T. W.

Boekbespreking

De accumulatietheorie


Bron: De Internationale, orgaan van de Nederlandse sectie van de IVe Internationale, 1968, nr. 10, jg. 11
Deze versie: Spelling aangepast
Transcriptie/HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive
| Hoe te citeren? — Graag bronvermelding !

Qr-MIA

       


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:


Verwant
Uit: De accumulatie van het kapitaal
De noodzaak van gangsterkapitalisme: primitieve accumulatie in Rusland en China
De theorie van Marx over de oorspronkelijke accumulatie en de industrialisering van de Derde Wereld

De economische geschriften van Marx – behalve enkele kleine uitgaven en het eerste deel van Het Kapitaal – zijn niet in het Nederlands vertaald. Daarom kunnen we het niet anders dan toejuichen dat J. van Santen in zijn academisch proefschrift De Marxistische Accumulatietheorie een groot gedeelte van de stof uit het tweede en derde deel van Das Kapital behandelt. Naast uitvoerige citaten van Marx gaat hij tevens in op verschillende andere theorieën, zoals die van Rosa Luxemburg, Fritz Sternberg, Henryk Grossmann, Paul M. Sweezy en Paul A. Baran. Hoewel gezien de aard van het werk wel begrijpelijk, moeten we het toch betreuren dat alle citaten – en dat zijn er veel – in de oorspronkelijke talen gegeven zijn. Hoewel verondersteld moet worden dat de lezer van dit boek over een grote kennis van de marxistische theorieën beschikt en door de citaten in de oorspronkelijke talen te geven de kans op vertaalfouten niet aanwezig is en dus de waarde van het werk voor de lezer die de moderne talen beheerst daardoor groter wordt, zal het hierdoor toch moeilijker kunnen doordringen tot een grote kring van geïnteresseerden, die weliswaar veel kunnen leren uit hetgeen de schrijver over al deze auteurs mededeelt, maar toch geheel of gedeeltelijk in de onmogelijkheid blijft verkeren de oorspronkelijke tekst te volgen.

Van Santen is zeker geen slaafse volgeling van Marx. Hij zegt echter een “immanente” kritiek te leveren, d.w.z. een kritiek die “berust op een identificatie van de criticus met de gekritiseerde en dus op een beoordeling van de gekritiseerde aan de hand van zijn eigen maatstaven”. Of van Santen hierin geslaagd is willen we graag aan de lezer overlaten. In de eerste twee hoofdstukken wordt vooral ingegaan op de filosofische achtergronden. Hij schrijft: “In de verdere ontwikkeling van onze gedachten wordt het marxisme en dus ook Marx’ accumulatietheorie begrepen als een speciale interpretatie van de dialectiek. Dat wil zeggen dat Marx allerlei wijsgerige categorieën geïntegreerd heeft in de economische wetenschap.” De schrijver gaat uit van de hegeliaanse dialectiek en zegt: “Marx blijkt te lijden niet aan een teveel aan dialectiek, maar aan een dialectisch tekort.” Met een reeks van citaten probeert hij het belang van de hegeliaanse dialectiek aan te tonen en Marx als een minder scherp criticus van deze dialectiek voor te stellen. En hij gaat dan ook in op een “uitlating in het ‘nawoord op de tweede druk’ van Het Kapitaal, volgens welke hij (Marx tw.) vooral koketteerde met de terminologie van Hegel.” Marx schrijft in genoemd nawoord echter:

“Mijn dialectische methode is in de grond niet slechts verschillend van de Hegeliaanse, maar haar direct tegendeel. Voor Hegel is het denkproces, ..., de schepper van de werkelijkheid ... Bij mij is omgekeerd het ideële niets anders als het in het hoofd van de mensen omgezette en vertaalde materiële ... De mystificatie, welke de dialectiek in Hegels handen ondergaat, verhindert geenszins dat hij haar algemene bewegingsvormen voor het eerst geheel en bewust beschreven heeft. ZE STAAT BIJ HEM OP ZIJN KOP. Men moet hem omkeren, om de rationele kern in het mystieke omhulsel te ontdekken.
In haar mystieke vorm werd de dialectiek een Duitse mode, omdat ze het bestaande scheen te verklaren. IN HAAR RATIONELE GESTALTE IS HIJ EEN ERGERNIS EN EEN GRUWEL VOOR HET BURGERDOM EN ZIJN DOCTRINAIRE WOORDVOERDERS, omdat hij in het positieve begrip van het bestaande tegelijkertijd ook het begrip van zijn negatie, zijn noodzakelijke ondergang insluit.”

De dialectische methode van Marx dient niet om de wereld te “verklaren” maar om de wereld te “veranderen”. Als van Santen meent dat de “opheffing” van de filosofie, welke Marx eist, haar integratie IN de vakwetenschappen betekent en “de Marx onderzoekers verplicht zich met de dialectische wijsbegeerte bezig te houden” is er een sprake van “opheffing” van de filosofie. De dialectiek is voor Marx een “methode”. Een immanente Marx-kritiek zal van deze opvatting van de dialectiek moeten uitgaan op straffe van niet-immanent te worden.

Al te veel wordt vergeten dat Marx niet een boek over “marxistische” economie geschreven heeft maar een “KRITIEK op de politieke economie” Marx en Engels waren in de eerste plaats strijders.

Als van Santen Engels’ uitlating citeert dat “de Hegeliaanse filosofie ‘opgeheven’ moet worden, dat wil zeggen in de zin dat zijn vorm kritisch vernietigd, de haar gewonnen inhoud echter gered wordt” is het nuttig ook de daarop volgende zin van Engels te citeren: “INTUSSEN SCHOOF DE REVOLUTIE VAN 1848 ECHTER DE GEHELE FILOSOFIE EVEN ONGEGENEERD TERZIJDE ALS FEUERBACH ZIJN HEGEL.” Uitlatingen van van Santen als: “De angst voor politieke consequenties bij een positieve waardering van Keynes c.s. heeft natuurlijk een rol gespeeld” geeft ongeveer de basis aan van waaruit van Santen redeneert! Zuiver wetenschappelijk onderzoek, waarbij dan echter voorbijgegaan mag worden aan het feit dat dit zuivere onderzoek marxistisch beschouwd politieke achtergronden heeft. De gehele leer van Marx is er juist op gebaseerd dat er klassewetenschap, klassemoraal is en dat zeker Keynes daaraan niet ontkomen is en niet aan ontkomen wou. Bij een beoordeling van Keynes gaat het niet in de eerste plaats om de “angst voor politieke consequenties”, maar om de klassebasis van waaruit Keynes beoordeeld moet worden, nl. het doel: de oplapping, het in stand houden van het kapitalisme óf de vernietiging van het kapitalisme, de kritiek op de kapitalistische economie door Marx of kapitalistische “economische politiek”, die Keynes wil. Marxisten hebben er geen enkel belang bij te weten hoe dit stelsel nog enige tijd langer in stand gehouden kan worden, tenzij om te weten hoe deze methode het best bestreden kan worden.

Waarom heeft van Santen bezwaar dat “Keynes uit politieke overwegingen” afgewezen wordt? Is politiek zo verwerpelijk? Is de economie van Keynes niet de zuiverste POLITIEKE economie? Is Het Kapitaal van Marx geen kritiek op de politieke economie? Een immanente Marx-kritiek zal zeker van politieke overwegingen, van klasse-overwegingen moeten uitgaan. Zo niet, dan is deze kritiek niet-immanent.

Van Santen citeert Engels als deze zegt: “de vraag van de verhoudingen van het denken tot het zijn, van de geest tot de natuur, de belangrijkste vraag van de gehele filosofie...” Helaas is de zin niet afgemaakt. Het vervolg luidt: “...heeft dus, niet minder dan alle religie, zijn wortels in de bekrompen en onwetende voorstellingen van de toestand der wildheid.” Even verder zegt Engels: “Zij die vasthielden aan de oorspronkelijkheid van de geest tegenover de natuur, die dus in laatste instantie de een of andere schepping van de wereld aannamen – en die schepping is bij de filosofie bv. bij Hegel, vaak nog veel verwarrender en onzinniger dan in het christendom – vormden het kamp van het idealisme.”

Van Santen vindt dat “het materialisme van Marx op zijn minst problematisch genoemd moet worden” en volgens hem blijkt dit uit de kritiek van Marx op het fetisjisme of de “verzakelijking”. Hij meent dat voor het materialisme niet het bewustzijn, maar de “onafhankelijk van het denken zijnden zaak, het ware” is. Het denken wordt als louter denken afgewezen, omdat men in de waan verkeert dat het denken de zaak vervalst: “Marx,” zegt hij dan “kritiseert de verzakelijkte denkwijze bij de behandeling van het fetisjisme, een gedachtegang die allerlei maatschappelijke instellingen als dingen fixeert, terwijl deze in wezen producten van menselijke gedragingen zijn. Zo spreekt hij van geldfetisjisme, van warenfetisjisme, van kapitaalfetisjisme...”

Men zou in de eerste plaats zich kunnen afvragen of de beschrijving, welke van Santen van het materialisme geeft niet dichter staat bij het kantiaanse “ding op zich”, dus bij een agnostische opvatting dan bij een materialistische. Het fetisjisme opvatten als een “GEDACHTEGANG” die allerlei maatschappelijke instellingen als dingen fixeert, valt toch moeilijk in overeenstemming te brengen met hetgeen Marx over het fetisjisme zegt:

“Een waar schijnt op het eerste gezicht een gemakkelijk te begrijpen, alledaags ding. Haar ontleding toont aan dat hij een zeer doortrapt ding is, vol bovennatuurlijke spitsvondigheden en theologische streken. ...Waaruit komt dan het raadselachtige karakter van het arbeidsproduct voort, zodra het de warenvorm aanneemt? Klaarblijkelijk uit deze vorm zelf... Het geheimzinnige van de warenvorm bestaat dus eenvoudig hierin, dat hij voor alle mensen het maatschappelijk karakter van de arbeidsproducten zelf weerspiegelt, als maatschappelijk-natuurlijke eigenschappen van deze voorwerpen... Krachtens dit quid pro quo worden de arbeidsproducten waren, zinlijk-bovenzinlijke of MAATSCHAPPELIJKE (kapitaal van mij t.w.) dingen... Dit afgodskarakter van de warenwereld ontstaat, zoals de voorafgaande ontleding reeds heeft aangetoond, uit het bijzondere maatschappelijke karakter van de arbeid, die waren voortbrengt.”

Hier worden geen maatschappelijke instellingen als dingen gefixeerd, integendeel, de maatschappelijke oorsprong wordt hier blootgelegd, ontdaan van alle sluiers, die haar werkelijke betekenis verdoezelen willen.

Van Santen komt dan tot het oordeel dat Engels vooral in zijn Anti-Dühring de theorie nog vulgariseert en “Tot een volledig wanbegrip van de betekenis van de praxis” komt. Deze praxis verengt zich later en het subject van de praxis verengt de proletarische elite tot de beroepsrevolutionairen...

“Om te beginnen”, zegt van Santen, “DWINGT elke praktijk tot eenzijdigheid. Veelzijdigheid is slechts aan het denken voorbehouden, dat “eenheid van tegendelen” kan denken. Dat is handelend onmogelijk. Zodra ik voor een deur sta, kan ik verder gaande óf rechts óf links óf vooruit óf achteruitgaan. Maar ik kan niet én rechts én links én achteruit en vooruitgaan. Er is dus altijd óf... óf... Het een sluit het ander UIT.
Bij de dialectiek van het denken sluit het een het ander IN. Hier is het dus: én... én... Daarom MOET de eenheid theorie-praktijk bij het marxisme onherroepelijk leiden tot eenzijdigheid en partijdigheid. Een leer als de marxistische, die zo nauw gelieerd is aan de praktische politiek, dwingt haar aanhangers partijdig, eenzijdig en dus onverdraagzaam. te zijn.”

Hier komt duidelijker dan waar ook naar voren dat van Santen geen immanente kritiek levert. De gehele marxistische theorie is slechts te begrijpen als men uitgaat van het feit dat de maatschappij in klassen verdeeld is, klassen die tegengestelde belangen hebben en dus partijdig zijn. “De geschiedenis van de maatschappij tot nu toe, is de geschiedenis van klassenstrijd” (Marx). De gehele economische theorie van Marx toont aan dat er geen sprake is van een: of... óf, maar voortdurend van een: én... én. Gebruikswaarde en ruilwaarde, vrije concurrentie en monopolievorming, winstmaximering en daling van de winstvoet, privaatbezit der productiemiddelen en nationalisatie, al deze tendensen komen tegelijkertijd voor, vinden hun oorsprong in dezelfde oorzaken. Als men beweert dat hetzelfde bedrijf niet tegelijkertijd een particuliere onderneming en een staatsbedrijf kan zijn, maakt men dezelfde fout als van Santen wanneer hij zegt dat hij voor een deur staande kiezen moet. Het gaat niet om wat hij doet, wat een bedrijf doet, het gaat om de maatschappij, de mensen, die een “eenheid van tegendelen” is, die al deze tegenstellingen tegelijkertijd in zich bergt en in zich bergen moet omdat dit de voorwaarde voor zijn ontwikkeling, de voorwaarde voor het dialectische proces is. Van Santen zegt dat bij Marx: “het denken, de bevoegdheid om als laatste criterium van de waarheid te fungeren, ontzegd is.”

Inderdaad, het laatste criterium is niet het denken, het laatste criterium is de werkelijkheid en zoals de werkelijkheid een “eenheid van tegendelen” is, zo is ook de waarheid een “eenheid van tegendelen”. Welke waarheid voor iemand DE waarheid is, hangt er van af aan welke zijde van de barricade hij staat. Daarmee is niet zoals van Santen zegt “het marxisme eigenlijk in conflict met de waarlijk menselijke gemeenschap, nl. met de gemeenschap van de geest”, integendeel daardoor is het marxisme juist het strijdmiddel voor een waarlijk menselijke gemeenschap. Het socialisme is de negatie van de negatie, de vernietiging van alle klassentegenstellingen, de werkelijk klasseloze maatschappij, waardoor de mensen voor de eerste keer in de geschiedenis niet langer onderdrukten en onderdrukkers, uitgebuitenen en uitbuiters zijn, maar werkelijk en alleen mensen. Dan pas is er niet meer een gedeelde, een antagonistische waarheid, maar dan eerst is er een ongedeelde, menselijke waarheid, omdat de maatschappelijke oorzaak voor de verschillende waarheden verdwenen is. Het is niet zoals van Santen zegt, dat “de degradatie van het denken de onverbiddelijke prijs is, die betaald wordt voor de ontsnapping uit het dilemma tussen het historisch finalisme enerzijds en de absolute geldigheid van het denken anderzijds”. Het is precies het tegendeel, nl. dat de ontwikkeling van het denken zijn oorsprong vindt in de ontwikkeling van de maatschappelijke verhoudingen, die het denken opgesloten hebben in het enge keurslijf van hun eigen wenselijkheden en dat de strijd voor het socialisme, de negatie van alle eng bekrompen, op de kapitalistische werkelijkheid en het kapitalistische belang gericht denken is en dat het succes van deze strijd de negatie van de negatie het werkelijk vrije denken betekent. Van Santen zet de wereld met Hegel OP ZIJN KOP en de socialisten zullen moeten oppassen dat zij gebruikmakende van de kennis van de burgerlijke wetenschap, het belang van een werkelijk dialectisch denken in marxistische zin blijven zien en niet verward raken in die strikken van die burgerlijke economen en filosofen, die Marx proberen te integreren in de burgerlijke wetenschap om hierdoor de socialistische beweging te maken tot apparaat ter verdoezeling van de klassentegenstellingen en ter afleiding van de werkelijke strijd der onderdrukten.

Zodoende kan men tot uitspraken komen als van van Santen: “De westerse gemeenschap, waarin deze principes (dat de mens vrij is) gerealiseerd zijn, is de gemeenschap des geestes”. In de westerse gemeenschap d.i. de kapitalistische gemeenschap, kan de mens niet vrij zijn, het is niet de gemeenschap des geestes maar de gemeenschap van de winstmakerij, de gemeenschap van de atoombom, van de vernietiging van voedsel en van mensen, van hongersnoden en politieknuppels aan de ene kant en mateloze ophoping van rijkdom aan de andere kant. De moeilijkheid voor Marx is niet het bepalen van het wezen van de mens zoals van Santen zegt, de moeilijkheid voor van Santen is het bepalen van de plaats van de “vervreemde” mens in de maatschappij, die op klassentegenstellingen berust. Wij naderen niet een “politiek en zedelijk nihilisme” maar zijn omgekeerd op weg het nihilisme ten opzichte van alle werkelijke waarden in deze maatschappij af te breken, naar de verwezenlijking, naar het tot een algemeen goed maken van deze waarden door de vestiging van een socialistische maatschappij.
(wordt vervolgd)
t.w.