Verenigd Secretariaat van de 4e Internationale

Socialistische democratie en de dictatuur van het proletariaat


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, september 1977, nr. 17 jg. 4
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA


Verwant
De Russische vakverenigingen en drie jaren proletarische dictatuur
Sociaaldemocratie en parlementarisme
De dictatuur van het proletariaat

De volgende stellingen werden aangenomen door het Verenigde Secretariaat van de Vierde Internationale. Zij zijn voorgelegd ter discussie in de voorbereiding van het Elfde Wereldcongres van onze beweging, waar zij zullen worden bediscussieerd en aan een stemming onderworpen.


Vanwege het programmatische belang van het onderwerp waarmee zij zich bezighouden, dat een van de belangrijkste discussies betreft die thans in de internationale arbeidersbeweging plaatsvinden, besloot het Verenigd Secretariaat een openbare discussie rond deze stellingen te openen. Wij nemen dan ook op ons de bijdragen aan de discussie, kritieken, amendementen of tegenvoorstellen die wij ontvangen, van andere organisaties of tendensen in de arbeidersbeweging of van individuele schrijvers, te publiceren in Inprecor, vooropgesteld dat zij niet een redelijke lengte overschrijden en niet eenvoudige reproducties zijn van eerder ontvangen bijdragen.

We zullen trachten deze bijdragen aan de discussie te reproduceren in een of meer pamfletten waarvan we de verschijning regelmatig in onze andere publicaties zullen aankondigen.

De discussie die thans gaande is in de internationale arbeidersbeweging over van elkaar verschillende opvattingen over socialistische democratie is de meest diepgaande sedert de jaren die volgden op de Russische Revolutie van oktober 1917. De intensivering van de crisis van het Oost- en West-Europese stalinisme en maoïsme en de toenemende crisis van de burgerlijke politieke orde in West-Europa hebben dit debat uit het gebied van de min of meer academische polemiek naar het terrein van de praktische politiek gehaald. Een duidelijke stellingname in deze kwestie is vereist om de processen in de richting van de socialistische revolutie in het Westen en de politieke revolutie in de verbureaucratiseerde arbeidersstaten vooruit te brengen. Het is daarom voor de Vierde Internationale nodig dat zij haar programmatische standpunten kenbaar maakt.

1. Wat is de dictatuur van het proletariaat?


Het fundamentele verschil tussen reformisten en centristen van alle variëteiten aan de ene kant en revolutionaire marxisten, d.w.z. bolsjewieken-leninisten aan de andere, met betrekking tot de verovering van de staatsmacht, de noodzaak van een socialistische revolutie en de betekenis van de dictatuur van het proletariaat is niet gelegen in de verdediging van een meerpartijensysteem door de enen en van een éénpartijensysteem door de anderen. Evenmin is het gelegen in de verdediging van onbeperkte democratische vrijheden door de eersten en de strenge beperking, of zelfs onderdrukking van democratische vrijheden door de laatsten. Iedere poging om het verschil tussen reformisten en revolutionairen op deze wijze te bepalen misvormt de fundamentele lessen van de driekwart eeuw historische ervaringen met revoluties en contrarevoluties en vertegenwoordigt objectief een ernstige concessie aan het reformisme zelf.


De fundamentele verschillen tussen reformisten en revolutionaire marxisten ten aanzien van het sleutelvraagstuk van de staatsmacht bestaan uit:
a. De duidelijke erkenning door revolutionaire marxisten van het klassekarakter van alle staten en van het staatsapparaat als werktuig voor het handhaven van de klasseheerschappij;
b. De door de reformisten volgehouden illusie dat ‘democratie’ of ‘democratische staatsinstellingen’ boven de klassen en de klassenstrijd staan;
c. De duidelijke erkenning door revolutionaire marxisten dat het staatsapparaat en de staatsinstellingen, zelfs van de meest democratische burgerlijke staten, dienen tot het in stand houden van de macht en de heerschappij van de kapitalistische klasse en geen instrumenten zijn waarmee die heerschappij kan worden omver geworpen en de macht van de kapitalistische klasse aan de arbeidersklasse overgedragen;
d. De duidelijke erkenning door revolutionaire marxisten, voortvloeiende uit deze overwegingen, dat de verovering van de macht door de arbeidersklasse de vernietiging vereist van het burgerlijke staatsapparaat, in de eerste plaats van het onderdrukkingsapparaat van de bourgeoisie;
e. De noodzakelijke conclusie, door revolutionaire marxisten als consequentie getrokken: dat de arbeidersklasse alleen de staatsmacht kan uitoefenen binnen het kader van staatsinstellingen van een type dat verschilt van die van de burgerlijke staat, staatsinstellingen die voortkomen uit soevereine en democratisch gekozen en gecentraliseerde arbeidersraden (sovjets), met de fundamentele karaktertrekken door Lenin geschetst in Staat en Revolutie – de verkiezing van alle functionarissen, rechters, leiders van de arbeiders- en boerenmilities en alle afgevaardigden die de werkers in de staatsinstellingen vertegenwoordigen; beperking van hun inkomen tot dat van geschoolde arbeiders; het recht om hen te allen tijde terug te roepen; parallelle uitoefening van de wetgevende en uitvoerende macht door instellingen van het sovjettype; radicale vermindering van het aantal permanente functionarissen en een grotere overdracht van administratieve functies naar door werkers geleide lichamen. Met andere woorden, een kwalitatieve groei van een directe democratie in tegenstelling tot de indirecte, vertegenwoordigende democratie. Zoals Lenin zei is de arbeidersstaat de eerste in de menselijke geschiedenis die de heerschappij handhaaft van de meerderheid van de bevolking tegen uitbuitende en onderdrukkende minderheden.
In plaats van de speciale instellingen van een bevoorrechte minderheid (bevoorrecht ambtenarendom, de chefs van het staande leger), kan de meerderheid zelf al deze functies vervullen en hoe meer de functies van een staatsmacht worden uitgeoefend door het volk als geheel, hoe minder noodzaak er is voor het bestaan van deze macht.’ (Staat en Revolutie, Verzamelde Werken, (Engelse editie) deel 25, blz. 419-420). De dictatuur van het proletariaat is dus niets anders dan de arbeidersdemocratie. Het is in deze zin dat de dictatuur van het proletariaat bijna vanaf haar geboorte begint af te sterven.


Het begrip van de dictatuur van het proletariaat, dat al deze punten samenvat, is een fundamenteel onderdeel van de marxistische theorie van de staat, van de proletarische revolutie en van het proces in de richting van de opbouw van een klasseloze maatschappij. Het woord ‘dictatuur’ heeft in dit verband een concrete betekenis: het is een mechanisme voor het ontwapenen en onteigenen van de burgerlijke klasse en de uitoefening van de staatsmacht door de arbeidersklasse, een mechanisme ter voorkoming van ieder herstel van de privé-eigendom van de productiemiddelen en van iedere herinvoering van de uitbuiting van loontrekkers door kapitalisten. Het betekent echter op geen enkele manier een dictatoriale heerschappij over de brede meerderheid van het volk. Het oprichtingscongres van de Communistische Internationale stelde uitdrukkelijk vast dat ‘de proletarische dictatuur de gewelddadige onderdrukking is van het verzet van de uitbuiters, d.w.z. een onbetekende minderheid van de bevolking, de landeigenaren en de kapitalisten. Daaruit volgt dat de proletarische dictatuur onvermijdelijk tot gevolg moet hebben niet alleen een verandering in democratische vormen en instellingen in het algemeen gesproken, maar juist een verandering die een onvergelijkelijke uitbreiding van het democratische principe door hen die door het kapitalisme worden onderdrukt – de werkende klassen... dit alles houdt in en verschaft de werkende klassen, d.i. de brede meerderheid van de bevolking, grotere praktische mogelijkheden voor het genieten van democratische rechten en vrijheden dan er ooit tevoren zelfs bij benadering in de beste en meest democratische burgerlijke republieken bestonden.’ (Stellingen en Rapport over de burgerlijke democratie en de dictatuur van het proletariaat, Lenin, Verzamelde Werken (Engelse ed.), deel 28, blz. 464-465).


Tegen het nu openlijke programmatische revisionisme van vele communistische partijen en centristische formaties verdedigt de Vierde Internationale deze klassieke begrippen van Marx en Lenin. Een socialistische maatschappij is niet mogelijk zonder de collectieve eigendom van de productiemiddelen en het meerproduct, economische planning en beheer door de arbeidersklasse als geheel door middel van democratisch gecentraliseerde arbeidersraden, d.i. het planmatig zelfbeheer door de werkers. Zo een socialisatie is niet mogelijk tenzij de kapitalisten economisch en politiek worden onteigend en de staatsmacht in handen is van de arbeidersklasse.


In het bijzonder na de tragische Chileense ervaring, die zo vele vroegere lessen van de geschiedenis bevestigde, dient de kautskyaanse, reformistische opvatting die thans verdedigd wordt door de zogenoemde eurocommunistische partijen, de Japanse CP en verscheidene andere CP’s zowel als door centristische formaties, volgens welke de arbeidersbeweging haar doeleinden ten volle kan bereiken binnen het kader van burgerlijk-parlementaire instellingen en de geleidelijke verovering van ‘machtsposities’ binnen deze instellingen, te worden ontmaskerd als wat zij is: een dekmantel voor het opgeven van de strijd voor de onteigening van de bourgeoisie, voor het opgeven van een politiek van consequente verdediging van de klassebelangen der arbeidersklasse; een in de plaats stellen van een steeds systematischer klassencollaboratie met de bourgeoisie voor de politiek van consequente klassenstrijd – en, daaruit voortvloeiend, een toenemende neiging tot het capituleren voor de klassebelangen van de bourgeoisie op momenten van beslissende economische, politieke en sociale crisis. Verre van de kosten van ‘maatschappelijke omvorming’ te verminderen of van een vreedzame, zij het langzamer overgang naar het socialisme te verzekeren kan deze politiek, zo zij de politieke houding van de werkers in een periode van onvermijdelijke klasseconfrontatie op beslissende wijze zou bepalen, alleen maar leiden tot bloedige nederlagen en massaslachtingen van het Duitse, Spaanse en Chileense type.

2. Eén partij of een meerpartijensysteem?


De marxistische theorie van de staat brengt op geen enkele wijze de opvatting mee dat een éénpartijsysteem een noodzakelijke voorwaarde of kenmerk is van de arbeidersmacht, een arbeidersstaat of de dictatuur van het proletariaat. In geen enkel document van Marx, Engels, Lenin of Trotski en in geen enkel programmatisch document van de Derde Internationale onder Lenin kwam ooit zo’n verdediging van het éénpartijstelsel voor. De later ontwikkelde theorieën, zoals de grove stalinistische theorie dat de hele geschiedenis door maatschappelijke klassen altijd werden vertegenwoordigd door één enkele partij, zijn historisch onjuist en dienen slechts als verdediging voor het monopolie van de politieke macht die de Sovjetbureaucratie en haar ideologische erfgenamen in andere verbureaucratiseerde arbeidersstaten zich hebben toegeëigend, een monopolie dat gebaseerd is op de politieke onteigening van de arbeidersklasse. De geschiedenis – met inbegrip van de jongste gebeurtenissen in de Chinese Volksrepubliek – heeft integendeel de juistheid bevestigd van Trotski’s stellingname dat ‘klassen heterogeen zijn; zij worden verscheurd door innerlijke tegenstellingen en komen tot het oplossen van de gemeenschappelijke problemen niet anders dan door een inwendige strijd van tendensen, groepen en partijen... Een voorbeeld van één partij die overeenkomt met één klasse kan niet worden gevonden in het hele verloop van de politieke geschiedenis – vooropgesteld natuurlijk dat men de politie-schijn niet aanziet voor de werkelijkheid.’ (De Verraden Revolutie, p. 267). Dit ging op voor de bourgeoisie onder het feodalisme. Het gaat op voor de arbeidersklasse onder het kapitalisme. Het zal blijven opgaan voor de arbeidersklasse onder de dictatuur van het proletariaat en in het proces van de opbouw van het socialisme.

In die zin is de vrijheid van organisatie van verschillende groepen, tendensen en partijen zonder ideologische beperkingen een noodzakelijke voorwaarde voor de uitoefening van de politieke macht door de arbeidersklasse. Zonder zulk een vrijheid kunnen er geen echte, gekozen, democratische arbeidersraden zijn, noch de uitoefening van een werkelijke macht door zulke arbeidersraden. In maatschappelijke opzicht is het een noodzakelijke voorwaarde voor de arbeidersklasse collectief, als klasse om te komen tot een gemeenschappelijk of op zijn minst meerderheidsstandpunt ten aanzien van de talloze problemen van tactiek, strategie en zelfs theorie (program) die komen kijken bij de titanische taak van de opbouw van een klassenloze maatschappij onder leiding van de traditioneel onderdrukte, uitgebuite en onder de voet gelopen massa’s. Tenzij er vrijheid is om politieke groepen, tendensen en partijen te vormen kan er geen werkelijke socialistische democratie zijn.

Revolutionaire marxisten verwerpen de plaatsvervangende, paternalistische en ‘apparaat’-afwijking van het marxisme die de socialistische revolutie, de verovering van de staatsmacht onder de dictatuur van het proletariaat ziet als een taak van de revolutionaire partij die optreedt ‘namens’ de klasse of, in het gunstigste geval, ‘met steun van’ de klasse.


Indien de dictatuur van het proletariaat betekent wat de woorden zelf zeggen – en wat de theoretische traditie van zowel Marx als Lenin uitdrukkelijk inhoudt, d.w.z. de heerschappij van de arbeidersklasse als klasse (van de ‘geassocieerde producenten’); als de bevrijding van de werkers slechts het werk kan zijn van de werkers zelf en niet van een passief proletariaat dat tot bevrijding wordt opgevoed door goedwillende en verlichte revolutionaire beheerders, dan is het duidelijk dat de leidende rol van de revolutionaire partij, zowel bij de verovering van de macht, als bij de opbouw van een klassenloze maatschappij, slechts kan bestaan in het politiek leiden van de massa-activiteit van de klasse om de politieke hegemonie te veroveren in een klasse die in toenemende mate bezig is met zelfactiviteit, in het strijden binnen de klasse voor een meerderheidssteun voor haar voorstellen door middel van politieke en niet van administratieve of repressieve middelen. Onder de dictatuur van het proletariaat wordt de staatsmacht uitgeoefend door democratisch gekozen arbeidersraden. De revolutionaire partij strijdt voor een juiste lijn en voor de politieke leiding binnen deze arbeidersraden zonder zichzelf daarvoor in de plaats te stellen. Partij en staat – en nog meer partijapparaat en staatsapparaat – blijven strikt gescheiden en afzonderlijke grootheden. Bovendien behoort het doel te zijn het apparaat van de partij te verkleinen.

Maar werkelijk vertegenwoordigende, democratisch gekozen arbeidersraden kunnen slechts bestaan indien de massa’s het recht hebben een ieder die zij willen zonder enig onderscheid te kiezen en zonder beperkende voorwaarden wat betreft de ideologische of politieke opvattingen van de gekozen afgevaardigden. Evenzeer kunnen arbeidersraden alleen democratisch functioneren indien alle gekozen afgevaardigden het recht hebben om groepen, tendensen, partijen te vormen, toegang te hebben tot de massamedia, hun verschillende platforms aan de massa’s voor te leggen en die bediscussieerd te krijgen en door de ervaring beproefd. Iedere beperking van aaneensluiting in partijen beperkt de vrijheid van het proletariaat om de politieke macht uit te oefenen, d.w.z. beperkt de arbeidersdemocratie, hetgeen in tegenstelling zou zijn met zowel ons program als met de historische belangen van de arbeidersklasse.

Indien men zegt dat slechts partijen en organisaties die geen burgerlijk (of kleinburgerlijk?) program of ideologie hebben of niet zijn ‘betrokken bij antisocialistische of antisovjetpropaganda en/of agitatie’ gelegaliseerd kunnen worden, hoe wil men dan de scheidslijn bepalen? Zullen partijen met een meerderheid van leden uit de arbeidersklasse maar met een burgerlijke ideologie worden verboden? Hoe kan zo’n stellingname in overeenstemming worden gebracht met vrije verkiezingen voor arbeidersraden? Wat is de scheidslijn tussen ‘burgerlijk program’ en ‘reformistische ideologie’? Moeten reformistische partijen dan evenzeer verboden worden? Zal de sociaaldemocratie worden onderdrukt?

Het is onvermijdelijk dat op basis van historische tradities zulk een reformistische invloed gedurende een lange periode in de arbeidersklasse van vele landen aanwezig zal blijven. Die aanwezigheid zal niet verkort worden door administratieve onderdrukking; integendeel, zulk een onderdrukking zou de neiging hebben die te versterken. De beste manier om te vechten tegen reformistische illusies en ideeën is via de combinatie van ideologische strijd en het scheppen van materiële voorwaarden voor het verdwijnen van zulke illusies. Zo’n strijd zou veel aan doeltreffendheid verliezen onder omstandigheden van administratieve onderdrukking en gebrek aan vrije discussie en uitwisseling van denkbeelden.

Indien de revolutionaire partij agitatie voert voor de onderdrukking van sociaaldemocratische of andere reformistische formaties dan zal het duizend maal moeilijker zijn om de vrijheid te handhaven van tendensen en het toelaten van fracties in de eigen rijen want de politieke veelsoortigheid van de arbeidersklasse zou dan onvermijdelijk de neiging hebben zich te weerspiegelen binnen de enige partij.

Het werkelijke alternatief is dus niet: of vrijheid voor hen met een echt socialistisch program of vrijheid voor alle politieke partijen. De werkelijke keuze is: óf arbeidersdemocratie met het recht van de massa’s om te kiezen wie zij willen en vrijheid voor de gekozenen (inclusief mensen met burgerlijke of kleinburgerlijke ideologieën of programs), óf een beslissende beperking van de politieke rechten van de arbeidersklasse zelf, met alle consequenties die daaruit volgen. Systematische beperking van politieke partijen leidt tot systematische beperking van de arbeidersdemocratie en tendeert onvermijdelijk naar systematische beperking van de vrijheid binnen de revolutionaire voorhoedepartij zelf.

3. Wat vertegenwoordigen politieke partijen?


Revolutionaire marxisten verwerpen alle spontaneïstische illusies volgens welke het proletariaat in staat is de tactische en strategische problemen op te lossen die gesteld worden door de noodzaak van het kapitalisme en de burgerlijke staat omver te werpen en de staatsmacht te veroveren en het socialisme op te bouwen door spontane massa-acties, zonder een bewuste voorhoedepartij, gebaseerd op een revolutionair program dat door de geschiedenis beproefd is, met kaders die opgeleid zijn op basis van dat program en beproefd door een lange ervaring in de levende klassenstrijd.

Het argument van anarchistische oorsprong, ook overgenomen door ultralinkse ‘raden’ stromingen, volgens welke politieke partijen door hun karakter zelf ‘liberaal-burgerlijke’ formaties zijn, vreemd aan het proletariaat en geen plaats hebben in arbeidersraden omdat zij ertoe neigen zich de politieke macht van de arbeidersklasse toe te eigenen, is theoretisch onjuist en politiek schadelijk en gevaarlijk. Het is niet waar dat politieke groepen, tendensen en partijen slechts tot leven komen met de opkomst van de moderne bourgeoisie. In de fundamentele betekenis (niet de formele) zijn zij veel ouder. Zij kwamen tot stand bij de opkomst van regeringsvormen waarin relatief grote aantallen mensen (in tegenstelling tot kleine dorpsgemeenschapsof stamvergaderingen) tot op zekere hoogte deelnamen aan de uitoefening van de politieke macht (bv. in de democratieën van de oudheid).

Politieke partijen in die (en niet de formele) betekenis van het woord zijn historische verschijnselen waarvan de inhoud in de verschillende perioden duidelijk veranderde, zoals dat voorkwam in de grote burgerlijk-democratische revoluties van het verleden (in het bijzonder, maar niet alleen, in de grote Franse Revolutie). De proletarische revolutie zal een soortgelijk effect hebben. Er kan met vertrouwen voorspeld worden dat onder een echte arbeidersdemocratie de partijen een veel rijkere en bredere inhoud zullen krijgen en stukken massale ideologische strijd zullen leveren van een veel bredere omvang en met een veel grotere massadeelname dan wat er dan ook tot nu toe voorgekomen is onder de meest progressieve vormen van burgerlijke democratie.

In feite houdt, zodra politieke beslissingen uitgaan boven een klein aantal routine kwesties die behandeld en opgelost kunnen worden door een beperkte groep van mensen, iedere vorm van democratie de noodzaak in van gestructureerde en samenhangende keuzen ten aanzien van een groot aantal met elkaar verbonden vraagstukken, met andere woorden: een keus tussen alternatieve politieke lijnen en programs. Dat is wat partijen vertegenwoordigen. De afwezigheid van zulke gestructureerde alternatieven maakt, verre van het geven van een grote vrijheid van uitdrukking en keuze aan grote aantallen mensen, het regeren door middel van vergaderingen en arbeidersraden onmogelijk. Tienduizend mensen kunnen niet stemmen over 500 alternatieven. Indien de macht niet overgeven mag worden aan demagogen of geheime pressiegroepen en klieken, dan is er behoefte aan een vrije confrontatie tussen een beperkt aantal gestructureerde en samenhangende keuzen, d.w.z. politieke programs en partijen, zonder monopolies of verboden. Dat geeft arbeidersdemocratie betekenis en effect.


Bovendien, de anarchistische en ‘raden’-oppositie tegen de vorming van politieke partijen onder de dictatuur van het proletariaat in het proces van de opbouw van het socialisme óf: 1) vertegenwoordigt een wensdroom (d.w.z. de wens dat de massa van de werkers zal afzien van het vormen of ondersteunen van groepen, tendensen en partijen met verschillende politieke lijnen en programs), in welk geval het eenvoudig utopisch is, want dat zal niet gebeuren, óf 2) het houdt in een poging om alle strevingen te voorkomen en te onderdrukken van al die werkers die zich bezig wensen te houden met politieke actie op een pluralistische basis om dat ook te doen en in dat geval kan dat objectief alleen een proces bevorderen van bureaucratische machtsmonopolisering, d.w.z. precies het omgekeerde van wat de libertairen willen.

In vele centristische en ultralinkse groepen wordt een soortgelijk argument naar voren gebracht, volgens welk de ontzetting van het Sovjetproletariaat uit de directe uitoefening van de politieke macht geworteld was in de leninistische opvatting van de democratisch-centralistische organisatie zelf. Zij stellen dat de pogingen van de bolsjewieken om een partij op te bouwen om de arbeidersklasse in een revolutie te leiden, onvermijdelijk leidde tot een paternalistische, manipulatieve, bureaucratische verhouding tussen de partij en de werkende massa’s, die op haar beurt leidde tot een partijmonopolie over de uitoefening van de macht na de zegevierende socialistische revolutie.

Dit argument is onhistorisch en gebaseerd op een idealistische opvatting van de geschiedenis. Uit een marxistisch, d.w.z. historisch-materialistisch gezichtspunt waren de basisoorzaken van de politieke onteigening van het Sovjetproletariaat materieel en sociaaleconomisch, niet ideologisch of programmatisch. De algemene armoede en achterlijkheid van Rusland en de relatieve numerieke en culturele zwakte van het proletariaat maakten de uitoefening op lange termijn van de macht door het proletariaat onmogelijk indien de Russische Revolutie geïsoleerd bleef; dat was het algemene gevoelen niet alleen onder de bolsjewieken in 1917-18, maar onder alle tendensen die beweerden marxistisch te zijn. De catastrofale teruggang van de productiekrachten als gevolg van de eerste wereldoorlog, de burgeroorlog, de buitenlandse militaire interventie, de sabotage door pro-bourgeois technici enz. leidden tot schaarsteomstandigheden die de groei van bijzondere voorrechten bevorderde. Dezelfde factoren leidden tot een kwalitatieve verzwakking van het reeds kleine proletariaat. Bovendien stierven grote delen van de politieke voorhoede van de klasse, zij die het best gekwalificeerd waren om de macht uit te oefenen, in de burgeroorlog of zij verlieten de fabrieken om massaal te worden ingelijfd in het Rode Leger en het staatsapparaat.

Na het begin van de Nieuwe Economische Politiek begon er een zekere economische opgang maar massale werkloosheid en voortdurende teleurstelling, veroorzaakt door de terugtochten en nederlagen van de wereldrevolutie gaven voedsel aan een politieke passiviteit en een algemene teruggang van de politieke activiteit der massa’s, die zich uitstrekte tot de sovjets. De arbeidersklasse was op die manier niet in staat om de groei van een materieel bevoorrechte laag in te perken, die, om zijn heerschappij te handhaven, in toenemende mate de democratische rechten beperkte en de sovjets en de bolsjewistische partij zelf vernietigde (terwijl hij haar naam voor zijn eigen doeleinden gebruikte). Dit zijn de voornaamste oorzaken van de toe-eigening door een bureaucratie van de uitoefening van de directe macht en van de geleidelijke versmelting van het partijapparaat, het staatsapparaat en het apparaat van economische managers tot een bevoorrechte bureaucratische kaste.

Marxistische historici kunnen er over strijden of enkele van de concrete maatregelen, genomen door de bolsjewieken zelfs voor Lenins dood, het proces van stalinisatie objectief bevorderd kunnen hebben, of dat Lenin en Trotski pas laat de omvang begrepen van het gevaar van bureaucratisering en de mate waarin het partijapparaat reeds door het bureaucratiseringsproces was opgezogen. Maar dat kunnen hoogstens bijkomende factoren worden genoemd. De voornaamste oorzaken waren objectief, materieel, economisch en sociaal. Zij moeten gezocht werden in de sociale infrastructuur van de Sovjetmaatschappij, niet in de politieke bovenbouw en zeker niet in een bijzondere partijopvatting.

Aan de andere kant heeft de historische ervaring bevestigd dat waar een leidende of zelfs hoogst invloedrijke revolutionaire partij ontbreekt, de arbeidersraden korter en niet langer bestaan dan zij dat in Rusland deden: Duitsland in 1918 en Spanje in 1936-37 zijn de meest opvallende voorbeelden. Bovendien slagen deze raden er zonder zo’n partij niet in de staatsmacht te veroveren, d.w.z. de burgerlijke staat omver te werpen. Proefondervindelijke bewijzen bevestigen de marxistische theorie die laat zien dat het de vrije en democratische zelforganisatie van de massa’s is, dialectisch verbonden met de politieke opheldering, mogelijk gemaakt door een revolutionaire voorhoedepartij, die de beste mogelijkheden geeft voor de verovering en de voortdurende uitoefening van de macht door de arbeidersklasse zelf.

4. Arbeidersraden en de uitbreiding van de democratische rechten


Zonder volledige vrijheid voor het organiseren van politieke groepen, tendensen en partijen is er geen volle ontplooiing van de democratische rechten voor de werkende massa’s mogelijk onder de dictatuur van het proletariaat. Marx en Lenins hele kritiek op de beperkingen van de burgerlijke democratie is gebaseerd op het feit dat de privé-eigendom en de kapitalistische uitbuiting (d.w.z. de sociale en economische ongelijkheid), gevoegd bij de specifieke klassestructuur van de burgerlijke maatschappij (atomisering en vervreemding van de arbeidersklasse, wetgeving die de privé-eigendom verdedigt, de functie van het repressieve apparaat enz.) uitlopen op de gewelddadige beperking van de praktische toepassing van de democratische rechten en het praktisch genot van democratische vrijheden door de grote meerderheid van de werkende massa’s, zelfs in de meest democratische burgerlijke regimes. De logische conclusie die uit deze kritiek volgt is dat arbeidersdemocratie superieur moet zijn aan de burgerlijke democratie, niet alleen in de economische en sociale sfeer – niet alleen in het recht op werk, op bestaanszekerheid, op kosteloos onderwijs, op vrije tijd enz., hetgeen duidelijk zeer belangrijk is – maar ook ten aanzien van de omvang en uitgebreidheid van het genot van democratische rechten door de arbeiders en alle lagen van werkers in de politieke en sociale sfeer. Het toestaan aan een enkele partij, zogenaamde massaorganisaties of ‘beroepsverenigingen’ (zoals schrijversverenigingen) die uitsluitend worden gecontroleerd door die partij, van een monopolie van toegang tot de drukpersen, de radio, de televisie en andere massamedia, vergaderzalen enz. zou in feite de democratische rechten van het proletariaat beperken en niet uitbreiden in vergelijking met die welke genoten worden onder de burgerlijke democratie. Het recht van het werkende volk, inclusief degenen met afwijkende meningen, toegang te hebben tot de middelen tot het uitoefenen van democratische vrijheden (persvrijheid, vrijheid van vergadering, van demonstratie, het stakingsrecht enz.) is van wezenlijk belang.

De uitbreiding van de democratische rechten voor de werkers boven die welke reeds worden genoten onder de omstandigheden van de burgerlijke democratie is dan ook onverenigbaar met de beperking van het recht om politieke groepen, tendensen of partijen te vormen op programmatische of ideologische gronden.

Bovendien zal de zelfactiviteit en het zelfbeheer door de werkende massa’s onder de dictatuur van het proletariaat en bij de opbouw van een socialistische maatschappij vele nieuwe vormen aannemen en de opvattingen van ‘politieke activiteit’, ‘politieke partijen’ en ‘democratische rechten’ uitbreiden tot ver boven al hetgeen karakteristiek is voor het politieke leven onder de burgerlijke democratie. Door middel van media als televisie en ‘timesharing computers’ (met toegang via de telefoon) maakt de hedendaagse technologie een reusachtige sprong voorwaarts mogelijk in de wisselwerking tussen directe en indirecte (vertegenwoordigende) democratie. Arbeiders in een fabriek of in een woonwijk kunnen ‘live’ de toespraken volgen van hun afgevaardigden in de plaatselijke, regionale, nationale of internationale congressen en kunnen snel tussenbeide komen om foutieve vermeldingen van feiten of schendingen van mandaten te corrigeren, zodra er een algemene atmosfeer van vrije politieke kritiek en discussie heerst. Miljoenen werkers kunnen directe toegang hebben tot een enorme massa informatie, zodra de kapitalistische ‘geheimhouding’ en informatiemonopolie, gecentraliseerd in computersystemen wordt verboden of gebroken. Politieke instrumenten zoals referendums over specifieke vraagstukken zouden gebruikt kunnen worden om de massa der werkers in staat te stellen op directe wijze te beslissen over een hele reeks sleutelvraagstukken van de politiek.

Evenzo zouden instrumenten van directe democratie op grote schaal gebruikt kunnen worden op het terrein van planning, om werkelijke wensen van consumenten vast te stellen, niet door indirecte middelen (marktmechanismen) maar door middel van consumenten-producenten-conferenties en massavergaderingen van consumenten of referendums over de keuze van specifieke modellen, variëteiten en kwaliteiten van consumptiegoederen. Ook hier maken de hedendaagse technieken al deze mechanismen realistischer en meer toepasbaar voor miljoenen mensen dan in het verleden objectief mogelijk was.

De opbouw van een klassenloze socialistische maatschappij is ook een gigantisch proces van het in nieuwe vormen gieten van alle aspecten van het maatschappelijk leven. Het brengt een voortdurende revolutionaire verandering mee, niet alleen in de productieverhoudingen, de distributiewijze, het arbeidsproces, de beheersvormen van economie en maatschappij, de gebruiken, gewoonten en manieren van denken van de grote meerderheid van de bevolking, maar ook een fundamentele vernieuwing van de steden, de hereniging van hand- en hoofdarbeid, een volledige revolutie van het opvoedingssysteem, herstel en verdediging van het ecologisch evenwicht, technologische revoluties, gericht op het behouden van schaarse natuurlijke bronnen enz.


Al deze ondernemingen, waarvoor de mensheid geen blauwdrukken bezit, zullen aanleiding geven tot belangrijke ideologische en politieke discussies en strijd. Verschillende politieke programs die rond deze gecombineerde problemen naar voren komen zullen een veel grotere rol spelen dan nostalgische verwijzingen naar het burgerlijke verleden of abstracte bevestigingen van het communistische ideaal. Maar iedere beperking van deze discussies, strijd en vorming van partijen onder het voorwendsel dat dit of dat platform ‘objectief’ burgerlijke of kleinburgerlijke druk en belangen weerspiegelt en ‘logischerwijze tot het eind toe doorgevoerd’ zou leiden tot het ‘herstel van het kapitalisme’ kan alleen maar het ontstaan verhinderen van een algemene overeenstemming van de meerderheid rondom de meest doelmatige en juiste oplossingen voor deze brandende problemen uit het oogpunt van de opbouw van het socialisme, d.w.z., in de klassebelangen van het proletariaat zelf.

Meer in het bijzonder dient te worden gesteld dat er belangrijke stukken strijd zullen zijn tijdens het gehele proces van de opbouw van een klassenloze maatschappij, stukken strijd die maatschappelijke kwaden betreffen die geworteld zijn in de klassenmaatschappij en die niet onmiddellijk zullen verdwijnen met de verwijdering van de kapitalistische uitbuiting of loonarbeid. De onderdrukking van vrouwen, de onderdrukking van nationale minderheden en de onderdrukking en vervreemding van de jongeren zijn de grondtypen van zulke problemen, die niet automatisch kunnen worden ondergebracht onder het algemene hoofd ‘klassenstrijd van de arbeidersklasse tegen de bourgeoisie’, behalve door de categorieën ‘arbeidersklasse’ en ‘bourgeoisie’ los te maken van hun klassieke marxistische, materialistische definities en fundamenten, zoals gedaan wordt door maoïsten en verscheidene ultralinkse stromingen.


Politieke vrijheid onder een arbeidersdemocratie houdt daarom de vrijheid van organisatie en actie in voor onafhankelijke vrouwenbevrijdings-, nationale bevrijdings- en jongerenbewegingen, d.w.z. bewegingen die veel breder zijn dan de arbeidersklasse in de wetenschappelijke betekenis van het woord, om niet te spreken van de revolutionair-marxistische stroming binnen de arbeidersklasse. revolutionaire marxisten zullen in staat zijn de politieke leiding te veroveren binnen deze autonome bewegingen en de verschillende utopische of reactionaire ideologische stromingen te verslaan, niet door middel van administratieve of repressieve maatregelen maar door het bevorderen van de breedst mogelijke massademocratie binnen hun rijen en door het onvoorwaardelijk vasthouden aan het recht van alle tendensen om hun meningen en platforms te verdedigen voor de maatschappij als geheel.

Evenzeer dient erkend te worden dat de specifieke vorm van de arbeidersstaatsmacht een unieke dialectische combinatie inhoudt van centralisatie en decentralisatie. Het afsterven van de staat, dat op gang gebracht moet worden vanaf de instelling van de dictatuur van het proletariaat, drukt zich uit door middel van een proces van geleidelijke overdracht van het beheersrecht in brede sectoren van maatschappelijke activiteit (gezondheidszorg, opvoedingssysteem, post-, spoorweg- en telecommunicatiesystemen enz.), internationaal, nationaal, regionaal en plaatselijk zodra het centrale congres van arbeidersraden (d.w.z. het proletariaat als klasse) bij meerderheid van stemmen aan ieder van deze sectoren dat deel heeft toegewezen van de menselijke en materiële hulpbronnen die ter beschikking staan van de maatschappij als geheel. Ook dit houdt specifieke vormen en inhouden in van politieke discussies en strijd die niet van tevoren kunnen worden voorspeld of op de een of andere manier teruggebracht tot simplistische en mechanische ‘klassecriteria’.

Tenslotte kan, bij de opbouw van een klassenloze maatschappij, de deelname van miljoenen mensen, niet alleen op een min of meer passieve manier door middel van hun stemmen, maar ook bij het werkelijke beheer op verschillende niveaus niet worden teruggebracht tot een arbeideristische opvatting waarbij alleen arbeiders ‘in de productie’ in aanmerking worden genomen. Lenin zei dat in een arbeidersstaat de grote meerderheid van de bevolking op directe wijze zou deelnemen aan het beheer van ‘staatsfuncties’. Dit betekent dat de sovjets waarop de dictatuur van het proletariaat gebaseerd zal zijn niet fabrieksraden zullen zijn maar lichamen voor de zelforganisatie van de massa’s op alle gebieden van het economische en maatschappelijke leven, met inbegrip van fabrieken, handelseenheden, ziekenhuizen, transport- en telecommunicatiecentra en woonwijken. Dit is volstrekt noodzakelijk voor de opneming in het proletariaat van zijn meest verspreide en vaak armste en meest onderdrukte lagen, zoals vrouwen, onderdrukte nationaliteiten, jongeren, arbeiders in kleine bedrijven, gepensioneerden enz. Dat is ook volstrekt noodzakelijk voor het smeden van het verbond tussen de arbeidersklasse en de benedenlagen van de kleinburgerij, hetgeen belangrijk is voor het terugbrengen van de maatschappelijke kosten van zowel een zegevierende revolutie als van de opbouw van het socialisme.

5. Duidelijke standpuntbepaling nodig


De verdediging van een duidelijk en ondubbelzinnig program van arbeidersdemocratie is op dit moment een onmisbaar deel van de strijd tegen de reformistische leidingen die proberen burgerlijk-democratische mythes en illusies op te dringen aan de arbeidersklasse in de imperialistische landen. Het is evenzeer noodzakelijk in de strijd tegen prokapitalistische illusies en anti-sovjetvooroordelen onder de verschillende lagen van rebellen en oppositionelen in de verbureaucratiseerde arbeidersstaten in het proces van de zich ontplooiende strijd voor de politieke revolutie in deze landen.

De historische ervaringen van zowel het fascisme (en andere typen van reactionaire burgerlijke dictaturen) in het Westen en de Stalin-en Mao-regimes en hun opvolgers in het Oosten hebben in het proletariaat van zowel de imperialistische landen als van de verbureaucratiseerde arbeidersstaten een diep wantrouwen opgewekt tegen ieder vorm van éénpartijsysteem en tegen iedere rechtvaardiging, hoe geraffineerd ook, van het beperken van de democratische rechten na de omverwerping van het kapitalisme. Dit wantrouwen is in overeenstemming met de fundamentele koers van alle proletarische revoluties tot nu toe; de koers is altijd geweest in de richting van de breedst mogelijke democratische rechten en zelfactiviteit van de massa’s. Dit is het geval geweest, vanaf de Commune van Parijs via de Russische en Duitse revoluties en de ervaringen van de Spaanse revolutie van 1936-37 tot de meer recente opstanden van de arbeidersklasse in Frankrijk van 1968, Italië van 1969-70 en Portugal in 1974-75; het is evenzeer gebleken in de antibureaucratische opstanden in Oost-Duitsland, Hongarije, Polen en Tsjecho-Slowakije sinds de jaren 1950.

De heersende klasse gebruikt alle haar ten dienste staande ideologische middelen om de parlementaire instellingen gelijk te stellen met de handhaving van de democratische rechten. Zowel in West-Europa als in Noord-Amerika bv. proberen de kapitalistische heersers naar voren te komen als de kampioenen van de democratische verwachtingen van de arbeidersklasse en de plebejische massa’s, een verwachtingspatroon dat buitengewoon versterkt is door de negatieve ervaringen van fascisme en stalinisme.


Een van de sleutelonderdelen van de strijd om de leiding van de massa’s bestaat in het juist begrijpen van het belang van hun democratische eisen en acties, in het op de juiste wijze tot uitdrukking brengen daarvan en het op die manier tegengaan van de krachtige pogingen der reformisten om zich de strijd voor democratische eisen toe te eigenen en het in het doodlopende slop van de burgerlijk-parlementaire instellingen te voeren.

Het ontrukken van de leiding aan de reformisten als vertegenwoordigers van de democratische strevingen van de massa’s is zo gezien voor revolutionaire marxisten van doorslaggevend belang. Klaarblijkelijk zijn programmatische opheldering en propaganda – hoe belangrijk ze ook zijn – onvoldoende om dit doel te bereiken. De massa’s leren door hun praktische dagelijkse ervaring; vandaar het belang van het meemaken van deze ervaring, samen met hen, en van het trekken van de juiste lessen daaruit.

Naarmate de klassenstrijd scherper wordt zullen de reformistische leiders die de zogenaamde voordelen van het burgerlijk-parlementaire systeem van de daken schreeuwen, steeds minder overtuigend klinken en de arbeiders zullen in toenemende mate de autoriteit en de voorrechten van de heersende klasse op alle niveaus uitdagen. De arbeiders zullen zelf, door middel van hun eigen organisaties – van arbeiderscomités in de fabrieken tot arbeidersraden, sovjets) – beginnen zich steeds meer economische en politieke beslissingsmacht toe te eigenen en zij zullen meer vertrouwen krijgen in hun vermogen om de burgerlijke staat omver te werpen. In ditzelfde proces zullen de arbeiders, teneinde hun strijd op de meest doeltreffende wijze te kunnen voeren, de noodzaak zien van de meest democratische vormen van organisatie. Via deze ervaring in de strijd en deelname in hun eigen democratisch geleide organisaties zullen de massa’s meer vrijheid van actie verwerven en meer vrijheid in de breedste zin van het woord dan zij ooit onder de burgerlijk-parlementaire democratie hebben meegemaakt en zullen zij de onvervangbare waarde leren van het proletarische democratie. Dit is een onmisbare schakel in de keten van gebeurtenissen die leidt van de kapitalistische heerschappij naar de machtsverovering door het proletariaat. Het zal een vitale ervaring zijn die gebruikt zal worden bij het vaststellen van de democratische normen van de arbeidersstaat.

Indien de revolutionaire marxisten ook maar de minste indruk geven, hetzij door hun propaganda, hetzij door hun praktijk dat onder de dictatuur van het proletariaat de politieke vrijheden van de arbeidersklasse beperkter zullen zijn dan onder de burgerlijke democratie – inclusief de vrijheid om de regering te bekritiseren, oppositiepartijen te hebben en een oppositiepers – dan zal de strijd om de hoeders van parlementaire illusies te overwinnen onmetelijk veel moeilijker zijn, zo niet veroordeeld tot de nederlaag. Iedere aarzeling of dubbelzinnigheid op dit terrein van de revolutionaire voorhoede zal alleen maar de reformistische lakeien van de liberale bourgeoisie helpen het proletariaat te verdelen en een belangrijke sector van de klasse af te leiden naar de verdediging van burgerlijke staatsinstellingen onder het voorwendsel van het verzekeren van democratische rechten.


Er is beweerd dat al de bovengenoemde argumenten alleen van toepassing zijn voor de landen waarin de loontrekkende klasse reeds een duidelijke meerderheid van de actieve bevolking vertegenwoordigt, d.w.z. waar zij niet staat tegenover een grote meerderheid van kleine onafhankelijke producenten. Het is waar dat in sommige halfkoloniale landen de zwakheid van de oude heersende klasse leidde tot een gunstige sociale krachtsverhouding waarin de omverwerping van het kapitalisme tot stand gebracht werd zonder de opbloei van een arbeidersdemocratie (China en Vietnam zijn de twee belangrijkste voorbeelden). Maar het is nodig om het uitzonderlijke karakter van deze ervaringen te onderstrepen, die niet zullen worden herhaald in de meeste halfkoloniale landen en niet kunnen worden herhaald in de imperialistische landen. Het is voorts noodzakelijk er de nadruk op te leggen dat in zoverre de omverwerping van het kapitalisme in verscheidene achtergebleven landen niet samenging met het tot stand komen van directe arbeidersmacht door middel van democratisch gekozen raden van arbeiders en arme boeren, deze arbeidersstaten van het begin af aan veroordeeld waren te verbureaucratiseren. Als gevolg daarvan werden ernstige hindernissen opgericht voor het voortgaan op de weg naar de opbouw van een socialistische klassenloze maatschappij, zowel binnenlands als internationaal.

Evenzeer is, in zoverre een toenemend aantal halfkoloniale landen thans processen doormaken van gedeeltelijke industrialisatie, hun proletariaat vaak reeds van een veel groter gewicht in de actieve bevolking dan het Russische proletariaat in 1917 of het Chinese proletariaat in 1949 . Dit proletariaat zal, door zijn eigen strijdervaring, snel niveaus van bewustzijn en zelforganisatie bereiken die de organisatie van staatsorganen van het sovjettype op de agenda zullen plaatsen. In die betekenis is het program van de Vierde Internationale voor arbeidersradendemocratie als basis voor de dictatuur van het proletariaat een universeel program voor de wereldrevolutie, dat fundamenteel overeenkomt met het maatschappelijke karakter, de historische behoeften en de manier van denken van de arbeidersklasse zelf. Het is op geen enkele wijze een ‘luxe’, gereserveerd voor de arbeiders van de ‘rijkste landen’.

6. In antwoord op de stalinisten


Van degenen die voorstanders beweren te zijn van de dictatuur van het proletariaat brengen alleen de stalinisten een theoretisch en politiek samenhangend alternatief naar voren voor ons program voor socialistische democratie gebaseerd op arbeidersraden en een meerpartijensysteem binnen hetwelk de revolutionaire voorhoedepartij strijdt om de politieke leiding door de meerderheid van de werkers voor haar opvattingen te winnen. Het stalinistische alternatief is gebaseerd op de uitoefening van de staatsmacht onder de ‘dictatuur van het proletariaat’ door één enkele partij in naam van de arbeidersklasse. Dit alternatief is gebaseerd op de volgende (niet vaak duidelijk gestelde) overwegingen:
a. Dat de ‘leidende partij’ of zelfs haar ‘leidende kern’ een monopolie heeft over de wetenschappelijke kennis en dat haar onfeilbaarheid gegarandeerd is (waaruit de theologische en scholastische conclusie wordt getrokken dat men niet dezelfde rechten kan geven aan wie de waarheid verdedigt en aan wie onjuistheden propageert);
b. Dat de arbeidersklasse – en zelfs nog meer de werkende massa’s in het algemeen – te zeer politiek achtergebleven zijn, te zeer onder de invloed van burgerlijke en kleinburgerlijke ideologie, te zeer geneigd de voorkeur te geven aan onmiddellijke materiële voordelen tegenover historische maatschappelijke belangen voor enige directe uitoefening van de staatsmacht door democratisch gekozen arbeidersraden; echte arbeidersdemocratie zou het risico meebrengen van een toenemende reeks schadelijke, objectief contrarevolutionaire besluiten die de weg zouden openen voor het herstel van het kapitalisme of op zijn allerminst het proces van de opbouw van het socialisme ernstig schade doen en vertragen;
c. Dat daarom de dictatuur van het proletariaat alleen kan worden uitgeoefend door de ‘leidende partij van het proletariaat’, d.w.z. dat de dictatuur van het proletariaat de dictatuur van de partij is (die of een in wezen passieve arbeidersklasse vertegenwoordigt, of zich actief baseert op de klassenstrijd van de massa’s die niettemin onwaardig geacht worden om zelf de staatsmacht uit te oefenen);
d. Dat aangezien de partij en de partij alleen de belangen van de arbeidersklasse vertegenwoordigt, die als homogeen worden beschouwd in alle situaties en in alle opzichten, de ‘leidende partij’ zelf monolitisch moet zijn. Iedere oppositietendens weerspiegelt noodzakerlijkerwijs vreemde klassedruk en vreemde klassebelangen in de een of andere vorm. (De strijd tussen twee lijnen is de strijd tussen het proletariaat en de bourgeoisie binnen de partij, concluderen de maoïsten.) De logische uitkomst van deze opvattingen is de monolitische controle over alle sferen van het maatschappelijk leven door de enige partij. Over alle sectoren van de ‘burgermaatschappij’ moet een directe partijcontrole ingevoerd worden;
e. Een andere onderliggende vooronderstelling is die van de intensivering van de klassenstrijd in de periode van de opbouw van het socialisme (hoewel deze vooronderstelling niet noodzakelijk tot dezelfde conclusies hoeft te leiden indien zij niet gecombineerd wordt met de voorgaande). Uit die vooronderstelling wordt het toenemende gevaar afgeleid van een herstel van de macht van de bourgeoisie zelfs lang nadat de privé-eigendom van de productiemiddelen is afgeschaft en zonder verband met het ontwikkelingspeil van de productiekrachten. De dreiging van een bourgeoisie-restauratie wordt afgeschilderd als de mechanische uitkomst van de overwinning der burgerlijke ideologie op dit of dat maatschappelijk, politiek, cultureel of zelfs wetenschappelijk terrein. Gezien de buitengewone macht die daardoor wordt toegekend aan burgerlijke denkbeelden, is het gebruik van repressie tegen hen van wie gezegd wordt dat zij objectief die denkbeelden vertegenwoordigen een uitvloeisel van het argument.


Al deze vooronderstellingen zijn onwetenschappelijk uit een algemeen theoretisch gezichtspunt en zijn onhoudbaar in het licht van de werkelijke historische ervaring van de klassenstrijd gedurende en na de omverwerping van de kapitalistische heerschappij in de USSR en andere landen. Steeds weer zijn zij schadelijk gebleken voor de verdediging van de klassebelangen van het proletariaat en een hindernis voor een succesvolle strijd tegen de overblijfselen van de bourgeoisie en van de burgerlijke ideologie. Maar aangezien zij bijna algemeen door de CP’s in Stalins tijd aanvaarde dogma’s waren geworden en ongetwijfeld een innerlijke samenhang hebben – zijn zij sindsdien nooit uitdrukkelijk en grondig door enige CP bekritiseerd en verworpen. Deze opvattingen blijven nog steeds hangen, in ieder geval gedeeltelijk, in de ideologie van vele leiders en kaders van de CP’s en SP’s, d.w.z. van de bureaucratieën der arbeidersbeweging. Zij blijven een begripsmatige bron vormen voor het rechtvaardigen van verschillende vormen van inperking van de democratische rechten der werkende massa’s in de verbureaucratiseerde arbeidersstaten, en ook in die sectoren van de arbeidersbeweging in de kapitalistische landen die door de CP’s worden overheerst. Een duidelijke en consequente afwijzing van deze opvattingen is onontbeerlijk bij de verdediging van ons program van socialistische democratie.


Ten eerste: het denkbeeld van een homogene arbeidersklasse, uitsluitend vertegenwoordigd door één enkele partij wordt tegengesproken door iedere historische ervaring en door iedere marxistische en materialistische analyse van de concrete groei en ontwikkeling van het hedendaagse proletariaat, zowel onder het kapitalisme als na de omverwerping van het kapitalisme. Op zijn hoogst kan men de stelling verdedigen dat alleen de revolutionaire voorhoedepartij programmatisch de historische langetermijnbelangen van het proletariaat verdedigt. Maar zelfs in dat geval zou een dialectisch-materialistische benadering, gesteld tegenover een mechanisch-idealistische, daaraan onmiddellijk toevoegen dat slechts in zoverre die partij werkelijk de politieke leiding over de meerderheid van de arbeiders verovert men kan zeggen dat een samensmelting van onmiddellijke en lange termijn klassebelangen in de praktijk tot stand gebracht is, waarbij de mogelijkheden voor vergissingen veel verminderd zijn.

In werkelijkheid is er een duidelijke, objectief bepaalde gelaagdheid van de arbeidersklasse en van de ontwikkeling van het bewustzijn van de arbeidersklasse. Er is ook op zijn minst een spanning tussen de strijd voor onmiddellijke belangen en de historische doeleinden van de arbeidersbeweging (bijvoorbeeld de tegenstelling tussen onmiddellijke consumptie en investeringen op lange termijn). Juist deze tegenstellingen, die geworteld zijn in de erfenis van de ongelijke ontwikkeling der burgerlijke maatschappij behoren tot de voornaamste theoretische ondersteuningen van de noodzaak van een revolutionaire voorhoede, in tegenstelling tot een eenvoudige ‘allesomvattende’ vereniging van alle loontrekkers in één partij. Maar dit houdt weer in dat men niet kan ontkennen dat verschillende partijen, met verschillende koersbepalingen en verschillende wijzen van benadering van de klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid en de verhoudingen tussen onmiddellijke eisen en historische doeleinden binnen de arbeidersklasse naar voren kunnen komen en toch wezenlijk sectoren van de arbeidersklasse vertegenwoordigen (zij het zuiver sectoriële belangen, ideologische druk van vreemde klassekrachten enz.).


Ten tweede: een revolutionaire partij met een democratisch innerlijk leven heeft een ontzaglijke voorsprong op het terrein van de correcte analyse van sociaaleconomische en politieke ontwikkelingen en van een juiste uitwerking van tactische en strategische antwoorden op zulke ontwikkelingen, want zij kan zich baseren op het totaal van het wetenschappelijk socialisme, het marxisme dat alle voorgaande ervaringen van de klassenstrijd als geheel samenvat en veralgemeent. Dit programmatisch raamwerk voor haar dagelijkse politieke uitwerking maakt haar veel minder vatbaar dan enige andere tendens van de arbeidersbeweging, of enige ongeorganiseerde sector van de arbeidersklasse, voor het trekken van verkeerde conclusies, voortijdige veralgemeningen en eenzijdige en impressionistische reacties op onvoorziene ontwikkelingen, het doen van concessies aan ideologische en politieke druk van vreemde klassekrachten, het aangaan van niet-principiële politieke compromissen enz. Deze niet te ontkennen feiten, die steeds opnieuw zijn bevestigd door iedere omkeer in de gebeurtenissen in de meer dan driekwart eeuw sinds het bolsjewisme werd gegrondvest, zijn de machtigste argumenten ten gunste van een revolutionaire voorhoedepartij.

Maar zij garanderen niet dat fouten door die partij automatisch vermeden zullen worden. Er zijn geen onfeilbare partijen. Er zijn geen onfeilbare partijleidingen, partijmeerderheden, ‘leninistische centrale comités’ of individuele partijleiders. Het marxistische program is nooit een definitief afgemaakt program. Geen enkele nieuwe situatie kan in haar volle samenhang worden geanalyseerd aan de hand van historische precedenten.

De maatschappelijke werkelijkheid ondergaat voortdurend veranderingen. Nieuwe en onvoorziene ontwikkelingen vinden regelmatig plaats op historische keerpunten: het verschijnsel van het imperialisme na Engels dood werd niet door Marx en Engels geanalyseerd; de vertraging van de proletarische revolutie in de ontwikkelde imperialistische landen werd niet voorzien door de bolsjewieken; de bureaucratische ontaarding van de eerste arbeidersstaat was niet opgenomen in Lenins theorie van de dictatuur van het proletariaat; het ontstaan na de tweede wereldoorlog van vele arbeidersstaten (zij het met bureaucratische misvormingen) tengevolge van revolutionaire massastrijd die niet geleid werd door revolutionair-marxistische leidingen (Joegoslavië, China, Cuba, Vietnam) werd niet voorzien door Trotski enz. Er kunnen geen volledige, pasklare antwoorden op nieuwe verschijnselen gevonden worden in de werken der klassieken of in het bestaande program.

Bovendien zullen er nieuwe problemen rijzen in de loop van de opbouw van het socialisme, problemen waarvoor het revolutionair-marxistische program slechts een algemeen referentiekader levert maar geen automatische bron van antwoorden. De strijd voor de juiste antwoorden op zulke nieuwe problemen houdt een voortdurende wisselwerking in tussen de theoretisch-politieke analyse en discussies en de revolutionaire klassepraktijk, waarbij het laatste woord gesproken wordt door de praktische ervaring.

Onder zulke omstandigheden zal iedere beperking van de vrije politieke en theoretische discussie, die overloopt in een beperking van de vrije politieke massa-activiteit van het proletariaat, d.w.z., iedere beperking van de socialistische democratie, een obstakel vormen voor de revolutionaire partij zelf bij het bereiken van een juiste politiek. Het is daarom niet alleen theoretisch onjuist maar ook praktisch ondoeltreffend en schadelijk uit het oogpunt van een succesvolle voortgang op de weg van de opbouw van het socialisme.


Een van de ernstigste consequenties van een monolitisch éénpartijensysteem, van het ontbreken van een veelheid van politieke groepen, tendensen en partijen en van administratieve beperkingen die worden opgelegd aan een vrije politieke en ideologische discussie wordt gevormd door de belemmeringen die zo’n systeem opwerpt op de weg naar het snel verbeteren van fouten die door de regering van een arbeidersstaat worden gemaakt. Fouten, gemaakt door zo’n regering, evenals fouten gemaakt door de meerderheid van de arbeidersklasse, haar verschillende lagen en afzonderlijke politieke groeperingen, zijn over het algemeen onvermijdelijk in het proces van de opbouw van een klassenloze, socialistische maatschappij. Een snelle correctie van deze fouten is echter mogelijk in een klimaat van vrije politieke discussie, vrije toegang van oppositiegroeperingen tot de massamedia, brede politieke bewustheid en betrokkenheid van de massa’s bij het politieke leven en controle door de massa’s over de regering en de staatsactiviteit op alle niveaus.

Het ontbreken van al deze correctiemogelijkheden onder een systeem van een monolitisch éénpartijregering maakt het verbeteren van ernstige fouten des te moeilijker. Het dogma van partij-onfeilbaarheid als zodanig waarop het stalinistische systeem berust, zet een zware premie op het ontkennen van fouten in de partijpolitiek (het streven naar zelfrechtvaardiging en het zoeken van zondebokken) en op het proberen om zelfs impliciete correcties zo lang mogelijk uit te stellen. De objectieve kosten van zo’n systeem in termen van economische verliezen, d.w.z. objectief te vermijden opofferingen die aan de werkende massa’s worden opgelegd, van politieke nederlagen met betrekking tot klassevijanden en van politieke desoriëntatie en demoralisatie van het proletariaat zijn duizelingwekkend, zoals aangetoond wordt door de geschiedenis van de Sovjet-Unie sinds 1928. Om slechts één voorbeeld te geven: het hardnekkig vasthouden aan een foutieve agrarische politiek door Stalin en zijn beulen heeft verwoesting gezaaid in de voedselvoorziening van het Sovjetvolk voor meer dan één generatie; de negatieve gevolgen ervan zijn tot op de huidige dag nog niet uit de weg geruimd: bijna vijftig jaar later. Zulk een catastrofe zou onmogelijk zijn geweest indien er een vrije politieke discussie over tegenover elkaar staande politieke opvattingen in de USSR was geweest.


Ten derde: het denkbeeld dat het beperken van de democratische rechten van het proletariaat op de een of andere manier zou leiden tot de geleidelijke ‘opvoeding’ van een zogenaamd ‘achterlijke’ massa van werkers is schreeuwend absurd. Men kan alleen leren zwemmen door het water in te gaan. Er is geen manier waarop de massa’s kunnen leren om het peil van hun politieke bewustzijn te verhogen dan door zich bezig te houden met politieke activiteit en het leren van zulke activiteit. Er is geen manier waarop zij van fouten kunnen leren dan door het recht te hebben ze te begaan. Paternalistische vooroordelen omtrent de zogenaamde ‘achterlijkheid’ van de massa’s verbergen in het algemeen een conservatieve kleinburgerlijke angst voor massa-activiteit die niets te maken heeft met revolutionair-marxisme. Iedere beperking van politieke massa-activiteit onder het voorwendsel dat de massa’s teveel fouten zouden maken kan alleen maar leiden tot een toenemende politieke apathie onder de arbeiders, d.w.z. tot het paradoxalerwijze versterken van de situatie zelf die gezegd wordt het probleem te zijn.


Ten vierde: onder de omstandigheden van een volledige socialisatie van de productiemiddelen en het maatschappelijk meerproduct loopt ieder langdurig monopolie over de uitoefening van de politieke macht in de handen van een minderheid – zelfs als het een revolutionaire partij is die begint met revolutionair-proletarische beweegredenen – het grote gevaar van het stimuleren van objectieve tendensen in de richting van een bureaucratisering. Onder zulke sociaaleconomische omstandigheden beheerst degene die de staatsadministratie beheerst tevens het maatschappelijk meerproduct en de verdeling daarvan. Gegeven het feit dat bij het begin er nog economische ongelijkheden zullen bestaan, in het bijzonder in de economisch achtergebleven arbeidersstaten, kan dit een bron worden van corruptie en van de groei van materiële voorrechten en maatschappelijke differentiatie. Er is dan ook objectief behoefte aan dat een werkelijke controle over het nemen van beslissingen berust in de handen van het proletariaat als klasse, met onbeperkte mogelijkheden om diefstal, verspilling en onwettige toe-eigening en misbruik van hulpbronnen op alle niveaus, de hoogste incluis, aan de kaak te stellen. Zulke democratische massacontrole is volstrekt onmogelijk zonder dat oppositionele tendensen, groepen en partijen volledige vrijheid van actie, propaganda en agitatie en volledige toegang tot de massamedia hebben.


Evenzeer is het gedurende de overgangsperiode tussen kapitalisme en socialisme – en zelfs in de eerste fase van het communisme (socialisme) onvermijdelijk dat vormen van arbeidsdeling (in het bijzonder een scheiding tussen hoofd- en handarbeid) zullen blijven bestaan, evenals vormen van arbeidsorganisatie en arbeidsprocessen die geheel of gedeeltelijk van het kapitalisme geërfd zijn en die geen volledige ontwikkeling van alle scheppende talenten van de producent mogelijk maken. Deze kunnen niet worden geneutraliseerd door opvoeding, indoctrinatie, morele vermaningen of periodieke ‘massale kritiekcampagnes’ zoals de maoïsten beweren en nog minder door bedrieglijke kunstmiddelen als het werken van kaders als handarbeiders één dag in de week. Deze objectieve hindernissen op de weg naar het geleidelijk tot stand komen van waarlijk socialistische productieverhoudingen kunnen slechts belet worden machtige bronnen te worden van materiële voorrechten indien er een strikt onderscheid gemaakt wordt tussen de functionele en de maatschappelijke arbeidsdeling, d.w.z. indien de massa der producenten (in de eerste plaats zij die kans lopen het meest te worden uitgebuit, de handarbeiders) in zodanige omstandigheden geplaatst worden dat zij werkelijke politieke en maatschappelijke macht kunnen uitoefenen over ieder ‘functioneel’ bevoorrechte laag. De radicale verkorting van de arbeidsdag en de volledige sovjetdemocratie zijn de twee sleutelvoorwaarden voor het bereiken van dit doel.

De huidige omstandigheden die het probleem van het verdedigen en bevorderen van de proletarische democratie bijzonder moeilijk maken zouden natuurlijk kwalitatief anders worden indien (of wanneer) één van de volgende ontwikkelingen plaatsvindt: 1. Een socialistische revolutie in een of meer industrieel ontwikkelde kapitalistische landen. Zo’n revolutie zou zelf een enorme impuls geven aan de strijd voor democratische rechten over de hele wereld en zou onmiddellijk de mogelijkheid openen voor het verhogen van de productiviteit op een reusachtige schaal, die de schaarste wegneemt die de grondoorzaak is van het zich vasthechten van een parasitair bureaucratisme, zoals boven uiteengezet. 2. Een politieke revolutie in de bureaucratisch misvormde of ontaarde arbeidersstaten, in het bijzonder de Sovjet-Unie of de Chinese Volksrepubliek. Dit zou evenzeer een opgang betekenen van een proletarische democratie met ontzaggelijke uitwerkingen op internationale schaal, afgezien van het feit dat er een eind gemaakte wordt aan de bureaucratische kaste en zijn opvatting van de opbouw van het ‘socialisme in één land’.

Als gevolg van een politieke revolutie zou een gemeenschappelijke economische planning tussen alle arbeidersstaten mogelijk worden die een sprong voorwaarts in de productiviteit mogelijk maakt die bij zou dragen tot het verwijderen van de economische basis van een parasitisch bureaucratisme, ook voordat socialistische revoluties optreden in de industrieel ontwikkelde landen.

Tenslotte is het waar dat er geen automatische wisselwerking of gelijktijdigheid is tussen de afschaffing van de kapitalistische staat en privé-eigendom van de productiemiddelen, en het verdwijnen van voorrechten op het terrein van persoonlijk vermogen, culturele erfenis en ideologische invloed, om niet te spreken van het verdwijnen van alle elementen van warenproductie. Lang nadat de burgerlijke staat is omvergeworpen en de kapitalistische eigendom afgeschaft zullen resten van een kleine warenproductie en het voortbestaan van elementen van een geldeconomie een raamwerk blijven scheppen waarin een primitieve accumulatie van kapitaal weer tevoorschijn kan komen, in het bijzonder indien het ontwikkelingspeil van de productiekrachten nog onvoldoende is om het automatisch optreden en consolideren van echte socialistische productieverhoudingen te garanderen. Ook zal, lang nadat de bourgeoisie haar posities als heersende klasse politiek en economisch verloren heeft, de invloed van burgerlijke en kleinburgerlijke ideologieën, gebruiken, gewoonten; culturele waarden enz. in betrekkelijk brede sferen van het maatschappelijke leven en in brede lagen van de maatschappij aanwezig blijven.

Maar het is volledig onjuist om uit dit onmiskenbare feit (dat overigens een van de voornaamste redenen is waarom de staatsmacht van de arbeidersklasse onmisbaar is om te voorkomen dat deze ‘eilanden van burgerlijke invloed’ bases worden voor het herstel van het kapitalisme) de conclusie te trekken dat een administratieve onderdrukking van de burgerlijke ideologie een noodzakelijke voorwaarde is voor de opbouw van een socialistische maatschappij. Integendeel, de historische ervaring bevestigt de volstrekte ondoeltreffendheid van administratieve gevechten tegen reactionaire burgerlijke en kleinburgerlijke ideologieën; in feite versterken zulke methoden op de lange duur zelfs de greep van deze ideologieën en plaatsen zij de grote massa van het proletariaat ideologisch ontwapend tegenover hen, vanwege een gebrek aan ervaring met een echt politiek en ideologisch debat en het gebrek aan geloofwaardigheid van de officiële ‘staatsleerstukken’.

De enige doeltreffende manier om de invloed van deze ideologieën op de massa van de werkers weg te nemen is gelegen in:
a. het scheppen van objectieve voorwaarden waaronder deze ideologieën de materiële wortels van hun reproductie verliezen;
b. het aangaan van een genadeloze strijd tegen deze ideologieën op het terrein van de ideologie zelf, hetgeen echter alleen volledig succes kan opleveren onder omstandigheden van open discussie en open confrontatie, d.w.z. van vrijheid voor de verdedigers van reactionaire ideologieën om hun denkbeelden te verdedigen, van ideologisch-cultureel pluralisme.

Alleen degenen die geen vertrouwen hebben in de superioriteit van de marxistische en materialistische denkbeelden noch vertrouwen in het proletariaat en de werkende massa’s kunnen terugschrikken voor een open ideologische confrontatie met burgerlijke en kleinburgerlijke ideologieën onder de dictatuur van het proletariaat. Zodra die klasse wordt ontwapend en onteigend, zodra hun leden alleen in verhouding tot hun aantallen toegang kunnen hebben tot de massamedia, is er geen reden om een voortdurende, vrije en openhartige confrontatie tussen hun denkbeelden en de onze te vrezen. Deze confrontatie is het enige middel waardoor de arbeidersklasse zichzelf ideologisch kan scholen en zich met succes bevrijden van de invloed van burgerlijke en kleinburgerlijke denkbeelden.

Een aan het marxisme toegestane monopoliepositie (om niet te spreken van bijzondere versies of interpretaties van het marxisme) op de ideologisch-culturele terreinen door middel van administratieve en repressieve maatregelen door de staat kan alleen leiden tot het naar beneden halen van het marxisme zelf van een kritische wetenschap tot een vorm van staatsleerstuk of staatsgodsdienst met een voortdurende teruglopende aantrekkingskracht onder de werkende massa’s en in het bijzonder de jeugd. Dit is vandaag de dag duidelijk in de USSR waar de aan het ‘officiële marxisme’ toegekende monopoliepositie een werkelijke armoede aan scheppend marxistisch denken op alle gebieden maskeert. Het marxisme, dat de kritische gedachte bij uitstek is, kan alleen bloeien in een atmosfeer van volledige vrijheid van discussie en voortdurende confrontatie met andere denkrichtingen, d.w.z. in een atmosfeer van volledige ideologisch en cultureel pluralisme.

7. Zelfverdediging van de arbeidersstaat


Het is duidelijk dat iedere arbeidersstaat zich moet verdedigen tegen pogingen om openlijk zijn basiswetten omver te werpen en te schenden. In een arbeidersdemocratie zullen de grondwet en de strafwet de privétoe-eigening van de productiemiddelen of het privé doen verrichten van loonarbeid verbieden, net zoals de grondwet en de strafwetten onder de burgerlijke heerschappij individuele inbreuken op het privé-eigendomsrecht verbieden. Evenzo zullen, zolang we nog niet in een klassenloze maatschappij zijn, zolang de proletarische heerschappij voort bestaat en het herstel van het kapitalisme mogelijk blijft, de grondwet en de strafwet van de dictatuur van het proletariaat daden van gewapende opstand, pogingen om de macht van de arbeidersklasse door geweld omver te werpen, terroristische aanslagen op individuele vertegenwoordigers van de arbeidersmacht, sabotage, spionage in dienst van vreemde kapitalistische staten enz. verbieden en straffen. Maar alleen bewezen daden van die soort behoren strafbaar te zijn, niet algemene propaganda, impliciet of expliciet ten gunste van een herstel van het kapitalisme. Dit betekent dat vrijheid van politieke organisatie dient te worden toegestaan aan allen, pro-burgerlijke elementen incluis, die in de werkelijke praktijk de grondwet van de arbeidersstaat respecteren, d.w.z., niet bezig zijn met gewelddadige acties om de arbeidersmacht en de collectieve eigendom omver te werpen. De arbeiders hoeven niet als een dodelijk gevaar propaganda te vrezen die hen ‘aanzet’ tot het teruggeven van de fabrieken en banken aan privé-eigenaren. Er is weinig kans dat een meerderheid van hen ‘overtuigd’ zal worden door propaganda van dat soort. De arbeidersklasse in de imperialistische landen, de verbureaucratiseerde arbeidersstaten en een groeiend aantal halfkoloniale landen is sterk genoeg om niet opnieuw het begrip ‘meningsmisdaden’ in te voeren, noch in de strafwetten noch in de dagelijkse praktijk van de arbeidersstaat.


Dit is onze programmatische en principiële norm – onbelemmerde vrijheid voor alle personen, groepen, tendensen en partijen die in de praktijk de collectieve eigendom en de arbeidersconstitutie respecteren. Dit betekent niet dat deze normen volledig kunnen worden toegepast ongeacht de concrete omstandigheden. In het proces van vestiging en consolidatie van de dictatuur van het proletariaat, zijn burgeroorlog en internationale militaire interventie door de bourgeoisie ontketend en kunnen dat worden.

Onder omstandigheden van burgeroorlog of buitenlandse militaire interventie, d.w.z. pogingen van de vroegere heersende klassen om de arbeidersmacht met geweld omver te werpen, zijn de regels van de oorlog van toepassing en kunnen er wel degelijk beperkingen van de politieke activiteiten van de bourgeoisie geboden zijn. Geen enkele maatschappelijke klasse, geen enkele staat heeft ooit de volle rechten toegestaan aan degenen die actief betrokken waren in een gewelddadige oorlog om hen omver te werpen. De dictatuur van het proletariaat kan in dat opzicht niet anders handelen.

Wat echter belangrijk is, is nauwkeurig te onderscheiden tussen activiteiten die aanzetten tot geweld tegen de arbeidersmacht en politieke activiteiten, ideologische standpuntbepalingen of programmatische uitspraken die uitgelegd kunnen worden als het herstel van het kapitalisme te begunstigen. Tegen terreur verdedigt de proletarische staat zich door onderdrukking. Tegen reactionaire politiek en denkbeelden verdedigt hij zich door politieke en ideologische strijd. Dit is geen vraagstuk van ‘moraal’ of ‘zachtheid’. Het is in wezen een vraagstuk van praktische doeltreffendheid op lange termijn.

De rampzalige ervaring van het stalinisme dat systematisch misbruik maakte van lasterlijke beschuldigingen van ‘geheime verstandhouding met het imperialisme’, ‘spionage voor buitenlandse mogendheden’ of ‘antisovjet’ agitatie om iedere vorm van politieke kritiek, oppositie of non-conformisme te onderdrukken in de landen onder de heerschappij van een parasitaire bureaucratie en dat onder deze voorwendsels een barbaarse onderdrukking op massale schaal organiseerde, heeft een diep (en in wezen gezond) wantrouwen doen ontstaan tegen het misbruik van strafwettelijke, juridische of politie-instellingen voor doeleinden van politieke onderdrukking. Het is daarom noodzakelijk er de nadruk op te leggen dat het gebruik van een repressieve zelfverdediging door het proletariaat en zijn staat tegen pogingen om de arbeidersmacht omver te werpen strikt beperkt dient te blijven tot bewezen misdaden en daden, strikt gescheiden van het gebied van de ideologische, politieke en culturele activiteiten. Dit betekent bovendien dat de Vierde Internationale behoort op te komen voor de verdediging en de uitbreiding van de meest progressieve veroveringen van de burgerlijk-democratische revoluties op het terrein van strafwetten en rechtspraak en behoort te strijden voor hun opneming in de socialistische grondwetten en strafwetten. Dit houdt in rechten als:
a. De noodzaak van geschreven wetten en het afwijzen van het concept van wetsovertreding-achteraf. De bewijslast dient voor de aanklager te zijn; de onschuld wordt aangenomen tot het bewijs van schuld is geleverd;
b. Het volledige recht van alle personen om vrij de aard van hun verdediging te bepalen; volledige onschendbaarheid voor wettelijke verdedigers ten aanzien van iedere verklaring of wijze van verdediging, gebruikt in zulke processen;
c. De verwerping van collectieve verantwoordelijkheid van maatschappelijke groepen, families enz.;
d. Het strikte verbod van iedere vorm van marteling of het afdwingen van bekentenissen door middel van fysieke of psychologische druk;
e. Uitbreiding en veralgemenisering van openbare procesvoering door jury’s;
f. De democratische verkiezing van alle rechters. Het recht van de massa der werkers om gekozen rechters terug te roepen.

Nogmaals, de fundamentele garantie tegen alle misbruiken van staatsrepressie is gelegen in de meest volledige deelname van de werkende massa’s aan de politieke activiteit, de breedst mogelijke socialistische democratie en de afschaffing van ieder monopolie van toegang tot wapens voor bevoorrechte minderheden, d.w.z. de algemene bewapening van het proletariaat (arbeidersmilities).


Voorts, indien omstandigheden van burgeroorlog bepaalde beperkingen van de democratische rechten onvermijdelijk maken dan dienen de fundamentele aard en grenzen van zulke beperkingen duidelijk kenbaar te worden gemaakt. Het is noodzakelijk om duidelijk en openhartig voor de gehele arbeidersklasse uiteen te zetten dat al zulke beperkingen afwijkingen zijn van de programmatische norm die overeenkomt met de historische belangen van het proletariaat, dat het uitzonderingen zijn en geen regel. Dit betekent dat zij tot het uiterste dienen te worden beperkt, zowel in omvang als in tijd en zo snel mogelijk ingetrokken. Dit betekent dat de arbeiders in het bijzonder waakzaam dienen te worden gemaakt om te voorkomen dat zij geïnstitutionaliseerd worden en verheven tot het rijk van de principes.

Het is evenzeer nodig om de directe politieke en materiële verantwoordelijkheid van de bourgeoisie voor iedere beperking van de socialistische democratie onder oorlogsomstandigheden te onderstrepen. Dit betekent het duidelijk voor de maatschappij in haar totaliteit en voor de restanten van de vroegere heersende klassen zelf aangeven dat de manier waarop zij zullen worden behandeld alleen van henzelf afhangt, d.w.z. van hun praktische gedrag.

Het voort bestaan voor het gegeven ogenblik van machtige imperialistische staten en rijke burgerlijke klassen brengt een situatie mee van min of meer permanente potentiële klassenconfrontatie op wereldschaal en daardoor van min of meer permanente potentiële burgeroorlog. Maar de overduidelijke noodzaak voor de arbeidersstaten om zich te beschermen tegen de dreiging van een buitenlandse imperialistische interventie houdt in het geheel niet de gelijkstelling in van omstandigheden van potentiële burgeroorlog met die van een feitelijke burgeroorlog. Dit argument hebben de stalinisten van alle soorten voortdurend gebruikt om de verstikking te rechtvaardigen van de arbeidersdemocratie in de landen onder de heerschappij van een parasitaire bureaucratie. Bovendien versterkt de instelling van een heerschappij van één partij in een arbeidersstaat niet zijn vermogen tot zelfverdediging tegen imperialistische agressie. Het tegendeel is waar. Het bestaan van een systeem van socialistische democratie zou het veel moeilijker maken voor de imperialisten om een militaire agressie te ondernemen onder het voorwendsel van de ‘verdediging van de vrijheid’. Een hoog peil van politiek inzicht en overtuiging aan de kant van de werkende massa’s; een hoog peil van politieke activiteit, mobilisatie en waakzaamheid; een internationalistische scholing en activiteit van het proletariaat helpen allemaal bij het omvormen van een arbeidersstaat in een machtige aantrekkingspool voor de internationale arbeidersklasse. Natuurlijk moet iedere arbeidersstaat een modern militair- en inlichtingensysteem ontwikkelen ter verdediging tegen vijandige kapitalistische staten, maar de steun van de internationale arbeidersklasse is duizend maal doeltreffender voor de zelfverdediging dan een machtig geheime politie die voortdurend op zoek is naar ‘buitenlandse infiltranten’ en ‘spionnen’. Op de lange duur verzwakken politiemethoden in het algemeen het vermogen tot zelfverdediging van het zegevierende proletariaat tegen buitenlandse vijanden.


Tenslotte dient onderstreept te worden dat het voornaamste probleem op de huidige dag in de Sovjet-Unie, China en de Oost-Europese arbeidersstaten niet het gevaar is van een kapitalistisch herstel onder de omstandigheden van een oorlog of een burgeroorlog. Het voornaamste probleem waarvoor de arbeidersklasse in die landen zich geplaatst ziet is de dictatoriale controle over het economische, politieke en maatschappelijke leven door een bevoorrechte bureaucratische kaste. Onder deze omstandigheden is het des te belangrijker om de nadruk te leggen op de verdediging van de democratische rechten van allen tegenover de door de bureaucratie ingevoerde beperkingen.

8. Fundamenteel aspect van de socialistische revolutie


De balans van vijftig jaar bureaucratische macht, te beginnen met de opkomst van het Stalinregime in de Sovjet-Unie en van vijfentwintig jaar van crisis van het wereldstalinisme kan als volgt worden samengevat:
a. Ondanks alle specifieke verschillen tussen onderscheiden Europese en Aziatische arbeidersstaten en ondanks alle veranderingen die daar hebben plaatsgevonden blijven zij alle gekenmerkt door het ontbreken van een geïnstitutionaliseerde en gewaarborgde directe arbeidersmacht (d.i. democratisch gekozen arbeidersraden of raden van arbeiders en werkende boeren die de directe staatsmacht uitoefenen). Overal bestaan de facto éénpartijsystemen als uitdrukking van het volledige monopolie van de werkelijke macht in alle sferen van het maatschappelijk leven door de bevoorrechte bureaucratieën. Het ontbreken van het recht om tendensen te vormen binnen de enige partij, de negatie van een werkelijk democratisch centralisme in de leninistische betekenis van het woord, versterkt dat monopolie over de uitoefening van de staatsmacht. De parasitaire aard van de materieel bevoorrechte bureaucratieën brengt verder mee dat in wisselende gradaties ernstige bijkomende hindernissen worden geplaatst op de weg naar het bevorderen van de socialistische wereldrevolutie en de opbouw van een socialistische maatschappij; de overgang van kapitalisme naar socialisme wordt in het moeras geleid, de creativiteit gesmoord en ontzaglijke bedragen aan maatschappelijke rijkdom worden misbruikt en verspild;
b. Ondanks vele deelkritieken van het bestaande politieke en economische systeem in de USSR en de andere verbureaucratiseerde arbeidersstaten door verschillende ideologische stromingen die zich sinds de naoorlogse crisis van het stalinisme hebben ontwikkeld (titoïsme, maoïsme, castroïsme, ‘eurocommunisme’ en het linkse centrisme van het Italiaanse, Spaanse en West-Duitse type enz.) heeft geen van deze stromingen een fundamenteel alternatief naar voren gebracht voor het stalinistische model in de USSR. Tegenover die bureaucratische machtsstructuur biedt geen enkele daarvan een samenhangend alternatief van democratische directe macht van de arbeidersklasse. Geen werkelijk begrijpen van het probleem van het stalinisme is mogelijk zonder een marxistische analyse van de bureaucratie als specifiek maatschappelijk verschijnsel. Geen werkelijk alternatief voor de heerschappij door de bureaucratie is mogelijk zonder een directe arbeidersmacht te institutionaliseren door middel van democratisch gekozen arbeidersraden (raden van arbeiders en werkende boeren) met een meerpartijensysteem en volledige democratische rechten voor alle werkers binnen een systeem van planmatig en democratisch gecentraliseerd zelfbestuur van de economie door de geassocieerde producenten.

De zogenaamde eurocommunistische stroming, stelt, terwijl zij de nadruk legt op haar kritiek op de dogma’s en praktijken van de Sovjet- en Oost-Europese bureaucratieën en terwijl zij haar polemiek met het Kremlin verbreedt, op zijn beurt eerder een hervorming voor van de ergste uitwassen van de stalinistische heerschappij dan dat zij een revolutionaire verandering voorstelt. De ‘eurocommunistische’ partijen hebben niet hun navelstreng met de Sovjetbureaucratie doorgesneden en gaan voort ‘objectivistische’ rechtvaardigingen en verdedigingen aan te bieden voor de vroegere misdaden van de bureaucratie en vele aspecten van de huidige vormen van bureaucratische heerschappij. Bovendien beperkt in de imperialistische landen hun algemene politiek van klassecollaboratie en het in stand houden van de burgerlijke orde, zelfs tegenover grote uitbarstingen van massastrijd, noodzakerlijkerwijs hun beweringen dat zij de democratie binnen de arbeidersbeweging zullen respecteren, in het bijzonder binnen de door hen gecontroleerde massaorganisaties en binnen hun eigen partijen. In hun kritieken hebben zij systematisch de verschillen verdoezeld tussen burgerlijke en arbeidersdemocratie en, onder de uiterlijke schijn van bestrijding van het éénpartijensysteem in de USSR, Oost-Europa en China verdedigen zij in werkelijkheid de opvatting dat het enige alternatief voor de heerschappij van de bureaucratie door middel van één enkele partij de aanvaarding is van parlementaire instellingen gebouwd op het burgerlijke model plus de weigering het bestaan van de burgerlijke staat aan de orde te stellen. Op die manier voeren thans zij opnieuw in de arbeidersbeweging de algemene stellingen in van de klassieke sociaaldemocratie met betrekking tot de ‘vreedzame’ en ‘geleidelijke’ overgang naar het socialisme.


In het licht van deze mislukkingen komt het program van de Vierde Internationale ten aanzien van de dictatuur van het proletariaat: directe heerschappij van de arbeidersklasse door middel van gekozen arbeidersraden en een veelheid van sovjetpartijen naar voren als het enige samenhangende en serieuze alternatief voor hetzij herzieningen van het marxisme, naar voren gebracht door het sociaaldemocratische reformisme hetzij de stalinistische codificatie van de monopolieheerschappij door een zich de macht toe-eigenende bureaucratische kaste. Dit program, dat in zijn hoofdlijnen de continuïteit vertegenwoordigt van de traditie vanaf de geschriften van Marx en Engels over de Commune van Parijs, via Lenins Staat en Revolutie, via de documenten van de eerste congressen van de Communistische Internationale over de dictatuur van het proletariaat, is verder verrijkt in het licht van opeenvolgende analyses van proletarische revoluties en de bureaucratische ontaarding of misvorming van arbeidersstaten, eerst door Trotski in De Verraden Revolutie en later door de opeenvolgende internationale bijeenkomsten van de Vierde Internationale na de Tweede Wereldoorlog. Dit document vat het huidige denken van de revolutionaire marxisten over dit sleutelaspect van het program voor de socialistische revolutie samen.

[De pagina is hier beschadigd, m.a.w.: het is onduidelijk of dit hier het werkelijke einde is van de tekst]