G.B.L.

Politieke kat

Filmbespreking

Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, mei 1965, jg. 8. Dank aan Rob Gerretsen
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Wie de eerste jaren na de Russische revolutie bewust heeft meegemaakt, herinnert zich hoe groot de rol was die de film toen speelde. In Rusland zelf werd de film op grote schaal gebruikt voor de opvoeding in culturele en politieke zin. Maar ook heeft de film in het buitenland veel bijgedragen tot de grote sympathie die er onder de arbeidersklasse ontstond voor de Russische revolutie. In dit verband hoeven we slechts de naam Eisenstein en de titels Potemkin en Tien dagen die de wereld deden wankelen te noemen; maar in die jaren werden tientallen revolutionaire films gemaakt.

Het stalinisme, dat zo funest werkte op alle terreinen van het maatschappelijk leven, en dus ook op het culturele, liet de film niet ongemoeid en in de eerste plaats moesten de films met een politieke strekking worden aangepast aan de op dat ogenblik heersende opvattingen van de Russische bureaucratie. Het is bekend dat zelfs een man als Eisenstein capituleerde en reeds vervaardigde films veranderde in de door Stalin gewenste richting; dit altijd ten koste van de historische werkelijkheid. Behalve op het gebied van de literatuur heeft de “dooi” ook hevig ingewerkt op de Russische filmkunst. Men herinnert zich de prachtige films De ballade van een soldaat, Als de kraanvogels overvliegen en De dame met het hondje, films waarin gebroken werd met de verstarde opvattingen van het socialistisch realisme die de mensen wilden doen geloven dat de enige bezigheid van de Sovjetmens was: de productie opvoeren en het geestdriftig bejubelen van Stalin.

Deze “dooi” op cultureel gebied is niet beperkt gebleven tot de Sovjet-Unie. We hebben dat onlangs kunnen constateren toen we een Tsjechische film zagen, Als de kater komt, die (voor ons land) in Amsterdam in Amsterdam in première is gegaan. (Kriterion). Vojtech Jasny was de regisseur van dit, voor de oppervlakkige toeschouwer waarschijnlijk, “moderne sprookje”.

Het verhaal (heel kort samengevat) is eenvoudig en doet zelfs naïef aan: het leven in een klein rustig stadje wordt verstoord door de komst van een kermisgezelschap waarin ook een kat is opgenomen. Die kat draagt een zonnebril, maar wordt hem die afgenomen, dan neemt ieder mens dat door hem wordt aangekeken de kleur aan van zijn werkelijke karakter (het rood van de liefde, paars voor de huichelaars, grijs voor de dieven, etc.)

Voor velen, vooral voor het bureaucratische schoolhoofd, is de komst van de kat een bezoeking: men kan zich niet verschuilen, iedere confrontatie betekent een onthulling waaraan kritiek of zelfkritiek (de termen worden in de film gebezigd!) niets verandert. Ten slotte veroorzaakt de kat zelfs een complete revolte: directeur en aanhang proberen de kat te liquideren, en tegenover hen staan, in de frontlinie, de kinderen van een klas die de kat willen redden en behouden.

Men kan de film gaan zien zonder enige “bijgedachte” aan politieke bedoelingen, zelfs dan zal men zich amuseren en van de technische volmaaktheid genieten. Maar het zijn juist deze politieke bedoelingen die Jasny heeft gehad. Niet voor niets heeft zijn film drie jaar gelegen voor hij de censuur passeerde, zoals we in De Volkskrant lazen. Ogenschijnlijk luchthartig, maar in werkelijkheid bijzonder scherp gaat Jasny de bureaucratie te lijf. De directeur, prachtig gespeeld, probeert steeds – maar tevergeefs – de democratiseringskraan zelf te bedienen: het proces echter gaat harder dan hij vermoedde, en tegen de macht van de kinderen, die zelfs complete protestacties houden met spandoeken en affiches (in dit geval tekeningen waarop de kat is afgebeeld), legt hij het af. “Dit is het verhaal dat zich in ons stadje heeft afgespeeld,” zegt aan het slot van de film, de wijze klokkenluider, de tegenspeler op de achtergrond van de bureaucraat, maar hij voegt daar onmiddellijk aan toe: “of eigenlijk is het het verhaal dat zich hier nog moet afspelen.”

Het is opmerkelijk dat de recensenten van de burgerlijke kranten over dit alles zo heen zijn gestapt en de werkelijke (politieke) betekenis niet op z’n juiste waarde hebben geschat. H.J. Oolbekkink van Het Parool bij voorbeeld, een recensent die zich het meest thuis voelt bij Lemmy Caution en andere krachtpatsers, wil wel geloven dat de film in Tsjecho-Slowakije “deksels gedurfd” wordt genoemd, “maar hier zal men er koud noch warm van worden”: de kleinburger in de bioscoopfauteuil loopt niet zo gauw warm; de man van Het Vrije Volk (J.K.) heeft er ook al niet veel van begrepen al heeft hij dan wel een “sympathieke levenswijsheid” ontdekt. Ber Hulsing, de recensent van De Waarheid, begrijpt drommels goed waar het om gaat. Hij laat Jasny ook vertellen van de filmcensuur (hoe die precies werkt komt men niet te weten), maar hij houdt zich verder zeer op de vlakte. Hulsing schrijft dat de film niet alleen is voor kinderen, “want er zit voor de volwassenen, van Tsjecho-Slowakije en van overal, een kostelijk satirische kritiek in.” Zeker, “voor overal”, en in dit geval zouden we zeggen voor de redacteuren van De Waarheid in de eerste plaats. Zo’n film nu zou verplicht gesteld moeten worden voor alle inzittenden van Felix Meritis. Ter leringe ende vermaak.

G.B.L.