Frank Slegers - Ron Blom - Rob Gerretsen

Uitgelezen


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, 1993, najaar, (nr. 47), jg. 37
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA


Televisie na 1992


De centrale vaststelling van dit boek is dat voor de televisie (of algemener de omroep) in de komende jaren “een fundamenteel omslagpunt aan de orde is, namelijk de fundamentele aantasting van de rol van de publieke omroep in bijna alle landen van Europa”. Dit is het gevolg van technologische ontwikkelingen (de combinatie satellietkabel heft de frequentieschaarste op), sociale en culturele veranderingen en de opkomst en groei van internationale multimediale conglomeraten. Het opengooien van de Europese binnenmarkt na 1992 duwt dit proces in een stroomversnelling. Verrassend is dat het niet de supranationale zenders zijn, die in deze evolutie bovendrijven (Super, Sky, Eurosport, etc.), maar wel nationale commerciële omroepen, die dan deel uitmaken van internationale netwerken. Deze ontwikkeling tekent niet alleen de televisie, maar kleurt af op de radio en de geschreven pers (in Vlaanderen te herkennen aan de VTM-speakerinnen die ook de krantenkiosken domineren). Het is dus belangrijk genoeg om er een grondige studie aan te wijden. Dat gebeurt in dit boek via elf bijdragen over de evolutie van de publieke omroep in België en Nederland, het Europees beleid en kijkgedrag.


L. Heinsman en J. Servaes; Televisie na 1992. Perspectieven voor de Vlaamse en Nederlandse omroep; Acco, 1991; Leuven/Amersfoort; 229 blz.

Over marxistische economie in Nederland 1883 – 1939


Het is bijzonder verheugend dat juist in deze tijd een jonge econoom een studie schrijft over een belangrijke – en helaas grotendeels vergeten – theoretische stroming in de geschiedenis van de Nederlandse arbeid(st)ersbeweging. In een zeer leesbaar, plastisch en humoristisch geschreven boek reconstrueert Frank Kalshoven de specifieke bijdragen van Nederlandse marxisten aan de economische discussie, met als hoogtepunt de periode van 1900 tot 1916. Hij bespreekt de discussie tussen marxisten en niet-marxisten (Treub bijvoorbeeld), die z’n zwaartepunt vond in het onafhankelijke socialistische tijdschrift De Nieuwe Tijd, dat in 1896 werd opgericht. In 1916 wordt de rol van theoretisch discussieorgaan overgenomen door de Socialistische Gids, opgericht door de SDAP. Kalshoven onderscheidt in zijn studie drie periodes: van 1883 (de dood van Karl Marx) tot 1900, de periode 1900 tot 1916 en de periode 1916 tot 1939. De belangrijkste naam in het marxistische kamp in de eerste periode is die van Frank van der Goes. De belangrijkste marxist in de tweede periode is J. Saks (pseudoniem van Pieter Wiedijk) en verder Pannekoek en Van Gelderen (Fedder). De klinkende naam in de derde periode is die van Sam de Wolff, al is het de vraag of we het dan nog over een marxist hebben.

De belangrijkste rol van Van der Goes is dat hij ondanks zijn theoretische zwaktes de weg baant voor de marxistische theoretici van de tweede periode en dat hij het absurde beeld van de Marx critici corrigeert. Kalshoven schrijft: “Tegenover critici, socialisten en niet-socialisten, die Das Kapital I lezen als een voorstel om in een toekomstige maatschappij ‘arbeidscertificaten’ als ruilmiddel te gebruiken, of het boek beschouwen als een veroordeling op ethische gronden van de kapitalistische orde, stelt Van der Goes terecht vast dat Das Kapital I een arbeidswaardetheorie bevat en dat de analyse van het kapitalisme en niet de veroordeling daarvan het hoofddoel van het boek is.”

Van der Goes’ leerling Saks kritiseert zijn leermeester en neemt na 1900 zijn rol over. In die tweede periode ontwikkelen de marxisten van De Nieuwe Tijd ook een eigen versie van het marxisme, dat Kalshoven het Nederlandse-Stijl-marxisme noemt.

Wat de economie betreft gaat het om de waardetheorie, een conjunctuurtheorie en om de structuurveranderingen van de kapitalistische economie (imperialisme, trusts, kartels).

In het interbellum wordt het allemaal een stuk minder interessant. “In plaats van marxistische economie ontstaat er ‘socialistische economie’ die het doel heeft om de reformistische politieke lijn van de SDAP te ondersteunen en die qua inhoud voortborduurt op de mainstream economie.” Van Gelderen verklaart de marxistische economie dood. De Wolff blijft zich wel als marxistisch econoom beschouwen, maar volgens Kalshoven zijn diens resultaten “feitelijk standaard-neoklassiek”.

Kalshoven geeft onevenredig veel aandacht aan de periode 1916 – 1939. Dat heeft te maken met zijn merkwaardige opvatting dat “marxisme is wat marxisten doen”. Uitgaande van die stelling schrijft hij: “versta ik onder marxistische geschriften publicaties van mensen die zich marxist noemen.” Dat leidt tot een merkwaardige beoordeling van het latere werk van De Wolff. Aan de ene kant wil hij niet beweren dat De Wolff geen marxist is. Aan de andere kant schrijft hij: “en tegelijkertijd moet ik concluderen dat De Wolffs stijl alleen op ondergeschikte punten afwijkt van de neoklassieke (...).”

Zoals bekend hield Marx er een andere opvatting op na over mensen die zich marxist noemden.

Helaas hebben marxisten ook in academische kringen in Nederland te maken met een zeer schraal discussieklimaat. Iedere serieuze aandacht voor het marxisme en iedere mogelijkheid tot een serieuze discussie over het marxisme en haar geschiedenis, moet daarom van harte worden toegejuicht. De eigen bijdragen van de Nederlandse marxisten aan het begin van deze eeuw verdienen het niet om in vergetelheid te geraken. Kalshoven heeft daarom met zijn boek goed werk verricht. Lezen dus!

Frank Kalshoven; Over marxistische economie in Nederland, 1883 – 1939; Thesis Publishers; ISB 90.5170.191.8.

Trotski als alternatief


Dit is de titel van een nieuw boek van Ernest Mandel. Veel van de inhoud is al eens in andere boeken gepubliceerd, zoals in ‘Trotski: zijn bijdrage tot het marxisme’. Echter, ‘Trotzki als Alternative’ is ook weer typisch een boek van na de omwenteling in 1989. Om te beginnen is het uitgegeven door Dietz Verlag, voormalig uitgever van de verzamelde epistels van Honecker. Maar nog belangrijker is dat het boek gepubliceerd wordt in een periode waarin velen zich de vraag stellen hoe het zover heeft kunnen komen dat na de val van de muur de geloofwaardigheid van het socialisme wereldwijd ter discussie werd gesteld. Het boek gaat in op de vraag of het stalinisme onvermijdelijk was. Begon het al fout te lopen tijdens de Oktoberrevolutie, is het inherent aan het leninisme, het marxisme...? Natuurlijk, zelfs met de beste politiek was het onmogelijk om in de geïsoleerde, achterlijke Sovjet-Unie een volwaardige klassenloze maatschappij op te bouwen. Maar zoals Mandel aantoont was het zeker wel mogelijk om de catastrofe van het stalinisme, het bureaucratische verval van de jonge arbeidersstaat, de massale repressie, de doodlopende steeg van de despotische commando-economie die de bevolking verstoken hield van de noodzakelijke consumptiegoederen, de groeiende maatschappelijke ongelijkheid, het klimaat van leugens en huichelarij, het verstikken van de politieke vrijheden ... te voorkomen. Er was wel degelijk een alternatief, niet zozeer in de persoon van Trotski als nieuwe goeroe (in het boek wordt ook verwezen naar het tijdens de burgeroorlog bovendrijven van substitutionalisme, het in de plaats stellen van de arbeidersklasse door de partij), maar meer in het programma dat hij met de Linkse en Verenigde Oppositie voorstond tegenover dat van het apparaat rond Stalin. Zij hadden al vroeg voor de gevaren gewaarschuwd en alternatieven geformuleerd voor de economie (geen gedwongen collectivisatie, een versnelde industrialisatie), voor het nationaliteitenvraagstuk, voor de strijd tegen het opkomende fascisme en voor het socialisme op wereldschaal. En als laatste, maar niet onbelangrijkste, voor de stalinistische bureaucratische dictatuur.

Het belang van de uitgave ligt ook hierin dat met het vrijkomen van verschillende archieven en met de rehabilitatie van verschillende oud-bolsjewieken, de meer liberale kringen in Rusland proberen te ‘bewijzen’ dat ‘Stalin op een energieke en brutale manier datgene gedaan heeft in de bedrijven, wat Trotski voorstelde’. Maar vooral in het hoofdstuk over alternatieve economische voorstellen van de Oppositie in de jaren ’20 en ’30 blijkt dat die nog steeds weinig van hun geldigheid verloren hebben. Verder wordt in het boek ook nog een aantal andere mythes ontmaskerd, zoals dat Trotski’s alternatief voor het ‘socialisme in één land’ het ‘exporteren van de revolutie’ was, dat hij de rol van de boeren zou onderschatten, etc.

E. Mandel; Trotzki als Alternative; Dietz Verlag, Berlin.

De hoop doen herleven


Het socialistisch project bevindt zich in een diepe crisis. Waarom is het zo ontgoochelend afgelopen? Hoe kan het herboren worden? Wat kan het leren van het feminisme, van het ecologisme, van de veranderingen die plaatsgrijpen in de arbeidersklasse? Dat zijn vragen die aangepakt worden in dit (zelf)kritisch, openhartig en optimistisch essay. “Wat nu beneden is moet boven komen, wat nu bijkomstig is moet prioritair worden, wat nu misprezen wordt moet gewaardeerd worden, wie nu uitgesloten is moet zijn of haar zeg krijgen.” Dat is de bevrijdende boodschap van het socialisme. De schrijvers willen die boodschap vandaag op een creatieve manier vernieuwen, rekening houdend met de evolutie van de wetenschappen en maatschappij.

In dit proces is de bewustwording doorslaggevend. Zoals Marx zei: “Sedert lang reeds droomt de mens van een betere wereld. Zich daarvan bewust worden volstaat om die betere wereld tot stand te brengen.”

Alain Tondeur en François Vercammen; De Hoop doen herleven. Een bevrijdend socialisme voor de 21ste eeuw; Uitgavenfonds Leon Lesoil, Brussel; 145 blz.

Schoppenvrouw


Na een jaar onderbreking is Schoppenvrouw terug. Het blad is al aan haar vijftiende jaargang toe, maar ei zo na had Vlaanderen geen feministisch blad meer. Dankzij een hard werkende ploeg en dankzij de brede positieve respons die een enquête kreeg, ging Schoppenvrouw op, 8 maart 1993, vrouwendag, na één jaar onderbreking weer van start. Het is nu een “feministisch” tijdschrift, maar het “socialistisch-feministisch” gedachtegoed blijft in de redactie stevig vertegenwoordigd.

Het tweede nummer van de nieuwe formule is ondertussen verschenen. Opvallend is de actieve journalistieke aanpak. Dat is ook nodig om de rol van de vrouwen in de samenleving naar voren te halen. Schoppenvrouw lukt daarin en is dus aanbevolen lectuur voor vrouwen en mannen.

In nummer 75 staan ondermeer “vrouwensuggesties voor Antwerpen 93” (Antwerpen draagt in 1993 de titel “culturele hoofdstad van Europa”) en een edito over acties voor “meer vrouwen in de politiek”, nu het twee vrouwelijke ministers zijn (Miet Smet en Leona Detiège) die zich keren tegen volwaardige jobs voor vrouwen. Schoppenvrouw verschijnt driemaandelijks.

Schoppenvrouw, Berchem