Gerard Barendregt

Indonesië en het Staatssocialisme


Bron: De Internationale, orgaan van de Nederlandse sectie van de IVe Internationale, juli 1965, jg. 8.
Deze versie: spelling
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Indonesië – stagnatie en strijd
Indonesia en Nederland reiken elkaar de broederhand
Voor de nationale onafhankelijkheid van Indonesia – Ons antwoord aan Mussert

Tijdens de strijd tegen het Nederlandse imperialisme in West-Irian [is West-Papoea – MIA] werden in 1957 de Nederlandse ondernemingen genationaliseerd. In de strijd tegen het Engels imperialisme in Maleisië werden eerst de Engelse ondernemingen genaast; en nu – achter Engeland staat immers het Amerikaanse imperialisme – zijn dan de Amerikaanse ondernemingen overgenomen. In de laatste week van april viel het decreet van Soekarno waarbij ook nog de laatste buitenlandse bedrijven onder controle van de staat werden gesteld: 26 Belgische, 12 Franse, 5 Zwitserse, 2 Italiaanse, 1 Indiase, 1 Deense en 2 communistische Chinese, volgens de NRC (26-4-65). De laatste beslissende klap vormde de overneming van de oliebedrijven – SHELL, CALTEX en STANVAC – die tezamen 89 percent van de olieproductie voor hun rekening namen en de grootste bron van deviezen vormden.

De Indonesische regering heeft de buitenlandse bezitters en de Amerikaanse regering wel enigszins gerust proberen te stellen door de mededeling dat er aan het eigendomsrecht geen afbreuk zou worden gedaan. Het buitenlands kapitaal blijft welkom als het zich aan de controle van de Indonesische regering onderwerpt door samenwerking op basis van “production sharing”, d.w.z. zich tevreden te stellen met een aandeel in de productie van de bedrijven waarin dat buitenlandse kapitaal zou gaan deelnemen.

En vanuit de zwaarste socialistische maatstaven ontbreekt er nog wel het een en ander aan de nieuwe productieverhoudingen. De grotere particuliere Indonesische en een aantal Chinese ondernemingen zijn niet aangetast. Er is geen spoor van arbeiderscontrole der bedrijven; om van arbeidersbeheer nog maar te zwijgen. Het leger beheerst een groot deel der economie; leger en bureaucratie eigenen zich alle voordelen toe, de massa’s zijn er nog niet op vooruit gegaan. Er is geen behoorlijke planning. Soekarno gaf zelf toe dat het 8-jarenplan mislukt was, en dat was nog maar een puur-burgerlijke vorm van planning. Van de landhervorming is ook niet veel terecht gekomen; door de middenboeren en “grootgrondbezitters” (die naar Latijns-Amerikaanse maatstaven overigens niet zo erg groot zijn) wordt deze voortdurend gesaboteerd. Algemeen genomen is het bijzonder slecht gesteld met de Indonesische economie: duizelingwekkende inflatie; onbetaalbare prijzen voor de meest elementaire gebruiksgoederen en voedingsmiddelen, steeds minder gecompenseerd door distributie van goedkope rijst en textiel; een toename van de productie die ver achter blijft bij de zeer snel groeiende bevolking; geen industrialisatie op enigszins grote schaal; geen vooruitgang in de productiviteit van de landbouw; totaal ontoereikend transportwezen, enz. enz. Waarbij nog de ongehoorde corruptie komt die mede het gevolg is van de onmogelijkheid om zelfs van de hogere lonen en salarissen rond te komen. Maar hoe dan ook, we moeten nu het feit constateren dat Indonesië geen kapitalistisch land meer is en eigenlijk ook geen neokoloniaal kapitalistische land meer genoemd mag worden. Het socialistisch noemen gaat echter weer te ver. Doch wat is het dan wel?

We kunnen in deze moeilijke kwestie pas tot enige klaarheid komen als we de Indonesische ontwikkeling vergelijken met die in een aantal andere landen der “Derde Wereld” die zich geleidelijk aan van het kapitalisme verwijderen, maar nog geen Cubaans niveau hebben bereikt.

Van deze landen is Algerije het verst. En dat in het bijzonder door het arbeiders en boerenbeheer der gesocialiseerde sector der economie. Deze revolutionaire verovering wordt sterk aangevochten door de bureaucratie, maar heeft zich weten te handhaven door de strijdbaarheid van de georganiseerde arbeiders en boeren. Het neemt daardoor nog een min of meer uitzonderlijke positie in. Aan de andere pool van de bedoelde landenreeks zou men een land als Ghana kunnen plaatsen. Hier heeft het buitenlandse kapitaal nog formidabele posities, met name het Unilever concern. Men kan het evenwel beslist geen neokoloniaal kapitalistisch land noemen. Evenmin als dat bij Mali, Egypte en in Azië bij Burma [is Myanmar – MIA] mogelijk is.

In het kader van de revolutionaire machtsverschuivingen en ontwikkelingen die zich in de wereld na de Tweede Wereldoorlog hebben voorgedaan, in het bijzonder in de vorm van de uitbreiding en ontplooiing der socialistische wereld en nu ook van de destalinisatie en in die van de koloniale revolutie die steeds meer gaat in de richting van de schepping van nieuwe socialistische staten (China, Noord-Vietnam, Cuba), doet zich nu een merkwaardig nieuw verschijnsel voor.

Na de politieke koloniale revolutie voltrekt zich, mede onder de druk van de massa’s die zich bewust worden van de mogelijkheden die tot de beschikking van de mensheid staan, geleidelijk aan zonder abrupte sociale revolutie maar wel met horten en stoten een kwalitatieve verandering van de maatschappij; en zonder leiding van een marxistisch-leninistische partij. Burgerlijke en kleinburgerlijk-bureaucratische leiders en officieren nemen het initiatief; kleinburgerlijke-bureaucratische en militaire apparaten leiden het omvormingsproces van boven af. Nieuwe staten ontstaan, die wel een overheersend socialistische onderbouw hebben, doch nog geen socialistische bovenbouw vertonen. Men kan ze ook nog geen arbeiders- en boerenstaten noemen: men kan ze wel karakteriseren als: op-weg-naar-de-arbeiders-en-boerenstaat.

Het blijkt steeds duidelijker dat een burgerlijke industrialisatie als in West-Europa in de 19e eeuw in de “Derde Wereld” structureel onmogelijk is. Zelfs de nationale bourgeoisie in India kan niet buiten de vergroting van de staatssector der economie om enige groei mogelijk te maken. Tussen eigen achterlijkheid en de greep van het imperialisme bekneld, kunnen koloniaal-burgerlijke lagen die zwakker zijn dan de Indiase tot een parasitaire rol in neokoloniale stagnatie verzanden; maar zij kunnen zich ook aansluiten bij elementen die uit de impasse willen heenbreken in de richting van de vermindering der afhankelijkheid van het imperialisme; in de richting van economische groei, met behulp van die buitenlandse krachten die bereid zijn daaraan mee te werken. Wat alleen de vorm van nationalisatie der buitenlandse ondernemingen op industrieel, mijnbouw en agrarisch gebied, kan aannemen.
Gedeeltelijk uit angst in een onvermijdelijke explosie te zullen worden weggevaagd met de hele steeds onhoudbaarder geworden neokoloniale orde, komen zekere burgerlijke lagen er toe hun toevlucht tijdig in het bureaucratisch staatsapparaat te zoeken, om zoveel mogelijk van hun privileges te kunnen handhaven
.

Dat wil niet zeggen dat alle sectoren van het koloniale burgerdom een negatieve rol spelen. Uit hun midden zijn de Ben Bella’s, de Nassers en de Ne Wins naar voren getreden. Het wil wel zeggen dat deze niet-proletarische lagen – als zij de niet-kapitalistische weg zijn opgegaan geneigd zijn als sociale laag de voorkeur te geven aan een zo bureaucratisch mogelijke vorm van het onvermijdelijke socialisme, dat zo een sterk staatssocialistisch karakter krijgt.

Er zijn natuurlijk vele varianten binnen het aangeduide type. In Algerije spelen de georganiseerde arbeiders en boeren een belangrijke zelfstandige rol vooral op het economische vlak, zij het dat de FLN nog geen proletarisch socialistische partij genoemd mag worden. De aanvallen van de bureaucratie op het arbeiders- en boerenbeheer hebben zij in elk geval weten af te slaan.

In Egypte is de ontwikkeling puur bureaucratisch. De eigen stem van de massa’s hoort men daar nagenoeg niet. Wat ook wel enig verband zal houden met de relatief grote omvang der burgerlijke lagen. Laatstgenoemden zijn weer uiterst zwak in Burma, waardoor het zeer jonge proces nogal snel en geruisloos kan verlopen. Hoe het in de nabije toekomst zal gaan is nog niet duidelijk. Beslissend is de wijze waarop de landhervorming zal worden uitgevoerd.

Ghana vertoont voorlopig een zeer bureaucratisch beeld en bovendien is de buitenlandse kapitaalsector er nog zeer sterk. Men kan het zich vermoedelijk slecht permitteren de Unilever bezittingen te nationaliseren zonder gevaarlijke economische risico’s te nemen.

Behalve de afwezigheid van zelfstandig optredende socialistische massapartijen, hebben genoemde landen ook het verschijnsel van de bonapartistische leiding gemeen: laverend tussen de massa, allerlei burgerlijke groepen en klieken en het imperialisme in; de een wat minder opportunistische dan de ander, en vaak steunend op het leger.

SOEKARNO

Indonesië vormt een uitzondering met zijn grote communistische partij van meer dan 2.000.000 leden. Het revolutionaire wereldproces heeft daar al vroeger een scherper omlijnde politiek gestalte gekregen. Anders dan bv. in Egypte, Ghana en Burma traden de massa’s actief op bij de nationalisaties. Maar het feit dat alle bedrijfsbezittingen door het militair-bureaucratische apparaat weer werden overgenomen van de arbeiders, dus socialisaties werden gedeproletaliseerd, brengt Indonesië weer dichter bij het beschreven staatssocialistische type. Nooit werd er ook maar op vage wijze over concrete deelname van de arbeiders in het bedrijfsbeheer gerept. De bureaucratie breidt zich steeds meer uit. Hier moet bij worden aangetekend dat deze niet homogeen is: alle sociale lagen en politieke stromingen zijn er bijna vertegenwoordigd, met als rechtervleugel het legerapparaat. Na alle nederlagen die de rechtervleugels der Indonesische bourgeoisie hebben ondergaan, is dit het laatst overgebleven bastion. En niet eens een volmaakt betrouwbaar bastion. Ook hier zijn rechtse en min of meer linkse stromingen en doen zich wel eens kleine machtsverschuivingen voor. De dalende ster van de conservatieve Nasoution, en het gerommel in de luchtmacht zijn er symptomen van.

Ondanks deze zwakheden is het leger, en niet het particuliere Indonesische kapitaal de belangrijkste en laatste barrière op de weg naar verdere socialistische ontwikkeling. Anders dus dan in Egypte en Burma, waar (in het laatstgenoemde land) het zich lange tijd op de strijd tegen het communisme had geconcentreerd en nog vrij scherp tegenover de communistische bewegingen staat.

De zeer uitgesproken bonapartistische evenwichtskunstenaar Soekarno, heeft een tijdlang geprobeerd – bij wijze van spreken – Indonesië dicht bij het Egyptisch-Ghaneese “model” te brengen: liquideren van alle partijen en vakbonden, vorming van eenheidspartij en eenheidvakbond, almachtige hyperbureaucratische rol van de staat. Wat niet gelukt is door de kracht door communistische massabeweging. Hij heeft alleen kans gezien de PKI steeds meer in het staatsapparaat te betrekken.

Die laatste tendens zou er op kunnen wijzen dat Indonesië de geleidelijke bureaucratische weg naar het socialisme voort zal zetten, waarbij verondersteld wordt dat de burgerlijke rechtervleugel dus telkens weer opnieuw stappen achteruit zou (moeten) doen.

Gegarandeerd is een dergelijke ontwikkeling evenwel geenszins. Het is niet zonder zin dat men speculeert over de mogelijkheden van een explosie na de dood van Soekarno. De constant verslechterende economie en de toenemende ontevredenheid der massa’s geven ook geen onbeperkte speelruimte aan de weg van de huidige leiding. Vooral niet als een Marguerite Higgins (zie Parool 6-5-’65) zou spreken namens een sterke stroming in Washington met haar onbewimpelde uitnodiging aan het leger om nu eindelijk eens het nut van alle Amerikaanse steun te tonen: d.w.z. de gevaarlijke Soekarno die zo dicht bij het communisme zou staan opzij te schuiven en zelf de macht in handen te nemen.

Wij wagen ons liever niet aan voorspellingen. Hoe het er met de PKI voorstaat en wat ons voor deze partij de juiste koers lijkt, zullen wij een volgende maal proberen uiteen te zetten.

15 juni 1965
Gerard Barendregt