Leon Trotski

De taken van de communistische opvoeding


Bron: De Internationale, orgaan van de Nederlandse sectie van de IVe Internationale, 1969, nr. 6-7, jg. 12
Vertaling: De Internationale
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
De vrouw en de opvoeding van de kinderen
De libertaire opvoeding
Lenin over de volksopvoeding

Op 21 augustus a.s. is het 29 jaar geleden dat Lev Davidovitsj Bronstein (Trotski) overleed als gevolg van de aanslag die een door Stalin gestuurde moordenaar (J. Mercader) op hem pleegde. Een moord met een ijsbijl, men kan zich het niet gruwelijker voorstellen.
Met Trotski (“de oude” zoals hij door de kameraden werd genoemd) overleed een van de grootste revolutionaire leiders van onze tijd. De meest gevreesde en belasterde (tot op de huidige dag) revolutionair door enige generaties stalinistische bureaucraten.
Wij menen de datum van Trotski’s overlijden het best te kunnen herdenken door de publicatie van een artikel dat hij schreef over “de opvoeding van de nieuwe mens” en dat voor het eerst verscheen in het persbulletin van de Communistische Internationale (Inprecor) van 16 augustus 1923.
Bij lezing zal men ervaren dat dit artikel ondanks het feit dat het ruim 45 jaar geleden werd geschreven nog niets van zijn actualiteit heeft verloren.
REDACTIE


Men doet het vaak voorkomen alsof de taak van de communistische opvoeding zou bestaan uit de opvoeding van de nieuwe mens. Deze woorden zijn vaag, het is declamatie.

We moeten erop bedacht zijn geen humanitaire uitleg toe te staan van de opvatting van “de nieuwe mens” of de taken van de communistische opvoeding. Er bestaat geen twijfel dat de mens van de toekomst, de burger van de commune, een belangwekkend en aantrekkelijk wezen zal zijn en dat zijn psyche (de futurist moet het mij vergeven, maar ik geloof dat de mens van de toekomst een psyche zal hebben) zeer verschillend zal zijn van de onze.

Onze huidige taak kan helaas niet bestaan uit het opvoeden van de mens van de toekomst. Het utopische en humanitair-psychologische standpunt is dat de nieuwe mens eerst gevormd moet worden en dat hij vervolgens nieuwe verhoudingen zal scheppen. Wij kunnen dat niet geloven, Wij weten dat de mens het product is van sociale verhoudingen. Maar wij weten ook dat tussen de menselijke wezens en de omstandigheden wederzijdse, gecompliceerde banden bestaan, die veranderlijk zijn. De mens zelf is een instrument van deze historische ontwikkeling en niet het minste. En in deze historische gecompliceerde verhoudingen die de actieve menselijke wezens hebben ervaren kunnen wij niet de abstracte, evenwichtige en volmaakte burger van de commune scheppen. Wij vormen mensen van onze tijd, die nog te strijden hebben voor het scheppen van de voorwaarden waaronder de evenwichtige burger van de commune kan ontstaan. Dat is zeker iets geheel anders en wel om de eenvoudige reden dat onze achterkleinzoon, de burger van de commune geen revolutionair zal zijn.

“De nieuwe mens” en de revolutionair

Op het eerste gezicht lijkt dit onjuist, zelfs een belediging. Het begrip “revolutionair” is de uitdrukking van het hoogste ideaal en van de hoogste moraal, die wij hebben kunnen erven van het vroegere tijdperk van culturele evolutie.

Daarom lijkt het alsof wij onze nakomelingen belasteren door hen niet als revolutionairen te zien. Maar wij moeten niet vergeten dat de revolutionair het product is van gegeven historische omstandigheden, een product van de klassenmaatschappij. De revolutionair is geen psychologische abstractie. De revolutie op zich is geen abstract principe maar een historisch feit, dat materieel geboren wordt uit de klassentegenstellingen en de gewelddadige onderwerping van de ene klasse door de andere. De revolutionair is een historisch type, en bij gevolg tijdelijk. Wij zijn trots tot dit type mensen te behoren. Maar door ons werk scheppen wij de voorwaarden van een sociale orde, waar geen klassentegenstellingen, geen revoluties en dus geen revolutionairen zullen zijn. Het is juist dat wij de zin van het woord “revolutionair” kunnen uitbreiden totdat het alle bewuste activiteiten van de mens omvat, die de beheersing van de natuur en technische en culturele overwinningen beogen. Maar niets staat ons een dergelijk abstraheren, zulk een uitbreiding zonder grenzen van het begrip “revolutionair” toe, omdat wij nog helemaal niet onze concrete historische revolutionaire taak: de omverwerping van de klassenmaatschappij hebben voltooid. En als gevolg daarvan zijn wij nog ver van de taak: de opvoeding van de evenwichtige burger van de commune, die nu zou bestaan uit zorgvuldig werk in een laboratorium, in een overgangsstadium van de weinig harmonische maatschappij. Zo’n werk zou een utopie zijn van kinderlijke armzaligheid. Wat wij willen scheppen zijn strijders, revolutionairen, die onze historische tradities erven en voortzetten daar waar wij ze nog niet tot het einde hebben kunnen voltooien.

Revolutie en mystiek

Wat zijn de voornaamste eigenschappen van de revolutionair? Het moet onderstreept worden dat wij niet het recht hebben de revolutionair te scheiden van de sociale basis waarop hij is ontstaan en waarzonder hij niets is. De revolutionair van onze tijd kan niet anders dan aan de arbeidersklasse gebonden zijn, aan al zijn eigen psychologische eigenschappen, aan zijn eigenschappen van wil en samenwerking. Indien dit mogelijk en noodzakelijk is, breekt de revolutionair de historische obstakels met gebruik van geweld om zijn doel te bereiken. Indien dit niet mogelijk is, maakt hij een omweg, hij ondermijnt en slaat met geduld en beslistheid toe. Hij is revolutionair omdat hij geen angst heeft obstakels uit de weg te ruimen en onverbiddelijk geweld te gebruiken terwijl hij er tegelijkertijd de historische noodzaak van onderkent. Het is zijn doel om zijn vernietigend en scheppend werk te blijven voortzetten. Hetgeen zeggen wil dat hij uit de gegeven historische omstandigheden het grootst mogelijke resultaat zal trachten te behalen voor de vooruitgang van de revolutionaire klasse.

De revolutionair kent geen inwendige doch slechts uitwendige belemmeringen voor zijn activiteit. Dat wil zeggen, dat hij bij zichzelf de mogelijkheid moet ontwikkelen het veld van zijn activiteit met al zijn negatieve en positieve kanten in ieder opzicht te kunnen overzien en daarvan een juiste politieke balans te kunnen opmaken. Maar indien hij door inwendige subjectieve belemmeringen in zijn actie wordt gehinderd, indien het hem aan begrip of wil ontbreekt, of wanneer hij door nationale, religieuze of groepsvooroordelen wordt verlamd is hij een halve revolutionair. Er zijn reeds teveel objectieve uitwendige belemmeringen, dat de revolutionair zich de luxe kan permitteren er zelf andere – van inwendige aard – op na te houden. Het opvoeden van een revolutionair moet voor alles bestaan uit een bevrijden van deze overblijfselen van onwetendheid en bijgeloof die men vaak vindt in een zeer gevoelig bewustzijn. Wij nemen een absoluut onverzoenlijke houding aan tegenover hen die ook maar een woord laten vallen over de mogelijkheid, het mysticisme en de religieuze sentimentaliteit te verbinden met het communisme. De godsdienst is onverenigbaar met het marxisme.

Wij menen dat het atheïsme als onscheidbaar element van de materialistische opvatting van het leven een noodzakelijke voorwaarde is voor de theoretische opvoeding van de revolutionair. Hij die aan een andere wereld gelooft kan zich niet geheel geven aan de omvorming van die waarin wij leven.

Darwinisme en marxisme

Ofschoon Darwin zoals hij zelf verklaarde, zijn geloof in god niet verloor, ondanks zijn verwerping van de bijbelse theorie van de schepping, is het darwinisme zelf niet minder onverenigbaar met dit geloof. En hierdoor evenals door andere aspecten is het darwinisme een voorloper, een voorbereiding van het marxisme. In ruime materialistische en dialectische zin is het marxisme de toepassing van het darwinisme op de mensenmaatschappij. Het liberalisme van de Manchesterschool heeft getracht het darwinisme op mechanische wijze aan de sociologie aan te passen. Zulke pogingen hebben slechts geleid tot kinderlijke vergelijkingen, die een verdediging van de bourgeoisie maskeerden. De tegenstellingen die door Marx werd gezien werden uitgelegd als de “eeuwige” wet van de strijd om het bestaan. Dat zijn absurditeiten. Alleen de verbinding tussen het darwinisme en het marxisme stelt ons in staat de levende ontwikkeling van het wezen in zijn primitieve verhoudingen tot de anorganische natuur te begrijpen en ook in zijn individualisering en zijn latere ontwikkeling, in zijn dynamiek, in zijn differentiatie van de vitale behoeften bij de eerste vormen van plantaardig en dierlijk leven – in hun strijd – in de verschijning van de eerste mens of antropoïde, die het eerste werktuig gebruikt, in de ontwikkeling van de primitieve samenwerking met gebruikmaking van middelen, in het latere ontstaan van maatschappelijke “lagen” als gevolg van de ontwikkeling van de productiemiddelen, d.w.z. de middelen om de natuur te beheersen, in de klassenoorlog en uiteindelijk in de strijd voor de afschaffing van de klassen.

De wereld vanuit zulk een breed gezichtspunt begrijpen betekent het menselijk bewustzijn voor de eerste keer bevrijden van de overblijfselen van de mystiek en het een stevig uitgangspunt geven. Het betekent er voor de toekomst van overtuigd te zijn dat er geen subjectieve belemmeringen voor de strijd bestaan, doch alleen uitwendige, die op de een of andere manier overwonnen moeten worden, afhankelijk van de omstandigheden van het conflict.

Wij heb ben vaak gezegd: “De praktijk gaat boven alles”. Dat is juist in de zin dat de gemeenschappelijke ervaring van een klasse en van de gehele mensheid, de illusies en valse theorieën geleidelijk verwerpt die gebaseerd zijn op haastige veralgemeningen. Maar men kan met evenveel recht zeggen: “De theorie gaat boven alles”, omdat wij daarmee bedoelen “dat de theorie in wezen de gehele ervaring van de mensheid omvat”. Zo beschouwd verdwijnt de tegenstelling tussen theorie en praktijk, want de theorie is niets anders dan een juiste beoordeling en veralgemening van de praktijk. De theorie doet de praktijk niet mislukken, doch slechts een niet doordachte, empirische en lompe houding voorkomen. Om een juist oordeel te kunnen vellen over de strijd, over de toestand van onze eigen klasse, moeten wij een juiste methode bezitten voor de historische en politieke oriëntatie. Deze methode is het marxisme, of voor de huidige periode: het leninisme. Marx en Lenin zijn onze twee grote gidsen op het gebied van het sociale onderzoek. Voor de jongere generatie gaat de weg naar Marx via Lenin. De directe weg wordt steeds moeilijker omdat de tijd die ons scheidt van de genieën die het wetenschappelijk socialisme gegrondvestten – Marx en Engels – te lang is. Het leninisme is de hoogste incarnatie en concentratie van het marxisme voor de directe revolutionaire actie in de tijd van het imperialisme, de doodstrijd van de burgerlijke maatschappij. Het Lenin-instituut te Moskou moet een hogeschool worden van de revolutionaire strategie. Onze communistische partij is doordrenkt van de machtige geest van Lenin. Zijn revolutionair genie staat aan onze kant. Onze revolutionaire longen ademen de lucht van deze leer; het beste en hoogste product van de ontwikkeling van de menselijke geest. Dat is de reden waarom wij ervan overtuigd zijn dat de toekomst aan ons zal zijn.