren en hun eisen te verheffen van het revendicatieve niveau en te plaatsen in het perspectief van de democratische, zelfbeheerde universiteit als steun voor de arbeidersbeweging in haar strijd tegen het opdringende monopolistische kapitalisme, dat steeds meer via allerlei communicatietechnieken de geesten de vrijheid ontneemt.

Het is een gelukkig verschijnsel, dat ook in Nederland een studentenvakbeweging ontstaan is, die de arbeidersbeweging in staat stelt, langs deze weg steun te verkrijgen in haar strijd en kaders te rekruteren voor directe deelname daaraan. De communistische beweging in al haar geledingen kan daarbij een belangrijke rol spelen.

D.D.