Marcel van der Linden

De moeilijke dialectiek


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, januari 1976, nr. 2/3, jg. 3
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
Creative Commons License 3.0.
Algemeen: u mag het werk kopiëren, verspreiden en doorgeven; remixen en/of afgeleide werken maken; mits naamsvermelding.
| Hoe te citeren?

Qr-MIA


Verwant
Dialectiek voor beginners
De dialectiek van het abstracte en het concrete in Het Kapitaal van Marx
Het ABC van de materialistische dialectiek


Op 26 november 1974 heeft Ger Harmsen in Groningen het ambt van gewoon hoogleraar in de dialectische wijsbegeerte aanvaard. Bij die gelegenheid hield hij een zeer uitvoerige inaugurele rede die onder de titel Natuur/Geschiedenis/Filosofie in boekvorm is uitgebracht. Deze publicatie is om meerdere redenen belangrijk. In de eerste plaats omdat Harmsen een poging doet de milieuproblematiek in het marxisme te integreren. En in de tweede plaats omdat Harmsen binnen een bepaalde sector van radicaliserende jongeren veel invloed bezit.

Harmsen tracht de verbindingen te onderzoeken, die er bestaan tussen de categorieën “natuur”, “geschiedenis” en “filosofie”. Daarbij beoogt hij meer “een stellingname te formuleren dan een filosofie systematisch te ontwikkelen” (p. 52). Naar mijn mening bevat de stellingname van Harmsen een aantal belangrijke en juiste elementen, die echter vaak nogal schematisch met elkaar verbonden zijn en daarom ook een onderdeel (kunnen) zijn van een onjuiste politieke waardering van de Nederlandse arbeidersbeweging. Ter verduidelijking van deze opvatting wil ik eerst de elementen van Harmsens stellingname aangeven, die m.i. een positieve bijdrage zijn tot de marxistische theorievorming.
a) De georganiseerde arbeidersbeweging (en ook de marxisten en Marx zelf) heeft nooit veel aandacht besteed aan de problematische verhouding tussen natuur en maatschappij, of actueler gezegd, de verhouding tussen natuur en industriële productie (p. 14);
b) Deze onterechte verwaarlozing van het natuurprobleem heeft drie oorzaken:
- de verstedelijking en industrialisering leidden ertoe dat de zichtbare buitenmenselijke natuur in het maatschappelijk leven naar de achtergrond gedrongen is;
- de marxisten stelden in navolging van de Verlichting de cultuur boven de natuur en zagen in het omgaan met de natuur slechts een proces van beheersing;
- de eeuwenlange onderdrukking en uitbuiting van de arbeidersklasse vergde alle aandacht van het socialistisch denken en handelen (pp. 14/15);
c) Terwijl de belangstelling voor de verhouding natuur-maatschappij slechts marginaal bleef in de arbeidersbeweging, waren het gedurende lange tijd (nauwkeuriger: sinds de opkomst van het industriële kapitalisme) alleen de reactionairen en romantische cultuurpessimisten die de roofbouw op de natuur onderkenden (pp. 15, 43/44);
d) de natuur en het denken over de natuur zijn historisch bemiddeld. De natuur als object van het denken ontstaat met de verstedelijking. “Pas nadat de verstedelijkte mens de natuur in die gedaante buiten zijn dagelijks leven gesloten heeft, verliest de natuur haar vanzelfsprekendheid en kan eerst dan bewust ervaren worden” (p. 11);
e) De natuur en de geschiedenis zijn historisch bemiddeld. De natuur is de grondslag van de geschiedenis, maar zij wordt tevens door de geschiedenis omgevormd (pp. 10, 21);f) De burgerlijke economische theorie is niet in staat de relatie natuur-maatschappij te begrijpen, want pas “het onderscheid tussen ruil- en gebruikswaarde geeft ons de begrippen in handen waarmee wij inzicht kunnen krijgen in de relatie tussen de natuur en het huidige maatschappelijke stelsel” (pp. 38/39);
g) “De vraag welk consumptiepeil voor de gehele wereldbevolking haalbaar is, als de mens zijn stofwisseling met de natuur op lange termijn rationeel regelt en de mogelijkheden van de techniek zo zinvol en volledig mogelijk benut, is ook voor marxisten belangrijk (p. 45).


Tot zover de m.i. correcte theoriefragmenten in Harmsens geschrift. Deze fragmenten zullen door de marxistische theoretici moeten worden ingevoegd in het revolutionaire perspectief. Hierin slaagt Harmsen door zijn gebrekkig inzicht in de dialectiek en door zijn schematisch denken niet. Dat wordt reeds duidelijk wanneer we de twee volgende vragen beantwoorden:
- in welke verhouding staan volgens Harmsen zijn theorievorming en de georganiseerde arbeidersbeweging?
- wat is volgens Harmsen het karakter van de georganiseerde arbeidersbeweging?

Meteen al valt op dat voor Harmsen de eenheid van revolutionaire theorie en praxis niet bestaat. Wanneer we aan het begin van Harmsens boekje lezen dat “het socialistische denken de arbeidersbeweging begeleidt” (p. 19) en er niet een eenheid mee is, kunnen we nog vermoeden dat er slechts van een ongelukkige formulering sprake is, maar wanneer we dan aan het slot (p. 51) lezen: “Het vermengen, of nog erger het ondergeschikt maken van wetenschap aan politiek is niet wat ik voorsta” en “Binnen het onderzoek gelden echter alleen wetenschappelijke normen” wordt duidelijk dat Harmsen hoogst ondialectisch theorie en beweging scheidt. Deze scheiding van theorie en beweging gaat gepaard met idealisme. Op p. 44 stelt Harmsen: “Het denken moet meer zijn dan een instrument om bepaalde buiten discussie blijvende doeleinden te verwezenlijken; het moet deze doeleinden zelf rationeel toetsen in relatie tot de mogelijkheden die in de maatschappelijke ontwikkeling zelf besloten liggen.” Blijkbaar wordt hier verondersteld dat het denken in staat is doeleinden te toetsen. Maar het denken kan uiteindelijk niets toetsen. Alleen de praxis, waar het denken deel van uitmaakt kan over de juistheid van een doelstelling doen beslissen. Harmsen idealisme, zijn mechanische scheiding van theorie en praxis, komt ook tot uiting in zijn opvatting dat “de bewuste ... maatschappelijke orde” gelijk is aan de “doel en middelen toetsende en doordenkende maatschappelijke orde” (p.45).

De scheiding van marxistische idee en revolutionaire handeling kan tot twee varianten leiden. Ofwel stelt men de socialistische idee abstract tegenover de niet-revolutionaire werkelijkheid, ofwel men past de idee aan, aan de niet-revolutionaire werkelijkheid. Harmsen gebruikt de tweede variant. Hij wil zichzelf en zijn theorievorming vrijwel kritiekloos invoegen in de huidige “georganiseerde arbeidersbeweging”. Hij is van mening dat de Nederlandse vakbeweging na 1960 (behalve de confessionele) zich “op klassestandpunt stelt” (p. 41) – wat dat dan ook wezen moge. Het probleem van de vakbondsbureaucratie is voor Harmsen niet structureel, maar toevallig van aard. We zien, zegt hij, sedert 1960 “de reconstructie van de vakbeweging als klasseorganisatie der arbeiders in geheel West-Europa. Zelfs is het zo, dat de vakbonden vooraan gaan in de klassenstrijd...” (p. 49). De huidige vakbonden en “traditionele socialistische massapartijen” zijn volgens Harmsen de instellingen die in tendens het kapitalisme “fundamenteel” zullen aantasten “met wisselend succes en intensiteit, met een variërende graad van bewustheid en vanuit een in lengte wisselend perspectief” (p. 48). De totstandkoming van zelfstandige strijdorganen van de arbeiders, buiten de vakbondsbureaucratieën om, en de noodzaak van revolutionaire, d.w.z. niet sociaaldemocratische of stalinistische massapartijen, zijn zaken die geheel buiten Harmsens perspectief vallen.

Daar Harmsen zich akkoord verklaart met de traditionele arbeidersbeweging, moet hij wel tot schematische opvattingen komen, waar het gaat om maatschappelijke verandering. Zo schrijft hij op p. 46: “De materialistische dialectiek erkent wel, dat in de subject-object-relatie binnen de gegeven maatschappelijke structuur, d.w.z. in de relatie tussen de mens en de door hem voortgebrachte wereld, het subject door het object beheerst wordt, maar tegelijkertijd ziet het de mogelijkheid voor het subject om het object weer onder controle te krijgen” (p.46). De geschiedenis is dus niet langer een geschiedenis van klassenstrijden, maar een stoeipartij waarbij (afwisselend) subject en object boven liggen.

Analoge mechanistische passages kunnen in het onderhavige boekje nog in allerlei andere verbanden worden aangetroffen. Ter illustratie: op p. 18 onderscheidt Harmsen in de natuurkennis een vergankelijk en een duurzaam element. Alsof niet de dialectiek ons o.m. ook de categorie “Aufhebung” (opheffing op hoger niveau) heeft gebracht, die duurzame kennis niet kent. – Op p. 23 stelt Harmsen: “Marx vat de geschiedenis op als een wetmatig, materieel proces.” Deze interpretatie is juist, wanneer we in navolging van Harmsen het begrip geschiedenis niet langer als een ontwikkelingsproces met het oercommunisme als startpunt zien, maar zeggen: “Van historie, niet slechts, als een opeenvolging van de gebeurtenissen, maar in de zin van een maatschappelijke ontwikkeling is pas sprake als de eenvoudige warenhuishouding en geldcirculatie uitgroeien tot een kapitalistisch handels- en productiesysteem” (pp. 33/34). Prekapitalistische ontwikkelingen kunnen dus alleen beschreven maar niet verklaard worden. Blijkbaar is op Harmsen van toepassing wat Marx over Proudhon zei: “Hij wil de synthese zijn, maar hij is een samengestelde vergissing.”


Over Ger Harmsen, Natuur/Geschiedenis/Filosofie; Sunschrift 89, Nijmegen 1974