IKB

Nederland

De rol van het leger


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, januari 1976, nr. 2/3, jg. 3
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA


Verwant
Het militaire vraagstuk in Pruisen en de Duitse arbeiderspartij
Over de burgeroorlog, twee toespraken
Volksleger of ontwapening


Onderstaande tekst bestaat uit twee delen. Het tweede deel is een verkorte versie van de tekst over het werk binnen het leger, zoals besproken op de tweede IKB-conferentie. Zoals begrijpelijk is deze tekst niet geheel actueel meer, wat betreft de ontwikkelingen binnen de VVDM en de BVD gedurende het laatste half jaar. Door de drukke werkzaamheden zag de redactie geen kans om een substantiële aanvulling te maken. Uiteraard zullen de nodige aanvullingen gemaakt worden. Zo mogelijk zal dan publicatie in De Internationale volgen. Het eerste gedeelte is een inleiding tot het tweede gedeelte met een speciale nadruk op het probleem van het vrijwilligersleger en de discussies daaromheen. Dit gedeelte van de tekst is speciaal als discussiebijdrage voor dit nummer geschreven door Henk Strik.

1. Het vrijwilligers leger

In het eerste gedeelte van de tekst komen drie aspecten betreffende de functies van het leger naar voren:
- de gerichtheid naar de arbeidersstaten;
- verdediging van de belangen in de koloniën en;
- gerichtheid tegen de eigen arbeidersklasse.
In de tekst wordt het belang van de verschillende functies in een samenhang t.o.v. elkaar geplaatst, specifiek voor het Nederlandse leger.

Het is juist de rol, die de bourgeoisie aan haar leger toebedeelt, waaraan de revolutionairen de belangrijkste aandacht moeten schenken. De ontwikkelingen op dit terrein hebben veel grotere consequenties voor de arbeidersbeweging in de nabije toekomst, dan 3 miljard gulden voor straaljagers en wat voor “orders van de eeuw” er nog mogen volgen. (hiermee wordt overigens NIET het belang ontkend, dat acties tegen aanschaf van straaljagers hebben voor de antimilitaristische beweging, alleen maar dat het militair industrieel complex nu tendentieel niet het hoofdpunt is.)

Zoals in de tekst vermeldt staat, is het niet zo dat de Nederlandse bourgeoisie direct en zelfstandig allerlei plannen zit te maken voor omvormingen van het leger en het politionele apparaat. Dit wordt mede veroorzaakt door het feit dat er geen directe noodzaak bestaat voor de bourgeoisie door de stand van de klassenstrijd in Nederland.

Maar het zijn vooral de discussies op internationaal niveau, zowel binnen de NAVO als binnen de EEG, die ook in Nederland gevolgen hebben, dat ook in Nederland bepaalde reorganisaties doorgevoerd worden.

In de Guardian Weekly, nummer 1 – 1976 vinden we een concreet voorbeeld hiervan. Op blz. 7 vinden we een artikel over het terrorisme (Europe plans attack on terrorism):
“De strijd tegen het terrorisme, tot nu toe bijna exclusief op nationale schaal gevoerd, zal een internationale campagne worden, dit jaar.” “Topniveau onderhandelingen zijn nu op gang tussen de topambtenaren van de Ministeries van Binnenlandse Zaken van de negen lidstaten.”

Wilson heeft hiertoe het initiatief genomen tijdens de recente ontmoeting van de Europese ministers in Rome. Men denkt aan oplossingen in de geest van “nieuwe vormen van communicatiemiddelen, nieuwe vormen van het uitwisselen en verzamelen van informatie, en misschien directe internationale hulp in speciale gevallen”.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling een internationale antiterroristeneenheid op te richten of een ingewikkelde internationale bureaucratie (woorden van de Guardian); ook mag Interpol blijven bestaan, al wordt haar werk op politiek gebied wel moeilijk. Maar...
“Het is aannemelijker dat beperkte samenwerking tussen de politionele apparaten van de Negen ontwikkeld zullen worden, inclusief een grotere uitwisseling van politietechnieken en technologie (...)”.
(Alle onderstrepingen in de gebruikte citaten zijn van mij – HS).


Hier zijn geen miljoenen te verdienen voor de wapenbaasjes, geen “werkeloosheidsbestrijding” is hier aan de orde, maar de betekenis ervan is veel verstrekkender.

Op de eerste plaats zij opgemerkt dat het hier niet [gaat] om een incidenteel geval; het heeft een plaats in een hele serie van dergelijke besprekingen en praktische maatregelen die eruit voortvloeien. Het uitwisselen en internationaal verzamelen van informatie komt niet voor het eerst ter sprake, het is slechts een verdere concretisering van iets wat al langer bezig is (ook bestaat er al tijden een nauwere samenwerking tussen de verschillende inlichtingendiensten, die nu verder concreet zijn beslag krijgt).

En als er ten tijde van de ontvoering van Peter Lorenz in West-Berlijn op zeer grootscheepse wijze een algemene huiszoeking is geweest, waarbij alle bij de inlichtingendienst bekende linkse mensen, inclusief SPD-leden, een huiszoeking hebben gehad, dan kan de ervaring, die ermee opgedaan is door het apparaat, doorgespeeld worden naar de andere landen. En dat geldt ook voor de politie in Parijs, die regelmatig massale identiteitscontroles houdt op de straten in Parijs waarbij honderdduizenden mensen gecontroleerd werden.

Wat betekent dan het overleg tussen de topambtenaren tussen de Ministeries van Binnenlandse Zaken (waar de politie en de inlichtingendiensten onder vallen) anders dan het bespreken van de bestaande plannen? Wat betekent het anders dan pogingen in het werk stellen om tot internationale samenwerking te komen, met behoud van de autonomie van de verschillende nationale diensten?

Wat betekent het uitwisselen en verzamelen van informatie anders dan het openstellen van de gegevens voor andere landen. En wat voor terroristen kan, dat kan dan ook voor uiterst links, maar ook voor alle militanten in de arbeidersbeweging. En uiterst links zijn “terroristen”, die erop uit zijn, “de bestaande orde in gevaar te brengen” en in feite er automatisch onder vallen.

De mate waarin het onmiddellijk praktisch aangewend gaat worden is afhankelijk in de mate de politiek van de bourgeoisie ten aanzien van uiterst links.

In Nederland, zoals globaal ook in Duitsland, worden bepaalde maatregelen genomen, die binnen die kaders vallen, maar die ook een eigen concretisering kennen. Zo vallen de speciale eenheden (o.a. de scherpschutters pelotons) niet onder het commando van het leger, maar onder het politionele apparaat (en dat terwijl in Italië alles onder het leger valt, zelfs de douane). Dit is belangrijk, omdat de verhouding politioneel apparaat en de omvormingen daarin zich op een andere manier gaan verhouden met het leger.

Deze eenheden worden ook stelselmatig geoefend, niet alleen schijnoefeningen, maar vooral ook in de bittere “werkelijkheid der terrorisme”, welke aangegrepen worden de eenheden “echt” te trainen en te laten zien hoe goed het is dat zulke eenheden bestaan naar de arbeidersklasse toe. Maar ook om het functioneren van deze eenheden te verbeteren, van de fouten lessen te trekken. Het geeft aan hoe wel overwogen de bourgeoisie betreffende beslissingen heeft genomen en hoe zij van plan is ze uit te voeren; hiermee kan zij beschikken over een goed apparaat zoals zij die ziet nodig te zullen hebben.

En het gaat niet alleen om scherpschutterpelotons en dergelijke, maar ook centralisatie van inlichtingendiensten, inclusief centrale computers.


Wat zijn de consequenties van deze politiek, naar het leger toe? Als de bourgeoisie bv. de speciale eenheden onder commando plaatst van het politionele apparaat, dan heeft zij klaarblijkelijk ook bepaalde plannen voor het leger.

M.i. heeft dit met enkele belangrijke aspecten te maken. Zo is er de situatie, waarin de klassenstrijd verkeert niet bepaald dusdanig dat de bourgeoisie de arbeidersklasse alleen maar met massaal geweld tegemoet zou treden. De bourgeoisie stelt zich genoegen met een aantal maatregelen op kleinere schaal, gekoppeld aan de gehele politiek met o.a. scheiding tussen uiterst links en de arbeidersbeweging en met ideologische offensieven. Niet alleen de situatie van de klassenstrijd is hiervoor bepalend. De ontwikkelingen van het soldatenverzet in de afgelopen 5 jaar zijn hier zeker debet aan. De vele soldatenacties, enkele malen ook de solidariteit van buiten het leger hebben de neutraliteit van het leger danig aangetast.

Van beslissende betekenis is de vraag, welke taken de bourgeoisie toekent aan het leger. Wat in de tekst naar voren komt, kan ik slechts herhalen: de belangrijkste taak, die ook in de training van de soldaten en van het kader, in de oefeningen naar voren komt, daaruit kun je concluderen dat het leger in de eerste plaats gericht is op de arbeidersstaten. Dat betekent ook, dat de fundamentele lijnen, die ten grondslag liggen aan de huidige organisatie van het leger voor deze taak niet fundamenteel gewijzigd worden (kleine wijzigingen blijven mogelijk, maar het geeft tegelijkertijd de beperkingen weer).

Maar wat is de verhouding dan tussen het leger en de versterking van het politionele apparaat? Fundamenteel is die verhouding voor het leger een ondersteunende taak (t.a.v. de interne repressie). Bijvoorbeeld in Beilen hebben de dienstplichtige soldaten van het 43ste Pantserinfanterie Bataljon de toegangswegen en de verdere omgeving afgegrendeld; de meeste soldaten hebben de hele trein niet gezien.
En voor deze ondersteuning heb je geen dringende belangrijke veranderingen binnen het leger nodig voor wat betreft de organisatie ervan. En omdat de dienstplichtigen niet direct oog in oog komen te staan met de kwestie waar het omgaat, dan is de directe noodzaak tot een volledige omschakeling naar een vrijwilligersleger niet aanwezig, omdat je de voorbereidingen hiertoe met andere middelen kunt doen. Het is dan m.i. ook niet de bedoeling van de bourgeoisie om binnen 2 jaar een volledig vrijwilligers bestand in het leger te hebben doorgevoerd.

Binnen het leger worden een aantal voorbereidingen getroffen naar de dienstplichtigen toe. In het verleden kenden we de voorstellen van Peynenburg om de uitstelregelingen af te schaffen, maar ook verlagen van de dienstplichtige leeftijd naar 18 jaar. Deze plannen zijn naar de “ijskast” verdwenen. Maar is dat wel zo? In de onderwijsherstructureringen en de voorstellen daartoe voor het middelbare onderwijs komt deze grens van 18 jaar wel naar voren, nl. dat vele opleidingen op de leeftijd van 18 jaar afgerond worden. Dit is vooral verwerkt sinds de plannen van Peynenburg (topambtenaar op het Ministerie van Defensie, naar wie de commissie genoemd werd en die dit voorstel deed) vorm begonnen te krijgen. In feite komt het neer op het afstemmen van het onderwijs op deze plannen. Wanneer de plannen uit de “ijskast” zullen komen is de hele weg al voorbereid en zal deze maatregel direct doorgevoerd kunnen worden.

Aan de andere kant hebben we de oefeningen van het leger, Beilen is niet het eerste en zeker niet het laatste voorbeeld. Met name in de kwestie Beilen werd praktisch de noodtoestand in het leger gehandhaafd. Officieel was dit niet het geval, maar door het leger heen werden extra wachten ingesteld en extra weekenden binnen zitten, en voor een vrij groot aantal onderdeel was er verscherpte waakzaamheid en stand-by (dan mag je als soldaat niet van je kazerne af). Een soldaat, André, heeft geweigerd naar Beilen te vertrekken op grond van zijn mening dat hij aan dit soort inzetten van het leger niet mee kon doen; André werd meteen afgevoerd naar Niewersluis (hetgeen in vredestijd uitzonderlijk is). Een solidariteitsstaking van zijn medesoldaten werd na een half uur opgeheven door de sterke intimidatie van de officieren (een voorbeeld overigens voor alle soldaten, wat deze soldaten gedaan hebben). Het trainen is vooral ideologisch, op het uitvoeren van bepaalde taken die van belang zijn voor het welslagen van bepaalde acties, maar waarbij de soldaten niet rechtstreeks te maken krijgen met de actie zelf (in Beilen de trein die ze zelf niet gezien hebben).

De soldaten worden zo voorbereid op de taken van de interne repressie, in een bepaalde verhouding tot het politionele apparaat.


De bourgeoisie trekt ook zijn lessen uit de experimenten in het verleden: Technisch Specialisten, Kort Verband Vrijwilligers en vrijwillig nadienen (dan kunnen de dienstplichtigen na de 16 maanden dienstplicht bijtekenen voor enkele jaren). Deze projecten zijn mislukt, omdat ze nog geen 50 % van het beoogde aantal vrijwilligers kon werven (is ook officieel door de defensieleiding toegegeven).

Een belangrijke les hieruit is, dat het technisch niet te verwezenlijken is om binnen twee jaar het volledige personeelsbestand door vrijwilligers op te vullen. En dat kan zeker niet tot de beslissing leiden dat het vrijwilligersleger er wel moet komen en de bourgeoisie er bereid toe is om delen van het leger leeg te laten staan (zoals in Amerika in enkele jaren geleden gebeurde toen zij wel in een zeer korte tijd het hele bestand door vrijwilligers wilde laten op vullen, waarbij hele infanteriebataljons zonder personeel kwamen). En wel, omdat de belangrijkste functie blijft het gericht zijn op de arbeidersstaten, waarbij het niet mogelijk is om delen van het leger leeg te laten staan, omdat dan de geloofwaardigheid van het afschrikkingsmiddel verdwijnt.


Er zijn, concluderend, geen beslissende politieke redenen om binnen twee jaar het personeelsbestand volledig uit vrijwilligers op te bouwen, praktisch is het in die tijd niet te realiseren.
Waarom dan een Commissie Mommersteeg?

De opdracht van de commissie (kie.) is niet het onderzoeken van de vele technische aspecten, die hiermee samenhangen, vele commissies hebben dat al voor deze kie. gedaan. De opdracht is wel om te kijken of het wenselijk is, gezien het feit dat dit onderwerp al enige tijd in discussie is in vele maatschappelijke geledingen.

Een centraal punt hierbij is dat het gepaard gaat met propaganda voor het vrijwilligersleger. De hoofdargumenten spelen een rol: de “democratische controle” op het leger en het benadrukken van de noodzaak “om binnen het leger dan wel te gehoorzamen”, want er is toch democratische controle. En ook dat het wel meevalt met die interne functie van het leger. Deze propaganda gaat in tegen de huidige ontwikkeling in de antimilitaristische beweging, die juist op dit niveau allerlei initiatieven aan het nemen is. Maar vooral ook, omdat de afgelopen 5 jaar de soldatenbeweging en de rol die velen ervan verwachten, nl. dat zonder soldaten het leger niet functioneert, om de neutraliteit van het leger te herstellen, die door de soldatenacties doorbroken is.

Dat de bourgeoisie wel streeft naar het uitbreiden van het aantal vrijwilligers, kan gezegd worden. Factoren als de technologie in het leger e.d. zijn hiervoor een belangrijk argument.

En het is juist vanwege de voorbereidingen van de bourgeoisie op de klasse botsingen waarom wij veel waarde hechten aan het benadrukken van de interne rol van het leger en de politie, en het is juist de rol die het leger en de maatregelen naar de soldaten toe, en de campagne voor het vrijwilligersleger, die innemen in de huidige politiek van de bourgeoisie, waarom wij van mening zijn dat de antimilitaristische beweging de strijd ertegen moet organiseren en dat dit niet voorbij mag gaan aan de soldaten in het leger.

En het is juist hierom waarom wij dit veel en veel belangrijker vinden dan de verschillende wapenbaasjes, die fortuinen verdienen.
Daarom willen wij benadrukken, dat de antimilitaristen zich moeten inschakelen in de strijd tegen het vrijwilligersleger door zitting te nemen in de plaatselijke comités.

Het Nederlandse leger

1. De rol die het Nederlandse leger is toebedeeld


1. Het Nederlandse leger is te typeren als een leger dat voornamelijk gericht is tegen de arbeidersstaten. De structuur, de legering, de opvoeding van officieren en onderofficieren en de rol die het speelt in de discussies van de bourgeoisie, worden door deze primaire functie bepaald.

Van de andere Europese legers kan het het beste vergeleken worden met de Duitse Bundeswehr, waarmee een speciale relatie bestaat.


2. In tegenstelling tot het Franse en Engelse leger, is het Nederlandse leger lange tijd niet betrokken geweest bij een koloniale oorlog. Er bestaan wel militaire verplichtingen overzee. Deze zijn echter voornamelijk maritiem. Het Nederlandse leger is niet gevormd door ervaringen als Indo-China, Suez of Algerije, als Maleisië, Kenia, Cyprus, Aden of Ierland. De oorlog van 1947-48 in Indonesië had wel degelijk een vergelijkbaar effect (gevolgd door Korea), maar het gewicht van die ervaringen was al erg gering aan het begin van de jaren zestig. Altijd was er al tegenover dit gewicht het gewicht geweest van een groep militairen zonder koloniale ervaring, met sterke onderlinge banden door m.n. de gemeenschappelijke internering tijdens de bezetting, en met een zeer kleine, maar niet a priori uitgesloten, sociaaldemocratische invloed. (De Nederlandse sociaaldemocratie heeft zich zeer ingespannen voor de herbewapening van West-Duitsland en haar aansluiting bij de NAVO, en daarbij haar Duitse tegenhangers onder druk gezet). Vanwege de interne banden en ook haar preoccupatie met de nieuwe NAVO-doctrine van ‘flexible response’, kwamen de belangrijke staffuncties in handen van deze groep, terwijl de veldfuncties werden overgelaten aan de groep met koloniale ervaringen. De invloed van die groep ging vooral achteruit doordat de onderofficiersbasis door vervroegde pensionering begon te vervallen.

Hier ligt een belangrijke reden voor een min of meer liberale houding ten opzichte van dienstplichtigen – hoezeer die ook tegengewerkt zou worden – door de defensieleiding, en, kunnen we zeggen, een ‘ontideologisering’ van het leger, in die zin dat een aantal dingen ter discussie gesteld werden, en dat ‘polemologische’ invloeden zich deden gelden (bv. in de militaire opleidingen).


3. Het leger heeft sinds de Tweede Wereldoorlog geen belangrijke interne onderdrukkingsrol gespeeld. Het werd er ook niet duidelijk op afgestemd. Doordat de klassenstrijd op zo’n laag niveau stond, is de noodzaak van een interne onderdrukkingsrol geen overheersend punt in de discussies van de bourgeoisie.

Dat neemt niet weg dat de tendens naar versterking van het onderdrukkingsapparaat ook in Nederland merkbaar is, en ook het leger raakt. Voor dit doel bestemde eenheden worden evenwel voorbereid op het uitoefenen van hun taak onder politiecommando. De eenheden voor het uitvoeren van terreurbestrijding, die in 1977 zijn opgezet, en waarbij de mariniers een aandeel leveren, vallen onder Justitie. Van tijd tot tijd worden grotere eenheden (bataljons) gebruikt voor het afzetten van wegen en bevoorrading. In de lijn van beïnvloeding van de publieke opinie wordt een lichte verandering zichtbaar om het leger te laten zien als een soort hulpverleningsinstelling tegen rampen. Dit idee wordt vanuit de NAVO gestimuleerd. Daar staat tegenover dat de territoriale defensie, die in andere landen een functievermeerdering krijgt in het kader van de repressieve functie van het leger, in Vredelings Defensienota juist wordt afgezwakt (in aantal troepen en in ‘hoogte’ in de militaire organisatie en hiërarchie). Dit alles tegen de wil van Brussel.


4. De relatief belangrijke functie van het leger tegen de arbeidersstaten komt op verschillende manieren tot uitdrukking. Er bestaat een relatie tussen de militaire doctrine van de NAVO, de legering van de troepen, het aantal troepen, en de Ontspanningspolitiek, met name de MFR-gesprekken. Hoewel daarover verschillen bestaan tussen de bourgeoisie, kunnen we zeggen, dat de Nederlandse krijgsmacht afgestemd is op een vorm van ‘voorwaartse verdediging’ (zelfs de zg. ‘crisis management’ opvatting van delen van de sociaaldemocratie wordt behandeld als een variatie daarvan); dat er gerekend wordt op een groot aantal vrijwilligers voor technische taken; dat het aantal troepen min of meer gehandhaafd wordt, (geen drastische vermindering van de diensttijd) en dat de wil er is de Amerikaanse aanwezigheid in Europa te handhaven in samenhang met vooruitgang in de MFR-gesprekken.


5. Bedreiging van de arbeidersstaten heeft alleen betekenis in wereldcontext (of tenminste regionale context), en dat is iets wat de Nederlandse bourgeoisie altijd heeft gedaan. Dit heeft consequenties voor de contradictie van de huidige imperialistische legers tussen nationale controle en internationale coöperatie. We kunnen zeggen dat al deze factoren ertoe hebben geleid, dat er druk bestaat in de richting van internationale samenwerking, standaardisering niet alleen in wapentuig, maar ook in oefening van soldaten en kader, een onderschikking aan het Pentagon (militair gezien althans) en een zekere afkeer van een nationaal of Europees nucleair wapen.

2. De ontwikkeling van de Nederlandse soldatenbeweging


1. Het voornaamste voor de positie van de soldatenbeweging de afgelopen jaren zijn een aantal liberaliserende maatregelen geweest, in samenhang met de ontwikkeling van de VVDM.

Vanuit de rol die aan het Nederlandse leger wordt, of werd, toebedeeld, kunnen we begrijpen dat er een toegevende houding bestond toen enkele soldaten in 1966 het initiatief namen voor een belangenorganisatie voor dienstplichtigen. De initiatiefnemers wilden samenwerking met het ministerie, sloten CPN’ers uit, beloofden zichzelf op te heffen in tijd van oorlog, enz. De aanwezigheid van de VVDM had eenzelfde betekenis voor de legerleiding als de onderdeelsoverlegorganen, waartoe na een proef bij de luchtmacht een aanzet gegeven werd. Beide zouden eventueel verzet moeten kanaliseren (dat verzet was van antiautoritair karakter, en degenen die zich hiermee bezig hielden baseerden zich zelden op de mobilisatie van de soldaten). In het blad van de geestelijke verzorging (RK), G3 (later overgegaan in Transaktie) werden meningen uitgewisseld over hoe het leger het best hervormd kon worden. Voor hervormingsgezinde generaals werd de VVDM lange tijd beschouwd als een hulpmiddel.


2. In de jaren 1969 en 1970 werd de jeugdradicalisatie voelbaar in het leger, en dit leidde tot een druk op de VVDM van onderen. Eind 1969 organiseerde de VVDM een demonstratie voor weddeverhoging, een kleine demonstratie, waarbij de solidariteit van studentengroepen werd afgewezen. In de maanden erna steeg het aantal leden van de VVDM en in de loop van 1970 ging de VVDM 60-65 % van de dienstplichtigen organiseren, een percentage dat sindsdien niet veel veranderd is.

In maart 1970 stuurden soldaten uit Ermelo (geneeskundige troepen, intellectuelen) een brief waarin ze zeiden dat ze niet klakkeloos de bevelen zouden opvolgen. Deze groep soldaten had ook een kazerneblad. Opschudding, Kamervragen, enz. Even daarna werd een soldaat tot acht maanden veroordeeld omdat hij geweigerd had te groeten. De VVDM organiseerde een kaartactie vanuit de kazerne. In de zomer van 1970 werd de redactie van Luctor, een blad in Oirschot, zwaar bestraft wegens een artikel. De VVDM moest de juridische verdediging verzorgen. Dit alles maakte dat de VVDM ook een soort structuur kreeg met radicalere afdelingen (hoewel de meerderheid van de afdeling wellicht nog half liberaal was, begonnen de andere afdelingen de soldaten te mobiliseren) en een maandelijkse vergadering, waarbij het hoofdbestuur (allemaal stropdassen, enz.) steeds meer onder druk kwam.


3. In 1971 begon dit ook door te dringen tot de legerleiding. In enkele grote kazernes werd duidelijk hoe gevaarlijk een soldatenorganisatie kan zijn. Men probeerde het Hoofdbestuur tegenover de afdelingen te stellen. Dit vooral na drie belangrijke zaken. De eerste was de weigering van Rinus Wehrmann om zijn haar te laten knippen. De VVDM had twee maanden eerder een handtekeningactie voor vrije haardracht gevoerd, en werd gedwongen, toen Wehrmann gestraft werd met twee jaar gevangenis, om zich achter de acties daartegen te stellen.

Die straf had een enorme weerklank op de kazernes. Vlak voordat het hoger beroep zou dienen, werd aangekondigd dat de haardracht vrij zou worden. In Amersfoort hadden soldaten gedemonstreerd. De hearing van de VVDM zou waarschijnlijk zijn uitgelopen op een nederlaag van het hoofdbestuur, dat tegen harde acties was, en de demonstratie min of meer had afgekeurd. Deze overwinning betekende een doorbraak voor de initiatieven op de kazernes, en tegelijkertijd brak hiermee een openlijke crisis in het militaire apparaat aan. Officieren namen ontslag, een ultrarechtse organisatie werd opgericht, het ministerie kon geen goed meer doen. Deze crisis zou pas door de komst van Vredeling opgelost worden.

Kort na de demonstratie in Amersfoort, en vlak na de overwinning, vond een demonstratie plaats in Havelte, een grote kazerne (Amersfoort was een opleidingskazerne voor geneeskundige troepen). De eis was afschaffing van het parate weekend. De officieren wisten niet hoe te reageren, en pas later zijn er mensen gestraft. Ook in Ermelo, Ede en Harderwijk vonden toen (onderdrukte) demonstraties plaats. Binnen de VVDM vond een gevecht plaats, met wisselende verhoudingen, over de vraag of het Hoofdbestuur wel of niet achter die demonstraties moest staan. Tenslotte werden in deze periode in snel tempo allerlei kazernebladen in beslag genomen, waarin die gebeurtenissen werden uitgelegd.

Op het Hoofdbestuur van de VVDM werd sterke pressie uitgeoefend om de leden van de BVD eruit te gooien. (Die waren niet zo talrijk, maar hadden met alle demonstraties iets te maken). In september werd dit geprobeerd. De trouwe leden waren daar al op voorbereid. De zaak werd evenwel niet erg handig gepresenteerd, terwijl het gerucht dat de voorzitter een lijstje met namen had gekregen van het ministerie, ook goed werk deed. Er werd besloten tot een ‘afkoelingsperiode’. Het Hoofdbestuur hoopte in de maanden tot december genoeg te kunnen regelen voor een definitief royement.


4. De ‘afkoelingsperiode’ had evenwel een heel ander effect, omdat de legerbaasjes zich hier niet aan stoorden. Het tiende blad in successie werd verboden, maar dat was op één van de radicale kazernes, Ermelo, en twee redactieleden kregen zware straffen. BVD’ers en ANJV’ers namen het initiatief tot een Soldatencomité, en de VVDM werd toen gedwongen om deze verdediging ter hand te nemen. Het verspreidingsverbod-besluit werd ingetrokken, Nieuwersluis (de tuchtklasse althans) werd als straf opgeheven, en sinds deze periode heeft de VVDM altijd linkse besturen gehad (PvdA en linkser). Het principe dat de basis van de VVDM het voor het zeggen had is sindsdien niet meer ter discussie gesteld. In mei werd dit bevestigd toen een tegenstribbelend bestuur gedwongen werd zich achter een sitdownstaking op te stellen: ze moesten onvoorwaardelijk alles steunen, dat was de ‘dekkingsgedachte’.


5. De aanval van legerzijde betrof toen de VVDM als geheel. Ze was al maanden tevoren voorbereid, maar toen de VVDM een weiger-de-groet-actie organiseerde (die weinig voorbereid was), werd vervolging ingezet tegen het hoofdbestuur. Er volgden (najaar 1972) maanden waarin deze vervolging breed werd uitgemeten, waarin De Koster de betrekkingen met de VVDM verbrak, waarin redacties voor de krijgsraad gesleept werden, maar ook soldaten die affiches ophingen, waarin een rechtse belangenorganisatie, de AVNM, opgekrikt werd, waarin de VVDM niet, en de AVNM wel leden kon werven op opleidingskazernes, enz., enz. De verdediging naar binnen toe vond plaats via een comité dat artikelen schreef voor kazernebladen, dat snelle informatie verzorgde, enz. Hierin hadden BVD’ers een belangrijke rol. Door een manoeuvre slaagde het ANJV erin de verdediging naar buiten, waarvoor dit comité bedoeld was, in handen te nemen; het comité “Handen af van de VVDM”.

Het bleek dat de tegenstand op de kazernes groter was dan men dacht. Een aantal pogingen om de vrije haardracht feitelijk terug te draaien door haarnetjes voortdurend aan te laten houden, enz., werd door de soldaten zelf afgeslagen, op eigen initiatief werden groepen opgericht die zich voornamen niet naar de kapper te gaan.

Ook politiek bleek deze repressie over de hele linie niet acceptabel te zijn. Het kabinet was demissionair en de PvdA wilde zich natuurlijk niet van de soldaten distantiëren, terwijl de KVP zich ook tegenover De Koster begon op te stellen.

Deze grote confrontatie werd dus na enkele maanden beslist. De Koster maakte de weg vrij om de VVDM weer in het overleg op te nemen, wat door Vredeling natuurlijk onmiddellijk gedaan werd.

Maar niet alleen is de VVDM geaccepteerd. We kunnen zeggen dat voor zover de rol die de bourgeoisie het leger toebedeelt niet drastisch verandert, ook een aantal maatregelen blijvend zullen zijn. De sterke inkrimping van censuur (nu alleen door straffen van krijgsraden, in plaats van door verbodslijsten en verspreidingsverboden per kazerne), de afschaffing van de tuchtklasse en het streng arrest, de herziening van de krijgstucht, het recht op vereniging en vergadering (in Vredelings nota staat dat soldaten mogen vergaderen en zelfs demonstreren op de kazernes), een aantal maatregelen die de isolatie verminderen, zoals afschaffing van het parate weekend, van de verplichting om de eerste twee maanden niet buiten de kazerne te komen, om in uniform buiten de kazerne te moeten gaan, de vrije haardracht, en de vergroting van het aantal vrije dagen en van de wedde, de verkorting van de diensttijd.

3. Het revolutionaire antimilitarisme


1. In de soldatenstrijd van de laatste jaren heeft de BVD een belangrijke rol gespeeld. Vijf jaar geleden, in 1970, besloot ze definitief haar naam te veranderen van Bond voor Dienstweigeraars, in Bond Voor Dienstplichtigen. Eind 1970 waren er BVD’ers in het leger, al was hun aantal nog op de vingers van één hand te tellen. Men kan zeggen, dat de BVD de subjectieve factor in het soldatenverzet tot uitdrukking bracht. Wie in het leger ging, maar antimilitaristisch was ingesteld (bv. dienstweigeraars die hun bezwaren niet erkend zagen) kwamen terecht bij de BVD. De BVD heeft ook door haar propaganda voor ‘protestdienst’ en door bv. Het Rode Boekje voor Soldaten, mensen uit de ‘nieuwe voorhoede’ georiënteerd op het verzet in het leger. In Duitsland heeft geen enkele organisatie die rol gehad en besloot de massabeweging van dienstweigeraars de dienstweigering te propageren, iets wat niet alleen voor het soldatenverzet belangrijke consequenties had, maar ook voor de oriëntering van antimilitaristen in het algemeen.

Sinds 1972 beschikt de BVD over ongeveer tweehonderd leden (dus niet degenen die uitsluitend abonnee zijn op de Soldatenkrant), waarvan de helft binnen, de andere helft buiten het leger zit. Het totale aantal is mogelijk iets gezakt, en de onderlinge verhouding fluctueert door afzwaaien, enz. Afgezwaaide BVD’ers blijven naar schatting een jaar actief, maar er is een tamelijk grote groep die jarenlang nog actief blijft. Verder zijn er leden die nooit in dienst zijn geweest, maar als burgerafdeling werken. Zo’n afdeling is Nijmegen, maar dat betekent wel dat een aantal studenten, voor ze in dienst gaan al in BVD-kader gaan werken.

Concluderend kunnen we zeggen dat de BVD gezien moet worden als een resultaat van de jeugdradicalisatie van de zestiger jaren, dat ze in het leger de subjectief antimilitaristische krachten verenigt, terwijl ze een tamelijk hechte landelijke structuur heeft.


2. Vanaf het begin van het werk in het leger heeft er evenwel een contradictie gelegen tussen dit vormen van de subjectieve factor en het brede, spontane of niet-spontane, soldatenverzet. De beginfase van de BVD in het leger viel samen met een populariteit van allerlei ‘dien-het-volk-ideeën’. De paar soldaten die er waren richtten zich bijna automatisch op de VVDM. De jeugdradicalisatie had ervoor gezorgd dat op lager VVDM-niveau mensen waren die, op wat voor verwarde manier ook, actie wilden voeren tegen de discipline. Dat waren degenen die stoute stukjes over de NAVO e.d. in blaadjes schreven, maar die zeer gemakkelijk te winnen waren voor het BVD-standpunt de soldatenstrijd aan te pakken.

In par. II.3 is gesproken over de impasse in de VVDM, waarin een poging gedaan werd de BVD te royeren. Dat was in 1971, en numeriek was de BVD nog zeer zwak. De verdediging werd gevoerd door mensen die zeer zeker nog niet voor de BVD als organisatie kozen. Op dat moment was er ook nog geen sprake van een organisatie van de BVD als strijdorganisatie. De organisatiestructuur uit de dienstweigeringsperiode was nog grotendeels gehandhaafd, al waren de afdelingen en regio’s feitelijk overvleugeld door het administratieve centrum. Van daaruit ontstond een lijn die erop gericht was de BVD te laten functioneren als een tweede vakbond (al is het in die vorm nooit gesteld). Hierbij speelde invloed van de Bedrijfsgroep Amsterdam (BGA, een spontaneïstische organisatie) een rol.

De BVD-soldaten kwamen uitsluitend in VVDM-verband bij elkaar. Begin 1972 was een situatie ontstaan waarin de eerste ‘lichtingen’ BVD-soldaten begonnen af te zwaaien, waarin de VVDM weliswaar voorgoed voor links gewonnen was, maar de gebeurtenissen voor en tijdens de ‘afkoelingsperiode’ nog scherp in het geheugen lagen, en waarin nieuwe soldaten gewonnen werden voor een ‘nieuwe lijn’, los van de VVDM. Zo kwam het voor dat in ’t Harde een twintigtal BVD’ers bezig waren met verschillende vormen van elementaire strijd, maar buiten de VVDM stonden, omdat die te rechts zou zijn ... maar waarvan het bestuur maar uit een paar man bestond. Over de VVDM-kwestie ontstond een strijd die een jaar lang zeer scherp de BVD verdeelde. In juni 1972, tijdens het 4e congres dat de vorm kreeg van een discussieweekend, was de stemming overwegend tegen het werken in de VVDM. In de periode tot het 5e congres, in februari 1973, wijzigde zich die stemming. Gedeeltelijk ligt dit aan een aantal tactische zaken: het politieke comité (polkom), dat oorspronkelijk deze stemming van 1972 weerspiegelde, nam een ander standpunt in. Datzelfde geldt voor de belangrijkste afdeling, Amsterdam, wat tegelijk het algemeen secretariaat is. Hierdoor werd de georganiseerde tegenstand tegen het werken in de VVDM beperkt tot enkele (burger)afdelingen: Ede, Nijmegen en Breda. Tegelijk werd gewerkt aan het organiseren van de soldaten in maandelijkse vergaderingen, die de oude, feitelijk federatieve structuur, zou vervangen. In februari 1973 werd met een ruime meerderheid besloten dat iedere BVD’er actief lid moest zijn van de VVDM. Vanzelfsprekend met als reden dat de BVD zelf andere taken had dan het organiseren van soldaten op basis van belangenstrijd.


3. Het besluit om werken in de VVDM verplicht te stellen viel samen met een episode die in het vorige hoofdstuk beschreven is: het winnen van de ‘dekkingsgedachte’ en de confrontatie tussen VVDM en defensie. Dat betekende dat voor iedereen duidelijk werd dat de VVDM verdedigd moest worden (van de oude VVDM vroeg men zich het nut vaak af), maar ook dat het politieke aspect, de leidende rol van de BVD, beter reliëf kon krijgen. De BVD liet zien dat het mogelijk was om in de strijd zelf, in te brengen wat de functie van het leger was, waarom de repressie plaats vond, enz. Het waren BVD’ers die vooraan gingen in de strijd en in het afdwingen van democratie in de VVDM.

Dit laatste kende soms vreemde wegen. In 1972 de zgn. ‘dekkingsgedachte’ om het bestuur te dwingen afdelingen te steunen bij onwettige acties; in 1973 werd een aantal functies van het Hoofdbestuur overgenomen door een compensatiecommissie (de lkk). De voor de hand liggende manier om het overwicht in deze kwesties tot uitdrukking te brengen, namelijk door het vervangen van de leiding, werd niet gevolgd. Steeds had de BVD geweigerd haar leden toe te staan zich kandidaat te laten stellen. Ze konden op de kazernes beter werk doen. Op momenten dat het HB met haar portefeuilles dreigde stond de meerderheid van de ledenvergadering dan ook machteloos. Dat gebeurde in 1973 enkele malen in de compensatiestrijd. De strijd voor een compensatieregeling was eigenlijk een vervolg op de strijd tegen het parate weekend. Het was de BVD geweest die deze strijd had gecentraliseerd, die keer op keer had afgedwongen dat de VVDM die strijd voerde (en niet alleen door persstunts, zoals het afgeven van paaseieren aan jongens die wacht moesten lopen met Pasen), en die in die strijd steeds had aangegeven wat de functie van de isolatie van soldaten was voor de bourgeoisie. In februari 1974 demonstreerden 8.000 soldaten in Utrecht (dat is een kwart van alle dienstplichtigen) en de BVD-spreker werd veel enthousiaster ontvangen dan andere sprekers.

De BVD besloot toen om, tegenover de manoeuvres van het bestuur dat de strijd wilde afleiden en met zetels dreigde wanneer er compromissen door de soldaten werden afgewezen, zelf een BVD’er kandidaat te laten staan. Deze werd met grote meerderheid gekozen. Dit alles had belangrijke gevolgen voor de politieke opvoeding van BVD’ers. Er was een vrij directe koppeling tussen het voeren van strijd in VVDM-verband en de taken die een BVD’er had: vooraan gaan in die strijd, vakbondsdemocratie bevorderen. De afgelopen periode is er een groot aantal BVD’ers ontstaan dat de VVDM alleen maar kent in de rol van een radicale vakbond.


4. De basis hiervan kwam echter in deze tijd te vervallen. In par. II.5. is beschreven dat er een situatie ontstond waarin een groot aantal eisen is ingewilligd. De compensatiestrijd was de laatste strijd die gebaseerd was op eisen die voor iedere soldaat, iedere kazerne, golden.

Toen deze strijd wegebde door toezeggingen en concessies van Vredeling, ontstond een impasse in de soldatenbeweging. Ook de BVD slaagde er niet in om een oriëntatie te geven. Dit leidde ertoe dat in een aantal gevallen de verdediging van VVDM’ers (meestal tevens BVD’ers) die gestraft werden, niet plaatsvond. Wel op de betreffende kazernes (Ermelo, ’t Harde, Schaarsbergen, later Oirschot), maar verder nergens. Op andere kazernes hield men zich weer met andere dingen bezig. De contradictie binnen de BVD tussen het vormen van een subjectieve factor en het ‘dien het volk’ van vroeger, komt in een andere gedaante weer naar voren.

Het voortzetten van de tendens tot beperking tot belangenstrijd zou het einde van de BVD betekenen. Die tendens komt op diverse manieren tot uitdrukking. Naast het niet-verdedigen van de eigen leden tegen selectieve repressie is er ook de houding dat BVD-lidmaatschap eigenlijk niet belangrijk is, en een (lichte) tendens de activiteiten plaatselijk te bepalen samen met verval van de centrale organen.