Giovanni Arrighi

Inkomensongelijkheid in de wereld en
de toekomst van het socialisme[1]


Bron: De Internationale, Nederlandstalig theoretisch orgaan van de IVe Internationale, maart 1992, nr. 42
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Antiautoritaire stroming en de strijd in de Derde Wereld
Ontwikkelingshulp helpt niet
De opheffing van de schuld van de Derde Wereld

Na ruim dertig jaar van pogingen om het zuiden en oosten te ontwikkelen, is de kloof die gaapt tussen deze delen van de wereld en het geprivilegieerde westen en noorden groter dan ooit. Er is flink geïndustrialiseerd (en nog meer geürbaniseerd), met onberekenbare menselijke en ecologische kosten voor de betrokken personen. Maar het welvaartsniveau van het westen is niet of nauwelijks ‘bereikt’. Industrialisatie of, algemener, modernisering heeft dus niet opgeleverd wat het beloofde en dat falen ligt ten grondslag aan de ernstige problemen waarmee de meeste staten in het oosten en zuiden op dit moment geconfronteerd worden.

Deze serieuze problemen zijn niet lokaal en conjunctureel maar inherent aan het systeem en structureel. Het zijn storingen in het wereldsysteem waartoe zowel het westen en noorden als het oosten en het zuiden behoren. Voorspellingen en plannen voor de toekomst van het socialisme in het westen/noorden die de systeeminherente oorsprong en consequenties van deze problemen negeren, zijn op z’n minst irrelevant en in het ergste geval gevaarlijk misleidend.

Inkomensongelijkheid

Als we onze aandacht beperken tot de rijkste delen van de wereldeconomie, lijken enkele belangrijke claims van prokapitalistische ideologieën bevestigd te worden. Slechts eenmaal de afgelopen vijftig jaar was er sprake van een belangrijke toename van de inkomensongelijkheid (zie tabel 1), en die toename heeft door achterblijvers aan te sporen effectiever te concurreren krachten geactiveerd die de ongelijkheid in de loop der tijd weer reduceerden. Bovendien lijkt er binnen deze nauwe en stabiele ongelijkheidheidsmarge sprake geweest te zijn van een grote op- en neerwaartse mobiliteit.

Tabel 1. Vergelijking economische prestaties van het ‘westen’ (organische kern)


1938 1948 1960 1970 1980 1988
I. West-Europa 83.2
(57.0)
56.5
(51.2)
65.7
(48.9)
73.5
(47.7)
103.0
(45.7)
91.4
(44.1)
II. Noord-Amerika
121.6
(40.5)
149.3
(46.0)
137.0
(48.0)
127.4
(49.0)
98.6
(50.7)
109.7
(52.1)
III. Australië &
Nieuw-Zeeland
134.4
(2.4)
84.6
(2.8)
67.4
(3.1)
76.3
(3.3)
81.7
(3.6)
67.0
(3.8)
Gewogen gemidd.
(Totaal)
100.0
(100.0)
100.0
(100.0)
100.0
(100.0)
100.0
(100,0)
100.0
(100.0)
100.0
(100.0)

Noten:
1. De getallen zijn het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking voor elke regio, gedeeld door het bruto nationaal product per hoofd van de drie regio’s bij elkaar opgeteld. Tussen haakjes staat de bevolking in de regio als percentage van de totale bevolking in de drie regio’s.
2. West-Europa bestaat uit de Benelux en de Scandinavische landen, (West-)Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Noord-Amerika bestaat uit de VS en Canada.

De ontwikkeling van de inkomensongelijkheid onder de armere delen van de wereldeconomie (zie tabel 2) volgde de afgelopen vijftig jaar een patroon dat in belangrijke opzichten exact het tegendeel is van het patroon dat de inkomensongelijkheid volgde in de rijkere regio’s. Tussen 1938 en 1948, toen de inkomensongelijkheden tussen de rijke regio’s scherp toenamen, bleven die tussen de armste gebieden vermoedelijk gelijk of namen af. Van 1948 tot 1980, toen de inkomensongelijkheden tussen de rijke regio’s geleidelijk afnamen, groeiden die tussen de armere regio’s gestaag. En tussen 1980 en 1988, toen de inkomensongelijkheden tussen de rijke regio’s weer toenamen, namen die tussen de arme gebieden scherp af. Als gevolg van deze tegengestelde bewegingen was de trend de afgelopen vijftig jaar een afname van inkomensongelijkheden tussen de rijke regio’s en een toename daarvan tussen de armere delen van de wereld.

Het is en blijft problematisch om deze harde realiteit te legitimeren in de hoofden en harten van de volkeren die veroordeeld zijn te verblijven in de laagste regionen van de wereldhiërarchie van welvaart; volkeren die de grote meerderheid vormen van de menselijke soort. Op dit moment wordt de legitimatie van de ongekende ongelijkheden in inkomen zoals die in de loop van de jaren 1980 in de wereld tot stand zijn gekomen echter vergemakkelijkt, door de algemene waarneming van de mislukking van pogingen tot ontwikkeling, niet van het kapitalisme als wereldsysteem maar van haar tegenstanders in de eerste plaats het communisme en dat weerspiegelt zich in het socialisme.

Kijken we kort naar waar dit idee vandaan komt. Het economisch falen van het communisme is alleen een mislukking in verhouding tot de volledig onrealistische verwachtingen en beloftes van de communisten zelf; die dachten dat ze grote demografische massa’s konden verheffen tot het welvaartsniveau in het westen door ontkoppeling van hun systeem van de wereldomvattende kapitaalcircuits. Maar je kunt niet van een mislukking spreken als je de vergelijking maakt met wat bereikt is door regimes in regio’s met vergelijkbare inkomensniveaus die zich niet los gemaakt hebben van deze wereldomvattende kapitaalcircuits. Geslotenheid of openheid ten opzichte van de wereldomvattende kapitaalcircuits lijkt weinig uitgemaakt te hebben voor het kunnen tegenhouden, laat staan omkeren, van de algemene trend naar steeds ongelijkere verdeling van inkomens in de wereld. De USSR heeft het waarschijnlijk niet beter (en misschien zelfs wel slechter) gedaan dan Latijns-Amerika in de ‘race’ om de welvaartsniveaus uit het westen te bereiken. Maar de onderste sociale lagen van haar bevolking zijn er onvergelijkbaar veel meer op vooruit gegaan dan de onderste sociale lagen in Latijns-Amerika (inclusief Brazilië) voor wat betreft de verbetering van hun voedings-, gezondheids- en onderwijspeil. En die vooruitgang is zelfs nog groter voor de onderste sociale lagen in China in vergelijking met die in Zuid- of Zuidoost-Azië. Het wordt in deze tijden van crisis snel vergeten, maar deze politieke en sociale prestaties waren en zijn indrukwekkend. Ze werden echter overschaduwd en ondermijnd door het geloof van de heersende groepen in de communistische staten (met name in de USSR) dat ze bezig waren de welvaartsniveaus uit het westen te bereiken, terwijl ze daar in feite in toenemende mate bij achterbleven. De mogelijkheid om militair, diplomatiek, cultureel en wetenschappelijk met het westen te concurreren verminderde dramatisch door deze groeiende achterstand, terwijl de sociale krachten die door de meedogenloze modernisering tot ontwikkeling kwamen begonnen te twijfelen aan de bekwaamheid van de heersende elites om te leveren wat ze beloofd hadden. Uiteindelijk droeg zowel in het oosten als in het zuiden de structurele onmogelijkheid voor regio’s met lage en middeninkomens om ‘op te klimmen’ in de wereldwelvaartshiërarchie bij aan het ontstaan van politieke en ideologische crises. De grotere politieke en sociale successen van de regimes in het oosten maakten hun crisis simpelweg zichtbaarder en spectaculairder dan in het zuiden.

Tussen 1979 (de tweede ‘olieschok’) en 1982 (toen Mexico in gebreke bleef bij het betalen van haar schuld) keerde het getij in de wereld. De contrarevolutie van Reagan en Thatcher werd ingezet en de algemene crisis van ontwikkelingspogingen (in zuid en oost) werd bespoedigd. Terwijl, voor het zuiden en oosten de ‘party over’ was, brak voor de volkeren in het westen of tenminste de bovenste lagen een ‘belle epoque’ aan, die in veel opzichten herinnert aan de goede tijden voor de Europese bourgeoisie tachtig jaar eerder. De meest opvallende overeenkomst tussen de twee ‘belles epoques’ is de bijna complete afwezigheid bij degenen die er van profiteren van het besef dat de snelle en ongekende voorspoed die hen ten deel was gevallen niet is gebaseerd op het oplossen van de crisis van accumulatie die voorafging aan de mooie nieuwe tijden. Integendeel, de nieuw gevonden voorspoed rustte op een verschuiving van de crisis van het ene stel verhoudingen naar een andere. Het was slechts een kwestie van tijd voor de crisis weer zou ‘terugslaan’ in veel ernstiger vorm op degenen die dachten dat ze het nog nooit zo goed hadden gehad.

Kikkervisjes-filosofie

De ‘belle epoque’ aan het begin van deze eeuw eindigde in een ‘periode van chaos van het systeem (1914-48), gekarakteriseerd door oorlogen, revoluties en een zich verdiepende crisis van wereldomvattende processen van kapitaalsaccumulatie. Het is zeer wel mogelijk dat de ‘belle epoque’ aan het eind van de twintigste eeuw op het punt staat uit te lopen op een tijdperk van chaos van het systeem dat in sommige opzichten overeenkomt met (en in andere geheel en al verschilt van) de periode 1914-48. Als dat zo is zal de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa met terugwerkende kracht eerder als het einde dan als het begin van een tijdperk van voorspoed en zekerheid voor het westen worden gezien. Het feit dat de ineenstorting van het communisme onmiddellijk gevolg werd door de Iraaks-Koeweitse crisis en door de eerste serieuze recessie in de economie van de Verenigde Staten sinds 1982, suggereert dat dit het geval zou kunnen zijn.

Het heeft geen zin te speculeren over de vorm en volgorde van de gebeurtenissen die karakteristiek zullen zijn voor het tijdperk van chaos in het wereldsysteem dat voor ons ligt. Ze zijn in grote mate onvoorspelbaar en in elk geval irrelevant voor dit artikel. Desondanks zijn de wereldomvattende tendensen die de komende gebeurtenissen vorm zullen geven noch onvoorspelbaar noch irrelevant. Ik zal deze ontwikkelingen daarom in de rest van dit verhaal kort schetsen en aangeven wat de belangrijkste consequenties zijn voor de toekomst van het socialisme.

In geopolitieke termen was de belangrijkste factor die ten grondslag lag aan de systeemchaos van 1914-48 een dieper en wijder wordend intern westers conflict met de aansluiting van Japan als erelid over de territoriale verdeling van de wereld onder opkomende en neergaande machten (het zogenoemde ‘imperialisme’). De belangrijkste uitkomst was het naar voren komen van antisysteemkrachten die uiteindelijk leidden tot de stichting van het westen, oosten en zuiden als verschillende en relatief autonome geopolitieke eenheden. De belangrijkste factor die ten grondslag ligt aan de systeemchaos vóór ons is, daarentegen, een dieper en wijder wordend conflict binnen het desintegrerende oosten en het desintegrerende zuiden over steeds schaarser worden wereldeconomische middelen. En de belangrijkste uitkomst is vermoedelijk de vorming van structuren van een wereldregering in eerste instantie gestimuleerd door het westen hetgeen uiteindelijk zal leiden tot een min of meer volledig overstijgen van de al verkruimelende geopolitieke driedeling van de wereld in west, oost en zuid. Om kort te gaan: wat ‘gemaakt’ is tijdens de voorafgaande periode van systeemchaos zal waarschijnlijk tijdens de volgende weer ‘ongedaan’ worden gemaakt.

Dit patroon heeft de afgelopen tien jaar al de aandacht getrokken. Zo heeft de vijandschap tussen Irak en Koeweit, zelf weer geworteld in het eerdere veel serieuzere conflict tussen Irak en Iran, de VS en haar belangrijkste bondgenoten bewogen tot het weer tot leven brengen van sluimerende structuren van wereldbestuur met name de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als de enige manier om succesvol en gelegitimeerd met interventies intra-zuidelijke conflicten tot eigener bevrediging te kunnen oplossen. Bovendien was noch de escalatie van conflicten in het zuiden over de bestemming en het gebruik van olierevenuen noch het gebruik door de VS en haar bondgenoten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als instrument voor gewelddadige conflictoplossing mogelijk geweest zonder de voorafgaande gedeeltelijke desintegratie van het oosten onder druk van haar eigen interne conflicten.

Verwacht kan worden dat de sociale krachten die ten grondslag liggen aan dit patroon de komende tijd eerder sterker dan zwakker zullen worden. Want deze krachten zijn aan de ene kant uitdrukking van de onomkeerbare veranderingen die tussen 1950 en 1980 in de sociale structuur van de wereldeconomie zijn ontstaan, aan de andere kant van de toestand van absolute en relatieve beroving die deze veranderingen in de jaren tachtig veroorzaakt hebben in het zuiden en oosten. Zolang de processen van uitbuiting en uitsluiting die voortdurend de oligarchische welvaart van het westen en de absolute en relatieve beroving van het zuiden en oosten reproduceren in stand blijven, zijn conflicten in de regio’s met lagere en middeninkomens endemisch en zullen zich in toenemende mate onhandelbare problemen stellen voor de regulering van het wereldsysteem vanuit het westen. Aangezien op dit moment bij het westen de neiging dominant is om haar macht en overvloed ten koste van alles te handhaven in plaats van de bestaande welvaartshiërarchie te veranderen (laat staan revolutionair te veranderen), kunnen we vol vertrouwen voorspellen dat de komende tijd iedere door het westen gesteunde of opgelegde conflictoplossing slechts de inleiding zal zijn tot een latere verdere escalatie van conflicten.

Tabel 2. Vergelijking economische prestaties van het ‘zuiden’


1938 1948 1960 1970 1980 1988
I. Latijns-Amerika 19.5
(31.1)
14.4
(38.3)
16.7
(45.7)
15.5
(53.7)
19.8
(63.8)
10.6
(72.9)
II. Midden-Oosten en Noord-Afrika niet
beschikb.
niet
beschikb.
11.5
(19.6)
8.1
(22.5)
11.1
(27.5)
7.1
(32.0)
III. West- en Oost-Afrika niet
beschikb.
niet
beschikb.
3.6
(36.8)
3.4
(42.3)
4.7
(51.7)
1.6
(65.1)
Zuid- en Centraal-Afrika 25.2
(6.9)
18.3
(7.6)
10.5
(10.1)
11.3
(11.4)
niet
beschikb.
6.1
(16.1)
Zuid-Azië 8.2
(109.6)
7.5
(123.3)
3.6
(131.6)
2.8
(149.1)
2.0
(173.4)
1.8
(200.3)
Zuid-Oost-Azië niet
beschikb.
niet
beschikb.
6.6
(38.4)
3.8
(43.8)
5.7
(52.0)
3.7
(58.9)

Noten:
1.De getallen zijn het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking voor elke regio, gedeeld door het bruto nationaal product per hoofd van de ‘organische kern’ (zie tabel 1) maal 100. Tussen haakjes de bevolking als percentage van de bevolking van de ‘organische kern’.
2. Categorie 1 omvat Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Dominicaanse Republiek, Ecuador, El Salvador, Jamaica, Mexico, Paraguay, Peru, Venezuela. Categorie II omvat Algerije, Egypte, Libië, Soedan, Syrië en Turkije. Categorie III omvat Benin, Burundi, Kameroen, Tsjaad, Ethiopië. Ivoorkust, Kenia, Madagaskar, Malawi, Mali, Mauritanië, Mozambique, Niger, Nigeria, Rwanda, Senegal, Somalië, Tanzania, Opper-Volta. Categorie IV omvat Zuid-Afrika, Zaïre, Zambia en Zimbabwe. Categorie V omvat Bangladesh, India, Pakistan en Sri Lanka. Categorie VI omvat Indonesië, Maleisië, Filippijnen, Thailand en Singapore.

Verwacht kan worden dat de aanhoudende doch niet continue escalatie van conflicten in het zuiden en oosten op zijn beurt tegenstrijdige tendensen in het westen zelf voort zal brengen. Aan de ene kant worden de regeringen en volkeren in het westen ertoe bewogen steeds nauwere vormen van wederzijdse samenwerking te ontwikkelen, gericht op het beheren en beschermen van de wereldwijde handels- en accumulatienetwerken waarop hun oligarchische welvaart steunt. Aan de andere zal een toenemend aantal en groeiende mengeling van volkeren in het westen vinden dat wat hen betreft de kosten om de oligarchische welvaart te beschermen de baten die ze eraan ontlenen overtreffen. Terwijl verwacht kan worden dat de eerste tendens leidt tot een verdere versterking van bestaande structuren voor wereldheerschappij en tot de vorming van nieuwe, kan de tweede trend tot belangrijke conflicten leiden over de verdeling van de kosten waarmee de bescherming van de oligarchische welvaart gepaard gaat, of zelfs over de raadzaamheid oligarchische welvaart na te blijven streven als de kosten gelijk zijn aan de voordelen voor een groeiend aantal lagen in het westen of die zelfs overtreffen.

De combinatie van deze twee tendensen zal socialistische krachten voor een groot dilemma plaatsen. Gedurende de twintigste eeuw hebben deze krachten zich al dan niet bewust steeds meer geïdentificeerd met de een of andere variant van het ontwikkelingsdenken. Immanuel Wallerstein heeft uiteengezet dat deze identificatie een belangrijke afwijking betekent van de idealen van menselijke solidariteit en gelijkheid die de essentie van de socialistische overtuiging vormen. Want die ontwikkelingsideologie is louter de wereldomvattende versie van de kikkervisjes-filosofie van R.H. Tawney:[2]

“Het is mogelijk dat intelligente kikkervisjes zich verzoenen met hun ongemakkelijke positie door te bedenken dat, hoewel de meeste van hen zullen leven en sterven als kikkervisjes en niets anders, de meest fortuinlijke van de soort op een dag hun staart zullen laten vallen, terwijl hun mond en buik opzwellen. Zij springen rap op het vaste land en kwaken boodschappen naar hun vroegere vrienden, over hoe krachtige kikkervisjes met karakter en capaciteiten kunnen opklimmen tot kikker. Deze conceptie kan wellicht beschreven worden als de ‘kikkervisjes-filosofie’, aangezien de troost die het biedt voor het sociale kwaad bestaat uit de bewering dat uitzonderlijke individuen erin kunnen slagen eraan te ontsnappen... Wat een visie op het menselijk leven ligt in deze opstelling besloten! Alsof de mogelijkheden om talenten te ontwikkelen gelijk kunnen zijn onder omstandigheden die vanaf de geboorte ongelijk zijn! Alsof, als dat zou kunnen, het natuurlijk en een goede zaak is dat de situatie van de massa van de mensen permanent zo is dat ze de beschaving alleen kunnen bereiken door er aan te ontsnappen! Alsof buitengewone capaciteiten het beste gebruikt zouden kunnen om op de kant te klauteren, niet gehinderd door gedachten aan verdrinkende makkers.”[3]

Na het citeren van deze passage zegt Wallerstein dat “(voor) degenen die niet ‘op de kant willen klauteren’ het alternatief is te proberen het systeem te veranderen in plaats van er van te profiteren. Dat is wat mij betreft de bepalende hoofdeigenschap voor een socialistische beweging. De toetssteen voor de legitimiteit van zo’n beweging is de mate waarin haar activiteiten zoveel als maar mogelijk bijdragen aan de snelle transformatie van het huidige wereldsysteem, wat neerkomt op de uiteindelijke vervanging van de kapitalistische wereldeconomie door een socialistische wereldregering.”[4]

Toen Wallerstein het bovenstaande vijftien jaar geleden schreef klonk zijn advies om te werken in de richting van een socialistische wereldregering fantastisch of erger. Terwijl het hele idee van een wereldbestuur volstrekt onrealistisch leek, was het idee van een socialistische wereldregering volledig gediscrediteerd door de praktijken van verschillende socialistische Internationales, die ofwel gefaald hadden ofwel veranderd waren tot instrumenten voor de dominantie van de sterken over de zwakken. Bovendien leken de meeste varianten van ontwikkelingspolitiek (socialistische varianten incluis) in de jaren 1970 tenminste iets van wat ze beloofden waar te maken. Te werken in de richting van de vorming van een socialistische wereldregering leek daarom aan te raden noch mogelijk.

Vandaag lijkt het idee van een socialistische wereldregering minder fantastisch dan vijftien jaar geleden. De groep van zeven (G7) is zeer regelmatig bij elkaar gekomen en is steeds meer gaan lijken op een comité voor het behartigen van de gezamenlijke belangen van de wereldbourgeoisie. In de jaren 1980 zijn het IMF en de Wereldbank meer en meer gaan opereren als een wereldministerie van financiën. En ‘last but not least’ zijn de jaren 1990 ingeluid met het opkomen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als een wereldministerie van politie. Totaal ongepland beginnen de grote economische en politieke machten zelf stukje bij beetje de structuur voor een wereldregering tot stand te brengen, onder druk van de ontwikkelingen.

Voor de duidelijkheid: dit hele proces van vorming van een wereldregering wordt gesponsord en gecontroleerd door conservatieve krachten die zich bijna uitsluitend zorgen maken om de legitimatie en handhaving van de extreem ongelijke verdeling van welvaart in de wereld, zoals die naar voren komt uit de mislukking van ontwikkelingspogingen in zuid en oost in de jaren 1980. Het kan in feite nauwelijks toeval zijn dat het proces van vorming van een wereldregering versneld werd precies toen die pogingen tot ontwikkeling mislukten. Het meest waarschijnlijk is dat die versnelling niets anders is dan een pragmatisch antwoord op de politieke en ideologische leegte in het inter-staat systeem door het falen van ontwikkelingsinitiatieven. De vraag kan gesteld worden of een proces dat op gang is gekomen om de ongelijkheden in de wereld te legitimeren en in stand te houden omgevormd kan worden tot en middel ter simulering van meer gelijkheid en solidariteit in de wereld?

In een tijdperk van weelderige hebberigheid en van het mislukken van sociale projecten uit het verleden lijkt dat natuurlijk een hopeloos streven. Maar zet nog eens een stap van vijftien jaar dit maal in de toekomst. Zoals gezegd zullen de structurele problemen die ten grondslag liggen aan de huidige ontwikkelingen in de richting van de vorming van een wereldregering eerder ernstiger dan minder zijn geworden. Maar terwijl het proces in de richting van de vorming van een wereldregering dan verder gevorderd zal zijn dan nu, zullen de kosten van de systeem-inherente chaos ook veel groter zijn voor de volkeren in het westen. Met name beschermingskosten waartoe niet alleen investeringen in middelen tot uitoefening van geweld en gewapende troepen gerekend moeten worden, maar ook steekpenningen en andere betalingen aan cliënten en gunstig gezinde krachten in het desintegrerende oosten en zuiden, alsmede de dure en onherstelbare schade aan de menselijke psyche zullen opgelopen zijn tot het punt waar het najagen van oligarchische welvaart voor velen naar voren zal komen als iets wat het altijd al geweest is: een in hoge mate destructief streven dat de kosten voor de overvloed en veiligheid van een minderheid (niet meer en vermoedelijk zelfs minder dan één zesde van de menselijke soort) afwentelt op de meerderheid en op de toekomstige generaties van die minderheid zelf.

Op dat moment zal de boodschap die de westerse ‘kikkers’ naar de ‘kikkervisjes’ in het vroegere oosten en zuiden kwaken de ‘kikkers’ zelf, of in elk geval een groeiend deel van hen, anachronistisch in de oren klinken. Westerse socialisten staan dan voor het moment van de waarheid. Of ze slaan de handen ineen met oosterse en zuidelijke bondgenoten en komen met een intellectueel project en politiek programma dat in staat is de systeemchaos te veranderen in een rechtvaardigere en gelijkere wereldorde, of hun appel aan menselijke vooruitgang en sociale rechtvaardigheid zal alle nog overgebleven geloofsvaardigheid verliezen.

_______________
[1] Dit stuk is een samenvatting van een veel langer artikel van Giovanni Arrighi dat verscheen onder de titel World Income Inequalities and the Future of Socialism, in New Left Review nummer 189 (september/oktober 1991).
[2] Immanuel Wallerstein, The Capitalist World-Economy, New York 1979, p. 76.
[3] R H. Tawney, Equality, New York 1961, pp. 108-9.
[4] Wallerstein, p. 101.