Redactie

Editoriaal: Vele wegen leiden uit Moskou


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, april 1976, nr. 12 (nr. 4), jg. 3
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA



Het Amerikaanse trio FORD-KISSINGER-HAIG verklaart elke week dat ze geen communistische partijen willen in de West-Europese regeringen. De West-Europese communistische partijen staan inderdaad te trappelen van ongeduld om hun “verantwoordelijkheden” op te nemen; om de kapitalistische staten van de crisis en de ondergang te redden.

De Portugese CP heeft dat al geprobeerd. Voor de Portugese burgerij is de rol van Cunhals partij echter uitgespeeld. Onmiddellijk na 25 april 1974 was de PCP nuttig om de eerste opgang van de arbeidersstrijd af te remmen. Dat gaf de burgerij de tijd om haar eigen politieke partijen op te bouwen. Zo gauw dat gebeurd was, werden de communisten uit de regering gezet. Hetzelfde scenario als dat van direct na de Tweede Wereldoorlog werd herhaald: gedurende korte tijd hadden de communistische ministers toen ook gediend om de massabeweging, die uit het verzet was geboren te kanaliseren.

Over de grens wacht Santiago Carillo, secretaris-generaal van de Spaanse CP op zijn beurt: steeds grotere delen van de Spaanse burgerij willen de “dictatuur democratiseren”. Met hen wil de PCE de “democratische breuk” realiseren. De PCE gebruikt zijn massale arbeidersinplanting en zijn grote invloed in de illegale syndicale organisaties geheel om druk uit te oefenen op de zogenaamde “reformistische” vleugel van de burgerij (Fraga Irribarne, minister van binnenlandse zaken) om samen een parlementair regime in te stellen.

Voor enkele weken was Enrico Berlinguer, leider van de Italiaanse CP te gast op het congres van de Democratia Christiana, de belangrijkste Italiaanse burgerlijke partij die het politiek leven in dat land sinds de Tweede Wereldoorlog beheerst. Hij was erg opgetogen toen daar met een kleine meerderheid een nieuwe secretaris-generaal verkozen werd die zich uitspreekt voor de samenwerking met de PCI. Om dat “historisch compromis” – compromis tussen de DC en de PC – tot stand te brengen is de partij van Berlinguer tot alles bereid: niet zo lang geleden sprak de PCI zich bv. uit tegen abortus. Als je met de handlangers van de Paus wil samenwerken, moet er veel water in de roséwijn.

Zoals de Portugese zusterorganisatie zit de Franse communistische partij in een concurrentiestrijd met een invloedrijke sociaaldemocratische partij (zie het slot van het artikel van Michel Lequenne in dit nummer van De Internationale), waarmee tegelijkertijd samen een reformistisch regeringsalternatief wordt voorbereid.


Door zich steeds dieper in het staatsapparaat te nestelen en onder druk van deze concurrentiestrijd kent de PCF een uitgesproken proces van “sociaaldemocratisering”. Vlak voor het recente 22ste PCF-congres deelde George Marchais via de televisie aan zijn partijleden mee dat de formule van de “dictatuur van het proletariaat” uit de statuten van de partij zou geschrapt worden. Door deze evolutie dreigt de PCF natuurlijk tussen twee stoelen te belanden. Als het er op aankomt om te kiezen voor een sociaaldemocratische partij, blijken de Franse kiezers voor de “echte” van Mitterand te stemmen. Langs de andere kant beginnen heel wat voorhoede arbeiders (die elkaar sinds het 22ste PCF congres niet meer met een opgestoken vuist zullen groeten) zich niet meer in de PCF op hun plaats te voelen. Revolutionaire organisaties zoals de “Ligue Communiste Révolutionnaire” (Franse afdeling van de 4e Internationale) oefenen op hen meer en meer aantrekkingskracht uit.

Onder druk van de verschillende nationale situaties groeien die verschillende communistische partijen steeds verder uit elkaar, en wel op twee manieren:
- Om zich als “democratische” partijen op te stellen zijn ze verplicht steeds meer afstand te nemen van Moskou. De kritiek op de “fouten” en “vergissingen” van Moskou wordt steeds scherper. Dat wordt vooral duidelijk in de houding t.o.v. de Sovjetdissidenten.(Wat dit betreft maakt de CPR een uitzondering).
De opgang van de arbeidersstrijd in West-Europa oefent zo, via de West-Europese CP’s druk uit op de CP van de USSR. In zijn rapport voor het recente 25ste partijcongres had Brezjnev de mond vol over de democratie terwijl het Sovjetregime daarvan, ook na het congres, een karikatuur blijft.
- Anderzijds is het zo dat verschillende nationale situaties andere strategieën opdringen. De Portugese en Franse CP’s geconfronteerd met sterke socialistische partijen voeren een andere politiek dan de Spaanse en Italiaanse, die een onmiddellijke samenwerking met de burgerij voorstaan. Dat geeft aanleiding tot onderlinge conflicten (zo wil de PCF geen geld inzamelen voor het toekomstige dagblad van de PCE). Ondanks deze variëteit van situaties en politieke standpunten worden toch twee gemeenschappelijke evoluties duidelijk:
- de verwijdering tussen de West-Europese CP’s van Moskou.
- de steeds verdere integratie in het staatsapparaat.

Het is belangrijk te onderzoeken wat de gevolgen van deze evoluties zijn voor de klassenstrijd in West-Europa en vooral in onze eigen landen. In België hebben we te doen met een kleine en t.o.v. Moskou volgzame partij die zich in vergelijking met de hierboven geciteerde CP’s rechts opstelt. Dat blijkt nog maar eens uit de teksten ter voorbereiding van het CPB-congres dat op 9, 10 en 11 april 1976 doorgaat.
In Nederland hebben we te maken met een partij die zich onafhankelijk wenst op te stellen zowel t.o.v. Moskou als t.o.v. willekeurig welke andere, “buitenlandse” ontwikkeling of beweging.

Zij is door en door stalinistisch en is zeer vergevorderd in het proces van een nationale reformistische partij te worden.


Dit themanummer van De Internationale behandelt geenszins volledig de hierboven aangeduide problematiek. Naast een artikel van Michel Lequenne over de evolutie van de West-Europese CP’s zoals die door Trotski voorzien werd, behandelen we er drie meer speciaal: de Belgische, de Nederlandse en de Italiaanse. Deze laatste is ongetwijfeld het meest sprekende voorbeeld van de hierboven aangegeven tendensen in de evolutie van de West-Europese CP’s.

Het was ons bij plaatsgebrek – dit is al een dik nummer – geheel onmogelijk om in te gaan op de toestand van de CP’s in Oost-Europa. Hier beperken we ons tot een artikel van Ernest Mandel over de problematiek van de overgangsmaatschappij.