H. Rubens

De praktijk van de ondernemingsraden:
verdeeldheid zaaien en “arbeidsvrede” bewaren


Bron: De Internationale, orgaan van de Nederlandse sectie van de IVe Internationale, februari 1968, jg. 11
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Van ondernemingsraden naar arbeiderscontrole

Na bijna 18 jaar ervaring is het geen overbodige luxe de balans op te maken van de ervaringen met de ondernemingsraden.
Op 4 mei 1950 trad de Wet op de Ondernemingsraden in werking.

In de keuze van het moment ligt een belangrijke aanwijzing opgesloten van wat de promotors (de ondernemers en de bestuurders van de drie vakcentrales) beoogden.

Beide groepen van belanghebbenden hadden hetzelfde doel voor ogen, namelijk de volledige handhaving van de “arbeidsvrede”.

In het jaar 1950 begon in verschillende opzichten een nieuwe periode.
Tussen 1945 en 1950 waren heftige stukken klassenstrijd gevoerd. De uit de bezetting voortgekomen geradicaliseerde arbeidersklasse schiep zich in de bedrijven nieuwe organen: de bedrijfskernen. In vele gevallen gaven deze bedrijfskernen ook leiding aan stakingen. Zij waren een voortdurende bedreiging voor de ondernemers en de reformistische vakbondsbureaucratie. De bedrijfskernen waren vertegenwoordigingen van de arbeiders, zij bonden zich niet aan “de spelregels” van “het bonafide overleg” zoals die tussen de werkgevers en de drie vakcentrales in acht werden genomen.

Daarin school hun gevaar voor werkgevers en vakbondsbureaucraten; daarom moesten zij verdwijnen. Na het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 was de Wet op de Ondernemingsraden een tweede grote aanval van de bourgeoisie op de arbeiders. Immers door deze laatste wet werden de arbeiders van de belangrijkste hen vertegenwoordigende lichamen beroofd. Vijf jaar hadden de ondernemers na de oorlog nodig om zover te komen. Vijf jaar waarin de ondergang van de Eenheidsvakcentrale door het geknoei van de stalinisten reeds was verzekerd en de reformistische bonzen zich met behulp van de werkgevers weer in het zadel hadden gehesen.

Men moet de vraag stellen hoe het mogelijk is geweest dat de arbeiders zonder noemenswaardig verzet de opheffing van de bedrijfskernen hebben getolereerd. Het antwoord op deze vraag is niet eenvoudig. De voornaamste oorzaken van het accepteren van de ondernemingsraden waren: a. de moeilijke positie waarin de bedrijfskernen waren komen te verkeren door de voortdurende aanvallen van de werkgevers en de vakcentrales; b. het wegvallen van de steun van de EVC als werkelijke vakcentrale; c. de illusies die er bestonden ten aanzien van de mogelijkheden om de ondernemingsraden te gebruiken voor het verkrijgen van zeggenschap in de bedrijven. Deze illusies bestonden ook in de kringen van de revolutionairen. In onze beweging was men niet enthousiast over de ondernemingsraden. Duidelijk hebben wij voorkeur uitgesproken voor de bedrijfskernen. Achteraf dient wel vastgesteld te worden dat wij onvoldoende stelling hebben genomen tegen de ondernemingsraden maar bovenal dient onze zelfkritiek zich te richten op het feit dat wij eerst nu overgaan tot het opmaken van een balans van de ervaringen.

Gemeenschappelijk doel

In artikel 2 en 3 van de Wet op de Ondernemingsraden zijn taak en bevoegdheden van de ondernemingsraden geregeld. Zij luiden:
Artikel 2.
“De Ondernemingsraad heeft tot taak, zulks onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer, naar vermogen bij te dragen tot een zo goed mogelijk functioneren van de ondernemingsraad en een goede samenwerking in de onderneming te bevorderen.”
Let op: “zulks onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer”.

In de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer werd de taak van de ondernemingsraad door de minister als volgt geformuleerd: “In het instituut van de ondernemingsraad komt tot uitdrukking dat de onderneming een arbeidsgemeenschap is, waarin werkgever en werknemer, ieder op zijn plaats, een gemeenschappelijk doel nastreven.”

In de Memorie van Toelichting op de wet staat dat een ondernemingsraad is “een orgaan van gezamenlijk overleg – met het accent op gezamenlijk – waarvan het hoofd van de onderneming samen met zijn personeel deel uitmaakt.”

Dat de ondernemingsraad niet mag worden gezien als een orgaan van personeelsvertegenwoordiging uitsluitend ter behartiging van de belangen van de werknemers blijkt ook uit de passage in de Memorie van Antwoord aan de commissie van Rapporteurs van de Eerste Kamer waarin de ministers zeggen te hopen dat de ondernemingsraden bij de uitoefening VAN DE HUN TOEBEDACHTE TAAK IN STAAT ZULLEN ZIJN BIJ TE DRAGEN TOT HET OPVOEREN VAN DE ARBEIDSPRODUCTIVITEIT EN TOT VERHOGING VAN DE PRODUCTIE.

Bevoegdheden

Artikel 3
“De ondernemingsraad tracht de hem opgedragen taak te bereiken door:
a. het adviseren en het doen van voorstellen omtrent maatregelen die tot verbetering van de gang van zaken in de onderneming kunnen bijdragen;
b. het plegen van overleg inzake het vaststellen van een arbeidsreglement resp. van vakantietijden en veiligheidsmaatregelen alsmede van maatregelen op het gebied van de gezondheid en de hygiëne;
c. het bevorderen van de juiste toepassing, naleving en uitvoering van een eventuele cao en van andere voor de onderneming geldende – al dan niet wettelijk vastgestelde – arbeidsvoorwaarden;
d. het bevorderen van scholing en opleiding van werknemers in de onderneming;
e. het behandelen van uit het personeel te zijner kennis gebrachte wensen, bezwaren en opmerkingen voor zover deze van belang zijn voor de positie van de werknemers in de onderneming; klachten van individuele aard dienen in eerste instantie te worden behandeld met het daarvoor aangewezen leidinggevend personeel;
f. het deelnemen in het beheer van instellingen, ten behoeve van de werknemers aan de onderneming verbonden, indien en voor zover daarin niet bij of krachtens de wet op andere wijze is voorzien.”
Artikel 4 bepaalt dat de ondernemingsraad zich niet mag begeven op het werkterrein van de vakbeweging en art.5 vermeldt dat de werkgever minstens eens per jaar wat mededelingen moet doen over de gang van zaken in het bedrijf.

Uit het bovenstaande, inzake taak en bevoegdheden alsmede de toelichting van de ministers, blijkt dat de ondernemingsraad een adviescollege is in tegengtelling tot de bedrijfskern die een orgaan is ter uitsluitende behartiging van de werknemersbelangen. Bij alles wat de ondernemingsraad doet komt hij niet verder dan de muur van het laatste woord door de ondernemer.

De leden van de ondernemingsraad worden in hun afhankelijkheid van ondernemer bovendien nog de mond gesnoerd door artikel 6 van de wet dat luidt:
De leden van de ondernemingsraad zijn verplicht de zaken geheim te houden, waarvoor hun door de ondernemingsraad of de directie geheimhoudingsplicht is opgelegd of waarvan zij redelijkerwijze kunnen vermoeden dat geheimhouding is vereist.”
De ondernemingsraad-leden die dit artikel overtreden kunnen gestraft worden door de rechter krachtens artikel 272 e.v. van het Wetboek van Strafrecht (maximumstraf 1/2 jaar).

Bedrijfsbelangen en klassenvrede

Een arbeider die in een bedrijf van een kapitalist werkt verkoopt zijn arbeidskracht. De “goede gang van zaken in het bedrijf” die ook uitgangspunt is bij de Wet op de Ondernemingsraden kan de arbeider koud laten. In de praktijk betekent “de goede gang van zaken in het bedrijf” alleen voor de ondernemer het steeds groter worden van zijn winst. De verhaaltjes die de ministers hebben verteld bij het toelichten van de wet, zijn in de praktijk evenzoveel bedriegerij en gebleken. Nemen wij bv. de uitspraak dat “de ondernemingsraad de arbeidsgemeenschap tot uitdrukking brengt die het bedrijf is” of “de ondernemingsraad is een orgaan van gezamenlijk overleg – met het accent op gezamenlijk”. Wat blijft er van deze schone uitspraken over als wij de wijze van verkiezing van de ondernemingsraden onder de loep nemen. Wij zullen niet in alle details van de zwendel afdalen omdat het een onverteerbare brei is. Maar het is goed er aan te herinneren dat in bepaalde bedrijven organisaties die een groot deel van het personeel hebben georganiseerd uitgesloten zijn van de mogelijkheid om kandidaten te stellen voor de ondernemingsraad.

Wij noemen de ANVWP (buschauffeurs) de MBGK (metaalbewerkers) NTB (musici), Bond van Hoogovenpersoneel, e.a. Deze organisaties kunnen hun leden adviseren als ongeorganiseerden een kandidatenlijst in te zenden. Door aldus alle bonden uit te sluiten die niet bij een van de drie “erkende” centrales zijn aangesloten wordt ook middels de wet op de ondernemingsraden de monopoliepositie van “de drie” versterkt. Want de voorwaarden waaraan bonden moeten voldoen om kandidaten te mogen stellen voor de ondernemingsraden zijn lachwekkend. De SER heeft de volgende criteria opgesteld waaraan men moet voldoen om representatief te zijn:
“a. Er moet constitutionele betrouwbaarheid aanwezig zijn, omdat men anders een negatief element vormt in het samenspel der maatschappelijke groepen;
b. Er moet een redelijke spreiding zijn over de gehele bedrijfstak. De omvang van het ledental moet worden bezien in verhouding tot de overige vakorganisaties;
c. De financiële structuur moet zodanig zijn dat de bond (of centrale) zijn taak kan vervullen.
d. De bond moet bereid en in staat zijn om aan het georganiseerde maatschappelijke overleg constructief deel te nemen en de daarmede samenhangende verantwoordelijkheid te dragen. De bond moet daarom een interne organisatorische structuur bezitten, welke waarborgt dat de daarbij aangesloten leden in het algemeen het door het centraal overleg bepaalde beleid volgen.”

Door deze voorwaarden worden alle organisaties uitgesloten van het stellen van kandidaten die niet bereid zijn zich bij voorbaat aan de werkgevers te onderwerpen. Alleen de bonden van de drie centrales stellen dus kandidaten, om echter grote moeilijkheden in de bedrijven te voorkomen met ongeorganiseerden en leden van categorale bonden heeft men de “vrije lijsten” gecreëerd. Door deze vrije lijsten bindt men namelijk ook de buiten de drie vakcentrales staande arbeiders aan het klassenvrede-instrument dat de ondernemingsraad is.

Eenheid herstellen

Als de toestand ideaal was, dan zou er een nauwe samenwerking bestaan tussen een revolutionaire arbeiderspartij, de vakbonden en de bedrijfsvertegenwoordigingen van de arbeiders. Een massale revolutionaire arbeiderspartij ontbreekt nog in dit land. De vakbonden zijn voor het overgrote deel onbruikbaar voor de strijd omdat zij beheerst worden door conservatieve bureaucraten die “constitutioneel betrouwbaar zijn” en “constructief aan het maatschappelijk overleg” deelnemen en de bedrijfsorganisaties, en de ondernemingsraden hebben geen enkele macht om fundamentele zaken te regelen. Een weinig opwekkend beeld dus. Toch zullen wij aan de opbouw moeten beginnen. Of beter gezegd, de eerste stappen die op het gebied van de concentratie van revolutionaire socialisten tot een nieuwe arbeiderspartij zijn gezet; de pogingen die reeds enige tijd gedaan worden tot bundeling van de onafhankelijke vakorganisaties zullen gecompleteerd moeten worden door ingrijpende wijzigingen in de vertegenwoordiging van de arbeiders in de bedrijven.

De ondernemingsraden zijn geen organen van de arbeidersklasse maar van de werkgevers. De illusies die er onder de arbeiders bestaan ten aanzien van de ondernemingsraden dienen verdreven te worden. De ondernemingsraden moeten vervangen worden door bedrijfskernen of arbeiderscomités.

Tegenover de belangen van de werkgever staan die van de werknemers in het bedrijf. Dat zij niet dezelfde belangen nastreven is wel gebleken – en blijkt nog – bij de massale sluitingen van bedrijven. De kapitalisten beleggen hun geld voordeliger, de arbeiders gaan de WW in tegen 80 % van hun loon.

De ondernemingsraad is bovendien een instelling die de verdeeldheid van de arbeiders onderstreept, doordat hele groepen van arbeiders uitgesloten zijn van het stellen van kandidaten en de verkiezingen van de “officiële kandidaten” georganiseerd worden op de wijze zoals dat in fascistische landen gaat.

De bedrijfskernen moeten open staan voor alle arbeiders, hoe ze ook georganiseerd zijn of zelfs indien ze niet georganiseerd zijn. De praktijk van het vervangen van de ondernemingsraad door de bedrijfskern, een herhaling van de geschiedenis van 1950 in omgekeerde richting, zal niet zonder slag of stoot gaan. Wellicht is er in de meeste bedrijven een overgangsperiode nodig waarin er naast de ondernemingsraad een bedrijfskern bestaat. De werkgevers en de vakbondsbestuurders van de drie centrales zullen hun prooi niet zo maar loslaten. Tevens zal er veel opklaring onder de arbeiders moeten worden gebracht omtrent het ware karakter van de ondernemingsraad. De bedrijfskernen kunnen eisen ingeschakeld te worden door de vakorganisaties bij het overleg over de lonen in het bedrijf nu de periode van de “vrije loonpolitiek” is aangebroken.

Op deze wijze kan de strijd in de bedrijven worden gestimuleerd en overgebracht worden op het terrein van de vakbeweging. De stagnatie in de klassenstrijd kan worden opgeheven door het verkeer van de bedrijven naar de vakbeweging en van de vakbeweging naar de bedrijven via de bedrijfskernen te openen.

Wordt de eenheid van de arbeiders in het bedrijf hersteld door het uiteenjagen van de ondernemingsraad en het verkiezen van bedrijfskernen die in nauw contact met de vakbonden gaan optreden dan is tevens de basis geschapen voor een andere eenheid: die van vakorganisatie.

Want eenheid van de arbeiders in de bedrijven zal leiden tot eenheid van vakorganisatie. Wanneer wij al onze andere bezwaren tegen de ondernemingsraad buiten beschouwing zouden laten, dan is de kwestie van het zaaien van verdeeldheid zoals dat door het systeem van de ondernemingsraden geschiedt reeds voldoende om zijn afschaffing te eisen. Het zal van de mate van illusies die de arbeiders hebben in de ondernemingsraad afhangen of reeds onmiddellijk overal met succes een eind aan zijn bestaan kan worden gemaakt. Per bedrijf zal dat moeten worden onderzocht. Het verkiezen van bedrijfskernen kan echter in elk bedrijf aan de orde worden gesteld.

Het wordt hoog tijd dat aan het “adviseren” van de werkgevers een einde komt en dat de arbeiders in de bedrijven weer over een werkelijke vertegenwoordiging kunnen beschikken.

H. RUBENS